Een long is een instulping van het lichaamsoppervlak tot een vochtige inwendige kamer, waardoor het oppervlak in droge lucht nat blijft. De long van een zoogdier is een boom van luchtwegen die eindigt in zo’n driehonderd miljoen longblaasjes, zakjes van breed waarvan de wanden — één epitheelcel en één haarvatendotheel, samen — bij een mens beslaan, gehuld in een haarvatennet waar het hele hartminuutvolume doorheen gaat. Zij wordt getijdengewijs geventileerd: het middenrif en de ribspieren maken de borstkas groter, er stroomt lucht in; zij ontspannen zich, en de lucht stroomt langs dezelfde weg weer naar buiten. Eén ademteug verplaatst , waarvan alleen de luchtwegen vult (de dode ruimte) en nooit een longblaasje bereikt; het gas in de longblaasjes, dat bij elke ademteug voor een zevende wordt ververst, blijft op en — de drukken waarmee het bloed in evenwicht komt.
Voorbeelden
Voorbeeld 21.13 (Hoogte en diepte)
Op bevat de lucht zuurstof en de longblaasjes : de halsslagaderlichaampjes drijven de ventilatie op, wat wegblaast en het bloed alkalisch maakt — een rem die de nieren over dagen opheffen door bicarbonaat uit te scheiden; de rode cellen verhogen hun BPG binnen dagen en het beenmerg het hemoglobine binnen weken (Hoofdstuk 12). Een zeehond die twintig minuten duikt doet het omgekeerde: hij ademt vóór het duiken uit, vertraagt zijn hart tot een tiende, sluit het bloed af van alles behalve hersenen en hart, en laat zijn spieren lopen op de zuurstof die aan hun eigen myoglobine is gebonden, dat tien keer zo geconcentreerd is als het onze, en daarna op gisting, terwijl hij een lactaat verdraagt dat het lichaam aan de oppervlakte opruimt. Zijn longen klappen onder in, wat stikstof uit zijn bloed houdt.