Universitaire wiskunde — Bachelor jaar 2 · Bachelor Year 2
6Vergelijking van functies
De asymptotische analyse — de kunst om een ingewikkelde grootheid te vervangen door een eenvoudige plus een beheerste fout — begon in het volume van bachelorjaar 1 met taylorontwikkelingen. Dit hoofdstuk maakt er een vak op zich van: ontwikkelingen langs algemene schalen, de vergelijking van reeks en integraal met haar volle asymptotische kracht, de formule van Stirling (volledig bewezen), en de systematische studie van impliciet gedefinieerde rijen. Deze technieken zijn het dagelijks brood van de asymptotische analyse, en elk later hoofdstuk dat iets schat — reeksen, integralen, kansen — eet mee aan deze tafel.
6.1 Vergelijkingsrelaties en schalen
Definitie 6.1
Bij een punt a (a∈R of ±∞), voor functies (of voor rijen, met n→∞): f=o(g), f=O(g) en f∼g als in het volume van bachelorjaar 1. Een vergelijkingsschaal bij a is een familie positieve functies die paarsgewijs vergelijkbaar zijn en door o(⋅) totaal geordend worden — de standaardschaal bij +∞ is
xα(lnx)β(α,β∈R),
lexicografisch geordend naar (α,β), en zo nodig verfijnd met exponentiëlen eγx.
Definitie 6.2(Asymptotische ontwikkeling)
f heeft de asymptotische ontwikkeling
f=c1φ1+c2φ2+⋯+ckφk+o(φk)(φi+1=o(φi) in de schaal)
wanneer de opeenvolgende resttermen aan de aangegeven schattingen voldoen. De coëfficiënten liggen dan vast: c1=limf/φ1, en inductief ci+1=lim(f−∑j≤icjφj)/φi+1.
Voorbeeld 6.3
Taylorontwikkelingen zijn asymptotische ontwikkelingen langs de schaal (x−a)k bij a. Maar het begrip is strikt ruimer: bij +∞ geldt
x−lnx1=x1⋅1−xlnx1=x1+x2lnx+o(x2lnx),
een ontwikkeling langs de gemengde schaal — geen enkele stelling van Taylor is hier van toepassing, alleen de meetkundige ontwikkeling en het rekenen met o’s.
Voorbeeld 6.4(De standaardschaal is werkelijk geordend)
De lexicografische bewering van Definitie 6.1 vraagt per geval één regel bewijs. Vergelijk xα(lnx)β en xα′(lnx)β′ bij +∞. Is α<α′, dan is de verhouding xα−α′(lnx)β−β′→0, want een negatieve macht van x verplettert elke macht van lnx (zet x=et: e(α−α′)ttβ−β′→0 volgens de limiet “exponentieel wint van polynomiaal” uit het volume van bachelorjaar 1). Is α=α′ en β<β′, dan is de verhouding rechtstreeks (lnx)β−β′→0. De lexicografisch geordende paren (α,β) ordenen de schaal dus naar o(⋅) — en de substitutie x=et is de universele truc voor gemengde vergelijkingen van machten en logaritmen.
Voorbeeld 6.5(Een menagerie rangschikken)
Schalen moeten geordend zijn; hier is de standaardoefening. Vergelijk bij +∞ de grootheden n10, elnn⋅n, 2n en nlnn door logaritmen te nemen:
10lnn≪(lnn)2≪nlnn≪nln2,
waarbij an≪bn betekent dat an=o(bn); de tweede term is ln(nlnn). Exponentiëren behoudt deze strikte kloven (gaat lnun−lnvn→−∞, dan un/vn→0), dus
n10=o(nlnn),nlnn=o(enlnn),enlnn=o(2n).
De moraal, tweemaal: vergelijk altijd via logaritmen (verschillen van logaritmen, niet verhoudingen van logaritmen), en besluit nooit tot un∼vn uit lnun∼lnvn — het paar n10 en nlnn heeft een ln-verhouding die naar ∞ gaat, terwijl 2n en 4n een ln-verhouding van precies 2 hebben en toch wild niet-equivalent zijn.
6.2 Vergelijking van reeks en integraal, asymptotisch
Divergeert ∫1∞f, dan voldoen de partiële sommen aan ∑k=1nf(k)=∫1nf+C+o(1) voor zekere constante C: het verschil ∑k≤nf(k)−∫1nfconvergeert.
Bewijs. De insluiting f(k+1)≤∫kk+1f≤f(k) (dalend) was het middel uit bachelorjaar 1; sommeren over k≥n+1 respectievelijk k≥n geeft (1). Zet voor (2) uk=f(k)−∫kk+1f: uit de insluiting volgt 0≤uk≤f(k)−f(k+1), dus zijn de partiële sommen van ∑uk begrensd door de telescopische som f(1)−f(n+1)≤f(1): de reeks convergeert. Bovendien is de rij (∫nn+1f)n niet-stijgend (f daalt) en niet-negatief, en dus convergent. Met
k=1∑nf(k)−∫1nf=k=1∑nuk+∫nn+1f
convergeert het rechterlid als n→∞: het verschil convergeert naar een constante C, en dat is uitspraak (2). ∎
Voorbeeld 6.7(De harmonische ontwikkeling)
Voor f(t)=t1: Hn=lnn+γ+o(1), waarmee de constante van Euler (volume van bachelorjaar 1) met een schoner bewijs wordt teruggevonden. Eén orde verder (Oefening 6.3):
Hn=lnn+γ+2n1+o(n1).
