Biologie · Begrippenlijst

Wat is T-celreceptoren en MHC?

Definitie 16.4 Universitaire biologie — jaar 3 · Hoofdstuk 16 — Adaptieve afweer en vaccinatie

De T-celreceptor is een molecuul van twee ketens, gebouwd door dezelfde recombinatie, dat nooit wordt uitgescheiden en geen antigeen bindt dat vrij in oplossing is: hij herkent een kort peptide in de groeve van een molecuul van het belangrijkste weefselverenigbaarheidscomplex (MHC) op het oppervlak van een andere cel. MHC-klasse I, op elke kernhoudende cel, toont peptiden van acht tot tien residuen die het proteasoom uit de eigen cytosolische eiwitten van de cel heeft geknipt — een steekproef van wat de cel maakt, met inbegrip van elk virus — aan CD8-T-cellen, die de cel doden als het peptide vreemd is. MHC-klasse II, op dendritische cellen, macrofagen en B-cellen, toont peptiden van dertien tot vijfentwintig residuen uit eiwitten die de cel heeft opgenomen en in endosomen verteerd, aan CD4-T-cellen, die met hulp antwoorden. Een T-cel is gerestricteerd: hij herkent zijn peptide alleen op het MHC-allel waarop hij is geselecteerd. De MHC-genen (HLA bij de mens) zijn de meest polymorfe van het genoom, met duizenden allelen die elk in de groeve verschillen, zodat ieder mens een andere steekproef van de peptiden van elk eiwit toont en geen ziekteverwekker bij iedereen aan presentatie ontsnapt — en zodat een getransplanteerd orgaan van een niet-passende donor door een groot deel van de T-cellen van de ontvanger als vreemd wordt herkend.

De twee presentatieroutes. Klasse I toont CD8-T-cellen wat een cel binnenin zichzelf maakt; klasse II toont CD4-T-cellen wat een antigeenpresenterende cel heeft opgegeten. Een cytotoxisch antwoord richt zich op het eerste, een helperantwoord op het tweede.
De twee presentatieroutes. Klasse I toont CD8-T-cellen wat een cel binnenin zichzelf maakt; klasse II toont CD4-T-cellen wat een antigeenpresenterende cel heeft opgegeten. Een cytotoxisch antwoord richt zich op het eerste, een helperantwoord op het tweede.

Voorbeelden

Voorbeeld 16.9 (Overgevoeligheid, afweerstoornissen, transplantatie)

Allergie is een Th2-reactie op een onschadelijk antigeen — pollen, pinda, penicilline — die IgE oplevert; bij hernieuwde blootstelling verknoopt het antigeen het IgE op mestcellen, die binnen minuten histamine vrijgeven, en zit het antigeen in het bloed, dan heet die algemene vrijgave anafylaxie, behandeld met adrenaline. Afweerstoornissen: kinderen zonder RAG of zonder het enzym ADA maken geen lymfocyten (ernstige gecombineerde immuundeficiëntie) en sterven aan besmetting tenzij zij merg of gentherapie krijgen; hiv vernietigt de CD4-T-cellen en daarmee de hulp die elke afweerreactie nodig heeft. Transplantatie: de T-cellen van de ontvanger zien de HLA-moleculen van de donor als vreemd, en tot een tiende van alle T-cellen antwoordt — veel meer dan op enige ziekteverwekker — zodat transplantaten op de HLA-loci worden gematcht en de afweer van de ontvanger levenslang wordt onderdrukt; een transplantaat van merg kan omgekeerd zijn nieuwe gastheer aanvallen. En het doelbewuste gebruik: de monoklonale antilichamen van Hoofdstuk 6, de checkpointremmers die T-cellen tegen tumoren loslaten (Hoofdstuk 11), en T-cellen die zijn uitgerust met een chimere receptor voor een tumorantigeen (CAR-T), die leukemieën hebben genezen waaraan niets anders raakte.

Lees in het hoofdstuk →