Mathematics · Boek 4 · Bachelor Year 2

Universitaire wiskunde — Bachelor jaar 2

Universitaire wiskunde — Bachelor jaar 2 · Bachelor Year 2

15Differentiaalrekening

De rekening met twee veranderlijken uit het volume van bachelorjaar 1 rijpt tot de differentiaalrekening van afbeeldingen tussen genormeerde ruimten: de differentiaal als beste lineaire benadering, de kettingregel in volle algemeenheid, de symmetriestelling van Schwarz bewezen, formules van Taylor, en de volledige tweede-ordeanalyse van extrema. De stelling van de inverse functie, de kroon op de theorie, wordt geformuleerd met haar bewijsstrategie — een vast punt volgens Banach — expliciet gemaakt.

Overal is UU een open deelverzameling van Rn\R^n (of van een genormeerde ruimte; het eindigdimensionale geval draagt alle ideeën) en f ⁣:URmf \colon U \to \R^m.

15.1 De differentiaal

Definitie 15.1

ff heet differentieerbaar in aa wanneer er een (continue) lineaire afbeelding  ⁣dfa ⁣:RnRm\dd f_a \colon \R^n \to \R^m bestaat met

f(a+h)=f(a)+ ⁣dfa(h)+o(h)(h0).f(a + h) = f(a) + \dd f_a(h) + o(\norm h) \qquad (h \to 0).

De afbeelding  ⁣dfa\dd f_a, de differentiaal van ff in aa, is uniek; haar matrix in de canonieke basissen is de jacobimatrix Jf(a)=(fixj(a))J_f(a) = \bigl(\frac{\partial f_i}{\partial x_j}(a)\bigr). Differentieerbaarheid impliceert continuïteit en het bestaan van alle richtingsafgeleiden  ⁣dfa(v)=limt0f(a+tv)f(a)t\dd f_a(v) = \lim_{t\to0}\frac{f(a + tv) - f(a)}{t}; het omgekeerde faalt (Oefening 15.2). Voor m=1m = 1 is  ⁣dfa(h)=f(a),h\dd f_a(h) = \langle \nabla f(a), h\rangle: de gradiënt uit bachelorjaar 1, nu begrepen als de vector die de differentiaal voorstelt.

Stelling 15.2 (C1C^1-criterium)

Bestaan alle partiële afgeleiden van ff op UU en zijn zij continu in aa, dan is ff differentieerbaar in aa. “C1C^1 op UU” — continue partiële afgeleiden — impliceert dus overal differentieerbaarheid, met continue differentiaal.

Bewijs. Component voor component (m=1m = 1 volstaat). Het bewijs uit bachelorjaar 1 voor twee veranderlijken — verplaats één coördinaat tegelijk, pas op elk traject de middelwaardestelling in één veranderlijke toe, en gebruik de continuïteit van de partiële afgeleiden in aa — veralgemeent woordelijk tot nn trajecten:

f(a+h)f(a)=j=1n(f(a+h(j))f(a+h(j1)))=jhjfxj(ξj),f(a + h) - f(a) = \sum_{j=1}^{n} \bigl(f(a + h^{(j)}) - f(a + h^{(j-1)})\bigr) = \sum_j h_j\,\frac{\partial f}{\partial x_j}(\xi_j),

waarbij h(j)h^{(j)} de eerste jj coördinaten van hh bevriest en ξj\xi_j op het jj-de traject ligt; de continuïteit maakt van elke fxj(ξj)\frac{\partial f}{\partial x_j}(\xi_j) de uitdrukking fxj(a)+o(1)\frac{\partial f}{\partial x_j}(a) + o(1), en de fout is o(h)o(\norm h).

Stelling 15.3 (Kettingregel)

Is ff differentieerbaar in aa en gg in f(a)f(a), dan is gfg \circ f differentieerbaar in aa met

 ⁣d(gf)a= ⁣dgf(a) ⁣dfa,Jgf(a)=Jg(f(a))Jf(a):\dd(g \circ f)_a = \dd g_{f(a)} \circ \dd f_a , \qquad J_{g\circ f}(a) = J_g\bigl(f(a)\bigr)\,J_f(a) :

jacobimatrices vermenigvuldigen.

Bewijs. Schrijf f(a+h)=f(a)+ ⁣dfa(h)+hε1(h)f(a + h) = f(a) + \dd f_a(h) + \norm h\,\varepsilon_1(h) en g(b+k)=g(b)+ ⁣dgb(k)+kε2(k)g(b + k) = g(b) + \dd g_b(k) + \norm k\,\varepsilon_2(k) met b=f(a)b = f(a) en k=k(h)= ⁣dfa(h)+hε1(h)k = k(h) = \dd f_a(h) + \norm h \varepsilon_1(h). Substitutie geeft

g(f(a+h))=g(b)+ ⁣dgb( ⁣dfa(h))+h ⁣dgb(ε1(h))+kε2(k),g(f(a+h)) = g(b) + \dd g_b\bigl(\dd f_a(h)\bigr) + \norm h\,\dd g_b(\varepsilon_1(h)) + \norm{k}\,\varepsilon_2(k),

en beide fouttermen zijn o(h)o(\norm h): de eerste omdat  ⁣dgb\dd g_b continu is en ε10\varepsilon_1 \to 0; de tweede omdat kCh\norm k \leq C\norm h (begrensde lineaire afbeelding plus een kleine term) en ε2(k)0\varepsilon_2(k) \to 0 als h0h \to 0.

Voorbeeld 15.4 (Radiale functies, eens en voor altijd)

Zij r(x)=x2r(x) = \norm x_2 op Rn{0}\R^n\setminus\{0\} en f=grf = g \circ r met gg een C1C^1-functie van één veranderlijke. Eerst is rr differentieerbaar buiten 00: uit r2=xi2r^2 = \sum x_i^2 volgt

rxi=xir,dat wil zeggenr(x)=xx,\frac{\partial r}{\partial x_i} = \frac{x_i}{r}, \qquad\text{dat wil zeggen}\qquad \nabla r(x) = \frac{x}{\norm x} ,

de radiale eenheidsvector (differentieer r2r^2 en deel — of pas de kettingregel toe op \sqrt{\cdot}). Vervolgens geeft de kettingregel voor elke radiale functie

f(x)=g(x)xx.\nabla f(x) = g'\bigl(\norm x\bigr)\,\frac{x}{\norm x} .

Uitgewerkt geval: g(r)=1rg(r) = \frac1r levert 1x=xx3\nabla\frac{1}{\norm x} = -\frac{x}{\norm x^3} op, het omgekeerd-kwadratische veld van de zwaartekracht en de elektrostatica — radiaal van richting, met grootte 1x2\frac{1}{\norm x^2}. Het inzicht om te onthouden: gradiënten van radiale functies zijn radiaal omdat de niveauverzamelingen bollen zijn en de gradiënt loodrecht op de niveauverzamelingen staat; in x=0x = 0 daarentegen is rr niet differentieerbaar (geen enkele kandidaat-lineaire afbeelding past bij h\norm h uit alle richtingen) — gladde radiale profielen hebben g(0)=0g'(0) = 0 nodig om de oorsprong sierlijk te passeren.

Stelling 15.5 (Middelwaardeongelijkheid)

Zij ff differentieerbaar op UU en zij het segment [a,b]={a+t(ba)}\intcc{a}{b} = \{a + t(b-a)\} bevat in UU. Dan is

f(b)f(a)basupx[a,b] ⁣dfx.\norm{f(b) - f(a)} \leq \norm{b - a}\, \sup_{x \in \intcc{a}{b}} \vertiii{\dd f_x} .

In het bijzonder is een differentieerbare afbeelding met verdwijnende differentiaal op een samenhangende open verzameling constant.

Bewijs. De functie φ(t)=f(a+t(ba))\varphi(t) = f(a + t(b-a)) is differentieerbaar op [0,1]\intcc{0}{1} met φ(t)= ⁣dfa+t(ba)(ba)\varphi'(t) = \dd f_{a + t(b-a)}(b - a) (kettingregel), met norm Mba\leq M\norm{b-a} waarbij MM het getoonde supremum is. Voor R\R-waardige ff besluit de middelwaardeongelijkheid in één veranderlijke; voor vectorwaarden past men haar toe op tu,φ(t)t \mapsto \langle u, \varphi(t)\rangle met uu de eenheidsvector langs f(b)f(a)f(b) - f(a). Constantheid: lokaal constant (segmenten in ballen) plus samenhang (de verzameling waar ff een gegeven waarde aanneemt, is open en gesloten: Hoofdstuk 4).

Voorbeeld 15.6 (Een lipschitzconstante uit de middelwaardeongelijkheid)

Is f(x,y)=sinxsinyf(x, y) = \sin x\,\sin y lipschitz op R2\R^2, en met welke constante? Haar gradiënt is f=(cosxsiny, sinxcosy)\nabla f = (\cos x\sin y,\ \sin x\cos y), met kwadratische norm

cos2xsin2y+sin2xcos2ysin2y+cos2y1=1\cos^2x\sin^2y + \sin^2x\cos^2y \leq \sin^2 y + \cos^2y\cdot 1 = 1

(begrens cos2x\cos^2x en sin2x\sin^2x afzonderlijk door 11), dus  ⁣df(x,y)=f1\vertiii{\dd f_{(x,y)}} = \norm{\nabla f} \leq 1 overal, en Stelling 15.5 op het segment tussen twee willekeurige punten geeft

f(b)f(a)ba2:\abs{f(b) - f(a)} \leq \norm{b - a}_2 :

ff is 11-lipschitz, en de constante is scherp (nabij de oorsprong heeft f(x,π2)=sinxf(x, \tfrac\pi2) = \sin x helling 11). Het inzicht om te onthouden: de middelwaardeongelijkheid zet een puntsgewijze grens op de differentiaal om in een globale continuïteitsmodulus — de standaardweg naar lipschitzschattingen in elke dimensie, en de motor in Oefening 15.12.

15.2 Tweede afgeleiden

Stelling 15.7 (Schwarz)

Is ff van klasse C2C^2 op UU (alle tweede partiële afgeleiden bestaan en zijn continu), dan geldt voor alle i,ji, j:

2fxixj=2fxjxi.\frac{\partial^2 f}{\partial x_i\,\partial x_j} = \frac{\partial^2 f}{\partial x_j\,\partial x_i} .

