Universitaire wiskunde — Bachelor jaar 1 · Bachelor Year 1
3Complexe getallen
In het bovenbouwvolume kwamen de complexe getallen langs als rekenmiddel voor vierkantsvergelijkingen. Dit hoofdstuk behandelt ze als een centraal object: de exponentiële vorm en haar gevolgen (de Moivre, -de wortels, eenheidswortels), de systematische vertaling tussen en de vlakke meetkunde, en het gebruik van als machine om goniometrische identiteiten te bewijzen.
3.1 Het lichaam , modulus en toegevoegde
Definitie 3.1 (Het complexe lichaam)
met de gewone optelling en de vermenigvuldiging die door vastligt. Elke ongelijk aan nul heeft een inverse: — in de taal van Hoofdstuk 7 is een lichaam. Men schrijft , , (de toegevoegde) en (de modulus).
Propositie 3.2 (Rekenregels voor toegevoegde en modulus)
Voor geldt:
- , , ;
- ; , ;
- , en voor ;
- (driehoeksongelijkheid) , met gelijkheid dan en slechts dan als en op eenzelfde halfrechte vanuit liggen ( of met );
- (omgekeerde driehoeksongelijkheid) .
Bewijs. (1) en (2) zijn rechtstreekse berekeningen op reële en imaginaire delen. (3): , waarna je de wortel trekt; pas dit toe op voor de inverse.
(4) Beide leden zijn niet-negatief, dus vergelijk de kwadraten:
en uit volgt . Gelijkheid dwingt af, oftewel ; is , dan geeft dat met (en het geval is triviaal).
(5) Uit volgt ; verwissel en voor het andere teken. ∎
Voorbeeld 3.3 (Een volledige oefening met modulus en argument)
Breng in algebraïsche vorm en bereken haar modulus tweemaal. Vermenigvuldigen met de toegevoegde van de noemer geeft
Rechtstreeks: . Via de quotiëntregel (Propositie 3.2 (3)): — hetzelfde antwoord, zonder algebraïsche vorm. De les veralgemeent: moduli en argumenten reizen goed door producten en quotiënten, reële en imaginaire delen reizen goed door sommen. Kies de voorstelling die bij de voorliggende bewerkingen past, en zet pas om wanneer het niet anders kan.
Voorbeeld 3.4 (Vergelijkingen met de toegevoegde)
Los op in : . Een vergelijking waarin en door elkaar lopen is geen veeltermvergelijking in ; de betrouwbare zet is opsplitsen in reële coördinaten. Met is
zodat de vergelijking en zegt: de unieke oplossing is . (Controle: .) Je kunt ook de hele vergelijking toevoegen, wat oplevert, en het lineaire stelsel in de onbekenden oplossen — hetzelfde antwoord, en een handige truc zodra de coëfficiënten complex zijn. Vergelijkingen in en zijn in werkelijkheid stelsels van twee reële vergelijkingen; hier mag je gerust op “graad , één oplossing” rekenen, maar (geen oplossing) laat zien dat de veeltermintuïtie het begeeft zodra er producten opduiken.
3.2 Exponentiële vorm
Definitie 3.5 (Complexe exponentiële van een imaginair argument)
Voor definieert men
Elke laat zich schrijven als met ; zo’n heet een argument van en ligt vast op een veelvoud van na. De waarde in heet het hoofdargument, genoteerd .
Voorbeeld 3.6 (Eerste waarden, en één beroemde identiteit)
De definitie gelezen in de hoofdhoeken:
De tweede, herschreven als , is Eulers beroemde identiteit die , , , en verbindt; in dit stadium van het boek is ze eerder een definitie die zich ontrolt dan een stelling, en haar eigenlijke inhoud — waarom de analytische exponentiële functie van Hoofdstuk 4, uitgebreid tot imaginaire argumenten, dezelfde naam verdient — wordt beslecht door de machtreeksen van Hoofdstuk 17. Ondertussen is bovenstaande regel het onthouden waard als omrekentabel: ze wordt stilzwijgend gebruikt telkens als een argument van een tekening wordt afgelezen.
Stelling 3.7 (De functionaalvergelijking)
Voor alle geldt
Bijgevolg draagt ook de argumenten mee: .
Bewijs. Werk het product uit en gebruik de somformules:
wat gelijk is aan . De modulus is , en de formule voor de toegevoegde is de pariteit van cosinus en sinus; ze inverteert , want . ∎
Gevolg 3.8 (Formule van de Moivre)
Voor en geldt .
