De dunne darm vouwt haar binnenwand tot ringplooien, en die tot darmvlokken van een millimeter hoog, elk bedekt met één laag enterocyten waarvan de apicale membranen microvilli dragen — de borstelzoom — zodat een buis van zo’n membraan biedt (Hoofdstuk 4). In elke vlok lopen een haarvatennet, dat suikers en aminozuren via de poortader naar de lever afvoert, en een centraal chylvat, een lymfevat dat het vet afvoert. De enterocyten leven vier dagen en worden vervangen vanuit de crypten tussen de vlokken.
Voorbeelden
Voorbeeld 22.9 (De waterbalans)
Van de negen liter die dagelijks de darm van een mens binnenkomen, neemt de dunne darm er acht op, de dikke darm nog eens één, en verlaat het lichaam met de ontlasting. De aan natrium gekoppelde opname van glucose in de dunne darm sleept water mee — en daarom rehydrateert een oplossing van glucose en zout, door de mond gegeven, een kind met cholera wanneer het gif de crypten in uitscheiders heeft veranderd: de symporter blijft onaangetast en neemt water sneller op dan het gif het verliest (Hoofdstuk 7).
Voorbeeld 22.4 (De scheikunde van een maaltijd)
Een boterham met boter en kaas: het zetmeel wordt in de mond aangevallen door speekselamylase, gestopt door het zuur van de maag, hervat door pancreasamylase in het duodenum en afgemaakt door het maltase van de borstelzoom op de enterocyten zelf; het eiwit van de kaas wordt door het zuur ontvouwen, door pepsine geknipt, verder geknipt door trypsine en chymotrypsine, en aan de borstelzoom afgewerkt tot aminozuren en dipeptiden; de boter wordt gesmolten, door gal geëmulgeerd, door lipase gesplitst in vetzuren en monoglyceriden, en in micellen naar het membraan gevaren. Drie uur van mond tot bloed.