Voorbeeld 20.16 (Een projectie en haar symmetrie, expliciet)
Projecteer in R2 op F=Vect(1,1) langs G=Vect(0,1). Ontbind (x,y)=a(1,1)+b(0,1): de eerste coördinaat geeft a=x, de tweede b=y−x. Bijgevolg
p(x,y)=(x,x),s(x,y)=2p(x,y)−(x,y)=(x, 2x−y).
Controleer de algebra: p(p(x,y))=p(x,x)=(x,x), en s(s(x,y))=s(x,2x−y)=(x,2x−(2x−y))=(x,y). Meetkundig is s de “schuine spiegeling” in de rechte y=x volgens de verticale richting: zij houdt F puntsgewijs vast en keert G om. Hadden we op dezelfde F geprojecteerd maar langs G′=Vect(1,−1), dan zou de formule veranderen in p′(x,y)=(2x+y,2x+y): een projectie wordt bepaald door haar beeld en haar kern, nooit door het beeld alleen.