Bewijs. Twee veranderlijken volstaan (x=xix = x_i, y=xjy = x_j, de rest bevroren). Beschouw het tweede verschil

Δ(h)=f(a+h,b+h)f(a+h,b)f(a,b+h)+f(a,b).\Delta(h) = f(a + h, b + h) - f(a + h, b) - f(a, b + h) + f(a,b) .

Houd hh vast en zet φ(x)=f(x,b+h)f(x,b)\varphi(x) = f(x, b+h) - f(x, b): dan is Δ(h)=φ(a+h)φ(a)\Delta(h) = \varphi(a + h) - \varphi(a), en twee toepassingen van de middelwaardestelling geven

Δ(h)=hφ(ξ)=h(fx(ξ,b+h)fx(ξ,b))=h22fyx(ξ,η),\Delta(h) = h\,\varphi'(\xi) = h\Bigl(\frac{\partial f}{\partial x}(\xi, b+h) - \frac{\partial f}{\partial x}(\xi, b)\Bigr) = h^2\,\frac{\partial^2 f}{\partial y\,\partial x}(\xi, \eta),

met ξ(a,a+h)\xi \in \intoo{a}{a+h} en η(b,b+h)\eta \in \intoo{b}{b+h}. Wegens de continuïteit is Δ(h)h22fyx(a,b)\frac{\Delta(h)}{h^2} \to \frac{\partial^2 f}{\partial y\partial x}(a, b) als h0h \to 0. Dezelfde berekening met verwisselde rollen van de veranderlijken (bevries eerst de tweede veranderlijke) geeft Δ(h)h22fxy(a,b)\frac{\Delta(h)}{h^2} \to \frac{\partial^2 f}{\partial x \partial y}(a,b): de twee limieten van dezelfde grootheid vallen samen.

Voorbeeld 15.8 (Waarom C2C^2 nodig is: het tegenvoorbeeld van Peano)

Zij f(x,y)=xy(x2y2)x2+y2f(x, y) = \dfrac{xy(x^2 - y^2)}{x^2 + y^2}, f(0,0)=0f(0,0) = 0. Buiten de oorsprong is ff van klasse CC^\infty; in de oorsprong bestaan alle eerste en tweede partiële afgeleiden, maar de gemengde zijn verschillend. Reken langs de assen: f(x,0)=f(0,y)=0f(x, 0) = f(0, y) = 0, en voor y0y \neq 0 is

fx(0,y)=limx0f(x,y)x=y(0y2)y2=y,en symmetrischfy(x,0)=x.\frac{\partial f}{\partial x}(0, y) = \lim_{x\to0}\frac{f(x,y)}{x} = \frac{y(0 - y^2)}{y^2} = -y , \qquad\text{en symmetrisch}\qquad \frac{\partial f}{\partial y}(x, 0) = x .

Bijgevolg is

2fyx(0,0)= ⁣d ⁣dy[fx(0,y)]y=0=1,2fxy(0,0)=+1:\frac{\partial^2 f}{\partial y\,\partial x}(0,0) = \frac{\dd}{\dd y}\Bigl[\frac{\partial f}{\partial x}(0,y)\Bigr]_{y=0} = -1, \qquad \frac{\partial^2 f}{\partial x\,\partial y}(0,0) = +1 :

de twee gemengde partiële afgeleiden bestaan en verschillen. Geen tegenspraak met Stelling 15.7: de tweede partiële afgeleiden van ff zijn niet continu in 00 (test langs y=txy = tx). Het inzicht om te onthouden: de stelling van Schwarz is een echte stelling over continuïteit, geen formele identiteit — en de hypothese “C2C^2” in Taylor–Young hieronder doet echt werk.

Stelling 15.9 (Taylor–Young van orde 2)

Zij f ⁣:URf \colon U \to \R van klasse C2C^2 en aUa \in U. Dan geldt, als h0h \to 0,

f(a+h)=f(a)+f(a),h+12Hah,h+o(h2),f(a + h) = f(a) + \langle\nabla f(a), h\rangle + \frac12\, \langle H_a h,\, h\rangle + o\bigl(\norm h^2\bigr),

waarbij Ha=(2fxixj(a))H_a = \bigl(\frac{\partial^2 f}{\partial x_i\partial x_j}(a)\bigr) de (volgens Schwarz symmetrische) hessiaan is.

Bewijs. Pas de stelling van Taylor–Young in één veranderlijke (volume van bachelorjaar 1) toe op φ(t)=f(a+th)\varphi(t) = f(a + th) op [0,1]\intcc{0}{1}: volgens de kettingregel is φ(t)=f(a+th),h\varphi'(t) = \langle \nabla f(a + th), h\rangle en φ(t)=Ha+thh,h\varphi''(t) = \langle H_{a+th}h, h\rangle, beide continu in tt. Dan is φ(1)=φ(0)+φ(0)+12φ(θ)\varphi(1) = \varphi(0) + \varphi'(0) + \frac12\varphi''(\theta) (Taylor–Lagrange) met θ(0,1)\theta \in \intoo{0}{1}, en de continuïteit van de tweede partiële afgeleiden zet φ(θ)\varphi''(\theta) om in φ(0)+o(1)h2\varphi''(0) + o(1)\cdot\norm h^2, uniform: de getoonde ontwikkeling.

Voorbeeld 15.10 (Eén ontwikkeling, twee wegen)

Ontwikkel f(x,y)=excosyf(x, y) = \eu^x\cos y in de oorsprong tot orde 22. Door samenstelling van ontwikkelingen in één veranderlijke:

excosy=(1+x+x22+o(x2))(1y22+o(y2))=1+x+x2y22+o((x,y)2).\eu^x\cos y = \Bigl(1 + x + \frac{x^2}{2} + o(x^2)\Bigr)\Bigl(1 - \frac{y^2}{2} + o(y^2)\Bigr) = 1 + x + \frac{x^2 - y^2}{2} + o\bigl(\norm{(x,y)}^2\bigr) .

Via partiële afgeleiden: fx=excosyf_x = \eu^x\cos y, fy=exsinyf_y = -\eu^x\sin y, dus f(0)=(1,0)\nabla f(0) = (1, 0); en fxx=ff_{xx} = f, fyy=ff_{yy} = -f, fxy=exsinyf_{xy} = -\eu^x\sin y geven H0=diag(1,1)H_0 = \operatorname{diag}(1, -1): Stelling 15.9 reproduceert 1+x+12(x2y2)1 + x + \frac12(x^2 - y^2). De twee berekeningen stemmen overeen, en de weg via samenstelling was sneller — helemaal geen tweede partiële afgeleiden. Het inzicht om te onthouden: de oorsprong is geen kritiek punt (f0\nabla f \neq 0), zodat er ondanks de onbepaalde hessiaan geen zadelpunt te melden valt: de lineaire term regeert, en de tweede-ordetest spreekt uitsluitend in kritieke punten.

Stelling 15.11 (Tweede-ordetest voor extrema, bewezen)

Zij ff van klasse C2C^2 nabij een kritiek punt aa (f(a)=0\nabla f(a) = 0), met hessiaan H=HaH = H_a.

  1. Is HH positief definiet, dan is aa een strikt lokaal minimum (negatief definiet: maximum).
  2. Heeft HH eigenwaarden van beide tekens, dan is aa een zadelpunt: geen extremum.
  3. Is HH singulier (en semidefiniet), dan geen besluit.

De test “rts2rt - s^2” uit bachelorjaar 1 is het geval n=2n = 2: detH=rts2\det H = rt - s^2, en het teken van het spoor leest men af van rr.

Bewijs. Volgens de spectraalstelling (Stelling 12.13) wordt de kwadratische vorm van HH ingeklemd tussen haar extreme eigenwaarden: λminh2Hh,hλmaxh2\lambda_{\min}\norm h^2 \leq \langle Hh, h\rangle \leq \lambda_{\max}\norm h^2.

(1) Is λmin>0\lambda_{\min} > 0, dan geeft Taylor–Young

f(a+h)f(a)λmin2h2o(h2)>0f(a + h) - f(a) \geq \frac{\lambda_{\min}}{2}\norm h^2 - o(\norm h^2) > 0

voor kleine h0h \neq 0: strikt lokaal minimum.

(2) Langs een eigenvector v+v_+ met λ+>0\lambda_+ > 0 is f(a+tv+)f(a)=λ+2t2+o(t2)>0f(a + tv_+) - f(a) = \frac{\lambda_+}{2}t^2 + o(t^2) > 0 voor kleine tt; langs vv_- met λ<0\lambda_- < 0 is het verschil negatief: beide tekens komen in elke omgeving voor.

(3) f(x,y)=x2+y4f(x,y) = x^2 + y^4, x2y4x^2 - y^4 en x2+y3x^2 + y^3 delen in 00 dezelfde singuliere semidefiniete hessiaan, met drie verschillende gedragingen.

Voorbeeld 15.12 (Een volledige klassering, globaal inbegrepen)

Klasseer alle extrema van f(x,y)=x4+y44xyf(x, y) = x^4 + y^4 - 4xy op R2\R^2. Kritieke punten: f=(4x34y, 4y34x)=0\nabla f = (4x^3 - 4y,\ 4y^3 - 4x) = 0 geeft y=x3y = x^3 en x=y3=x9x = y^3 = x^9, dus x(x81)=0x(x^8 - 1) = 0: de reële oplossingen zijn (0,0)(0,0), (1,1)(1,1) en (1,1)(-1,-1). Hessianen: H=(12x24412y2)H = \begin{pmatrix} 12x^2 & -4\\ -4 & 12y^2\end{pmatrix}. In (±1,±1)(\pm1, \pm1): (124412)\begin{pmatrix} 12 & -4\\ -4 & 12\end{pmatrix}, eigenwaarden 88 en 1616: positief definiet, strikte lokale minima met f=2f = -2. In (0,0)(0,0): (0440)\begin{pmatrix} 0 & -4\\ -4 & 0\end{pmatrix}, eigenwaarden ±4\pm4: een zadelpunt. Globaliteit: uit 2xyx2+y22\abs{xy} \leq x^2 + y^2 volgt

f(x,y)x4+y42(x2+y2)=(x21)2+(y21)2+x2+y22(x,y)+:f(x, y) \geq x^4 + y^4 - 2(x^2 + y^2) = (x^2 - 1)^2 + (y^2 - 1)^2 + x^2 + y^2 - 2 \xrightarrow[\norm{(x,y)}\to\infty]{} +\infty :

ff is coërcief en neemt dus een globaal minimum aan (compactheid van de subniveauverzamelingen), noodzakelijk in een kritiek punt: de waarde 2-2, in zowel (1,1)(1,1) als (1,1)(-1,-1), is het globale minimum; een maximum is er niet (ff is naar boven onbegrensd). Het inzicht om te onthouden: de lokale test klasseert de kandidaten, maar alleen een groeiargument maakt van “lokaal” “globaal” — het tweestappenpatroon van elk optimalisatiebewijs in dit boek.