Getallen maken de winst zichtbaar bij n=10: H10=2.928968… en ln10=2.302585…, dus de ruwe schatting van γ is H10−ln10=0.626383, er 0.049 naast; trekken we de correctie 201 eraf, dan krijgen we 0.576383, slechts 8.3⋅10−4 van γ=0.577216 verwijderd — en dat is zelf de volgende term 12⋅1001 van de ontwikkeling, zoals de weekendopgave bewijst (vraag 8).
Voorbeeld 6.8(Een ruwe ln(n!) zonder Stirling)
Het insluitingsmiddel alleen lokaliseert ln(n!) al. Omdat ln stijgt, geldt
∫k−1klntdt≤lnk≤∫kk+1lntdt,
en sommeren over k=2,…,n (met ∫1nln=nlnn−n+1) geeft
nlnn−n+1≤ln(n!)≤(n+1)ln(n+1)−n.
Beide hekken zijn nlnn−n+O(lnn): dus ln(n!)=nlnn−n+O(lnn), en in het bijzonder ln(n!)∼nlnn. Wat Stirling daaraan toevoegt zijn de volgende twee sporten — de 21lnn en de constante ln2π — die de fijnere telescopering van Stelling 6.13 kosten. Weten welke precisie elk gereedschap koopt, is de helft van het asymptotische vakmanschap.
Voorbeeld 6.9(Wegvallen vraagt om ontwikkelingen)
Bereken de limiet van n2+n−n. Beide termen zijn ∼n, en “∼n−n” is betekenisloos: equivalenten mogen niet worden afgetrokken. Ontwikkel in plaats daarvan:
de limiet is 21, met de naderingssnelheid 8n1 als bonus. Het mechanisme verdient een naam: een verschil van twee grote equivalente grootheden leeft volledig in hun volgende termen, dus moet men ontwikkelen tot de eerste orde waarin de twee kanten verschillen — en de restterm meenemen om te certificeren dat er in die orde niets anders overleeft.
Voor f(t)=tlnt1 op [2,+∞) (continu, positief, dalend) is ∫2xf=lnlnx−lnln2→∞, dus geeft Stelling 6.6 (2)
k=2∑nklnk1=lnlnn+C+o(1)
voor zekere constante C. Twee lessen. Ten eerste is de divergentie echt maar ijzig traag: de partiële som overschrijdt 4 pas rond n≈ee4−C, astronomisch groot. Ten tweede werd de vormlnlnn geleverd door een primitieve, niet geraden: voor monotone termen is de integraal het canonieke somgereedschap, en de constante C — net als de γ van Euler — is het geheugen van de eerste termen.
6.3 De formule van Stirling
Lemma 6.11(Wallis-integralen, hernomen)
Zij Wn=∫0π/2sinntdt. Dan is nWnWn−1=2π voor n≥1, daalt (Wn), en geldt Wn∼2nπ.
Bewijs. Partiële integratie geeft nWn=(n−1)Wn−2 (n≥2), dus is nWnWn−1 constant in n, gelijk aan 1⋅W1W0=2π. Dalend: sinn+1≤sinn op [0,2π]. De insluiting in detail: de monotonie geeft Wn+1≤Wn≤Wn−1, en deling door Wn−1>0 levert
n+1n=Wn−1Wn+1≤Wn−1Wn≤1,
waarbij de linkeridentiteit uit de recurrentie bij index n+1 komt. Beide grenzen gaan naar 1: dus Wn∼Wn−1, waaruit
nWn2∼nWnWn−1=2π⟹Wn∼2nπ.
∎
Voorbeeld 6.12(De eerste Wallis-integralen)
Uit W0=2π, W1=1 en de recurrentie nWn=(n−1)Wn−2:
W2=4π,W3=32,W4=163π,W5=158,W6=325π.
De even indices dragen een π, de oneven zijn rationaal — de twee vervlochten producten uit de gesloten vormen. Numeriek is W6≈0.4909 tegenover de asymptotische waarde π/12≈0.5116: bij n=6 zit het equivalent al binnen 5%, en de productidentiteit klopt exact bij elke n: 6W6W5=6⋅325π⋅158=2π. Kleine tabellen als deze zijn de goedkoopste manier om een algebrafoutje te vangen voordat het een asymptotisch argument besmet.
Stelling 6.13(Stirling)
n!∼2πn(en)n.
Bewijs.Stap 1: n!∼Cn(n/e)n voor zekere constante C>0. Zet
volgens de taylorontwikkeling van ln(1+n1). De reeks ∑(dn−dn+1) convergeert dus absoluut (vergelijking met ∑n−2), zodat (dn) convergeert, zeg naar d; exponentiëren geeft n!∼Cn(n/e)n met C=ed.
Stap 2: C=2π via Wallis. De gesloten vorm W2p=4p(p!)2(2p)!⋅2π (uit de recurrentie, de berekening uit bachelorjaar 1 opnieuw gedaan in de context van Lemma 6.11) combineert met stap 1:
de kans dat een symmetrische toevalswandeling op tijdstip 2n naar 0 terugkeert, is ∼πn1 — een aankondiging van Hoofdstuk 22.
