Universitaire wiskunde — Bachelor jaar 1 · Bachelor Year 1
13Limieten en continuïteit
De tussenwaardestelling en de extremumstelling werden op middelbareschoolniveau op visueel vertrouwen gebruikt. Met rijen (Hoofdstuk 11) en de topologie van (Hoofdstuk 12) in handen bewijst dit hoofdstuk ze — en vervolledigt het de theorie met de stelling van de monotone bijectie (die , en hun soortgenoten uit Hoofdstuk 4 legitimeert) en de stelling van Heine over uniforme continuïteit.
Overal is een interval en ; “” laat limieten in de eindpunten toe.
13.1 Limieten van functies
Definitie 13.1 (Limiet in een punt)
Zij en . Dan geldt als wanneer
Limieten in en oneindige limieten worden volgens hetzelfde patroon gedefinieerd ( wordt ; wordt ). Eenzijdige limieten beperken tot (geschreven ) of . De limiet is uniek wanneer hij bestaat (zelfde bewijs als Propositie 11.4).
Voorbeeld 13.2 (Een limiet via de insluiting)
Bereken . De insluiting door het gehele deel geeft, na vermenigvuldiging met (let op het teken!):
en beide eenzijdige insluitingen sluiten op : de limiet is . Merk op wat er gebeurde: alleen heeft wilde sprongen nabij , maar de factor temt elke sprong ( maal een eenheidssprong is klein), en alleen de insluiting overleeft. Het afsluitende inzicht: limieten van producten van een kleine factor met een factor van begrensde oscillatie zijn insluitingsproblemen, nooit problemen voor de bewerkingsstelling — de bewerkingsstelling vereist dat beide factoren convergeren.
Stelling 13.3 (Sequentiële karakterisering)
als dan en slechts dan als: voor elke rij van punten van met geldt .
Bewijs. () Zij en . Neem uit de definitie, dan met voor : vanaf geldt .
() Contrapositie. Als : dan verslaat een elke ; door te kiezen ontstaan met en . Dan geldt maar . ∎
Gevolg 13.4 (Bewerkingen, samenstelling, orde)
Sommen, producten, quotiënten (limiet in de noemer niet nul) van limieten gedragen zich zoals bij rijen; als in en in , en is gedefinieerd rond met of nabij , dan geldt in ; limieten behouden ruime ongelijkheden, en de insluitstelling geldt.
Bewijs. Elke uitspraak wordt via Stelling 13.3 overgedragen naar haar rijanaloog (Stellingen 11.5 en 11.7). Voor de samenstelling is de directe ketening het waard om één keer op te schrijven: gegeven levert de limiet van in een met
waarbij het geval gedekt is omdat ; vervolgens levert de limiet van in een met ; door ketening geeft dat . In de alternatieve hypothese ( nabij ) wordt de waarde nooit aan toegevoerd en is haar waarde daar irrelevant. ∎
Voorbeeld 13.5 (Waarom de voorwaarde bij de samenstelling bestaat)
Zij voor en , en zij identiek . Dan geldt als , en als ; toch is voor elke , dus . De binnenste functie zit precies op de verboden waarde voor altijd, en de limiet van in negeert wat doet in . De voorwaarde van Gevolg 13.4 — ofwel (d.w.z. continu in ), ofwel nabij — is precies wat dit uitsluit. Het afsluitende inzicht: in de praktijk stelt men continue functies samen en is de voorwaarde gratis; ze bijt alleen wanneer limieten worden genomen langs doorprikte omgevingen, en daarom bevat de definitie van die in dit boek gebruikt wordt het punt zelf wanneer het in het domein ligt.
13.2 Continuïteit
Definitie 13.6
is continu in wanneer als ; continu op wanneer het continu is in elk punt. Volgens Stelling 13.3: is continu in dan en slechts dan als voor elke rij in .
Voorbeeld 13.7 (Een taxonomie van discontinuïteiten)
Drie manieren om in een punt te falen, in oplopende ernst. Ophefbaar: op heeft limiet in ; door te definiëren wordt het hersteld — de discontinuïteit was een gat, geen eigenschap. Sprong: in een geheel getal heeft verschillende eenzijdige limieten ( en ); geen keuze van waarde kan ze verzoenen, maar beide halve limieten bestaan. Essentieel: in heeft helemaal geen eenzijdige limiet (Oefening 13.1) — oscillatie zonder uitdemping. Monotone functies kunnen alleen het middelste soort produceren (hun eenzijdige limieten bestaan altijd, als suprema en infima), en daarom zijn hun verzamelingen van discontinuïteiten hoogstens aftelbaar — één rationaal getal per sprong. Afgeleiden kunnen, volgens de stelling van Darboux (Oefening 14.10), alleen het laatste soort produceren: een functie met een sprongdiscontinuïteit is nooit de afgeleide van iets.