Methode 15.13 (De extrema van f ⁣:RnRf \colon \R^n \to \R klasseren)

  1. Los f=0\nabla f = 0 op (alle kritieke punten; op een gebied met rand behandel je de rand apart, zoals in Oefening 15.7).
  2. Bereken in elk kritiek punt de hessiaan en de tekens van haar eigenwaarden — in dimensie 22 volstaan detH\det H en trH\operatorname{tr} H: det<0\det < 0 zadelpunt; det>0\det > 0 extremum, van het type dat het teken van het spoor aangeeft; det=0\det = 0: de test zwijgt, bestudeer ff langs krommen.
  3. Voeg voor globale uitspraken een argument van compactheid of coërciviteit toe (f+f \to +\infty in het oneindige, of een compacte verzameling van nevenvoorwaarden), en vergelijk daarna de kritieke waarden.

15.3 De stelling van de inverse functie

Stelling 15.14 (Stelling van de inverse functie)

Zij f ⁣:URnf \colon U \to \R^n van klasse C1C^1 en aUa \in U met  ⁣dfa\dd f_a inverteerbaar. Dan bestaan er open omgevingen VaV \ni a en Wf(a)W \ni f(a) zodanig dat f ⁣:VWf \colon V \to W een bijectie is met C1C^1-inverse, en

 ⁣d(f1)f(x)=( ⁣dfx)1(xV).\dd (f^{-1})_{f(x)} = (\dd f_x)^{-1} \qquad (x \in V).

Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen.

Opmerking 15.15 (Waarom zij waar is: de strategie met het vaste punt)

Het oplossen van f(x)=yf(x) = y nabij aa herschrijft zich als de vastepuntsvergelijking x=x+ ⁣dfa1(yf(x))=:Φy(x)x = x + \dd f_a^{-1}\bigl(y - f(x)\bigr) =: \Phi_y(x); de afbeelding Φy\Phi_y heeft differentiaal id ⁣dfa1 ⁣dfx\mathrm{id} - \dd f_a^{-1}\dd f_x, klein nabij aa wegens de continuïteit van  ⁣df\dd f, zodat Φy\Phi_y een contractie is op een kleine gesloten bal en de vastepuntsstelling van Banach (Stelling 4.12) de unieke lokale oplossing x=f1(y)x = f^{-1}(y) levert. Continuïteit en differentieerbaarheid van de inverse volgen dan uit de schattingen in de contractie. De volledige boekhouding wordt in bachelorjaar 3 uitgevoerd; de strategie — en de uitspraak — worden vanaf nu vrij gebruikt. De bijbehorende stelling van de impliciete functie (F(x,y)=0F(x, y) = 0 oplossen naar y(x)y(x) wanneer Fy\frac{\partial F}{\partial y} inverteerbaar is) volgt door de stelling toe te passen op (x,y)(x,F(x,y))(x, y) \mapsto (x, F(x,y)).

Voorbeeld 15.16 (Poolcoördinaten)

Φ(r,θ)=(rcosθ,rsinθ)\Phi(r, \theta) = (r\cos\theta, r\sin\theta) heeft jacobimatrix

JΦ=(cosθrsinθsinθrcosθ),detJΦ=r:J_\Phi = \begin{pmatrix} \cos\theta & -r\sin\theta\\ \sin\theta & r\cos\theta \end{pmatrix}, \qquad \det J_\Phi = r :

inverteerbaar voor r0r \neq 0, dus Φ\Phi is buiten de oorsprong een lokaal C1C^1-diffeomorfisme — de vergunning om “over te gaan op poolcoördinaten”, hernieuwd voor de meervoudige integralen van Hoofdstuk 20.

Voorbeeld 15.17 (Overal lokaal, nergens globaal)

Zij f(x,y)=(excosy, exsiny)f(x, y) = \bigl(\eu^x\cos y,\ \eu^x\sin y\bigr) op R2\R^2. Haar jacobimatrix,

Jf=(excosyexsinyexsinyexcosy),detJf=e2x>0,J_f = \begin{pmatrix} \eu^x\cos y & -\eu^x\sin y\\ \eu^x\sin y & \eu^x\cos y \end{pmatrix}, \qquad \det J_f = \eu^{2x} > 0 ,

verdwijnt nooit: volgens Stelling 15.14 is ff in elk punt van het vlak een lokaal C1C^1-diffeomorfisme. Toch is ff verre van injectief: f(x,y+2π)=f(x,y)f(x, y + 2\pi) = f(x, y), dus elke waarde wordt oneindig vaak aangenomen; en surjectief is zij evenmin, want f(x,y)=ex>0\norm{f(x, y)} = \eu^x > 0 mist de oorsprong. Het inzicht om te onthouden: de stelling van de inverse functie is onherleidbaar lokaal — de inverteerbaarheid van elke  ⁣dfa\dd f_a levert een lappendeken van lokale inversen die niet tot één geheel hoeven samen te vallen. (Wie complexe getallen kent, herkent zezz \mapsto \eu^z; de lappendeken is de familie van logaritmetakken.) Vergelijk Oefening 15.12, waar een kwantitatieve globale hypothese wél één globale inverse afdwingt.

Opmerking 15.18 (Klassieke valkuilen)

(i) Richtingsafgeleiden zijn goedkoop, differentialen niet: alle richtingsafgeleiden kunnen bestaan — en zelfs niet lineair van de richting afhangen — zonder differentieerbaarheid (Oefening 15.2); alleen het C1C^1-criterium (Stelling 15.2) verheft partiële afgeleiden tot een differentiaal. (ii) Kritiek betekent niet extremaal: zadelpunten (Voorbeeld 15.12) en het zwijgende singuliere geval (Stelling 15.11 (3)) verbergen zich beide achter f=0\nabla f = 0. (iii) Geen vectorwaardige middelwaardegelijkheid: alleen de ongelijkheid van Stelling 15.5 overleeft (Oefening 15.9); schrijf nooit f(b)f(a)= ⁣dfc(ba)f(b) - f(a) = \dd f_c(b-a) voor ff met waarden in Rm\R^m, m2m \geq 2. (iv) Lokale inverteerbaarheid is geen injectiviteit: Voorbeeld 15.17. (v) De gradiënt hoort bij het inproduct: f\nabla f is de vector die  ⁣dfa\dd f_a voorstelt in een gekozen inproduct; verander het product (zoals in het gewogen voorbeeld uit het hoofdstuk over kwadratische vormen) en de gradiënt draait mee, terwijl de differentiaal — het intrinsieke object — niet beweegt.

Opmerking 15.19 (Waar dit wordt gebruikt)

Alles stroomafwaarts van dit hoofdstuk is toegepaste differentiaalrekening: het hoofdstuk over differentiaalvergelijkingen lineariseert stromingen en gebruikt de determinantformule van Liouville (bewezen in de weekendopgave van dit hoofdstuk); de hoofdstukken over krommen en oppervlakken bestuderen niveauverzamelingen en parametriseringen via de stelling van de impliciete functie; meervoudige integralen wisselen van veranderlijke via jacobimatrices. De weekendopgave ontwikkelt de rekening op de ruimte van de matrices zelf — de differentiaal van de determinant, van de inverse, de matrixexponentiaal, en de orthogonale groep als gladde niveauverzameling — de schaduw in bachelorjaar 2 van wat het volume van bachelorjaar 3 als variëteiten en lie-groepen formaliseert.

15.4 Oefeningen

Oefening 15.1

Bereken de jacobimatrices van f(x,y)=(x2y2,2xy)f(x,y) = (x^2 - y^2,\, 2xy) en van Φ(r,θ,z)=(rcosθ,rsinθ,z)\Phi(r,\theta,z) = (r\cos\theta, r\sin\theta, z); waar zijn de differentialen inverteerbaar?

Oplossing

Oplossing van Oefening 15.1.

Jf=(2x2y2y2x)J_f = \begin{pmatrix} 2x & -2y\\ 2y & 2x\end{pmatrix}, detJf=4(x2+y2)\det J_f = 4(x^2 + y^2): inverteerbaar buiten de oorsprong. (Deze ff is zz2z \mapsto z^2 in complexe vermomming.)

JΦ=(cosθrsinθ0sinθrcosθ0001)J_\Phi = \begin{pmatrix} \cos\theta & -r\sin\theta & 0\\ \sin\theta & r\cos\theta & 0\\ 0 & 0 & 1\end{pmatrix}, det=r\det = r: inverteerbaar voor r0r \neq 0 (cilindercoördinaten).

Oefening 15.2

Zij f(x,y)=x3x2+y2f(x,y) = \frac{x^3}{x^2 + y^2} (f(0,0)=0f(0,0) = 0). Bewijs dat alle richtingsafgeleiden van ff in 00 bestaan, maar dat ff niet differentieerbaar is in 00 (de afbeelding vv \mapsto richtingsafgeleide is niet lineair).

Oplossing

Oplossing van Oefening 15.2.

Voor v=(a,b)0v = (a, b) \neq 0: f(tv)0t=t3a3tt2(a2+b2)=a3a2+b2\frac{f(tv) - 0}{t} = \frac{t^3a^3}{t\cdot t^2(a^2+b^2)} = \frac{a^3}{a^2 + b^2}: elke richtingsafgeleide bestaat, met waarde Dv=a3a2+b2D_v = \frac{a^3}{a^2+b^2}. Maar vDvv \mapsto D_v is niet lineair (D(1,0)=1D_{(1,0)} = 1, D(0,1)=0D_{(0,1)} = 0, D(1,1)=121D_{(1,1)} = \frac12 \neq 1): geen enkele lineaire afbeelding kan deze waarden voortbrengen, dus ff is niet differentieerbaar in 00 (de differentiaal zou vDvv \mapsto D_v moeten zijn).

