Mathematics · Boek 5 · Bachelor Year 3

Universitaire wiskunde — Bachelor jaar 3

Universitaire wiskunde — Bachelor jaar 3 · Bachelor Year 3

4Lichaamsuitbreidingen en Galoistheorie

Is elke vergelijking oplosbaar door worteltrekking, zoals de abc-formule en de formules van Cardano voor de derde graad doen vermoeden? Kun je een hoek in drieën delen met liniaal en passer? Beide vragen, eeuwenlang open, worden — ontkennend — beantwoord door één idee van Évariste Galois: hang aan elke veelterm een eindige groep symmetrieën van haar wortels, en lees het antwoord van die groep af. Dit hoofdstuk bouwt het woordenboek: lichaamsuitbreidingen en graden, splitsingslichamen en algebraïsche afsluitingen, eindige lichamen (een volledige theorie — met de beloofde cycliciteit van Fq×\mathbb F_q^\times), separabiliteit, en dan de Galoiscorrespondentie zelf, met volledige bewijzen. De oogst: de onmogelijkheid van de klassieke constructies, de structuur van de cyclotomische lichamen, en de onoplosbaarheid van de vijfdegraadsvergelijking door worteltrekking — de enkelvoudigheid van A5A_5 uit Hoofdstuk 1 die haar doel treft.

4.1 Uitbreidingen, graad, algebraïciteit

Definitie 4.1

Een lichaamsuitbreiding L/KL/K is een lichaam LL dat KK als deellichaam bevat; LL is dan een KK-vectorruimte, en de graad [L:K][L:K] is de dimensie daarvan. De uitbreiding heet eindig als [L:K]<[L:K] < \infty. De karakteristiek van een lichaam is de voortbrenger 0\geq 0 van de kern van ZK\Z \to K, nn1n \mapsto n\cdot 1: die is 00 of een priemgetal pp; dienovereenkomstig bevat KK een kleinste deellichaam (priemlichaam) isomorf met Q\Q of met Fp=Z/pZ\mathbb F_p = \Z/p\Z.

Stelling 4.2 (Torenwet)

Is KLMK \subseteq L \subseteq M, dan is [M:K]=[M:L][L:K][M:K] = [M:L]\,[L:K]: is (ei)(e_i) een basis van LL over KK en (fj)(f_j) een basis van MM over LL, dan is (eifj)(e_if_j) een basis van MM over KK.

Bewijs. Voortbrengend: een xMx \in M schrijft zich als x=jλjfjx = \sum_j \lambda_jf_j met λjL\lambda_j \in L, en elke λj=iμijei\lambda_j = \sum_i \mu_{ij}e_i met μijK\mu_{ij} \in K: dus x=i,jμijeifjx = \sum_{i,j}\mu_{ij}e_if_j. Onafhankelijk: i,jμijeifj=0\sum_{i,j}\mu_{ij} e_if_j = 0 herschrijft zich als j(iμijei)fj=0\sum_j (\sum_i \mu_{ij}e_i)f_j = 0; de binnenste sommen liggen in LL en verdwijnen dus (de fjf_j zijn onafhankelijk over LL); daarna zijn alle μij=0\mu_{ij} = 0 (de eie_i zijn onafhankelijk over KK).

Definitie 4.3

Zij L/KL/K en αL\alpha \in L. Is er een PK[X]P \in K[X] met P0P \neq 0 en P(α)=0P(\alpha) = 0, dan heet α\alpha algebraïsch over KK; de monische voortbrenger πα\pi_\alpha van het ideaal {P:P(α)=0}\{P : P(\alpha) = 0\} van K[X]K[X] heet haar minimaalveelterm, een irreducibele veelterm (π=QR\pi = QR met Q(α)=0Q(\alpha) = 0 dwingt RR constant af wegens de minimaliteit van de graad). Anders heet α\alpha transcendent. We schrijven K(α)K(\alpha) voor het kleinste deellichaam van LL dat KK en α\alpha bevat, en K[α]K[\alpha] voor de kleinste zulke deelring.

Stelling 4.4

Is α\alpha algebraïsch over KK met d=degπαd = \deg\pi_\alpha, dan is

K(α)=K[α]K[X]/(πα),[K(α):K]=d,K(\alpha) = K[\alpha] \cong K[X]/(\pi_\alpha), \qquad [K(\alpha) : K] = d,

met basis 1,α,,αd11, \alpha, \dots, \alpha^{d-1}. Omgekeerd is, zodra [L:K]<[L:K] < \infty, elke αL\alpha \in L algebraïsch van een graad degπα\deg \pi_\alpha die [L:K][L:K] deelt.

