Biologie bovenbouw · Grades 10–12
20Hormonale regeling van de voortplanting
Een vrouw houdt een schema bij: elke ochtend haar temperatuur, met een kleine stijging rond het midden van elke maand; een bloeding om de achtentwintig dagen of daaromtrent. Een laboratorium dat dagelijks vier hormonen in haar bloed meet, zou vier krommen tekenen die maand na maand in een vaste volgorde stijgen en dalen, waarbij elke piek de volgende veroorzaakt. Het schema van een man zou dezelfde hormonen dag na dag op vrijwel constante niveaus tonen. De organen verschillen; het regelsysteem — een centrum in de hersenen, een klier daaronder, de geslachtsklier, en boodschappen die het bloed in beide richtingen vervoert — is hetzelfde. Dit hoofdstuk leest de schema’s, en laat zien hoe het begrip ervan het mogelijk maakte een zwangerschap te voorkomen, of er juist een te verkrijgen.
20.1 Hormonen en hun terugkoppelingen
Definitie 20.1 (Hormoon, terugkoppeling)
Een hormoon is een molecuul dat door een klier aan het bloed wordt afgegeven en dat op afstand inwerkt op de cellen die er een receptor voor dragen. Een hormoonstelsel wordt geregeld door terugkoppeling: het hormoon dat aan het eind van een keten wordt gemaakt, werkt terug op de klieren aan het begin ervan. Negatieve terugkoppeling — het product vermindert het bevel — houdt een niveau constant; positieve terugkoppeling — het product versterkt het bevel — brengt een uitschieter voort.
Propositie 20.2 (De gemeenschappelijke keten)
Bij beide geslachten stuurt dezelfde keten van drie lagen de geslachtsklieren aan. Een centrum in de hersenen, de hypothalamus, geeft in stoten een vrijzettend hormoon, GnRH, af aan de kleine vaten die naar de hypofyse daar vlak onder leiden; de hypofyse antwoordt door twee hormonen aan het algemene bloed af te geven, LH en FSH; die werken op de geslachtsklieren, die zowel gameten als geslachtshormonen voortbrengen — testosteron in de teelbal, oestrogenen en progesteron in de eierstok. De geslachtshormonen werken op het lichaam, en werken terug op de hypothalamus en de hypofyse.
Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen. ∎
20.2 De man: een constant niveau
Propositie 20.3 (Regeling van de teelbal)
De teelbal heeft twee afdelingen. De zaadbuisjes, aangezet door FSH en door testosteron, maken vanaf de puberteit onafgebroken zaadcellen, zo’n honderd miljoen per dag. De cellen tussen de buisjes, aangezet door LH, scheiden testosteron af, dat de geslachtsweg, de secundaire kenmerken en de zaadcelproductie in stand houdt. Testosteron remt de hypothalamus en de hypofyse: stijgt het, dan dalen GnRH, LH en FSH en scheidt de teelbal minder af; daalt het, dan stijgen zij. Die negatieve terugkoppeling houdt het niveau, op kleine dagelijkse schommelingen na, van de puberteit tot op hoge leeftijd vrijwel constant.
Bewijsmateriaal. Een dier castreren verhoogt zijn LH binnen enkele dagen enkele malen; een injectie testosteron brengt LH weer omlaag. Een beschadiging van de hypothalamus heft LH, FSH en testosteron tegelijk op; GnRH in stoten inspuiten herstelt alle drie, terwijl een onafgebroken infuus met GnRH dat niet doet — het stoten doet ertoe. Mannen die om andere redenen met testosteron worden behandeld, zien hun zaadcelproductie dalen: het hormoon van buitenaf schakelt hun eigen hypofyse uit. ∎
20.3 De vrouw: cycli
Propositie 20.4 (De eierstokcyclus)
Van de puberteit tot de overgang doorloopt de eierstok een cyclus van ongeveer 28 dagen.
- Follikelfase (dag 1–13): onder invloed van FSH groeit een follikel — een eicel omringd door haar voedstercellen — en scheidt zij steeds meer oestrogenen af.
- Eisprong (dag 14): een uitschieter van LH doet de rijpe follikel barsten, die haar eicel in de eileider vrijlaat.
- Gelefase (dag 15–28): de leeggelopen follikel wordt het gele lichaam, dat progesteron en oestrogenen afscheidt; komt er geen zwangerschap, dan takelt het na ongeveer twaalf dagen af, dalen de twee hormonen, en begint een nieuwe cyclus.
Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen. ∎
Propositie 20.5 (De baarmoedercyclus en de terugkoppelingen)
Het baarmoederslijmvlies volgt de hormonen van de eierstok: oestrogenen laten het tijdens de follikelfase dikker worden; progesteron maakt het tijdens de gelefase afscheidend en klaar om een embryo te ontvangen; het dalen van beide aan het eind van de cyclus laat het afbreken en bloeden — de menstruatie, dag 1 tot 5 van de volgende cyclus. De terugkoppelingen wisselen tijdens de cyclus van teken: bij lage en matige niveaus remmen oestrogenen en progesteron de hypothalamus en de hypofyse (negatieve terugkoppeling); maar het hoge oestrogeen van de rijpe follikel, twee dagen volgehouden, prikkelt hen (positieve terugkoppeling), en dat brengt de LH-uitschieter voort die de eisprong in gang zet. Na de eisprong herstelt het progesteron van het gele lichaam de negatieve terugkoppeling, en volgt er geen tweede uitschieter.
Bewijsmateriaal. Dagelijkse bloedmetingen leveren de krommen van de volgende figuur: de LH-uitschieter volgt de oestrogeenpiek een dag later en gaat de eisprong een dag vooraf; progesteron verschijnt pas na de eisprong. De eierstokken verwijderen verhoogt LH en FSH; kleine doses oestrogenen verlagen ze; een grote, volgehouden dosis halverwege de cyclus lokt een LH-uitschieter uit — het teken van de terugkoppeling keert met de dosis om. Een vrouw wier hypofyse niet op de oestrogeenstijging kan reageren, heeft geen uitschieter en geen eisprong, hoewel haar follikels groeien. ∎
Methode 20.6 (Een cyclusschema lezen)
- Zoek de LH-piek: de eisprong volgt de dag erna; de follikelfase is alles ervóór, de gelefase alles erna.
- Toets de volgorde: oestrogeenpiek, dan LH-uitschieter, dan eisprong, dan progesteron. Een kromme die uit de pas loopt, wijst op een stoornis.
- Tel: de gelefase duurt bij elke vrouw dicht bij 14 dagen; de lengte van de cyclus varieert in de follikelfase. De eisprong valt dus 14 dagen vóór de volgende menstruatie, en niet 14 dagen na de vorige.
- Leg een geneesmiddel of een beschadiging uit door je af te vragen welk hormoon het toevoegt of wegneemt, en wat de terugkoppeling dan met de andere doet.
20.4 Kiezen: anticonceptie
Propositie 20.7 (Hormonale anticonceptie)
De combinatiepil levert elke dag kleine doses van een oestrogeen en van een progesteronachtig molecuul. Bij die niveaus is de terugkoppeling de hele tijd negatief: FSH blijft laag, geen enkele follikel rijpt, er komt geen oestrogeenpiek, geen LH-uitschieter en geen eisprong. Het baarmoederslijmvlies, dat dun wordt gehouden, en het slijm van de baarmoederhals, dat dik wordt gehouden, voegen twee barrières toe. Een week met de pillen stoppen laat de hormonen dalen en het slijmvlies bloeden. Andere methoden werken elders: een koperspiraaltje in de baarmoeder voorkomt bevruchting en innesteling; de morning-afterpil, binnen enkele dagen na de gemeenschap ingenomen, stelt de eisprong uit; condooms verhinderen dat de gameten elkaar ontmoeten — en zijn de enige methode die ook seksueel overdraagbare infecties tegenhoudt.
Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen. ∎
Voorbeeld 20.8 (Het effect van de pil aflezen)
Op het schema van een vrouw die de pil gebruikt, lopen de vier krommen vlak: oestrogenen en progesteron op het lage, gelijkmatige niveau dat de pillen leveren, LH en FSH onder hun laagste waarde in de cyclus, en nergens een piek. Wordt de pil vroeg in de strip enkele dagen vergeten, dan ontsnapt FSH: er kan een follikel op gang komen, en de rest kan volgen. De pil werkt omdat de terugkoppeling werkt, en een vergeten pil is een gat in de terugkoppeling.