Oefening 15.3

Bepaal en klasseer de kritieke punten van f(x,y)=x3+y33xyf(x, y) = x^3 + y^3 - 3xy met Stelling 15.11, en die van g(x,y)=x4+y42(xy)2g(x,y) = x^4 + y^4 - 2(x - y)^2.

Oplossing

Oplossing van Oefening 15.3.

f=x3+y33xyf = x^3 + y^3 - 3xy: kritieke punten (0,0)(0,0) en (1,1)(1,1) (de berekening uit bachelorjaar 1). Hessianen: H=(6x336y)H = \begin{pmatrix} 6x & -3\\ -3 & 6y\end{pmatrix}. In (0,0)(0,0): gemengde tekens van de eigenwaarden (det=9<0\det = -9 < 0): zadelpunt. In (1,1)(1,1): det=27>0\det = 27 > 0 en spoor >0> 0: positief definiet, strikt lokaal minimum — nu gerechtvaardigd door Stelling 15.11 in plaats van per decreet.

g=x4+y42(xy)2g = x^4 + y^4 - 2(x-y)^2: g=(4x34(xy),  4y3+4(xy))\nabla g = (4x^3 - 4(x - y),\; 4y^3 + 4(x-y)); kritieke punten (0,0)(0,0), (2,2)(\sqrt2, -\sqrt2), (2,2)(-\sqrt2, \sqrt2) (bachelorjaar 1). In (±2,2)(\pm\sqrt2, \mp\sqrt2): H=(12244420)=(204420)H = \begin{pmatrix} 12\cdot2 - 4 & 4\\ 4 & 20\end{pmatrix} = \begin{pmatrix} 20 & 4\\ 4 & 20\end{pmatrix}: positief definiet (diagonaal dominant; eigenwaarden 24,1624, 16): strikte lokale minima. In (0,0)(0,0): H=(4444)H = \begin{pmatrix} -4 & 4\\ 4 & -4\end{pmatrix}, singulier negatief semidefiniet: de test zwijgt; de studie langs richtingen (g(x,x)=2x4>0g(x,x) = 2x^4 > 0, g(x,x)=2x48x2<0g(x,-x) = 2x^4 - 8x^2 < 0 voor kleine xx) toont een punt van zadeltype — geen extremum.

Oefening 15.4 ★★

Zij f ⁣:RnRf \colon \R^n \to \R van klasse C1C^1 en homogeen van graad pp: f(tx)=tpf(x)f(tx) = t^pf(x) voor t>0t > 0. Bewijs de identiteit van Euler

f(x),x=pf(x),\langle \nabla f(x), x\rangle = p\,f(x) ,

en haar omkering voor C1C^1-functies op Rn{0}\R^n\setminus\{0\}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 15.4.

Differentieer tf(tx)t \mapsto f(tx) in t=1t = 1: volgens de kettingregel geeft dit f(x),x\langle \nabla f(x), x\rangle; wegens de homogeniteit is dezelfde functie tpf(x)t^pf(x), met afgeleide pf(x)pf(x) in t=1t = 1: de identiteit van Euler.

Omkering: houd x0x \neq 0 vast en zij φ(t)=f(tx)tpf(x)\varphi(t) = f(tx) - t^p f(x) op t>0t > 0. Dan is φ(t)=f(tx),xptp1f(x)=1t(f(tx),txptpf(x))\varphi'(t) = \langle\nabla f(tx), x\rangle - pt^{p-1}f(x) = \frac1t\bigl(\langle \nabla f(tx), tx\rangle - p\,t^pf(x)\bigr). De hypothese — de identiteit van Euler in het punt txtx — evalueert het haakje als pf(tx)ptpf(x)=pφ(t)p\,f(tx) - p\,t^pf(x) = p\,\varphi(t). Dus φ=ptφ\varphi' = \frac{p}{t}\varphi met φ(1)=0\varphi(1) = 0: de unieke oplossing van deze lineaire differentiaalvergelijking is φ0\varphi \equiv 0 (eenduidigheid uit bachelorjaar 1), dat wil zeggen f(tx)=tpf(x)f(tx) = t^pf(x).

Oefening 15.5 ★★

Zij AA symmetrisch en f(x)=12Ax,xb,xf(x) = \frac12\langle Ax, x\rangle - \langle b, x\rangle. Bereken f\nabla f en HfH_f; wanneer is ff convex? Toon aan, aangenomen dat AA positief definiet is, dat ff een uniek globaal minimum heeft in de oplossing van Ax=bAx = b — de bestaansreden van het gradiëntafdalen.

Oplossing

Oplossing van Oefening 15.5.

Uitwerken geeft f(x+h)f(x)=Axb,h+12Ah,hf(x + h) - f(x) = \langle Ax - b, h\rangle + \frac12\langle Ah, h\rangle (symmetrie van AA): f(x)=Axb\nabla f(x) = Ax - b en Hf=AH_f = A overal. ff is convex dan en slechts dan als AA positief semidefiniet is (de hessiaantest, hier globaal omdat HH constant is: de tweede-ordeformule van Taylor is exact). Is AA positief definiet, dan is het unieke kritieke punt x=A1bx^* = A^{-1}b, en f(x+h)f(x)=12Ah,hλmin2h2>0f(x^* + h) - f(x^*) = \frac12\langle Ah, h\rangle \geq \frac{\lambda_{\min}}{2}\norm h^2 > 0 voor h0h \neq 0: strikt globaal minimum.

Oefening 15.6 ★★

(Multiplicator van Lagrange, één nevenvoorwaarde, met de hand bewezen) Zijn f,gf, g van klasse C1C^1 op R2\R^2, en neem aan dat ff in aa een lokaal extremum aanneemt op de niveauverzameling {g=0}\{g = 0\}, met g(a)0\nabla g(a) \neq 0. Bewijs dat f(a)=λg(a)\nabla f(a) = \lambda\nabla g(a) voor een zekere λ\lambda. (Parametriseer de niveauverzameling nabij aa met de stelling van de impliciete functie en differentieer tf(γ(t))t \mapsto f(\gamma(t)).) Toepassing: de extrema van f(x,y)=xyf(x,y) = xy op de cirkel x2+y2=1x^2 + y^2 = 1.

Oplossing

Oplossing van Oefening 15.6.

Omdat g(a)0\nabla g(a) \neq 0, is één partiële afgeleide, zeg gy(a)\frac{\partial g}{\partial y}(a), ongelijk aan nul: de stelling van de impliciete functie (de metgezel van Stelling 15.14) parametriseert {g=0}\{g = 0\} nabij a=(a1,a2)a = (a_1, a_2) als γ(t)=(t,y(t))\gamma(t) = (t, y(t)) met yy van klasse C1C^1 en y(t)=xgyg(γ(t))y'(t) = -\frac{\partial_x g}{\partial_y g}(\gamma(t)) (differentieer g(t,y(t))=0g(t, y(t)) = 0). De functie van één veranderlijke tf(γ(t))t \mapsto f(\gamma(t)) heeft een lokaal extremum in t=a1t = a_1:

0= ⁣d ⁣dtf(γ(t))a1=xf(a)+yf(a)y(a1)=xf(a)yf(a)xg(a)yg(a):0 = \frac{\dd}{\dd t}f(\gamma(t))\Big|_{a_1} = \partial_x f(a) + \partial_y f(a)\,y'(a_1) = \partial_x f(a) - \partial_yf(a)\frac{\partial_x g(a)}{\partial_y g(a)} :

de vectoren f(a)\nabla f(a) en g(a)\nabla g(a) hebben evenredige coördinaten: f(a)=λg(a)\nabla f(a) = \lambda \nabla g(a) met λ=yf(a)yg(a)\lambda = \frac{\partial_y f(a)}{\partial_y g(a)}.

Toepassing: op de cirkel dwingt (xy)=(y,x)\nabla(xy) = (y, x) evenwijdig aan (2x,2y)(2x, 2y) af dat y2=x2y^2 = x^2; met de nevenvoorwaarde zijn de kandidaten ±(12,12)\pm\bigl(\tfrac{1}{\sqrt2}, \tfrac{1}{\sqrt2}\bigr) (waarde 12\frac12) en ±(12,12)\pm\bigl(\tfrac{1}{\sqrt2}, -\tfrac{1}{\sqrt2}\bigr) (waarde 12-\frac12): maximum 12\frac12, minimum 12-\frac12 (aangenomen: de cirkel is compact).

Oefening 15.7 ★★

Bepaal de extrema van f(x,y)=x2+y2xy+xyf(x, y) = x^2 + y^2 - xy + x - y op R2\R^2, en vervolgens haar maximum en minimum op de gesloten driehoek met hoekpunten (0,0)(0,0), (1,0)(1,0), (0,1)(0,1) (inwendige kritieke punten, dan de drie zijden, dan de hoekpunten).

Oplossing

Oplossing van Oefening 15.7.

f=(2xy+1,  2yx1)=0\nabla f = (2x - y + 1,\; 2y - x - 1) = 0: oplossen geeft x=13x = -\frac13, y=13y = \frac13. Hessiaan (2112)\begin{pmatrix} 2 & -1\\ -1 & 2\end{pmatrix}, positief definiet: globaal minimum van de kwadratische ff, met waarde f(13,13)=13f\bigl(-\frac13, \frac13\bigr) = -\frac13.

Op de driehoek TT: het inwendige kritieke punt (13,13)(-\frac13, \frac13) ligt niet in TT (negatieve xx). Zijden: op y=0y = 0, x[0,1]x \in \intcc{0}{1}: f=x2+xf = x^2 + x, stijgend: uitersten 00 en 22. Op x=0x = 0: f=y2yf = y^2 - y, minimum 14-\frac14 in y=12y = \frac12, waarden 00 en 00 in de uiteinden. Op x+y=1x + y = 1: substitueer y=1xy = 1 - x, f=x2+(1x)2x(1x)+x(1x)=3x2xf = x^2 + (1-x)^2 - x(1-x) + x - (1-x) = 3x^2 - x; op [0,1]\intcc{0}{1}: minimum 112-\frac{1}{12} in x=16x = \frac16, waarden 00 (in x=0x=0) en 22 (in x=1x=1). Hoekpunten: f(0,0)=0f(0,0) = 0, f(1,0)=2f(1,0) = 2, f(0,1)=0f(0,1) = 0. Globaal op TT: minimum 14-\frac14 in (0,12)(0, \frac12), maximum 22 in (1,0)(1, 0).