Opmerking 6.15(Vooruitblik binnen dit volume)
Elk kwantitatief hoofdstuk hierna spreekt de taal van dit hoofdstuk. Hoofdstuk 7 klasseert reeksen door de termen met de schaal n−α(lnn)−β te vergelijken — de weekendopgave daar brengt die grens volledig in kaart. Hoofdstuk 9 doet hetzelfde voor oneigenlijke integralen, met dezelfde schaal in de continue veranderlijke. Hoofdstuk 11 berekent convergentiestralen uit limsup∣an∣1/n, een oefening in equivalenten van n-de wortels waarbij Stirling de standaardsleutel is (nn!∼en, Oefening 6.4). En de kanshoofdstukken verzilveren Stirling rechtstreeks: de lokale schattingen van Hoofdstuk 22 voor binomiaalcoëfficiënten zijn woordelijk Voorbeeld 6.14 en Voorbeeld 6.21. De asymptotiek is hier geen hoofdstuk; zij is het accent van het hele volume.
Methode 6.16(De checklist voor bootstrappen)
Controleer vier punten voordat je een gebootstrapte ontwikkeling vertrouwt. (1) Eerst het bestaan: het nulpunt of de rij moet zijn vastgepind (monotonie, tussenwaarden) voordat er ook maar iets wordt ontwikkeld — symbolen zonder referent laten zich prachtig ontwikkelen en betekenen niets. (2) Eén orde per ronde: elke substitutie mag slechts tot de orde van de ingevoerde schatting worden vertrouwd; twee nieuwe termen uit één ronde persen is de klassieke bron van verkeerde coëfficiënten. (3) Resttermen rijden mee: sleep de o(⋅) door elke algebraïsche stap mee en laat de absorptie (kleinere termen door grotere resttermen opgeslokt) pas aan het eind gebeuren, en expliciet. (4) Numerieke controle: evalueer bij één eerlijke waarde van n; een fout in een coëfficiënt overleeft een algebraïsche herafleiding verrassend vaak, en overleeft de rekenkunde bijna nooit.
Opmerking 6.17(Klassieke valkuilen)
(i) Equivalenten tellen slecht op: uit un∼n+lnn en vn∼−n mag men niet besluiten dat un+vn∼lnn; wegvallende termen vragen om ontwikkelingen met expliciete resttermen, nooit om kale equivalenten. (ii) Exponentieer nooit een equivalentie: n+1∼n maar en+1∼en; de veilige richting is logaritmen nemen van equivalenten die naar +∞ gaan (de weekendopgave van dit hoofdstuk, vraag 24). (iii) Een asymptotische ontwikkeling hoort bij een schaal: schrijven dat f=x1+o(x21) beweert meer dan f=x1+o(x1), en de twee mengen maakt alle latere algebra ongeldig. (iv) Substitueer bij het bootstrappen de hele huidige ontwikkeling, restterm inbegrepen — een o(⋅) halverwege laten vallen levert plausibele maar verkeerde coëfficiënten op. (v) De vergelijking van reeks en integraal heeft monotonie nodig: voor oscillerende termen faalt zij ronduit (vergelijk ∑ksink, Hoofdstuk 7).
Voorbeeld 6.18(Stirling in getallen)
Bij n=10 geeft de formule 20π(10/e)10≈3598696 tegenover 10!=3628800: een relatieve fout van 8.3⋅10−3, opmerkelijk voor een “asymptotische” uitspraak bij n=10. De fout heeft structuur — de exacte verfijning n!=2πn(n/e)n(1+12n1+O(n−2)) — en haar eerste correctie 1201≈8.3⋅10−3 verklaart de waargenomen kloof vrijwel precies. Het gereedschap van Euler–Maclaurin uit de weekendopgave is juist de systematische bron van zulke correctietermen.
Opmerking 6.19(Waar dit hoofdstuk wordt gebruikt)
De asymptotische vergelijking is de grammatica van alles wat verderop kwantitatief is: de convergentietests en het Bertrand-panorama van Hoofdstuk 7, de integreerbaarheidscriteria van Hoofdstuk 9, de berekeningen van convergentiestralen in Hoofdstuk 11, en de limietstellingen van Hoofdstuk 22 (waar Stirling de schattingen van de Moivre en Laplace aandrijft). Het volume van bachelorjaar 3 industrialiseert het ene idee dat wij hier met de hand bewijzen — haal de hoofdterm eruit, begrens de rest — tot de methode van Laplace en de gedomineerde convergentie.
Voorbeeld 6.20(Een integraal met zichzelf vergeleken: ∫2xlntdt)
De vergelijkingsgereedschapskist werkt ook op integralen. Zij F(x)=∫2xlntdt (de integrand is continu op [2,∞)). Partieel integreren:
Bijgevolg is F(x)∼lnxx. Wie de priemgetalstelling in de weekendopgave van dit hoofdstuk is tegengekomen, herkent F: het is de logaritmische integraal, de betere schatter van π(x), en de berekening laat zien dat zij tot op de eerste orde met lnxx overeenstemt.
Voorbeeld 6.21(Stirling op een scheve binomiaalcoëfficiënt)
Dezelfde routine met drie faculteiten als bij Voorbeeld 6.14 geeft voor (n3n)=n!(2n)!(3n)!:
De exponentiële snelheid 427=2233 is e3nH(1/3) in de entropienotatie van de informatietheorie: scheve binomiaalcoëfficiënten groeien strikt langzamer dan de centrale 4n per twee stappen — hier (27/4)1/3≈1.89<2 per stap. Elke asymptotiek van binomiaalcoëfficiënten in de combinatoriek en de kansrekening (Hoofdstuk 22) is deze ene berekening met andere gewichten.
6.4 Impliciet gedefinieerde rijen
Methode 6.22
Om de asymptotiek van de oplossingen xn van een vergelijking F(x,n)=0 te vinden:
Lokaliseer: bewijs het bestaan en de eenduidigheid van xn in een bepaald interval (monotonie, tussenwaardestelling), en bepaal het ruwe gedrag (limiet, groeiorde).