Bewijs. De evaluatie K[X]LK[X] \to L, PP(α)P \mapsto P(\alpha), heeft beeld K[α]K[\alpha] en kern (πα)(\pi_\alpha); omdat πα\pi_\alpha irreducibel is, is K[X]/(πα)K[X]/(\pi_\alpha) een lichaam (Propositie 2.4: in het hoofdideaaldomein K[X]K[X] brengt een irreducibel element een maximaal ideaal voort), dus is K[α]K[\alpha] een lichaam dat KK en α\alpha bevat: het is gelijk aan K(α)K(\alpha). De klassen van 1,X,,Xd11, X, \dots, X^{d-1} vormen een basis van het quotiënt (euclidische deling), waaruit de basis en de graad volgen. Omgekeerd, is [L:K]=n<[L:K] = n < \infty, dan zijn 1,α,,αn1, \alpha, \dots, \alpha^n afhankelijk, wat een annihilerende veelterm levert; en dan deelt [K(α):K]=degπα[K(\alpha):K] = \deg\pi_\alpha het getal nn volgens de torenwet.

Gevolg 4.5

Zijn α\alpha en β\beta algebraïsch over KK, dan ook α±β\alpha \pm \beta, αβ\alpha\beta en α/β\alpha/\beta (voor β0\beta \ne 0): de elementen van LL die algebraïsch zijn over KK vormen een deellichaam van LL. Bovendien is algebraïciteit transitief: algebraïsch over algebraïsch is algebraïsch.

Bewijs. K(α,β)=(K(α))(β)K(\alpha, \beta) = (K(\alpha))(\beta) is eindig over K(α)K(\alpha) (β\beta is algebraïsch over KK(α)K \subseteq K(\alpha)) en K(α)/KK(\alpha)/K is eindig: volgens de torenwet is [K(α,β):K]<[K(\alpha,\beta):K] < \infty, en is elk element van K(α,β)K(\alpha, \beta) — de vier genoemde inbegrepen — algebraïsch (Stelling 4.4). Transitiviteit: is β\beta algebraïsch over LL en L/KL/K algebraïsch, dan brengen de coëfficiënten c0,,cm1c_0, \dots, c_{m-1} van πβ/L\pi_{\beta/L} een eindige uitbreiding F=K(c0,,cm1)F = K(c_0, \dots, c_{m-1}) van KK voort (torenwet, herhaald), en F(β)/FF(\beta)/F is eindig: dus [F(β):K]<[F(\beta):K] < \infty en is β\beta algebraïsch over KK.

Voorbeeld 4.6

[Q(2):Q]=2[\Q(\sqrt2):\Q] = 2, [Q(23):Q]=3[\Q(\sqrt[3]2):\Q] = 3 (X32X^3 - 2 is irreducibel: Eisenstein), [Q(ζp):Q]=p1[\Q(\zeta_p):\Q] = p - 1 voor ζp=e2iπ/p\zeta_p = \eu^{2\iu\pi/p} (Φp\Phi_p is irreducibel, Voorbeeld 2.26). De torenwet is nu al een wapen: 23Q(2)\sqrt[3]2 \notin \Q(\sqrt2), want 323 \nmid 2.

4.2 Splitsingslichamen; algebraïsche afsluiting

Stelling 4.7 (Splitsingslichamen)

Zij PK[X]P \in K[X] niet-constant. Dan bestaat er een splitsingslichaam van PP over KK: een uitbreiding L=K(α1,,αn)L = K(\alpha_1, \dots, \alpha_n) voortgebracht door wortels van PP, waarin PP in lineaire factoren uiteenvalt. Het is uniek op KK-isomorfie na, en [L:K](degP)![L:K] \leq (\deg P)!.

Bewijs. Bestaan, met inductie naar degP\deg P: kies een irreducibele factor QQ van PP; het lichaam K1=K[X]/(Q)K_1 = K[X]/(Q) bevat de wortel α1=Xˉ\alpha_1 = \bar X van QQ, en dus van PP; schrijf P=(Xα1)P1P = (X - \alpha_1)P_1 over K1K_1 en pas de inductiehypothese toe op P1P_1 over K1K_1; de graden vermenigvuldigen tot hoogstens n(n1)=n!n(n-1)\cdots = n!.

Eenduidigheid volgt uit het sterkere lemma over het voortzetten van isomorfismen: zij σ ⁣:KK\sigma \colon K \to K' een isomorfisme, PK[X]P \in K[X], PσP^\sigma de veelterm met de afgebeelde coëfficiënten, en L,LL, L' splitsingslichamen van PP respectievelijk PσP^\sigma; dan zet σ\sigma zich voort tot een isomorfisme LLL \to L'. Inductie naar [L:K][L:K]: valt PP al in KK uiteen, dan is L=KL = K en L=KL' = K' (PσP^\sigma valt uiteen in KK', en LL' wordt door haar wortels voortgebracht). Kies anders een wortel αLK\alpha \in L \setminus K van een irreducibele factor QQ van PP met degQ2\deg Q \geq 2; dan is QσQ^\sigma een irreducibele factor van PσP^\sigma, met een wortel βL\beta \in L', en

K(α)K[X]/(Q) σ K[X]/(Qσ)K(β)K(\alpha) \cong K[X]/(Q) \xrightarrow{\ \sigma\ } K'[X]/(Q^\sigma) \cong K'(\beta)

zet σ\sigma voort met αβ\alpha \mapsto \beta. Nu is LL een splitsingslichaam van PP over K(α)K(\alpha) en LL' er een van PσP^\sigma over K(β)K'(\beta), met [L:K(α)]<[L:K][L : K(\alpha)] < [L:K]: de inductie zet verder voort tot LLL \to L'.