20.5 Verkrijgen: geholpen voortplanting
Propositie 20.9 (Wanneer een zwangerschap uitblijft)
Ongeveer één paar op zeven zoekt na een jaar proberen hulp. De oorzaken zijn over beide partners verdeeld: een uitblijvende of onregelmatige eisprong, verstopte eileiders, te weinig of te weinig beweeglijke zaadcellen, en in een derde van de gevallen geen aanwijsbare oorzaak. De behandelingen volgen de biologie:
- eisprong opwekken: injecties met FSH, of een middel dat de negatieve terugkoppeling van oestrogeen blokkeert, laten follikels rijpen; een injectie met een LH-achtige stof zet de eisprong daarna op een gekozen uur in gang;
- inseminatie: bewerkte zaadcellen worden bij de eisprong in de baarmoeder gebracht;
- reageerbuisbevruchting: na stimulatie worden eicellen met een naald uit de eierstok gehaald, in een schaaltje bevrucht — zo nodig door in elke eicel één zaadcel te spuiten — en worden drie tot vijf dagen later één of twee embryo’s in de baarmoeder geplaatst. Ongeveer één poging op drie of vier leidt tot een geboorte; de rest kan met ingevroren embryo’s worden herhaald.
Elke stap van de natuurlijke keten die faalt, wordt door de bijbehorende ingreep vervangen.
Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen. ∎
Voorbeeld 20.10 (De cijfers van één poging)
De stimulatie levert 10 eicellen op; 8 zijn rijp; 5 worden bevrucht; 3 bereiken het stadium van vijf dagen; 1 wordt teruggeplaatst en 2 worden ingevroren. De terugplaatsing slaagt in ongeveer een derde van de gevallen; met de twee ingevroren embryo’s stijgt de kans op een geboorte uit die ene oogst naar ongeveer 60%. De techniek heeft sinds 1978 enkele miljoenen kinderen voortgebracht; zij heeft ook vragen opgeroepen — over embryo’s die niet worden gebruikt, over de leeftijd van ouders, over wat er gekozen mag worden — die de biologie niet beantwoordt.
Opmerking 20.11 (Twee stelsels die elkaar ontmoeten)
De hormonen van dit hoofdstuk sturen de geslachtsklieren en het lichaam aan; zij sturen bij de mens niet het seksuele gedrag aan zoals bij veel dieren, waar de paring aan de eierstokcyclus is gekoppeld. Menselijke seksuele activiteit staat grotendeels los van de cyclus en hangt af van de stelsels van verlangen, plezier en hechting in de hersenen — beloningscircuits die met andere drijfveren worden gedeeld — en van de voorgeschiedenis, de cultuur en de keuzes van de persoon. Voortplanting en seksualiteit overlappen elkaar; zij zijn niet hetzelfde, en de hormonen beheersen alleen het eerste.
20.6 Oefeningen
Oefening 20.1 ★
Definieer hormoon en terugkoppeling, en onderscheid negatieve van positieve terugkoppeling.
Oplossing
Oplossing van Oefening 20.1.
Een hormoon is een molecuul dat door een klier aan het bloed wordt afgegeven en dat inwerkt op verre cellen die er een receptor voor dragen. Terugkoppeling is de werking van het eindproduct op de klieren aan het begin van de keten: negatief wanneer zij het bevel vermindert (waardoor een niveau constant blijft), positief wanneer zij het versterkt (waardoor een uitschieter ontstaat).
Oefening 20.2 ★
Noem de drie lagen van de keten die de geslachtsklieren aanstuurt en de hormonen die elk ervan afscheidt.
Oplossing
Oplossing van Oefening 20.2.
Hypothalamus (GnRH), hypofyse (LH en FSH), geslachtsklier (testosteron in de teelbal; oestrogenen en progesteron in de eierstok).
Oefening 20.3 ★
Wat zijn de twee afdelingen van de teelbal en wat brengt elk voort?
Oplossing
Oplossing van Oefening 20.3.
De zaadbuisjes brengen zaadcellen voort; de cellen ertussen scheiden testosteron af.
Oefening 20.4 ★
Noem de fasen van de eierstokcyclus met hun hormonen.
Oplossing
Oplossing van Oefening 20.4.
Follikelfase (dag 1–13): een groeiende follikel, oestrogenen. Eisprong (dag 14): de LH-uitschieter. Gelefase (dag 15–28): het gele lichaam, progesteron en oestrogenen.
Oefening 20.5 ★
Wat veroorzaakt de menstruatie?
Oplossing
Oplossing van Oefening 20.5.
Het aftakelen van het gele lichaam aan het eind van de cyclus: het dalen van progesteron en oestrogenen laat het verdikte baarmoederslijmvlies afbreken en bloeden.
Oefening 20.6 ★★
Geef uit de cyclusfiguur de dag van de oestrogeenpiek, van de LH-piek, van de eisprong en van de progesteronpiek.