Bootstrap: substitueer de ruwe vorm xn=(hoofdterm)(1+εn) in de vergelijking en los op naar de volgende orde van εn; herhaal, waarbij elke ronde één orde verfijnt.
Voorbeeld 6.23
Voor n≥1 heeft de vergelijking tanx=x precies één oplossing xn in (nπ−2π,nπ+2π) (de functie tanx−x stijgt daar van −∞ tot +∞, want haar afgeleide is tan2x≥0). Ruw:xn=nπ+2π−yn met yn∈(0,π); omdat xn→∞ en tanxn=xn→+∞, nadert xn de asymptoot van links: yn→0. Bootstrap:tanxn=cotyn=tanyn1∼yn1, en de vergelijking cotyn=xn∼nπ geeft yn∼nπ1. Bijgevolg is
xn=nπ+2π−nπ1+o(n1),
en het proces gaat tot elke orde door (Oefening 6.6).
Voorbeeld 6.24(Een tweede ronde van de methode)
Los x+lnx=n asymptotisch op. Lokaliseer:x↦x+lnx stijgt op (0,+∞) van −∞ tot +∞: dus één nulpunt xn, en xn→∞. Ruw: uit lnxn=o(xn) volgt xn∼n. Bootstrap: uit xn=n−lnxn en lnxn=lnn+o(1) (logaritmen van equivalenten, beide leden →∞):
xn=n−lnn+o(1);
nog een ronde, met lnxn=ln(n−lnn+o(1))=lnn−nlnn+o(nlnn):
xn=n−lnn+nlnn+o(nlnn).
(Controle bij n=100: het nulpunt is x≈95.4415; de formule met drie termen geeft 100−4.6052+0.0461=95.4409 en die met twee termen 95.3948 — elke ronde wint de voorspelde orde.) Dezelfde lus, een derde landschap: de methode van Methode 6.22 maalt niet om de gedaante van de vergelijking, zolang elke ronde de dominante onbekende isoleert.
6.5 Oefeningen
Oefening 6.1★
Ontwikkel bij +∞, twee termen voorbij de hoofdterm:
x2+x+1,ln(x2+x)−2lnx,x−lnxx+sinx.
Oplossing
Oplossing van Oefening 6.1.
x2+x+1=x1+x1+x21=x+21+83⋅x1+o(x1) (binomiale ontwikkeling: 21u−81u2 met u=x1+x21 geeft 2x1+2x21−8x21=2x1+8x23, en vermenigvuldig daarna met x).
Orden de bijdragen op de schaal bij +∞: xlnx≫x1≥xsinx≫x2(lnx)2. De twee termen na de hoofdterm 1 zijn dus xlnx, en daarna de begrensd oscillerende term xsinx:
x−lnxx+sinx=1+xlnx+xsinx+O(x2(lnx)2).
Oefening 6.2★
Geef de aard (convergentie of divergentie) en, bij divergentie, de hoofdasymptotiek van ∑k≤nkα voor α>−1, α=−1 en α<−1, met Stelling 6.6.
Oplossing
Oplossing van Oefening 6.2.
Neem f(t)=tα (t≥1).
α>−1: divergentie, en volgens Stelling 6.6 (2) geldt ∑k≤nkα=α+1nα+1+C+o(1) als α<0 (daar daalt f); voor α≥0 (f stijgt) geeft dezelfde insluiting met omgekeerde ongelijkheden ∑k≤nkα∼α+1nα+1.
α<−1: convergentie, met restsom ∑k>nkα∼−(α+1)nα+1 volgens de insluiting (1) (beide integraalgrenzen zijn met die waarde equivalent).
Oefening 6.3★★
Bewijs dat Hn=lnn+γ+2n1+o(n1). (Bestudeer vn=Hn−lnn−γ: toon aan dat vn−vn+1=2n21+O(n−3) en sommeer de staart, met de vergelijking ∑k≥n2k21∼2n1 — Stelling 6.6 (1).)
Bewijs voor n≥2 dat xn+x=1 precies één oplossing xn∈(0,1) heeft, dat xn→1, en leid af dat
xn=1−nlnn+o(nlnn).
(Uit xnn=1−xn: neem logaritmen en bootstrap met xn=1−εn.)
Oplossing
Oplossing van Oefening 6.5.
g(x)=xn+x−1 stijgt strikt op [0,1] van −1 naar 1: dus één nulpunt xn. Omdat xnn=1−xn∈(0,1): zou xn≤c<1 langs een deelrij, dan xnn≤cn→0, dus 1−xn→0: in strijd met xn≤c. Bijgevolg is xn→1.
Schrijf xn=1−εn met εn→0+. De vergelijking luidt (1−εn)n=εn, dat wil zeggen
nln(1−εn)=lnεn⟹−nεn(1+o(1))=lnεn.
Dus nεn=−lnεn(1+o(1))→+∞, en opnieuw logaritmen nemen geeft lnn+lnεn=ln(−lnεn)+o(1). Omdat ln(−lnεn)=o(ln(1/εn)), volgt lnεn∼−lnn, waaruit εn=n−lnεn(1+o(1))∼nlnn:
Bepaal limn→∞n!1∑k=0nk!(begrens de som van alle termen op de laatste twee na), en leid daaruit de asymptotische ontwikkeling∑k≤nk!=n!(1+n1+O(n−2)) af.
