Een heterotroof moet uit zijn voedsel energie en koolstof halen, de aminozuren en vetzuren die hij niet zelf kan maken (Hoofdstuk 16), vitaminen, mineralen en water. Voedsel komt aan als macromoleculen — zetmeel, eiwit, vet — die geen membraan kunnen passeren. Vertering is de hydrolyse daarvan, door enzymen, tot monomeren die klein genoeg zijn om te worden opgenomen: glucose, aminozuren, vetzuren en glycerol, nucleotiden. Absorptie is het transport van die monomeren door het epitheel van de darm naar het bloed of de lymfe. Bij dieren is de vertering extracellulair, in het lumen van een aan beide einden open buis, waardoor voedsel in fasen kan worden verwerkt terwijl het opschuift en de delen van de buis zich kunnen specialiseren.
Biologie · Begrippenlijst