Definitie 4.8

Een lichaam Ω\Omega heet algebraïsch gesloten als elke niet-constante veelterm van Ω[X]\Omega[X] een wortel in Ω\Omega heeft (en er dus in uiteenvalt). Een algebraïsche afsluiting van KK is een algebraïsche uitbreiding Kˉ/K\bar K/K met Kˉ\bar K algebraïsch gesloten.

Stelling 4.9 (Steinitz)

Elk lichaam KK heeft een algebraïsche afsluiting, uniek op KK-isomorfie na.

Bewijs. Bestaan (de constructie van Artin). Zij R=K[(Xf)f]R = K[(X_f)_f] de veeltermring met één veranderlijke XfX_f per niet-constante monische fK[X]f \in K[X], en II het ideaal voortgebracht door alle f(Xf)f(X_f). II is een echt ideaal: een betrekking 1=i=1rgifi(Xfi)1 = \sum_{i=1}^r g_i\, f_i(X_{f_i}) betreft eindig veel veeltermen; kies in een gemeenschappelijk splitsingslichaam EE van f1frf_1\cdots f_r wortels αi\alpha_i van fif_i en evalueer XfiαiX_{f_i} \mapsto \alpha_i (de overige veranderlijken 0\mapsto 0): dan is 1=01 = 0, absurd. Zij mI\mathfrak m \supseteq I maximaal (Stelling 2.8; Zorn) en K1=R/mK_1 = R/\mathfrak m: een lichaamsuitbreiding van KK waarin elke niet-constante fK[X]f \in K[X] een wortel heeft, namelijk Xˉf\bar X_f, en die algebraïsch is over KK (ze wordt voortgebracht door de Xˉf\bar X_f, elk algebraïsch). Herhaal: KK1K2K \subseteq K_1 \subseteq K_2 \subseteq \cdots, waarbij Kn+1K_{n+1} met KnK_n doet wat K1K_1 met KK deed, en stel Ω=nKn\Omega = \bigcup_n K_n, een lichaam. Een niet-constante gΩ[X]g \in \Omega[X] heeft haar eindig veel coëfficiënten in een zekere KnK_n; een irreducibele factor van gg over KnK_n heeft een wortel in Kn+1ΩK_{n+1} \subseteq \Omega: dus is Ω\Omega algebraïsch gesloten, en algebraïsch over KK (elke KnK_n is dat, en dan transitiviteit, Gevolg 4.5): Ω\Omega is een algebraïsche afsluiting.

Eenduidigheid. Zij Ω,Ω\Omega, \Omega' twee algebraïsche afsluitingen. Beschouw de verzameling paren (E,τ)(E, \tau) met KEΩK \subseteq E \subseteq \Omega en τ ⁣:EΩ\tau\colon E \to \Omega' een KK-inbedding, geordend naar voortzetting; ze is niet leeg ((K,id)(K, \mathrm{id})) en inductief (vereniging van een keten), zodat Zorn een maximale (E0,τ0)(E_0, \tau_0) levert. Was E0ΩE_0 \neq \Omega, kies dan αΩE0\alpha \in \Omega\setminus E_0: πα/E0\pi_{\alpha/E_0} gaat over in een veelterm over τ0(E0)\tau_0(E_0) die in het algebraïsch gesloten Ω\Omega' een wortel β\beta heeft, en τ0\tau_0 zet zich voort tot E0(α)ΩE_0(\alpha) \to \Omega' (αβ\alpha \mapsto \beta), in strijd met de maximaliteit. Er is dus een KK-inbedding τ ⁣:ΩΩ\tau \colon \Omega \to \Omega'; haar beeld, isomorf met Ω\Omega, is algebraïsch gesloten, en Ω\Omega' is er algebraïsch over: voor xΩx \in \Omega' valt πx/τ(Ω)\pi_{x/\tau(\Omega)} over τ(Ω)\tau(\Omega) uiteen, dus xτ(Ω)x \in \tau(\Omega). Bijgevolg is τ\tau surjectief: een isomorfisme.

Opmerking 4.10

Voor K=QK = \Q kan men de transfiniete machinerie vermijden: de algebraïsche getallen Qˉ={zC:z algebraı¨sch over Q}\bar\Q = \{z \in \C : z \text{ algebraïsch over } \Q\} vormen een algebraïsche afsluiting — een deellichaam van C\C volgens Gevolg 4.5, algebraïsch gesloten omdat C\C het is (d’Alembert–Gauss, bewezen met complexe analyse in Hoofdstuk 16), en wortels van veeltermen over Qˉ\bar\Q zijn wegens de transitiviteit algebraïsch over Q\Q.

