Mathematics · Boek 5 · Bachelor Year 3

Universitaire wiskunde — Bachelor jaar 3

Universitaire wiskunde — Bachelor jaar 3 · Bachelor Year 3

9Maattheorie

Hoe lang is een deelverzameling van R\R? Het naïeve antwoord — ken aan elke verzameling een translatie-invariante lengte toe die die van de intervallen voortzet — is onmogelijk: de constructie van Vitali, aan het eind van dit hoofdstuk, levert een verzameling zonder samenhangende lengte. De maattheorie is de gedisciplineerde terugtocht: beperk je tot een rijke klasse meetbare verzamelingen, waarop een aftelbaar additieve lengte bestaat en uniek is. De beloning is enorm — de integraal van Lebesgue (Hoofdstuk 10), de LpL^p-ruimten van de functionaalanalyse en de hele moderne kansrekening (Hoofdstuk 22) rusten op de drie stellingen die we hier bewijzen: het eenduidigheidslemma van Dynkin, de uitbreidingsstelling van Carathéodory, en het bestaan van de lebesguemaat.

9.1 σ\sigma-algebra’s

Definitie 9.1

Een σ\sigma-algebra op een verzameling XX is een familie A\mathcal A deelverzamelingen die \varnothing bevat en gesloten is onder complementvorming en onder aftelbare verenigingen (en dus onder aftelbare doorsneden en verschillen, en ze bevat XX). Het paar (X,A)(X, \mathcal A) heet een meetbare ruimte; de leden van A\mathcal A heten meetbare verzamelingen. Voor een willekeurige familie E\mathcal E deelverzamelingen noteert σ(E)\sigma(\mathcal E) de kleinste σ\sigma-algebra die E\mathcal E bevat (de doorsnede van alle zulke — een doorsnede van σ\sigma-algebra’s is er weer een).

Definitie 9.2

De Borel-σ\sigma-algebra van een topologische ruimte is B(X)=σ({open verzamelingen})\mathcal B(X) = \sigma(\{\text{open verzamelingen}\}). Op R\R wordt B(R)\mathcal B(\R) ook voortgebracht door de open intervallen, door de gesloten intervallen, door de halfrechten (,a](-\infty, a] en door de halfrechten met rationale eindpunten (Oefening 9.1) — elke familie brengt de open verzamelingen voort met aftelbare bewerkingen, want elke open deelverzameling van R\R is een aftelbare vereniging van open intervallen met rationale gegevens.

Definitie 9.3

Een π\pi-systeem is een familie die gesloten is onder eindige doorsneden. Een λ\lambda-systeem (dynkinklasse) is een familie D\mathcal D met: XDX \in \mathcal D; uit A,BDA, B \in \mathcal D met ABA \subseteq B volgt BADB \setminus A \in \mathcal D; en uit AnAA_n \uparrow A met AnDA_n \in \mathcal D volgt ADA \in \mathcal D.

Stelling 9.4 (π\piλ\lambda-lemma van Dynkin)

Bevat een λ\lambda-systeem D\mathcal D een π\pi-systeem P\mathcal P, dan is Dσ(P)\mathcal D \supseteq \sigma(\mathcal P).

Bewijs. Zij D0\mathcal D_0 het kleinste λ\lambda-systeem dat P\mathcal P bevat (de doorsnede van alle zulke); het volstaat aan te tonen dat D0\mathcal D_0 een σ\sigma-algebra is, want dan is σ(P)D0D\sigma(\mathcal P) \subseteq \mathcal D_0 \subseteq \mathcal D. Een λ\lambda-systeem dat gesloten is onder eindige doorsneden is een σ\sigma-algebra: complementen (XAX \setminus A met AXA \subseteq X), eindige verenigingen (AB=X((XA)(XB))A \cup B = X \setminus ((X\setminus A)\cap(X\setminus B))), en aftelbare verenigingen via knAkkAk\bigcup_{k \leq n}A_k \uparrow \bigcup_kA_k. We bewijzen dus dat D0\mathcal D_0 een π\pi-systeem is, in twee stappen. Zij

D1={AD0:APD0 PP}.\mathcal D_1 = \{A \in \mathcal D_0 : A \cap P \in \mathcal D_0 \ \forall P \in \mathcal P\}.

D1\mathcal D_1 is een λ\lambda-systeem (alle drie de axioma’s gaat men na door met PP te snijden: bijvoorbeeld (BA)P=(BP)(AP)(B\setminus A)\cap P = (B \cap P)\setminus(A \cap P), een echt verschil binnen D0\mathcal D_0) en bevat P\mathcal P (π\pi-systeem): dus D1=D0\mathcal D_1 = \mathcal D_0. Zij nu

D2={AD0:ADD0 DD0}.\mathcal D_2 = \{A \in \mathcal D_0 : A \cap D \in \mathcal D_0\ \forall D \in \mathcal D_0\}.

Wegens de vorige stap is D2P\mathcal D_2 \supseteq \mathcal P; en D2\mathcal D_2 is een λ\lambda-systeem volgens dezelfde verificatie: dus D2=D0\mathcal D_2 = \mathcal D_0, wat precies zegt dat D0\mathcal D_0 gesloten is onder doorsneden.

9.2 Maten

Definitie 9.5

Een maat op (X,A)(X, \mathcal A) is een afbeelding μ ⁣:A[0,+]\mu \colon \mathcal A \to [0, +\infty] met μ()=0\mu(\varnothing) = 0 die σ\sigma-additief is: voor paarsgewijs disjuncte (An)nN(A_n)_{n\in\N} geldt

μ(nAn)=nμ(An).\mu\Bigl(\bigsqcup_n A_n\Bigr) = \sum_n \mu(A_n).

(X,A,μ)(X, \mathcal A, \mu) heet een maatruimte; μ\mu heet eindig als μ(X)<\mu(X) < \infty, een kansmaat als μ(X)=1\mu(X) = 1, en σ\sigma-eindig als XX een aftelbare vereniging is van verzamelingen van eindige maat. Voorbeelden: de telmaat op (N,P(N))(\N, \mathcal P(\N)); de diracmassa δa(A)=1aA\delta_a(A) = \mathbf 1_{a \in A}; en, het onderwerp van dit hoofdstuk, de lebesguemaat.

Propositie 9.6

Zij μ\mu een maat. (a) Monotonie: uit ABA \subseteq B volgt μ(A)μ(B)\mu(A) \leq \mu(B). (b) Aftelbare subadditiviteit: μ(An)μ(An)\mu(\bigcup A_n) \leq \sum\mu(A_n). (c) Continuïteit van onderen: uit AnAA_n \uparrow A volgt μ(An)μ(A)\mu(A_n) \to \mu(A). (d) Continuïteit van boven: uit AnAA_n \downarrow A met μ(A1)<\mu(A_1) < \infty volgt μ(An)μ(A)\mu(A_n) \to \mu(A).

Bewijs. (a) B=A(BA)B = A \sqcup (B\setminus A). (b) Maak disjunct: de Bn=Ank<nAkB_n = A_n \setminus \bigcup_{k<n}A_k zijn disjunct met dezelfde vereniging, en μ(Bn)μ(An)\mu(B_n) \leq \mu(A_n). (c) A=n(AnAn1)A = \bigsqcup_n (A_n \setminus A_{n-1}) (met A0=A_0 = \varnothing): de partiële sommen van μ(AnAn1)\sum\mu(A_n\setminus A_{n-1}) zijn μ(An)\mu(A_n). (d) Pas (c) toe op A1AnA1AA_1 \setminus A_n \uparrow A_1 \setminus A en trek af van μ(A1)\mu(A_1) — de eindigheid maakt het aftrekken geoorloofd. Tegenvoorbeeld zonder haar: An=[n,)A_n = [n, \infty) voor de lebesguemaat: AnA_n \downarrow \varnothing terwijl μ(An)=\mu(A_n) = \infty.

Stelling 9.7 (Eenduidigheid)

Zij μ,ν\mu, \nu maten op σ(P)\sigma(\mathcal P), met P\mathcal P een π\pi-systeem, en μ=ν\mu = \nu op P\mathcal P. Zijn er verzamelingen PkPP_k \in \mathcal P met PkXP_k \uparrow X en μ(Pk)<\mu(P_k) < \infty, dan is μ=ν\mu = \nu op heel σ(P)\sigma(\mathcal P).

Bewijs. Leg kk vast en beschouw de eindige maten μk(A)=μ(APk)\mu_k(A) = \mu(A \cap P_k) en νk(A)=ν(APk)\nu_k(A) = \nu(A \cap P_k) op σ(P)\sigma(\mathcal P): ze vallen samen op P\mathcal P, want PPkPP \cap P_k \in \mathcal P (π\pi-systeem), en ze kennen aan XX dezelfde eindige waarde μ(Pk)\mu(P_k) toe. De klasse D={A:μk(A)=νk(A)}\mathcal D = \{A : \mu_k(A) = \nu_k(A)\} is een λ\lambda-systeem: XDX \in \mathcal D; echte verschillen door aftrekken (eindige waarden); en stijgende limieten door de continuïteit van onderen (Propositie 9.6(c)). Ze bevat het π\pi-systeem P\mathcal P, dus geeft Dynkin (Stelling 9.4) dat Dσ(P)\mathcal D \supseteq \sigma(\mathcal P): μk=νk\mu_k = \nu_k overal. Ten slotte geeft voor elke Aσ(P)A \in \sigma(\mathcal P) de continuïteit van onderen langs APkAA \cap P_k \uparrow A dat μ(A)=limkμk(A)=limkνk(A)=ν(A)\mu(A) = \lim_k\mu_k(A) = \lim_k\nu_k(A) = \nu(A).

9.3 Buitenmaten en de stelling van Carathéodory

Definitie 9.8

Een buitenmaat op XX is een afbeelding μ ⁣:P(X)[0,]\mu^* \colon \mathcal P(X) \to [0, \infty] met μ()=0\mu^*(\varnothing) = 0, monotoon en aftelbaar subadditief. Een verzameling AA heet μ\mu^*-meetbaar (Carathéodory) als ze elke verzameling additief splitst:

μ(E)=μ(EA)+μ(EA)voor elke EX\mu^*(E) = \mu^*(E \cap A) + \mu^*(E \setminus A) \qquad \text{voor elke } E \subseteq X

(\leq geldt altijd wegens de subadditiviteit; de inhoud zit in \geq).

Stelling 9.9 (Carathéodory)

De μ\mu^*-meetbare verzamelingen vormen een σ\sigma-algebra M\mathcal M, en μM\mu^*\restriction_{\mathcal M} is een maat. Bovendien behoort elke verzameling met μ(N)=0\mu^*(N) = 0 tot M\mathcal M (de maat is volledig).