Propositie 13.8
Sommen, producten, quotiënten (waar gedefinieerd) en samenstellingen van continue functies zijn continu. Veeltermen, rationale breuken (buiten hun polen), , , , de goniometrische en hyperbolische functies en hun inversen (Hoofdstuk 4) zijn continu op hun domeinen.
Bewijs. Bewerkingen: Gevolg 13.4. Constanten en de identiteit zijn rechtstreeks continu vanuit de definitie ( volstaat voor de identiteit, elke voor de constanten); aangezien producten van continue functies continu zijn, volgt elke monoom door inductie op , en sommen maken de veeltermen af; een rationale breuk is een quotiënt van twee veeltermen, continu overal waar de noemer niet nul is. : omgekeerde driehoeksongelijkheid, , dus dezelfde werkt. Voor de klassieke functies verlenen we hier continuïteit; afleidbaarheid (bewezen in Hoofdstuk 14) is sterker. ∎
Voorbeeld 13.9 (Maximum en minimum van continue functies)
Als continu zijn, dan zijn en dat ook: geen gevalsonderscheid nodig, dankzij de identiteiten
en de continuïteit van sommen en van (Propositie 13.8). In het bijzonder zijn en continu met : de tekensplitsing die gebruikt wordt voor reeksen (Hoofdstuk 17) en, op volle schaal, in de integratietheorie van het deel van het derde jaar, kost niets aan regelmaat.
Stelling 13.10 (Tussenwaardestelling)
Zij continu op met . Dan geldt voor een zekere . Bijgevolg neemt een continue functie op een interval elke waarde tussen twee van haar waarden aan: is een interval.
Bewijs. Dichotomie. Stel , . Gegeven met , zij het middelpunt: als behoud , anders behoud ; de tekenvoorwaarden blijven behouden. De rijen zijn ingesloten (), met gemeenschappelijke limiet (Stelling 11.11). Door continuïteit en Stelling 11.7: en , dus .
Voor het gevolg: gegeven waarden , pas het bovenstaande toe op op het segment met eindpunten en ; dus is convex, d.w.z. een interval (Propositie 10.19). ∎
Voorbeeld 13.11 (Eén vergelijking, het volledige protocol)
Los op over : bestaan, uniciteit, lokalisatie. Stel , continu. Lokalisatie en bestaan: en , dus plant de tussenwaardestelling een oplossing in . Uniciteit: is een som van de strikt stijgende en , dus strikt stijgend op ; een strikt monotone functie neemt elke waarde hoogstens één keer aan, dus is de oplossing uniek op heel (niet alleen in het onderzochte interval). Het protocol — herschik naar , teken verandering voor bestaan, monotonie voor uniciteit — beslecht de meeste “hoeveel oplossingen”-vragen in drie regels, en de variatietabellen van Hoofdstuk 14 breiden het uit tot niet-monotone door op te delen in monotone takken.
Voorbeeld 13.12 (Dichotomie als algoritme)
Het bewijs van Stelling 13.10 rekent. Neem : , dus ligt een wortel in . Halveren:
dus wordt de wortel achtereenvolgens ingesloten in , dan , dan (echte waarde: ). Na stappen is de fout hoogstens : tien stappen geven drie decimalen, twintig geven zes. Het afsluitende inzicht: de tussenwaardestelling is niet alleen een bestaansuitspraak — haar dichotomiebewijs is een gegarandeerd, zij het traag, wortelzoekend algoritme, waartegen de snelle maar lokale methode van Newton uit Hoofdstuk 14 gemeten moet worden.
Stelling 13.13 (Extremumstelling)
Een continue functie op een segment is begrensd en bereikt haar grenzen: er zijn met
Gecombineerd met Stelling 13.10: het continue beeld van een segment is een segment .
Bewijs. Naar boven begrensd: anders kies met . Door compactheid van het segment (Stelling 12.19) geldt voor een deelrij ; continuïteit geeft , maar : tegenspraak.
Supremum bereikt: zij en kies met (Propositie 10.4). Trek eruit: dan geldt door de insluiting. Het infimum wordt behandeld via . ∎
Voorbeeld 13.14 (Positief minimum op een segment)
Zij continu op met voor elke . Dan geldt : door de extremumstelling is het infimum een waarde , en volgens hypothese. Een continue positieve functie op een segment blijft dus weg van — een tweeregelig argument dat een dozijn keer gebruikt wordt in de komende hoofdstukken (noemers onder controle, insluitingen met trapfuncties, foutafschattingen). Op een niet-compact interval faalt dit spectaculair: op is continu en positief met , niet bereikt. Het afsluitende inzicht: “positief” promoveert tot “uniform positief” precies wanneer het domein compact is; elke hypothese van de extremumstelling is dragend.
