Mathematics · Boek 5 · Bachelor Year 3

Universitaire wiskunde — Bachelor jaar 3

Universitaire wiskunde — Bachelor jaar 3 · Bachelor Year 3

17Laurentreeksen en de residustelling

Wat gebeurt er met een holomorfe functie nabij een punt waar ze niet gedefinieerd is? Het antwoord is een volledige driedeling — ophefbaar punt, pool of essentiële singulariteit — af te lezen van een tweezijdige machtreeks, de laurentontwikkeling. Eén coëfficiënt van die ontwikkeling, het residu, beheerst elke contourintegraal rond de singulariteit: de residustelling zet moeilijke bepaalde integralen om in eindige algebra, telt de nulpunten van functies (argumentprincipe, Rouché) en bewijst de open-afbeeldingsstelling. We versterken eerst de stelling van Cauchy van stervormige gebieden tot haar definitieve, homologievrije vorm — het elegante argument van Dixon — zodat alle contouren met windingsgetal nul rond het complement beschikbaar worden.

17.1 De globale stelling van Cauchy

Een cykel Γ\Gamma is een eindige formele som van gesloten wegen γ1,,γm\gamma_1, \dots, \gamma_m; integralen en indices langs Γ\Gamma zijn de bijbehorende sommen, en imΓ=imγj\operatorname{im}\Gamma = \bigcup\operatorname{im}\gamma_j.

Stelling 17.1 (Cauchy, globale vorm)

Zij ΩC\Omega \subseteq \C open, fH(Ω)f \in \mathcal H(\Omega) en Γ\Gamma een cykel in Ω\Omega zodanig dat

IndΓ(w)=0voor elke wΩ.\operatorname{Ind}_\Gamma(w) = 0 \qquad\text{voor elke } w \notin \Omega .

Dan is voor alle zΩimΓz \in \Omega\setminus\operatorname{im}\Gamma

12iπΓf(w)wz ⁣dw=IndΓ(z)f(z),enΓf(w) ⁣dw=0.\frac1{2\iu\pi}\int_\Gamma\frac{f(w)}{w - z}\,\dd w = \operatorname{Ind}_\Gamma(z)\,f(z), \qquad\text{en}\qquad \int_\Gamma f(w)\,\dd w = 0 .

Bewijs (Dixon). Definieer g ⁣:Ω×ΩCg \colon \Omega\times\Omega \to \C door

g(z,w)={f(w)f(z)wzwz,f(z)w=z.g(z, w) = \begin{cases} \dfrac{f(w) - f(z)}{w - z} & w \neq z,\\[4pt] f'(z) & w = z . \end{cases}

gg is continu: buiten de diagonaal is dat duidelijk. Nabij een diagonaalpunt (a,a)(a, a) ontwikkel je ff in een machtreeks in aa (Stelling 16.10): f(w)f(z)=n1cn((wa)n(za)n)f(w) - f(z) = \sum_{n\geq1}c_n\bigl((w-a)^n - (z-a)^n\bigr), en elke term door wzw - z delen (ontbinding van unvnu^n - v^n) geeft voor z,wD(a,r)z, w \in D(a, r)

g(z,w)=n1cnj=0n1(wa)j(za)n1j,g(z, w) = \sum_{n\geq1}c_n\sum_{j=0}^{n-1}(w-a)^{\,j}(z-a)^{\,n-1-j},

ook geldig op de diagonaal (elke binnenste som wordt n(za)n1n(z-a)^{n-1}, met som f(z)f'(z)). Voor kleine rr convergeert de reeks uniform op D(a,r)2D(a,r)^2 (termncnrn1\abs{\text{term}} \leq n\abs{c_n}r^{n-1}, sommeerbaar binnen de straal): de som is dus continu.

Stel h(z)=12iπΓg(z,w) ⁣dwh(z) = \frac1{2\iu\pi}\int_\Gamma g(z, w)\,\dd w op Ω\Omega: continu (uniforme continuïteit van gg op compacte verzamelingen) en holomorf — volgens Morera (het criterium in Stelling 16.15): voor een driehoek TΩT \subseteq \Omega geeft Fubini Th=12iπΓ(Tg(z,w) ⁣dz) ⁣dw=0\int_{\partial T}h = \frac1{2\iu\pi}\int_\Gamma\bigl(\int_{\partial T}g(z, w)\dd z\bigr)\dd w = 0, waarbij de binnenste integraal verdwijnt omdat zg(z,w)z \mapsto g(z, w) holomorf is op Ω\Omega (in z=wz = w is de singulariteit ophefbaar: gg is daar continu en elders holomorf — het uitbreidingsargument uit het bewijs van Stelling 16.9).

Definieer op de open verzameling Ω={zimΓ:IndΓ(z)=0}\Omega' = \{z \notin \operatorname{im}\Gamma : \operatorname{Ind}_\Gamma(z) = 0\} h1(z)=12iπΓf(w)wz ⁣dwh_1(z) = \frac1{2\iu\pi}\int_\Gamma\frac{f(w)}{w - z}\dd w: holomorf op Ω\Omega' (Morera, of differentiëren onder de integraal). Voor zΩΩz \in \Omega\cap\Omega' is

h(z)=12iπΓf(w)wz ⁣dwf(z)IndΓ(z)=h1(z).h(z) = \frac1{2\iu\pi}\int_\Gamma\frac{f(w)}{w-z}\dd w - f(z)\operatorname{Ind}_\Gamma(z) = h_1(z) .

Volgens de hypothese is ΩΩ=C\Omega\cup\Omega' = \C (wΩIndΓ(w)=0w \notin \Omega \Rightarrow \operatorname{Ind}_\Gamma(w) = 0), dus lijmen hh en h1h_1 tot een gehele functie HH. Omdat de onbegrensde component van het complement van imΓ\operatorname{im}\Gamma in Ω\Omega' ligt en h1(z)0h_1(z) \to 0 als z\abs z \to \infty (ML-afschatting), is HH begrensd en gaat ze naar 00: Liouville (Gevolg 16.12) geeft H0H \equiv 0. Dus is h0h \equiv 0 op Ω\Omega, en dat is de integraalformule. Pas haar voor vaste aΩimΓa \in \Omega\setminus\operatorname{im}\Gamma toe op f~(w)=(wa)f(w)\tilde f(w) = (w - a)f(w) in z=az = a:

12iπΓf(w) ⁣dw=12iπΓf~(w)wa ⁣dw=IndΓ(a)f~(a)=0.\frac1{2\iu\pi}\int_\Gamma f(w)\dd w = \frac1{2\iu\pi}\int_\Gamma \frac{\tilde f(w)}{w - a}\dd w = \operatorname{Ind}_\Gamma(a)\,\tilde f(a) = 0 .

17.2 Laurentreeksen en geïsoleerde singulariteiten

Stelling 17.2 (Laurentontwikkeling)

Zij ff holomorf op de ring A={r<za<R}A = \{r < \abs{z - a} < R\} (0r<R0 \leq r < R \leq \infty). Dan is

f(z)=nZcn(za)nop A,cn=12iπCρf(w)(wa)n+1 ⁣dwf(z) = \sum_{n\in\Z}c_n\,(z - a)^n \qquad\text{op } A, \qquad c_n = \frac1{2\iu\pi}\int_{C_\rho}\frac{f(w)}{(w - a)^{n+1}}\,\dd w

voor elke r<ρ<Rr < \rho < R (onafhankelijk van ρ\rho), waarbij de twee halve reeksen normaal convergeren op compacte deelringen. De ontwikkeling is uniek.

Bewijs. Leg r<ρ1<za<ρ2<Rr < \rho_1 < \abs{z - a} < \rho_2 < R vast en zij Γ=Cρ2Cρ1\Gamma = C_{\rho_2} - C_{\rho_1} (de buitenste tegen de wijzers van de klok in, de binnenste met de wijzers mee): een cykel in AA met IndΓ(w)=0\operatorname{Ind}_\Gamma(w) = 0 voor alle wAw \notin A (punten binnen de kleine schijf: 11=01 - 1 = 0; buiten de grote: 000 - 0). Volgens Stelling 17.1 geeft IndΓ(z)=10=1\operatorname{Ind}_\Gamma(z) = 1 - 0 = 1

f(z)=12iπCρ2f(w)wz ⁣dw12iπCρ1f(w)wz ⁣dw.f(z) = \frac1{2\iu\pi}\int_{C_{\rho_2}}\frac{f(w)}{w - z}\dd w - \frac1{2\iu\pi}\int_{C_{\rho_1}}\frac{f(w)}{w - z}\dd w .

Ontwikkel de eerste kern als in Stelling 16.10 (machten van zawa\frac{z - a}{w - a}, met modulus <1< 1): het niet-negatieve deel n0cn(za)n\sum_{n\geq0}c_n(z-a)^n. Ontwikkel in de tweede de andere kant op: 1wz=1(za)(1waza)=m0(wa)m(za)m+1\frac{-1}{w - z} = \frac1{(z-a)(1 - \frac{w - a}{z - a})} = \sum_{m\geq0}\frac{(w-a)^m}{(z - a)^{m+1}}, normaal convergent op Cρ1C_{\rho_1}: het negatieve deel n1cn(za)n\sum_{n\leq-1}c_n(z-a)^n met de vermelde coëfficiënten (index n=m1n = -m-1). Onafhankelijkheid van ρ\rho: de integralen voor de coëfficiënt over CρC_{\rho} en CρC_{\rho'} verschillen een Γ\int_\Gamma over een cykel met index nul van de op AA holomorfe f(w)(wa)n+1\frac{f(w)}{(w-a)^{n+1}}: nul, opnieuw volgens Stelling 17.1. Uniciteit: integreer cn(za)n\sum c_n(z-a)^n tegen (za)m1(z - a)^{-m-1} term voor term over CρC_\rho (normale convergentie): alleen n=mn = m overleeft.

Definitie 17.3

Is ff holomorf op een geperforeerde schijf D(a,R){a}D(a, R)\setminus \{a\}, ontwikkel dan volgens Laurent (r=0r = 0). Drie elkaar uitsluitende gevallen:

  • alle cn=0c_n = 0 voor n<0n < 0: een ophefbare singulariteit (de niet-negatieve reeks breidt ff holomorf uit tot aa);
  • cn0c_n \neq 0 voor eindig veel, maar minstens één, n<0n < 0: een pool van orde m=min{n:cn0}m = -\min\{n : c_n \neq 0\}; gelijkwaardig is f=g/(za)mf = g/(z-a)^m met gg holomorf en g(a)0g(a) \neq 0; gelijkwaardig gaat f(z)\abs{f(z)} \to \infty als zaz\to a;
  • oneindig veel negatieve cn0c_n \neq 0: een essentiële singulariteit.

Het residu is Res(f,a)=c1\operatorname{Res}(f, a) = c_{-1}. Een functie die holomorf is op Ω\Omega min een verzameling polen, heet meromorf op Ω\Omega.

Stelling 17.4 (Riemann; Casorati–Weierstrass)

Zij ff holomorf op D(a,R){a}D(a,R)\setminus\{a\}.

  1. (Riemann) Is ff begrensd nabij aa, dan is de singulariteit ophefbaar.
  2. (Casorati–Weierstrass) Is aa essentieel, dan ligt f(D(a,ε){a})f\bigl(D(a,\varepsilon)\setminus\{a\}\bigr) dicht in C\C voor elke ε\varepsilon.

Bewijs. (1) Voor n<0n < 0 en ρ0\rho \to 0: cnMρn1ρρn\abs{c_n} \leq M\rho^{-n-1}\cdot\rho\cdot\rho^{-\,n}\dots volgens ML op CρC_\rho: cn12π2πρMρ(n+1)=Mρn0\abs{c_n} \leq \frac{1}{2\pi}\,2\pi\rho\cdot M\rho^{-(n+1)} = M\rho^{-n} \to 0 (want n>0-n > 0): alle negatieve coëfficiënten verdwijnen. (2) Werd een waarde bb niet benaderd, dan is fbδ\abs{f - b} \geq \delta nabij aa, zodat g=1/(fb)g = 1/(f - b) holomorf en begrensd is nabij aa: ophefbaar volgens (1), en gg breidt uit met waarde cc. Is c0c \neq 0, dan is f=b+1/gf = b + 1/g begrensd nabij aa: ophefbaar — uitgesloten. Is c=0c = 0, dan heeft gg in aa een nulpunt van eindige orde mm (Stelling 16.13; g≢0g \not\equiv 0), en heeft f=b+1/gf = b + 1/g een pool van orde mm: opnieuw uitgesloten.