Bewijs. M\mathcal M bevat \varnothing en is gesloten onder complementvorming (de definiërende voorwaarde is symmetrisch in AA en XAX\setminus A). Eindige verenigingen: zij A,BMA, B \in \mathcal M en EE willekeurig; splits EE met AA en daarna elk stuk met BB:

μ(E)=μ(EAB)+μ(EAB)+μ(EBA)+μ(E(AB)).\mu^*(E) = \mu^*(E\cap A\cap B) + \mu^*(E\cap A\setminus B) + \mu^*(E\cap B\setminus A) + \mu^*(E\setminus(A\cup B)).

De eerste drie stukken overdekken E(AB)E \cap (A \cup B), dus geeft de subadditiviteit μ(E)μ(E(AB))+μ(E(AB))\mu^*(E) \geq \mu^*(E\cap(A\cup B)) + \mu^*(E\setminus(A\cup B)): dus ABMA \cup B \in \mathcal M. Per inductie volgen de eindige verenigingen; en met de complementen zijn eindige disjunctheidsmanipulaties beschikbaar.

Additiviteit op M\mathcal M: voor disjuncte A,BMA, B \in \mathcal M en willekeurige EE is μ(E(AB))=μ(EA)+μ(EB)\mu^*(E\cap(A\sqcup B)) = \mu^*(E\cap A) + \mu^*(E \cap B) (splits met AA); en per inductie

μ(EknAk)=knμ(EAk).()\mu^*\Bigl(E \cap \bigsqcup_{k\leq n}A_k\Bigr) = \sum_{k\leq n}\mu^*(E\cap A_k). \tag{$*$}

Aftelbare verenigingen: zij (Ak)M(A_k) \subseteq \mathcal M disjunct (dat volstaat, door binnen de algebra M\mathcal M disjunct te maken), A=AkA = \bigsqcup A_k en EE willekeurig. Met knAkM\bigsqcup_{k\leq n}A_k \in \mathcal M en de monotonie:

μ(E)=μ(EknAk)+μ(EknAk)knμ(EAk)+μ(EA)\mu^*(E) = \mu^*\Bigl(E\cap\bigsqcup_{k\leq n}A_k\Bigr) + \mu^*\Bigl(E\setminus\bigsqcup_{k\leq n}A_k\Bigr) \geq \sum_{k \leq n}\mu^*(E\cap A_k) + \mu^*(E\setminus A)

volgens (*). Laat nn \to \infty gaan en gebruik de aftelbare subadditiviteit in de andere richting:

μ(E)kμ(EAk)+μ(EA)μ(EA)+μ(EA)μ(E):\mu^*(E) \geq \sum_{k}\mu^*(E\cap A_k) + \mu^*(E\setminus A) \geq \mu^*(E \cap A) + \mu^*(E\setminus A) \geq \mu^*(E):

alle ongelijkheden zijn gelijkheden. Dat bewijst zowel AMA \in \mathcal M als, met E=AE = A, de aftelbare additiviteit van μ\mu^* op M\mathcal M.

Nulverzamelingen: is μ(N)=0\mu^*(N) = 0, dan is voor elke EE: μ(EN)+μ(EN)0+μ(E)\mu^*(E \cap N) + \mu^*(E\setminus N) \leq 0 + \mu^*(E), dus NMN \in \mathcal M.

9.4 De lebesguemaat op R\R

Definitie 9.10

De lebesgue-buitenmaat van ARA \subseteq \R is

λ(A)=inf{n(bnan):An(an,bn)}\lambda^*(A) = \inf\Bigl\{\sum_{n} (b_n - a_n) : A \subseteq \bigcup_n \intoo{a_n}{b_n}\Bigr\}

(aftelbare overdekkingen met open intervallen).

Lemma 9.11

λ\lambda^* is een buitenmaat, invariant onder translaties, en λ(I)=(I)\lambda^*(I) = \ell(I) (de lengte) voor elk interval II.

Bewijs. Buitenmaat: \varnothing wordt door willekeurig kleine intervallen overdekt; de monotonie is duidelijk; en de subadditiviteit: gegeven overdekkingen van elke AnA_n tot op ε2n\varepsilon 2^{-n} van het infimum, overdekt hun vereniging An\bigcup A_n met totale lengte λ(An)+ε\leq \sum \lambda^*(A_n) + \varepsilon. Translatie-invariantie: verschuif de overdekkingen.

Lengte: het volstaat I=[a,b]I = \intcc ab te behandelen (de andere types verschillen in de eindpunten, die buitenmaat 00 hebben: overdek met piepkleine intervallen; en vergelijk dan met [a+ε,bε](a,b)\intcc{a+\varepsilon}{b - \varepsilon} \subseteq \intoo ab). λ([a,b])ba\lambda^*(\intcc ab) \leq b - a: overdek met (aε,b+ε)\intoo{a-\varepsilon}{b+\varepsilon}. Zij omgekeerd [a,b]n(an,bn)\intcc ab \subseteq \bigcup_n\intoo{a_n}{b_n}: wegens de compactheid (Borel–Lebesgue, Stelling 6.16) volstaan eindig veel intervallen, zeg I1,,INI_1, \dots, I_N. We tonen kN(bkak)ba\sum_{k\leq N}(b_k - a_k) \geq b - a aan met inductie naar NN: kies Ik1aI_{k_1} \ni a; is bk1>bb_{k_1} > b, dan zijn we klaar (bk1ak1>bab_{k_1} - a_{k_1} > b - a); anders wordt het segment [bk1,b]\intcc{b_{k_1}}b door de overige N1N - 1 intervallen overdekt, en geeft de inductie kk1(bkak)bbk1\sum_{k \neq k_1}(b_k - a_k) \geq b - b_{k_1}, terwijl bk1ak1>bk1ab_{k_1} - a_{k_1} > b_{k_1} - a: tel op.

Stelling 9.12 (Lebesguemaat)

Elke borelverzameling van R\R is λ\lambda^*-meetbaar. De beperking λ\lambda van λ\lambda^* tot de σ\sigma-algebra L=MλB(R)\mathcal L = \mathcal M_{\lambda^*} \supseteq \mathcal B(\R) (de lebesgue-σ\sigma-algebra) is de unieke maat op B(R)\mathcal B(\R) die aan elk interval zijn lengte toekent; ze is translatie-invariant en σ\sigma-eindig.

Bewijs. Volgens Stelling 9.9 volstaat het aan te tonen dat elke halfrechte A=(,c)A = \intoo{-\infty}c λ\lambda^*-meetbaar is (de halfrechten brengen B\mathcal B voort, Definitie 9.2). Zij ERE \subseteq \R met λ(E)<\lambda^*(E) < \infty en InE\bigcup I_n \supseteq E een overdekking met (In)λ(E)+ε\sum\ell(I_n) \leq \lambda^*(E) + \varepsilon. Elke InI_n splitst in de twee intervallen In=InAI_n' = I_n \cap A en In=InAI_n'' = I_n\setminus A (een interval min een halfrechte is een interval) met (In)+(In)=(In)\ell(I_n') + \ell(I_n'') = \ell(I_n); de InI_n' overdekken EAE \cap A en de InI_n'' overdekken EAE \setminus A (vergroot elk tot een open interval van lengte +ε2n\ell + \varepsilon2^{-n} om binnen de definitie te blijven), dus

λ(EA)+λ(EA)n((In)+(In))+2ελ(E)+3ε.\lambda^*(E\cap A) + \lambda^*(E\setminus A) \leq \sum_n\bigl(\ell(I_n') + \ell(I_n'')\bigr) + 2\varepsilon \leq \lambda^*(E) + 3\varepsilon .

Eenduidigheid: twee maten die op het π\pi-systeem van de intervallen (a,b]\intoc ab met de lengte samenvallen (en er eindig zijn) vallen samen op σ(intervallen)=B\sigma(\text{intervallen}) = \mathcal B, volgens Stelling 9.7 met Pk=(k,k]P_k = \intoc{-k}k. σ\sigma-eindigheid: R=(k,k]\R = \bigcup(-k, k].

Stelling 9.13 (Regulariteit)

Voor elke ALA \in \mathcal L geldt

λ(A)=inf{λ(U):UA open}=sup{λ(K):KA compact}.\lambda(A) = \inf\{\lambda(U) : U \supseteq A \text{ open}\} = \sup\{\lambda(K) : K \subseteq A \text{ compact}\}.

Bewijs. Van buiten: een overdekking In\bigcup I_n met (In)λ(A)+ε\sum\ell(I_n) \leq \lambda(A) + \varepsilon is een open verzameling UAU \supseteq A met λ(U)λ(A)+ε\lambda(U) \leq \lambda(A) + \varepsilon (subadditiviteit); is λ(A)=\lambda(A) = \infty, dan is de uitspraak triviaal. Van binnen: zij AA eerst begrensd, A[M,M]A \subseteq [-M, M]. Kies een open U([M,M]A)U \supseteq ([-M,M]\setminus A) met λ(U)λ([M,M]A)+ε\lambda(U) \leq \lambda([-M,M]\setminus A) + \varepsilon; dan is K=[M,M]UK = [-M, M]\setminus U compact met KAK \subseteq A, en

λ(K)=λ([M,M])λ([M,M]U)λ([M,M])(λ([M,M])λ(A)+ε)=λ(A)ε.\lambda(K) = \lambda([-M,M]) - \lambda([-M,M]\cap U) \geq \lambda([-M,M]) - \bigl(\lambda([-M,M]) - \lambda(A) + \varepsilon\bigr) = \lambda(A) - \varepsilon .

Voor algemene AA: λ(A)=limMλ(A[M,M])\lambda(A) = \lim_M\lambda(A\cap[-M,M]) (continuïteit van onderen), en pas daarbinnen het begrensde geval toe.

Voorbeeld 9.14

De cantorverzameling (Oefening 6.10) heeft λ(C)=0\lambda(C) = 0: CCnC \subseteq C_n, een vereniging van 2n2^n intervallen van lengte 3n3^{-n}, dus λ(C)(2/3)n0\lambda(C) \leq (2/3)^n \to 0. Een overaftelbare nulverzameling — de kardinaliteit ziet de maat niet. Omgekeerd zijn dikke cantorverzamelingen (Oefening 9.5) nergens dicht met positieve maat: ook de topologie ziet de maat niet. De weekendopgave drijft dat samenspel tot zijn treffende conclusie: er bestaan lebesgue-meetbare verzamelingen die geen borelverzameling zijn.

Stelling 9.15 (Vitali)

Er bestaat geen maat op alle deelverzamelingen van R\R die translatie-invariant is en aan elk interval zijn lengte toekent. In het bijzonder is LP(R)\mathcal L \neq \mathcal P(\R): er bestaan niet-meetbare verzamelingen.