Bewijs. Voor met inductie. Het geval luidt . Neem de formule aan voor , dan geeft de functionaalvergelijking (Stelling 3.7)
wat de formule op rang is. Voor schrijf je met : omdat de inverse heeft (opnieuw Stelling 3.7), is
∎
Voorbeeld 3.9 ( uitwerken met de Moivre)
Schrijf en . De Moivre en het binomium geven
en na gelijkstellen van de reële delen en substitutie van :
Het imaginaire deel levert er gratis bij: één complexe identiteit draagt altijd twee reële. Achterstevoren gelezen is de zojuist gevonden identiteit de sleutel tot de klassieke driedelingsvergelijking: uit construeren betekent de derdegraadsvergelijking oplossen, en daar neemt de algebra van Hoofdstuk 8 het over.
Propositie 3.10 (Formules van Euler)
Bewijs. Tel en bij elkaar op, respectievelijk trek ze van elkaar af. ∎
Methode 3.11 (Goniometrie via exponentiëlen)
- Lineariseer (zet machten om in een som van en ): substitueer de formules van Euler, werk uit met het binomium (Stelling 2.16) en hergroepeer toegevoegde termen.
- Ontwikkel als veelterm in : schrijf , werk uit en zet even machten van om met .
- Sommeer goniometrische reeksen als : herken het reële deel van een meetkundige som .
De halvehoekontbinding: voor alle geldt
Voorbeeld 3.12 (Lineariseren)
Deze vorm laat zich meteen integreren — precies de reden waarom lineariseren ertoe doet in Hoofdstuk 15. Een gemengd product gaat net zo, alleen met beide formules van Euler tegelijk:
waarbij de dubbelehoekformule in de eerste stap één binomiale ontwikkeling uitspaarde — daar loont het altijd even naar te kijken vóór je gaat mechaniseren.
Voorbeeld 3.13 (Een binomiale goniometrische som)
Bereken voor en de som . Herken het reële deel van een binomiale ontwikkeling:
en ontbind dan de halve hoek (Methode 3.11 (4)): , zodat
Het imaginaire deel levert er gratis bij. Controles: geeft terug, en geeft voor (elke factor verdwijnt), dat wil zeggen de alternerende rijsom uit Voorbeeld 2.17. De methode — “zie de cosinussom als de schaduw van een complexe macht en ontbind dan halve hoeken” — is precies die van Oefening 3.6, met het binomium in de plaats van de meetkundige reeks.
3.3 Wortels van complexe getallen
Stelling 3.14 (-de wortels)
Zij en . De vergelijking heeft precies oplossingen:
Bewijs. Schrijf met . Dan is dan en slechts dan als (moduli) en (argumenten), dat wil zeggen en voor zekere . Rest de vraag wanneer twee gehele getallen hetzelfde getal opleveren: dat gebeurt precies wanneer de hoeken een veelvoud van verschillen,
Wegens de euclidische deling is elke modulo congruent met precies één element van , zodat dat bereik elke oplossing één keer opsomt en de telling exact oplevert. (Datzelfde argument, uitgevoerd binnen , laat zien dat de wortels een regelmatige -hoek vormen: opeenvolgende waarden van draaien over de vaste hoek .) ∎
Voorbeeld 3.15 (Derdemachtswortels van )
Los op. Exponentiële vorm van het rechterlid: , zodat de drie wortels
zijn. Twee controles. Ten eerste is de reële wortel de voor de hand liggende, en de twee andere zijn haar draaiingen over — equivalent: en . Ten tweede bevestigt de algebra het: , en de vierkantsvergelijking heeft discriminant met wortels . Het inzicht: bij een reëel rechterlid komen de niet-reële wortels altijd in toegevoegde paren, zodat een tekening van de oplossingsverzameling symmetrisch is om de reële as — een voorproefje van de reële ontbindingsstelling van Hoofdstuk 8.
Voorbeeld 3.16 (Een niet-reëel rechterlid)
Los op. Exponentiële vorm van het rechterlid: modulus , en argument met en , dus . De vier wortels zijn
(Controle: , dus .) Zodra één wortel gevonden is, komen de drie andere er gratis bij: het zijn haar opeenvolgende draaiingen over , dat wil zeggen haar producten met de vierde eenheidswortels — de algemene structuur achter Stelling 3.14, die je beter benut dan elke wortel opnieuw uit te rekenen. Ditmaal is er geen toegevoegde symmetrie: het rechterlid is niet reëel.
