Definitie 3.11Universitaire wiskunde — Bachelor jaar 2 · Hoofdstuk 3 — Reductie van endomorfismen
Zet voor P=∑akXk∈K[X] de afbeelding P(u)=∑akuk∈L(E). De afbeelding P↦P(u) is een morfisme van algebra’s K[X]→L(E) (Definitie 1.33); haar kern {P:P(u)=0} is een ideaal van K[X], ongelijk aan nul (de familie (id,u,…,un2) is afhankelijk in het n2-dimensionale L(E)), en wordt dus voortgebracht door een unieke monische veelterm μu: de minimale veelterm (Stelling 1.26).
Voorbeelden
Voorbeeld 3.13(Minimale veeltermen met de hand gevonden)
De minimale veelterm wordt gevonden door achtereenvolgende graden te proberen. Voor de matrix J∈M3(R) vol enen: J=λI (graad 1 valt af), en J2=3J, dus
μJ=X2−3X=X(X−3):
graad 2, uiteenvallend, met enkelvoudige nulpunten — dus is Jdiagonaliseerbaar met spectrum{0,3} (Gevolg 3.17 hieronder), wat Voorbeeld 2.19 bevestigt zonder ook maar één determinant. Voor de verwisselingsmatrix A uit Voorbeeld 3.15: uit A=±I en A2=I volgt μA=X2−1. In beide gevallen is het patroon hetzelfde: raad uit de structuur een identiteit van lage graad (rang één dwingt J2=(trJ)J af; een involutie dwingt A2=I af) en ga daarna na dat geen echte deler annihileert. Minimale veeltermen worden meestal gevonden, niet uit χ berekend.
Voorbeeld 3.15(Het kernlemma met expliciete projectoren)
Zij A=(010100001) (verwissel de eerste twee coördinaten). Dan is A2=I: de veelterm X2−1=(X−1)(X+1) annihileert A, haar factoren zijn onderling ondeelbaar, en Bézout is expliciet:
21(X+1)−21(X−1)=1.
Volgens het bewijs van Stelling 3.14 zijn de projecties op ker(A−I) en ker(A+I) de veeltermen in A
Controle: π++π−=I, π+π−=0, π±2=π±, en de beelden zijn het vlak {x=y} (symmetrische vectoren, eigenwaarde1) en de rechte R(1,−1,0) (antisymmetrisch, eigenwaarde−1). Het kernlemma is geen uitspraak over bestaan alleen: de coëfficiënten van Bézout zijn de formules voor de projectoren.
Voorbeeld 3.20(Minimaal tegenover karakteristiek)
Voor D=diag(2,2,3) is χD=(X−2)2(X−3) maar μD=(X−2)(X−3), want (D−2I)(D−3I)=0 (ga het op de canonieke basis na), terwijl geen van beide factoren D alleen doodt. Voor het verschuivingsblok N=(0010)⊕(3), dat wil zeggen N′=(000100003), geldt χN′=X2(X−3)énμN′=X2(X−3) — het dubbele nulpunt is hier werkelijk nodig, omdat N′ aan de kernkant niet diagonaliseerbaar is (N′e2=e1=0). Vuistregel: μ en χ hebben dezelfde nulpunten (Propositie 3.12); de multipliciteit in μ meet de grootte van het grootste nilpotente blok, die in χ de totale dimensie van de karakteristieke deelruimte.