Oefening 15.8 ★★★

Zij f ⁣:R2R2f \colon \R^2 \to \R^2, f(x,y)=(x+y2,  y+x2)f(x, y) = (x + y^2,\; y + x^2). Toon aan dat ff nabij 00 een lokaal diffeomorfisme is, bereken  ⁣d(f1)(0,0)\dd(f^{-1})_{(0,0)}, en bepaal de grootste rr waarvoor  ⁣df\dd f inverteerbaar is op de bal (x,y)2<r\norm{(x,y)}_2 < r (bereken detJf\det J_f).

Oplossing

Oplossing van Oefening 15.8.

Jf=(12y2x1)J_f = \begin{pmatrix} 1 & 2y\\ 2x & 1\end{pmatrix}, detJf=14xy\det J_f = 1 - 4xy. In 00: det=10\det = 1 \neq 0: lokaal diffeomorfisme (Stelling 15.14), met

 ⁣d(f1)(0,0)=(Jf(0))1=I2.\dd(f^{-1})_{(0,0)} = (J_f(0))^{-1} = I_2 .

Inverteerbaarheid op een bal: overal is 4xy<14\abs{xy} < 1 nodig; op (x,y)2<r\norm{(x,y)}_2 < r is xyx2+y22<r22\abs{xy} \leq \frac{x^2 + y^2}{2} < \frac{r^2}{2}, dus r=12r = \frac{1}{\sqrt2} voldoet; en groter kan niet: in (x,y)=(12,12)(x, y) = \bigl(\tfrac12, \tfrac12\bigr), met norm 12\frac{1}{\sqrt2}, is detJf=0\det J_f = 0.

Oefening 15.9 ★★★

(Rolle faalt, de middelwaarde overleeft) Geef een f ⁣:RR2f \colon \R \to \R^2 van klasse C1C^1 met f(0)=f(2π)f(0) = f(2\pi) maar f(t)0f'(t) \neq 0 voor alle tt (geen vectorwaardige Rolle). Ga vervolgens op je voorbeeld de middelwaardeongelijkheid van Stelling 15.5 na.

Oplossing

Oplossing van Oefening 15.9.

f(t)=(cost,sint)f(t) = (\cos t, \sin t): f(0)=f(2π)=(1,0)f(0) = f(2\pi) = (1, 0), terwijl f(t)=(sint,cost)f'(t) = (-\sin t, \cos t) norm 11 heeft en dus nooit nul is: geen punt waar de afgeleide verdwijnt — Rolle heeft geen vectoranalogon. De middelwaardeongelijkheid geldt ruimschoots: f(2π)f(0)=02πsupf=2π\norm{f(2\pi) - f(0)} = 0 \leq 2\pi \cdot \sup\norm{f'} = 2\pi.

Oefening 15.10

Bereken de differentiaal en de gradiënt van f(x)=x22f(x) = \norm x_2^2 en van g(x)=Ax,xg(x) = \langle Ax, x\rangle op Rn\R^n (AA een vierkante matrix, niet verondersteld symmetrisch te zijn), en de hessiaan van elk. Voor welke AA is gg convex?

Oplossing

Oplossing van Oefening 15.10.

f(x+h)f(x)=2x,h+h2f(x+h) - f(x) = 2\langle x, h\rangle + \norm h^2:  ⁣dfx=2x,\dd f_x = 2\langle x, \cdot\rangle, f(x)=2x\nabla f(x) = 2x, hessiaan 2I2I (constant). Voor gg:

g(x+h)g(x)=Ax,h+Ah,x+Ah,h=(A+AT)x, h+O(h2),g(x + h) - g(x) = \langle Ax, h\rangle + \langle Ah, x\rangle + \langle Ah, h\rangle = \bigl\langle (A + A^{\mathsf T})x,\ h\bigr\rangle + O(\norm h^2),

dus g(x)=(A+AT)x\nabla g(x) = (A + A^{\mathsf T})x en Hg=A+ATH_g = A + A^{\mathsf T}, constant. Volgens Oefening 15.11 is gg convex dan en slechts dan als A+ATA + A^{\mathsf T} positief semidefiniet is — alleen het symmetrische deel van AA telt, zoals inderdaad g(x)=A+AT2x,xg(x) = \langle \frac{A + A^{\mathsf T}}2 x, x\rangle.

Oefening 15.11 ★★

Zij f ⁣:RnRf \colon \R^n \to \R van klasse C2C^2. Bewijs dat ff convex is dan en slechts dan als haar hessiaan HxH_x in elke xx positief semidefiniet is (herleid tot één veranderlijke: tf(a+t(ba))t \mapsto f(a + t(b-a)); gebruik Taylor–Lagrange in één richting, en evalueer voor de omkering φ\varphi'').

Oplossing

Oplossing van Oefening 15.11.

ff is convex dan en slechts dan als haar beperking tot elk segment convex is, dat wil zeggen dan en slechts dan als elke φ(t)=f(a+tv)\varphi(t) = f(a + tv) convex is. Volgens de kettingregel is φ(t)=Ha+tvv, v\varphi''(t) = \langle H_{a+tv}\,v,\ v\rangle.

Zijn alle hessianen positief semidefiniet, dan is φ0\varphi'' \geq 0, dus is elke φ\varphi convex (volume van bachelorjaar 1) en is ff convex. Omgekeerd, is ff convex, dan is elke φ\varphi convex, dus φ(0)0\varphi''(0) \geq 0: Hav,v0\langle H_a v, v\rangle \geq 0 voor elke aa en elke richting vv: alle hessianen zijn positief semidefiniet.

Oefening 15.12 ★★★

(Een globale inversiestelling) Zij g ⁣:RnRng \colon \R^n \to \R^n van klasse C1C^1 met  ⁣dgxk<1\vertiii{\dd g_x} \leq k < 1 voor alle xx, en f=id+gf = \mathrm{id} + g.

  1. Toon aan dat f(x)f(y)(1k)xy\norm{f(x) - f(y)} \geq (1 - k)\norm{x - y}: ff is injectief, met continue inverse op haar beeld.
  2. Toon aan dat voor elke yRny \in \R^n de afbeelding xyg(x)x \mapsto y - g(x) een contractie van de volledige ruimte Rn\R^n is, en besluit met de vastepuntsstelling van Banach (Stelling 4.12) dat ff surjectief is.
  3. Besluit dat ff een bijectie van Rn\R^n is met een (1k)1(1-k)^{-1}-lipschitzinverse — een globale tegenhanger van Stelling 15.14, die daarentegen zuiver lokaal is.
Oplossing

Oplossing van Oefening 15.12.

  1. Volgens de middelwaardeongelijkheid (Stelling 15.5) toegepast op gg is g(x)g(y)kxy\norm{g(x) - g(y)} \leq k\norm{x-y}, dus

    f(x)f(y)xyg(x)g(y)(1k)xy:\norm{f(x) - f(y)} \geq \norm{x - y} - \norm{g(x) - g(y)} \geq (1 - k)\norm{x - y} :

    ff is injectief en f1f^{-1} (gedefinieerd op het beeld) is 11k\frac{1}{1-k}-lipschitz.

  2. Houd yy vast; T(x)=yg(x)T(x) = y - g(x) voldoet aan T(x)T(x)=g(x)g(x)kxx\norm{T(x) - T(x')} = \norm{g(x') - g(x)} \leq k\norm{x - x'}: een contractie van de volledige ruimte Rn\R^n. Banach (Stelling 4.12) geeft een vast punt x=yg(x)x^* = y - g(x^*), dat wil zeggen f(x)=yf(x^*) = y: ff is surjectief.
  3. ff is dus een bijectie van Rn\R^n met een 11k\frac{1}{1-k}-lipschitzinverse: een globale inversiestelling, waarin de kleinheid van  ⁣dg\dd g overal de hypothese van lokale inverteerbaarheid uit Stelling 15.14 vervangt.

15.5 Probleem: de rekening met matrices — Jacobi, exponentiaal en de orthogonale groep

Probleem 15.1

De schoonste speeltuin voor differentiaalrekening is de ruimte Mn(R)Rn2\mathcal M_n(\R) \simeq \R^{n^2} zelf: haar natuurlijkste afbeeldingen — product, inverse, determinant, exponentiaal — hebben differentialen van opvallende elegantie. Deze opgave berekent ze allemaal: de reeks van Neumann, de differentiaal van de inverse, de formule van Jacobi voor de determinant met de formule van Liouville als dividend, de matrixexponentiaal met deteA=etrA\det\eu^A = \eu^{\operatorname{tr}A}, en ten slotte de orthogonale groep OnO_n als gladde niveauverzameling met de antisymmetrische matrices als raakruimte — differentiaalmeetkunde in de kiem. Overal is \vertiii\cdot de operatornorm ondergeschikt aan 2\norm\cdot_2, en X,Y=tr(XTY)\langle X, Y\rangle = \operatorname{tr}(X^{\mathsf T}Y) het inproduct van Frobenius.

Deel I — De reeks van Neumann.

  1. Bewijs de submultiplicativiteit ABAB\vertiii{AB} \leq \vertiii A\,\vertiii B en leid af dat veeltermafbeeldingen van AA (matrixproducten, determinant, spoor) continu zijn op Mn(R)\mathcal M_n(\R).
  2. Toon voor X<1\vertiii X < 1 aan dat k0Xk\sum_{k\geq0}X^k absoluut convergeert in Mn(R)\mathcal M_n(\R) (Stelling 5.21), dat haar som (IX)1(I - X)^{-1} is, en dat

    (IX)111X,(IX)1=I+X+O(X2).\vertiii{(I - X)^{-1}} \leq \frac{1}{1 - \vertiii X}, \qquad (I - X)^{-1} = I + X + O\bigl(\vertiii X^2\bigr) .
  3. Leid af dat GLn(R)GL_n(\R) open is: is AA inverteerbaar en H<1A1\vertiii H < \frac{1}{\vertiii{A^{-1}}}, dan is A+HA + H inverteerbaar. Leid ook af dat GLn(R)GL_n(\R) dicht ligt in Mn(R)\mathcal M_n(\R) (verstoor AA met εI\varepsilon I: det(A+εI)\det(A + \varepsilon I) is een veelterm in ε\varepsilon die niet nul is).
  4. Toon aan dat de inversieafbeelding Φ(A)=A1\Phi(A) = A^{-1} continu is op GLn(R)GL_n(\R).