Dus 1≤n!1∑k!≤1+n2: de limiet is 1. Verfijning: n!(n−1)!=n1, en de ruwe grens ∑k≤n−2k!≤(n−1)! laat zich op dezelfde manier aanscherpen: ∑k≤n−2k!=(n−2)!(1+O(n1))=O(n2n!). Bijgevolg is
k=0∑nk!=n!(1+n1+O(n21)).
Oefening 6.8★★★
Zij u0>0 en un+1=un+un1. Bewijs dat un→∞, vervolgens dat un∼2n(bestudeer un2: haar toenamen zijn 2+un−2; sommeer), en verfijn:
un=2n(1+8nlnn+o(nlnn)).
(Uit un2=2n+∑k<nuk−2+u02 en uk2∼2k: de som is ∼21lnn volgens Stelling 6.6.)
Oplossing
Oplossing van Oefening 6.8.
(un) stijgt; was zij begrensd, dan zou zij naar een ℓ convergeren met ℓ=ℓ+ℓ1: absurd. Dus un→∞.
Kwadraten: un+12=un2+2+un−2, dus
un2=u02+2n+k=0∑n−1uk21.
De som is o(n) (de termen gaan naar 0; Cesàro), dus un2∼2n en un∼2n.
Verfijning: uk21∼2k1, dus levert de vergelijking (Stelling 6.6, of equivalenten van partiële sommen van positieve reeksen) ∑k<nuk−2∼21lnn. Bijgevolg is
(Een riemannsom met een addertje) Bepaal het asymptotische gedrag van
Sn=k=1∑nn+klnn1.
(Haal n buiten haakjes: Sn=n1∑k(1+nklnn)−1; herken een som van het type Riemann met een traag variërende parameter t=lnn, bereken ∫011+tudu=tln(1+t), en besluit dat Sn∼lnnlnlnn.)
Oplossing
Oplossing van Oefening 6.9.
Haal n buiten haakjes en zet t=lnn:
Sn=n1k=1∑n1+tnk1.
Bij vaste t is de som een riemannsom van u↦1+tu1 op [0,1]; de functie is monotoon in u, dus wordt de riemannsom ingesloten door de integraal, één maaswijdte verschoven:
∫011+tudu−n1≤Sn≤∫011+tudu+n1
(de vergelijking van de riemannsommen van een monotone functie met haar integraal, geldig voor elke n met haar eigen t=lnn). Nu is ∫011+tudu=tln(1+t) en n1=o(tlnt): bijgevolg
Sn=lnnln(1+lnn)+O(n1)∼lnnlnlnn.
Oefening 6.10★
Bewijs de identiteit (lnn)lnn=nlnlnn, en rangschik daarna de volgende grootheden bij oneindig in stijgende o(⋅)-volgorde, met bewijs: n2, (lnn)lnn, 2n, n!, nn.
Oplossing
Oplossing van Oefening 6.10.
Identiteit: (lnn)lnn=elnnlnlnn=(elnn)lnlnn=nlnlnn. Rangschikking: vergelijk logaritmen. ln(n2)=2lnn; ln((lnn)lnn)=lnnlnlnn; ln(2n)=nln2; ln(n!)=nlnn−n+O(lnn) (Stirling, of de ruwere insluiting lnn!∼nlnn); ln(nn)=nlnn. Omdat 2lnn=o(lnnlnlnn), lnnlnlnn=o(n), nln2=o(nlnn−n), en nlnn−n∼nlnn terwijl n!/nn→0 (het verschil van de logaritmen is −n+O(lnn)→−∞), volgt
n2=o((lnn)lnn),(lnn)lnn=o(2n),2n=o(n!),n!=o(nn).
(Bij elke stap: het verschil van de logaritmen gaat naar +∞, dus gaat de verhouding naar 0.)
Oefening 6.11★★
(Staart van ∑1/k2, twee termen) Bewijs met de exacte telescopering ∑k>nk(k+1)1=n+11 en de splitsing k21=k(k+1)1+k2(k+1)1 dat
k>n∑k21=n1−2n21+O(n31).
Oplossing
Oplossing van Oefening 6.11.
Splits k21=k(k+1)1+k2(k+1)1 en sommeer voor k>n:
k>n∑k21=n+11+k>n∑k2(k+1)1,
waarbij de eerste som exact telescopeert (k(k+1)1=k1−k+11). Voor de tweede: k2(k+1)1=k31+O(k41) (want k2(k+1)1−k31=k3(k+1)−1), en de vergelijking met de integraal geeft ∑k>nk31=2n21+O(n31) en ∑k>nk41=O(n31). Bijgevolg is
Zij u0=21 en un+1=un+e−un. Bewijs dat un→∞, en leid vervolgens — door vn=eun te zetten en aan te tonen dat vn+1=vn+1+2vn1+O(vn−2) — af dat
un=lnn+2nlnn+O(n1).
Oplossing
Oplossing van Oefening 6.12.
(un) stijgt; was zij begrensd, dan zou zij naar een eindige ℓ convergeren met ℓ=ℓ+e−ℓ: onmogelijk. Dus un→∞. Zij vn=eun→∞; dan is
Het sommeren van vk+1−vk=1+O(1) geeft eerst vn=n+O(n), dus vn≥cn vanaf zekere rang; opnieuw sommeren met 2vk1=O(k1) geeft vn=n+O(lnn). Nog een ronde: 2vk1=2k1(1+O(klnk)), dus
vn=n+k<n∑2k1+O(1)=n+2lnn+O(1).
Ten slotte un=lnvn=lnn+ln(1+2nlnn+O(n1))=lnn+2nlnn+O(n1).
