Biologie basisschool en onderbouw · Grades 1–9
30Biodiversiteit
Neem één vierkante meter bloemrijke wei en begin te tellen: een stuk of tien soorten planten, kevers en wantsen die niet te tellen zijn, spinnen, slakken, wormen eronder en vlinders erboven. Probeer nu dezelfde vierkante meter bestraat schoolplein. Het verschil tussen die twee tellingen heeft een naam — biodiversiteit — en het is een van de belangrijkste woorden van de biologie geworden.
30.1 De verscheidenheid van het leven
Definitie 30.1 (Soort)
Een soort is één bepaald type levend wezen: alle individuen die op hetzelfde model gebouwd zijn en die zich onderling voortplanten. De huismus is een soort; het madeliefje ook, en de vos, en de tuinslak. De klassen uit Hoofdstuk 21 zijn dozen vol soorten: “zoogdieren” bevat er duizenden.
Definitie 30.2 (Biodiversiteit)
De biodiversiteit van een plek is de verscheidenheid aan leven die er te vinden is — vooral: hoeveel verschillende soorten er leven, en hoe goed het elk ervan gaat. Een bloemrijke wei, rijk aan soorten, heeft een hoge biodiversiteit; een bestraat plein bijna geen.
Voorbeeld 30.3 (De planeet tellen)
Wetenschappers hebben tot nu toe ongeveer twee miljoen soorten benoemd — en ze weten zeker dat dat maar een deel van het totaal is, want elke serieuze expeditie vindt nieuwe soorten: vooral kevers (geen groep heeft meer benoemde soorten), maar ook vissen, kikkers, planten en zelfs af en toe een zoogdier. Het volledige soortenaantal van de aarde is nog onbekend — de meeste schattingen lopen tot miljoenen boven wat benoemd is.
Opmerking 30.4 (Verscheidenheid op elke schaal)
Biodiversiteit laat zich op meerdere schalen tegelijk zien: veel soorten in één leefgebied; veel verschillende leefgebieden naast elkaar (vijver, heg, wei — elk met eigen soorten, zoals Voorbeeld 11.2 liet zien); en, binnen één soort, geen twee individuen helemaal gelijk — geen twee tuinslakken dragen precies hetzelfde huisje. Verscheidenheid binnen verscheidenheid binnen verscheidenheid.
30.2 Waarom biodiversiteit ertoe doet
Propositie 30.5 (Het web heeft zijn draden nodig)
De soorten van een leefgebied voeden, beschutten, bestuiven en ruimen op voor elkaar — het zijn draden van één web (Opmerking 19.9). Een rijk web met veel draden kan een klap opvangen: als één prooisoort wegvalt, stappen haar jagers op andere over. Een arm web scheurt gemakkelijk: elke verloren soort laat de overlevenden minder keuzes. Biodiversiteit is de sterkte van het web.
Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen. ∎
Voorbeeld 30.6 (De boomgaardtest)
Een boomgaard met heggen, bloemenstroken en oude bomen herbergt tientallen helpersoorten: bijen en zweefvliegen bestuiven de bloesem (Opmerking 16.5), lieveheersbeestjes eten de bladluizen, vogels patrouilleren op rupsen, wormen houden de bodem open. Rooi de heggen en maai de bloemen weg, en de helpers vertrekken — de fruitteler moet hun taken dan alleen doen, taken die het web vroeger gratis deed.
Voorbeeld 30.7 (Mensen leven van het web)
Alles wat mensen eten is terug te voeren op levende soorten (Opmerking 22.8); de meeste van onze medicijnen zijn eerst in planten, schimmels en andere levende wezens gevonden; katoen, wol, hout en leer zijn producten van soorten. De draden van het web lopen dwars door elke keuken, apotheek en kledingkast.
30.3 Biodiversiteit kan verloren gaan — en geholpen worden
Propositie 30.8 (Hoe verscheidenheid verloren gaat)
Een soort loopt terug als haar wordt afgenomen waarvan ze afhangt:
- haar leefgebied vernield — de gedempte vijver uit Propositie 11.7, de gerooide heg, de bestrate wei;
- haar omgeving vergiftigd — zwerfafval en chemische stoffen (Propositie 13.4);
- er te veel van weggenomen — overbevist, overgeplukt, overbejaagd.
Een soort die helemaal verdwenen is — overal, voorgoed — is uitgestorven. Uitsterven is niet als een verloren spel: er komt geen volgende ronde.
Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen. ∎
Methode 30.9 (Biodiversiteit helpen, klein beginnend)
De recepten uit Methode 13.6 laten zich opschalen:
- houd en plant verscheidenheid — een heg van vijf struiken is beter dan een schutting, een bloemenstrook beter dan kaal grind;
- laat wilde hoekjes staan: dood hout, bladerhopen en ongemaaid gras zijn leefgebieden (Voorbeeld 13.2);
- help de helpers: nestkastjes, insectenhotels, een vijver hoe klein ook (Voorbeeld 11.8);
- tel wat er om je heen leeft, jaar na jaar — wat geteld wordt, wordt opgemerkt, en wat opgemerkt wordt, wordt beschermd.
Voorbeeld 30.10 (De terugkeer van de ooievaars)
Waar natte weiden hersteld werden en nestpalen werden opgericht, kwamen ooievaars — ooit uit hele streken zo goed als verdwenen — terug om te broeden, en met hen kikkers, libellen en weidebloemen. Soorten keren terug als hun draden opnieuw geknoopt worden: bescherming werkt, en het resultaat is vanaf het dorpsplein te volgen.