4.3 Eindige lichamen

Stelling 4.11

Zij pp priem, n1n \geq 1 en q=pnq = p^n.

  1. Een eindig lichaam heeft als kardinaliteit een priemmacht, en voor elke qq is er op isomorfie na precies één lichaam Fq\mathbb F_q met qq elementen: het splitsingslichaam van XqXX^q - X over Fp\mathbb F_p.
  2. De Frobenius F ⁣:xxpF \colon x \mapsto x^p is een automorfisme van Fq\mathbb F_q, en de automorfismegroep van Fq\mathbb F_q is cyclisch van orde nn, voortgebracht door FF.
  3. Fpm\mathbb F_{p^m} bedt zich in Fpn\mathbb F_{p^n} in dan en slechts dan als mnm \mid n.

Bewijs. (1) Een eindig lichaam EE heeft karakteristiek p>0p > 0 en is een eindigdimensionale Fp\mathbb F_p-vectorruimte: E=pn\abs E = p^n. Haar multiplicatieve groep heeft orde q1q - 1, dus voldoet elke xEx \in E aan xq=xx^q = x: EE bestaat uit qq wortels van XqXX^q - X en is er dus een splitsingslichaam van over Fp\mathbb F_p — wat EE op isomorfie na vastlegt (Stelling 4.7). Omgekeerd is in een splitsingslichaam LL van XqXX^q - X de verzameling EE van haar wortels een deellichaam: (x+y)q=xq+yq(x + y)^q = x^q + y^q door de droom van de eerstejaars (a+b)p=ap+bp(a+b)^p = a^p + b^p te herhalen (p(pk)p \mid \binom pk), en (xy)q=xqyq(xy)^q = x^qy^q, (x1)q=(xq)1(x^{-1})^q = (x^q)^{-1}; het heeft precies qq elementen omdat XqXX^q - X separabel is: haar afgeleide is qXq11=1qX^{q-1} - 1 = -1 (want pqp \mid q), onderling ondeelbaar met haar, dus zijn er geen meervoudige wortels. Bijgevolg heeft L=EL = E precies qq elementen.

(2) FF is een lichaamsmorfisme (droom van de eerstejaars) en injectief (lichamen), dus bijectief op het eindige Fq\mathbb F_q. Er geldt Fn=idF^n = \mathrm{id} (want xq=xx^q = x), en geen kleinere macht is de identiteit: Fm=idF^m = \mathrm{id} zou betekenen dat alle qq elementen wortels van XpmXX^{p^m} - X zijn, wat pmqp^m \geq q afdwingt. Dus is F\langle F\rangle cyclisch van orde nn; en er zijn geen andere automorfismen, wegens de hieronder bewezen grens Aut[Fq:Fp]=n\abs{\operatorname{Aut}} \leq [\,\mathbb F_q : \mathbb F_p\,] = n (Propositie 4.16 met L=FqL = \mathbb F_q en K=FpK = \mathbb F_p: automorfismen houden het priemlichaam vast).

(3) Is FpmFpn\mathbb F_{p^m} \subseteq \mathbb F_{p^n}, dan geeft de torenwet pn=(pm)dp^n = (p^m)^d: dus mnm \mid n. Is omgekeerd mnm \mid n, dan is pm1pn1p^m - 1 \mid p^n - 1 (meetkundige som), zodat XpmXX^{p^m} - X de veelterm XpnXX^{p^n} - X deelt (hetzelfde argument op de exponenten: Xa1Xb1X^{a} - 1 \mid X^{b} - 1 zodra aba \mid b), en vormen de wortels van de eerste binnen Fpn\mathbb F_{p^n} het gevraagde deellichaam, van kardinaliteit pmp^m (separabiliteit als in (1)).

Stelling 4.12 (Cycliciteit)

Elke eindige deelgroep van de multiplicatieve groep van een lichaam is cyclisch. In het bijzonder is Fq×Z/(q1)Z\mathbb F_q^\times \cong \Z/(q-1)\Z.

Bewijs. Zij GK×G \leq K^\times eindig. Volgens de structuurstelling (Gevolg 3.13) is GZ/d1××Z/dsG \cong \Z/d_1 \times \dots \times \Z/d_s met d1dsd_1 \mid \dots \mid d_s. Elke xGx \in G voldoet dan aan xds=1x^{d_s} = 1; maar Xds1X^{d_s} - 1 heeft hoogstens dsd_s wortels in het lichaam KK: dus G=d1dsds\abs G = d_1\cdots d_s \leq d_s, wat s=1s = 1 afdwingt: GG is cyclisch.