Bewijs. Stel dat μ\mu er een was. Beschouw op [0,1]\intcc01 de equivalentie xy    xyQx \sim y \iff x - y \in \Q; kies met het keuzeaxioma per klasse één representant in [0,1]\intcc01: een verzameling VV. Voor qQ[1,1]q \in \Q\cap\intcc{-1}1 zijn de translaten V+qV + q paarsgewijs disjunct (twee punten van VV die een rationaal getal verschillen zouden equivalent en toch verschillende representanten zijn), en

[0,1]qQ[1,1](V+q)[1,2]:\intcc01 \subseteq \bigsqcup_{q \in \Q\cap\intcc{-1}1}(V + q) \subseteq \intcc{-1}2 :

de eerste inclusie omdat elke x[0,1]x \in \intcc01 van haar representant vv verschilt met een rationaal getal q=xv[1,1]q = x - v \in \intcc{-1}1. De monotonie en de σ\sigma-additiviteit geven

1qμ(V+q)3,met μ(V+q)=μ(V) voor alle q.1 \leq \sum_{q}\mu(V + q) \leq 3, \qquad\text{met } \mu(V + q) = \mu(V) \text{ voor alle } q .

Een oneindige som van de constante μ(V)\mu(V) is 00 of \infty: beide grenzen kunnen niet tegelijk gelden. Zo’n μ\mu bestaat dus niet — en VLV \notin \mathcal L, want λ\lambda heeft op L\mathcal L alle gebruikte eigenschappen.

Opmerking 9.16

In R3\R^3 is het falen dramatischer: de paradox van Banach–Tarski ontbindt een bol in vijf stukken die zich, door rotaties en translaties, weer laten samenvoegen tot twee bollen van dezelfde straal — zodat er zelfs geen eindig additief, rotatie-invariant volume op alle deelverzamelingen van R3\R^3 bestaat. De stukken zijn uiteraard niet meetbaar. Meetbaarheid is geen bureaucratische voorzichtigheid; het is de grens van de samenhang.

Methode 9.17

Het principe van de goede verzamelingen: om te bewijzen dat alle verzamelingen van σ(E)\sigma(\mathcal E) een eigenschap hebben, toon je aan dat de goede verzamelingen een σ\sigma-algebra vormen (of een λ\lambda-systeem, als de eigenschap maattheoretisch is en E\mathcal E een π\pi-systeem — dan Dynkin) die E\mathcal E bevat. Bijna elk bewijs in dit hoofdstuk en het volgende is er een geval van. Om twee maten gelijk te bewijzen: controleer ze op een voortbrengend π\pi-systeem, plus σ\sigma-eindigheid (Stelling 9.7). Om een maat te bouwen: bouw met overdekkingen een buitenmaat en roep Carathéodory in.

9.5 Oefeningen

Oefening 9.1

(a) Toon aan dat {AX:A\{A \subseteq X : A of XAX\setminus A is aftelbaar}\} een σ\sigma-algebra is: die voortgebracht door de singletons. (b) Toon aan dat B(R)\mathcal B(\R) wordt voortgebracht door elk van: de open intervallen; de gesloten intervallen; de halfrechten (,a]\intoc{-\infty}a; en de halfrechten met aQa \in \Q. (c) Is de familie van de eindige disjuncte verenigingen van intervallen (a,b]\intoc ab een σ\sigma-algebra? Een algebra (gesloten onder complementvorming en eindige verenigingen)?

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.1.

(a) Complementvorming verwisselt de twee definiërende gevallen. Een aftelbare vereniging van aftelbare verzamelingen is aftelbaar; en is één lid co-aftelbaar, dan is de vereniging co-aftelbaar: de geslotenheid geldt dus. Ze bevat de singletons, en elke σ\sigma-algebra die die bevat, bevat alle aftelbare verzamelingen (aftelbare verenigingen) en hun complementen: ze is dus σ({singletons})\sigma(\{\text{singletons}\}).

(b) Schrijf B=σ(open verzamelingen)\mathcal B = \sigma(\text{open verzamelingen}). Elke open deelverzameling van R\R is een aftelbare vereniging van open intervallen met rationale eindpunten (kies rond elk rationaal punt van de open verzameling een interval met rationale straal erbinnen), dus liggen de open verzamelingen in σ(open intervallen)σ(rationale gegevens)\sigma(\text{open intervallen}) \subseteq \sigma(\text{rationale gegevens}). Omzettingen: (a,b)=n[a+1n,b1n]\intoo ab = \bigcup_n\intcc{a + \frac1n}{b - \frac1n}; [a,b]=n(a1n,b+1n)\intcc ab = \bigcap_n \intoo{a - \frac1n}{b + \frac1n}; (,a]=n(,a+1n)\intoc{-\infty}a = \bigcap_n \intoo{-\infty}{a + \frac1n} en omgekeerd (a,b)=(,b)(,a]\intoo ab = \intoo{-\infty}b \setminus \intoc{-\infty}a; en voor de rationale halfrechten: (,a]=qQ,q>a(,q]\intoc{-\infty}a = \bigcap_{q \in \Q,\, q > a}\intoc{-\infty}q. Elke familie brengt de andere voort met aftelbare bewerkingen: alle vier brengen B\mathcal B voort.

(c) Met alleen eindige eindpunten is de familie zelfs geen algebra: het complement van (0,1]\intoc01 bevat onbegrensde halfrechten. Laten we ook oneindige eindpunten toe ((,b]\intoc{-\infty}b, (a,+)\intoo a{+\infty}), dan wordt het een algebra (complementen en eindige verenigingen van zulke verenigingen zijn weer zo), maar geen σ\sigma-algebra: {0}=n(1n,0]\{0\} = \bigcap_n\intoc{-\frac1n}0 is geen eindige vereniging van niet-ontaarde intervallen.

Oefening 9.2

(a) Bewijs de in-en-uitsluiting voor een eindige maat: μ(AB)=μ(A)+μ(B)μ(AB)\mu(A\cup B) = \mu(A) + \mu(B) - \mu(A\cap B), en de versie met drie verzamelingen. (b) Geef een voorbeeld dat laat zien dat de continuïteit van boven (Propositie 9.6(d)) zonder de eindigheidsveronderstelling faalt. (c) Toon aan dat een aftelbare verzameling lebesguemaat nul heeft. Leid af dat λ(Q)=0\lambda(\Q) = 0 en λ([0,1]Q)=1\lambda(\intcc01\setminus\Q) = 1.

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.2.

(a) AB=A(B(AB))A \cup B = A \sqcup (B \setminus (A\cap B)), dus μ(AB)=μ(A)+μ(B)μ(AB)\mu(A\cup B) = \mu(A) + \mu(B) - \mu(A\cap B) (de eindigheid staat het aftrekken toe). Met drie verzamelingen: pas de formule voor twee tweemaal toe,

μ(ABC)=μ(A)μ(AB)+μ(ABC)\mu(A\cup B\cup C) = \sum\mu(A) - \sum\mu(A\cap B) + \mu(A\cap B\cap C)

(sommen over de voor de hand liggende indexverzamelingen).

(b) Voor de lebesguemaat is An=[n,+)A_n = [n, +\infty) \downarrow \varnothing, terwijl λ(An)=↛0\lambda(A_n) = \infty \not\to 0.

(c) Een punt ligt in een interval van lengte ε\varepsilon: dus λ({x})=0\lambda(\{x\}) = 0; en de aftelbare subadditiviteit doodt de aftelbare verzamelingen. Bijgevolg is λ(Q[0,1])=0\lambda(\Q \cap \intcc01) = 0 en, wegens de additiviteit, λ([0,1]Q)=1\lambda(\intcc01\setminus\Q) = 1: de irrationale getallen dragen de hele lengte.

Oefening 9.3 ★★

Zij μ,ν\mu, \nu kansmaten op B(R)\mathcal B(\R) met μ((,t])=ν((,t])\mu(\intoc{-\infty}t) = \nu(\intoc{-\infty}t) voor alle tRt \in \R. Toon aan dat μ=ν\mu = \nu. (Daarmee is de verdelingsfunctie F(t)=μ((,t])F(t) = \mu(\intoc{-\infty}t) een volledige invariant — de grondslag van Hoofdstuk 22.)

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.3.

De halfrechten (,t]\intoc{-\infty}t vormen een π\pi-systeem (de doorsnede van twee is de kleinste) dat B(R)\mathcal B(\R) voortbrengt (Oefening 9.1). De verzamelingen Pk=(,k]P_k = \intoc{-\infty}k stijgen naar R\R met μ(Pk)1<\mu(P_k) \leq 1 < \infty: Stelling 9.7 is van toepassing, en μ=ν\mu = \nu op B(R)\mathcal B(\R). De verdelingsfunctie legt de maat dus vast.

Oefening 9.4 ★★

(Borel–Cantelli, maatversie) Zij (An)(A_n) meetbaar met nμ(An)<\sum_n\mu(A_n) < \infty, en lim supAn=NnNAn\limsup A_n = \bigcap_N\bigcup_{n\geq N}A_n (de punten die tot oneindig veel AnA_n behoren). Toon aan dat μ(lim supAn)=0\mu(\limsup A_n) = 0. Toepassing: voor bijna elke x[0,1]x \in \intcc01 voldoen slechts eindig veel nn aan xp/qn4n\abs{x - p/q_n} \leq 4^{-n} voor het nn-de rationale getal p/qnp/q_n van een opsomming van Q[0,1]\Q\cap\intcc01.

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.4.

Voor elke NN is lim supAnnNAn\limsup A_n \subseteq \bigcup_{n \geq N}A_n, dus μ(lim supAn)nNμ(An)\mu(\limsup A_n) \leq \sum_{n\geq N}\mu(A_n), de staart van een convergente reeks: laat NN \to \infty gaan. Toepassing: met An={x[0,1]:xrn4n}A_n = \{x \in \intcc01 : \abs{x - r_n} \leq 4^{-n}\} (met rnr_n het nn-de rationale getal) is λ(An)24n\lambda(A_n) \leq 2\cdot4^{-n} sommeerbaar: dus λ(lim supAn)=0\lambda(\limsup A_n) = 0, dat wil zeggen bijna elke xx behoort tot slechts eindig veel AnA_n. (En toch is elke xx een limiet van rationale getallen: het gaat om de snelheid 4n4^{-n}.)

Oefening 9.5 ★★

(Dikke cantorverzameling) Herhaal de cantorconstructie op [0,1]\intcc01, maar haal in stap nn uit elk van de 2n12^{n-1} intervallen slechts een gecentreerd open interval van lengte 4n4^{-n} weg. Toon aan dat de resulterende K=KnK = \bigcap K_n compact is, een leeg inwendige heeft (geen enkel interval overleeft) en

λ(K)=1n12n14n=12:\lambda(K) = 1 - \sum_{n\geq1}2^{n-1}4^{-n} = \tfrac12 :

een nergens dichte verzameling van maat 12\frac12. Leid daaruit een magere deelverzameling van [0,1]\intcc01 van volle maat 11 af, en een open dichte deelverzameling van maat <ε< \varepsilon.