30.4 Oefeningen
Oefening 30.1 ★
Wat is een soort? Geef drie voorbeelden uit dit hoofdstuk.
Oplossing
Oplossing van Oefening 30.1.
Eén bepaald type levend wezen — individuen die op hetzelfde model gebouwd zijn en zich onderling voortplanten. Voorbeelden: de huismus, het madeliefje, de vos, de tuinslak.
Oefening 30.2 ★
Wat is biodiversiteit? Vergelijk de wei en het bestrate plein.
Oplossing
Oplossing van Oefening 30.2.
De verscheidenheid aan leven die een plek herbergt — vooral het aantal soorten en hoe gezond die zijn. De bloemrijke wei herbergt tientallen planten- en diersoorten op één vierkante meter: een hoge biodiversiteit. Het bestrate plein herbergt er bijna geen.
Oefening 30.3 ★
Ongeveer hoeveel soorten zijn er tot nu toe benoemd? Waarom is het werkelijke aantal beslist hoger?
Oplossing
Oplossing van Oefening 30.3.
Ongeveer twee miljoen. Omdat elke serieuze expeditie nog steeds onbenoemde soorten vindt — vooral kevers — dus moeten er miljoenen meer bestaan dan er in de catalogus staan.
Oefening 30.4 ★
Noem de drie schalen van verscheidenheid uit Opmerking 30.4, elk met haar voorbeeld.
Oplossing
Oplossing van Oefening 30.4.
Veel soorten in één leefgebied (de vierkante meter wei); veel leefgebieden naast elkaar (vijver, heg, wei); verscheidenheid binnen één soort (geen twee huisjes van tuinslakken helemaal gelijk).
Oefening 30.5 ★
Waarom overleeft een soortenrijk web klappen beter dan een arm web? Gebruik het argument van de jagers die op andere prooi overstappen.
Oefening 30.6 ★
Noem vier helpersoorten van de boomgaard en de gratis taak die elk doet.
Oplossing
Oplossing van Oefening 30.6.
Bijen en zweefvliegen: de bloesem bestuiven. Lieveheersbeestjes: de bladluizen opeten. Vogels: op rupsen patrouilleren. Wormen: de bodem open houden.
Oefening 30.7 ★
Geef de drie manieren waarop een soort terugloopt, met bij elk een voorbeeld. Wat betekent uitgestorven?
Oplossing
Oplossing van Oefening 30.7.
Leefgebied vernield (de gedempte vijver); omgeving vergiftigd (zwerfafval en chemische stoffen); er te veel van weggenomen (overbevissing). Uitgestorven betekent volledig verdwenen — overal, voorgoed.
Oefening 30.8 ★
Probeer het: tel de soorten — planten en dieren, benoemd of beschreven — in één klein vierkantje dat je buiten uitkiest. Tel daarna ter vergelijking een bestraat vierkantje. Jouw twee getallen zijn een meting van biodiversiteit.
Oplossing
Oplossing van Oefening 30.8.
Open antwoord. Een begroeid of beplant vierkantje levert meestal tien of meer soorten op; het bestrate vierkantje bijna nul — het verschil is de meting.
Oefening 30.9 ★★
“Eén keversoort van de duizenden verliezen kan er niet toe doen.” Antwoord met Propositie 30.5 — en met het feit dat niemand alle draden kent die een soort vasthoudt.
Oplossing
Oplossing van Oefening 30.9.
Elke soort is een draad: haar verlies laat elke buur — alles wat haar at, alles wat zij bestoof of opruimde — met minder keuzes achter, en verzwakt het vermogen van het web om de volgende klap op te vangen. En omdat niemand alle draden kent die een soort vasthoudt, kan niemand een verlies vooraf als onschadelijk verklaren; en omdat uitsterven voorgoed is, zou die vergissing nooit ongedaan te maken zijn.
Oefening 30.10 ★★
Het ooievaarsverhaal heet een succes van leefgebiedbescherming en niet van ooievaars één voor één beschermen. Leg het verschil uit met Propositie 11.7 en met wat er naast de ooievaars terugkwam.
Oplossing
Oplossing van Oefening 30.10.
Ooievaars één voor één beschermen zou betekenen dat je vogels bewaakt; natte weiden herstellen bouwde weer op waarvan de ooievaars afhangen — en een leefgebied voedt al zijn bewoners tegelijk, en daarom keerden kikkers, libellen en weidebloemen met de ooievaars terug. Geen leefgebied, geen bewoners; leefgebied hersteld, bewoners terug.
Oefening 30.11 ★★★
Een boomgaardhouder vervangt heggen en bloemenstroken door schuttingen en grind, en moet daarna bijenkasten huren voor de bestuiving en spuiten tegen bladluizen — geld uitgeven aan taken die eerst gratis gedaan werden. Leg met Voorbeeld 30.6 uit wat er werkelijk weggehaald is — en waarom de rekening van het gratis werk van de natuur meestal pas opduikt als dat werk ophoudt.
Oplossing
Oplossing van Oefening 30.11.
Wat weggehaald werd was geen versiering maar een personeelsbestand: de soorten van de heg en de bloemenstrook huisvestten de bestuivers en de plaageters, wier diensten in niemands boekhouding stonden zolang ze gratis waren. Het werk van de natuur is onzichtbare boekhouding — voortdurend, onbetaald, onopgemerkt — dus wordt de prijs ervan precies ontdekt wanneer de werkers uitgezet worden en de taken als rekeningen terugkomen.