Universitaire wiskunde — Bachelor jaar 1 · Bachelor Year 1
2Telkunde
Eindige verzamelingen tellen klinkt elementair — en wordt snel subtiel. Dit hoofdstuk definieert de kardinaliteit zoals het hoort (via bijecties, in de geest van Hoofdstuk 1), stelt de handvol telprincipes vast waaruit al het overige volgt, en leidt daaruit de klassieke tellingen af: lijsten, permutaties, deelverzamelingen, binomiaalcoëfficiënten.
2.1 Kardinaliteit van eindige verzamelingen
Definitie 2.1 (Eindige verzameling, kardinaliteit)
Schrijf voor kortweg . Een verzameling heet eindig wanneer of wanneer er voor zekere een bijectie van op bestaat; die is uniek (Stelling 2.2) en heet de kardinaliteit van , genoteerd (met ).
Stelling 2.2 (De kardinaliteit is welgedefinieerd)
Is , dan bestaat er geen bijectie van op . Preciezer: is , dan bestaat er geen injectie van in .
Bewijs. We bewijzen met inductie naar de uitspraak: voor alle bestaat er geen injectie . Voor is het doel leeg en : er bestaat helemaal geen afbeelding. Neem de uitspraak aan voor en stel dat een injectie is met . Wordt de waarde niet bereikt, dan is een injectie in , in tegenspraak met de inductiehypothese. Anders is voor precies één ; verwissel en (formeel: stel samen met de transpositie van die twee waarden), zodat de nieuwe injectie voldoet aan . De beperking van tot is dan een injectie in met — opnieuw een tegenspraak. ∎
Gevolg 2.3 (Duivenhokprincipe)
Is , dan is geen enkele afbeelding injectief: twee elementen van delen hun beeld.
Bewijs. Schrijf , met , en kies bijecties en . Was injectief, dan was een injectie van in (een samenstelling van injecties, Propositie 1.26), in tegenspraak met Stelling 2.2. ∎
Opmerking 2.4 (Tussenspel: waarom die verwisseling in het bewijs?)
Het bewijs van Stelling 2.2 bevat de eerste werkelijk vernuftige zet van dit hoofdstuk, die het waard is om langzaam te herhalen. Het obstakel: om de inductiehypothese te gebruiken wil je het laatste punt van het domein en het laatste punt van het doel weglaten, maar kan een ander punt naar sturen, en dan beschadigt het weglaten van dat doelpunt de afbeelding elders. De remedie: stel samen met de transpositie van de twee waarden en — een bijectie van het doel, zodat de injectiviteit behouden blijft — waarna de lastige waarde op de onschadelijke plaats zit en beide weglatingen schoon verlopen. Dit patroon “eerst normaliseren, dan snijden” keert terug: zo herleidt de recursie voor de derangementen in de weekendopgave van dit hoofdstuk, en zo worden permutaties overal opgelapt in de opgave over de symmetrische groep in Hoofdstuk 7.
Propositie 2.5 (Injecties, surjecties en kardinaliteit)
Zij eindige verzamelingen met , en zij . Dan geldt
Bewijs. Stel injectief. Dan is een bijectie van op , dus . Miste een punt van , dan was een injectie van in , een verzameling met kardinaliteit — onmogelijk wegens het duivenhokprincipe. Dus : is surjectief en daarmee bijectief.
Stel surjectief. Kies bij elke één origineel ; dan is , zodat injectief is (Propositie 1.26). Volgens de vorige alinea, toegepast op (de kardinaliteiten zijn gelijk), is bijectief. Uit volgt , dus is bijectief. Ten slotte is een bijectieve afbeelding per definitie zowel injectief als surjectief, waarmee de kring van implicaties gesloten is. ∎
Voorbeeld 2.6 (Eindigheid is essentieel)
Op een eindige verzameling is Propositie 2.5 een krachtige kortere weg: elke injectieve afbeelding van naar zichzelf is automatisch een permutatie van — de helft van de bijectiviteit krijg je gratis. Beide implicaties bezwijken op oneindige verzamelingen: is injectief van naar maar mist , en de afbeelding die en voor stuurt, is surjectief maar niet injectief. Telkens als deze propositie wordt ingeroepen, doet de eindigheidshypothese echt werk — een thema dat de weekendopgave van Hoofdstuk 1 van de andere kant bekijkt, waar oneindige verzamelingen juist die verzamelingen zijn die zulke afbeeldingen op zichzelf toelaten.