Oplossing
Oplossing van Oefening 20.6.
Oestrogeenpiek dag 12, LH-piek dag 13, eisprong dag 14, progesteronpiek dag 21.
Oefening 20.7 ★★
Leg uit waarom castratie het LH verhoogt, en waarom een injectie testosteron het weer verlaagt.
Oplossing
Oplossing van Oefening 20.7.
Castratie neemt het testosteron weg, en daarmee zijn remming van de hypothalamus en de hypofyse: LH stijgt. Ingespoten testosteron herstelt de remming en LH daalt — negatieve terugkoppeling in beide richtingen.
Oefening 20.8 ★★
Leg uit waarom de oestrogeenpiek van dag 12 een LH-uitschieter voortbrengt, terwijl het oestrogeen van dag 20 dat niet doet.
Oplossing
Oplossing van Oefening 20.8.
Op dag 12 is het oestrogeenniveau hoog en volgehouden, waardoor de terugkoppeling naar positief omslaat en de uitschieter volgt. Op dag 20 zijn de oestrogenen matig en is het progesteron hoog, en is de terugkoppeling negatief: LH wordt laag gehouden.
Oefening 20.9 ★★
Een vrouw heeft cycli van 35 dagen. Op welke dag heeft zij haar eisprong? Verantwoord dat.
Oplossing
Oplossing van Oefening 20.9.
Dag 21: de gelefase duurt ongeveer 14 dagen, wat de lengte van de cyclus ook is, dus valt de eisprong 14 dagen vóór de volgende menstruatie; de extra week zit in de follikelfase.
Oefening 20.10 ★★
Leg uit hoe de combinatiepil de eisprong voorkomt, aan de hand van het teken van de terugkoppeling.
Oplossing
Oplossing van Oefening 20.10.
Het gelijkmatige, matige oestrogeen en progesteronachtige hormoon van de pil houden de terugkoppeling de hele maand negatief: FSH blijft te laag om een follikel te laten rijpen, dus komt er geen oestrogeenpiek, geen positieve terugkoppeling, geen LH-uitschieter en geen eisprong.
Oefening 20.11 ★★
Bij een man die testosteron gebruikt om te bodybuilden, krimpen de teelballen en daalt het aantal zaadcellen. Verklaar dat.
Oplossing
Oplossing van Oefening 20.11.
Het testosteron van buitenaf remt zijn hypothalamus en hypofyse; LH en FSH dalen; zijn teelballen, die niet meer worden aangezet, houden op met afscheiden en met het maken van zaadcellen, en krimpen.
Oefening 20.12 ★★★
Een geneesmiddel blokkeert de oestrogeenreceptoren van de hypothalamus. Voorspel het effect ervan op FSH, op de groei van follikels en op de eisprong, en zeg waarom het bij sommige vormen van onvruchtbaarheid wordt gebruikt.
Oplossing
Oplossing van Oefening 20.12.
Zonder de remming van oestrogeen stijgen GnRH en FSH; follikels rijpen; hun oestrogeenpiek (die inwerkt op de hypofyse, die nog wel kan reageren) zet een LH-uitschieter en een eisprong in gang. Het wordt gebruikt wanneer de eisprong uitblijft omdat de follikels te weinig FSH krijgen.
Oefening 20.13 ★★★
Het schema van een vrouw toont een oestrogeenpiek maar geen LH-uitschieter en geen progesteron. Bepaal waar het gebrek in de keten zit en stel een behandeling voor.
Oplossing
Oplossing van Oefening 20.13.
De follikel groeit en scheidt af (de eierstok en FSH werken), maar de oestrogeenpiek brengt geen uitschieter voort: de positieve terugkoppeling faalt in de hypothalamus of in de hypofyse. Een injectie met een LH-achtig hormoon op het moment van de piek kan de eisprong in gang zetten.
Oefening 20.14 ★★★
Tijdens de zwangerschap scheiden de weefsels van het embryo een LH-achtig hormoon af dat het gele lichaam in leven houdt. Leg uit waarom dat de menstruatie en verdere eisprongen voorkomt, en waarom zwangerschapstests dat hormoon opsporen.
Oplossing
Oplossing van Oefening 20.14.
Het gele lichaam blijft in leven en blijft progesteron afscheiden: het slijmvlies blijft in stand (geen menstruatie) en de negatieve terugkoppeling houdt LH en FSH laag (geen nieuwe follikel en geen eisprong). Het hormoon verschijnt binnen enkele dagen na de innesteling in het bloed en de urine, en dat is wat de tests opsporen.