17.3 De residustelling

Stelling 17.5 (Residustelling)

Zij Ω\Omega open, SΩS \subseteq \Omega eindig, fH(ΩS)f \in \mathcal H(\Omega\setminus S), en Γ\Gamma een cykel in ΩS\Omega\setminus S met IndΓ(w)=0\operatorname{Ind}_\Gamma(w) = 0 voor elke wΩw \notin \Omega. Dan is

12iπΓf(z) ⁣dz=aSIndΓ(a)Res(f,a).\frac{1}{2\iu\pi}\int_\Gamma f(z)\,\dd z = \sum_{a\in S}\operatorname{Ind}_\Gamma(a)\, \operatorname{Res}(f, a) .

Bewijs. Zij voor elke aSa \in S Pa(z)=n1cn(a)(za)nP_a(z) = \sum_{n\leq-1}c_n^{(a)}(z - a)^n het hoofddeel van ff in aa: een reeks die op C{a}\C\setminus\{a\} convergeert (haar straal in 1/(za)1/(z-a) is oneindig: de laurentstaart convergeert voor alle kleine za\abs {z-a} en dus, als machtreeks in (za)1(z-a)^{-1}, overal) en daar holomorf is. Dan heeft g=faSPag = f - \sum_{a\in S}P_a in elk punt van SS een ophefbare singulariteit (haar laurentontwikkeling in aa heeft geen negatief deel: de andere PaP_{a'} zijn holomorf in aa), zodat gg zich holomorf uitbreidt tot Ω\Omega, en Stelling 17.1 geeft Γg=0\int_\Gamma g = 0. Rest nog elke PaP_a te integreren: term voor term (normale convergentie op de compacte imΓ\operatorname{im}\Gamma, die aa mijdt),

12iπΓ(za)n ⁣dz=0 (n2:primitieve (za)n+1n+1),12iπΓ ⁣dzza=IndΓ(a),\frac1{2\iu\pi}\int_\Gamma(z - a)^n\,\dd z = 0 \ (n \leq -2: \text{primitieve } \tfrac{(z-a)^{n+1}}{n+1}), \qquad \frac1{2\iu\pi}\int_\Gamma\frac{\dd z}{z - a} = \operatorname{Ind}_\Gamma(a),

dus 12iπΓPa=c1(a)IndΓ(a)\frac1{2\iu\pi}\int_\Gamma P_a = c_{-1}^{(a)}\operatorname{Ind}_\Gamma(a). Sommeer over aa.

Methode 17.6 (Residuen berekenen)

Enkelvoudige pool: Res(f,a)=limza(za)f(z)\operatorname{Res}(f, a) = \lim_{z\to a}(z - a)f(z); voor f=g/hf = g/h met g(a)0g(a) \neq 0, h(a)=0h(a) = 0 en h(a)0h'(a) \neq 0 is Res=g(a)/h(a)\operatorname{Res} = g(a)/h'(a). Pool van orde mm: Res(f,a)=1(m1)!limza((za)mf(z))(m1)\operatorname{Res}(f, a) = \frac1{(m-1)!}\lim_{z\to a}\bigl((z-a)^mf(z)\bigr)^{(m-1)}. Essentiële singulariteiten: ontwikkel en lees c1c_{-1} af (bijvoorbeeld uit bekende reeksen). Ga altijd na welke polen de contour werkelijk omsluit, en met welke index.

Voorbeeld 17.7 (De vier klassieke integraaltypen)

(a) Rationaal over R\R: sluit voor R ⁣dx1+x4\int_\R\frac{\dd x}{1 + x^4} af met een grote halve cirkel SRS_R in het bovenste halfvlak: de integrand is daar O(R4)O(R^{-4}), dus SR0\int_{S_R} \to 0 (ML), en de residustelling met de polen eiπ/4\eu^{\iu\pi/4} en e3iπ/4\eu^{3\iu\pi/4} (enkelvoudig, met residu 14z3=z4z4=z4\frac1{4z^3} = \frac{z}{4z^4} = -\frac z4 in een pool) geeft

R ⁣dx1+x4=2iπ(eiπ/44e3iπ/44)=π2.\int_\R\frac{\dd x}{1 + x^4} = 2\iu\pi\Bigl(-\frac{\eu^{\iu\pi/4}}4 - \frac{\eu^{3\iu\pi/4}}4\Bigr) = \frac{\pi}{\sqrt2} .

(b) Fouriertype: voor t0t \geq 0 is Reitx1+x2 ⁣dx=2iπRes(eitz1+z2,i)=2iπet2i=πet\int_\R\frac{\eu^{\iu tx}}{1 + x^2}\dd x = 2\iu\pi\operatorname{Res}\bigl(\tfrac{\eu^{\iu tz}}{1+z^2}, \iu\bigr) = 2\iu\pi\frac{\eu^{-t}}{2\iu} = \pi\eu^{-t} — de bovenste halve cirkel werkt omdat daar eitz=etImz1\abs{\eu^{\iu tz}} = \eu^{-t\operatorname{Im}z} \leq 1; reële delen nemen geeft Rcos(tx)1+x2 ⁣dx=πet\int_\R\frac{\cos(tx)}{1+x^2}\dd x = \pi\eu^{-\abs t}, wat de zonder bewijs aangenomen formule van Oefening 10.10 vereffent. (c) Goniometrisch over een periode: substitueer z=eitz = \eu^{\iu t}, cost=z+z12\cos t = \frac{z + z^{-1}}2 en  ⁣dt= ⁣dziz\dd t = \frac{\dd z}{\iu z}: 02π ⁣dta+cost\int_0^{2\pi}\frac{\dd t}{a + \cos t} (a>1a > 1) wordt een residutelling binnen de eenheidscirkel (Oefening 17.2). (d) Reeksen: paar ff met πcot(πz)\pi\cot(\pi z), waarvan de polen de gehele getallen zijn met residu 11: zo sommeert de weekendopgave n2\sum n^{-2} en n4\sum n^{-4}.

De halvecirkelcontour voor ∈t_ℝ x/1 + x4: als R ∈fty draagt de boog O(R-3) bij, en de residustelling telt de twee omsloten polen (blauw). De twee onderste polen (grijs) liggen erbuiten: index 0.
De halvecirkelcontour voor R ⁣dx1+x4\int_\R\frac{\dd x}{1 + x^4}: als RR \to \infty draagt de boog O(R3)O(R^{-3}) bij, en de residustelling telt de twee omsloten polen (blauw). De twee onderste polen (grijs) liggen erbuiten: index 00.

17.4 Het argumentprincipe en de stelling van Rouché

Stelling 17.8 (Argumentprincipe)

Zij ff meromorf op Ω\Omega, met nulpunten zjz_j (van orde mjm_j) en polen pkp_k (van orde μk\mu_k), en γ\gamma een gesloten weg in Ω\Omega die ze alle mijdt, met Indγ=0\operatorname{Ind}_\gamma = 0 buiten Ω\Omega. Dan is

12iπγf(z)f(z) ⁣dz=jmjIndγ(zj)kμkIndγ(pk)\frac1{2\iu\pi}\int_\gamma\frac{f'(z)}{f(z)}\,\dd z = \sum_j m_j\operatorname{Ind}_\gamma(z_j) - \sum_k \mu_k\operatorname{Ind}_\gamma(p_k)

(slechts eindig veel termen zijn 0\neq 0). Voor een enkelvoudige contour tegen de wijzers van de klok in telt de integraal de nulpunten min de polen binnenin, met multipliciteit — en is ze gelijk aan het windingsgetal van de beeldweg fγf\circ\gamma rond 00.

Bewijs. Nabij een nulpunt van orde mm: f=(za)mgf = (z-a)^mg met g(a)0g(a) \neq 0, dus ff=mza+gg\frac{f'}f = \frac m{z - a} + \frac{g'}g met de tweede term holomorf nabij aa: een enkelvoudige pool met residu mm. Nabij een pool van orde μ\mu geeft f=(za)μgf = (z-a)^{-\mu}g residu μ-\mu. Elders is ff\frac{f'}f holomorf. (De nulpunten en polen met index 0\neq 0 liggen in een compact gebied dat door γ\gamma wordt omsloten; volgens de identiteitsstelling zijn ze daar eindig in aantal, want f≢0f \not\equiv 0.) Pas Stelling 17.5 toe. De laatste opmerking: 12iπγff=12iπfγ ⁣dww=Indfγ(0)\frac1{2\iu\pi}\int_\gamma\frac{f'}f = \frac1{2\iu\pi}\int_{f\circ\gamma}\frac{\dd w}w = \operatorname{Ind}_{f\circ\gamma}(0) (substitueer w=f(γ(t))w = f(\gamma(t))).

Stelling 17.9 (Rouché)

Zij f,gf, g holomorf op Ω\Omega, en γ\gamma een gesloten weg met Indγ{0,1}\operatorname{Ind}_\gamma \in \{0,1\}, nul buiten Ω\Omega (een enkelvoudige contour). Is

g(z)<f(z)op imγ,\abs{g(z)} < \abs{f(z)} \qquad \text{op } \operatorname{im}\gamma,

dan hebben ff en f+gf + g evenveel nulpunten (met multipliciteit) in het gebied {Indγ=1}\{\operatorname{Ind}_\gamma = 1\}.

Bewijs. Voor t[0,1]t \in \intcc01 heeft ft=f+tgf_t = f + tg geen nulpunt op imγ\operatorname{im}\gamma (want ftfg>0\abs{f_t} \geq \abs f - \abs g > 0), dus is

N(t)=12iπγft(z)ft(z) ⁣dzN(t) = \frac1{2\iu\pi}\int_\gamma \frac{f_t'(z)}{f_t(z)}\,\dd z

goed gedefinieerd; ze telt de nulpunten in het omsloten gebied (Stelling 17.8; geen polen). NN is continu in tt (de integrand is gezamenlijk continu, de noemers zijn uniform van onderen begrensd — gedomineerde convergentie) en neemt gehele waarden aan: dus constant. Bijgevolg N(0)=N(1)N(0) = N(1).

Gevolg 17.10 (Open-afbeeldingsstelling)

Een niet-constante holomorfe functie op een samenhangende open verzameling is een open afbeelding. In het bijzonder geldt (opnieuw) het maximumprincipe, en heeft een holomorfe bijectie een holomorfe inverse.

Bewijs. Zij f(a)=bf(a) = b; fbf - b heeft in aa een nulpunt van eindige orde m1m \geq 1 (identiteitsstelling: f≢bf \not\equiv b). Kies rr zodat fbf - b geen nulpunt heeft op Dˉ(a,r){a}\bar D(a, r)\setminus\{a\} (geïsoleerde nulpunten) en zij δ=minza=rf(z)b>0\delta = \min_{\abs{z - a} = r}\abs{f(z) - b} > 0. Voor wb<δ\abs{w - b} < \delta is op de cirkel (bw)<δfb\abs{(b - w)} < \delta \leq \abs{f - b}, dus zegt Rouché (fbf - b tegenover de constante bwb - w) dat fwf - w precies mm nulpunten in D(a,r)D(a, r) heeft: elke zulke ww wordt bereikt — f(D(a,r))D(b,δ)f(D(a,r)) \supseteq D(b, \delta): open. Maximumprincipe: een inwendig maximum van f\abs f is onmogelijk voor een niet-constante ff, want haar beeld rond f(a)f(a) bevat punten met grotere modulus. Inverse: een holomorfe bijectie ff is open, dus is f1f^{-1} continu; het nulpunt van ff(a)f - f(a) in aa is enkelvoudig (m2m \geq 2 zou mm originelen van nabije waarden geven — verschillende, want ff' verdwijnt enkel in geïsoleerde punten, zodat nabij aa de mm nulpunten van fwf - w voor generieke kleine ww enkelvoudig en verschillend zijn: in tegenspraak met de injectiviteit); dan is f(a)0f'(a) \neq 0 en convergeert het differentiequotiënt van f1f^{-1}: (f1)(b)=1/f(a)\bigl(f^{-1}\bigr)'(b) = 1/f'(a).

17.5 Oefeningen

Oefening 17.1

Klasseer de singulariteit in 00 en bereken het residu:

sinzz,ez1z2,1z(z1)2,coszz3,e1/z,1sinz.\frac{\sin z}{z},\qquad \frac{\eu^z - 1}{z^2},\qquad \frac{1}{z(z-1)^2},\qquad \frac{\cos z}{z^3},\qquad \eu^{1/z},\qquad \frac1{\sin z} .

Geef ook het residu van de derde in z=1z = 1 en van de laatste in z=πz = \pi.