Voorbeeld 2.7 (De helft van het werk, gratis)
Beschouw de afbeelding op die naar de rest van bij deling door stuurt; haar waardentabel luidt
Is een bijectie? Alleen de injectiviteit volstaat (Propositie 2.5): hebben en dezelfde rest, dan deelt het getal , en omdat priem is en niet deelt, deelt het (lemma van Euclides, hier gebruikt zoals bekend uit het bovenbouwvolume en bewezen in Hoofdstuk 6); met dwingt dat af. De surjectiviteit komt er gratis bij — je hoeft niet voor elke op te lossen, al bevestigt de tabel dat elke waarde precies één keer voorkomt. Deze kortere weg is een werkpaard: ze bewijst de inverteerbaarheid van de vermenigvuldiging modulo (Hoofdstuk 6), drijft het koppelen in de stelling van Wilson aan, en keert in de lineaire algebra terug als “een endomorfisme van een eindigdimensionale ruimte is injectief precies wanneer het surjectief is” (Hoofdstuk 19).
2.2 De telprincipes
Propositie 2.8 (Som- en productregel)
- Is , dan is ; algemener geldt voor een partitie van in stukken dat .
- In het algemeen is .
- .
- De verzameling van alle afbeeldingen van naar voldoet aan .
- .
Bewijs. (1) Plak de opsommingen aan elkaar: is en zonder herhaling, dan somt de verzameling zonder herhaling op (wegens de disjunctheid). Inductie breidt dit uit tot stukken.
(2) is de disjuncte vereniging van en , en is de disjuncte vereniging van en ; dus is .
(3) is de disjuncte vereniging, over , van de verzamelingen , elk met kardinaliteit ; pas (1) toe.
(4) Een afbeelding van naar is precies de keuze van het -tal ; die overeenkomst is een bijectie, en volgens (3) en inductie.
(5) Deelverzamelingen van komen bijectief overeen met afbeeldingen (stuur naar haar indicatorfunctie); pas (4) toe. ∎
Voorbeeld 2.9 (Tellen via het complement)
Hoeveel viercijferige pincodes (cijfers –, volgorde telt, herhaling toegestaan) bevatten minstens één herhaald cijfer? Rechtstreeks tellen betekent jongleren met de gevallen “precies één paar, twee paren, een drietal, een viertal” — vijf overlappende configuraties. Tel liever het complement: alle codes samen zijn (productregel), en de codes met vier verschillende cijfers zijn (-variaties), zodat het antwoord
luidt. Bijna de helft van alle pincodes herhaalt een cijfer. Het inzicht: zodra een telling geformuleerd is met “minstens” of “niet alle”, probeer je eerst het complement — de somregel garandeert , en het complement is vaak één enkele overzichtelijke configuratie.
Voorbeeld 2.10 (Roosterpaden)
Tel de kortste paden van de hoek naar de hoek van een rooster, waarbij je telkens één stap naar rechts (R) of één stap omhoog (U) zet. Elk zo’n pad zet precies stappen, waarvan een R en een U; omgekeerd beschrijft elk woord van lengte in de letters R en U met vier R’s precies één pad. De paden komen dus bijectief overeen met de keuzes van de posities van de R’s:
Het inzicht zit in de codering: de telling werd triviaal op het moment dat elk pad in een woord vertaald werd, dat wil zeggen in een verzameling posities — opnieuw een illustratie van de leuze dat een correcte telling een vermomde bijectie is (Methode 2.19).
2.3 Lijsten, permutaties, deelverzamelingen
Definitie 2.11 (Variaties, permutaties, combinaties)
Zij een verzameling met en zij .
- Een -variatie van is een injectief -tal elementen van (een geordende keuze zonder herhaling);
- een permutatie van is een bijectie van naar zichzelf — equivalent: een -variatie;
- een -combinatie is een deelverzameling van met elementen (een ongeordende keuze zonder herhaling). Hun aantal wordt genoteerd , uitgesproken als “ boven ”.
Stelling 2.12 (De drie tellingen)
Met en :
- het aantal -variaties van is ;
- het aantal permutaties van is ;
- .
Bewijs. (1) Kies de eerste coördinaat ( mogelijkheden), dan de tweede ( resterende), …, dan de -de ( mogelijkheden). Formeel gaat de inductie naar . Voor zijn er injectieve tupels met één term. Neem de telling aan voor . Elke -variatie ontstaat uit precies één -variatie — haar afknotting — door er een laatste coördinaat buiten aan te plakken, waarvoor precies waarden beschikbaar zijn. Het afknotten deelt de -variaties dus op in klassen van gemeenschappelijke grootte , geïndexeerd door de -variaties, en de somregel geeft
(2) is (1) met .
(3) Elke -deelverzameling ordent tot verschillende -variaties, en elke -variatie komt van precies één deelverzameling: dus . ∎
Voorbeeld 2.13 (Ronde tafels: delen door een symmetrie)
Op hoeveel manieren kunnen gasten rond een ronde tafel plaatsnemen, waarbij twee opstellingen dezelfde zijn zodra elke gast dezelfde linker- en rechterbuur heeft — dat wil zeggen op rotatie na? Elke ronde opstelling komt overeen met precies lineaire opstellingen (knip de kring op elk van de plaatsen door), zodat de lineaire volgordes in groepjes van samenvallen:
Equivalent: zet één uitgekozen gast willekeurig neer (waarmee de draaivrijheid verdwijnt) en orden de overige gasten met de klok mee. Voor : tafels. Beide oplossingen tonen de twee standaardremedies tegen dubbeltellen: deel door het exacte aantal herhalingen, of breek de symmetrie door één object vast te pinnen. Beide vergen dat de groep herhalingen voor elke configuratie even groot is — wat het bewijs van de formule hierboven ook al gebruikte, met in de rol van .
