Biologie basisschool en onderbouw · Grades 1–9
7Geboren worden, groeien, doodgaan
In de lente staat de kersenboom bij het hek vol bloesem; eronder zoogt een poes haar pasgeboren kittens; en opa laat een foto zien van zichzelf toen hij zo oud was als jij — klein, met gaten in zijn gebit, en toen al dol op kersen. Elk levend wezen legt dezelfde weg af: het begint, het groeit, en op een dag houdt het op. Die weg heet de levenscyclus.
7.1 De stadia van een leven
Definitie 7.1 (Levenscyclus)
De levenscyclus van een levend wezen is de rij stadia die zijn leven doorloopt:
- het wordt geboren — het begin;
- het is jong — het groeit en verandert snel;
- het is volwassen — helemaal uitgegroeid; volwassenen kunnen zelf jongen krijgen;
- het wordt oud, en aan het eind gaat het dood.
Voorbeeld 7.2 (Drie levens, dezelfde weg)
Een kitten wordt geboren, speelt en groeit uit tot een kat, die zelf kittens kan krijgen, en wordt oud. Een kersenpit ontkiemt, de jonge boom wordt jarenlang hoger, de volwassen boom maakt bloesem en kersen, en na vele tientallen jaren gaat hij dood. En jij: baby, kind, en op een dag volwassen. Kitten, kersenboom, kind — dezelfde vier stadia.
Opmerking 7.3 (Waarom het een cyclus heet)
Elk afzonderlijk leven loopt van geboorte tot dood, als een weg met twee einden. Maar vóór het einde krijgen volwassenen jongen, en die jongen beginnen de weg opnieuw. Over vele generaties gezien draait het leven als een wiel — daarom spreken we van een levenscyclus.
7.2 Groeien en veranderen
Propositie 7.4 (Opgroeien is meer dan groter worden)
Terwijl het groeit, verandert een jong levend wezen ook: een baby krijgt tanden, verliest ze en krijgt sterkere terug; het gele dons van een kuiken wordt echte veren; de zachte groene stengel van een jonge boom wordt hard hout. Groeien is groter worden en anders worden.
Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen. ∎
Voorbeeld 7.5 (De fototest)
Op de oude foto’s van opa kun je één mens door alle stadia volgen: baby, schoolkind, jonge man, vader, grootvader. Dezelfde mens, een veranderend lichaam. Foto’s zijn kleine tijdmachines om een levenscyclus te bekijken.
Methode 7.6 (Levensstadia op volgorde zetten)
Als je door elkaar gehusselde plaatjes van het leven van een levend wezen krijgt:
7.3 Elk leven eindigt — en het leven gaat door
Propositie 7.7 (Levensduur)
Verschillende levende wezens leven verschillend lang — een levensduur. Een vlinder leeft misschien een paar weken; een kat en een hond tien tot twintig jaar; een mens vaak meer dan tachtig jaar; sommige bomen honderden jaren. Lang of kort, elk leven heeft een einde.
Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen. ∎
Voorbeeld 7.8 (De oude appelboom)
De kromme oude appelboom achter in de tuin geeft elk jaar minder appels — hij is in zijn ouderdom. Maar in zijn appels zitten pitten, en één geplante pit is al een jonge appelboom die aan de weg begint. Als de oude boom doodgaat, zijn de appelbomen niet verdwenen: zijn jongen gaan verder.
Opmerking 7.9 (Praten over de dood)
Doodgaan hoort bij elke levenscyclus, en het is normaal om daar verdrietig over te zijn — dat zijn mensen ook, vooral om huisdieren en om mensen van wie ze houden. De biologie voegt één troost toe: omdat volwassenen jongen krijgen voordat ze doodgaan, gaat het leven zelf door, cyclus na cyclus.
7.4 Oefeningen
Oefening 7.1 ★
Noem de vier stadia van een levenscyclus, op volgorde.
Oefening 7.2 ★
In welk stadium kan een levend wezen zelf jongen krijgen?
Oefening 7.3 ★
Zet op volgorde, van oudste naar jongste: een schoolkind, een baby, een grootmoeder, een moeder.
Oplossing
Oplossing van Oefening 7.3.
Van oudste naar jongste: de grootmoeder, de moeder, het schoolkind, de baby.
Oefening 7.4 ★
Geef de levenscyclus van de kersenboom uit Voorbeeld 7.2, stadium voor stadium.
Oefening 7.5 ★
Geef twee voorbeelden uit Propositie 7.4 van een jong levend wezen dat verandert terwijl het groeit, en niet alleen maar groter wordt.
Oefening 7.6 ★
Wie leeft meestal het langst: een vlinder, een kat of een eik? Zet de drie op volgorde van levensduur.
Oplossing
Oplossing van Oefening 7.6.
Van kortst naar langst: de vlinder (een paar weken), de kat (tien tot twintig jaar), de eik (honderden jaren).
Oefening 7.7 ★
Waarom gebruiken we het woord cyclus, terwijl elk afzonderlijk leven als een weg van geboorte tot dood loopt? Gebruik de paarse pijl uit de figuur.
Oplossing
Oplossing van Oefening 7.7.
Omdat volwassenen vóór het einde van de weg jongen krijgen, en die jongen de weg opnieuw beginnen — dat is de paarse pijl die terugbuigt. Eén leven is een weg; het leven over de generaties draait als een wiel.
Oefening 7.8 ★
Probeer het: vraag je familie om foto’s van één volwassene op verschillende leeftijden, en leg ze in de volgorde van de levenscyclus met Methode 7.6. Welke stadia laten de foto’s zien? Welk stadium moet nog komen?
Oefening 7.9 ★★
De oude appelboom uit Voorbeeld 7.8 gaat op een dag dood, en toch hoeft de tuin zijn appelbomen niet kwijt te raken. Leg uit waarom, met het woord generatie of met de paarse pijl uit de figuur.
Oplossing
Oplossing van Oefening 7.9.
In de appels van de oude boom zitten pitten — zaden — en elke geplante pit is een jonge appelboom: de volgende generatie. Als de oude boom doodgaat, zetten zijn jongen de cyclus voort, en zo houdt de tuin zijn appelbomen.
Oefening 7.10 ★★
Een kiezel gaat nooit dood. Komt dat doordat hij zo sterk is? Gebruik het idee van levend en niet-levend uit Hoofdstuk 1 om het uit te leggen.
Oplossing
Oplossing van Oefening 7.10.
Nee — het komt doordat de kiezel nooit geleefd heeft. Alleen levende wezens worden geboren, groeien en gaan dood; een kiezel heeft helemaal geen levenscyclus, dus “nooit doodgaan” is geen kracht, het is niet leven.