Oefening 20.15 ★★★
Bij een ivf-cyclus worden 12 eicellen geoogst, waarvan 60% wordt bevrucht en 40% daarvan dag 5 haalt; elk teruggeplaatst embryo geeft in 35% van de gevallen een geboorte. Bereken het verwachte aantal embryo’s, en de kans op ten minste één geboorte als zij één voor één worden teruggeplaatst tot er een geboorte volgt of ze op zijn.
Oplossing
Oplossing van Oefening 20.15.
: ongeveer 3 embryo’s. De kans op geen geboorte bij drie terugplaatsingen: ; ten minste één geboorte: ongeveer 73%.
20.7 Probleem: Het schema
Probleem 20.1
Weekendprobleem — de cyclus van één vrouw hormoon voor hormoon in kaart gebracht, gelezen op haar terugkoppelingen, verstoord door een pil, en geholpen wanneer zij faalt
Er worden gedurende één cyclus dagelijks bloedmonsters genomen. Afgeronde waarden, als percentage van het maximum van elk hormoon:
| dag | 2 | 6 | 10 | 12 | 13 | 14 | 18 | 22 | 27 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| oestrogenen | 10 | 20 | 55 | 100 | 80 | 45 | 45 | 60 | 15 |
| LH | 15 | 15 | 20 | 35 | 100 | 60 | 15 | 15 | 12 |
| FSH | 45 | 35 | 30 | 35 | 70 | 45 | 22 | 25 | 25 |
| progesteron | 3 | 3 | 3 | 3 | 4 | 5 | 55 | 100 | 15 |
Deel I — Het schema lezen.
- Op welke dag vindt de eisprong plaats? Verantwoord dat met twee hormonen.
- Geef de follikelfase en de gelefase, met hun lengtes.
- Welke structuur van de eierstok scheidt de oestrogenen van dag 10 af? En die van dag 22? Welke scheidt het progesteron van dag 22 af?
- Beschrijf de toestand van het baarmoederslijmvlies op dag 6, 22 en 28.
- Waarom is FSH aan het begin van de cyclus het hoogst en in de gelefase het laagst?
Deel II — De terugkoppelingen.
- Tussen dag 2 en dag 10 stijgen de oestrogenen terwijl FSH daalt. Welke terugkoppeling is aan het werk? Leg dat uit.
- Tussen dag 12 en dag 13 staan de oestrogenen op hun piek en stijgt LH zevenvoudig. Welke terugkoppeling? Welke voorwaarde aan het oestrogeenniveau maakt dat mogelijk?
- Tussen dag 18 en dag 27 zijn de oestrogenen matig, is het progesteron hoog en is LH laag. Welke terugkoppeling, en waarom volgt er geen tweede uitschieter?
- Het gele lichaam takelt op dag 26 af. Voorspel de hormonen van dag 28 en wat daarop volgt.
- Leg uit waarom de cyclus zichzelf opnieuw start: welke stijging op dag 1 zet de volgende follikel op gang?
Deel III — De pil. Dezelfde vrouw gebruikt een maand lang de combinatiepil, die elke dag oestrogenen op 25% en een progesteronachtig hormoon op 40% van hun maxima levert.
- Voorspel de niveaus van FSH en LH gedurende de hele maand, en het lot van de follikels.
- Komt er een oestrogeenpiek? Een LH-uitschieter? Een eisprong?
- Wat gebeurt er tijdens de zeven pilvrije dagen met het baarmoederslijmvlies, en waarom is dat geen echte menstruatie?
- Zij vergeet de pillen op dag 5 tot en met 8. Leg het risico stap voor stap uit.
- Leg uit waarom ook een pil met alleen progesteron, op een niveau dat de negatieve terugkoppeling in stand houdt, de eisprong kan voorkomen.
Deel IV — Wanneer de keten faalt.
- Het schema van een andere vrouw toont FSH en LH steeds onder 10% en oestrogenen onder 10%. Waar zit het gebrek? Welke behandeling zou de eisprong herstellen, en langs welke weg?
- Het schema van een derde vrouw is normaal, maar haar eileiders zijn verstopt. Welke stappen van Propositie 20.9 vervangen de geblokkeerde stap?
- Bij ivf wordt 36 uur vóór het oogsten van de eicellen één injectie met een LH-achtig hormoon gegeven. Leg uit wat die nabootst en waarom de timing precies moet zijn.