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.5.

K=KnK = \bigcap K_n is een doorsnede van eindige verenigingen gesloten intervallen: compact. In stap nn blijven 2n2^n intervallen van gemeenschappelijke lengte n2n\ell_n \leq 2^{-n} over (elke stap halveert en krimpt); een interval IKI \subseteq K zou voor elke nn binnen één interval van stap nn moeten liggen, wat (I)=0\ell(I) = 0 afdwingt: leeg inwendige. De weggehaalde maat is n12n14n=12n12n=12\sum_{n\geq1}2^{n-1}\cdot 4^{-n} = \frac12\sum_{n\geq1}2^{-n} = \frac12, en alle weghalingen zijn disjuncte open intervallen: λ(K)=12\lambda(K) = \frac12.

Variant: gecentreerde intervallen van lengte ε4n\varepsilon 4^{-n} weghalen laat een nergens dichte compacte K(ε)K^{(\varepsilon)} van maat 1ε21 - \frac\varepsilon2 over. Dan is mK(1/m)\bigcup_m K^{(1/m)} mager (aftelbare vereniging van nergens dichte verzamelingen) met maat supm(112m)=1\geq \sup_m(1 - \frac1{2m}) = 1: een magere verzameling van volle maat — en haar complement in (0,1)\intoo01 is een dichte GδG_\delta van maat 00 (topologisch dik, metrisch nul). Het complement van K(ε)K^{(\varepsilon)} in (0,1)\intoo01 is open, dicht en van maat ε2<ε\frac\varepsilon2 < \varepsilon.

Oefening 9.6 ★★

Zij μ\mu een maat op B(R)\mathcal B(\R), invariant onder translaties, met c=μ((0,1])<c = \mu(\intoc01) < \infty. Toon aan dat μ=cλ\mu = c\,\lambda op B(R)\mathcal B(\R). (Bereken μ\mu op dyadische intervallen door (0,1]\intoc01 in 2n2^n translaten te verdelen, en roep dan Stelling 9.7 in.)

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.6.

Snijd (0,1]\intoc01 in 2n2^n translaten van (0,2n]\intoc0{2^{-n}}: dan is c=2nμ((0,2n])c = 2^n\,\mu(\intoc0{2^{-n}}), dus μ((0,2n])=c2n=cλ((0,2n])\mu(\intoc0{2^{-n}}) = c\,2^{-n} = c\,\lambda(\intoc0{2^{-n}}). Met de translatie-invariantie en de additiviteit is μ=cλ\mu = c\lambda op elk interval (a,b]\intoc ab waarvan bab - a een dyadisch rationaal getal is, voor elke aa; en een algemene (a,b]\intoc ab is een stijgende vereniging van zulke (bkbb_k \uparrow b in dyadische stappen vanaf aa), zodat de continuïteit van onderen de gelijkheid uitbreidt. De intervallen (a,b]\intoc ab vormen een π\pi-systeem dat B(R)\mathcal B(\R) voortbrengt, met (k,k]R\intoc{-k}k \uparrow \R van eindige maat (μ((k,k])=2kc\mu(\intoc{-k}k) = 2kc): Stelling 9.7 geeft μ=cλ\mu = c\lambda op B(R)\mathcal B(\R).

Oefening 9.7 ★★

(Benadering) Zij ALA \in \mathcal L met λ(A)<\lambda(A) < \infty en ε>0\varepsilon > 0. Toon aan dat er een eindige vereniging van intervallen BB is met λ(AB)<ε\lambda(A\,\triangle\,B) < \varepsilon (\triangle is het symmetrische verschil). (Regulariteit: klem KAUK \subseteq A \subseteq U in en gebruik de structuur van de open UU als aftelbare vereniging van intervallen, plus de compactheid van KK.)

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.7.

Kies met de regulariteit (Stelling 9.13) KAUK \subseteq A \subseteq U met KK compact en UU open, en λ(UK)<ε\lambda(U\setminus K) < \varepsilon (beide benaderingen tot op ε/2\varepsilon/2, en λ(UK)=λ(UA)+λ(AK)\lambda(U \setminus K) = \lambda(U\setminus A) + \lambda(A \setminus K)). Schrijf UU als aftelbare disjuncte vereniging van open intervallen (In)(I_n) (de componenten van de open verzameling); de compacte KK wordt door eindig veel overdekt: KB=I1INUK \subseteq B = I_1\cup\dots\cup I_N \subseteq U. Dan is ABAKUKA \setminus B \subseteq A\setminus K \subseteq U\setminus K en BAUAUKB \setminus A \subseteq U \setminus A \subseteq U\setminus K: dus λ(AB)2λ(UK)\lambda(A\,\triangle\,B) \leq 2\lambda(U\setminus K) — begin bij ε/2\varepsilon/2 om onder ε\varepsilon uit te komen.

Oefening 9.8 ★★★

(Steinhaus) Zij ALA \in \mathcal L met λ(A)>0\lambda(A) > 0. Toon aan dat AA={xy:x,yA}A - A = \{x - y : x, y \in A\} een interval rond 00 bevat. (Herleid tot λ(A)<\lambda(A) < \infty; vind met regulariteit in de trant van Oefening 9.7 een interval II met λ(AI)>34(I)\lambda(A \cap I) > \frac34\ell(I); dan liggen voor t<12(I)\abs t < \frac12\ell(I) de verzamelingen AIA\cap I en (AI)+t(A\cap I) + t beide in een interval van lengte 32(I)\frac32\ell(I) met totale maat >32(I)> \frac32\ell(I): ze moeten elkaar snijden.)

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.8.

Vervang AA door A[M,M]A \cap [-M, M] met positieve maat (een zekere MM voldoet, wegens de continuïteit van onderen) en neem dus 0<λ(A)<0 < \lambda(A) < \infty. Neem UAU \supseteq A open met λ(U)<43λ(A)\lambda(U) < \frac43\lambda(A) en ontbind U=nInU = \bigsqcup_nI_n in disjuncte open intervallen: dan is λ(A)=nλ(AIn)\lambda(A) = \sum_n\lambda(A\cap I_n). Was voor elke nn λ(AIn)34(In)\lambda(A\cap I_n) \leq \frac34\ell(I_n), dan gaf sommeren λ(A)34λ(U)<λ(A)\lambda(A) \leq \frac34\lambda(U) < \lambda(A): er is dus een interval II met λ(AI)>34(I)\lambda(A\cap I) > \frac34\ell(I). Stel B=AIB = A \cap I en zij t<12(I)\abs t < \frac12\ell(I): dan liggen BB en B+tB + t beide in het interval I(I+t)I \cup (I + t), van lengte <32(I)< \frac32\ell(I). Waren ze disjunct, dan zou λ(B)+λ(B+t)=2λ(B)>32(I)\lambda(B) + \lambda(B + t) = 2\lambda(B) > \frac32\ell(I) de maat van dat omvattende interval overschrijden — onmogelijk. Dus B(B+t)B \cap (B + t) \neq \varnothing: een zekere xBx \in B schrijft zich als x=y+tx = y + t met yBy \in B, en t=xyAAt = x - y \in A - A. Bijgevolg is ((I)2,(I)2)AA\intoo{-\frac{\ell(I)}2}{\frac{\ell(I)}2} \subseteq A - A.

Oefening 9.9 ★★★

Toon aan dat elke ALA \in \mathcal L met λ(A)>0\lambda(A) > 0 een niet-meetbare deelverzameling bevat. (Snijd AA met de translaten V+qV + q van de verzameling van Vitali: waren alle A(V+q)A \cap (V+q) meetbaar, dan was elk van hen een nulverzameling volgens het argument van Stelling 9.15 — Steinhaus (Oefening 9.8) helpt: een meetbare verzameling van positieve maat binnen V+qV + q zou geven dat (V+q)(V+q)(V+q) - (V+q) een interval bevat, in strijd met het feit dat die verschilverzameling Q\Q alleen in 00 snijdt; besluit met de subadditiviteit.)

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.9.

De translaten (V+q)qQ(V + q)_{q\in\Q} van Vitali delen R\R op (elk reëel getal is met precies één representant equivalent). Stel dat alle verzamelingen Bq=A(V+q)B_q = A \cap (V + q) meetbaar waren. Twee elementen van V+qV + q verschillen een irrationaal getal of niets (twee verschillende representanten zijn niet equivalent), dus snijdt BqBqB_q - B_q de verzameling Q\Q alleen in {0}\{0\}: ze bevat geen interval, en Steinhaus (Oefening 9.8) dwingt λ(Bq)=0\lambda(B_q) = 0 af. Dan is λ(A)qλ(Bq)=0\lambda(A) \leq \sum_{q}\lambda(B_q) = 0, in strijd met λ(A)>0\lambda(A) > 0. Een zekere BqAB_q \subseteq A is dus niet meetbaar.

Oefening 9.10 ★★

Toon aan dat een ARA \subseteq \R met λ(A)<\lambda^*(A) < \infty lebesgue-meetbaar is dan en slechts dan als er voor elke ε>0\varepsilon > 0 een open UAU \supseteq A is met λ(UA)<ε\lambda^*(U \setminus A) < \varepsilon, en dan en slechts dan als er een GδG_\delta-verzameling GAG \supseteq A is met λ(GA)=0\lambda^*(G\setminus A) = 0. (Lebesgueverzamelingen zijn dus borelverzamelingen op nulverzamelingen na.)

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.10.

Meetbaar \Rightarrow ε\varepsilon-benadering: kies met de uitwendige regulariteit (Stelling 9.13) een open UAU \supseteq A met λ(U)λ(A)+ε\lambda(U) \leq \lambda(A) + \varepsilon; de meetbaarheid staat het aftrekken toe: λ(UA)=λ(U)λ(A)ε\lambda(U\setminus A) = \lambda(U) - \lambda(A) \leq \varepsilon. ε\varepsilon-versie \Rightarrow GδG_\delta-versie: neem UnU_n met λ(UnA)<1n\lambda^*(U_n\setminus A) < \frac1n en G=UnG = \bigcap U_n: een GδG_\delta met λ(GA)λ(UnA)0\lambda^*(G\setminus A) \leq \lambda^*(U_n\setminus A) \to 0. GδG_\delta-versie \Rightarrow meetbaar: GAG\setminus A is λ\lambda^*-nul en dus meetbaar wegens de volledigheid (Stelling 9.9), en A=G(GA)A = G \setminus (G\setminus A) is meetbaar (GG is een borelverzameling). Lebesgueverzamelingen zijn dus precies “borel op nulverzamelingen na”.

