De hoeveelheid stof van een monster telt de deeltjes die het bevat (atomen, moleculen of ionen, telkens te vermelden). De eenheid is de mol, symbool : één mol bevat precies deeltjes.
Voorbeelden
Voorbeeld 25.10 (Eén mol koolstofatomen)
Een atoom koolstof-12 heeft een massa van ongeveer . Eén mol ervan heeft een massa van
De mol is zo gekozen dat de molaire massa van een atoom, in gram per mol, dicht bij zijn massagetal ligt: ongeveer voor waterstof, voor koolstof, voor zuurstof.
Voorbeeld 25.17 (Een mol op de labtafel)
Eén mol water is , ongeveer een eetlepel. Eén mol zout, , is een klein hoopje; één mol suiker, , vult een mok; één mol ijzer, , is een kubus van iets minder dan breed. Alle vier bevatten evenveel deeltjes: de suikermoleculen zijn gewoon veel zwaarder dan die van water, en de ijzeratomen zitten veel dichter op elkaar gepakt.