Biology · Boek 1 · Grades 1–9

Biologie basisschool en onderbouw

Biologie basisschool en onderbouw · Grades 1–9

15De stadia van het leven

Zet een familiefoto op een rij: de baby op oma’s schoot, het schoolkind met twee voortanden weg, de neef in de puberteit die opeens groter is dan zijn moeder, de ouders, oma zelf. Eén familie, één middag — en de hele menselijke levenscyclus op één bank. Dit jaar kijken we goed naar die stadia, en naar hoe je het groeien zelf kunt meten.

15.1 De stadia van een mensenleven

Definitie 15.1 (De stadia van het mensenleven)

Een mensenleven doorloopt stadia:

  1. de baby (ruwweg de eerste twee jaar): de snelste groei van allemaal, eerste tandjes, eerste stapjes, eerste woordjes;
  2. het kind: gestage groei, melktanden ingeruild voor blijvende tanden, leren van alles en nog wat;
  3. de puber: een nieuwe stoot van snelle groei, en een lichaam dat van dat van een kind in dat van een volwassene verandert;
  4. de volwassene: de groei in lengte is voorbij; volwassenen kunnen ouders worden;
  5. de ouderdom: het haar wordt wit, de huid rimpelt, de kracht neemt langzaam af — het natuurlijke laatste stadium van de cyclus.

Voorbeeld 15.2 (De bank lezen)

Op de familiebank: de baby (stadium 1), het schoolkind met de gaten in zijn gebit (stadium 2 — de wisseling uit Hoofdstuk 12 in volle gang), de neef van zestien (stadium 3, midden in de stoot), de ouders (stadium 4), oma (stadium 5). Vijf stadia, één familie.

De hele cyclus op één bank: baby, kind, puber, volwassenen, grootmoeder.
De hele cyclus op één bank: baby, kind, puber, volwassenen, grootmoeder.

Opmerking 15.3 (Groeien gaat niet gelijkmatig)

Groeien heeft een ritme: heel snel bij de baby — de lengte neemt in het eerste jaar ongeveer met de helft toe — langzamer en gestaag door de kindertijd heen, weer snel bij de puber, en dan voorbij. Twee stoten met een rustige strook ertussen: dat is de normale vorm van opgroeien.

15.2 Groei meten

Definitie 15.4 (Groeicurve)

Een groeicurve is een verslag van de lengte (of het gewicht), keer op keer gemeten in de loop van de tijd — de streepjes op de deurpost uit Hoofdstuk 4, regelmatig gemaakt en gedateerd. Dokters houden er voor elk kind een bij.

Een groeicurve van geboorte tot volwassenheid: steil bij de baby, gestaag bij het kind, weer steil bij de puber, en dan vlak — het groeien is voorbij.
Een groeicurve van geboorte tot volwassenheid: steil bij de baby, gestaag bij het kind, weer steil bij de puber, en dan vlak — het groeien is voorbij.

Voorbeeld 15.5 (De curve lezen)

Op de curve klimt de lijn in het allereerste jaar ongeveer 25cm25\,\mathrm{cm} — en door de kindertijd heen maar zo’n 6cm6\,\mathrm{cm} per jaar. De twee steile stukken zijn de twee stoten uit Opmerking 15.3; het vlakke einde zegt dat de volwassene niet langer groeit.

Methode 15.6 (Je eigen groeicurve bijhouden)

  1. Meet je lengte zorgvuldig (met de muur en het boek uit de vorige jaren), altijd zonder schoenen;
  2. schrijf de datum en de lengte in een schrift, of zet een streepje op de deurpost en zet er de datum bij;
  3. meet elke paar maanden opnieuw — regelmaat telt zwaarder dan vaak meten;
  4. zet de punten uit om het verhaal te zien: de leeftijd langs de onderkant, de lengte langs de zijkant, zoals in de figuur.

15.3 Dieren en planten hebben ook stadia

Propositie 15.7 (Stadia door de levende wereld heen)

Elk levend wezen doorloopt de stadia van zijn eigen versie van de cyclus — jong, volwassen, oud. Het jonge stadium kan op de volwassene lijken (het kitten, het veulen) of er in niets op lijken (de donderpad, de rups uit Hoofdstuk 8); bij een plant lopen de stadia van zaad naar kiemplantje, jonge plant en bloeiende volwassene. Wat geen van alle kan, is een stadium overslaan of ze achterstevoren doorlopen.

Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen.

Voorbeeld 15.8 (Hoe snel, hoe langzaam)

De snelheden lopen enorm uiteen. Een vlieg is in weken volwassen; een kat in ongeveer een jaar; een mens in bijna twintig jaar; een eik doet er tientallen jaren over voor zijn eerste eikels. Langzaam of snel, de volgorde van de stadia verandert nooit.