Voorbeeld 2.14 (Een voorwaarde erbij)
We blijven bij de ronde tafel: hoeveel van de tafels met gasten zetten twee gegeven gasten en uit elkaar (niet naast elkaar)? Tel het complement. Tafels waar en naast elkaar zitten: lijm ze tot één blok — objecten rond de tafel, dus ronde opstellingen — en orden dan het paar binnen zijn blok ( manieren): tafels met de twee naast elkaar. Bijgevolg houden
tafels hen uit elkaar. Controles: geeft (rond een driehoek raakt iedereen aan iedereen) en geeft , met de hand na te gaan. De lijmtruc — behandel een afgedwongen blok als één object en tel daarna zijn interne opstellingen — is de standaardremedie voor buurvoorwaarden, lineair zowel als rond.
Propositie 2.15 (Basisidentiteiten)
Voor :
Bewijs. Eerste identiteit: is een bijectie tussen de -deelverzamelingen en de -deelverzamelingen. Regel van Pascal: leg een element vast; de -deelverzamelingen splitsen in die welke bevatten (kies de overige: ) en die welke mijden (). Derde identiteit: beide leden tellen alle deelverzamelingen van , links opgesplitst naar grootte (Propositie 2.8 (1) en (5)). ∎
Stelling 2.16 (Binomium van Newton)
Voor alle in een commutatieve ring (bijvoorbeeld of ) en :
Bewijs. Distributief uitwerken van levert één term per keuze, in elke factor, van of : de term verschijnt eenmaal voor elke manier om te kiezen welke van de factoren een bijdragen — dat is maal. (Alternatief: inductie naar met de regel van Pascal.) ∎
Voorbeeld 2.17
Twee klassieke bijzondere gevallen: geeft terug; , geeft voor : van de deelverzamelingen van een niet-lege verzameling heeft precies de helft een even kardinaliteit.
Voorbeeld 2.18 (Eén identiteit, twee bewijzen)
Het bijzondere geval , van het binomium luidt
Hier is dezelfde identiteit zonder ook maar één algebraïsche stap. Het rechterlid telt de woorden van lengte over het alfabet (productregel). Deel elk woord in naar de verzameling van posities met een letter ongelijk aan nul: een met kiezen kost , waarna elke positie van onafhankelijk een of een draagt: manieren. De somregel over geeft het linkerlid. Behalve het genoegen dat beide overeenstemmen, hebben de twee bewijzen verschillende verdiensten: het algebraïsche veralgemeent naar elke waarde van , het combinatorische verklaart de formule en past zich aan voorwaarden aan (verbied bijvoorbeeld de letter op de laatste positie) die geen enkele substitutie vat. Beide technieken paraat houden is de praktische vaardigheid die dit hoofdstuk traint.
Methode 2.19 (Welke telling past?)
Beantwoord vóór het rekenen twee vragen over de keuze: doet de volgorde ertoe, en zijn herhalingen toegestaan?
| volgorde telt | volgorde telt niet | |
|---|---|---|
| zonder herhaling | ||
| [6pt] met herhaling | (Oefening 2.10) |
Ga vervolgens op zoek naar een bijectie of een partitie die het probleem tot deze modeltellingen herleidt; een correcte telling is een vermomde bijectie.
Opmerking 2.20 (Veelgemaakte fouten bij het tellen)
- Niet-disjuncte gevallen optellen. De somregel vergt een partitie; kunnen configuraties aan twee gevallen tegelijk voldoen, dan worden ze dubbel geteld — de remedie is inclusie-exclusie (Stelling 2.24) of een fijnere gevalsindeling.
- Geordend tegenover ongeordend. “Een commissie van twee” kiezen is en niet : beslis vóór het rekenen of de keuze een volgorde draagt, en als een geordende telling makkelijker is, deel dan aan het eind door het aantal volgordes — maar alleen wanneer elk ongeordend object uit even veel geordende ontstaat.
- Meertrapskeuzes die niet onafhankelijk zijn. De productregel vergt dat het aantal mogelijkheden in elke stap onafhankelijk is van de voorgaande keuzes. “Kies een aanvoerder, dan een andere vice-aanvoerder” is prima (); “kies twee spelers die met elkaar overweg kunnen” is helemaal geen product van twee stappen.
- Dubbeltellen door de constructie. Elk object tweemaal bouwen — bijvoorbeeld handen met minstens één aas tellen als (kies een aas) (kies andere kaarten) — telt handen met twee azen dubbel. “Minstens” vraagt vrijwel altijd om het complement (Voorbeeld 2.9).