Oefening 9.11 ★★

(Continuïteit langs monotone limieten, en de scherpte ervan) (a) Toon aan dat voor meetbare verzamelingen μ(lim infAn)lim infμ(An)\mu(\liminf A_n) \leq \liminf\mu(A_n) (Fatou voor verzamelingen), en dat, als μ(An)<\mu\bigl(\bigcup A_n\bigr) < \infty, ook lim supμ(An)μ(lim supAn)\limsup\mu(A_n) \leq \mu(\limsup A_n). (b) Geef, voor de lebesguemaat op R\R, een rij met μ(An)=1\mu(A_n) = 1 voor alle nn en toch μ(lim supAn)=0\mu(\limsup A_n) = 0: de eindigheidshypothese in de tweede ongelijkheid is geen versiering. (c) Leid af: uit μ(An)<\sum\mu(A_n) < \infty volgt μ(lim supAn)=0\mu(\limsup A_n) = 0 (opnieuw Borel–Cantelli), en als de AnA_n stijgen of dalen (met μ(A1)<\mu(A_1) < \infty in het dalende geval), dan is μ(limAn)=limμ(An)\mu(\lim A_n) = \lim\mu(A_n).

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.11.

(a) lim infAn=NnNAn\liminf A_n = \bigcup_N\bigcap_{n\geq N}A_n is een stijgende vereniging van de verzamelingen BN=nNAnB_N = \bigcap_{n\geq N}A_n, dus is μ(lim infAn)=limNμ(BN)\mu(\liminf A_n) = \lim_N\mu(B_N) (continuïteit van onderen); en μ(BN)infnNμ(An)\mu(B_N) \leq \inf_{n \geq N}\mu(A_n), waarvan de limiet lim infμ(An)\liminf\mu(A_n) is. Voor de lim sup\limsup: pas hetzelfde toe op de complementen binnen de omgeving U=AnU = \bigcup A_n van eindige maat — de continuïteit van boven op de dalende CN=nNAnC_N = \bigcup_{n\geq N}A_n vergt μ(C1)μ(U)<\mu(C_1) \leq \mu(U) < \infty, en geeft μ(lim supAn)=limμ(CN)lim supμ(An)\mu(\limsup A_n) = \lim\mu(C_N) \geq \limsup\mu(A_n).

(b) Het bewegende interval An=[n,n+1]A_n = \intcc n{n+1}: elk punt behoort tot hoogstens twee van de AnA_n en uiteindelijk tot geen enkele, dus lim supAn=\limsup A_n = \varnothing; en toch is μ(An)=1\mu(A_n) = 1. Bijgevolg is lim supμ(An)=1>0=μ(lim supAn)\limsup\mu(A_n) = 1 > 0 = \mu(\limsup A_n): zonder omhulsel van eindige maat faalt de tweede ongelijkheid van (a) — de massa ontsnapt naar oneindig, waar geen vaste verzameling haar kan vangen.

(c) Is μ(An)<\sum\mu(A_n) < \infty, dan is μ(CN)nNμ(An)0\mu(C_N) \leq \sum_{n\geq N}\mu(A_n) \to 0 en heeft lim supAn=CN\limsup A_n = \bigcap C_N maat infμ(CN)=0\leq \inf\mu(C_N) = 0. Monotone gevallen: stijgend is de continuïteit van onderen; dalend met μ(A1)<\mu(A_1) < \infty is die van boven — beide bewezen bij de basiseigenschappen van Hoofdstuk 9; en het tegenvoorbeeld An=[n,)A_n = \intco n\infty (dalend naar \varnothing met μ\mu \equiv \infty) laat zien dat de eindigheid opnieuw wezenlijk is.

Oefening 9.12 ★★★

(Stelling van Egorov) Zij μ(X)<\mu(X) < \infty en fnff_n \to f puntsgewijs, alle meetbaar (reëelwaardig). Stel voor k,N1k, N \geq 1

Ek,N=nN{x:fn(x)f(x)1k}.E_{k,N} = \bigcap_{n \geq N}\Bigl\{x : \abs{f_n(x) - f(x)} \leq \tfrac1k\Bigr\} .

(a) Toon aan dat voor vaste kk geldt Ek,NXE_{k,N} \nearrow X als NN \to \infty, en leid een NkN_k af met μ(XEk,Nk)ε2k\mu(X \setminus E_{k,N_k}) \leq \varepsilon2^{-k}. (b) Besluit de stelling van Egorov: voor elke ε>0\varepsilon > 0 is er een meetbare AA met μ(XA)ε\mu(X\setminus A) \leq \varepsilon zodanig dat fnff_n \to f uniform op AA — puntsgewijze convergentie is uniforme convergentie buiten een willekeurig kleine verzameling. (c) Toon aan dat de stelling faalt op (R,λ)(\R, \lambda): de bewegende bulten fn=1[n,n+1]f_n = \mathbf 1_{\intcc n{n+1}} convergeren puntsgewijs naar 00 maar op geen enkel complement van een verzameling van eindige maat uniform. Waar gebruikte (a) dat μ(X)<\mu(X) < \infty?

Oplossing

Oplossing van Oefening 9.12.

(a) De verzamelingen Ek,NE_{k,N} stijgen met NN (minder voorwaarden), en elke xx voldoet vanaf zeker moment aan fn(x)f(x)1k\abs{f_n(x) - f(x)} \leq \frac1k voor alle nN(x)n \geq N(x) (puntsgewijze convergentie): dus NEk,N=X\bigcup_NE_{k,N} = X. Continuïteit van onderen: μ(Ek,N)μ(X)<\mu(E_{k,N}) \to \mu(X) < \infty, zodat μ(XEk,N)0\mu(X\setminus E_{k,N}) \to 0; kies NkN_k dienovereenkomstig.

(b) Zij A=kEk,NkA = \bigcap_kE_{k,N_k}: dan is μ(XA)kε2k=ε\mu(X\setminus A) \leq \sum_k\varepsilon2^{-k} = \varepsilon. Op AA geldt voor elke kk en alle nNkn \geq N_k dat supAfnf1k\sup_A\abs{f_n - f} \leq \frac1k — precies de uniforme convergentie op AA.

(c) Voor de bewegende bult vergt uniforme convergentie op AA dat AA vanaf zeker moment elke [n,n+1]\intcc n{n+1} mijdt — preciezer dwingt supAfn<12\sup_A\abs{f_n} < \frac12 af dat A[n,n+1]A \cap \intcc n{n+1} voor grote nn leeg is, zodat XAX \setminus A een staart nn0[n,n+1]\bigcup_{n\geq n_0}\intcc n{n+1} bevat, van oneindige maat. In (a) zette de eindigheid “Ek,NXE_{k,N}\nearrow X” om in “de maten van de complementen gaan naar 00”: de continuïteit van boven heeft een eindig begin nodig, en op ruimten van oneindige maat is juist de ontsnapping naar oneindig wat ze niet kan zien.

9.6 Probleem: de cantortrap en een meetbare verzameling die geen borelverzameling is

De cantortrap van Cantor en Vitali: constant op elk gat van de cantorverzameling, en toch continu klimmend van 0 naar 1. Haar afgeleide verdwijnt bijna overal — al het klimmen gebeurt op een nulverzameling.
De cantortrap van Cantor en Vitali: constant op elk gat van de cantorverzameling, en toch continu klimmend van 00 naar 11. Haar afgeleide verdwijnt bijna overal — al het klimmen gebeurt op een nulverzameling.

Probleem 9.1

Weekendopgave — de duivelstrap, en B(R)L\mathcal B(\R) \subsetneq \mathcal L

We construeren de functie van Cantor en Vitali (de duivelstrap), gebruiken haar om maat op pathologische wijze te vervoeren, en besluiten met een stelling die geen zacht argument oplevert: er bestaan lebesgue-meetbare verzamelingen die geen borelverzameling zijn. Notatie: CC is de cantorverzameling, CnC_n haar nn-de stadium (2n2^n intervallen van lengte 3n3^{-n}), en elke xCx \in C heeft ternaire cijfers x=2bn3nx = \sum 2b_n3^{-n} met bn{0,1}b_n \in \{0,1\} (Oefening 6.10).

Deel I — De trap. Definieer c0(x)=xc_0(x) = x en cn+1c_{n+1} uit cnc_n door

cn+1(x)={12cn(3x)0x13,1213x23,12+12cn(3x2)23x1.c_{n+1}(x) = \begin{cases} \tfrac12\,c_n(3x) & 0 \leq x \leq \tfrac13,\\[2pt] \tfrac12 & \tfrac13 \leq x \leq \tfrac23,\\[2pt] \tfrac12 + \tfrac12\,c_n(3x - 2) & \tfrac23 \leq x \leq 1. \end{cases}
  1. Toon aan dat elke cnc_n continu en niet-dalend is met cn(0)=0c_n(0) = 0 en cn(1)=1c_n(1) = 1, en dat cn+1cn12cncn1\norm{c_{n+1} - c_n}_\infty \leq \tfrac12\norm{c_n - c_{n-1}}_\infty.
  2. Leid af dat (cn)(c_n) uniform convergeert naar een continue, niet-dalende cc met c(0)=0c(0) = 0 en c(1)=1c(1) = 1 (de functie van Cantor en Vitali), die aan dezelfde zelfgelijkvormige betrekkingen voldoet als de cn+1c_{n+1} hierboven.
  3. Toon aan dat cc constant is op elke samenhangscomponent van [0,1]C\intcc01\setminus C, en dat voor x=n2bn3nCx = \sum_n 2b_n3^{-n} \in C geldt c(x)=nbn2nc(x) = \sum_n b_n2^{-n}: de trap leest cantorcijfers binair (de functie gg van Probleem 6.1, monotoon en globaal gemaakt).
  4. Leid af dat cc in elk punt van [0,1]C\intcc01\setminus C differentieerbaar is met c=0c' = 0: dus c=0c' = 0 λ\lambda-bijna overal (Voorbeeld 9.14). Besluit dat de hoofdstelling van de integraalrekening voor cc faalt:

    c(1)c(0)=10=01c(t) ⁣dtc(1) - c(0) = 1 \neq 0 = \int_0^1 c'(t)\,\dd t

    (de integraal over de verzameling van volle maat waar c=0c' = 0; vooruitlopend op Hoofdstuk 10: nulverzamelingen beïnvloeden integralen niet). Welke hypothese van de C1\mathcal C^1-hoofdstelling wordt geschonden?

  5. Toon aan dat c(C)=[0,1]c(C) = \intcc01: de nulverzameling CC wordt op een verzameling van volle maat afgebeeld.

Deel II — Het scheve homeomorfisme. Zij h(x)=c(x)+x2h(x) = \frac{c(x) + x}{2}.

  1. Toon aan dat h ⁣:[0,1][0,1]h \colon \intcc01 \to \intcc01 een homeomorfisme is (strikt stijgend, continu, surjectief).
  2. Toon aan dat λ(h([0,1]C))=12\lambda\bigl(h(\intcc01\setminus C)\bigr) = \tfrac12: op elk gat van lengte \ell werkt hh als een affiene afbeelding met helling 12\tfrac12, en de gaten hebben samen lengte 11.
  3. Leid af dat λ(h(C))=12\lambda\bigl(h(C)\bigr) = \tfrac12: het homeomorfe beeld van een nulverzameling kan positieve maat hebben. (Waar botst dat met de naïeve intuïtie over “grootte”?)