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.1.

sinzz=1z26+\frac{\sin z}z = 1 - \frac{z^2}6 + \cdots: ophefbaar, residu 00. ez1z2=1z+12+z6+\frac{\eu^z - 1}{z^2} = \frac1z + \frac12 + \frac z6 + \cdots: enkelvoudige pool, residu 11. 1z(z1)2\frac1{z(z-1)^2}: enkelvoudige pool in 00 met residu 1(01)2=1\frac1{(0-1)^2} = 1; dubbele pool in 11 met residu  ⁣d ⁣dz(1z)z=1=1\frac{\dd}{\dd z}\bigl(\frac1z\bigr)\big|_{z=1} = -1. coszz3=1z312z+\frac{\cos z}{z^3} = \frac1{z^3} - \frac1{2z} + \cdots: pool van orde 33, residu 12-\frac12. e1/z=n0znn!\eu^{1/z} = \sum_{n\geq0} \frac{z^{-n}}{n!}: essentieel, residu 11. 1sinz\frac1{\sin z}: enkelvoudige polen in nπn\pi; residu 1cos0=1\frac1{\cos 0} = 1 in 00 en 1cosπ=1\frac1{\cos\pi} = -1 in π\pi (Methode 17.6, de regel g/hg/h').

Oefening 17.2

Bereken voor a>1a > 1, via z=eitz = \eu^{\iu t}:

02π ⁣dta+cost=2πa21.\int_0^{2\pi}\frac{\dd t}{a + \cos t} = \frac{2\pi}{\sqrt{a^2 - 1}} .

Ga het limietgedrag bij a1+a \to 1^+ en aa \to \infty na.

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.2.

Met z=eitz = \eu^{\iu t}, cost=z+z12\cos t = \frac{z + z^{-1}}2 en  ⁣dt= ⁣dziz\dd t = \frac{\dd z}{\iu z}:

02π ⁣dta+cost=z=12 ⁣dzi(z2+2az+1).\int_0^{2\pi}\frac{\dd t}{a + \cos t} = \oint_{\abs z = 1}\frac{2\,\dd z}{\iu\,(z^2 + 2az + 1)} .

De wortels z±=a±a21z_\pm = -a \pm \sqrt{a^2 - 1} voldoen aan z+z=1z_+z_- = 1 met z+<1<z\abs{z_+} < 1 < \abs{z_-}; het residu in z+z_+ is 1z+z=12a21\frac{1}{z_+ - z_-} = \frac1{2\sqrt{a^2-1}}, dus is de integraal 2i2iπ12a21=2πa21\frac2\iu\cdot2\iu\pi\cdot\frac1{2\sqrt{a^2-1}} = \frac{2\pi}{\sqrt{a^2-1}}. Als a1+a \to 1^+ explodeert ze (de integrand piekt in t=πt = \pi); als aa \to \infty gedraagt ze zich als 2πa\frac{2\pi}a, in overeenstemming met  ⁣dta\int\frac{\dd t}a.

Oefening 17.3 ★★

Bereken met halvecirkelcontouren, met verantwoording van de afschattingen op de boog:

Rx21+x6 ⁣dx=π3,R ⁣dx(1+x2)2=π2(waarmee Oefening 14.3 opnieuw volgt).\int_\R\frac{x^2}{1 + x^6}\,\dd x = \frac\pi3, \qquad \int_\R\frac{\dd x}{(1 + x^2)^{2}} = \frac\pi2 \quad\text{(waarmee \text{Oefening 14.3} opnieuw volgt)}.
Oplossing

Oplossing van Oefening 17.3.

Eerste integraal: de bovenste polen van z21+z6\frac{z^2}{1+z^6} zijn p=eiπ/6,i,e5iπ/6p = \eu^{\iu\pi/6}, \iu, \eu^{5\iu\pi/6}; in elk is Res=p26p5=p36p6=p36\operatorname{Res} = \frac{p^2}{6p^5} = \frac{p^3}{6p^6} = -\frac{p^3}6, en p3p^3 neemt de waarden i,i,i\iu, -\iu, \iu aan: som van de residuen i6-\frac{\iu}{6}. De boog is O(R4)O(R)0O(R^{-4})\cdot O(R) \to 0:

Rx2 ⁣dx1+x6=2iπ(i6)=π3.\int_\R\frac{x^2\,\dd x}{1 + x^6} = 2\iu\pi\Bigl(-\frac \iu6\Bigr) = \frac\pi3 .

Tweede: dubbele pool in i\iu van 1(1+z2)2=1(zi)2(z+i)2\frac1{(1+z^2)^2} = \frac1{(z-\iu)^2(z+\iu)^2}:

Res= ⁣d ⁣dz(z+i)2z=i=2(2i)3=28i=i4,R ⁣dx(1+x2)2=2iπ(i4)=π2,\operatorname{Res} = \frac{\dd}{\dd z}\,(z + \iu)^{-2}\Big|_{z=\iu} = \frac{-2}{(2\iu)^3} = \frac{-2}{-8\iu} = -\frac\iu4, \qquad \int_\R\frac{\dd x}{(1+x^2)^2} = 2\iu\pi\cdot\Bigl(-\frac\iu4\Bigr) = \frac\pi2 ,

in overeenstemming met Oefening 14.3(b).

Oefening 17.4 ★★

Bewijs voor t0t \geq 0 en a>0a > 0:

Rcos(tx)x2+a2 ⁣dx=πaeat,\int_\R\frac{\cos(tx)}{x^2 + a^2}\,\dd x = \frac{\pi}{a}\,\eu^{-at},

en leid met inversie de fouriergetransformeerde van xeaxx \mapsto \eu^{-a\abs x} af — vergelijk met Oefening 14.1.

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.4.

Sluit eitzz2+a2\frac{\eu^{\iu tz}}{z^2 + a^2} af in het bovenste halfvlak (t0t \geq 0): daar is eitz=etImz1\abs{\eu^{\iu tz}} = \eu^{-t\operatorname{Im}z} \leq 1, dus draagt de boog O(R2)O(R)0O(R^{-2})\cdot O(R) \to 0 bij. De enige omsloten pool ia\iu a is enkelvoudig met residu eat2ia\frac{\eu^{-at}}{2\iu a}:

Reitxx2+a2 ⁣dx=πaeat,en dusRcos(tx)x2+a2 ⁣dx=πaeat\int_\R\frac{\eu^{\iu tx}}{x^2 + a^2}\dd x = \frac{\pi}{a}\,\eu^{-at}, \qquad\text{en dus}\qquad \int_\R\frac{\cos(tx)}{x^2+a^2}\dd x = \frac\pi a\,\eu^{-a\abs t}

(reëel deel; even in tt). Dat is de tegenhanger via inversie van eax^=2aa2+ξ2\widehat{\eu^{-a\abs x}} = \frac{2a}{a^2+\xi^2} (Oefening 14.1): de twee berekeningen bevestigen elkaar via Stelling 14.5.

Oefening 17.5 ★★

Ontwikkel f(z)=1(z1)(z2)f(z) = \dfrac1{(z-1)(z-2)} in een laurentreeks in elk van de drie gebieden z<1\abs z < 1, 1<z<21 < \abs z < 2 en z>2\abs z > 2. Waarom verschillen de drie ontwikkelingen? Leg uit waarom de coëfficiënt van z1z^{-1} in de tweede en de derde ontwikkeling geen residu van ff in 00 is (ff heeft daar geen singulariteit), en bereken de werkelijke residuen van ff, in 11 en in 22.

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.5.

Partieelbreuken: f=1z21z1f = \frac1{z-2} - \frac1{z-1}. Op z<1\abs z < 1 (Taylor): f=n0(12n1)znf = \sum_{n\geq0}\bigl(1 - 2^{-n-1}\bigr)z^n. Op 1<z<21 < \abs z < 2: 1z2=n0zn2n+1\frac1{z-2} = -\sum_{n\geq0}\frac{z^n}{2^{n+1}} en 1z1=n1zn-\frac1{z-1} = -\sum_{n\geq1}z^{-n}: een echte tweezijdige reeks. Op z>2\abs z > 2: f=n1(2n11)znf = \sum_{n\geq1}\bigl(2^{n-1} - 1\bigr)z^{-n}. De drie verschillen omdat laurentontwikkelingen aan ringen hangen, niet aan punten: elk gebied heeft haar eigen meetkundige ontwikkelingen. De coëfficiënten van z1z^{-1} (1-1 respectievelijk 00) zijn integralen over cirkels die de singulariteiten binnenin omsluiten, geen residuen in 00 (ff is daar holomorf): voor 1<z<21 < \abs z < 2 is de coëfficiënt 1-1 gelijk aan Res(f,1)\operatorname{Res}(f, 1); voor z>2\abs z > 2 is de coëfficiënt 00 gelijk aan Res(f,1)+Res(f,2)=1+1\operatorname{Res}(f,1) + \operatorname{Res}(f,2) = -1 + 1. De residuen van ff zijn: 1-1 in 11 en +1+1 in 22.

Oefening 17.6 ★★

(a) Toon aan dat e1/z\eu^{1/z} in 00 een essentiële singulariteit heeft en ga Casorati–Weierstrass met de hand na: los e1/z=w\eu^{1/z} = w expliciet op voor elke w0w \neq 0 en geef oplossingen willekeurig dicht bij 00. (b) Toon aan dat e1/z\abs{\eu^{1/z}} op elke geperforeerde omgeving van 00 onbegrensd is en dat e1/z\eu^{1/z} toch geen pool heeft: welke limiet faalt?

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.6.

(a) De laurentreeks nzn/n!\sum_nz^{-n}/n! heeft oneindig veel negatieve termen: essentieel. e1/z=w\eu^{1/z} = w oplossen (w0w \neq 0): 1z=logw+iargw+2iπk\frac1z = \log\abs w + \iu\arg w + 2\iu\pi k, dus

zk=1logw+iargw+2iπkk0:z_k = \frac1{\log\abs w + \iu\arg w + 2\iu\pi k} \xrightarrow[k\to\infty]{} 0 :

elke waarde 0\neq 0 wordt nabij 00 oneindig vaak bereikt — sterker dan dichtheid. (b) Langs z=1/xz = 1/x met x+x \to +\infty: ex\eu^x \to \infty; langs z=i/yz = \iu/y: modulus 11. Een pool vereist f(z)\abs{f(z)} \to \infty langs elke nadering: hier bestaat de limiet eenvoudigweg niet, ook niet in [0,+][0, +\infty].

Oefening 17.7 ★★

Tel met Rouché: (a) de nulpunten van z74z3+z1z^7 - 4z^3 + z - 1 in z<1\abs z < 1; (b) de nulpunten van z4+5z+1z^4 + 5z + 1 in z<1\abs z < 1 en in 1<z<21 < \abs z < 2; (c) bewijs d’Alembert–Gauss opnieuw: een monische veelterm van graad nn heeft nn nulpunten in een grote schijf (vergelijk met znz^n).

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.7.

(a) Op z=1\abs z = 1: z7+z13<4=4z3\abs{z^7 + z - 1} \leq 3 < 4 = \abs{-4z^3}. Rouché met f=4z3f = -4z^3 en g=z7+z1g = z^7 + z - 1: drie nulpunten in de schijf. (b) Op z=1\abs z = 1: z4+12<5=5z\abs{z^4 + 1} \leq 2 < 5 = \abs{5z}: één nulpunt in z<1\abs z < 1. Op z=2\abs z = 2: 5z+111<16=z4\abs{5z + 1} \leq 11 < 16 = \abs{z^4}: vier nulpunten in z<2\abs z < 2. Dus drie nulpunten in de ring. (c) Voor P=zn+an1zn1+P = z^n + a_{n-1}z^{n-1} + \dots: op z=R>1+ak\abs z = R > 1 + \sum\abs{a_k} is Pzn(ak)Rn1<Rn=zn\abs{P - z^n} \leq \bigl(\sum\abs{a_k}\bigr)R^{n-1} < R^n = \abs{z^n}: dus heeft PP precies nn nulpunten in D(0,R)D(0, R) — d’Alembert–Gauss met multipliciteit, door louter te tellen.

Oefening 17.8 ★★★

(Hurwitz) Zij fnff_n \to f uniform op compacte verzamelingen, met fnH(Ω)f_n \in \mathcal H(\Omega), Ω\Omega samenhangend en f≢0f \not\equiv 0. (a) Toon aan dat als alle fnf_n nulpuntvrij zijn, ff dat ook is. (Is f(a)=0f(a) = 0: het argumentprincipe op een kleine cirkel rond aa, en Stelling 16.15 om in fn/fn\int f_n'/f_n naar de limiet over te gaan.) (b) Toon aan dat als alle fnf_n injectief zijn, ff injectief of constant is. (Pas (a) toe op zfn(z)fn(w)z \mapsto f_n(z) - f_n(w) op Ω{w}\Omega\setminus\{w\}.)

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.8.

(a) Stel f(a)=0f(a) = 0 met f≢0f \not\equiv 0: kies rr zodat ff geen nulpunt heeft op de cirkel C=D(a,r)C = \partial D(a, r) (geïsoleerde nulpunten) en zij m=minCf>0m = \min_C\abs f > 0. Volgens Stelling 16.15 convergeren fnff_n \to f en fnff_n' \to f' uniform op CC; voor grote nn is fnm/2\abs{f_n} \geq m/2 op CC, dus

12iπCfnfn12iπCff1\frac1{2\iu\pi}\int_C\frac{f_n'}{f_n} \longrightarrow \frac1{2\iu\pi}\int_C\frac{f'}{f} \geq 1

(de limiet telt het nulpunt aa; de convergentie omdat de tellers uniform convergeren en de noemers uniform van onderen begrensd zijn). Het linkerlid is een geheel getal dat de nulpunten van fnf_n in de schijf telt: het moet uiteindelijk 1\geq 1 zijn — in tegenspraak met de nulpuntvrijheid. Dus is ff nulpuntvrij.