Voorbeeld 2.21 (Een telling in pokerstijl)
Uit een spel van kaarten is het aantal handen van kaarten . Handen met precies één aas: kies de aas ( manieren) en dan kaarten uit de niet-azen: . De productregel is van toepassing omdat de keuze in onafhankelijke stappen uiteenvalt.
Methode 2.22 (Dubbeltellen)
Om een identiteit tussen twee teluitdrukkingen te bewijzen, zoek je één eindige verzameling die beide leden tellen — doorgaans een verzameling paren — en bereken je haar kardinaliteit in twee verschillende volgordes. Het prototype is het handdruklemma: tel op een feest de paren (persoon, gegeven handdruk). Sommeren over personen geeft (het aantal handdrukken van persoon ); sommeren over handdrukken geeft tweemaal het aantal handdrukken (elke handdruk betreft twee personen). Bijgevolg is even — zodat het aantal mensen dat een oneven aantal handen schudde altijd even is, een niet-triviale conclusie zonder ook maar één formule. Dezelfde motor drijft Oefening 2.12 en verscheidene vragen van de weekendopgave hieronder aan.
Voorbeeld 2.23 (De gemiddelde deelverzameling)
Wat is de gemiddelde kardinaliteit van een deelverzameling van een verzameling met elementen, als alle deelverzamelingen even waarschijnlijk zijn? Dubbeltel de paren met : sommeren over deelverzamelingen geeft , het gezochte totaal; sommeren over elementen geeft (elk van de elementen ligt in precies de helft van de deelverzamelingen — koppel elke die bevat aan ). Bijgevolg is
deelverzamelingen zijn gemiddeld halfvol — zoals ook de symmetrie voorspelt, die de groottes en koppelt. Twee bewijzen, één antwoord, en beide vermijden de rechtstreekse berekening van Oefening 2.5: een goedgekozen koppeling vervangt vaak een identiteit.
2.4 Inclusie-exclusie
Stelling 2.24 (Inclusie-exclusie)
Voor eindige verzamelingen geldt
Voor : .
Bewijs. Leg een element van de vereniging vast en tel zijn bijdrage aan het rechterlid. Zij , met kardinaliteit . Het element wordt in precies één keer meegeteld wanneer , met teken ; zijn totale bijdrage is dus
volgens Voorbeeld 2.17. Elk element van de vereniging wordt dus precies één keer geteld. ∎
Voorbeeld 2.25 (Relatief priem tellen)
Hoeveel getallen uit zijn relatief priem met ? Een geheel getal heeft precies dan een factor gemeen met wanneer het deelbaar is door , of ; tel dus het complement van , waarbij de veelvouden van verzamelt. Binnen zijn er veelvouden van zodra het getal deelt — geheel zonder afrondingsfuncties — en , enzovoort. Inclusie-exclusie geeft
zodat getallen relatief priem met zijn. Het is leerzaam de berekening als een product te hergroeperen:
de drie haakjes uitwerken levert precies de acht getekende termen van de inclusie-exclusie op, één per deelverzameling van . Deze productvorm definieert de indicator van Euler, waarvan de rekenkundige rol opduikt bij de congruenties van Hoofdstuk 6 en verder wordt uitgewerkt in het volume van bachelorjaar 2.
Voorbeeld 2.26 (Derangementen)
Een derangement is een permutatie zonder vaste punten. Zij de verzameling van de permutaties van die vasthouden; dan is , en de inclusie-exclusie telt de permutaties met minstens één vast punt; het aantal derangementen is
Omdat (zie Hoofdstuk 17), is ongeveer van alle permutaties een derangement, wat ook is.
Opmerking 2.27 (Waar dit hoofdstuk gebruikt wordt)
Binomiaalcoëfficiënten zijn de meest hergebruikte objecten van dit hoofdstuk: ze dragen het binomium in Hoofdstuk 8 (ontwikkeling van ), de formule van Leibniz voor de -de afgeleide van een product in Hoofdstuk 14, en de coëfficiënten van Taylorontwikkelingen in Hoofdstuk 16. Permutaties keren terug als groep — met het teken, gebouwd op het tellen van inversies — in Hoofdstuk 7, en dat teken definieert op zijn beurt de determinanten in Hoofdstuk 22. Inclusie-exclusie en de telprincipes vormen de eindige ruggengraat van de discrete kansrekening, die uitgewerkt wordt in het volume van bachelorjaar 2; de derangementengetallen van Voorbeeld 2.26 worden grondig bestudeerd in de weekendopgave hieronder.
2.5 Oefeningen
Oefening 2.1 ★
Een nummerplaat bestaat uit twee letters (A–Z), dan drie cijfers, dan twee letters. Hoeveel platen zijn er mogelijk? En hoeveel zonder herhaalde letter onder de vier?
Oplossing
Oplossing van Oefening 2.1.
Onafhankelijke stappen en de productregel: platen. Zijn de vier letters twee aan twee verschillend, dan vormen de letterstappen een -variatie van het alfabet: manieren, dus platen.