Definitie 3.17 (Eenheidswortels)
De -de eenheidswortels zijn de oplossingen van :
Ze vormen een groep onder de vermenigvuldiging (Hoofdstuk 7) en liggen op de hoekpunten van een regelmatige -hoek ingeschreven in de eenheidscirkel.
Propositie 3.18 (Som van de eenheidswortels)
Voor tellen de -de eenheidswortels op tot nul: .
Bewijs. Meetkundige som met reden : , want . ∎
Voorbeeld 3.19 (Reële en imaginaire delen aflezen)
Splitsen we in reëel en imaginair deel, dan vallen er gratis twee goniometrische identiteiten uit:
Meetkundig: het zwaartepunt van een regelmatige -hoek ingeschreven in de eenheidscirkel is haar middelpunt — de hoekpunten heffen elkaar precies op. Voor geeft de eerste identiteit (door met te koppelen), het beginpunt van de berekening van in Oefening 3.8.
Voorbeeld 3.20 (Vierkantswortels in algebraïsche vorm)
Om zonder goniometrie op te lossen, zet je :
De eerste en de laatste optellen geeft , dus , en dan met hetzelfde tekenpaar (want ): . Samen met de gebruikelijke formule lost dit elke vierkantsvergelijking met complexe coëfficiënten op (Oefening 3.7).
3.4 Complexe getallen en vlakke meetkunde
Propositie 3.21 (Meetkundig woordenboek)
Vereenzelvig het punt van het vlak met zijn affix . Voor verschillende punten met affixen :
- is de afstand ;
- is de hoek tussen de vectoren en (modulo );
- liggen op één rechte dan en slechts dan als ; de rechten en staan loodrecht op elkaar dan en slechts dan als .
Bewijs. (1) is de definitie van de modulus toegepast op , de affix van . (2): schrijf en ; dan heeft als argument , de hoek van naar . (3): op één rechte liggen betekent hoek of , dus argument in , dus quotiënt reëel; loodrecht staan betekent hoek , dus quotiënt zuiver imaginair. (Het quotiënt is niet nul, want .) ∎
Opmerking 3.22 (Tussenspel: is het vlak met een vermenigvuldiging)
Het loont stil te staan bij wat dit hoofdstuk überhaupt mogelijk maakt: het vlak draagt optellingen in elke richting, maar geen van nature gegeven vermenigvuldiging — en is het vlak uitgerust met er één, waarin vermenigvuldigen met een vast getal draait en schaalt. Deze ene structuur wordt in dit volume nog driemaal uitgemolken. In Hoofdstuk 21 duikt vermenigvuldigen met opnieuw op als de -matrix met rijen en : het complexe rekenen is een eerste, volstrekt concrete familie matrixproducten. In Hoofdstuk 23 blijkt de uitdrukking het inwendig product te zijn en de euclidische norm: de hier bewezen driehoeksongelijkheid is het model voor het verhaal van Cauchy–Schwarz daar. En in Hoofdstuk 24 schrijf je een bewegend punt het best als , zodat snelheid en versnelling complexwaardige afgeleiden worden — een cirkelbeweging is dan simpelweg . Eén goede vermenigvuldiging, vier hoofdstukken rendement.
Propositie 3.23 (De afbeeldingen )
Zij en . De transformatie van het vlak:
- is een translatie wanneer ;
- heeft anders precies één vast punt , en : is de draaiing met middelpunt en hoek , samengesteld met de vermenigvuldiging met middelpunt en factor .
In het bijzonder is de draaiing over de hoek om de oorsprong, en is de spiegeling in de reële as.
Bewijs. Is , dan verschuift over de vector met affix . Is , dan heeft de vergelijking voor de vaste punten de unieke oplossing , en dan is . Schrijven we , dan schaalt vermenigvuldigen met de afstanden tot met en telt het bij de hoeken in op — en dat is de aangekondigde samenstelling. ∎
Voorbeeld 3.24 (Een afbeelding herkennen)
Neem . Hier is , dus het vaste punt is
en omdat wordt er helemaal niet geschaald: is de zuivere draaiing met middelpunt over de hoek . Controle: , en , , : de vier punten van het eenheidsvierkant lopen telkens een kwartslag rond hun middelpunt — precies wat een draaiing over om het middelpunt van het vierkant moet doen.
