Een lens is een doorzichtig midden dat door twee oppervlakken wordt begrensd, waarvan er minstens één gekromd is. Is de lens in het midden dikker dan aan de rand, dan is ze convergerend: evenwijdige stralen worden naar elkaar toe gebogen; is ze aan de rand dikker, dan is ze divergerend en lopen ze uiteen. Een dunne lens heeft een verwaarloosbare dikte: we tekenen haar als een lijnstuk met pijlpunten naar buiten (convergerend) of naar binnen (divergerend). Haar middelpunt is het optische middelpunt; de lijn door loodrecht op de lens is de hoofdas.
Voorbeelden
Voorbeeld 10.4 (Een recept lezen)
Een lens met heeft D: convergerend. Een voorschrift van D betekent : divergerend, met brandpuntsafstand .
Voorbeeld 10.10 (De formule aan het werk)
Een voorwerp staat voor een convergerende lens met : , dus
een reëel beeld achter de lens, omgekeerd en half zo groot — precies wat de drie stralen tekenen.
Voorbeeld 10.12 (De sterkte van je oog)
Het netvlies zit op . Ver voorwerp (): D. Nabijpunt (): D. Lezen kost ongeveer D: het oog is een lens van D met een ingebouwde fijnregeling van D.