Deel III — Een meetbare verzameling die geen borelverzameling is.

  1. Kies met Oefening 9.9 een niet-meetbare Wh(C)W \subseteq h(C). Toon aan dat Z=h1(W)CZ = h^{-1}(W) \subseteq C lebesgue-meetbaar is. (Het is een deelverzameling van een nulverzameling; volledigheid, Stelling 9.9.)
  2. Toon aan dat het origineel van een borelverzameling onder een continue afbeelding een borelverzameling is. (Principe van de goede verzamelingen: {B:h1(B)B}\{B : h^{-1}(B) \in \mathcal B\} is een σ\sigma-algebra die de open verzamelingen bevat — let op de richting van de afbeelding.)
  3. Besluit dat ZZ geen borelverzameling is: was ze het, dan was W=(h1)1(Z)W = (h^{-1})^{-1}(Z) er een (pas vraag 10 toe op de continue h1h^{-1}) en dus meetbaar — tegenspraak. Bijgevolg is

     B(R)L \boxed{\ \mathcal B(\R) \subsetneq \mathcal L\ }

    en vergroot de volledigheid de borelwereld werkelijk.

  4. Geef een lebesgue-meetbare functie gg en een continue functie φ\varphi zodanig dat gφg \circ \varphi niet lebesgue-meetbaar is: meetbaarheid stelt zich, anders dan continuïteit, niet samen. (Neem g=1Zg = \mathbf 1_Z en φ=h1\varphi = h^{-1}, vooruitlopend op de definitie van meetbare functies uit Hoofdstuk 10: originelen van borelverzamelingen zijn lebesgueverzamelingen. Waar moet je oppassen met de vraag welke σ\sigma-algebra op het doel wordt gebruikt?)

Deel IV — Slotwoord.

  1. Orden de volgende klassen naar strikte inclusie en verantwoord elke striktheid met een voorbeeld uit dit hoofdstuk en zijn probleem: aftelbare verzamelingen; borelnulverzamelingen; lebesguenulverzamelingen; borelverzamelingen; lebesgueverzamelingen; willekeurige verzamelingen.

Deel V — De cantormaat: massa op een nulverzameling. De trap is de verdelingsfunctie van een opmerkelijke maat, die we nu met het gereedschap van dit hoofdstuk bouwen.

  1. (Lebesgue–Stieltjes, bestaan) Zij F ⁣:RRF\colon\R\to\R niet-dalend, continu en begrensd. Definieer op halfopen intervallen ρ((a,b])=F(b)F(a)\rho\bigl(\intoc ab\bigr) = F(b) - F(a) en, voor ARA \subseteq \R,

    μF(A)=inf{k(F(bk)F(ak)):Ak(ak,bk]}.\mu_F^*(A) = \inf\Bigl\{\sum_k\bigl(F(b_k) - F(a_k)\bigr) : A \subseteq \bigcup_k\intoc{a_k}{b_k}\Bigr\} .

    Toon aan dat μF\mu_F^* een buitenmaat is en dat μF((a,b])=F(b)F(a)\mu_F^*\bigl(\intoc ab\bigr) = F(b) - F(a) (boots het compactheidsargument van Stelling 9.12 na, waarbij je elke (ak,bk]\intoc{a_k}{b_k} tot een open interval vergroot tegen een FF-kost ε2k\leq \varepsilon2^{-k} — waar wordt de continuïteit van FF gebruikt?).

  2. Toon aan dat elke borelverzameling μF\mu_F^*-meetbaar is in de zin van Carathéodory (net als bij Lebesgue volstaat het de halfrechten te toetsen; volg het bewijs van de toepassing van Stelling 9.9), zodat μF=μF\mu_F = \mu_F^* beperkt tot B(R)\mathcal B(\R) een maat is met μF((a,b])=F(b)F(a)\mu_F(\intoc ab) = F(b) - F(a): de Lebesgue–Stieltjes-maat van FF.
  3. Pas dit toe op de trap (F=cF = c, voortgezet met 00 op R\R_- en 11 op [1,)\intco1\infty): de cantormaat μ\mu. Toon aan dat μ(R)=1\mu(\R) = 1, dat elk gat van de cantorverzameling μ\mu-nul is (cc is daar constant), en besluit

    μ(C)=1,λ(C)=0:\mu(C) = 1, \qquad \lambda(C) = 0 :

    μ\mu en λ\lambda leven op disjuncte dragers (CC en haar complement). Twee maten in die positie heten onderling singulier, genoteerd μλ\mu \perp \lambda.

  4. Toon aan dat μ\mu geen atomen heeft: μ({x})=0\mu(\{x\}) = 0 voor elke xx (de continuïteit van cc). Een atoomloze kansmaat gedragen door een lebesgue-nulle compacte verzameling: vergelijk met de tot nu toe geziene maten.
  5. (Munten gooien in vermomming) Zij voor een woord (ε1,,εm){0,1}m(\varepsilon_1, \dots, \varepsilon_m) \in \{0,1\}^m de verzameling CεC_{\varepsilon} die van de xCx \in C waarvan de ternaire cijfers voldoen aan bi(x)=εib_i(x) = \varepsilon_i voor imi \leq m (een van de 2m2^m cantorstukken van diepte mm). Toon aan dat μ(Cε)=2m\mu(C_\varepsilon) = 2^{-m} (de trap klimt 2m2^{-m} over dat stuk: gebruik Deel I, vraag 3). De cantormaat is de wet van een oneindige rij eerlijke muntworpen, ternair gelezen — Hoofdstuk 22 zal dat precies maken.
  6. Bewijs de zelfgelijkvormigheid: voor elke borelverzameling AA is

    μ(A)=12μ(3A)+12μ(3A2),\mu(A) = \tfrac12\,\mu(3A) + \tfrac12\,\mu(3A - 2) ,

    waarbij 3A2={3x2:xA}3A - 2 = \{3x - 2 : x \in A\} (controleer het op de voortbrengende intervallen (a,b]\intoc ab via de zelfgelijkvormige betrekkingen van cc, en roep dan de eenduidigheid in, Stelling 9.7).

  7. Toon aan dat de spiegeling s(x)=1xs(x) = 1 - x de maat μ\mu bewaart: μ(s(A))=μ(A)\mu(s(A)) = \mu(A) (via c(1x)=1c(x)c(1 - x) = 1 - c(x), wat uit de symmetrie van de constructie volgt — bewijs dat).
  8. Bereken de eerste twee momenten van μ\mu, dat wil zeggen van een toevallig punt XX met wet μ\mu (de integralen mogen als limieten van sommen over de stukken van diepte mm behandeld worden, vooruitlopend op Hoofdstuk 10): de symmetrie geeft x ⁣dμ=12\int x\,\dd\mu = \frac12, en de zelfgelijkvormigheid geeft

    x2 ⁣dμ=38,en dusVar(X)=18.\int x^2\,\dd\mu = \frac38, \qquad\text{en dus}\qquad \operatorname{Var}(X) = \frac18 .

    Vergelijk met de uniforme wet op [0,1]\intcc01 (variantie 112\frac1{12}): de cantormassa, naar de randen geduwd, spreidt meer.

  9. Toon aan dat de (topologische) drager van μ\mu — de kleinste gesloten verzameling van volle maat — precies CC is.
  10. (Synthese) De trap cc is continu en niet-dalend en faalt toch voor de hoofdstelling van de integraalrekening (Deel I); en de maat μc\mu_c is een kansmaat, atoomloos, singulier ten opzichte van λ\lambda. Leg in een korte alinea uit hoe dat twee gezichten van één verschijnsel zijn, en formuleer de algemene moraal: niet-dalende functies corresponderen met maten (FμFF \leftrightarrow \mu_F), differentieerbaarheid bijna overal correspondeert met het “absoluut continue deel”, en cc is de standaardgetuige dat een continue FF helemaal geen absoluut continu deel hoeft te dragen.
  11. (De scherpe continuïteitsmodulus) Zij s=ln2ln3s = \frac{\ln 2}{\ln 3}. Toon aan dat cc hölder continu is met exponent ss:

    c(x)c(y)4xys(x,y[0,1]),\abs{c(x) - c(y)} \leq 4\,\abs{x - y}^{s} \qquad (x, y \in \intcc01),

    en dat geen enkele exponent t>st > s kan werken, ook niet lokaal. Leid de maattheoretische vorm af: voor elke xx en elke r(0,1]r \in \intoc01 is

    μ([xr,x+r])8rs.\mu\bigl(\intcc{x - r}{x + r}\bigr) \leq 8\,r^{s} .

    (Vergelijk een triadisch rooster van diepte mm met de schaal van xy\abs{x - y}; vraag 18 geeft de klim over elk stuk. De exponent ss is de hausdorffdimensie van CC, zoals latere cursussen zullen zeggen.)

  12. (Zelfgelijkvormigheid kenmerkt μ\mu) Bewijs de omkering van vraag 19: is ν\nu een kansmaat op B(R)\mathcal B(\R) gedragen door [0,1]\intcc01 die voldoet aan

    ν(A)=12ν(3A)+12ν(3A2)(AB(R)),\nu(A) = \tfrac12\,\nu(3A) + \tfrac12\,\nu(3A - 2) \qquad (A \in \mathcal B(\R)),

    dan is ν=μ\nu = \mu. (Herhaal de betrekking mm maal om ν\nu over de 2m2^m cantorstukken van diepte mm te spreiden, schat ν((a,b])\nu(\intoc ab) af tegen het aantal stukken binnen (a,b]\intoc ab, en laat mm \to \infty gaan; maak het af met Stelling 9.7.)

Oplossing

Oplossing van Probleem 9.1.

1. Inductie. Continuïteit: de drie formules komen in de aansluitpunten overeen (12cn(1)=12\frac12c_n(1) = \frac12 en 12+12cn(0)=12\frac12 + \frac12c_n(0) = \frac12); en elk stuk is continu. De monotonie en de randwaarden worden geërfd. Voor de contractieschatting: op [0,13][0,\frac13] is cn+1cn(x)=12cncn1(3x)12cncn1\abs{c_{n+1} - c_n}(x) = \frac12\abs{c_n - c_{n-1}}(3x) \leq \frac12\norm{c_n - c_{n-1}}_\infty; op het middelste derde is het verschil 00; en op het rechterderde net als op het linker.

2. cn+1cn2nc1c0\norm{c_{n+1} - c_n}_\infty \leq 2^{-n}\norm{c_1 - c_0}_\infty: de reeks van de aangroeiingen convergeert uniform, dus cncc_n \to c uniform; cc is continu, niet-dalend, c(0)=0c(0) = 0 en c(1)=1c(1) = 1 (alles blijft onder uniforme limieten behouden), en overgaan tot de limiet in de definiërende recursie laat zien dat cc zelf aan de drie zelfgelijkvormige identiteiten voldoet.

