Biology · Boek 1 · Grades 1–9

Biologie basisschool en onderbouw

Biologie basisschool en onderbouw · Grades 1–9

4Mijn lichaam

Ga voor een spiegel staan en zwaai: een heel levend lichaam zwaait terug. Het groeit al van voor je geboorte, het buigt op sommige plekken en op andere niet, en het is je hele leven van jou. Tijd om er zo naar te kijken als we naar de kat en het madeliefje keken — deel voor deel.

4.1 De delen van mijn lichaam

Definitie 4.1 (Delen van het menselijk lichaam)

Het menselijk lichaam heeft drie hoofddelen:

  1. het hoofd, dat het gezicht, de ogen, de oren, de neus en de mond draagt;
  2. de romp, het middenstuk van het lichaam — borst, buik en rug;
  3. de ledematen: twee armen die in handen eindigen, twee benen die in voeten eindigen.

Het hoofd rust op de hals, die het met de romp verbindt.

De drie hoofddelen van het lichaam: hoofd, romp en vier ledematen — met de hals die hoofd en romp verbindt.
De drie hoofddelen van het lichaam: hoofd, romp en vier ledematen — met de hals die hoofd en romp verbindt.

Voorbeeld 4.2 (Hetzelfde plan als de kat?)

Vergelijk jezelf met de kat: kop, romp, vier ledematen — het plan lijkt op elkaar. Maar de kat loopt op alle vier; jij staat op twee benen en houdt twee armen vrij om te dragen, te tekenen en te zwaaien. En waar de kat een staart heeft, heb jij er geen.

4.2 Buigen: de gewrichten

Definitie 4.3 (Gewricht)

Een gewricht is een plaats waar het lichaam kan buigen of draaien. De elleboog buigt de arm, de knie buigt het been, de schouder draait de hele arm, de pols en de enkel buigen de hand en de voet. Tussen twee gewrichten blijft het lichaam recht.

De arm buigt alleen in zijn gewrichten: schouder (blauw) en elleboog (rood). Daartussen blijft hij recht.
De arm buigt alleen in zijn gewrichten: schouder (blauw) en elleboog (rood). Daartussen blijft hij recht.

Voorbeeld 4.4 (Probeer het: lopen met stijve knieën)

Probeer eens te lopen zonder je knieën te buigen. Het lukt — maar net — met stijve kleine eendenpasjes. Probeer nu een potlood van de vloer te rapen zonder knieën, heupen of rug te buigen. Gewrichten maken de bewegingen van het lichaam soepel, snel en gemakkelijk.

Opmerking 4.5 (Rechts en links)

Het lichaam heeft twee kanten, rechts en links, bijna als een spiegel: aan elke kant een arm en een been, aan elke kant van het hoofd een oog en een oor. Je rechterhand van je linkerhand kunnen onderscheiden is ook lichaamskennis — het vertelt anderen welke kant je bedoelt.

4.3 Mijn lichaam groeit

Propositie 4.6 (Opgroeien)

Het lichaam van een kind groeit: het wordt jaar na jaar langer en zwaarder, tot het volwassen is. Groeien gaat langzaam en gestaag — te langzaam om te voelen, gemakkelijk om te meten.

Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen.

Voorbeeld 4.7 (Streepjes op de deurpost)

Ga tegen de deurpost staan; een volwassene zet met een potlood een streepje bij je lengte. Doe het een paar maanden later nog eens: het nieuwe streepje staat hoger! Je hebt jezelf nooit voelen groeien, maar de twee streepjes, het ene boven het andere, laten het duidelijk zien.

Meetdag bij de deurpost: het platte boek brengt de bovenkant van het hoofd recht naar het hout.
Meetdag bij de deurpost: het platte boek brengt de bovenkant van het hoofd recht naar het hout.

Methode 4.8 (Mijn lengte meten)

  1. Doe je schoenen uit;
  2. ga recht staan, met rug en hielen tegen de muur en je blik vooruit;
  3. een helper legt een plat boek waterpas op je hoofd, tegen de muur aan;
  4. zet een streepje onder het boek, en schrijf de datum ernaast.

Als je elke keer op dezelfde manier meet, kun je de streepjes vertrouwen — en vergelijken.