Opmerking 13.15 (Veelvoorkomende valkuilen rond de drie stellingen)
(i) Continue beelden: alleen segmenten zijn robuust. Het continue beeld van een open interval hoeft niet open te zijn ( beeldt af op ), het beeld van een gesloten verzameling hoeft niet gesloten te zijn ( beeldt het gesloten af op het open ); maar het beeld van een segment is een segment (Stelling 13.13). (ii) De tussenwaardestelling vereist een interval: de functie , continu op , neemt de waarden en aan maar wordt nooit nul — haar domein bestaat uit twee disjuncte stukken, en de waarde valt in het gat; benoem altijd het interval waarop de stelling wordt toegepast. (iii) Uniforme continuïteit is een eigenschap van het paar (functie, verzameling): is uniform continu op elk segment maar niet op (Voorbeeld 13.20) — de woorden “uniform continu” zonder een domein zijn betekenisloos. (iv) Continuïteit van de inverse is niet formeel: ze geldt op intervallen via monotonie (Stelling 13.16), maar een continue bijectie tussen verenigingen van intervallen kan een discontinue inverse hebben — de opmerking na die stelling staat er omdat studenten ze citeren zonder de intervalhypothese.
13.3 Monotone functies en inverse functies
Stelling 13.16 (Stelling van de monotone bijectie)
Bewijs. Zeg dat strikt stijgend is. (1) Injectiviteit volgt onmiddellijk uit strikte monotonie; surjectiviteit op is triviaal, en is een interval volgens Stelling 13.10.
(2) is strikt stijgend: als in maar , dan geeft het toepassen van de stijgende dat , absurd. Continuïteit van in : zij . Veronderstel eerst dat inwendig ligt in , en verklein zodat : hun beelden voldoen aan . Neem : voor sluit de monotonie van de waarde in tussen en . Als bijvoorbeeld het linker eindpunt van is, is alleen beschikbaar: dan is (monotonie), voldoet elke met aan , en de eenzijdige afschatting is precies continuïteit in een eindpunt; het rechtereindpunt is symmetrisch. (Merk op: de continuïteit van werd niet afgeleid uit die van door symmetrie — het is de monotonie op een interval die het werk doet.) ∎
Opmerking 13.17
Deze stelling is wat Definitie 4.9 en Propositie 4.21 stilzwijgend gebruikten: , , , , … zijn continu. Een aanvulling (Oefening 13.10): een continue injectieve functie op een interval is automatisch strikt monotoon, dus kost de monotoniehypothese niets.
Voorbeeld 13.18 (Wortels van alle ordes)
Voor is de functie continu en strikt stijgend op , met en : haar beeld is (Stelling 13.10 voor de intervalstructuur). De stelling van de monotone bijectie levert dan, in één keer, een strikt stijgende continue inverse
bestaan, uniciteit en continuïteit van -de wortels, zonder berekening. Vergelijk met Oefening 10.12, die met de hand opbouwde uit het supremum: één hoofdstuk theorie heeft die bladzijde werk samengedrukt tot twee regels, en dezelfde twee regels legitimeerden , en ervoor. Het afsluitende inzicht: een goede stelling is opgeslagen arbeid.
13.4 Uniforme continuïteit
Definitie 13.19
is uniform continu wanneer
De kern: hangt alleen af van , niet van de plaats in . Uniforme continuïteit impliceert continuïteit; een lipschitzfunctie () is uniform continu ().
Voorbeeld 13.20
is continu op maar niet uniform continu: hoewel de argumenten op afstand liggen. Op elk begrensd interval is ze lipschitz, dus uniform continu — in overeenstemming met de stelling van Heine hieronder.
Voorbeeld 13.21 (Uniforme moduli, expliciet)
Op een segment garandeert Heine een uniforme ; vaak kan men die ook berekenen. Voor op :
dus werkt uniform (een lipschitzmodulus, lineair in ). Voor op : (Oefening 13.9), dus werkt — uniform maar niet lineair: nabij is de vierkantswortel steil, en de prijs verschijnt in de exponent van , niet in een falen van de uniformiteit. Het afsluitende inzicht: uniforme continuïteit is een spectrum, geen ja/nee — de functie , de modulus genoemd, meet hoe duur de uniformiteit is, en lipschitz is simpelweg haar beste graad.
Stelling 13.22 (Heine)
Een continue functie op een segment is uniform continu.