Voorbeeld 4.13

F8=F2[X]/(X3+X+1)\mathbb F_8 = \mathbb F_2[X]/(X^3 + X + 1): de derdegraadsveelterm heeft geen wortel in F2\mathbb F_2 en is dus irreducibel. Met ω=Xˉ\omega = \bar X is F8×\mathbb F_8^\times cyclisch van orde 77, zodat elk element 0,1\neq 0, 1 voortbrengt. De deellichamen van Fp12\mathbb F_{p^{12}} vormen het delertralie van 1212: Fp,Fp2,Fp3,Fp4,Fp6,Fp12\mathbb F_p, \mathbb F_{p^2}, \mathbb F_{p^3}, \mathbb F_{p^4}, \mathbb F_{p^6}, \mathbb F_{p^{12}} — een eerste, volledig geval van de Galoiscorrespondentie.

4.4 Separabiliteit en inbeddingen

Definitie 4.14

Een veelterm PK[X]P \in K[X] heet separabel als ze in een splitsingslichaam geen meervoudige wortel heeft — gelijkwaardig: gcd(P,P)=1\gcd(P, P') = 1 (een meervoudige wortel is een gemeenschappelijke wortel; omgekeerd is over het splitsingslichaam een gemeenschappelijke wortel meervoudig; en de grootste gemene deler verandert niet onder lichaamsuitbreiding, zie het argument bij Gevolg 3.17). Een algebraïsch element heet separabel als haar minimaalveelterm het is, en een uitbreiding L/KL/K heet separabel als al haar elementen het zijn.

Propositie 4.15

Een irreducibele PK[X]P \in K[X] is separabel, tenzij P=0P' = 0, wat charK=p>0\operatorname{char} K = p > 0 en PK[Xp]P \in K[X^p] afdwingt. Bijgevolg is elke algebraïsche uitbreiding van een lichaam van karakteristiek 00, en van een eindig lichaam, separabel (zulke lichamen heten perfect).

Bewijs. gcd(P,P)\gcd(P, P') deelt PP; is die niet 11, dan dwingt de irreducibiliteit gcd=P\gcd = P af (op een constante na), dus PPP \mid P' met degP<degP\deg P' < \deg P: bijgevolg P=0P' = 0. Schrijf P=akXkP = \sum a_kX^k: dan is kak=0ka_k = 0 voor alle kk, zodat PP in karakteristiek 00 constant is (uitgesloten), en in karakteristiek pp geldt ak=0a_k = 0 tenzij pkp \mid k: dus P=Q(Xp)P = Q(X^p). Over een eindig lichaam is elk element een pp-de macht (Frobenius is surjectief), zodat Q(Xp)=bkpXpk=(bkXk)pQ(X^p) = \sum b_k^p X^{pk} = (\sum b_kX^k)^p niet irreducibel is: ook daar kan P=0P' = 0 voor irreducibele PP niet voorkomen.

Propositie 4.16 (Inbeddingen tellen)

Zij L=K(α1,,αr)L = K(\alpha_1, \dots, \alpha_r) eindig over KK, en σ ⁣:KΩ\sigma \colon K \to \Omega een inbedding in een algebraïsch gesloten lichaam. Dan is het aantal voortzettingen van σ\sigma tot LL hoogstens [L:K][L:K], met gelijkheid als L/KL/K separabel is. In het bijzonder is AutK(L)[L:K]\abs{\operatorname{Aut}_K(L)} \leq [L:K].

Bewijs. Inductie naar [L:K][L:K] via enkelvoudige stappen. Voor L=K(α)L = K(\alpha) ligt een voortzetting τ\tau vast door τ(α)\tau(\alpha), dat een wortel in Ω\Omega van πασ\pi_\alpha^\sigma moet zijn; en omgekeerd geeft elke zulke wortel één voortzetting (K(α)K[X]/(πα)K(\alpha) \cong K[X]/(\pi_\alpha)). Het aantal voortzettingen is dus het aantal verschillende wortels van πασ\pi_\alpha^\sigma in Ω\Omega: hoogstens degπα=[K(α):K]\deg\pi_\alpha = [K(\alpha):K], met gelijkheid precies wanneer πα\pi_\alpha separabel is (de separabiliteit van πσ\pi^\sigma en van π\pi komen overeen: σ\sigma bewaart de grootste gemene deler met de afgeleide). In het algemeen splitsen we L=K(α1)(α2,)L = K(\alpha_1)(\alpha_2, \dots): er zijn [K(α1):K]\leq [K(\alpha_1):K] voortzettingen van σ\sigma tot K(α1)K(\alpha_1), en elk daarvan zet zich per inductie op [L:K(α1)]\leq [L : K(\alpha_1)] manieren voort; vermenigvuldig (torenwet). In het separabele geval zijn beide tellingen gelijkheden: de minimaalveeltermen over het grotere lichaam K(α1)K(\alpha_1) delen die over KK en blijven dus separabel.

Stelling 4.17 (Primitief element)

Elke eindige separabele uitbreiding is enkelvoudig: L=K(γ)L = K(\gamma) voor zekere γ\gamma.