(b) Leg wΩw \in \Omega vast en pas (a) toe op de samenhangende open verzameling Ω{w}\Omega\setminus\{w\} (een punt uit een open samenhangende deelverzameling van C\C verwijderen behoudt de samenhang) op gn(z)=fn(z)fn(w)g_n(z) = f_n(z) - f_n(w), daar nulpuntvrij wegens de injectiviteit, met limiet g=ff(w)g = f - f(w). Is ff niet constant, dan is g≢0g \not\equiv 0 op Ω{w}\Omega\setminus\{w\}, dus is gg daar nulpuntvrij: f(z)f(w)f(z) \neq f(w) voor alle zwz \neq w. Omdat ww willekeurig was, is ff injectief.

Oefening 17.9 ★★★

Integreer voor n2n \geq 2 11+zn\frac1{1 + z^n} over de rand van de sector {0argz2πn, zR}\{0 \leq \arg z \leq \frac{2\pi}n,\ \abs z \leq R\} en leid af dat

0+ ⁣dx1+xn=πnsin(π/n).\int_0^{+\infty}\frac{\dd x}{1 + x^n} = \frac{\pi}{n\,\sin(\pi/n)} .

Controleer n=2n = 2 tegen arctan\arctan, en de limiet nn \to \infty.

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.9.

De rand van de sector bestaat uit [0,R][0, R], de boog ARA_R en de omgekeerd doorlopen straal e2iπ/n[0,R]\eu^{2\iu\pi/n}[0, R]. Binnenin ligt de enige pool p=eiπ/np = \eu^{\iu\pi/n} van 11+zn\frac1{1+z^n}, met residu 1npn1=pnpn=pn\frac1{np^{n-1}} = \frac{p}{np^n} = -\frac pn. Op de terugstraal geeft z=e2iπ/nxz = \eu^{2\iu\pi/n}x dat zn=xnz^n = x^n en  ⁣dz=e2iπ/n ⁣dx\dd z = \eu^{2\iu\pi/n}\dd x; de boog is O(Rn)O(R)0O(R^{-n})\cdot O(R) \to 0. Bijgevolg is

(1e2iπ/n)0 ⁣dx1+xn=2iπ(eiπ/nn),dus0 ⁣dx1+xn=2iπn(eiπ/neiπ/n)=πnsin(π/n).\bigl(1 - \eu^{2\iu\pi/n}\bigr) \int_0^\infty\frac{\dd x}{1 + x^n} = 2\iu\pi\Bigl(-\frac{\eu^{\iu\pi/n}}n\Bigr), \quad\text{dus}\quad \int_0^\infty\frac{\dd x}{1+x^n} = \frac{2\iu\pi}{n\,\bigl(\eu^{\iu\pi/n} - \eu^{-\iu\pi/n}\bigr)} = \frac{\pi}{n\sin(\pi/n)} .

n=2n = 2: π2sin(π/2)=π2=[arctan]0\frac\pi{2\sin(\pi/2)} = \frac\pi2 = [\arctan]_0^\infty. Als nn \to \infty gaat de waarde naar 11, en inderdaad gaat de integrand naar 1[0,1)\mathbf 1_{\intco01} (met de dominant min(1,x2)\min(1, x^{-2}) voor n2n \geq 2).

Oefening 17.10 ★★

Zij ff een rationale functie met deg(noemer)deg(teller)+2\deg(\text{noemer}) \geq \deg(\text{teller}) + 2. Toon aan dat de som van alle residuen van ff nul is (integreer over steeds grotere cirkels). Gebruik dat om de splitsing in partieelbreuken van 1z(z1)(z2)\frac1{z(z-1)(z-2)} opnieuw te berekenen zonder lineaire algebra.

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.10.

Op z=R\abs z = R groot is fCR2\abs f \leq C R^{-2}: CRf2πRCR20\abs{\oint_{C_R} f} \leq 2\pi R\cdot CR^{-2} \to 0. Maar voor RR voorbij alle polen geeft de residustelling CRf=2iπalle pRes(f,p)\oint_{C_R}f = 2\iu\pi\sum_{\text{alle }p}\operatorname{Res}(f, p): dus verdwijnt de totale som. Voor f=1z(z1)(z2)f = \frac1{z(z-1)(z-2)}: de residuen zijn 1(1)(2)=12\frac1{(-1)(-2)} = \frac12 in 00, 11(1)=1\frac1{1\cdot(-1)} = -1 in 11 en 121=12\frac1{2\cdot1} = \frac12 in 22 — met som 00, zoals voorspeld, en

1z(z1)(z2)=1/2z1z1+1/2z2:\frac1{z(z-1)(z-2)} = \frac{1/2}{z} - \frac1{z - 1} + \frac{1/2}{z-2} :

de residuen zijn de coëfficiënten van de partieelbreuken, en de identiteit met som nul levert een gratis consistentiecontrole (of bepaalt de laatste coëfficiënt uit de andere).

Oefening 17.11 ★★★

(Het sleutelgat: de reflectie-integraal van Euler) Bereken voor 0<a<10 < a < 1

I(a)=0xa11+x ⁣dx=πsin(πa)I(a) = \int_0^{\infty}\frac{x^{a-1}}{1 + x}\,\dd x = \frac{\pi}{\sin(\pi a)}

door f(z)=za11+z=e(a1)logz1+zf(z) = \frac{z^{a-1}}{1+z} = \frac{\eu^{(a-1)\log z}}{1 + z} (de logaritme gesneden langs R+\R_+, met argz(0,2π)\arg z \in \intoo0{2\pi}) te integreren over de sleutelgatcontour: naar buiten langs de bovenkant van de snede van ε\varepsilon tot RR, rond CRC_R, terug onder de snede, rond CεC_\varepsilon. Verantwoord: de twee rechte stukken verschillen de factor e2iπ(a1)\eu^{2\iu\pi(a-1)}, de bijdragen van de cirkels verdwijnen (Ra1R0R^{a-1}\cdot R \to 0 en εa1ε0\varepsilon^{a-1}\cdot\varepsilon \to 0), en de enige pool z=1z = -1 heeft residu eiπ(a1)\eu^{\iu\pi(a - 1)}. Leid ook Γ(a)Γ(1a)=πsinπa\Gamma(a)\Gamma(1 - a) = \frac\pi{\sin\pi a} af (schrijf Γ(a)Γ(1a)=B(a,1a)\Gamma(a)\Gamma(1-a) = B(a, 1-a) volgens Probleem 10.1 en substitueer t=x1+xt = \frac{x}{1+x}).

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.11.

Op het sleutelgat is, met de gekozen bepaling, net boven de snede logz=lnx\log z = \ln x en net eronder logz=lnx+2iπ\log z = \ln x + 2\iu\pi. De vier stukken geven

(1e2iπ(a1))εRxa11+x ⁣dx+CR+Cε=2iπRes(f,1).\Bigl(1 - \eu^{2\iu\pi(a-1)}\Bigr)\int_\varepsilon^R \frac{x^{a-1}}{1+x}\dd x + \int_{C_R} + \int_{C_\varepsilon} = 2\iu\pi\operatorname{Res}(f, -1) .

Bogen: fRa1R1\abs{f} \leq \frac{R^{a-1}}{R - 1} op CRC_R, met lengte 2πR2\pi R: bijdrage O(Ra1)0O(R^{a-1}) \to 0 (want a<1a < 1); en fεa11ε\abs f \leq \frac{\varepsilon^{a-1}}{1 - \varepsilon} op CεC_\varepsilon, met lengte 2πε2\pi\varepsilon: O(εa)0O(\varepsilon^a) \to 0 (want a>0a > 0). Residu: in z=1=eiπz = -1 = \eu^{\iu\pi} is Res=e(a1)iπ\operatorname{Res} = \eu^{(a-1)\iu\pi}. Bijgevolg is

I(a)=2iπeiπ(a1)1e2iπ(a1)=2iπeiπ(a1)eiπ(a1)=πsin(π(a1))=πsinπa.I(a) = \frac{2\iu\pi\,\eu^{\iu\pi(a-1)}}{1 - \eu^{2\iu\pi(a-1)}} = \frac{2\iu\pi}{\eu^{-\iu\pi(a-1)} - \eu^{\iu\pi(a-1)}} = \frac{\pi}{-\sin(\pi(a-1))} = \frac{\pi}{\sin\pi a} .

Reflectie van de gammafunctie: B(a,1a)=01ta1(1t)a ⁣dtB(a, 1-a) = \int_0^1t^{a-1}(1-t)^{-a}\dd t; de substitutie t=x1+xt = \frac x{1+x}, 1t=11+x1 - t = \frac1{1+x},  ⁣dt= ⁣dx(1+x)2\dd t = \frac{\dd x}{(1+x)^2} maakt daarvan 0xa11+x ⁣dx=I(a)\int_0^\infty \frac{x^{a-1}}{1+x}\dd x = I(a), en de formule van Euler B(a,1a)=Γ(a)Γ(1a)/Γ(1)B(a, 1-a) = \Gamma(a)\Gamma(1-a)/\Gamma(1) (Probleem 10.1) geeft Γ(a)Γ(1a)=πsinπa\Gamma(a)\Gamma(1-a) = \frac\pi{\sin\pi a} — in het bijzonder opnieuw Γ(12)=π\Gamma(\tfrac12) = \sqrt\pi.

Oefening 17.12 ★★

(Nulpunten tellen met het argumentprincipe, numeriek) Zij P(z)=z4+8z+1P(z) = z^4 + 8z + 1. (a) Hoeveel nulpunten in de eenheidsschijf? (Rouché tegen 8z+18z + 1.) (b) Hoeveel in de ring 1<z<31 < \abs z < 3? (Rouché tegen z4z^4 op z=3\abs z = 3.) Scherp aan: toon aan dat elk nulpunt modulus <2.1< 2.1 heeft. (c) Hoeveel in het rechterhalfvlak? (Tel eerst op z=2\abs z = 2; volg daarna het beeld van de imaginaire as: P(it)=t4+1+8itP(\iu t) = t^4 + 1 + 8\iu t heeft overal een positief reëel deel, dus geen nulpunten op de as, en de argumentvariatie erlangs is berekenbaar — besluit met een grote halve schijf.)

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.12.

(a) Op z=1\abs z = 1: z4=1<78z+1\abs{z^4} = 1 < 7 \leq \abs{8z + 1} (want 8z1=7\abs{8z} - 1 = 7): PP heeft evenveel nulpunten in D\mathbb D als 8z+18z + 1, namelijk één (in 18-\frac18).

(b) Op z=3\abs z = 3: 8z+125<81=z4\abs{8z + 1} \leq 25 < 81 = \abs{z^4}: Rouché tegen z4z^4 geeft alle vier nulpunten in z<3\abs z < 3, dus 41=34 - 1 = 3 nulpunten in de ring 1<z<31 < \abs z < 3. Aanscherping: een nulpunt met z=r2.1\abs z = r \geq 2.1 zou voldoen aan r4=8z+18r+1r^4 = \abs{8z + 1} \leq 8r + 1, maar r48r1r^4 - 8r - 1 is stijgend voor r2r \geq 2 en is gelijk aan 19.4516.81=1.65>019.45 - 16.8 - 1 = 1.65 > 0 bij r=2.1r = 2.1: onmogelijk. De drie buitenste nulpunten liggen dus in 1<z<2.11 < \abs z < 2.1. (Numeriek: een reëel nulpunt nabij 1.95-1.95 en een toegevoegd paar nabij 1.04±1.73i1.04 \pm 1.73\iu, met modulus 2.022.02 — en daarom moet een poging met Rouché op straal precies 22 mislukken: de stelling eist strikte overheersing, en de nulpunten zitten er net buiten.)