Bewijs. Uit het ongerijmde: veronderstel dat een elke verslaat. Met kies met en . Compactheid (Stelling 12.19) trekt eruit; dan geldt ook (insluiting op ). Continuïteit in geeft en , dus : tegenspraak. ∎
Voorbeeld 13.23 (Begrensd, continu, maar toch niet uniform)
De functie is continu en begrensd op , maar niet uniform continu. Neem
maar voor elke : geen enkele kan overal bedienen. Meetkundig versnellen de oscillaties van : de grafiek voltooit een volledige golf over steeds kortere vensters, dus de horizontale schaal die een gegeven vereist krimpt naar nul naarmate groeit. Het afsluitende inzicht: begrensdheid koopt geen uniformiteit (dit voorbeeld), en onbegrensdheid sluit ze niet uit (, Oefening 13.9); wat beslist is de oscillatiemodulus, en de stelling van Heine zegt dat compacte domeinen hem automatisch disciplineren.
Voorbeeld 13.24 (Het rekenmachine-experiment, verklaard)
Tik een willekeurig getal in een rekenmachine en druk herhaaldelijk op : het scherm zet zich vast op Waarom? Na één druk ligt de waarde in , na twee in , een stabiel interval voor . Daarop geldt met (de product-naar-somgrens van Probleem 11.1, of de middelwaardeongelijkheid van Hoofdstuk 14): de iteratie is contraherend, dus door de foutbeheersingsstap van Methode 11.23,
waarbij het unieke vaste punt is (Oefening 13.6). Ongeveer drukken kopen drie decimalen () — een meetkundig tempo, zachter dan de per stap van de dichotomie, maar elke druk kost één toetsaanslag terwijl elke dichotomiestap een volledige teken evaluatie kost. Het afsluitende inzicht: het vastepuntbeeld van Hoofdstuk 11 en de bestaansstellingen van dit hoofdstuk zijn twee helften van één verhaal — de tussenwaardestelling vindt , de contractie bereikt het.
Opmerking 13.25 (Waar deze stellingen vervolgens werken)
De drie pijlers van dit hoofdstuk voeden elk een latere. De tussenwaardestelling voedt elk argument voor het bestaan van oplossingen en de stelling van de monotone bijectie; de extremum stelling maakt van optimalisatieproblemen stellingen (Rolle en de middelwaardestelling in Hoofdstuk 14 beginnen precies daar); de stelling van Heine is de reden dat continue functies op segmenten geïntegreerd kunnen worden in Hoofdstuk 15 — de uniforme is wat de Riemannsommen doet convergeren. In het deel van het tweede jaar verschijnt hetzelfde trio opnieuw in genormeerde vectorruimten, met compactheid die het werk doet dat segmenten hier doen.
Opmerking 13.26 (Perspectieven binnen dit deel)
Continuïteit staat op het punt overtroffen te worden maar nooit met pensioen te gaan. Hoofdstuk 14 versterkt haar tot afleidbaarheid en bewijst een wederdienst (afleidbaar impliceert continu); Hoofdstuk 15 berust er tweemaal op, via Heine voor de constructie en via de hoofdstelling, waarvan het centrale object een louter continue opwaardeert tot een -primitieve. In Hoofdstuk 25 bevat continuïteit in twee variabelen een valkuil die het waard is om vooruit te bekijken: de functie (uitgebreid door ) is continu in voor elke vaste en in voor elke vaste , maar toch niet continu in de oorsprong — langs de diagonaal is ze constant . Afzonderlijke continuïteit is strikt zwakker dan continuïteit: de sequentiële karakterisering overleeft de overgang naar , maar rijen moeten uit elke richting mogen naderen, niet alleen langs de assen.
13.5 Oefeningen
Oefening 13.1 ★
Bewijs met de sequentiële karakterisering dat geen limiet heeft in (geef twee rijen). Heeft er een?
Oplossing
Oplossing van Oefening 13.1.
Neem en : beide streven naar , maar en . Twee rijen, twee verschillende limieten van beelden: volgens Stelling 13.3 geen limiet in .
: ingesloten door , dus bestaat de limiet in en is gelijk aan .
Oefening 13.2 ★
Bestudeer de continuïteit op van en van , en van .
Oplossing
Oplossing van Oefening 13.2.
is continu op (lokaal constant) en discontinu in elke : linkerlimiet , waarde .
: dezelfde discontinuïteitspunten (de identiteit is continu, dus erft de sprongen van ); in , linkerlimiet .
: op geldt , daar continu; in is de linker limiet : de sprongen heffen elkaar op. is continu op (en strikt stijgend).
Oefening 13.3 ★
Bewijs dat de vergelijking minstens drie reële oplossingen heeft (evalueer in goedgekozen punten en pas Stelling 13.10 toe op drie disjuncte segmenten).
Oplossing
Oplossing van Oefening 13.3.
: ; ; ; . Drie tekenveranderingen op de disjuncte segmenten , , : volgens Stelling 13.10 minstens drie wortels. (Aangezien van graad is, heeft het er hoogstens vijf; een variatiestudie zou er precies drie aantonen.)