Oefening 2.2 ★
Hoeveel anagrammen (herschikkingen van de letters, zinvol of niet) heeft het woord orange? En banana?
Oplossing
Oplossing van Oefening 2.2.
orange heeft verschillende letters: anagrammen. banana heeft letters met herhalingen ( a’s, n’s, b): elk anagram ligt vast door de posities van de a’s ( keuzes) en dan van de n’s onder de overblijvende plaatsen (), waarbij de b de laatste plaats krijgt: anagrammen (equivalent: ).
Oefening 2.3 ★
Uit vrouwen en mannen wordt een commissie van personen gekozen. Hoeveel commissies zijn er in totaal? Hoeveel met precies vrouwen? Hoeveel met minstens één man?
Oplossing
Oplossing van Oefening 2.3.
In totaal: . Precies vrouwen: kies ze () en mannen (): commissies. Minstens één man: het complement van “geen enkele man”, .
Oefening 2.4 ★
Bewijs dat in elke groep van personen twee in dezelfde maand jarig zijn, en dat onder getallen gekozen uit er twee opeenvolgend zijn. (Beide keren het duivenhokprincipe: benoem de hokken.)
Oplossing
Oplossing van Oefening 2.4.
Verjaardagen: de hokken zijn de maanden; personen in hokken dwingen er twee in hetzelfde hok (Gevolg 2.3).
Opeenvolgende getallen: de hokken zijn de paren , die partitioneren. Kies je getallen, dan belanden er twee in hetzelfde paar, en de twee elementen van een paar zijn opeenvolgend.
Oefening 2.5 ★
Bereken . Aanwijzing: differentieer , of gebruik (bewijs dat).
Oplossing
Oplossing van Oefening 2.5.
Voor is
Sommeren en herindexeren met geeft
volgens Propositie 2.15. (Alternatief: differentieer en stel .)
Oefening 2.6 ★★
Hoeveel strikt stijgende afbeeldingen zijn er van naar ? Leid daaruit het aantal stijgende (niet noodzakelijk strikt stijgende) afbeeldingen af. Aanwijzing voor de tweede telling: stijgend .
Oplossing
Oplossing van Oefening 2.6.
Een strikt stijgende afbeelding ligt vast door haar beeld, een -deelverzameling van (som de deelverzameling in stijgende volgorde op); omgekeerd levert elke -deelverzameling precies één zo’n afbeelding. Er zijn dus strikt stijgende afbeeldingen.
Is alleen stijgend, zet dan . Dan is strikt stijgend (tussen opeenvolgende argumenten wint minstens en wint precies ) met waarden in ; en haalt terug uit elke strikt stijgende in . Dit is een bijectie, dus zijn er stijgende afbeeldingen.
Oefening 2.7 ★★
(Vandermonde) Bewijs, door de -deelverzamelingen te tellen van een verzameling die in twee blokken van grootte en gesplitst is:
Leid daaruit af.
Oplossing
Oplossing van Oefening 2.7.
Splits een verzameling met elementen in blokken ( elementen) en ( elementen). Een -deelverzameling van bevat zekere elementen van () en van ; bij vaste zijn er zulke deelverzamelingen, en de gevallen partitioneren de -deelverzamelingen. De somregel levert de identiteit van Vandermonde.
Met : , wegens .
Oefening 2.8 ★★
Hoeveel getallen uit zijn deelbaar door of of ? (Inclusie-exclusie; telt de veelvouden van , enzovoort.)
Oplossing
Oplossing van Oefening 2.8.
Zij de verzameling van de veelvouden van in , zodat . Inclusie-exclusie (Stelling 2.24) met , waarbij enzovoort:
Er zijn dus getallen deelbaar door , of .
Oefening 2.9 ★★
Tel de surjecties van een verzameling met elementen op een verzameling met elementen, en vervolgens op een verzameling met elementen. Aanwijzing: tel de niet-surjectieve afbeeldingen met inclusie-exclusie op de gemiste waarden.
Oplossing
Oplossing van Oefening 2.9.
Op elementen: alle afbeeldingen behalve de constante: surjecties.
Op elementen: met inclusie-exclusie op de gemiste waarden is het aantal afbeeldingen van een verzameling met elementen naar een met elementen die minstens één waarde missen gelijk aan ; in totaal zijn er afbeeldingen, dus surjecties. (Controle: een surjectie van op elementen verdubbelt precies één waarde: kies die waarde (), het paar dat erop wordt afgebeeld () en een bijectie voor de rest (): .)
Oefening 2.10 ★★
(Sterren en staven) Bewijs dat het aantal -keuzes uit objecten met herhaling en zonder volgorde — equivalent: het aantal met — gelijk is aan . Aanwijzing: codeer een oplossing als een rij van sterren en staven.
Oplossing
Oplossing van Oefening 2.10.