Opmerking 4.9 (Elk lichaam is anders)

In één klas zijn sommige kinderen langer, andere kleiner; sommige groeien vroeger, andere later. Dat is allemaal normaal. Lichamen zijn als gezichten: op hetzelfde plan gebouwd, en elk anders. De streepjes op jouw deurpost zijn van jou — ze zijn er niet om met de buren te wedijveren.

4.4 Oefeningen

Oefening 4.2

Waarin eindigt elk ledemaat — wat zit er aan het eind van een arm, en aan het eind van een been?

Oplossing

Oplossing van Oefening 4.2.

Een arm eindigt in een hand; een been eindigt in een voet.

Oefening 4.3

Welk gewricht buigt: (a) de arm in het midden? (b) het been in het midden? (c) de hand aan het eind van de arm?

Oplossing

Oplossing van Oefening 4.3.

(a) De elleboog. (b) De knie. (c) De pols.

Oefening 4.4

Raak je rechteroor aan met je linkerhand. Welke gewrichten heeft je arm zojuist gebruikt? Noem er minstens twee.

Oplossing

Oplossing van Oefening 4.4.

De schouder heeft de arm dwars gedraaid, de elleboog heeft hem gebogen, en de pols heeft de hand naar het oor gekanteld.

Oefening 4.5

Zoek in Voorbeeld 4.2 één manier waarop jouw lichaam op dat van de kat lijkt en twee manieren waarop het verschilt.

Oplossing

Oplossing van Oefening 4.5.

Hetzelfde: het algemene plan — een hoofd, een lichaam (romp), vier ledematen. Anders: jij staat rechtop op twee benen met twee vrije armen, terwijl de kat op alle vier loopt; en de kat heeft een staart, die jij niet hebt.

Oefening 4.6

Waarom legt de helper in Methode 4.8 een plat boek op je hoofd in plaats van alleen maar te kijken?

Oplossing

Oplossing van Oefening 4.6.

Als je alleen kijkt, schat je de bovenkant van het hoofd schuin in en komt het streepje te hoog of te laag. Het platte boek, waterpas en tegen de muur, brengt de allerhoogste punt van het hoofd recht naar de muur: elke keer dezelfde eerlijke meting.

Oefening 4.7

Twee streepjes op de deurpost: dat van vorig jaar, en dat van vandaag iets hoger. Wat laten de streepjes zien? Heb je het voelen gebeuren?

Oplossing

Oplossing van Oefening 4.7.

Ze laten zien dat je lichaam tussen de twee datums langer geworden is. Nee — groeien gaat te langzaam om te voelen; alleen de streepjes maken het zichtbaar.

Oefening 4.8

Probeer het: loop met stijve knieën zoals in Voorbeeld 4.4, en probeer daarna te klappen zonder je ellebogen te buigen. Welke alledaagse bewegingen blijken gewrichten nodig te hebben?

Oplossing

Oplossing van Oefening 4.8.

Open antwoord: goed lopen, gaan zitten, dingen oprapen, klappen, schrijven — bijna elke beweging blijkt knieën, heupen, ellebogen, schouders of polsen te gebruiken. Zonder gewrichten zou het lichaam bewegen als één stijve stok.

Oefening 4.9 ★★

Mia is de kleinste van haar klas en maakt zich daar zorgen over. Wat antwoordt Opmerking 4.9 haar?

Oplossing

Oplossing van Oefening 4.9.

Dat elk lichaam normaal is op zijn eigen maat en met zijn eigen tempo: sommige kinderen groeien vroeger, andere later, en allemaal bereiken ze hun eigen volwassen maat. Lengtestreepjes zijn er om jezelf te zien groeien, niet om met iemand te wedijveren.

Oefening 4.10 ★★

Een pop van één houten stok kan niet op een stoel zitten. Waar zou jij de stok doorsnijden en draaipunten toevoegen zodat hij kan zitten? Noem de lichaamsgewrichten die jouw sneden nabootsen.

Oplossing

Oplossing van Oefening 4.10.

Snijd bij de heupen (zodat de benen naar voren kunnen buigen om te zitten), bij de knieën (zodat de onderbenen omlaag kunnen hangen), en hij zit nog beter met een snede bij de hals en de schouders om te leunen en te balanceren. De sneden bootsen de gewrichten van het lichaam na: heup, knie, hals, schouder.

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 479 begrippen in de begrippenlijst