Oefening 13.4 ★
Bewijs dat elke veelterm van oneven graad een reële wortel heeft.
Oplossing
Oplossing van Oefening 13.4.
Zij met (anders vervang door ). Door de dominante term buiten haakjes te brengen, als : dus in en in . Kies met en met : de tussenwaardestelling op levert een wortel.
Oefening 13.5 ★★
(Vast punt) Zij continu. Bewijs dat een vast punt heeft: voor een zekere . Illustreer dat noch de continuïteit noch het segment weggelaten kan worden.
Oplossing
Oplossing van Oefening 13.5.
Zij , continu op . Aangezien afbeeldt in : en . Volgens Stelling 13.10 geldt voor een zekere : een vast punt.
Noodzaak van de hypotheses: op heeft de discontinue afbeelding voor , voor geen vast punt; op het interval (geen segment) is continu in zonder vast punt (de kandidaat ontbreekt); op , .
Oefening 13.6 ★★
Bewijs dat de vergelijking precies één reële oplossing heeft, en dat deze in ligt.
Oplossing
Oplossing van Oefening 13.6.
is continu, , : er bestaat een oplossing in (Stelling 13.10). Uniciteit: is strikt dalend op — voor heeft toch geen nulpunt; en met gelijkheid alleen in geïsoleerde punten (), dus is strikt dalend (Hoofdstuk 14; alternatief: op is strikt dalend en ook, dus is dat). Een strikt monotone functie wordt hoogstens één keer nul.
Oefening 13.7 ★★
Zij continu met als . Bewijs dat een globaal minimum bereikt op . (Herleid tot een segment dat een subniveauverzameling bevat.)
Oplossing
Oplossing van Oefening 13.7.
Neem vast. Er is een met voor (definitie van de twee oneindige limieten; neem de grotere drempel). Op het segment levert de extremumstelling (Stelling 13.13) een met . Voor : . Dus is het globale minimum.
Oefening 13.8 ★★
Zij continu en periodiek (met periode ). Bewijs dat begrensd is en haar grenzen bereikt, en dat er een bestaat met . (Bestudeer voor het tweede punt over één periode.)
Oplossing
Oplossing van Oefening 13.8.
Op het segment is begrensd en bereikt het haar grenzen (Stelling 13.13); door periodiciteit zijn dit de grenzen op heel , nog steeds bereikt.
Zij , continu. Dan geldt
en hebben tegengestelde tekens (of één is nul), dus geeft de tussenwaardestelling op een met , d.w.z. .
Oefening 13.9 ★★
Bewijs dat uniform continu is op , hoewel het nabij niet lipschitz is. (Bewijs en gebruik .)
Oplossing
Oplossing van Oefening 13.9.
Eerst de ongelijkheid: voor ,
dus , d.w.z. . Bijgevolg voor alle .
Uniforme continuïteit: gegeven , neem ; dan impliceert dat .
Niet lipschitz nabij : als , dus geen constante kan alle differentiequotiënten domineren.
Oefening 13.10 ★★★
Zij continu en injectief op een interval . Bewijs dat strikt monotoon is. Aanwijzing: zo niet, dan zijn er met bijvoorbeeld en ; pas de tussenwaarde stelling toe op een waarde tussen en aan beide zijden van .
Oplossing
Oplossing van Oefening 13.10.
Veronderstel dat injectief, continu en niet strikt monotoon is. Dan zijn er in met niet tussen en — inderdaad, als voor alle drietallen de middelste waarde tussen de buitenste zou liggen, dan zou monotoon zijn (vergelijk twee paren; een korte gevalscontrole). Zeg (het andere geval is symmetrisch, vervang door ). Kies met . Door de tussenwaardestelling toegepast op en op zijn er en met : twee verschillende punten met gelijke beelden, in tegenspraak met injectiviteit.
Oefening 13.11 ★★★
(Functievergelijking van Cauchy, continue geval) Zij continu met voor alle . Bewijs dat voor alle : eerst op , , (alleen met additiviteit), dan op door continuïteit en dichtheid (Stelling 10.14).
Oplossing
Oplossing van Oefening 13.11.
geeft ; uit . Stel . Inductie: voor , dan voor door oneven zijn. Voor : (tel keer bij zichzelf op), dus : op .
Zij nu en een rij rationale getallen met (dichtheid, Stelling 10.14, toegepast in geneste intervallen; of ). Continuïteit: .
Oefening 13.12 ★★★
Zij continu met als . Bewijs dat uniform continu is op . (Knip bij een grote : Heine op , de limiet voorbij ; laat de twee regimes overlappen.)
Oplossing
Oplossing van Oefening 13.12.
Zij . Door de limiet in is er een met voor ; dus voor : (geen nabijheid nodig).
Op het segment geeft de stelling van Heine (Stelling 13.22) een voor deze ; stel .