Deel II — Eerste differentialen.

  1. Toon aan dat de kwadrateringsafbeelding AA2A \mapsto A^2 differentieerbaar is met differentiaal HAH+HAH \mapsto AH + HA, en algemener dat AAkA \mapsto A^k de differentiaal Hi=0k1AiHAk1iH \mapsto \sum_{i=0}^{k-1} A^iHA^{k-1-i} heeft. Waarom mag men in het algemeen niet kAk1HkA^{k-1}H schrijven?
  2. Bewijs dat Φ(A)=A1\Phi(A) = A^{-1} differentieerbaar is op GLn(R)GL_n(\R) met

     ⁣dΦA(H)=A1HA1\dd\Phi_A(H) = -A^{-1}HA^{-1}

    (schrijf (A+H)1=(I+A1H)1A1(A + H)^{-1} = (I + A^{-1}H)^{-1}A^{-1} en werk uit met vraag 2). Toets de formule aan het scalaire geval n=1n = 1.

  3. Leid voor een C1C^1-kromme tA(t)GLn(R)t \mapsto A(t) \in GL_n(\R) af dat (A(t)1)=A1AA1\bigl(A(t)^{-1}\bigr)' = -A^{-1}A'A^{-1}, en ontwikkel t(I+tB)1t \mapsto (I + tB)^{-1} tot op eerste orde in t=0t = 0.
  4. Bereken de differentiaal van f(A)=tr(Ak)f(A) = \operatorname{tr}(A^k) en identificeer haar gradiënt voor het inproduct van Frobenius:

     ⁣dfA(H)=ktr(Ak1H),f(A)=k(Ak1)T.\dd f_A(H) = k\operatorname{tr}\bigl(A^{k-1}H\bigr), \qquad \nabla f(A) = k\,\bigl(A^{k-1}\bigr)^{\mathsf T} .
  5. Dezelfde vragen voor f(A)=tr(ATA)=AF2f(A) = \operatorname{tr}(A^{\mathsf T}A) = \norm A_F^2: differentiaal, gradiënt en de (constante) hessiaan; besluit dat F2\norm\cdot_F^2 strikt convex is.

Deel III — De formule van Jacobi.

  1. Bewijs dat

    det(I+H)=1+trH+O(H2)\det(I + H) = 1 + \operatorname{tr}H + O\bigl(\vertiii H^2\bigr)

    (werk det(e1+h1,,en+hn)\det(e_1 + h_1, \dots, e_n + h_n) uit met de multilineariteit in de kolommen: termen met minstens twee hh-kolommen zijn O(H2)O(\vertiii H^2)):  ⁣d(det)I=tr\dd(\det)_I = \operatorname{tr}.

  2. Leid voor inverteerbare AA af dat

     ⁣d(det)A(H)=det(A)tr(A1H).\dd(\det)_A(H) = \det(A)\, \operatorname{tr}\bigl(A^{-1}H\bigr) .
  3. Toon aan dat voor elke AA (inverteerbaar of niet) geldt detaij(A)=Cij\frac{\partial\det}{\partial a_{ij}}(A) = C_{ij}, de cofactor op plaats (i,j)(i,j) (ontwikkeling van Laplace langs rij ii), zodat met de geadjungeerde adjA=com(A)T\operatorname{adj}A = \operatorname{com}(A)^{\mathsf T}:

     ⁣d(det)A(H)=tr(adj(A)H),(det)(A)=com(A),\dd(\det)_A(H) = \operatorname{tr}\bigl(\operatorname{adj}(A)\,H\bigr), \qquad \nabla(\det)(A) = \operatorname{com}(A) ,

    waarmee vraag 11 wordt teruggevonden als AA inverteerbaar is (adjA=det(A)A1\operatorname{adj}A = \det(A)A^{-1}). Dit is de formule van Jacobi: (detA(t))=tr(adj(A(t))A(t))\bigl(\det A(t)\bigr)' = \operatorname{tr}\bigl(\operatorname{adj}(A(t))\,A'(t)\bigr).

  4. (Formule van Liouville) Zij A(t)A(t) een C1C^1-kromme van matrices die voldoet aan de lineaire differentiaalvergelijking A(t)=M(t)A(t)A'(t) = M(t)A(t). Bewijs dat

    (detA(t))=tr(M(t))detA(t),en dusdetA(t)=detA(0)exp(0ttrM)\bigl(\det A(t)\bigr)' = \operatorname{tr}\bigl(M(t)\bigr)\,\det A(t), \qquad\text{en dus}\qquad \det A(t) = \det A(0)\, \exp\Bigl(\int_0^t\operatorname{tr}M\Bigr)

    (gebruik adj(A)A=det(A)I\operatorname{adj}(A)\,A = \det(A)I en de cyclische invariantie van het spoor) — de identiteit voor de wronskiaan die het hoofdstuk over differentiaalvergelijkingen voortdurend zal gebruiken.

  5. Toon aan dat SLn(R)={det=1}SL_n(\R) = \{\det = 1\} een gladde niveauverzameling is: in elke ASLn(R)A \in SL_n(\R) is de differentiaal  ⁣d(det)A\dd(\det)_A een surjectieve lineaire afbeelding op R\R (evalueer haar in H=1nAH = \frac1nA).

Deel IV — De matrixexponentiaal.

  1. Toon aan dat eA=k0Akk!\eu^A = \sum_{k\geq0}\frac{A^k}{k!} voor elke AA absoluut convergeert, normaal op elke bal, met eAeA\vertiii{\eu^A} \leq \eu^{\vertiii A}; en dat eA\eu^A continu van AA afhangt.
  2. Bewijs dat uit AB=BAAB = BA volgt dat eA+B=eAeB\eu^{A+B} = \eu^A\eu^B (Cauchy-product, geoorloofd wegens de absolute convergentie); leid af dat eA\eu^A altijd inverteerbaar is met inverse eA\eu^{-A}: exp\exp beeldt Mn(R)\mathcal M_n(\R) af in GLn(R)GL_n(\R).
  3. Toon aan dat tetAt \mapsto \eu^{tA} van klasse C1C^1 is (zelfs CC^\infty) met

     ⁣d ⁣dtetA=AetA=etAA\frac{\dd}{\dd t}\,\eu^{tA} = A\,\eu^{tA} = \eu^{tA}A

    (differentieer de reeks term voor term op segmenten: de afgeleide reeks convergeert normaal).

  4. Bewijs de identiteit

    det(eA)=etrA\det\bigl(\eu^{A}\bigr) = \eu^{\operatorname{tr}A}

    (pas de formule van Liouville, vraag 13, toe op A(t)=etAA(t) = \eu^{tA}). Verstandscontroles: n=1n = 1; nilpotente AA; en de matrices met spoor nul belanden in SLn(R)SL_n(\R).

  5. Toon aan dat eH=I+H+O(H2)\eu^H = I + H + O(\vertiii H^2), zodat exp\exp differentieerbaar is in 00 met  ⁣d(exp)0=id\dd(\exp)_0 = \mathrm{id}; besluit met de stelling van de inverse functie (Stelling 15.14) dat exp\exp een C1C^1-diffeomorfisme is van een omgeving van 00 op een omgeving van II: elke matrix dicht bij de eenheidsmatrix heeft een logaritme.
  6. Toon aan dat exp\exp de symmetrische matrices bijectief afbeeldt op de symmetrische positief definiete matrices (diagonaliseer; de inverse is de spectrale logaritme).

Deel V — De orthogonale groep als niveauverzameling.

  1. Zij F(A)=ATAF(A) = A^{\mathsf T}A, van Mn(R)\mathcal M_n(\R) naar de symmetrische matrices SnS_n. Bereken  ⁣dFA(H)=ATH+HTA\dd F_A(H) = A^{\mathsf T}H + H^{\mathsf T}A en toon aan dat deze differentiaal in elke AOn=F1(I)A \in O_n = F^{-1}(I) surjectief is op SnS_n (probeer voor gegeven SSnS \in S_n de matrix H=12ASH = \frac12 AS): OnO_n is een gladde niveauverzameling, van dimensie n2n(n+1)2=n(n1)2n^2 - \frac{n(n+1)}2 = \frac{n(n-1)}2.
  2. Toon aan dat elke C1C^1-kromme A(t)OnA(t) \in O_n met A(0)=IA(0) = I een antisymmetrische snelheid A(0)A'(0) heeft, en omgekeerd dat voor antisymmetrische KK de kromme etK\eu^{tK} in OnO_n blijft: de raakruimte van OnO_n in II bestaat precies uit de antisymmetrische matrices.
  3. Toon aan dat deteK=1\det\eu^{K} = 1 voor antisymmetrische KK (vraag 18): de exponentiële kromme leeft in de rotatiegroep SOnSO_n. Bereken haar volledig voor n=2n = 2: bewijs met J=(0110)J = \begin{pmatrix}0 & -1\\ 1 & 0\end{pmatrix} dat

    eθJ=(cosθsinθsinθcosθ):\eu^{\theta J} = \begin{pmatrix} \cos\theta & -\sin\theta\\ \sin\theta & \cos\theta\end{pmatrix} :

    de matrixexponentiaal is de rotatie over θ\theta, en de reeksdefinities van cosinus en sinus duiken opnieuw op, binnen in een matrix.

  4. (De truc met de dichtheid) Breid met de dichtheid van GLn(R)GL_n(\R) (vraag 3) en de continuïteit de identiteit

    adj(AB)=adj(B)adj(A)\operatorname{adj}(AB) = \operatorname{adj}(B)\operatorname{adj}(A)

    uit van inverteerbare tot alle matrices (voor inverteerbare A,BA, B zijn beide leden gelijk aan det(AB)(AB)1\det(AB)(AB)^{-1}; beide leden zijn veeltermen in de elementen).