- Na de stimulatie rijpen er 10 follikels in plaats van 1. Leg met FSH uit waarom de natuurlijke cyclus er meestal maar één laat rijpen.
- Geef het resultaat: de dag van de eisprong op het schema, de twee tekenen van de terugkoppeling die haar voortbrachten, en het mechanisme waarmee de pil haar onderdrukte.
Oplossing
Oplossing van Probleem 20.1.
1. Dag 14: de LH-uitschieter van dag 13 gaat de eisprong een dag vooraf, en het progesteron, dat pas na de eisprong verschijnt, stijgt vanaf dag 14.
2. Follikelfase dag 1–13 (13 dagen); gelefase dag 14–27 of 28 (ongeveer 14 dagen).
3. De groeiende follikel op dag 10; het gele lichaam op dag 22, zowel voor de oestrogenen als voor het progesteron.
4. Dag 6: dun, en onder invloed van de oestrogenen dikker wordend. Dag 22: dik en afscheidend onder invloed van progesteron, klaar voor een embryo. Dag 28: afbrekend en bloedend, nu beide hormonen zijn gedaald.
5. Aan het begin zijn de hormonen van de vorige cyclus gedaald, en hun remming met hen, dus stijgt FSH; in de gelefase remmen progesteron en oestrogenen het krachtig.
6. Negatieve terugkoppeling: de stijgende oestrogenen van de follikel remmen de hypofyse, en FSH daalt.
7. Positieve terugkoppeling: oestrogenen die ongeveer twee dagen op hun maximum staan, prikkelen de hypothalamus en de hypofyse in plaats van hen te remmen, en LH schiet omhoog.
8. Negatief: progesteron remt samen met matige oestrogenen de hypofyse; zonder een volgehouden oestrogeenpiek is er geen positieve terugkoppeling en geen tweede uitschieter.
9. Progesteron en oestrogenen storten in; het slijmvlies breekt af en bloedt op dag 1 van de volgende cyclus; FSH, van de remming verlost, stijgt.
10. Het dalen van de hormonen van de gelefase neemt de negatieve terugkoppeling weg, FSH stijgt, en er begint een nieuwe follikel te groeien: het eind van de ene cyclus is het sein voor de volgende.
11. FSH en LH de hele maand laag (de negatieve terugkoppeling wordt door de hormonen van de pil in stand gehouden); geen enkele follikel rijpt.
12. Geen piek (geen rijpende follikel), geen uitschieter, geen eisprong.
13. De hormonen van de pil dalen en het slijmvlies, dat dun is, breekt af en bloedt; het is een onttrekkingsbloeding, niet het eind van een gelefase — er was geen geel lichaam.
14. Zonder de hormonen van de pil valt de remming weg, stijgt FSH, en kan er een follikel gaan groeien en afscheiden; bereikt die haar oestrogeenpiek, dan kunnen een LH-uitschieter en een eisprong volgen, en worden het dunne slijmvlies en het dikke slijm niet langer in stand gehouden.
15. Progesteron alleen remt de hypothalamus en de hypofyse genoeg om de LH-uitschieter te voorkomen, en verdikt het slijm van de baarmoederhals.
16. De hypothalamus of de hypofyse: de eierstok wordt niet aangezet. Stoten GnRH (als de hypofyse werkt) of injecties met FSH en LH herstellen de groei van de follikels en de eisprong, en overbruggen de ontbrekende laag.
17. Reageerbuisbevruchting: eicellen uit de eierstok gehaald, in een schaaltje bevrucht, het embryo in de baarmoeder geplaatst — de ontmoeting van de gameten en het vervoer die de eileider zou hebben verzorgd.
18. De natuurlijke LH-uitschieter; de eisprong volgt ongeveer 36 uur na de uitschieter, dus worden de eicellen net vóór het moment geoogst waarop zij zouden vrijkomen en verloren gaan.
19. Van nature verlagen de stijgende oestrogenen van de voorlopende follikel het FSH, en takelen de kleinere follikels, van FSH verstoken, af; alleen de grootste blijft over. Ingespoten FSH overstemt die selectie en houdt ze allemaal aan de groei.
20. De eisprong op dag 14; de negatieve terugkoppeling die FSH verlaagde naarmate de follikel groeide, en daarna de positieve terugkoppeling die van de oestrogeenpiek een LH-uitschieter maakte; de pil hield de terugkoppeling de hele maand negatief, zodat er geen follikel rijpte en er geen uitschieter kwam.