(c) Geen nulpunten op iR\iu\R: ReP(it)=t4+11\operatorname{Re}P(\iu t) = t^4 + 1 \geq 1. Nulpunten in het rechterhalfvlak: gebruik het argumentprincipe op de rand van de halve schijf {zR, Rez0}\{\abs z \leq R,\ \operatorname{Re}z \geq 0\}. Op de grote boog draait argPargz4\arg P \approx \arg z^4 over 4π=2π24\cdot\pi = 2\pi\cdot2 (de boog overspant hoek π\pi). Langs de imaginaire as van iR\iu R naar iR-\iu R blijft P(it)=(t4+1)+8itP(\iu t) = (t^4 + 1) + 8\iu t in het rechterhalfvlak (Re>0\operatorname{Re} > 0), dus varieert argP\arg P binnen (π/2,π/2)\intoo{-\pi/2}{\pi/2} en keert ze terug met een nettoverandering die naar 00 gaat als RR \to \infty (beide eindpunten argt4=0\approx \arg t^4 = 0). Totale winding: 4π+02π=2\frac{4\pi + 0} {2\pi} = 2: dus twee nulpunten in het rechterhalfvlak — in overeenstemming met de numeriek: het toegevoegde paar 1.04±1.73i\approx 1.04 \pm 1.73\iu heeft een positief reëel deel, de reële nulpunten 0.125\approx -0.125 en 1.96\approx -1.96 een negatief.

17.6 Probleem: ζ(2k)\zeta(2k) met de cotangens

Probleem 17.1

Weekendopgave — n2k\sum n^{-2k} sommeren met residuen

De residustelling sommeert reeksen: een rationale functie paren met πcot(πz)\pi\cot(\pi z), waarvan de polen in de gehele getallen liggen, maakt van nf(n)\sum_{n}f(n) een residutelling. We bewijzen de methode en berekenen ζ(2)=π26\zeta(2) = \frac{\pi^2}{6} en ζ(4)=π490\zeta(4) = \frac{\pi^4}{90} — de waarden die in het volume van bachelorjaar 2 met fourierreeksen en in Hoofdstuk 15 met operatorsporen werden gevonden, nu met contourintegratie.

Deel I — De cotangenskern.

  1. Toon aan dat πcot(πz)\pi\cot(\pi z) meromorf is op C\C, met enkelvoudige polen precies in z=nZz = n \in \Z, elk met residu 11 (bereken limzn(zn)πcotπz\lim_{z\to n}(z-n)\pi\cot\pi z).
  2. Bereken het begin van de laurentontwikkeling in 00:

    πcot(πz)=1zπ23zπ445z3+O(z5),\pi\cot(\pi z) = \frac1z - \frac{\pi^2}{3}\,z - \frac{\pi^4}{45}\,z^3 + O(z^5) ,

    door de machtreeks van cos\cos door die van sin\sin te delen (verantwoord de deling: sinπzπz\frac{\sin\pi z}{\pi z} is holomorf en 0\neq 0 nabij 00, dus is haar omgekeerde holomorf; identificeer de coëfficiënten tot en met orde 33).

  3. Zij CNC_N de rand van het vierkant met hoekpunten (±1±i)(N+12)(\pm1\pm\iu)(N + \frac12). Toon aan dat cot(πz)2\abs{\cot(\pi z)} \leq 2 op CNC_N voor elke N1N \geq 1. (Op de verticale zijden is cot(π(±(N+12)+iy))=tan(iπy)\cot(\pi(\pm(N + \frac12) + \iu y)) = \mp\tan(\iu\pi y), met modulus tanh(πy)1\abs{\tanh(\pi y)} \leq 1; op de horizontale zijden, waar y=N+12\abs y = N + \frac12, schat je cot(π(x±iy))coth(πy)coth(π/2)<1.1\abs{\cot(\pi(x\pm\iu y))} \leq \coth(\pi y) \leq \coth(\pi/2) < 1.1 af.)

Deel II — De sommatiestelling.

  1. Zij ff rationaal en holomorf in de gehele getallen, met deg(noemer)deg(teller)+2\deg(\text{noemer}) \geq \deg(\text{teller}) + 2. Bewijs met de residustelling op CNC_N en de afschatting van vraag 3:

    limN n=NNf(n)=p pool van fRes(πcot(πz)f(z),p).\lim_{N\to\infty}\ \sum_{n = -N}^{N} f(n) = -\sum_{p\ \text{pool van}\ f} \operatorname{Res}\bigl(\pi\cot(\pi z)f(z),\,p\bigr).
  2. Waar heeft het argument de graadvoorwaarde nodig? Toon met een voorbeeld (neem f(z)=1/(z+12)f(z) = 1/(z + \frac12)) aan dat bij trager verval de symmetrische limiet nog kan bestaan terwijl de tweezijdige reeks divergeert — en dat de formule dan de hoofdwaarde berekent.

Deel III — De waarden.

  1. Pas de methode toe op f(z)=1/z2f(z) = 1/z^2: hier ligt de pool van ff in een geheel getal, dus voer je het argument rechtstreeks uit — integreer g(z)=πcot(πz)z2g(z) = \frac{\pi\cot(\pi z)}{z^2} over CNC_N, toon aan dat de integraal naar 00 gaat, en bereken Res(g,0)\operatorname{Res}(g, 0) met vraag 2. Besluit:

    2n11n2=π23,ζ(2)=π26.2\sum_{n\geq1}\frac1{n^2} = \frac{\pi^2}{3}, \qquad \zeta(2) = \frac{\pi^2}6 .
  2. Idem met g(z)=πcot(πz)z4g(z) = \frac{\pi\cot(\pi z)}{z^4}: bereken Res(g,0)\operatorname{Res}(g, 0) en leid ζ(4)=π490\zeta(4) = \frac{\pi^4}{90} af.
  3. Verklaar het algemene patroon: voor elke k1k \geq 1 is ζ(2k)\zeta(2k) gelijk aan 12-\frac12 maal de coëfficiënt van z2k1z^{2k-1} in de laurentontwikkeling van πcot(πz)\pi\cot(\pi z) in 00 — een rationaal veelvoud van π2k\pi^{2k}. Bereken ζ(6)\zeta(6) door de deling van vraag 2 één stap verder te duwen. Wat zegt de methode over ζ(3)\zeta(3) — en waarom zegt ze niets?

Deel IV — De partieelbreuksplitsing van de cotangens.

  1. Leg wCZw \in \C\setminus\Z vast en pas de methode van Deel II toe op f(z)=1(zw)(z+w)f(z) = \dfrac{1}{(z - w)(z + w)} — merk op dat πcot(πz)f(z)\pi\cot(\pi z)f(z) nu extra enkelvoudige polen in ±w\pm w heeft, waarvan de residuen mee moeten tellen. Leid de partieelbreuksplitsing

    πcot(πw)=1w+n12ww2n2\pi\cot(\pi w) = \frac1w + \sum_{n\geq1}\frac{2w}{w^2 - n^2}

    af, waarbij de reeks normaal convergeert op compacte deelverzamelingen van CZ\C\setminus\Z.

  2. Vind uit deze ontwikkeling, door elke term in machten van ww te ontwikkelen (verantwoord het verwisselen), dezelfde laurentcoëfficiënten terug als in vraag 2 — de cirkel sluit zich: de formule van Euler 1n2=π26\sum\frac1{n^2} = \frac{\pi^2}6 is de coëfficiënt van ww in de twee gezichten van de cotangens. Vergelijk met het bewijs met fourierreeksen (volume van bachelorjaar 2) en dat met het spoor (Probleem 15.1): drie theorieën, één getal.

Deel V — Het product van Euler voor de sinus. De ontwikkeling van vraag 9 is de logaritmische afgeleide van een oneindig product; we bewijzen nu eerlijk de ontbinding die Euler in 1734 vond.

  1. Stel voor N1N \geq 1 PN(z)=zn=1N(1z2n2)P_N(z) = z\prod_{n=1}^{N}\bigl(1 - \frac{z^2}{n^2}\bigr). Toon aan dat PNP_N uniform op elke schijf Dˉ(0,R)\bar D(0, R) convergeert naar een gehele functie PP waarvan de nulpunten precies de gehele getallen zijn, alle enkelvoudig. (Schrijf voor n2Rn \geq 2R de factor als explog(1z2/n2)\exp\log(1 - z^2/n^2) met de hoofdlogaritme van Oefening 16.3, schat log(1+u)2u\abs{\log(1+u)} \leq 2\abs u af voor u12\abs u \leq \frac12 met de reeks, en exponentieer de normaal convergente som van logaritmen; de eindig veel resterende factoren vormen een veelterm. Besluit met Stelling 16.15.)
  2. Toon aan dat op CZ\C\setminus\Z

    P(z)P(z)=1z+n12zz2n2=πcot(πz)\frac{P'(z)}{P(z)} = \frac1z + \sum_{n\geq1}\frac{2z}{z^2 - n^2} = \pi\cot(\pi z)

    (differentieer de eindige producten, ga met Stelling 16.15 en de nulpuntvrijheid van PP buiten Z\Z naar de limiet, en citeer vraag 9).

  3. Toon aan dat Q=sin(πz)/P(z)Q = \sin(\pi z)/P(z) zich uitbreidt tot een nulpuntvrije gehele functie met Q=0Q' = 0, en besluit tot het product van Euler:

    sin(πz)=πzn1(1z2n2)(zC).\sin(\pi z) = \pi z\prod_{n\geq1} \Bigl(1 - \frac{z^2}{n^2}\Bigr) \qquad (z \in \C) .
  4. (Wallis, 1655) Evalueer in z=12z = \frac12:

    π2=n14n24n21=limN2244(2N)(2N)1335(2N1)(2N+1).\frac\pi2 = \prod_{n\geq1}\frac{4n^2}{4n^2 - 1} = \lim_{N\to\infty} \frac{2\cdot2\cdot4\cdot4\cdots(2N)(2N)} {1\cdot3\cdot3\cdot5\cdots(2N-1)(2N+1)} .
  5. Ontwikkel voor z<1\abs z < 1 de logaritme van het product als dubbele reeks (verantwoord de herschikking) en vind ζ(2)=π26\zeta(2) = \frac{\pi^2}6 terug door de coëfficiënt van z3z^3 te vergelijken in sin(πz)=πzπ36z3+\sin(\pi z) = \pi z - \frac{\pi^3}6z^3 + \cdots — het gezicht van Eulers getal aan de kant van het product.

Deel VI — Zusterkernen. De cotangens heeft zussen; elk beprijst haar eigen familie reeksen.

  1. Differentieer de ontwikkeling van vraag 9 term voor term (verantwoord met Stelling 16.15) om, normaal op compacte deelverzamelingen van CZ\C\setminus\Z, te verkrijgen

    π2sin2(πz)=nZ1(zn)2.\frac{\pi^2}{\sin^2(\pi z)} = \sum_{n\in\Z}\frac1{(z - n)^2} .
  2. Evalueer in z=12z = \frac12: m01(2m+1)2=π28\sum_{m\geq0}\frac1{(2m+1)^2} = \frac{\pi^2}8; vind ζ(2)\zeta(2) nog eens terug door de gehele getallen naar pariteit te splitsen.
  3. Ga de verdubbelingsidentiteit tanθ=cotθ2cot(2θ)\tan\theta = \cot\theta - 2\cot(2\theta) na en leid af dat

    πtan(πz)=m08z(2m+1)24z2,\pi\tan(\pi z) = \sum_{m\geq0}\frac{8z}{(2m+1)^2 - 4z^2} ,

    normaal op compacte verzamelingen die 12+Z\frac12 + \Z mijden.

  4. Ontwikkel rond 00 (z<12\abs z < \frac12; opnieuw Fubini): met λ(s)=m0(2m+1)s\lambda(s) = \sum_{m\geq0}(2m+1)^{-s} is

    πtan(πz)=k084kλ(2k+2)z2k+1;\pi\tan(\pi z) = \sum_{k\geq0}8\cdot4^k\,\lambda(2k+2)\,z^{2k+1} ;

    vergelijk met tanu=u+u33+O(u5)\tan u = u + \frac{u^3}3 + O(u^5) om λ(2)=π28\lambda(2) = \frac{\pi^2}8 terug te vinden en λ(4)=π496\lambda(4) = \frac{\pi^4}{96} te krijgen, en controleer daarna ζ(4)=π490\zeta(4) = \frac{\pi^4}{90} via λ(4)=(124)ζ(4)\lambda(4) = (1 - 2^{-4})\,\zeta(4).

  5. Ga 1sinθ=cotθ2cotθ\frac1{\sin\theta} = \cot\frac\theta2 - \cot\theta na en leid af dat

    πsin(πz)=1z+n1(1)n2zz2n2.\frac{\pi}{\sin(\pi z)} = \frac1z + \sum_{n\geq1}(-1)^n\,\frac{2z}{z^2 - n^2} .

    Controleer de tekens tegen de residuen van π/sin(πz)\pi/\sin(\pi z) in de gehele getallen.

  6. Lees de coëfficiënt van zz af: η(2)=n1(1)n1n2=π212\eta(2) = \sum_{n\geq1}\frac{(-1)^{n-1}}{n^2} = \frac{\pi^2}{12}, en bevestig de consistentie η(2)=(1212)ζ(2)\eta(2) = (1 - 2^{1-2})\,\zeta(2).
  7. (Finale) Evalueer de ontwikkeling van vraag 20 in z=12z = \frac12 en leid de formule van Leibniz af:

    π4=113+1517+\frac\pi4 = 1 - \frac13 + \frac15 - \frac17 + \cdots

    Sluit af met een korte alinea: één kern per rekenkunde — welke kern beprijst welke familie reeksen, en waarom zijn ze structureel allemaal blind voor ζ(3)\zeta(3)?

