Een chromosoom is één DNA-molecuul met zijn verpakkingseiwitten. Tussen twee delingen is het een losse, onzichtbare draad; aan het begin van de mitose rolt het zich op tot een compact staafje dat onder de lichtmicroscoop zichtbaar is. Na de replicatie bestaat elk chromosoom uit twee gelijke chromatiden, verbonden bij het centromeer: de vertrouwde X-vorm. Het karyotype van een soort is haar volledige stel chromosomen, in de metafase gefotografeerd en op grootte in paren gerangschikt: een menselijke cel heeft er 46, in 23 paren, waarbij de leden van een paar homoloog zijn — dezelfde genen op dezelfde plaatsen, één van elke ouder.
Voorbeelden
Voorbeeld 12.8 (Menselijke getallen)
Een menselijke cel in metafase bevat 46 chromosomen en 92 chromatiden; in anafase 92 chromosomen, waarvan er 46 naar elke pool gaan; elke dochter 46 chromosomen met elk één chromatide, en precies het DNA dat de moeder aan het begin van haar cyclus had.