Bewijs. Is KK eindig, dan is LL dat ook, en volstaat een voortbrenger γ\gamma van de cyclische groep L×L^\times (Stelling 4.12). Zij KK oneindig; per inductie volstaat het geval L=K(α,β)L = K(\alpha, \beta). Zij n=[L:K]n = [L:K]; volgens Propositie 4.16 zijn er nn verschillende KK-inbeddingen σ1,,σn ⁣:LΩ\sigma_1, \dots, \sigma_n \colon L \to \Omega (met Ω\Omega een algebraïsche afsluiting). De veelterm

D(T)=i<j[(σi(α)σj(α))+T(σi(β)σj(β))]D(T)=\prod_{i<j}\bigl[\bigl(\sigma_i(\alpha)-\sigma_j(\alpha) \bigr) + T\bigl(\sigma_i(\beta) - \sigma_j(\beta)\bigr)\bigr]

is niet identiek nul: een factor verdwijnt identiek alleen als σi\sigma_i en σj\sigma_j zowel op α\alpha als op β\beta samenvallen, en dus op LL — uitgesloten voor iji \neq j. Omdat KK oneindig is, kies cKc \in K met D(c)0D(c) \ne 0: dan zijn de nn elementen σi(α+cβ)\sigma_i(\alpha + c\beta) paarsgewijs verschillend, zodat γ=α+cβ\gamma = \alpha + c\beta minstens nn verschillende toegevoegden in Ω\Omega heeft, dat wil zeggen degπγn\deg \pi_\gamma \geq n: en [K(γ):K]n=[L:K][K(\gamma):K] \geq n = [L:K] dwingt L=K(γ)L = K(\gamma) af.

4.5 De Galoiscorrespondentie

Definitie 4.18

Een eindige uitbreiding L/KL/K heet Galois als ze het splitsingslichaam is van een separabele veelterm over KK. Haar Galoisgroep is Gal(L/K)=AutK(L)\operatorname{Gal}(L/K) = \operatorname{Aut}_K(L), de groep lichaamsautomorfismen van LL die KK puntsgewijs vasthouden.

Propositie 4.19

Is L/KL/K Galois, dan is Gal(L/K)=[L:K]\abs{\operatorname{Gal}(L/K)} = [L:K]; bovendien is L/FL/F Galois voor elk tussenliggend lichaam KFLK \subseteq F \subseteq L, en heeft elke FF-inbedding LΩLL \to \Omega \supseteq L als beeld LL (normaliteit).

Bewijs. Zij LL het splitsingslichaam van de separabele PP over KK, en leg een algebraïsche afsluiting ΩL\Omega \supseteq L vast. L/KL/K is separabel: ze wordt voortgebracht door wortels van PP; de separabiliteit van elk element volgt uit het gelijkheidsgeval hieronder, maar laten we rechtstreeks redeneren — Propositie 4.16, toegepast op de voortbrengers (wortels van de separabele PP, waarvan de minimaalveeltermen PP delen), levert precies [L:K][L:K] voortzettingen van KΩK \hookrightarrow \Omega (in de inductiestap deelt de minimaalveelterm van een wortel van PP over een tussenliggend lichaam nog steeds PP en is ze dus separabel). Elke zulke inbedding τ ⁣:LΩ\tau \colon L \to \Omega permuteert de wortels van PP (τ\tau houdt de coëfficiënten vast), en LL wordt door die wortels voortgebracht: dus τ(L)=L\tau(L) = L. Inbeddingen zijn bijgevolg automorfismen: Gal(L/K)=[L:K]\abs{\operatorname{Gal}(L/K)} = [L:K]. Voor een tussenliggend FF: LL is ook het splitsingslichaam van PP over FF, en PP blijft separabel, dus is L/FL/F Galois; hetzelfde argument geeft de normaliteit over FF.

Lemma 4.20 (Artin)

Zij GG een eindige groep automorfismen van een lichaam LL en K=LG={x:σ(x)=x σG}K = L^G = \{x : \sigma(x) = x\ \forall\sigma \in G\} haar vaste lichaam. Dan is [L:LG]G[L : L^G] \leq \abs G.

Bewijs. Zij n=Gn = \abs G en G={σ1,,σn}G = \{\sigma_1, \dots, \sigma_n\}, en stel dat x1,,xn+1Lx_1, \dots, x_{n+1} \in L lineair onafhankelijk zijn over KK. Het homogene lineaire stelsel van nn vergelijkingen in n+1n+1 onbekenden (cj)(c_j) over LL,

j=1n+1cjσi(xj)=0(i=1,,n),\sum_{j=1}^{n+1} c_j\,\sigma_i(x_j) = 0 \qquad (i = 1, \dots, n),