Opmerking 3.25 (Veelgemaakte fouten met moduli en argumenten)
- Geen ongelijkheden in . schrijven voor niet-reële getallen is betekenisloos; alleen moduli, reële delen en imaginaire delen zijn vergelijkbaar.
- is voorbehouden aan . Elk complex getal ongelijk aan nul heeft twee vierkantswortels en geen van beide is bevoorrecht: schrijf “zij een vierkantswortel van ” (berekend als in Voorbeeld 3.20), nooit — de regel faalt al bij .
- Argumenten leven modulo . Uit besluit je en niet ; de vergeten is de manier waarop oplossingsverzamelingen van van hun elementen kwijtraken.
- is niet . Gelijkheid in de driehoeksongelijkheid is het uitzonderlijke geval waarin alles op één halfrechte ligt (Propositie 3.2 (4)); in het algemeen moet de modulus van een som afgeschat worden, niet berekend.
Voorbeeld 3.26
(affixen , twee aan twee verschillend) vormen een gelijkzijdige driehoek met de hoekpunten in directe (tegen de wijzers van de klok in) volgorde dan en slechts dan als : de draaiing met middelpunt over de hoek stuurt naar . Beide oriëntaties samen worden gevat door de symmetrische vergelijking (Oefening 3.10).
Opmerking 3.27 (Waar dit hoofdstuk gebruikt wordt)
De exponentiële vorm is het meest hergebruikte rekenmiddel van het hele volume. Eenheidswortels worden het standaardvoorbeeld van een cyclische groep in Hoofdstuk 7 en dragen de ontbinding van in Hoofdstuk 8; toegevoegde wortels daar groeperen levert de reële ontbindingen die de partieelbreuksplitsing van Hoofdstuk 9 gebruikt. Lineariseren (Methode 3.11) is de standaardvoorbereiding op het integreren van goniometrische machten in Hoofdstuk 15, en de karakteristieke vergelijkingen van Hoofdstuk 5 hebben complexe wortels waarvan de reële en imaginaire delen de oscillerende oplossingen opleveren. Het meetkundige woordenboek keert in matrixgewaad terug: draaiingen en gelijkvormigheden worden de orthogonale matrices van Hoofdstukken 21 en 23, en geparametriseerde krommen in Hoofdstuk 24 schrijf je vaak het best als afbeeldingen .
3.5 Oefeningen
Oefening 3.1 ★
Breng in exponentiële vorm: ; ; ; . Leid daaruit en af.
Oplossing
Oplossing van Oefening 3.1.
; ; ;
Hetzelfde quotiënt algebraïsch berekend (vermenigvuldig met de toegevoegde):
Gelijkstellen met geeft
Oefening 3.2 ★
Bereken . Voor welke is een reëel getal?
Oplossing
Oplossing van Oefening 3.2.
, dus .
In exponentiële vorm is , reëel dan en slechts dan als , oftewel . Dus precies voor de veelvouden van (met waarde ).
Oefening 3.3 ★
Beschrijf meetkundig de verzameling van de waarvoor: ; ; (voor ).
Oplossing
Oplossing van Oefening 3.3.
: even ver van de punten en — de middelloodlijn van het lijnstuk tussen en .
: de cirkel met middelpunt en straal .
: volgens Propositie 3.21 (3) voldoen de punten , , hieraan wanneer de rechten en loodrecht op elkaar staan (of wanneer , waar het quotiënt is). De verzameling is de cirkel met middellijn (de eenheidscirkel), op het punt na, waar het quotiënt niet gedefinieerd is. Controle door berekening: geeft .
Oefening 3.4 ★
Lineariseer , en ontwikkel als veelterm in .
Oplossing
Oplossing van Oefening 3.4.
Linearisatie:
Ontwikkeling: volgens de Moivre is met en ; na substitutie van :
Oefening 3.5 ★
Los op en zet de oplossingen op een tekening. Los op en ontbind in twee reële tweedegraadsveeltermen.
Oplossing
Oplossing van Oefening 3.5.
, dus de derdemachtswortels zijn met :
een gelijkzijdige driehoek op de cirkel met straal .
Verder is , zodat de oplossingen heeft: , , , . Koppelen we de toegevoegde wortels, dan volgt
want en analoog voor het andere paar. (Werk uit ter controle.)