  5. Synthese. In telkens één zin: (i) welke eerdere hoofdstukken de motor van elk deel leverden (volledigheid en genormeerde algebra’s; de spectraalstelling; de stelling van de inverse functie); (ii) op welke formule uit deze opgave het hoofdstuk over differentiaalvergelijkingen zal steunen, en waar; (iii) wat  ⁣d(det)I=tr\dd(\det)_I = \operatorname{tr} en deteA=etrA\det\eu^A = \eu^{\operatorname{tr}A} zeggen over spoor en determinant als “infinitesimaal en globaal volume”; (iv) wat het volume van bachelorjaar 3 van de vragen 21–23 maakt (lie-groepen en hun lie-algebra’s).
Oplossing

Oplossing van Probleem 15.1.

1. ABxABxABx\norm{ABx} \leq \vertiii A\norm{Bx} \leq \vertiii A\vertiii B\norm x: neem het supremum over x=1\norm x = 1. Matrixproducten, det\det en tr\operatorname{tr} zijn veeltermfuncties van de elementen en dus continu (Mn(R)Rn2\mathcal M_n(\R) \simeq \R^{n^2}, alle normen equivalent: Stelling 5.13).

2. XkXk<\sum\vertiii{X^k} \leq \sum\vertiii X^k < \infty: de reeks convergeert absoluut en dus convergeert zij (Stelling 5.21). Uit (IX)kNXk=IXN+1I(I - X)\sum_{k\leq N}X^k = I - X^{N+1} \to I volgt dat de som (IX)1(I - X)^{-1} is. Norm: Xk=11X\leq \sum\vertiii X^k = \frac{1}{1 - \vertiii X}; en

(IX)1IX=k2Xk=X2(IX)1,X2(IX)1X21X=O(X2).(I - X)^{-1} - I - X = \sum_{k\geq2}X^k = X^2(I - X)^{-1}, \qquad \vertiii{X^2(I-X)^{-1}} \leq \frac{\vertiii X^2}{1 - \vertiii X} = O(\vertiii X^2).

3. A+H=A(I+A1H)A + H = A(I + A^{-1}H) met A1HA1H<1\vertiii{A^{-1}H} \leq \vertiii{A^{-1}}\vertiii H < 1: inverteerbaar volgens vraag 2: de open bal met straal A11\vertiii{A^{-1}}^{-1} rond AA ligt in GLn(R)GL_n(\R). Dichtheid: det(A+εI)\det(A + \varepsilon I) is een veelterm van graad nn in ε\varepsilon met leidende coëfficiënt 11: zij heeft eindig veel nulpunten, dus er zijn εk0\varepsilon_k \to 0 met A+εkIA + \varepsilon_kI inverteerbaar, convergerend naar AA.

4. Voor H<12A1\vertiii H < \frac{1}{2\vertiii{A^{-1}}}:

(A+H)1A1=[(I+A1H)1I]A1,(A + H)^{-1} - A^{-1} = \bigl[(I + A^{-1}H)^{-1} - I\bigr]A^{-1},

met norm hoogstens A1H1A1HA12A12H0\frac{\vertiii{A^{-1}H}}{1 - \vertiii{A^{-1}H}}\,\vertiii{A^{-1}} \leq 2\vertiii{A^{-1}}^2\vertiii H \to 0: Φ\Phi is continu in elke AGLn(R)A \in GL_n(\R).

5. (A+H)2=A2+AH+HA+H2(A+H)^2 = A^2 + AH + HA + H^2: de afbeelding HAH+HAH \mapsto AH + HA is lineair en de fout H2H^2 is O(H2)O(\vertiii H^2). (A+H)k(A + H)^k uitwerken en sorteren naar het aantal HH-factoren: het lineaire deel is i=0k1AiHAk1i\sum_{i=0}^{k-1}A^iHA^{k-1-i}, en de termen met 2\geq 2 factoren HH worden begrensd door (k2)\binom k2 producten van de orde Ak2H2\vertiii A^{k-2}\vertiii H^2: O(H2)O(\vertiii H^2). Men kan de som niet tot kAk1HkA^{k-1}H laten inklappen omdat HH en AA niet hoeven te commuteren — de som is de juiste niet-commutatieve afgeleide.

6. Voor kleine HH:

(A+H)1=(I+A1H)1A1=(IA1H+O(H2))A1=A1A1HA1+O(H2):(A+H)^{-1} = (I + A^{-1}H)^{-1}A^{-1} = \bigl(I - A^{-1}H + O(\vertiii H^2)\bigr)A^{-1} = A^{-1} - A^{-1}HA^{-1} + O(\vertiii H^2) :

 ⁣dΦA(H)=A1HA1\dd\Phi_A(H) = -A^{-1}HA^{-1}, lineair in HH. Voor n=1n = 1:  ⁣d(1/a)(h)=h/a2\dd(1/a)(h) = -h/a^2, de vertrouwde afgeleide.

7. Kettingregel langs de kromme: (A(t)1)= ⁣dΦA(t)(A(t))=A(t)1A(t)A(t)1\bigl(A(t)^{-1}\bigr)' = \dd\Phi_{A(t)}(A'(t)) = -A(t)^{-1}A'(t)A(t)^{-1}. Voor A(t)=I+tBA(t) = I + tB in t=0t = 0: (I+tB)1=ItB+O(t2)(I + tB)^{-1} = I - tB + O(t^2).

8. Volgens vraag 5 en de cyclische invariantie van het spoor:

 ⁣dfA(H)=tr(i=0k1AiHAk1i)=ktr(Ak1H).\dd f_A(H) = \operatorname{tr}\Bigl(\sum_{i=0}^{k-1} A^iHA^{k-1-i}\Bigr) = k\operatorname{tr}\bigl(A^{k-1}H\bigr) .

Tegenover het product van Frobenius vereist  ⁣dfA(H)=tr((f)TH)\dd f_A(H) = \operatorname{tr}\bigl((\nabla f)^{\mathsf T}H\bigr) dat (f)T=kAk1(\nabla f)^{\mathsf T} = kA^{k-1}: f(A)=k(Ak1)T\nabla f(A) = k\,(A^{k-1})^{\mathsf T}.

9. f(A+H)f(A)=2tr(ATH)+tr(HTH)f(A + H) - f(A) = 2\operatorname{tr}(A^{\mathsf T}H) + \operatorname{tr}(H^{\mathsf T}H): de differentiaal is H2tr(ATH)=2A,HH \mapsto 2\operatorname{tr}(A^{\mathsf T}H) = 2\langle A, H\rangle, dus f(A)=2A\nabla f(A) = 2A; de tweede-ordeterm is precies HF2\norm H_F^2: de hessiaan is tweemaal de identieke kwadratische vorm, positief definiet en constant, zodat F2\norm\cdot_F^2 strikt convex is (de formule van Taylor is hier exact).

10. Wegens de multilineariteit in de kolommen is det(I+H)=S{1,,n}det(MS)\det(I + H) = \sum_{S\subseteq\{1,\dots,n\}}\det(M_S), waarbij MSM_S de kolom hjh_j heeft voor jSj \in S en eje_j anders. S=S = \varnothing geeft 11; S={j}S = \{j\} geeft de determinant van II met kolom jj vervangen door hjh_j, namelijk haar jj-de element hjjh_{jj}, wat samen trH\operatorname{tr}H oplevert; elke term met S2\abs S \geq 2 is een determinant met minstens twee kolommen van de orde O(H)O(\vertiii H) en dus O(H2)O(\vertiii H^2) (multilineaire afbeeldingen op een eindigdimensionale ruimte zijn begrensd), en zulke termen zijn er eindig veel. Dus det(I+H)=1+trH+O(H2)\det(I + H) = 1 + \operatorname{tr}H + O(\vertiii H^2):  ⁣d(det)I=tr\dd(\det)_I = \operatorname{tr}.

11. det(A+H)=detAdet(I+A1H)=detA(1+tr(A1H)+O(H2))\det(A + H) = \det A\,\det(I + A^{-1}H) = \det A\,\bigl(1 + \operatorname{tr}(A^{-1}H) + O(\vertiii H^2)\bigr): de differentiaal is Hdet(A)tr(A1H)H \mapsto \det(A)\operatorname{tr}(A^{-1}H).

12. Ontwikkeling van Laplace langs rij ii: detA=jaijCij\det A = \sum_j a_{ij}C_{ij}, en de cofactoren CijC_{ij} betreffen rij ii niet: detaij=Cij\frac{\partial\det}{\partial a_{ij}} = C_{ij}. Bijgevolg is

 ⁣d(det)A(H)=i,jCijhij=tr(com(A)TH)=tr(adj(A)H),(det)(A)=com(A).\dd(\det)_A(H) = \sum_{i,j}C_{ij}h_{ij} = \operatorname{tr}\bigl(\operatorname{com}(A)^{\mathsf T} H\bigr) = \operatorname{tr}\bigl(\operatorname{adj}(A)H\bigr), \qquad \nabla(\det)(A) = \operatorname{com}(A) .

Voor inverteerbare AA geeft adjA=det(A)A1\operatorname{adj}A = \det(A)A^{-1} vraag 11 terug. Langs een C1C^1-kromme luidt de kettingregel (detA(t))=tr(adj(A(t))A(t))(\det A(t))' = \operatorname{tr}(\operatorname{adj}(A(t))\,A'(t)): de formule van Jacobi.

13. Met A=MAA' = MA en adj(A)A=det(A)I\operatorname{adj}(A)A = \det(A)I:

(detA)=tr(adj(A)MA)=tr(Aadj(A)M)=detA  trM(\det A)' = \operatorname{tr}\bigl(\operatorname{adj}(A)MA \bigr) = \operatorname{tr}\bigl(A\operatorname{adj}(A)M\bigr) = \det A\;\operatorname{tr}M

(cycliciteit; ook AadjA=det(A)IA\operatorname{adj}A = \det(A) I). De scalaire lineaire differentiaalvergelijking y=tr(M(t))yy' = \operatorname{tr}(M(t))\,y heeft de unieke oplossing y(t)=y(0)exp(0ttrM)y(t) = y(0)\exp\bigl(\int_0^t \operatorname{tr}M\bigr) (bachelorjaar 1): de formule van Liouville.