Deel VII — De volledige prijslijst: de getallen van Bernoulli.

  1. Combineer de partieelbreuksplitsing van πzcot(πz)\pi z\cot(\pi z) met de genererende functie van de getallen van Bernoulli (wew1=nBnn!wn\frac{w}{\eu^w - 1} = \sum_n\frac{B_n}{n!} w^n, Probleem 16.1, Deel VI): leid uit

    πzcot(πz)=iπz+2iπze2iπz1\pi z\cot(\pi z) = \iu\pi z + \frac{2\iu\pi z}{\eu^{2\iu\pi z} - 1}

    (bewijs eerst die identiteit) de gesloten vorm

    ζ(2k)=(1)k+1(2π)2kB2k2(2k)!(k1)\zeta(2k) = (-1)^{k+1}\, \frac{(2\pi)^{2k}\,B_{2k}}{2\,(2k)!} \qquad (k \geq 1)

    af.

  2. Toets de formule aan B2=16B_2 = \frac16, B4=130B_4 = -\frac1{30} en B6=142B_6 = \frac1{42}: vind ζ(2)=π26\zeta(2) = \frac{\pi^2}6 en ζ(4)=π490\zeta(4) = \frac{\pi^4}{90} terug, en bereken ζ(6)=π6945\zeta(6) = \frac{\pi^6}{945}.
  3. (Recursie van Euler) Ontwikkel beide leden van (zcotz)=cotzz(1+cot2z)\bigl(z\cot z\bigr)' = \cot z - z(1 + \cot^2z) — of kwadrateer de cotangensreeks rechtstreeks — om

    (k+12)ζ(2k)=j=1k1ζ(2j)ζ(2k2j)(k2)\Bigl(k + \frac12\Bigr)\zeta(2k) = \sum_{j=1}^{k-1}\zeta(2j)\,\zeta(2k - 2j) \qquad (k \geq 2)

    te bewijzen, en ga na dat ze ζ(4)\zeta(4) uit ζ(2)\zeta(2) en ζ(6)\zeta(6) uit ζ(2),ζ(4)\zeta(2), \zeta(4) berekent — alle even zetawaarden uit het ene zaadje π26\frac{\pi^2}6, zonder één nieuwe integratie.

Oplossing

Oplossing van Probleem 17.1.

1. sin(πz)\sin(\pi z) heeft enkelvoudige nulpunten precies in Z\Z (sinπz=0\sin\pi z = 0 dan en slechts dan als zZz \in \Z, en (sinπz)=πcosπz0(\sin\pi z)' = \pi\cos\pi z \neq 0 daar), en cos(πn)0\cos(\pi n) \neq 0: dus heeft πcot(πz)=πcos(πz)/sin(πz)\pi\cot(\pi z) = \pi\cos(\pi z)/\sin(\pi z) enkelvoudige polen in Z\Z met

Res(πcotπz, n)=πcos(πn)πcos(πn)=1\operatorname{Res}(\pi\cot\pi z,\ n) = \frac{\pi\cos(\pi n)}{\pi\cos(\pi n)} = 1

(de regel g/hg/h', Methode 17.6).

2. sin(πz)πz=1(πz)26+(πz)4120\frac{\sin(\pi z)}{\pi z} = 1 - \frac{(\pi z)^2}6 + \frac{(\pi z)^4}{120} - \cdots is holomorf en 0\neq 0 nabij 00: haar omgekeerde is holomorf (Definitie 16.1: quotiënt), met reeks 1+(πz)26+7(πz)4360+1 + \frac{(\pi z)^2}{6} + \frac{7(\pi z)^4}{360} + \cdots (identificeer: coëfficiënten in de trant van (1u)1(1 - u)^{-1} met u=(πz)26(πz)4120u = \frac{(\pi z)^2}6 - \frac{(\pi z)^4}{120}: de coëfficiënt van z4z^4 is 1361120=7360\frac1{36} - \frac1{120} = \frac{7}{360}). Vermenigvuldig met cos(πz)=1(πz)22+(πz)424\cos(\pi z) = 1 - \frac{(\pi z)^2}2 + \frac{(\pi z)^4}{24} - \cdots en deel door zz:

πcot(πz)=1z[1+π2z2(1612)+π4z4(7360112+124)]+=1zπ23zπ445z3\pi\cot(\pi z) = \frac1z\Bigl[1 + \pi^2z^2\Bigl(\frac16 - \frac12\Bigr) + \pi^4z^4\Bigl(\frac7{360} - \frac1{12} + \frac1{24}\Bigr)\Bigr] + \cdots = \frac1z - \frac{\pi^2}3\,z - \frac{\pi^4}{45}\,z^3 - \cdots

(want 736030360+15360=8360=145\frac7{360} - \frac{30}{360} + \frac{15}{360} = -\frac8{360} = -\frac1{45}).

3. Verticale zijden z=±(N+12)+iyz = \pm(N + \frac12) + \iu y: wegens de π\pi-periodiciteit van cot\cot is cot(πz)=cot(±π2+iπy)=tan(iπy)=itanh(πy)\cot(\pi z) = \cot(\pm\frac\pi2 + \iu\pi y) = -\tan(\iu\pi y) = -\iu\tanh(\pi y), met modulus 1\leq 1. Horizontale zijden z=x±i(N+12)z = x \pm \iu(N + \frac12): uit cot(a+ib)2=cos2a+sinh2bsin2a+sinh2b1+sinh2bsinh2b=coth2b\abs{\cot(a + \iu b)}^2 = \frac{\cos^2a + \sinh^2b}{\sin^2a + \sinh^2b} \leq \frac{1 + \sinh^2b}{\sinh^2b} = \coth^2 b volgt

cot(πz)coth(π(N+12))coth(π/2)<1.1.\abs{\cot(\pi z)} \leq \coth\bigl(\pi(N + \tfrac12)\bigr) \leq \coth(\pi/2) < 1.1 .

Beide grenzen zijn 2\leq 2.

4. Pas Stelling 17.5 toe op F(z)=πcot(πz)f(z)F(z) = \pi\cot(\pi z)f(z) op CNC_N (NN voorbij alle polen van ff):

12iπCNF=n=NNf(n)+pRes(F,p),\frac1{2\iu\pi}\oint_{C_N}F = \sum_{n=-N}^{N}f(n) + \sum_p\operatorname{Res}(F, p),

waarbij de gehele polen f(n)f(n) bijdragen (vraag 1; ff is daar holomorf). Op CNC_N is F2πCz22πCN2\abs F \leq 2\pi\cdot C\abs z^{-2} \leq 2\pi C N^{-2}, en de omtrek is 8(N+12)8(N + \frac12): de integraal is O(1/N)0O(1/N) \to 0. Laat NN \to \infty gaan: de weergegeven sommatieformule.

5. Het verval f=O(z2)\abs f = O(\abs z^{-2}) doodde de contourintegraal en maakte f(n)\sum\abs{f(n)} convergent. Voor f(z)=1z+12f(z) = \frac1{z + \frac12} telescoperen de symmetrische sommen NN1n+12\sum_{-N}^N\frac1{n + \frac12} tot 00 (de termen nn en n1-n - 1 heffen elkaar op), en het rechterlid is Res(πcotπzz+12,12)=πcot(π2)=0-\operatorname{Res}\bigl(\frac{\pi\cot\pi z}{z + \frac12}, -\frac12\bigr) = -\pi\cot(-\frac\pi2) = 0: consistent — maar f(n)\sum\abs{f(n)} divergeert; de methode berekent enkel de symmetrische limiet (de hoofdwaarde).

6. g(z)=πcot(πz)z2g(z) = \frac{\pi\cot(\pi z)}{z^2}: polen in de gehele getallen 0\neq 0 met residuen 1n2\frac1{n^2}, en in 00, waar volgens vraag 2

g(z)=1z3π23zπ445z:Res(g,0)=π23.g(z) = \frac1{z^3} - \frac{\pi^2}{3z} - \frac{\pi^4}{45}z - \cdots : \qquad \operatorname{Res}(g, 0) = -\frac{\pi^2}3 .

De contourintegraal over CNC_N gaat naar 00 als in vraag 4 (g=O(N2)\abs{g} = O(N^{-2}) op CNC_N). Bijgevolg is 0=n01n2π230 = \sum_{n\neq0}\frac1{n^2} - \frac{\pi^2}3: dus 2ζ(2)=π232\zeta(2) = \frac{\pi^2}3 en ζ(2)=π26\zeta(2) = \frac{\pi^2}6.

7. g(z)=πcot(πz)z4=1z5π23z3π445zg(z) = \frac{\pi\cot(\pi z)}{z^4} = \frac1{z^5} - \frac{\pi^2}{3z^3} - \frac{\pi^4}{45z} - \cdots: het residu in 00 is π445-\frac{\pi^4}{45}, en 0=2ζ(4)π4450 = 2\zeta(4) - \frac{\pi^4}{45} geeft ζ(4)=π490\zeta(4) = \frac{\pi^4}{90}.

8. Met g=πcot(πz)/z2kg = \pi\cot(\pi z)/z^{2k} is het residu in 00 de coëfficiënt a2k1a_{2k-1} van z2k1z^{2k-1} in de ontwikkeling van πcot(πz)\pi\cot(\pi z), en de verdwijnende contour geeft 2ζ(2k)+a2k1=02\zeta(2k) + a_{2k-1} = 0: dus ζ(2k)=a2k1/2\zeta(2k) = -a_{2k-1}/2, een rationaal veelvoud van π2k\pi^{2k}, want dat zijn de coëfficiënten van de cotangens. Nog één delingsstap levert a5=2π6945a_5 = -\frac{2\pi^6}{945} op, waaruit ζ(6)=π6945\zeta(6) = \frac{\pi^6}{945}. Voor ζ(3)\zeta(3): de natuurlijke kern g=πcot(πz)/z3g = \pi\cot(\pi z)/z^3 brengt n01n3=0\sum_{n\neq0}\frac1{n^3} = 0 voort wegens de oneven pariteit — de methode bewijst 0=00 = 0 en is structureel blind voor de oneven zetawaarden (voor ζ(3)\zeta(3) is geen gesloten vorm bekend; haar irrationaliteit, Apéry 1978, vergde volstrekt andere ideeën).

9. F(z)=πcot(πz)(zw)(z+w)F(z) = \frac{\pi\cot(\pi z)}{(z - w)(z + w)} heeft polen in de gehele getallen (residuen 1n2w2\frac1{n^2 - w^2}, met het teken: f(n)=1(nw)(n+w)=1n2w2f(n) = \frac1{(n-w)(n+w)} = \frac1{n^2 - w^2}) en enkelvoudige polen in ±w\pm w, elk met residu πcot(±πw)±2w=πcot(πw)2w\frac{\pi\cot(\pm \pi w)}{\pm2w} = \frac{\pi\cot(\pi w)}{2w} (cot\cot is oneven). Het argument van vraag 4 (f=O(z2)\abs f = O(\abs z^{-2})) geeft

nZ1n2w2+πcot(πw)w=0,dat wil zeggenπcot(πw)=1w+n12ww2n2,\sum_{n\in\Z}\frac1{n^2 - w^2} + \frac{\pi\cot(\pi w)}{w} = 0, \qquad\text{dat wil zeggen}\qquad \pi\cot(\pi w) = \frac1w + \sum_{n\geq1}\frac{2w}{w^2 - n^2},

(de term n=0n = 0 is 1w2-\frac1{w^2}; hergroepeer ±n\pm n). Normale convergentie op compacte verzamelingen van CZ\C\setminus\Z: voor wR\abs w \leq R en n2Rn \geq 2R is 2ww2n22Rn2R28R3n2\abs{\frac{2w}{w^2 - n^2}} \leq \frac{2R}{n^2 - R^2} \leq \frac{8R}{3n^2}.

10. Voor wr<1\abs w \leq r < 1 is 2ww2n2=2wn211w2/n2=2k0w2k+1n2k+2\frac{2w}{w^2 - n^2} = -\frac{2w}{n^2}\cdot\frac1{1 - w^2/n^2} = -2\sum_{k\geq0}\frac{w^{2k+1}}{n^{2k+2}}, met termen2r2k+1/n2k+2\abs{\text{termen}} \leq 2r^{2k+1}/n^{2k+2}, sommeerbaar over (n,k)(n, k): Fubini voor reeksen herschikt tot

πcot(πw)=1w2k0ζ(2k+2)w2k+1.\pi\cot(\pi w) = \frac1w - 2\sum_{k\geq0}\zeta(2k+2)\,w^{2k+1} .