Oefening 3.6 ★★
Bereken voor met en
door de meetkundige reeks te sommeren en de halvehoekontbinding te gebruiken.
Oplossing
Oplossing van Oefening 3.6.
(meetkundige som met reden ). Halvehoekontbinding (Methode 3.11 (4)) van teller en noemer:
Reëel en imaginair deel nemen geeft
Oefening 3.7 ★★
Los op in : . (Bereken de discriminant en trek er de vierkantswortels uit als in Voorbeeld 3.20.)
Oplossing
Oplossing van Oefening 3.7.
Discriminant: . Vierkantswortels van : los , , op; dan is en met gelijke tekens: . Bijgevolg is
Controle: som en product , zoals de coëfficiënten vereisen.
Oefening 3.8 ★★
Zij .
- Verantwoord .
- Zet en . Bereken en , en leid af dat en de wortels van zijn.
- Besluit dat .
Oplossing
Oplossing van Oefening 3.8.
- Propositie 3.18 met .
volgens (1). Voor het product werk je uit en reduceer je de exponenten modulo :
Dus en hebben som en product : het zijn de twee wortels van .
- (de hoek is scherp), en de positieve wortel van is . Bijgevolg is .
Oefening 3.9 ★★
Bewijs voor alle de parallellogramidentiteit
en geef er een meetkundige uitleg bij in het parallellogram met hoekpunten .
Oplossing
Oplossing van Oefening 3.9.
Werk beide kwadraten uit als in het bewijs van Propositie 3.2 (4):
en tel op. Meetkundig zijn en de lengtes van de twee diagonalen van het parallellogram met hoekpunten , terwijl en de zijden zijn: de som van de kwadraten van de diagonalen is gelijk aan de som van de kwadraten van de vier zijden.
Oefening 3.10 ★★★
Bewijs dat drie twee aan twee verschillende punten met affixen een gelijkzijdige driehoek vormen (in welke oriëntatie dan ook) dan en slechts dan als
Aanwijzing: het directe geval is en het indirecte , waarbij voldoet aan ; of ontbind en .
Oplossing
Oplossing van Oefening 3.10.
Zij , zodat en , . De driehoek is direct gelijkzijdig precies wanneer , en indirect gelijkzijdig precies wanneer (Voorbeeld 3.26).
Beschouw en . Met en is
zodat het directe geval luidt; dezelfde berekening met in plaats van geeft , zodat het indirecte geval luidt. Dus: gelijkzijdig (in welke oriëntatie dan ook) . Uitwerken geeft, met ,
De driehoek is dus gelijkzijdig dan en slechts dan als .
Oefening 3.11 ★★★
Bereken voor het product , waarbij . Aanwijzing: ; deel door en evalueer in . Leid daaruit af.
Oplossing
Oplossing van Oefening 3.11.
Omdat de met precies de wortels van zijn (Stelling 3.14) en de veelterm monisch is, geldt
Deling door geeft . Evalueren in levert .
Verder is , zodat moduli nemen in (elke voor ) geeft
Oefening 3.12 ★★
Zij . Los de vergelijking op in : toon aan dat ze precies oplossingen heeft, alle zuiver imaginair, namelijk
Aanwijzing: is geen oplossing, dus deel en gebruik de eenheidswortels; pas daarna de halvehoekontbinding van Methode 3.11 toe.
Oplossing
Oplossing van Oefening 3.12.
is geen oplossing (), zodat de vergelijking equivalent is met , oftewel met en . De waarde valt af ( is onmogelijk). Voor geeft het oplossen van dat , zodat met en de halvehoekontbindingen en :
zuiver imaginair zoals beweerd. De afbeelding is injectief op (ze is strikt dalend), zodat de waarden twee aan twee verschillend zijn: de vergelijking, die na uitwerken graad heeft (de termen vallen weg), heeft precies deze oplossingen.
3.6 Opgave: de stelling van Napoleon
Probleem 3.1
Zet op elke zijde van een willekeurige driehoek naar buiten toe een gelijkzijdige driehoek: de drie middelpunten daarvan vormen altijd een gelijkzijdige driehoek. Dat is de stelling van Napoleon — een uitspraak zonder zichtbare reden om waar te zijn, die de algebra van in drie regels rekenwerk bewijst. Deze opgave bouwt het volledige gereedschap op (draaiingen, directe gelijkvormigheden, het -criterium van Oefening 3.10), bewijst de stelling van Napoleon naar buiten en naar binnen toe, lokaliseert het ontaarde geval, en sluit af met een tweede juweel van dezelfde school: de stelling van van Schooten over gelijkzijdige driehoeken en de ongelijkheid van Ptolemaeus. Overal worden punten van het vlak met hun affixen vereenzelvigd.