3. Wegens de middelste identiteit is c12c \equiv \frac12 op [13,23]\intcc{\frac13}{\frac23}, het eerste gat. Elk gat van CC is het beeld van dat eerste gat onder een samenstelling van de twee affiene contracties xx3x \mapsto \frac x3 en xx+23x\mapsto\frac{x + 2}3; en de identiteiten dragen de constantheid dienovereenkomstig over (met dyadische rationale waarden). Voor de cijferformule: zij x=n2bn3nCx = \sum_n 2b_n3^{-n} \in C; is b1=0b_1 = 0, dan is x[0,13]x \in [0,\frac13] en c(x)=12c(3x)c(x) = \frac12c(3x), waarbij 3x3x de cijfers (b2,b3,)(b_2, b_3, \dots) heeft; is b1=1b_1 = 1, dan is x[23,1]x \in [\frac23, 1] en c(x)=12+12c(3x2)c(x) = \frac12 + \frac12c(3x - 2), met dezelfde verschuiving. Per inductie zijn de eerste NN binaire cijfers van c(x)c(x) gelijk aan b1,,bNb_1, \dots, b_N voor elke NN: dus c(x)=nbn2nc(x) = \sum_nb_n2^{-n}.

4. Buiten CC is cc lokaal constant: differentieerbaar met afgeleide 00. En omdat λ(C)=0\lambda(C) = 0 (Voorbeeld 9.14), is c=0c' = 0 bijna overal. Toch is c(1)c(0)=1c(1) - c(0) = 1: de hoofdstelling in haar C1\mathcal C^1-vorm vergt dat cc overal differentieerbaar is met continue (of minstens integreerbare, plus absoluut continue — zie Hoofdstuk 10) afgeleide; cc is in de punten van CC niet differentieerbaar, en fundamenteler faalt cc voor de absolute continuïteit: ze klimt op een nulverzameling.

5. Gegeven y=nβn2n[0,1]y = \sum_n\beta_n2^{-n} \in \intcc01 (met βn{0,1}\beta_n \in \{0,1\}) heeft het punt x=n2βn3nCx = \sum_n2\beta_n3^{-n} \in C volgens vraag 3 dat c(x)=yc(x) = y: dus c(C)=[0,1]c(C) = \intcc01, een verzameling van maat 11 — de nulverzameling CC draagt via cc het hele interval.

6. hh is continu en strikt stijgend (xx is dat, cc is niet-dalend); h(0)=0h(0) = 0 en h(1)=1h(1) = 1, dus is hh volgens de tussenwaardestelling een continue bijectie van [0,1]\intcc01; en een continue bijectie van een compacte ruimte naar een hausdorffruimte is een homeomorfisme (Gevolg 6.14).

7. Op een gat (u,v)(u, v) (lengte \ell) is cc constant, dus is hh affien met helling 12\frac12: h((u,v))h((u,v)) is een interval van lengte 2\frac\ell2. De gaten zijn disjunct en hh is injectief: de beelden zijn dus disjunct, met totale maat 12=12(1λ(C))=12\frac12\sum\ell = \frac12(1 - \lambda(C)) = \frac12.

8. h([0,1])=[0,1]h(\intcc01) = \intcc01 en h(C)h(C) is compact (continu beeld) en dus meetbaar, met

λ(h(C))=1λ(h([0,1]C))=112=12.\lambda\bigl(h(C)\bigr) = 1 - \lambda\bigl(h(\intcc01\setminus C)\bigr) = 1 - \tfrac12 = \tfrac12 .

Een homeomorfisme kan een nulverzameling dus tot maat 12\frac12 opblazen: “topologische grootte” (categorie, dimensie) en “maat” worden door homeomorfismen heel verschillend vervoerd — alleen de eerste is een topologische invariant.

9. Z=h1(W)h1(h(C))=CZ = h^{-1}(W) \subseteq h^{-1}(h(C)) = C heeft λ(Z)λ(C)=0\lambda^*(Z) \leq \lambda(C) = 0: een nulverzameling, en dus lebesgue-meetbaar wegens de volledigheid (Stelling 9.9).

10. Zij φ\varphi continu en D={B:φ1(B)B}\mathcal D = \{B : \varphi^{-1}(B) \in \mathcal B\}. Originelen verdragen zich met complementen en aftelbare verenigingen, dus is D\mathcal D een σ\sigma-algebra; en ze bevat de open verzamelingen (continuïteit): dus DB\mathcal D \supseteq \mathcal B — originelen van borelverzamelingen onder continue afbeeldingen zijn borelverzamelingen.

11. Was ZZ een borelverzameling, pas dan vraag 10 toe op de continue φ=h1\varphi = h^{-1}: dan was φ1(Z)=h(Z)=W\varphi^{-1}(Z) = h(Z) = W een borelverzameling en dus lebesgue-meetbaar — in strijd met de keuze van WW. Dus ZLBZ \in \mathcal L \setminus \mathcal B: de σ\sigma-algebra van Lebesgue bevat die van Borel strikt.

12. g=1Zg = \mathbf 1_Z is lebesgue-meetbaar (ZLZ \in \mathcal L) en φ=h1\varphi = h^{-1} is continu, maar (gφ)1({1})=φ1(Z)=W(g\circ\varphi)^{-1}(\{1\}) = \varphi^{-1}(Z) = W is niet meetbaar: gφg \circ \varphi is dus niet lebesgue-meetbaar. De vereiste zorgvuldigheid: “lebesgue-meetbare functie” betekent dat originelen van borelverzamelingen in L\mathcal L landen; samenstellen vergt dat originelen van lebesgueverzamelingen lebesgueverzamelingen zijn, en dat verschaft continuïteit niet (hier is φ1(Z)L\varphi^{-1}(Z) \notin \mathcal L, hoewel φ\varphi een homeomorfisme is).

13. De ketens, met getuigen voor de striktheid:

{aftelbaar}{borelnul}{lebesguenul}LP(R),{borelnul}BL.\{\text{aftelbaar}\} \subsetneq \{\text{borelnul}\} \subsetneq \{\text{lebesguenul}\} \subsetneq \mathcal L \subsetneq \mathcal P(\R), \qquad \{\text{borelnul}\} \subsetneq \mathcal B \subsetneq \mathcal L .

Getuigen: CC is borel, nul en overaftelbaar (eerste gat); ZZ is lebesguenul maar geen borelverzameling (tweede, en binnen BL\mathcal B \subsetneq \mathcal L het zesde); een dikke cantorverzameling is borel, nergens dicht en van positieve maat (wat de nulverzamelingen van de borelverzamelingen scheidt); en de VV van Vitali ligt niet in L\mathcal L (het laatste gat). Maat, topologie en kardinaliteit snijden P(R)\mathcal P(\R) langs werkelijk verschillende lijnen.

14. Buitenmaat: μF()=0\mu_F^*(\varnothing) = 0 (overdek met een verdwijnend interval), de monotonie is duidelijk, en de aftelbare subadditiviteit volgt door ε2k\varepsilon2^{-k}-optimale overdekkingen aaneen te lassen, precies als bij λ\lambda^*. De overdekking met één interval geeft μF((a,b])F(b)F(a)\mu_F^*(\intoc ab) \leq F(b) - F(a). Zij omgekeerd (a,b]k(ak,bk]\intoc ab \subseteq \bigcup_k\intoc{a_k}{b_k}. Kies wegens de continuïteit van FF een bk>bkb_k' > b_k met F(bk)F(bk)+ε2kF(b_k') \leq F(b_k) + \varepsilon2^{-k}, en een a(a,b)a' \in \intoo ab met F(a)F(a)+εF(a') \leq F(a) + \varepsilon. De compacte [a,b]\intcc{a'}b wordt door de open (ak,bk)\intoo{a_k}{b_k'} overdekt: eindig veel volstaan, en het kettingargument van Stelling 9.12 (loop van aa' naar bb via overlappende intervallen, telescopeer de FF-aangroeiingen, en laat de monotonie de overlappingen opslokken) levert F(b)F(a)k(F(bk)F(ak))k(F(bk)F(ak))+εF(b) - F(a') \leq \sum_k(F(b_k') - F(a_k)) \leq \sum_k(F(b_k) - F(a_k)) + \varepsilon. Laat ε0\varepsilon \to 0 gaan: gelijkheid. (De continuïteit van FF is wat het openen van de intervallen tegen willekeurig kleine FF-kost toestond.)

15. Het volstaat elke halfrechte Ht=(,t]H_t = \intoc{-\infty}t meetbaar in de zin van Carathéodory te bewijzen, want de meetbare verzamelingen vormen een σ\sigma-algebra (Stelling 9.9) en de halfrechten brengen B\mathcal B voort. Gegeven AA en een ε\varepsilon-optimale overdekking ((ak,bk])(\intoc{a_k}{b_k}) van AA: elk interval splitst als (ak,tbk](tak,bk]\intoc{a_k}{t\wedge b_k} \cup \intoc{t \vee a_k}{b_k} (één stuk eventueel leeg), waarbij de FF-kosten precies optellen tot F(bk)F(ak)F(b_k) - F(a_k); de eerste stukken overdekken AHtA \cap H_t en de tweede AHtA \setminus H_t. Bijgevolg is μF(AHt)+μF(AHt)μF(A)+ε\mu_F^*(A\cap H_t) + \mu_F^*(A\setminus H_t) \leq \mu_F^*(A) + \varepsilon, en de omgekeerde ongelijkheid is de subadditiviteit. De resulterende maat tot B\mathcal B beperkt is de Lebesgue–Stieltjes-maat μF\mu_F.

16. μ(R)=limn(F(n)F(n))=10=1\mu(\R) = \lim_n(F(n) - F(-n)) = 1 - 0 = 1 (de continuïteit van de maat langs (n,n]\intoc{-n}n). Op een gat (u,v)\intoo uv van CC is cc constant, dus is elk halfopen deelinterval μ\mu-nul en daarmee ook het gat (aftelbare vereniging); en buiten [0,1]\intcc01 is cc eveneens constant. Bijgevolg is μ(RC)=0\mu(\R\setminus C) = 0 en μ(C)=1\mu(C) = 1, terwijl λ(C)=0\lambda(C) = 0 (Voorbeeld 9.14): elk van μ\mu en λ\lambda wordt gedragen door een verzameling die de andere nul noemt — onderling singulier.