Vergelijking met vraag 2: 2ζ(2)=π23-2\zeta(2) = -\frac{\pi^2}3 en 2ζ(4)=π445-2\zeta(4) = -\frac{\pi^4}{45} — dezelfde waarden. Drie wegen naar π26\frac{\pi^2}6: Parseval (fourierreeksen), het spoor van de greenoperator van de snaar, en de twee ontwikkelingen van de cotangens; dat een som over frequenties, een operatorspoor en een contourintegraal overeenstemmen is geen toeval — elk is een gezicht van dezelfde spectrale identiteit.

11. Leg R1R \geq 1 vast en zij n0n_0 het kleinste gehele getal 2R\geq 2R. Voor zR\abs z \leq R en nn0n \geq n_0 is z2/n214\abs{z^2/n^2} \leq \frac14, dus 1z2/n2Dˉ(1,14)1 - z^2/n^2 \in \bar D(1, \frac14), waar de hoofdlogaritme holomorf is, en

log(1z2n2)k11kz2n2kz2/n21z2/n22R2n2:\Bigl|\log\Bigl(1 - \frac{z^2}{n^2}\Bigr)\Bigr| \leq \sum_{k\geq1}\frac1k\,\Bigl|\frac{z^2}{n^2}\Bigr|^k \leq \frac{\abs{z^2/n^2}}{1 - \abs{z^2/n^2}} \leq \frac{2R^2}{n^2} :

de som S(z)=nn0log(1z2/n2)S(z) = \sum_{n\geq n_0}\log(1 - z^2/n^2) convergeert normaal op Dˉ(0,R)\bar D(0, R), met holomorfe partiële sommen SNS_N en uniform SN2R2ζ(2)\abs{S_N} \leq 2R^2\zeta(2). Omdat eaebemax(a,b)ab\abs{\eu^a - \eu^b} \leq \eu^{\max(\abs a,\abs b)}\abs{a - b} (de middelwaardeafschatting op het lijnstuk), convergeren de staartproducten n0nN=eSN\prod_{n_0\leq n\leq N} = \eu^{S_N} uniform op Dˉ(0,R)\bar D(0, R) naar de nulpuntvrije eS\eu^S. Vermenigvuldigen met de vaste veelterm zn<n0(1z2/n2)z\prod_{n<n_0}(1 - z^2/n^2): dus PNPP_N \to P uniform op Dˉ(0,R)\bar D(0, R), en Stelling 16.15 maakt PP daar holomorf; omdat RR willekeurig is, is PP geheel. Op Dˉ(0,R)\bar D(0, R) zijn de nulpunten van PP die van de veeltermfactor — de gehele getallen met modulus R\leq R, elk enkelvoudig ((1z/n)(1+z/n)(1 - z/n)(1 + z/n) heeft verschillende enkelvoudige nulpunten, eS\eu^S geen enkel): de nulpuntenverzameling van PP is Z\Z, met alle nulpunten enkelvoudig.

12. Logaritmisch differentiëren van het eindige product, weg van zijn nulpunten:

PN(z)PN(z)=1z+n=1N2z/n21z2/n2=1z+n=1N2zz2n2.\frac{P_N'(z)}{P_N(z)} = \frac1z + \sum_{n=1}^{N}\frac{-2z/n^2}{1 - z^2/n^2} = \frac1z + \sum_{n=1}^{N}\frac{2z}{z^2 - n^2} .

Op een compacte KCZK \subseteq \C\setminus\Z convergeren PNPP_N \to P en PNPP_N' \to P' uniform (Stelling 16.15), en is minKP>0\min_K\abs P > 0 (PP verdwijnt enkel op Z\Z), dus is uiteindelijk PN12minKP\abs{P_N} \geq \frac12\min_K\abs P en convergeert PN/PNP/PP_N'/P_N \to P'/P uniform op KK. Het middelste lid convergeert volgens vraag 9 naar 1z+n12zz2n2=πcot(πz)\frac1z + \sum_{n\geq1}\frac{2z}{z^2-n^2} = \pi\cot(\pi z): dus is P/P=πcot(πz)P'/P = \pi\cot(\pi z) op CZ\C\setminus\Z.

13. sin(πz)\sin(\pi z) en PP zijn geheel met dezelfde nulpuntenverzameling Z\Z, met alle nulpunten enkelvoudig (vragen 1 en 11). Schrijf nabij mZm \in \Z sin(πz)=(zm)σ(z)\sin(\pi z) = (z - m)\,\sigma(z) en P(z)=(zm)ψ(z)P(z) = (z - m)\,\psi(z) met σ,ψ\sigma, \psi holomorf en 0\neq 0 in mm (splits de machtreeks af): dan breidt Q=sin(πz)/P=σ/ψQ = \sin(\pi z)/P = \sigma/\psi zich holomorf en nulpuntvrij over elk geheel getal uit, en is ze op CZ\C\setminus\Z nulpuntvrij als quotiënt van nulpuntvrije functies. Daar is

QQ=(sinπz)sinπzPP=πcot(πz)πcot(πz)=0,\frac{Q'}{Q} = \frac{(\sin\pi z)'}{\sin\pi z} - \frac{P'}{P} = \pi\cot(\pi z) - \pi\cot(\pi z) = 0 ,

dus verdwijnt de gehele functie QQ' op CZ\C\setminus\Z, en wegens de continuïteit overal: QQ is constant. Als z0z \to 0 gaat sin(πz)/zπ\sin(\pi z)/z \to \pi en P(z)/z1P(z)/z \to 1, dus Q=πQ = \pi:

sin(πz)=πzn1(1z2n2).\sin(\pi z) = \pi z\prod_{n\geq1} \Bigl(1 - \frac{z^2}{n^2}\Bigr) .

14. In z=12z = \frac12: 1=sinπ2=π2n1(114n2)=π24n214n21 = \sin\frac\pi2 = \frac\pi2\prod_{n\geq1}\bigl(1 - \frac1{4n^2}\bigr) = \frac\pi2\prod\frac{4n^2-1}{4n^2}, dus

π2=n14n24n21=limNn=1N(2n)(2n)(2n1)(2n+1)=limN2244(2N)(2N)1335(2N1)(2N+1):\frac\pi2 = \prod_{n\geq1}\frac{4n^2}{4n^2 - 1} = \lim_{N\to\infty}\prod_{n=1}^N \frac{(2n)(2n)}{(2n-1)(2n+1)} = \lim_{N\to\infty} \frac{2\cdot2\cdot4\cdot4\cdots(2N)(2N)} {1\cdot3\cdot3\cdot5\cdots(2N-1)(2N+1)} :

het product van Wallis, een gevolg van één regel uit de ontbinding van Euler.

15. Voor zr<1\abs z \leq r < 1 ligt elke factor in D(1,r2)D(1,1)D(1, r^2) \subseteq D(1, 1), dus is P(z)/z=exp(n1log(1z2/n2))P(z)/z = \exp\bigl( \sum_{n\geq1}\log(1 - z^2/n^2)\bigr): elk partieel product is de exponentiële functie van een partiële som, en beide leden gaan wegens de continuïteit van exp\exp naar de limiet. De dubbele reeks

n1log(1z2n2)=n1k1z2kkn2k=k1ζ(2k)kz2k=ζ(2)z2+O(z4)\sum_{n\geq1}\log\Bigl(1 - \frac{z^2}{n^2}\Bigr) = -\sum_{n\geq1}\sum_{k\geq1}\frac{z^{2k}}{k\,n^{2k}} = -\sum_{k\geq1}\frac{\zeta(2k)}k\,z^{2k} = -\zeta(2)\,z^2 + O(z^4)

herschikt volgens Fubini voor reeksen: n,kr2kkn2kkζ(2k)r2kζ(2)r21r2<\sum_{n,k} \frac{r^{2k}}{kn^{2k}} \leq \sum_k\zeta(2k)r^{2k} \leq \zeta(2)\frac{r^2}{1-r^2} < \infty. Bijgevolg is

P(z)=zexp(ζ(2)z2+O(z4))=zζ(2)z3+O(z5),P(z) = z\,\exp\bigl(-\zeta(2)z^2 + O(z^4)\bigr) = z - \zeta(2)\,z^3 + O(z^5) ,

en vraag 13 vergelijkt dat met sin(πz)=πzπ36z3+O(z5)\sin(\pi z) = \pi z - \frac{\pi^3}6z^3 + O(z^5): πζ(2)=π36\pi\zeta(2) = \frac{\pi^3}6, dat wil zeggen ζ(2)=π26\zeta(2) = \frac{\pi^2}6. Het additieve gezicht (vraag 10) en het multiplicatieve berekenen hetzelfde getal.

16. Op een compacte KCZK \subseteq \C\setminus\Z convergeren de partiële sommen SN=1z+nN(1zn+1z+n)S_N = \frac1z + \sum_{n\leq N}\bigl(\frac1{z-n} + \frac1{z+n}\bigr) (vraag 9, met de termen hergroepeerd als 2zz2n2=1zn+1z+n\frac{2z}{z^2-n^2} = \frac1{z-n} + \frac1{z+n}) uniform naar πcot(πz)\pi\cot(\pi z), dus geeft Stelling 16.15 dat SN(πcotπz)=π2/sin2(πz)S_N' \to (\pi\cot\pi z)' = -\pi^2/\sin^2(\pi z) uniform op KK. Omdat SN=nN(zn)2S_N' = -\sum_{\abs n\leq N}(z - n)^{-2}:

π2sin2(πz)=nZ1(zn)2,\frac{\pi^2}{\sin^2(\pi z)} = \sum_{n\in\Z}\frac1{(z - n)^2} ,

met normale convergentie op compacte verzamelingen van CZ\C\setminus\Z (termen O(n2)O(n^{-2})).

17. In z=12z = \frac12 is het linkerlid π2\pi^2; rechts is (12n)2=(2n1)24(\frac12 - n)^2 = \frac{(2n-1)^2}4, waarbij 2n12n - 1 elk oneven getal precies één keer doorloopt als nn door Z\Z loopt:

π2=nZ4(2n1)2=8m01(2m+1)2,m01(2m+1)2=π28.\pi^2 = \sum_{n\in\Z}\frac{4}{(2n-1)^2} = 8\sum_{m\geq0}\frac1{(2m+1)^2}, \qquad \sum_{m\geq0}\frac1{(2m+1)^2} = \frac{\pi^2}8 .

Splitsen naar pariteit: ζ(2)=π28+n11(2n)2=π28+ζ(2)4\zeta(2) = \frac{\pi^2}8 + \sum_{n\geq1}\frac1{(2n)^2} = \frac{\pi^2}8 + \frac{\zeta(2)}4, dus 34ζ(2)=π28\frac34\zeta(2) = \frac{\pi^2}8 en opnieuw ζ(2)=π26\zeta(2) = \frac{\pi^2}6.

18. Met c=cotθc = \cot\theta en cot(2θ)=c212c\cot(2\theta) = \frac{c^2-1}{2c} is cotθ2cot(2θ)=cc21c=1c=tanθ\cot\theta - 2\cot(2\theta) = c - \frac{c^2-1}c = \frac1c = \tan\theta. Bijgevolg is πtan(πz)=πcot(πz)2πcot(2πz)\pi\tan(\pi z) = \pi\cot(\pi z) - 2\pi\cot(2\pi z), en vraag 9 in zz en in 2z2z geeft

πcot(πz)=1z+n12zz2n2,2πcot(2πz)=1z+n18z4z2n2.\pi\cot(\pi z) = \frac1z + \sum_{n\geq1}\frac{2z}{z^2 - n^2}, \qquad 2\pi\cot(2\pi z) = \frac1z + \sum_{n\geq1}\frac{8z}{4z^2 - n^2} .

Beide reeksen convergeren voor elke vaste zz buiten de polen absoluut, dus mag het verschil naar believen hergroepeerd worden: in de tweede reeks geven de even termen n=2mn = 2m 8z4z24m2=2zz2m2\frac{8z}{4z^2 - 4m^2} = \frac{2z}{z^2 - m^2} en heffen ze de eerste reeks volledig op, zodat

πtan(πz)=m08z4z2(2m+1)2=m08z(2m+1)24z2,\pi\tan(\pi z) = -\sum_{m\geq0}\frac{8z}{4z^2 - (2m+1)^2} = \sum_{m\geq0}\frac{8z}{(2m+1)^2 - 4z^2} ,

normaal op compacte verzamelingen die 12+Z\frac12 + \Z mijden (termen O(m2)O(m^{-2})).

19. Voor zr<12\abs z \leq r < \frac12:

8z(2m+1)24z2=8z(2m+1)2k0(4z2(2m+1)2)k,\frac{8z}{(2m+1)^2 - 4z^2} = \frac{8z}{(2m+1)^2} \sum_{k\geq0}\Bigl(\frac{4z^2}{(2m+1)^2}\Bigr)^{k},

met m,k8r(4r2)k(2m+1)2k2<\sum_{m,k}8r\,(4r^2)^k(2m+1)^{-2k-2} < \infty omdat 4r2<14r^2 < 1: Fubini herschikt de dubbele som tot

πtan(πz)=k084kλ(2k+2)z2k+1.\pi\tan(\pi z) = \sum_{k\geq0}8\cdot4^k\,\lambda(2k+2)\,z^{2k+1} .