Deel I — Het getal en de draaiingen.
- Bereken de algebraïsche vorm van , en vervolgens , , , en . Zet , , op een schets van de eenheidscirkel.
- Toon aan dat de draaiing met middelpunt over de hoek gegeven wordt door , en dat de samenstelling van twee draaiingen, over de hoeken en , een draaiing over is wanneer , en anders een translatie. (Gebruik Propositie 3.23.)
- Zij . Toon aan dat er precies twee punten zijn die gelijkzijdig maken, namelijk . Ga voor een directe driehoek op het voorbeeld , , na dat de keuze die is welke aan de andere kant van de rechte ligt dan — de top naar buiten toe.
Volgens de oplossing van Oefening 3.10 is direct gelijkzijdig precies wanneer . Bewijs de twee draaiingsidentiteiten
en leid af dat het criterium invariant is onder cyclische permutatie van .
- Toon aan dat, wanneer en twee van de drie punten samenvallen, alle drie samenvallen. (Het criterium karakteriseert dus precies: directe gelijkzijdige driehoek, of één enkel punt.)
Deel II — Directe gelijkvormigheden.
- Toon aan dat de afbeeldingen met (de directe gelijkvormigheden) stabiel zijn onder samenstelling en inversie: de samenstelling van twee ervan, en de inverse van elk ervan, is opnieuw van deze vorm. (In de taal van Hoofdstuk 7: ze vormen een groep.)
- Toon aan dat er bij gegeven en precies één directe gelijkvormigheid bestaat met en , en geef en expliciet.
- Toon aan dat een directe gelijkvormigheid alle afstanden met vermenigvuldigt en de vorm van elke driehoek bewaart (teller en noemer worden allebei met vermenigvuldigd). Leid af dat twee driehoeken direct gelijkvormig zijn precies wanneer hun vormen gelijk zijn.
- Bepaal volledig de directe gelijkvormigheid met en : geef , , het vaste punt, de factor en de hoek.
- Zij . Toon aan dat het “gewogen punt” met elke directe gelijkvormigheid verwisselt: . Leid af dat zwaartepunten, middens en de napoleontische middelpunten hieronder alle door gelijkvormigheden worden meegevoerd — de algebraïsche vergunning achter elk argument van het type “zonder verlies van algemeenheid leggen we de omgeschreven cirkel op de eenheidscirkel”.
Deel III — De stelling van Napoleon. Zij een directe driehoek. Zet op elke zijde de gelijkzijdige driehoek naar buiten toe (vraag 3) en noem , , de middelpunten (zwaartepunten) van de driehoeken op respectievelijk , en .
Toon aan dat
- Ga na en leid af dat de driehoek hetzelfde zwaartepunt heeft als .
Toon met de identiteiten van vraag 4 aan dat
- Bereken en besluit: , zodat voor elke driehoek: de buitenste napoleontische driehoek is direct gelijkzijdig (of één punt). Daarmee is de stelling van Napoleon bewezen.
- Zet de gelijkzijdige driehoeken in plaats daarvan naar binnen toe (de keuze in vraag 3) en noem hun middelpunten. Toon aan dat (en cyclisch), en bewijs vervolgens : ook de binnenste napoleontische driehoek is gelijkzijdig, met de tegengestelde oriëntatie.
- Lokaliseer de ontaarding: toon aan dat precies gebeurt wanneer , dat wil zeggen wanneer een indirecte gelijkzijdige driehoek is. (Twee van de punten vallen samen precies wanneer alle drie samenvallen, wegens vraag 5; gebruik dan en ga na dat .)
- Voer de hele berekening uit op de driehoek , , : geef exact, en ga door de drie gekwadrateerde zijden rechtstreeks te berekenen na dat de driehoek gelijkzijdig is met gekwadrateerde zijde .
Deel IV — Ptolemaeus en van Schooten.
Bewijs de identiteit, geldig voor alle complexe :
Leid daaruit de ongelijkheid van Ptolemaeus af: voor elke vier punten geldt
met gelijkheid dan en slechts dan als en op eenzelfde halfrechte vanuit liggen.