heeft een oplossing 0\neq 0; kies er een met de minste ingangen 0\neq 0, zeg c1,,cr0c_1, \dots, c_r \neq 0 (na hernummering), met r2r \geq 2 (één enkele cjσi(xj)=0c_j\sigma_i(x_j) = 0 is onmogelijk) en genormaliseerd tot cr=1c_r = 1. Niet alle cjc_j liggen in KK: de vergelijking voor σi=id\sigma_i = \mathrm{id} zou de onafhankelijkheid tegenspreken; zeg c1Kc_1 \notin K, zodat τ(c1)c1\tau(c_1) \ne c_1 voor zekere τG\tau \in G. Pas τ\tau toe op alle vergelijkingen: omdat τσi\tau\sigma_i heel GG doorloopt, is de vector (τ(cj))j(\tau(c_j))_j opnieuw een oplossing; door af te trekken is (cjτ(cj))j(c_j - \tau(c_j))_j een oplossing met minder ingangen 0\neq 0 (de rr-de ingang 11=01 - 1 = 0 verdwijnt, de eerste niet) en niet nul: tegenspraak. Elke n+1n+1 elementen zijn dus afhankelijk: [L:K]n[L:K] \leq n.

Stelling 4.21 (Hoofdstelling van de Galoistheorie)

Zij L/KL/K een Galoisuitbreiding met groep G=Gal(L/K)G = \operatorname{Gal}(L/K).

  1. LG=KL^G = K.
  2. De afbeeldingen HLHH \mapsto L^H en FGal(L/F)F \mapsto \operatorname{Gal}(L/F) zijn elkaars inverse, inclusieomkerende bijecties tussen de deelgroepen van GG en de tussenliggende lichamen KFLK \subseteq F \subseteq L; bovendien is [L:LH]=H[L : L^H] = \abs H en [LH:K]=[G:H][L^H : K] = [G : H].
  3. HGH \trianglelefteq G dan en slechts dan als LH/KL^H/K Galois is, en dan induceert beperking Gal(LH/K)G/H\operatorname{Gal} (L^H/K) \cong G/H.

Bewijs. (1) Uiteraard is KLGK \subseteq L^G. Zij omgekeerd αLK\alpha \in L \setminus K; we geven een σG\sigma \in G met σ(α)α\sigma(\alpha) \ne \alpha. De minimaalveelterm πα\pi_\alpha over KK heeft graad 2\geq 2 en is separabel (L/KL/K is separabel, Propositie 4.19), dus heeft ze in een algebraïsche afsluiting ΩL\Omega \supseteq L nog een wortel βα\beta \neq \alpha. Zet de KK-inbedding K(α)ΩK(\alpha) \to \Omega, αβ\alpha \mapsto \beta, voort tot een inbedding τ ⁣:LΩ\tau\colon L \to \Omega (Propositie 4.16); wegens de normaliteit (Propositie 4.19) is τ(L)=L\tau(L) = L, dus τG\tau \in G, β=τ(α)L\beta = \tau(\alpha) \in L en τ(α)α\tau(\alpha) \neq \alpha.

(2) Voor een deelgroep HH: L/LHL/L^H is Galois (Propositie 4.19), en Gal(L/LH)H\operatorname{Gal}(L/L^H) \supseteq H is triviaal, dus [L:LH]=Gal(L/LH)H[L:L^H] = \abs{\operatorname{Gal}(L/L^H)} \geq \abs H; het lemma van Artin geeft [L:LH]H[L:L^H] \leq \abs H: dus gelijkheid, en Gal(L/LH)=H\operatorname{Gal}(L/L^H) = H. Voor een tussenliggend lichaam FF geeft “L/FL/F Galois” dat LGal(L/F)=FL^{\operatorname{Gal}(L/F)} = F, via (1) toegepast op L/FL/F. De twee afbeeldingen zijn dus elkaars inverse; dat ze inclusies omkeren is evident. Graden: [L:LH]=H[L:L^H] = \abs H is zojuist bewezen, en [LH:K]=[L:K]/[L:LH]=G/H[L^H:K] = [L:K]/[L:L^H] = \abs G/\abs H.