Neem nu willekeurige met , zeg . Als : beide liggen in het segment, en de Heine- is van toepassing. Anders , en dan : beide liggen in , waar het limietargument van toepassing is. In beide gevallen : uniforme continuïteit.
13.6 Probleem: de functievergelijking van Cauchy en haar zusters
Probleem 13.1
Weekendprobleem — : regelmaat dwingt lineariteit af, en het portret van de monsters
Welke functies voldoen aan voor alle reële ? Cauchy stelde de vraag in 1821; het antwoord is een paradigma. Oefening 13.11 toont dat zo’n additieve functie lineair is op en dat volledige continuïteit afdwingt. Dit probleem verscherpt de hypothese dramatisch — continuïteit in een enkel punt, of monotonie, of louter begrensdheid op één klein interval, elk volstaat — en schildert dan het portret van een hypothetische niet-lineaire oplossing (haar grafiek vult het vlak), lost de zusterverwante vergelijkingen op die , , en karakteriseren, en sluit af met de vergelijking van Jensen en de stelling middelpuntsconvex continu convex. Overal betekent additief: voor alle .
Deel I — -lineariteit, en één punt van continuïteit.
- Zij additief. Uit Oefening 13.11 geldt voor rationale . Bewijs de fijnere uitspraak die hieronder gebruikt wordt: voor elke en geldt ( is -lineair).
- Veronderstel dat de additieve continu is in één enkel punt . Toon aan dat overal continu is (bereken in termen van ), dus .
- Toon aan dat een additieve functie bepaald wordt door haar beperking tot elke dichte deelgroep: als twee additieve functies overeenstemmen op en beide continu zijn, dan zijn ze gelijk — terwijl zonder continuïteit het voorschrijven van en verenigbaar is met -lineariteit op de deelgroep. Bereken voor dit voorschrift.
- Zij additief en naar boven begrensd door op een zeker interval met . Toon aan dat naar boven begrensd is op , (transleer met ).
Deel II — De regelmaatladder.
- Vervolg op vraag 4: gebruik om aan te tonen dat ook naar beneden begrensd is op : daar.
- Toon aan dat voor , en leid af dat continu is in (oneven zijn regelt de linkerkant), dus overal (vraag 2): een additieve functie die begrensd is op één interval is lineair.
- Leid het monotone geval af: een additieve functie niet-dalend op een zeker () is met .
- Stel de regelmaatladder samen: voor een additieve zijn de volgende gelijkwaardig — (a) ; (b) continu; (c) continu in één punt; (d) monotoon op een zeker niet-ontaard interval; (e) begrensd op een zeker niet-ontaard interval. Rangschik de implicaties zo dat elk ofwel triviaal ofwel reeds bewezen is.
- Ga na dat de vragen 4–6 alleen een grens naar boven verbruikten: een additieve functie die naar boven begrensd is op één niet-ontaard interval is al lineair. Leid de spiegeluitspraak voor een grens naar beneden af, en noteer de sterkste vorm van sport (e) van de ladder die zo verkregen wordt.
Deel III — Portret van een monster. Veronderstel nu dat additief maar niet lineair is.
- Toon aan dat er van nul verschillende reële getallen zijn met , en dat de vectoren en het vlak opspannen (hun determinant is van nul verschillend).
Toon aan dat de grafiek van alle punten bevat
en leid af dat de grafiek dicht is in : voor elk punt van het vlak en elke ligt een zeker binnen ervan (los het reële stelsel op, en benader dan de reële coëfficiënten met rationale getallen).
- Leid uit vraag 11 het volledige portret af: een niet-lineaire additieve functie is onbegrensd op elk niet-ontaard interval, discontinu in elk punt, op geen enkel interval monotoon, en haar beeld van elk interval is dicht in . Verzoen dit met vraag 8.
- Monsters bestaan — op een dichte deelgroep, constructief: definieer op de functie . Toon aan dat welgedefinieerd en additief is op , en dat onbegrensd is op voor elke (voor vaste hebben slechts eindig veel dat ; toch is oneindig). Leg in één alinea uit waarom het uitbreiden van zo’n tot heel een basis van als -vectorruimte vereist (een Hamelbasis), waarvan de existentie een keuzeaxioma-kwestie is die buiten dit deel valt.
Deel IV — De zusterverwante vergelijkingen. Alle functies hier zijn continu.
- Zij continu, niet identiek , met . Toon aan dat , dan overal, dan voor een zekere : de exponentiële functies zijn precies de continue morfismen van naar .
- Zij continu met . Toon aan dat (transporteer via ).
- Zij continu met . Toon aan dat .
Vind alle continue met
(Bestudeer ; behandel het ontaarde geval apart.)