6.6 Probleem: Bootstrappen, van Euler–Maclaurin tot de priemgetallen
Een impliciete of opgestapelde grootheid geeft haar asymptotiek zelden in één keer prijs; men haalt haar in rondes binnen, waarbij elke ronde de vorige schatting terugvoert in de definiërende betrekking. Deze weekendopgave traint die lus op nieuwe vergelijkingen, bewijst de formule van Euler–Maclaurin van eerste orde (de trapeziumverbetering van de vergelijking van reeks en integraal, met rigoureuze foutbalken), keert xlnx=n om, en int de beroemdste cheque van de methode: uit de zonder bewijs aangenomen priemgetalstelling volgt de asymptotische wet pn∼nlnn voor het n-de priemgetal.
Probleem 6.1
Weekendopgave — de correctie van Euler–Maclaurin en de asymptotiek van het n-de priemgetal
Deel I — De bootstraplus op een nieuwe vergelijking.
Bewijs de bewering over eenduidigheid uit Definitie 6.2: geldt f=∑i≤kciφi+o(φk)=∑i≤kci′φi+o(φk) langs dezelfde schaal, dan is ci=ci′ voor alle i. Voer daarna het gemengde voorbeeld uit de cursus één sport verder door:
x−lnx1=x1+x2lnx+x3(lnx)2+o(x3(lnx)2)(x→+∞),
en leg uit waarom er geen term x2c verschijnt.
Toon aan dat de vergelijking ex+x=n voor elke n≥1 precies één reële oplossing xn heeft, en dat xn→+∞ met xn∼lnn.
Bootstrap tweemaal:
xn=lnn−nlnn−2n2(lnn)2+o(n2(lnn)2).
Controleer numeriek bij n=1000: vergelijk x1000≈6.90083 met de waarden van vraag 3 met één, twee en drie termen, tot op vijf decimalen.
Deel II — Euler–Maclaurin, eerste orde.
Bewijs de identiteit met de trapeziumkern: voor g van klasse C2 op [0,1] geldt
∫01g(t)dt=2g(0)+g(1)−21∫01t(1−t)g′′(t)dt
(integreer 21t(1−t)g′′ tweemaal partieel).
Zij f van klasse C2 op [1,+∞) met ∫1∞∣f′′∣<∞. Toon aan dat
En=k=1∑nf(k)−∫1nf−2f(1)+f(n)
naar een constante E convergeert, met de staartgrens ∣E−En∣≤81∫n∞∣f′′∣: de formule van Euler–Maclaurin tot op de eerste orde.
Haal de volgende coëfficiënt binnen: toon aan dat εn=−12n21+o(n21)(de toenamen van En zijn 21∫01t(1−t)f′′(n+t)dt=121f′′(n)+o(f′′(n)); sommeer de staart met Stelling 6.6).
Pas vraag 6 toe op f=ln: leid in drie regels opnieuw de convergentie af van dn=lnn!−(n+21)lnn+n (stap 1 van Stelling 6.13), met als bonus de foutsnelheid dn=d+O(n1).
Pas vraag 6 toe op f(t)=t1: toon aan dat
k=1∑nk1=2n+c+2n1+O(n3/21)
voor zekere constante c, en evalueer alle termen bij n=104 (de constante is c≈−1.4604).
Deel III — Omkeren: de vergelijking xlnx=n.
Toon aan dat xlnx=n voor n≥1 precies één oplossing xn∈[1,+∞) heeft, dat xn→∞, en dat lnxn∼lnn.
Leid de omkering met één term af, xn∼lnnn, en bootstrap daarna nog eens:
Test bij n=106: het werkelijke nulpunt is x≈87848; vergelijk met de waarden met één term (≈72382) en met twee termen (≈86140), en verklaar de trage winst (de ontwikkelingsparameter is lnnlnlnn, bij n=106 slechts ≈0.19).
We nemen nu de priemgetalstelling zonder bewijs aan: het aantal π(x) priemgetallen ≤x voldoet aan π(x)∼lnxx als x→∞ (eerlijk bewezen in het volume van bachelorjaar 3). Schrijf pn voor het n-de priemgetal, verantwoord dat π(pn)=n, en voer de omkering van de vragen 11–12 uit om te bewijzen dat
pn∼nlnn.
Opbrengsten: (a) toon aan dat ∑k≤npk∼2n2lnn(vergelijk ∑klnk met ∫tlntdt); (b) bereken bij benadering de kans dat een uniform gekozen geheel getal van 100 cijfers priem is (ln10100≈230.26: ongeveer één op 230).
Deel IV — De methode geëxporteerd: xtanx=1.
Toon aan dat de vergelijking tanx=x1 voor elke n≥1 precies één oplossing xn heeft in (nπ,nπ+2π), en dat zn=xn−nπ→0+.
Eén term: zn∼nπ1.
Toon aan dat de ontwikkeling van zngeen term n2c heeft: zn=nπ1+O(n31).
Drie termen: bewijs met arctanu=u−3u3+O(u5) en xn1=nπ1−(nπ)2zn+O(n−3⋅zn2) dat
xn=nπ+nπ1−3π3n34+o(n31).
Controleer bij n=3: het werkelijke nulpunt is x3≈9.5293344; vergelijk de waarden met één en met drie termen, en zet dit in één zin af tegen de tanx=x uit de cursus (Voorbeeld 6.23): waar elke rij in haar venster ligt, en waarom.
Deel V — Een dynamische bootstrap, de spelregels, en de synthese.
Zij u0∈(0,π) en un+1=sinun. Toon aan dat un dalend naar 0 gaat, en bereken de limiet van un+121−un21(ontwikkel sin−2 via sinu=u−6u3+o(u3)).