17. μ({x})=limδ0μ((xδ,x])=lim(c(x)c(xδ))=0\mu(\{x\}) = \lim_{\delta\downarrow0} \mu(\intoc{x-\delta}x) = \lim(c(x) - c(x-\delta)) = 0 wegens de continuïteit van cc: geen atomen. μ\mu is dus een atoomloze kansmaat gedragen door een lebesgue-nulle compacte verzameling — niet diffuus met dichtheid zoals de beperkingen van λ\lambda, en niet atomair zoals de telmaten: een derde soort.

18. Het stuk CεC_\varepsilon overspant een ternair interval IεI_\varepsilon van lengte 3m3^{-m}, en Deel I, vraag 3 laat zien dat de trap over IεI_\varepsilon precies 2m2^{-m} klimt (de eerste mm binaire cijfers van cc liggen op ε\varepsilon vast, de rest doorloopt alles). Dus is μ(Cε)=μ(Iε)=c(rechteruiteinde)c(linkeruiteinde)=2m\mu(C_\varepsilon) = \mu(I_\varepsilon) = c(\text{rechteruiteinde}) - c(\text{linkeruiteinde}) = 2^{-m}: alle cijfercilinders van diepte mm hebben massa 2m2^{-m}, de wet van mm eerlijke munten.

19. Het rechterlid definieert de borelmaat ν=12(xx3)μ+12(xx+23)μ\nu = \frac12\,(x \mapsto \tfrac x3)_*\mu + \frac12\,(x \mapsto \tfrac{x+2}3)_*\mu, geëvalueerd in AA — een kansmaat. Puntsgewijs gaat men, met cc globaal voortgezet, geval voor geval (x0x \leq 0; de drie derden; x1x \geq 1) de identiteit

c(x)=12c(3x)+12c(3x2)c(x) = \tfrac12\,c(3x) + \tfrac12\,c(3x - 2)

na, bijvoorbeeld op [1/3,2/3]\intcc{1/3}{2/3}: 121+120=12=c(x)\frac12\cdot1 + \frac12\cdot0 = \frac12 = c(x). ν\nu evalueren op (a,b]\intoc ab geeft dus c(b)c(a)=μ((a,b])c(b) - c(a) = \mu(\intoc ab), en twee eindige maten die op het π\pi-systeem van de halfopen intervallen samenvallen, vallen samen op B\mathcal B (Stelling 9.7): ν=μ\nu = \mu.

20. Inductie naar nn: c0(1x)=1c0(x)c_0(1-x) = 1 - c_0(x), en heeft cnc_n de symmetrie, dan is voor x[0,1/3]x \in \intcc0{1/3}: cn+1(1x)=12+12cn(3(1x)2)=12+12cn(13x)=12+12(1cn(3x))=1cn+1(x)c_{n+1}(1 - x) = \frac12 + \frac12c_n(3(1-x) - 2) = \frac12 + \frac12c_n(1 - 3x) = \frac12 + \frac12(1 - c_n(3x)) = 1 - c_{n+1}(x); het middelste derde spiegelt om 12\frac12; en het rechterderde is het gespiegelde linkergeval. In de limiet is c(1x)=1c(x)c(1-x) = 1 - c(x). Beeldmaat: (sμ)((a,b])=μ([1b,1a))=c(1a)c(1b)(s_*\mu)(\intoc ab) = \mu(\intco{1-b}{1-a}) = c(1-a) - c(1-b) (μ\mu is atoomloos, vraag 17, dus kosten de randconventies niets) =(1c(a))(1c(b))=μ((a,b])= (1 - c(a)) - (1 - c(b)) = \mu(\intoc ab): dus sμ=μs_*\mu = \mu wegens de eenduidigheid.

21. Zij XμX \sim \mu (integralen van continue functies tegen μ\mu bestaan als limieten van sommen van riemanntype over de stukken van diepte mm, elk van massa 2m2^{-m}, met een bemonsteringsfout oscf3m\leq \operatorname{osc} \leq \norm{f'}_\infty3^{-m}; Hoofdstuk 10 zal dit systematiseren). Symmetrie: 1XX1 - X \sim X, dus EX=12\E X = \frac12. Zelfgelijkvormigheid: XX heeft met kans 12\frac12 de wet van Y3\frac Y3 en met kans 12\frac12 die van Y+23\frac{Y+2}3, met YμY \sim \mu, zodat

EX2=12EY29+12EY2+4EY+49=2EX2+618,\E X^2 = \frac12\,\frac{\E Y^2}9 + \frac12\, \frac{\E Y^2 + 4\E Y + 4}{9} = \frac{2\E X^2 + 6}{18},

waaruit EX2=38\E X^2 = \frac38 en VarX=3814=18\operatorname{Var}X = \frac38 - \frac14 = \frac18. De uniforme wet heeft variantie 112<18\frac1{12} < \frac18: de cantormassa kruipt tegen de uiteinden aan.

22. CC is gesloten en μ(C)=1\mu(C) = 1. Snijdt een open II de verzameling CC in xx, dan krimpen de stukken van diepte mm die xx bevatten naar xx, zodat een zekere IεII_\varepsilon \subseteq I en μ(I)2m>0\mu(I) \geq 2^{-m} > 0: geen kleinere gesloten verzameling kan μ\mu dragen. Punten buiten CC hebben gatomgevingen van μ\mu-maat 00. Bijgevolg is suppμ=C\operatorname{supp}\mu = C precies.

23. Eén verschijnsel, twee dialecten. Deel I zegt dat de groei van cc onzichtbaar is voor haar afgeleide: c=0c' = 0 bijna overal, terwijl al het klimmen op de nulverzameling CC is geconcentreerd. Deel V zegt dat de bijbehorende maat μc\mu_c al haar massa op diezelfde nulverzameling legt: μcλ\mu_c \perp \lambda, zodat geen dichtheid f0f \geq 0 aan μc(A)=Af ⁣dλ\mu_c(A) = \int_Af\,\dd\lambda kan voldoen — een dichtheid dwingt immers verdwijning op λ\lambda-nulverzamelingen af. Het woordenboek: niet-dalende begrensde FF \leftrightarrow eindige maat μF\mu_F (vragen 14–15); FF een integraal van haar afgeleide \leftrightarrow μF\mu_F heeft een dichtheid (het “absoluut continue” geval); en in het algemeen vindt FF', dat voor monotone FF bijna overal bestaat (de differentiatiestelling van Lebesgue, buiten dit hoofdstuk), alleen het dichtheidsdeel terug. De trap is het uiterste: continu, met afgeleide 00 bijna overal — haar maat is zuiver singulier, en de hoofdstelling van de integraalrekening faalt niet bij toeval maar precies met het bedrag μc(R)=1\mu_c(\R) = 1 aan singuliere massa.

24. Leg x<yx < y in [0,1]\intcc01 vast en kies m0m \geq 0 met 3(m+1)<yx3m3^{-(m+1)} < y - x \leq 3^{-m}. Over elk triadisch interval [k3m,(k+1)3m]\intcc{k3^{-m}}{(k+1)3^{-m}} klimt de trap hoogstens 2m2^{-m}: zo’n interval is ofwel een van de 2m2^m stukken van CmC_m, waar de klim precies 2m2^{-m} is (vraag 18), ofwel ligt het in de afsluiting van één gat van een stadium m\leq m, waar cc constant is. Omdat yx3my - x \leq 3^{-m}, snijdt [x,y]\intcc xy hoogstens twee opeenvolgende triadische intervallen van diepte mm, dus

c(y)c(x)22m=2(3m)s<2(3(yx))s=4(yx)s,c(y) - c(x) \leq 2\cdot2^{-m} = 2\bigl(3^{-m}\bigr)^{s} < 2\bigl(3(y - x)\bigr)^{s} = 4\,(y - x)^{s},

met 3s=23^{s} = 2 en 3m<3(yx)3^{-m} < 3(y - x). Optimaliteit: de eindpunten u<vu < v van een cantorstuk van diepte mm voldoen aan vu=3mv - u = 3^{-m} en c(v)c(u)=2m=(vu)sc(v) - c(u) = 2^{-m} = (v - u)^{s}; een höldergrens c(v)c(u)K(vu)t\abs{c(v) - c(u)} \leq K(v - u)^{t} met t>st > s zou K2m3mt=(3t/2)mK \geq 2^{-m}3^{mt} = (3^{t}/2)^{m} \to \infty afdwingen (want 3t>3s=23^{t} > 3^{s} = 2), en elk deelinterval van [0,1]\intcc01 bevat zulke stukken, zodat het falen ook lokaal is. Maatvorm: μ([xr,x+r])c(x+r)c(xr)4(2r)s=42srs8rs\mu\bigl(\intcc{x-r}{x+r}\bigr) \leq c(x + r) - c(x - r) \leq 4(2r)^{s} = 4\cdot2^{s}r^{s} \leq 8r^{s} (met cc tot R\R voortgezet als in vraag 16; μ\mu heeft geen atomen, vraag 17).

25. Schrijf S0(x)=x3S_0(x) = \frac x3 en S1(x)=x+23S_1(x) = \frac{x+2}3; de hypothese zegt ν=12(S0)ν+12(S1)ν\nu = \frac12(S_0)_*\nu + \frac12(S_1)_*\nu. Na mm herhalingen:

ν=2mw{0,1}m(Sw)ν,Sw=Sw1Swm.\nu = 2^{-m}\sum_{w \in \{0,1\}^m}(S_w)_*\nu, \qquad S_w = S_{w_1}\circ\dots\circ S_{w_m}.

Omdat ν\nu door [0,1]\intcc01 wordt gedragen en Sw([0,1])=IwS_w(\intcc01) = I_w het cantorstuk van diepte mm met index ww is, is elke (Sw)ν(S_w)_*\nu een kansmaat gedragen door IwI_w; en de 2m2^m stukken zijn paarsgewijs disjuncte gesloten intervallen van lengte 3m3^{-m}. Leg (a,b]\intoc ab vast en zij NmN_m het aantal stukken Iw(a,b]I_w \subseteq \intoc ab. Een stuk dat (a,b]\intoc ab snijdt zonder erin bevat te zijn, moet aa of bb bevatten, en een punt ligt in hoogstens één stuk, dus

2mNmν((a,b])2mNm+22m.2^{-m}N_m \leq \nu(\intoc ab) \leq 2^{-m}N_m + 2\cdot2^{-m}.

Dezelfde dubbele ongelijkheid geldt voor μ\mu (vraag 19 geeft dezelfde iteratie), met hetzelfde aantal NmN_m. Bijgevolg is ν((a,b])μ((a,b])2m+10\abs{\nu(\intoc ab) - \mu(\intoc ab)} \leq 2^{-m+1} \to 0: ν\nu en μ\mu vallen samen op het π\pi-systeem van de halfopen intervallen, en beide zijn kansmaten, dus geeft Stelling 9.7 dat ν=μ\nu = \mu. De trapmaat is dus het vaste punt van het middelingsschema met twee afbeeldingen — de uitspraak op maatniveau van de zelfgelijkvormigheid van CC.

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 395 begrippen in de begrippenlijst