- (Parallellogram) Vind alle continue met : toon aan dat even is, , door inductie, dan . (Deze vergelijking is de vingerafdruk van kwadratische vormen — de parallellogramwet die, in het deel van het tweede jaar, detecteert welke normen van een inwendig product komen.)
Deel V — Jensen en middelpuntsconvexiteit.
- (Vergelijking van Jensen) Zij continu met . Toon aan dat voldoet aan , leid af dat additief is, en besluit .
Veronderstel nu alleen de ongelijkheid: continu met
Bewijs door inductie op dat voor alle dyadische gewichten :
- Breid uit door continuïteit en dichtheid van de dyadische getallen (Oefening 10.8) tot elke : een continue middelpuntsconvexe functie voldoet aan de volledige convexiteitsongelijkheid (het begrip dat systematisch bestudeerd wordt in Hoofdstuk 14).
- Toon aan dat continuïteit niet weggelaten kan worden: een niet-lineaire additieve voldoet aan de middelpuntsgelijkheid van vraag 19 maar aan geen enkele convexiteitsongelijkheid op enig interval (vraag 12). Moraal: middelpuntsconvexiteit is een aftelbare-fase eigenschap (dyadische getallen), convexiteit een continue; continuïteit is de brug — precies als in de Delen I–II.
Deel VI — Laatste varianten en synthese.
- Vind alle continue met (trek de particuliere oplossing af).
- Bewijs: als continu is en alleen additief op een dichte deelgroep (d.w.z. voor ), dan is additief op . Algemener zijn twee continue functies die overeenstemmen op een dichte deelverzameling van gelijk.
- Synthese, telkens één zin: (i) formuleer de regelmaat ladder van vraag 8 uit het hoofd; (ii) leg uit waarom “grafiek dicht in het vlak” het juiste mentale beeld is voor het falen van regelmaat; (iii) som de vijf klassieke functies op die gekarakteriseerd worden in Deel IV–V en de enkele methode die ze allemaal ving; (iv) noem de twee plaatsen waar dichtheid van (of van de dyadische getallen) in het argument droeg, en de plaats waar dat niet kon (vraag 13).
Oplossing
Oplossing van Probleem 13.1.
1. Voor : door inductie (). Ook geeft , en geeft oneven zijn, dus voor . Voor : , dus : is -lineair.
2. Additiviteit geeft, voor alle en :
Als streeft de rechterkant naar door continuïteit in ; dus : continuïteit in elke . Dan levert Oefening 13.11 dat .
3. Twee continue additieve functies zijn van de vorm en (vraag 2); als ze overeenstemmen op de dichte deelgroep (Oefening 10.9), dan geldt voor een zekere daarin: , de functies zijn gelijk. Zonder continuïteit: -lineariteit bindt alleen de waarden in -combinaties, en zijn -onafhankelijk (), dus zijn , verenigbaar en dwingen ze, op de deelgroep,
4. Voor : , dus .
5. Voor geldt ook , en additiviteit geeft . Bijgevolg op met .
6. Voor : en (vraag 1), dus . Gegeven , kies : voor geldt , en voor negatieve gebruik . Dus als : continuïteit in , dus overal (vraag 2), dus .
7. Als niet-dalend is op , dan geldt daar: begrensd, dus lineair volgens vraag 6, ; en dwingt af.
8. (a)(b)(c): triviaal. (c)(a): vraag 2. (a)(d): een lineaire functie is overal monotoon. (d)(e): een monotone functie op is daar begrensd door haar eindpunt waarden. (e)(a): vragen 4–6. De vijf uitspraken zijn gelijkwaardig — de regelmaatladder.
9. Vraag 4 gebruikte alleen de bovengrens ; vraag 5 leidde de ondergrens af uit de bovenste via de reflectie ; vraag 6 liep dan op . Dus: additief en naar boven begrensd op één niet-ontaard interval impliceert al lineair. Voor een grens naar beneden, pas dit toe op (additief, naar boven begrensd). Sterkste sport (e): een eenzijdige grens op één interval volstaat.
10. Als één constante zou zijn voor alle , dan zou lineair zijn; dus zijn er van nul verschillende met , d.w.z. : de determinant van de vectoren , is van nul verschillend, en ze spannen op.
11. Voor : (vraag 1 tweemaal plus additiviteit), dus bevat de grafiek
Gegeven en : het stelsel heeft een (unieke) reële oplossing aangezien de determinant van nul verschilt. Kies rationale getallen , : dan coördinaatsgewijs, en elk van deze punten ligt op de grafiek: de grafiek is dicht in .