Leid daaruit, via de gemiddelden van Cesàro (volume van bachelorjaar 1), de klassieke uitspraak
un∼n3
af.
(Gecertificeerde numeriek) Toon met de rigoureuze grens van vraag 7 aan dat het evalueren van lnn+γ+2n1 bij n=106 de waarde H106 oplevert met een fout van hoogstens 1.25⋅10−13 — een som van een miljoen termen, met drie termen tot op dertien cijfers berekend.
(Spelregels) Bewijs of weerleg, met bewijzen of tegenvoorbeelden: (a) geldt un∼vn→+∞, dan lnun∼lnvn; (b) geldt un∼vn, dan eun∼evn; (c) geldt f∼g bij +∞ (met f,g differentieerbaar), dan f′∼g′.
(Synthese) In telkens één zin: de bootstraplus van Methode 6.22 zoals gebruikt in de Delen I, III en IV; wat de trapeziumcorrectie toevoegt aan Stelling 6.6; waarom het omkeren van xlnx juist de brug is van π(x) naar pn; en welke van de regels uit vraag 24 welke stap beschermde. Noem de twee toppen: de formule van Euler–Maclaurin (eerste orde), en de asymptotische wet voor het n-de priemgetal.
Oplossing
Oplossing van Probleem 6.1.
1. Aftrekken van de twee ontwikkelingen geeft ∑i(ci−ci′)φi=o(φk). Verschilt een coëfficiënt, zij i0 de eerste: deling door φi0 en het gebruik van φj=o(φi0) voor j>i0 geeft ci0−ci0′=o(1), dus nul: tegenspraak. Voor de ontwikkeling: met u=xlnx→0 is
Er verschijnt geen term x2c omdat de ontwikkeling een meetkundige reeks in u=xlnx is: elke term draagt voorbij de eerste evenveel machten van lnx als van x1; de sport x21 van de schaal (de coëfficiënt bij (lnx)0) ontbreekt eenvoudigweg, met coëfficiënt 0.
2.f(x)=ex+x is continu en strikt stijgend, met limieten −∞ en +∞: dus een bijectie R→R, zodat xn=f−1(n) bestaat en eenduidig is, en xn→+∞ (f−1 stijgt naar +∞). Uit exn=n−xn volgt xn=ln(n−xn)≤lnn, dus xn/n→0 en xn=lnn+ln(1−xn/n)=lnn+o(1)∼lnn.
3. Schrijf un=xn/n. Tweede ronde: un=nlnn+o(1), dus
waarbij de term n2lnn in o(n2(lnn)2) wordt opgeslokt.
4. Bij n=1000: ln1000≈6.90776 (fout 7⋅10−3); met twee termen 6.90085 (fout 2⋅10−5); met drie termen 6.90082 (fout onder 10−5), tegenover x1000≈6.90083. Elke ronde koopt ruwweg de voorspelde factor nlnn.
5. Twee partiële integraties, vanaf rechts: met dtd[21t(1−t)]=21−t en t(1−t) dat in beide eindpunten verdwijnt, is
Omdat 0≤t(1−t)≤41, is ∣En+1−En∣≤81∫nn+1∣f′′∣, en de som daarvan over n convergeert wegens de hypothese: (En) convergeert (absoluut sommeerbare toenamen) naar zekere E, met
∣E−En∣≤k≥n∑∣Ek+1−Ek∣≤81∫n∞∣f′′∣.
7. Voor f(t)=t1 is f′′(t)=t32 en ∫1∞∣f′′∣=1<∞. Vraag 6 geeft
Hn=lnn+21+n1+E+(En−E)=lnn+(E+21)+2n1+εn,
met ∣εn∣=∣En−E∣≤81∫n∞t32dt=8n21. Vergelijking met Hn=lnn+γ+o(1) (Voorbeeld 6.7) identificeert E+21=γ.
dus dn=1+E+O(n1): de convergentie van (dn) — stap 1 van Stelling 6.13 — plus de snelheid O(1/n). (De waarde van de limiet volgens Stirling geeft E=ln2π−1.)
10. Voor f(t)=t−1/2 is f′′(t)=43t−5/2, absoluut integreerbaar. Vraag 6 geeft
met c=E−23. Bij n=104: 2n=200, c≈−1.46035, 2n1=0.005: voorspeld 198.54465, en inderdaad is ∑k≤104k−1/2=198.544645… — drie termen, zeven cijfers.
11.t↦tlnt is continu en strikt stijgend op [1,∞) (afgeleide lnt+1≥1), van 0 tot +∞: dus bestaat er een unieke xn, en xn→∞ (anders zou xnlnxn begrensd blijven). Logaritmen nemen in xnlnxn=n geeft lnxn+lnlnxn=lnn; omdat lnlnxn=o(lnxn), geeft deling door lnxn dat lnxnlnn→1: dus lnxn∼lnn.
12. Uit xn=lnxnn en lnxn∼lnn volgt xn∼lnnn. Volgende ronde: lnlnxn=ln(lnn(1+o(1)))=lnlnn+o(1), dus lnxn=lnn−lnlnn+o(1) en
13. Bij n=106: lnnn≈72382 (18% ernaast), met twee termen ≈86140 (1.9% ernaast), tegenover de werkelijke x≈87848. De winst per ronde is slechts de factor lnnlnlnn≈13.82.63≈0.19: logaritmische schalen convergeren tergend langzaam — een feit van het leven overal waar priemgetallen in het spel zijn.