Een oplossing van in codeert als een rij van sterren en staven: schrijf sterren, een staaf, sterren, een staaf, …, en eindig met sterren. Dit is een bijectie op de woorden van lengte met sterren en staven, en die woorden liggen vast door de posities van de sterren: . Keuzes met herhaling komen overeen met oplossingen van de vergelijking ( = aantal exemplaren van object ), zodat de telling dezelfde is.
Oefening 2.11 ★★★
Bewijs de formule van Voorbeeld 2.26 voor in detail, en leid daaruit af (bewijs die identiteit ook rechtstreeks door de permutaties in te delen naar hun verzameling vaste punten).
Oplossing
Oplossing van Oefening 2.11.
Met houdt een permutatie in elke vast en permuteert ze de overige punten vrij: . Inclusie-exclusie geeft
want er zijn deelverzamelingen van grootte . Bijgevolg is
Voor de tweede identiteit: deel de permutaties van in naar hun verzameling vaste punten . Bij een vaste -deelverzameling zijn de permutaties met precies de derangementen van het complement: stuks. Sommeren over de keuzes van voor elke geeft .
Oefening 2.12 ★★★
Bewijs voor , met een dubbeltelling van de paren (deelverzameling, gemarkeerd element):
Voor de tweede: tel paren gemarkeerde elementen, gelijk of niet.
Oplossing
Oplossing van Oefening 2.12.
Eerste identiteit. Tel de paren met () en . Naar de grootte van : paren. Door eerst het gemarkeerde element te kiezen: keuzes voor , en dan een willekeurige deelverzameling van de overige elementen om af te maken: paren.
Tweede identiteit. Tel de drietallen met (eventueel ). Naar de grootte: . Rechtstreeks: ofwel ( drietallen, vorige telling), ofwel ( geordende keuzes, dan een willekeurige deelverzameling van de andere elementen: ). In totaal
2.6 Opgave: derangementen, of de verkeerd geadresseerde brieven
Probleem 2.1
Een secretaresse stopt brieven willekeurig in geadresseerde enveloppen: hoe groot is de kans dat niemand de juiste brief krijgt? Deze klassieke vraag (Montmort, 1708) voert naar de derangementengetallen van Voorbeeld 2.26. De formule van de inclusie-exclusie is slechts de openingszet: deze opgave ontwikkelt de recursies die berekenen, twee verdere onafhankelijke bewijzen van de formule, de opvallende stelling dat het gehele getal is dat het dichtst bij ligt, de volledige verdeling van de vaste punten van een willekeurige permutatie, en de merkwaardige rekenkunde van de rij . Overal noteert het aantal derangementen (permutaties zonder vaste punten) van , met de afspraak (de lege permutatie heeft geen vast punt).
Deel I — Kleine gevallen en de telling van de vaste punten.
- Bereken rechtstreeks, en door de derangementen van op te sommen, gegroepeerd naar de waarde van . (Je vindt .)
- Toon voor aan dat het aantal van de permutaties van met precies vaste punten gelijk is aan .
- Ga de telling na voor : bereken en controleer dat hun som is. Wat is bij vier brieven waarschijnlijker: geen enkele match, of precies één?
Toon met een dubbeltelling (Methode 2.22) van de paren met aan dat
gemiddeld heeft een willekeurige permutatie precies één vast punt, wat ook is.
Deel II — Twee recursies en twee nieuwe bewijzen van de formule.
Bewijs combinatorisch, voor :
(Deel de derangementen van in naar , en vervolgens naar de vraag of ; bouw in het geval een bijectie met de derangementen van door het origineel van naar om te leiden.) Controleer de recursie numeriek tot en met .
Zet en leid uit vraag 5 af dat ; besluit met de tweede recursie:
Bewijs met inductie uit vraag 6 de formule van Voorbeeld 2.26,
— een bewijs dat volledig losstaat van de inclusie-exclusie.
(Binomiale inversie) Zij en twee rijen met voor alle . Bewijs dat
(Stel eerst de trinomiale herschikking vast en gebruik dan de alternerende rijsom uit Voorbeeld 2.17.)
- Pas vraag 8 toe op de identiteit uit Oefening 2.11 om een derde bewijs van de formule voor te krijgen.
Deel III — Het gehele getal het dichtst bij . Neem voor dit deel aan — de theorie wordt opgebouwd in Hoofdstuk 17 — dat met , met de strikte afschatting voor alternerende reeksen, geldig voor elke .
- Toon aan dat voor alle .
- Leid de hoofdstelling af: voor elke is het gehele getal dat het dichtst bij ligt. Waarom heeft het argument nodig?
- Bepaal het teken van de fout: toon aan dat precies wanneer even is. (Zoek de eerste verwaarloosde term van de alternerende reeks.)
- Bereken tot en met met de recursie van vraag 5 en toets vervolgens aan (, ).
- (De garderobekans) Zij de kans dat een uniform willekeurige permutatie een derangement is. Toon aan dat en bereken tot op vijf decimalen. Verklaar: waarom is het antwoord op Montmorts vraag in wezen onafhankelijk van — al bij een dozijn brieven?