- Toon aan dat voor geldt .
(Stelling van van Schooten) Zij — wegens Deel II gaat daarmee geen algemeenheid verloren onder de directe gelijkzijdige driehoeken — en zij met , een punt van de omgeschreven cirkel op de boog die niet bevat. Bewijs
(Druk de drie afstanden uit met vraag 20 en gebruik een som-naar-productformule.)
- Ga in na dat dit precies het gelijkheidsgeval van de ongelijkheid van Ptolemaeus is voor de cyclische volgorde : bereken en en controleer dat hun quotiënt een positief reëel getal is.
Deel V — Synthese.
- Bereken de buitenste napoleontische driehoek van de gelijkzijdige driehoek zelf, en beschrijf het resultaat meetkundig.
- Waar precies gebruikte de opgave: (i) de vermenigvuldiging als draaiing; (ii) de groepsstructuur van de gelijkvormigheden en de invariante vorm; (iii) de halvehoekontbinding van Methode 3.11? Eén zin per onderdeel.
- Formuleer in een korte alinea de moraal van de opgave: wat levert het woordenboek tussen de vlakke meetkunde en de algebra van op, wat kost het, en welke van de twee bewijsstappen — de identiteit of het klassieke plaatje — verklaart de stelling van Napoleon volgens jou beter? Noem één plaats waar dit woordenboek later in dit volume in matrixvorm terugkeert.
Oplossing
Oplossing van Probleem 3.1.
1. ; ; ; (som van de derde eenheidswortels, Propositie 3.18); (want ). Op de eenheidscirkel zijn , , de hoekpunten van een directe gelijkzijdige driehoek.
2. De draaiing met middelpunt over de hoek houdt vast en draait elke vector vanuit over : , dus . Samenstelling van en geeft
een afbeelding van de vorm met van modulus . Volgens Propositie 3.23 is dat een draaiing over wanneer , en een translatie wanneer , dat wil zeggen wanneer .
3. is gelijkzijdig precies wanneer . Schrijven we , dan zegt de eerste gelijkheid en de tweede ; samen geven ze (de twee snijpunten van de cirkels en zijn ). Bijgevolg is . Voor , , (een directe driehoek) geeft de keuze
wat aan de andere kant van de rechte () ligt dan : naar buiten toe. De keuze geeft , aan dezelfde kant als : naar binnen toe.
4. Vermenigvuldig met : (met en ); en met : . Dat zijn de twee identiteiten. Is , dan is : het criterium geldt ook voor en — cyclische invariantie (en zo hoort het ook: een gelijkzijdige driehoek trekt zich niets aan van welk hoekpunt je eerst noemt).
5. Is , dan is (met ), dus . Is , dan is , dus . Is , dan is , dus . In elk geval vallen alle drie de punten samen.
6. met : dezelfde vorm. De inverse van is , opnieuw van diezelfde vorm. Met de identieke afbeelding als neutraal element vormen de directe gelijkvormigheden dus een groep onder samenstelling.
7. voldoet aan en precies wanneer en ; aftrekken geeft , zodat
afgedwongen zijn, en omgekeerd voldoet die keuze: bestaan en uniciteit.
8. : alle afstanden worden met vermenigvuldigd. Voor de vorm:
Hebben twee driehoeken en dezelfde vorm, zij dan de unieke directe gelijkvormigheid met en (vraag 7); de vorm van is dan gelijk aan die van , en dus aan die van , terwijl de vorm het derde hoekpunt uit de eerste twee vastlegt: . Omgekeerd volgt de gelijkheid van de vormen uit de zojuist getoonde invariantie.
9. ; uit volgt . Factor , hoek . Vast punt:
Dus is de directe gelijkvormigheid met middelpunt , factor en hoek .
10. Met en :
waarbij de sleutel is. Middens (), zwaartepunten (itereer) en de napoleontische middelpunten hieronder zijn dus equivariant: transformeer je de driehoek, dan transformeren zij mee. Een gelijkvormigheidsinvariante uitspraak voor één goedgeplaatste driehoek bewijzen bewijst haar dus voor alle — de vergunning die in vraag 21 gebruikt wordt.
11. De top naar buiten toe op is (vraag 3), zodat het middelpunt
is, met en . Dezelfde berekening op de zijden en geeft en (cyclische verschuiving van de rollen).