14. Er zijn precies n priemgetallen ≤pn (namelijk p1,…,pn): dus π(pn)=n. De priemgetalstelling (aangenomen; volume van bachelorjaar 3) geeft n=π(pn)∼lnpnpn, dat wil zeggen pn∼nlnpn: dat is de vergelijking xlnx≈n, achterstevoren gelezen. Logaritmen nemen: lnpn=lnn+lnlnpn+o(1), en lnlnpn=o(lnpn) dwingt lnpn∼lnn af, net als in vraag 11. Terugsubstitueren geeft
pn∼nlnpn=nlnnlnnlnpn∼nlnn.
15. (a) Leg ε>0 vast; voor grote k is (1−ε)klnk≤pk≤(1+ε)klnk. Met de vergelijking met de stijgende tlnt (insluiting van het type Stelling 6.6) is ∑k≤nklnk=∫1ntlntdt+O(nlnn)=2n2lnn−4n2+O(nlnn)∼2n2lnn. Bijgevolg is ∑k≤npk=2n2lnn(1+O(ε)+o(1)) voor elke ε: dus ∑k≤npk∼2n2lnn. (b) Volgens de priemgetalstelling is onder de gehele getallen tot 10100 een fractie ∼ln101001=230.26…1 priem: een uniform gekozen geheel getal van 100 cijfers is priem met kans ongeveer 2301.
16. Op (nπ,nπ+2π) is g(x)=tanx−x1continu en strikt stijgend (g′=1+tan2x+x21>0), met g→−nπ1<0 aan de linkerkant en g→+∞ aan de rechterkant: dus precies één nulpunt xn. Omdat tanzn=tanxn=xn1→0 met zn∈(0,2π), volgt zn→0+.
17. Er geldt tanzn∼zn en xn1∼nπ1: dus zn∼nπ1.
18. Er is zn=arctanxn1 met arctanu=u+O(u3). Met zn=O(n1):
dus zn=nπ1+O(n31): de sport n2c heeft coëfficiënt 0, omdat de eerste correctie op xn1 zelf van de grootte n2zn=O(n−3) is.
19. Vul zn=nπ1+O(n−3) in de vorige formule in:
xn1=nπ1−n3π31+O(n51),
en dan zn=arctanxn1=xn1−31(xn1)3+O(n51)=nπ1−n3π31−3n3π31+O(n51):
xn=nπ+nπ1−3π3n34+O(n51).
20. Bij n=3: met één term 9.53088, met drie termen 9.52929, tegenover het werkelijke nulpunt 9.52933: fouten 1.5⋅10−3 en 5⋅10−5. Contrast: bij tanx=x moet het nulpunt tan enorm maken, dus kruipt het tegen het rechter uiteinde nπ+2π van het venster aan, op afstand ∼nπ1 vóór de asymptoot; bij xtanx=1 moet het nulpunt tan minuscuul maken, dus ligt het net voorbij het linker uiteinde nπ, op afstand ∼nπ1 na het nulpunt. Dezelfde methode, gespiegelde geografie.
21. Er geldt sinu<u op (0,π), en sin beeldt (0,π) af in (0,1]⊆(0,π): na één stap ligt u1∈(0,1], en daarna daalt (un) en is zij van onderen door 0 begrensd: zij convergeert dus naar een vast punt van sin, dat wil zeggen naar 0. Ontwikkeling: sinu=u(1−6u2+o(u2)), dus
dus un2∼n3 en, omdat alle termen positief zijn, un∼3/n.
23. Volgens vraag 7 is Hn−lnn−γ−2n1≤8n21. Bij n=106 is die grens 8⋅10121=1.25⋅10−13: drie berekende termen leveren de harmonische som van een miljoen termen tot op dertien cijfers, met een volledig rigoureus foutcertificaat — en daar draait een asymptotische formule met expliciete restterm precies om.
24. (a) Waar: lnun−lnvn=lnvnun→0 terwijl lnvn→+∞, dus gaat de verhouding van de logaritmen naar 1. (b) Onwaar: un=n+1∼vn=n, maar eun/evn=e=1. Equivalentie verdraagt additieve fouten o(1) in de exponent, geen O(1). (c) Onwaar: f(x)=x+sin(x2)∼g(x)=x bij +∞, maar f′(x)=1+2xcos(x2) oscilleert onbegrensd terwijl g′=1: de afgeleiden van equivalente functies hoeven in het geheel niet vergelijkbaar te zijn.
25. De lus van Methode 6.22 liep drie keer identiek: lokaliseer het nulpunt, haal een ruwe term eruit, voer die terug voor de volgende orde — op ex+x=n (Deel I), op xlnx=n (Deel III) en op xtanx=1 (Deel IV). De trapeziumcorrectie tilt de vergelijking van reeks en integraal op van “het verschil convergeert” naar een expliciete term 2f(1)+f(n) met een gecertificeerde restterm O(∫n∞∣f′′∣) — constanten en foutbalken in plaats van louter convergentie. De brug naar de priemgetallen is zuivere omkering: de priemgetalstelling zegt π(x)lnx≈x, dus lost pn, gedefinieerd door π(pn)=n, een vergelijking xlnx=n op — en erft haar asymptotiek. Regel (a) van vraag 24 legitimeerde elke overgang van un∼vn naar lnun∼lnvn (vragen 11 en 14); dat (b) onwaar is, is de reden dat we equivalenties nooit exponentiëren. De toppen: de formule van Euler–Maclaurin tot op de eerste orde (vraag 6), en de asymptotische wet pn∼nlnn voor het n-de priemgetal (vraag 14).