Tegenover πtan(πz)=π2z+π43z3+O(z5)\pi\tan(\pi z) = \pi^2z + \frac{\pi^4}3z^3 + O(z^5): de coëfficiënt van zz geeft 8λ(2)=π28\lambda(2) = \pi^2 — opnieuw vraag 17 — en die van z3z^3 geeft 32λ(4)=π4332\lambda(4) = \frac{\pi^4}3, dat wil zeggen λ(4)=π496\lambda(4) = \frac{\pi^4}{96}. De even noemers wegwerken geeft λ(4)=ζ(4)24ζ(4)=1516ζ(4)\lambda(4) = \zeta(4) - 2^{-4}\zeta(4) = \frac{15}{16}\zeta(4): dus ζ(4)=1615π496=π490\zeta(4) = \frac{16}{15}\cdot \frac{\pi^4}{96} = \frac{\pi^4}{90}, in overeenstemming met vraag 7.

20. cotθ2cotθ=cosθ2sinθcosθsinθ2sinθ2sinθ=sinθ2sinθ2sinθ=1sinθ\cot\frac\theta2 - \cot\theta = \frac{\cos\frac\theta2\,\sin\theta - \cos\theta\,\sin\frac\theta2}{\sin\frac\theta2\,\sin\theta} = \frac{\sin\frac\theta2}{\sin\frac\theta2\,\sin\theta} = \frac1{\sin\theta}, want de teller is sin(θθ2)\sin(\theta - \frac\theta2). Met θ=πz\theta = \pi z luidt vraag 9 in z2\frac z2 πcotπz2=2z+n14zz24n2\pi\cot\frac{\pi z}2 = \frac2z + \sum_{n\geq1}\frac{4z}{z^2 - 4n^2}, dus

πsin(πz)=πcotπz2πcot(πz)=1z+n14zz24n2n12zz2n2.\frac{\pi}{\sin(\pi z)} = \pi\cot\frac{\pi z}2 - \pi\cot(\pi z) = \frac1z + \sum_{n\geq1}\frac{4z}{z^2 - 4n^2} - \sum_{n\geq1}\frac{2z}{z^2 - n^2} .

De absolute convergentie laat het hergroeperen naar pariteit toe: even n=2mn = 2m in de afgetrokken reeks draagt 2zz24m2\frac{2z}{z^2-4m^2} bij, zodat uit de eerste som +2zz24m2+\frac{2z}{z^2-4m^2} overblijft, terwijl oneven nn met teken - overleeft:

πsin(πz)=1z+n1(1)n2zz2n2.\frac{\pi}{\sin(\pi z)} = \frac1z + \sum_{n\geq1}(-1)^n\,\frac{2z}{z^2 - n^2} .

Controle van de tekens: Res(π/sin(πz),n)=π/(πcosπn)=(1)n\operatorname{Res}\bigl(\pi/\sin(\pi z), n\bigr) = \pi/(\pi\cos\pi n) = (-1)^n (Methode 17.6), en (1)n2zz2n2=(1)nzn+(1)nz+n(-1)^n\frac{2z}{z^2 - n^2} = \frac{(-1)^n}{z-n} + \frac{(-1)^n}{z+n} draagt in ±n\pm n precies dat residu.

21. Voor zr<1\abs z \leq r < 1 geeft elke term ontwikkelen als in vraag 19 ((1)n2zz2n2=(1)n12zn2kz2kn2k(-1)^n\frac{2z}{z^2-n^2} = (-1)^{n-1}\frac{2z}{n^2}\sum_k\frac{z^{2k}}{n^{2k}}) en Fubini toepassen

πsin(πz)=1z+2k0η(2k+2)z2k+1,η(s)=n1(1)n1ns.\frac{\pi}{\sin(\pi z)} = \frac1z + 2\sum_{k\geq0}\eta(2k+2)\,z^{2k+1}, \qquad \eta(s) = \sum_{n\geq1}\frac{(-1)^{n-1}}{n^s} .

Aan de kant van Taylor: sin(πz)=πz(1(πz)26+O(z4))\sin(\pi z) = \pi z(1 - \frac{(\pi z)^2}6 + O(z^4)) geeft πsinπz=1z+π26z+O(z3)\frac\pi{\sin\pi z} = \frac1z + \frac{\pi^2}6z + O(z^3): dus 2η(2)=π262\eta(2) = \frac{\pi^2}6 en η(2)=π212\eta(2) = \frac{\pi^2}{12}. Consistentie: η(2)=ζ(2)2n(2n)2=(1212)ζ(2)=ζ(2)2=π212\eta(2) = \zeta(2) - 2\sum_n(2n)^{-2} = (1 - 2^{1-2})\zeta(2) = \frac{\zeta(2)}2 = \frac{\pi^2}{12}.

22. In z=12z = \frac12 geeft vraag 20

π=2+n1(1)n114n2=2+4n1(1)n1(2n1)(2n+1).\pi = 2 + \sum_{n\geq1}(-1)^n\frac{1}{\frac14 - n^2} = 2 + 4\sum_{n\geq1}\frac{(-1)^{n-1}}{(2n-1)(2n+1)} .

Met 1(2n1)(2n+1)=12(12n112n+1)\frac1{(2n-1)(2n+1)} = \frac12\bigl(\frac1{2n-1} - \frac1{2n+1}\bigr), en met beide alternerende reeksen convergent (criterium van Leibniz), splitst de som als 12[L(1L)]=L12\frac12\bigl[L - (1 - L)\bigr] = L - \frac12, waarbij L=113+15L = 1 - \frac13 + \frac15 - \cdots en 1315+17=1L\frac13 - \frac15 + \frac17 - \cdots = 1 - L. Bijgevolg is π=2+4(L12)=4L\pi = 2 + 4(L - \frac12) = 4L:

π4=113+1517+\frac\pi4 = 1 - \frac13 + \frac15 - \frac17 + \cdots

De moraal: elke kern is meromorf met polen op een rekenkundige rij en voorgeschreven residuen. De cotangens legt residu 11 in elk geheel getal en sommeert f(n)f(n); haar afgeleide kwadrateert de polen en beprijst λ(2)\lambda(2); de tangens verplaatst de polen naar 12+Z\frac12 + \Z en beprijst de oneven noemers; π/sin\pi/\sin houdt de gehele polen maar laat de residuen (1)n(-1)^n alterneren, vandaar de alternerende reeksen. De kernen van eerste orde zijn allemaal oneven functies: nn met n-n paren verdubbelt de coëfficiënten bij de even machten en vernietigt die bij de oneven, zodat ζ(2k)\zeta(2k) er mechanisch uitrolt terwijl ζ(3)\zeta(3) nooit verschijnt. De blindheid is pariteit, geen gebrek aan techniek.

23. Met w=2iπzw = 2\iu\pi z:

iπz+2iπze2iπz1=iπze2iπz+1e2iπz1=iπzeiπz+eiπzeiπzeiπz=πzcosπzsinπz=πzcot(πz).\iu\pi z + \frac{2\iu\pi z}{\eu^{2\iu\pi z} - 1} = \iu\pi z\,\frac{\eu^{2\iu\pi z} + 1}{\eu^{2\iu\pi z} - 1} = \iu\pi z\,\frac{\eu^{\iu\pi z} + \eu^{-\iu\pi z}}{\eu^{\iu\pi z} - \eu^{-\iu\pi z}} = \pi z\,\frac{\cos\pi z}{\sin\pi z} = \pi z\cot(\pi z) .

Bijgevolg is, met de genererende functie in w=2iπzw = 2\iu\pi z (en met B1=12B_1 = -\frac12 dat de term iπz\iu\pi z opheft, terwijl de oneven BB’s daarna verdwijnen),

πzcot(πz)=k0B2k(2k)!(2iπz)2k=1+k1(1)k(2π)2kB2k(2k)!z2k.\pi z\cot(\pi z) = \sum_{k\geq0}\frac{B_{2k}}{(2k)!} (2\iu\pi z)^{2k} = 1 + \sum_{k\geq1}(-1)^k\frac{(2\pi)^{2k}B_{2k}}{(2k)!} z^{2k} .

Anderzijds geeft de partieelbreuksplitsing (Deel IV) πzcot(πz)=12k1ζ(2k)z2k\pi z\cot(\pi z) = 1 - 2\sum_{k\geq1}\zeta(2k)z^{2k} (ontwikkel elke 2z2z2n2=2kz2kn2k\frac{2z^2}{z^2 - n^2} = -2\sum_k\frac{z^{2k}}{n^{2k}} en sommeer over nn, waarbij de normale convergentie het verwisselen voor z<1\abs z < 1 rechtvaardigt). Coëfficiënten vergelijken: 2ζ(2k)=(1)k(2π)2kB2k(2k)!-2\zeta(2k) = (-1)^k\frac{(2\pi)^{2k}B_{2k}}{(2k)!}, de vermelde formule.

24. k=1k = 1: (2π)22216=π26\frac{(2\pi)^2}{2\cdot2}\cdot\frac16 = \frac{\pi^2}6. k=2k = 2: (2π)4224(130)=16π44830=π490-\frac{(2\pi)^4}{2\cdot24} \cdot\bigl(-\frac1{30}\bigr) = \frac{16\pi^4}{48\cdot30} = \frac{\pi^4}{90}. k=3k = 3: (2π)62720142=64π6144042=π6945\frac{(2\pi)^6}{2\cdot720} \cdot\frac1{42} = \frac{64\pi^6}{1440\cdot42} = \frac{\pi^6}{945}.

25. Schrijf C(z)=πzcot(πz)=12k1ζ(2k)z2kC(z) = \pi z\cot(\pi z) = 1 - 2\sum_{k\geq1}\zeta(2k)z^{2k} (vraag 23). Rechtstreeks differentiëren van C=πzcot(πz)C = \pi z\cot(\pi z), met (cotu)=1cot2u(\cot u)' = -1 - \cot^2u, geeft

zC(z)=πzcot(πz)π2z2(1+cot2(πz))=Cπ2z2C2.zC'(z) = \pi z\cot(\pi z) - \pi^2z^2\bigl(1 + \cot^2(\pi z)\bigr) = C - \pi^2z^2 - C^2 .

Ontwikkel nu beide leden in machten van z2z^2. Linkerlid: k(4k)ζ(2k)z2k\sum_k(-4k)\,\zeta(2k)\,z^{2k}. Rechterlid: de reeks kwadrateren geeft

CC2=2k1ζ(2k)z2k4k2(j=1k1ζ(2j)ζ(2k2j))z2k,C - C^2 = 2\sum_{k\geq1}\zeta(2k)z^{2k} - 4\sum_{k\geq2}\Bigl(\sum_{j=1}^{k-1}\zeta(2j) \zeta(2k-2j)\Bigr)z^{2k},

en de term π2z2=6ζ(2)z2-\pi^2z^2 = -6\zeta(2)z^2 past enkel k=1k = 1 aan. De coëfficiënten van z2kz^{2k} voor k2k \geq 2 vergelijken:

4kζ(2k)=2ζ(2k)4j=1k1ζ(2j)ζ(2k2j),-4k\,\zeta(2k) = 2\,\zeta(2k) - 4\sum_{j=1}^{k-1}\zeta(2j)\,\zeta(2k-2j),

dat wil zeggen (k+12)ζ(2k)=j=1k1ζ(2j)ζ(2k2j)\bigl(k + \frac12\bigr)\zeta(2k) = \sum_{j=1}^{k-1}\zeta(2j)\zeta(2k-2j). (Bij k=1k = 1 luidt de identiteit 4ζ(2)=2ζ(2)6ζ(2)-4\zeta(2) = 2\zeta(2) - 6\zeta(2): een consistentiecontrole, geen nieuwe informatie.) Toepassingen: k=2k = 2: 52ζ(4)=ζ(2)2=π436\frac52\zeta(4) = \zeta(2)^2 = \frac{\pi^4}{36}, dus ζ(4)=π490\zeta(4) = \frac{\pi^4}{90}; k=3k = 3: 72ζ(6)=2ζ(2)ζ(4)=π6270\frac72\zeta(6) = 2\zeta(2)\zeta(4) = \frac{\pi^6}{270}, dus ζ(6)=27π6270=π6945\zeta(6) = \frac{2}{7}\cdot\frac{\pi^6}{270} = \frac{\pi^6}{945}. Eén transcendent zaadje (ζ(2)=π26\zeta(2) = \frac{\pi^2}6), en pure algebra brengt elke even zetawaarde voort.