12. . Bijgevolg is
de twee driehoeken delen hun zwaartepunt.
13. Groepeer naar en en pas de identiteiten van vraag 4 toe op :
14. Met :
dus , en daarmee ; vraag 13 geeft dan voor elke driehoek . Volgens het criterium (vragen 4–5) vormen de middelpunten een directe gelijkzijdige driehoek of één enkel punt: de stelling van Napoleon.
15. De top naar binnen toe is , en de berekening van vraag 11 met verwisselt en : , , . Met de analoge identiteiten en voor volgt
want (vraag 14). De binnenste middelpunten voldoen dus aan het indirecte gelijkzijdigheidscriterium: gelijkzijdig met de tegengestelde oriëntatie (of één punt).
16. Volgens vraag 5, toegepast op het drietal (dat aan het directe criterium voldoet), vallen twee middelpunten samen precies wanneer alle drie samenvallen; en alle drie vallen samen precies wanneer beide criteria gelden, dat wil zeggen wanneer bovendien . Reken als in vraag 13, met de identiteiten en :
Rechtstreeks: , zodat . De buitenste napoleontische driehoek ontaardt dus precies wanneer , dat wil zeggen wanneer een indirecte gelijkzijdige driehoek is — in dat geval wijzen de constructies “naar buiten” allemaal het omgeschreven gebied in en delen ze één middelpunt.
17. Met , , :
Gekwadrateerde zijden: geeft ; geeft ; en geeft nogmaals dezelfde waarde. Alle drie de gekwadrateerde zijden zijn : gelijkzijdig, zoals beloofd.
18. Uitwerken:
en : gelijk.
19. Neem moduli in vraag 18 en pas de driehoeksongelijkheid toe (Propositie 3.2 (4)):
met gelijkheid precies wanneer de twee termen op eenzelfde halfrechte vanuit liggen (het gelijkheidsgeval van de driehoeksongelijkheid).
20. Halvehoekontbinding (Methode 3.11 (4)): , en moduli nemen wist de factoren van modulus uit: .
21. Met en geeft vraag 20
Op de boog is : dan is ; verder is , zodat de tweede sinus positief is, en , zodat de derde negatief is en . Som naar product:
dus : de stelling van van Schooten.
22. In is en , en alle zijden van de gelijkzijdige driehoek hebben lengte , zodat beide leden van Ptolemaeus opleveren. Algebraïsch, met en :
De twee termen zijn gelijk, dus is hun quotiënt : het gelijkheidsgeval van vraag 19, dat precies overeenkomt met .
23. Voor is (vraag 14) ; numeriek is . Evenzo is en . De buitenste napoleontische driehoek van is dus : de oorspronkelijke driehoek gespiegeld door haar zwaartepunt — even groot, een halve slag gedraaid. Een gelijkzijdige driehoek is een vaste vorm van de napoleontische constructie en geen krimpende limiet.
24. (i) Vermenigvuldigen met een getal van modulus als draaiing bouwde de toppen en de middelpunten (vragen 2–3 en 11) en zette afstanden op de cirkel om in sinussen (vraag 20). (ii) De groepsstructuur en de invariante vorm rechtvaardigden het normaliseren van de omgeschreven cirkel tot de eenheidscirkel en van de driehoek tot in vraag 21, via de equivariantie van vraag 10. (iii) De halvehoekontbinding dreef zowel vraag 20 als de som-naar-productstap aan die van Schooten afmaakt.
25. Het woordenboek zet meetkundige uitspraken om in veeltermidentiteiten waarin elke hypothese een vergelijking is: wat het oplevert is mechanisering — de stelling van Napoleon herleid tot , één regel rekenwerk in ; wat het kost is meetkundige zichtbaarheid — de berekening bevestigt, maar laat niet zien waarom de middelpunten zich tot een gelijkzijdige driehoek sluiten. Een eerlijk antwoord luidt dat de identiteit de onvermijdelijkheid van de stelling verklaart (ze geldt identiek in , zodat er geen vernuftige configuratie aan te pas komt), terwijl het plaatje haar inhoud verklaart. Datzelfde woordenboek keert in matrixvorm terug wanneer draaiingen de orthogonale -matrices van Hoofdstuk 21 en Hoofdstuk 23 worden, waar “vermenigvuldigen met ” het prototype van een lineaire isometrie is.