Deel IV — De verdeling van de vaste punten.
Leg vast. Toon aan dat het aandeel van de permutaties van met precies vaste punten voldoet aan
(Deze limietwaarden, die samen opleveren, vormen de poissonverdeling met parameter , een centraal object van de cursus kansrekening in het volume van bachelorjaar 2.)
- Toon met een dubbeltelling van de drietallen waarin beide door vastgehouden worden aan dat voor . Samen met vraag 4: het gemiddelde van is , zodat de “spreiding” (variantie) van het aantal vaste punten gelijk is aan — opnieuw onafhankelijk van , opnieuw in overeenstemming met de poissonverdeling.
- Bereken het aandeel van de permutaties met minstens één vast punt voor (als breuk en tot op vier decimalen) en vergelijk met .
- Toon rechtstreeks — zonder limieten — aan dat , en leid daaruit af dat de kansen van vraag 14 oscilleren: en , waarbij de even (respectievelijk oneven) waarden dalen (respectievelijk stijgen) naar de gemeenschappelijke limiet .
- (Lootjes trekken) personen trekken elk één naam uit een hoed; trekt iemand zijn eigen naam, dan wordt de hele trekking overgedaan. Schat, met het standaardfeit dat een gebeurtenis met kans gemiddeld pogingen kost, het gemiddelde aantal volledige trekkingen, en besluit dat de procedure gemiddeld ongeveer trekkingen kost, in wezen onafhankelijk van .
Deel V — De rekenkunde van , en een synthese.
- Verfijn vraag 5: toon aan dat er voor vaste precies derangementen van met zijn, onafhankelijk van . Leid af dat het getal deelt voor elke .
- Bewijs dat oneven is dan en slechts dan als even is. (Werk modulo in de recursie van vraag 6.)
- Bewijs dat voor , en controleer de congruentie op het laatste cijfer van .
- Toon met vraag 6 aan dat voor , zodat de verhouding van opeenvolgende derangementengetallen vrijwel exact is; leg in één zin uit waarom dat strookt met .
- Waar precies gebruikte deze opgave: (i) de product- en de somregel; (ii) het dubbeltellen; (iii) het binomium; (iv) de aangenomen afschatting voor alternerende reeksen? Eén zin per onderdeel.
- Synthese. De formule voor heeft nu drie bewijzen (inclusie-exclusie, recursie met inductie, binomiale inversie). Vergelijk in een korte alinea wat elk bewijs verklaart: welk bewijs rekent het snelst, welk veralgemeent naar andere tellingen van vaste punten, en welk onthult waarom opduikt in een probleem over enveloppen.
Oplossing
Oplossing van Probleem 2.1.
1. (de enige permutatie houdt vast), (de verwisseling), (in eenregelige notatie: en ). Voor , gegroepeerd naar : met zijn de derangementen , , ; met : , , ; met : , , . Drie per groep: .
2. Een permutatie met precies vaste punten ligt vast door de keuze van haar verzameling vaste punten ( manieren) samen met haar beperking tot het complement, die een permutatie van punten zonder vast punt moet zijn ( manieren). De twee keuzes zijn onafhankelijk en de overeenkomst is bijectief: .
3. ; ; ; (drie vaste punten dwingen een vierde af); . Som: . Geen enkele match ( gevallen) wint het — nipt — van precies één match ( gevallen).
4. Tel de paren met . Bij vaste zijn de permutaties die vasthouden de permutaties van de overige punten: stuks. Het aantal paren is dus , en dat aantal is ook . Deling door het aantal permutaties geeft: het gemiddelde aantal vaste punten is precies , voor elke .
5. Zij een derangement van en : mogelijke waarden. Geval : de punten en verwisselen, en beperkt tot de overige punten is een willekeurig derangement daarvan: mogelijkheden. Geval : zij ; hier is en . Definieer op door voor en . Dan is een permutatie van (de waarde is vervangen door de ontbrekende waarde ), en wel een derangement: , en elders . Omgekeerd haal je uit een derangement van en de waarde de permutatie terug door , en elders te stellen: een bijectie, goed voor mogelijkheden. Sommeren over geeft . Numeriek: en .
6. Uit vraag 5 volgt , dus
Omdat , geeft inductie , oftewel voor .
7. Inductie naar . Basis: . Stap: neem aan, dan is
en dat is de formule. Er kwam geen inclusie-exclusie aan te pas: alleen de combinatorische recursie van vraag 5.
8. Trinomiale herschikking, via faculteiten:
Substitueer nu en verwissel de twee eindige sommen:
De binnenste som is de ontwikkeling van (binomium, Stelling 2.16): ze is nul voor en gelijk aan voor . Alleen overleeft, en het rechterlid is , zoals beweerd.
9. Wegens de symmetrie luidt de identiteit van Oefening 2.11 ook . Pas vraag 8 toe met en :
na herindexering met : de formule voor de derde keer.