14. Neem in ASLn(R)A \in SL_n(\R) de matrix H=1nAH = \frac1nA:  ⁣d(det)A(1nA)=1ndet(A)tr(A1A)=1n1n=10\dd(\det)_A\bigl(\tfrac1nA\bigr) = \frac1n\det(A) \operatorname{tr}(A^{-1}A) = \frac1n\cdot1\cdot n = 1 \neq 0: de differentiaal is een lineaire vorm die niet nul is en dus in elk punt van de niveauverzameling surjectief op R\R: SLn(R)SL_n(\R) is een gladde niveauverzameling (van dimensie n21n^2 - 1).

15. kAk/k!Ak/k!=eA\sum_k\vertiii{A^k/k!} \leq \sum\vertiii A^k/k! = \eu^{\vertiii A}: absolute convergentie (het volledigheidsargument van vraag 2), met normale convergentie op elke bal AR\vertiii A \leq R (grens Rk/k!R^k/k! onafhankelijk van AA). Elke partiaalsom is continu (een veelterm); de uniforme limiet op ballen is continu: AeAA \mapsto \eu^A is continu, met eAeA\vertiii{\eu^A} \leq \eu^{\vertiii A}.

16. Beide reeksen convergeren absoluut, dus het Cauchy-product is geoorloofd (Stelling 7.14):

eAeB=n01n!k=0n(nk)AkBnk=n0(A+B)nn!=eA+B,\eu^A\eu^B = \sum_{n\geq0}\frac{1}{n!}\sum_{k=0}^n\binom nkA^kB^{n-k} = \sum_{n\geq0}\frac{(A+B)^n}{n!} = \eu^{A+B},

waarbij de binomiale identiteit AB=BAAB = BA vereist. Met B=AB = -A: eAeA=e0=I\eu^A\eu^{-A} = \eu^0 = I: elke eA\eu^A ligt in GLn(R)GL_n(\R).

17. De reeks tkAk/k!\sum t^kA^k/k! en haar afgeleide reeks tk1Ak/(k1)!=Atk1Ak1/(k1)!\sum t^{k-1}A^k/(k-1)! = A\sum t^{k-1}A^{k-1}/(k-1)! convergeren normaal op elk segment tT\abs t \leq T (grenzen TkAk/k!T^k\vertiii A^k/k!): de differentiatiestelling voor reeksen (Stelling 10.11, element voor element toegepast) geeft  ⁣d ⁣dtetA=AetA\frac{\dd}{\dd t}\eu^{tA} = A\eu^{tA}; AA in plaats daarvan rechts afzonderen geeft etAA\eu^{tA}A. Herhalen: CC^\infty.

18. A(t)=etAA(t) = \eu^{tA} voldoet aan A(t)=AA(t)A'(t) = A\,A(t): de formule van Liouville (vraag 13) met constante M=AM = A geeft detetA=ettrA\det\eu^{tA} = \eu^{t\operatorname{tr}A} (waarde 11 in t=0t = 0); in t=1t = 1: deteA=etrA\det\eu^A = \eu^{\operatorname{tr}A}. Controles: n=1n = 1 is de exponentiële functie zelf; een nilpotente AA heeft trA=0\operatorname{tr}A = 0 en eA\eu^A unipotent met determinant 11; en trA=0\operatorname{tr}A = 0 geeft deteA=1\det\eu^A = 1: de matrices met spoor nul worden naar SLn(R)SL_n(\R) gezonden.

19. eHIH=k2Hk/k!\eu^H - I - H = \sum_{k\geq2}H^k/k!, met norm H2eH=O(H2)\leq \vertiii H^2\eu^{\vertiii H} = O(\vertiii H^2):  ⁣d(exp)0=id\dd(\exp)_0 = \mathrm{id}, inverteerbaar. Bovendien is exp\exp van klasse C1C^1: volgens vraag 5 is de kandidaat-differentiaal Hk1k!iAiHAk1iH \mapsto \sum_k\frac1{k!}\sum_iA^iHA^{k-1-i} een normaal convergente reeks van lineaire afbeeldingen die continu van AA afhangen (grenzen Ak1/(k1)!\vertiii A^{k-1}/(k-1)! op ballen), zodat de partiële afgeleiden bestaan en continu zijn (Stelling 15.2 en de overdrachtsstelling voor reeksen). De stelling van de inverse functie (Stelling 15.14) is van toepassing in 00: exp\exp is een C1C^1-diffeomorfisme van een omgeving van 00 op een omgeving van II — matrices nabij II hebben logaritmen.

20. Voor symmetrische S=PDPTS = PDP^{\mathsf T} (spectraalstelling) is eS=PeDPT\eu^S = P\eu^DP^{\mathsf T} symmetrisch met eigenwaarden eλi>0\eu^{\lambda_i} > 0: positief definiet. Surjectiviteit: een positief definiete Q=Pdiag(μi)PTQ = P\operatorname{diag}(\mu_i)P^{\mathsf T} (μi>0\mu_i > 0) is eS\eu^S voor S=Pdiag(lnμi)PTS = P\operatorname{diag}(\ln\mu_i)P^{\mathsf T}. Injectiviteit: eS\eu^S legt haar eigenruimten vast, en dat zijn precies die van SS (op elke eigenruimte van SS bij λ\lambda werkt eS\eu^S als eλ\eu^\lambda; verschillende λ\lambda geven verschillende eλ\eu^\lambda), en ln\ln nemen van de eigenwaarden geeft SS terug. Dus is exp\exp een bijectie van de symmetrische matrices op de positief definiete.

21. F(A+H)=ATA+ATH+HTA+HTHF(A + H) = A^{\mathsf T}A + A^{\mathsf T}H + H^{\mathsf T}A + H^{\mathsf T}H:  ⁣dFA(H)=ATH+HTA\dd F_A(H) = A^{\mathsf T}H + H^{\mathsf T}A (met waarden in SnS_n; fout O(H2)O(\vertiii H^2)). Voor AOnA \in O_n en SSnS \in S_n geeft de keuze H=12ASH = \frac12AS

AT12AS+12(AS)TA=12S+12ST=S:A^{\mathsf T}\cdot\tfrac12AS + \tfrac12(AS)^{\mathsf T}A = \tfrac12 S + \tfrac12 S^{\mathsf T} = S :

surjectief. On=F1(I)O_n = F^{-1}(I) is een gladde niveauverzameling van dimensie n2dimSn=n(n1)2n^2 - \dim S_n = \frac{n(n-1)}2.

22. A(t)TA(t)=IA(t)^{\mathsf T}A(t) = I differentiëren in t=0t = 0 (met A(0)=IA(0) = I): A(0)T+A(0)=0A'(0)^{\mathsf T} + A'(0) = 0: antisymmetrisch. Omgekeerd, voor KT=KK^{\mathsf T} = -K: (etK)TetK=etKTetK=etKetK=I(\eu^{tK})^{\mathsf T}\eu^{tK} = \eu^{tK^{\mathsf T}}\eu^{tK} = \eu^{-tK}\eu^{tK} = I (transponeer de reeks term voor term; de exponenten commuteren): de kromme blijft in OnO_n, met snelheid KK in t=0t = 0. De raakruimte in II bestaat dus uit de antisymmetrische matrices, van de verwachte dimensie n(n1)2\frac{n(n-1)}2.

23. trK=0\operatorname{tr}K = 0 voor antisymmetrische KK, dus deteK=e0=1\det\eu^K = \eu^0 = 1 (vraag 18): de exponentiaal belandt in SOnSO_n. Voor n=2n = 2: J2=IJ^2 = -I, dus J2m=(1)mIJ^{2m} = (-1)^mI en J2m+1=(1)mJJ^{2m+1} = (-1)^mJ, en

eθJ=(m(1)mθ2m(2m)!)I+(m(1)mθ2m+1(2m+1)!)J=cosθI+sinθJ,\eu^{\theta J} = \Bigl(\sum_m\frac{(-1)^m\theta^{2m}}{(2m)!}\Bigr)I + \Bigl(\sum_m\frac{(-1)^m\theta^{2m+1}}{(2m+1)!}\Bigr)J = \cos\theta\,I + \sin\theta\,J ,

de rotatie over θ\theta: de reeksen van sinus en cosinus leven binnen in de matrixexponentiaal.

24. Voor inverteerbare A,BA, B: adj(AB)=det(AB)(AB)1=det(B)det(A)B1A1=adj(B)adj(A)\operatorname{adj}(AB) = \det(AB)(AB)^{-1} = \det(B)\det(A)B^{-1}A^{-1} = \operatorname{adj}(B)\operatorname{adj}(A). Beide leden van de identiteit zijn veeltermafbeeldingen (en dus continu) van de elementen van (A,B)(A, B); zij stemmen overeen op de dichte deelverzameling GLn×GLnGL_n\times GL_n van Mn×Mn\mathcal M_n\times\mathcal M_n (vraag 3: benader elke factor), dus zij stemmen overal overeen.

25. (i) Deel I draaide op de volledigheid van eindigdimensionale genormeerde ruimten (absoluut convergente reeksen convergeren), Deel IV op hetzelfde plus de spectraalstelling voor vraag 20, en de lokale logaritme van Deel V op de stelling van de inverse functie. (ii) Het hoofdstuk over differentiaalvergelijkingen steunt op de formule van Liouville (vraag 13) voor de wronskiaan van lineaire stelsels, en op  ⁣d ⁣dtetA=AetA\frac{\dd}{\dd t}\eu^{tA} = A\eu^{tA} (vraag 17), wat de uitspraak is dat etA\eu^{tA} het stelsel X=AXX' = AX oplost. (iii)  ⁣d(det)I=tr\dd(\det)_I = \operatorname{tr} zegt dat het spoor de infinitesimale snelheid van volumeverandering is, en deteA=etrA\det\eu^A = \eu^{\operatorname{tr}A} integreert die uitspraak globaal. (iv) Het volume van bachelorjaar 3 geeft de structuren hun naam: OnO_n en SLn(R)SL_n(\R) zijn lie-groepen, hun raakruimten in II (antisymmetrische matrices en matrices met spoor nul) zijn lie-algebra’s, en exp\exp is de brug tussen beide.

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 395 begrippen in de begrippenlijst