Opmerking 15.9 (Ouderdom is een stadium, geen gebrek)

Wit haar en rimpels zijn geen ziekte: het is het laatste stadium van het lichaam, net zo natuurlijk als de eerste tandjes van de baby. Bij veel soorten, en in mensenfamilies, dragen de ouderen wat de jongeren het hardst nodig hebben — ervaring.

15.4 Oefeningen

Oefening 15.1

Noem de vijf stadia van een mensenleven, op volgorde.

Oplossing

Oplossing van Oefening 15.1.

Baby, kind, puber, volwassene, ouderdom.

Oefening 15.2

In welk stadium: (a) vallen de melktanden uit? (b) kan iemand ouder worden? (c) is de groei de snelste van het hele leven?

Oplossing

Oplossing van Oefening 15.2.

(a) In de kindertijd, vanaf ongeveer zes jaar. (b) In het volwassen stadium. (c) In het babystadium — het eerste jaar is het snelste van allemaal.

Oefening 15.3

Wat zijn de twee groeistoten, en wat ligt ertussen?

Oplossing

Oplossing van Oefening 15.3.

De stoot van de baby en de stoot van de puber, met de rustige, gestage groei van de kindertijd ertussen.

Oefening 15.4

Hoe kun je op de groeicurve alleen aan de lijn zien dat een volwassene niet meer groeit?

Oplossing

Oplossing van Oefening 15.4.

De lijn wordt vlak: de leeftijd schuift langs de onderkant door, maar de lengte klimt niet meer.

Oefening 15.5

Hoeveel centimeter klimt de lijn ongeveer tussen 66 en 88 jaar, als je de curve gebruikt? En in het eerste jaar alleen?

Oplossing

Oplossing van Oefening 15.5.

Tussen 66 en 88: van ongeveer 115cm115\,\mathrm{cm} tot ongeveer 127cm127\,\mathrm{cm} — ruwweg 12cm12\,\mathrm{cm} over die twee jaar. In het eerste jaar alleen: van ongeveer 50cm50\,\mathrm{cm} tot ongeveer 75cm75\,\mathrm{cm} — ruwweg 25cm25\,\mathrm{cm}, twee keer zo veel als die twee kinderjaren samen.

Oefening 15.6

Waarom moet je de lengte altijd zonder schoenen meten, elke keer op dezelfde manier? Wat zou er anders mis kunnen gaan?

Oplossing

Oplossing van Oefening 15.6.

Omdat een vergelijking alleen eerlijk is als de metingen op dezelfde manier gedaan zijn. De ene dag schoenen en de volgende sokken, of een slordig schuin boek, zouden “groei” maken (of verbergen) die er nooit geweest is.

Oefening 15.7

Geef de stadia van het leven van een eik, van eikel tot oude boom.

Oplossing

Oplossing van Oefening 15.7.

Eikel (zaad), kiemplantje, jonge eik, volwassen eik die bloeit en eikels draagt, oude eik — en met de tijd de dood.

Oefening 15.8

Probeer het: begin voor jezelf de groeicurve uit Methode 15.6, met het eerste punt van vandaag. In welk stadium van Definitie 15.1 zit jij — en welke stoot ligt nog voor je?

Oplossing

Oplossing van Oefening 15.8.

Open antwoord. Een negenjarige zit in het kindstadium; de stoot van de puberteit ligt nog voor hem.

Oefening 15.9 ★★

Een vlieg, een kat, een mens en een eik doorlopen dezelfde stadia met heel verschillende snelheden. Zet ze op volgorde van snelst naar langzaamst volwassen — en zeg wat alle vier de volgordes van stadia gemeen hebben.

Oplossing

Oplossing van Oefening 15.9.

Vlieg (weken), kat (ongeveer een jaar), mens (bijna twintig jaar), eik (tientallen jaren). Bij alle vier is de volgorde van de stadia dezelfde en kan ze niet worden overgeslagen of achterstevoren doorlopen: jong, volwassen, oud.

Oefening 15.10 ★★

Tom van 99 meet zichzelf twee keer in één maand en vindt “helemaal geen groei”. Moet hij zich zorgen maken? Antwoord met Opmerking 15.3 en de vorm van de curve op zijn leeftijd.

Oplossing

Oplossing van Oefening 15.10.

Nee. Op zijn negende zit hij in de rustige strook van de kindertijd — ongeveer 6cm6\,\mathrm{cm} per jaar, dus een halve centimeter per maand: veel te weinig om te zien tussen twee metingen die een maand uit elkaar liggen. De curve klimt zeker, maar langzaam; hij hoeft alleen een paar maanden tussen zijn punten te laten.

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 479 begrippen in de begrippenlijst