12. Zij een niet-ontaard interval, zijn middelpunt, willekeurig: dichtheid levert een grafiekpunt binnen van , d.w.z. met : onbegrensd op , dus (vraag 8) discontinu in elk punt en op geen enkel interval monotoon; en voor elk doel geven grafiekpunten nabij dat willekeurig dicht bij komt met : is dicht in . Dit is vraag 8 achterstevoren gelezen: aangezien alle sporten gelijkwaardig zijn, moet een niet-lineaire additieve functie alle overal falen.
13. Welgedefinieerd: dwingt af, dus (anders ) en . Additiviteit op is dan duidelijk coördinaat per coördinaat. Onbegrensdheid nabij : neem en vast. Voor elke vaste met pint de voorwaarde de waarde vast binnen een interval van lengte : hoogstens één geheel getal per , dus hoogstens elementen van hebben . Maar is oneindig ( is dicht, Oefening 10.9); dus bevat het een zekere met : is onbegrensd op elke rechteromgeving van . Het uitbreiden van tot een additieve functie op betekent het coherent kiezen van waarden op een familie van reële getallen die -lineair onafhankelijk is en over opspant — een Hamelbasis; er een produceren vereist het keuzeaxioma, en geen enkele expliciete formule kan het: constructief bezitten we het monster alleen op .
14. . Als , dan voor alle : uitgesloten. Dus en is continu (Propositie 13.8) met : volgens Oefening 13.11, , dus . Omgekeerd werkt elke : de continue morfismen zijn precies de exponentiële functies.
15. is continu en : , en elke schrijft met : .
16. is continu op met : volgens vraag 15, , dus .
17. : , dus . Als : door te stellen, voor alle : de constante (die inderdaad aan de vergelijking voldoet). Anders ; is continu, , en
volgens vraag 14, , d.w.z. (het geval geeft ). Volledige lijst: en , .
18. : , dus . : , dus is even. : . Inductie met :
Dan geeft dat : op (even zijn regelt de tekens). De twee continue functies en stemmen overeen op de dichte verzameling , dus overal (vraag 24): ; elke voldoet aan de vergelijking.
19. is continu, , en voldoet aan de vergelijking van Jensen (de constanten heffen elkaar op). Door te nemen: . Dan voor alle :
dus is additief en continu: (vraag 2), en met . Alle affiene functies voldoen aan Jensen: de lijst is volledig.
20. Inductie op . Voor : , triviaal. Neem de ongelijkheid aan voor alle gewichten . Een gewicht met even herleidt tot niveau ; voor is het middelpunt van en . Met : , dus
21. Neem vast. De afbeeldingen en zijn continu op (samenstelling en algebra, Propositie 13.8). De ongelijkheid geldt op de dyadische gewichten, die dicht liggen in (Oefening 10.8); voor willekeurige neem dyadische getallen en ga over tot de limiet (Stelling 13.3 en Stelling 11.7): de convexiteitsongelijkheid geldt voor elke — middelpuntsconvexiteit plus continuïteit is gelijk aan convexiteit (het begrip van Hoofdstuk 14).
22. Een niet-lineaire additieve voldoet exact aan (vraag 1 met , dan additiviteit): ze is middelpuntsconvex, zelfs middelpuntsaffien. Als ze aan de volledige convexiteitsongelijkheid zou voldoen op een zeker interval , dan voor : — naar boven begrensd op een niet-ontaard interval, dus lineair volgens vraag 9: tegenspraak. Dus is continuïteit in vraag 21 geen luxe: zonder haar beheerst middelpuntsconvexiteit alleen het aftelbare dyadische skelet, en het continuüm ertussen loopt wild.
23. voldoet aan . Als een willekeurige continue oplossing is, dan is continu en additief, dus :
en elk van deze is een oplossing: de lijst is volledig.
24. Algemeen principe: als continu zijn en overeenstemmen op een dichte , dan kies voor met (Propositie 12.11); . Zij nu continu en additief op de dichte deelgroep . Neem vast en neem , met ; dan en, door sequentiële continuïteit in , en :
is additief op heel (dus lineair, volgens vraag 2).
25. (i) Voor additieve : lineair continu continu in één punt monotoon op een zeker interval begrensd (zelfs eenzijdig) op een zeker interval. (ii) Dichtheid van de grafiek in het vlak toont dat het falen geen lokaal defect is maar een globale explosie: boven elk deelinterval smeren de waarden zich uit over heel , dus faalt elke regelmaateigenschap overal tegelijk. (iii) De vangst: , , , , en — zes karakteriseringen, één methode: transporteer de vergelijking naar die van Cauchy, bewijs het -skelet door inductie, waardeer op tot door dichtheid plus continuïteit. (iv) Dichtheid van (of van de dyadische getallen) droeg de opwaarderingen in Oefening 13.11 en in vraag 21; ze droeg niets in vraag 13, omdat zonder continuïteit waarden zich niet voortplanten van een dichte verzameling naar haar afsluiting — dichtheid draagt informatie alleen langs continuïteit.