10. Er geldt (vraag 7), dus
11. Voor is , en de ongelijkheid van vraag 10 is strikt: ligt op afstand van en is dus het unieke dichtstbijzijnde gehele getal. Voor geeft de grens alleen afstand , en daar faalt de bewering inderdaad: heeft als dichtstbijzijnde gehele getal, terwijl .
12. is een alternerende reeks met strikt dalende termen, zodat haar teken dat van haar eerste term is. Bijgevolg heeft het teken van : voor even is en ; voor oneven is .
13. ; ; ; . Controle: , met als dichtstbijzijnde gehele getal — en , zoals vraag 12 voor even voorspelt.
14. . Voor : (vijf decimalen), tegenover ; het verschil blijft onder . De grens stort zo snel in dat de kans al bij een dozijn brieven tot op vele decimalen vastligt: het antwoord “ongeveer ” is voor elk praktisch doel onafhankelijk van — de beroemde verrassing van deze opgave.
15. Met vraag 2 en :
als bij vaste , want . De limietwaarden () zijn de gewichten van de poissonverdeling met parameter .
16. Tel de drietallen met , en . Kies je eerst het geordende paar: manieren; de permutaties die zowel als vasthouden zijn de permutaties van de overige punten: stuks. In totaal . Sommeer je in plaats daarvan eerst over , dan tel je per de geordende paren verschillende vaste punten: . Daarmee is de identiteit bewezen; na deling door is het gemiddelde van gelijk aan , zodat het gemiddelde van gelijk is aan en de variantie aan .
17. De aandelen : voor is ; voor is ; voor is . Alle drie liggen binnen een procent van en oscilleren eromheen.
18. Rechtstreeks:
en het haakje is . Voor even is het verschil negatief: , dus ; voor oneven is het positief: Samen met vraag 12 (even boven , oneven eronder) en vraag 14 (de afstand tot gaat naar ): de twee trappen klemmen tussen zich in.
19. Eén volledige trekking is een uniform willekeurige permutatie, en ze is geldig wanneer het een derangement is: kans . Volgens het aangehaalde feit is het gemiddelde aantal trekkingen tot succes gelijk aan , en vraag 14 geeft op een fout na die al voor kleine verwaarloosbaar is. Lootjes trekken met herstart kost dus gemiddeld ongeveer volledige trekkingen — of het kantoor nu of mensen telt.
20. Leg vast en pas de indeling van vraag 5 toe op de waarde . Is , dan dragen de overige punten een willekeurig derangement: manieren. Is , leid dan het origineel precies als in vraag 5 om naar ; dit is een bijectie met de derangementen van de punten : manieren. In totaal , voor elke hetzelfde. Sommeren over de waarden van geeft , waarin de factor zichtbaar is: .
21. Bewering: is oneven dan en slechts dan als even is. Inductie met , oftewel . Basis: is even en is oneven, dus de bewering klopt. Is even, dan is even en : oneven, zoals beweerd. Is oneven, dan is even, dus oneven volgens de hypothese, en : even. Daarmee sluit de inductie.
22. Reduceren we modulo , dan valt de eerste term weg: . Voor is , en inderdaad eindigt op het cijfer .
23. Voor is , en deling van de recursie van vraag 6 door geeft , met en snel naar gaand. Dat strookt: is , dan is — de factor valt in de verhouding weg, en de recursie bevestigt dat tot op nauwkeurig.
24. (i) De product- en de somregel liggen onder elke telling: de vragen 2 en 5 partitioneren verzamelingen permutaties in onafhankelijke stappen. (ii) Het dubbeltellen leverde het gemiddelde (vraag 4) en de variantie (vraag 16) van het aantal vaste punten, zonder ook maar één formule voor . (iii) Het binomium berekende de alternerende binnenste som die de binomiale inversie doet werken (vraag 8). (iv) De afschatting voor alternerende reeksen zette de exacte maar ondoorzichtige som om in de doorzichtige uitspraak “het gehele getal het dichtst bij ” (vragen 10–14).
25. De inclusie-exclusie (Voorbeeld 2.26 en Oefening 2.11) is het conceptuele bewijs: ze verklaart de alternerende som als opeenvolgende correcties op dubbeltellingen, en ze veralgemeent letterlijk naar het tellen van elementen die een willekeurige familie “slechte” verzamelingen mijden. De weg via de recursie (vragen 5–7) rekent het snelst — lineaire tijd, exacte gehele rekenkunde, geen faculteiten — en is de bron van de rekenkundige feiten uit Deel V. De binomiale inversie (vragen 8–9) plaatst de formule binnen een algemene transformatie die opduikt waar twee driehoekige stelsels identiteiten tegenover elkaar staan. En dat verschijnt, verklaart de formule zelf het best: het aandeel derangementen is de partiële som van de reeks voor , zodat Montmorts enveloppen, drie decennia vóór Eulers notatie, al het getal aan het berekenen waren.