Een carcinogeen is een invloed die het risico op kanker verhoogt. De meeste zijn mutagenen: het ultraviolet van het zonlicht (huidkankers), de teer van tabaksrook (long, mond, blaas), ioniserende straling, asbestvezels, alcohol, sommige schimmels. Andere werken anders: bepaalde virussen dragen genen die de remmen van de cel blokkeren — humane papillomavirussen veroorzaken vrijwel alle baarmoederhalskankers, hepatitisvirussen veel leverkankers — en langdurige ontsteking of hormonen die een weefsel aan het delen houden, verhogen het aantal delingen waarin mutaties kunnen optreden.
Voorbeelden
Voorbeeld 17.7 (Tabak)
Rook draagt zo’n zeventig carcinogenen; benzopyreen, eenmaal door de enzymen van de cellen zelf geactiveerd, hecht zich aan guanines en veroorzaakt substituties op die plaatsen. Het p53-gen van een longtumor van een roker draagt doorgaans precies zo’n substitutie, op een van de weinige plaatsen waar benzopyreen zich het gemakkelijkst bindt — het mutageen laat zijn handtekening in de volgorde achter. Longkanker was vóór de sigaret een zeldzaamheid; roken veroorzaakt negen van de tien gevallen, en stoppen halveert het risico binnen tien jaar, doordat de cellen die de eerste stappen droegen geleidelijk worden vervangen.