(3) Voor σG\sigma \in G en HGH \leq G is σ(LH)=LσHσ1\sigma(L^H) = L^{\sigma H\sigma^{-1}} (rechtstreeks na te gaan). Wegens de bijectie geldt σ(LH)=LH\sigma(L^H) = L^H voor alle σ\sigma dan en slechts dan als HGH \trianglelefteq G. Is nu HGH \trianglelefteq G, stel dan F=LHF = L^H: elke σG\sigma \in G beperkt zich tot een automorfisme van FF, wat een morfisme ρ ⁣:GAutK(F)\rho \colon G \to \operatorname{Aut}_K(F) geeft met kern {σ:σF=id}=Gal(L/F)=H\{\sigma : \sigma\restriction_F = \mathrm{id}\} = \operatorname{Gal}(L/F) = H. Dus bedt G/HG/H zich in AutK(F)\operatorname{Aut}_K(F) in, waaruit AutK(F)[G:H]=[F:K]\abs{\operatorname{Aut}_K(F)} \geq [G:H] = [F:K]; de omgekeerde ongelijkheid geldt altijd (Propositie 4.16): dus AutK(F)=[F:K]\abs{\operatorname{Aut}_K(F)} = [F:K] en is ρ\rho surjectief. Rest nog dat F/KF/K Galois is: FF is separabel over KK (het ligt binnen de separabele L/KL/K) en F=K(γ)F = K(\gamma) (Stelling 4.17); de veelterm σG/H(Xσ(γ))\prod_{\sigma \in G/H}\bigl(X - \sigma(\gamma)\bigr) (product over de verschillende beelden, die in FF liggen: σ(F)=LσHσ1=LH=F\sigma(F) = L^{\sigma H\sigma^{-1}} = L^H = F wegens de normaliteit van HH) heeft coëfficiënten die door GG worden vastgehouden en dus volgens (1) in KK liggen: het is een separabele veelterm van K[X]K[X] die door FF wordt gesplitst, en haar wortels brengen FF voort: F/KF/K is Galois. Is omgekeerd F=LHF = L^H met F/KF/K Galois, dan geeft de normaliteit van FF (Propositie 4.19, toegepast op inbeddingen FΩF \to \Omega die van elementen van GG afkomstig zijn) dat σ(F)=F\sigma(F) = F voor alle σG\sigma \in G, dat wil zeggen HGH \trianglelefteq G.

De Galoiscorrespondentie voor het splitsingslichaam L van X3 - 2 over ℚ (met j = 2 π/3): de deelgroepen van Gal(L/ℚ) S_3 (links, in omgekeerde volgorde) horen bij de tussenliggende lichamen (rechts). De enige echte normaaldeler (1\,2\,3) correspondeert met de enige deeluitbreiding ℚ( √3)/ℚ die Galois is; de drie geconjugeerde deelgroepen (i\,j) corresponderen met de drie geconjugeerde derdegraadslichamen ℚ(jk√[3]2), waarvan geen enkele normaal is over ℚ.
De Galoiscorrespondentie voor het splitsingslichaam LL van X32X^3 - 2 over Q\Q (met j=e2iπ/3j = \eu^{2\iu\pi/3}): de deelgroepen van Gal(L/Q)S3\operatorname{Gal}(L/\Q) \cong S_3 (links, in omgekeerde volgorde) horen bij de tussenliggende lichamen (rechts). De enige echte normaaldeler (123)\langle(1\,2\,3)\rangle correspondeert met de enige deeluitbreiding Q(i3)/Q\Q(\iu\sqrt3)/\Q die Galois is; de drie geconjugeerde deelgroepen (ij)\langle(i\,j)\rangle corresponderen met de drie geconjugeerde derdegraadslichamen Q(jk23)\Q(j^k\sqrt[3]2), waarvan geen enkele normaal is over Q\Q.

4.6 Cyclotomische uitbreidingen

Definitie 4.22

Zij n1n \geq 1 en ζn=e2iπ/n\zeta_n = \eu^{2\iu\pi/n}. De nn-de cyclotomische veelterm is Φn=gcd(k,n)=1, 1kn(Xζnk)\Phi_n = \prod_{\gcd(k,n)=1,\ 1 \le k \le n} \bigl(X - \zeta_n^k\bigr), van graad φ(n)\varphi(n); groeperen we de wortels van Xn1X^n - 1 naar hun exacte orde, dan is Xn1=dnΦdX^n - 1 = \prod_{d \mid n}\Phi_d, wat inductief laat zien dat ΦnZ[X]\Phi_n \in \Z[X] (euclidische deling van monische gehele veeltermen).

Stelling 4.23

Φn\Phi_n is irreducibel over Q\Q; bijgevolg is [Q(ζn):Q]=φ(n)[\Q(\zeta_n) : \Q] = \varphi(n) en

Gal(Q(ζn)/Q)    (Z/nZ)×,σa(ζn)=ζna.\operatorname{Gal}\bigl(\Q(\zeta_n)/\Q\bigr) \;\cong\; (\Z/n\Z)^\times, \qquad \sigma_a(\zeta_n) = \zeta_n^a .

De uitbreiding Q(ζn)/Q\Q(\zeta_n)/\Q is dus Galois met een abelse groep.

Bewijs. Zij f=πζnf = \pi_{\zeta_n}, zodat Φn=fg\Phi_n = fg met f,gZ[X]f, g \in \Z[X] monisch (het lemma van Gauss, Lemma 2.23: de inhouden vermenigvuldigen, alle veeltermen zijn monisch). Bewering: is ζ\zeta een wortel van ff en pnp \nmid n priem, dan is ζp\zeta^p een wortel van ff. Anders is ζp\zeta^p een wortel van gg (het is een primitieve nn-de eenheidswortel), dus is ζ\zeta een wortel van g(Xp)g(X^p) en fg(Xp)f \mid g(X^p) in Z[X]\Z[X] (minimaalveelterm, en dan opnieuw Gauss). Reduceer modulo pp: gˉ(Xp)=gˉ(X)p\bar g(X^p) = \bar g(X)^p (Frobenius op Fp[X]\mathbb F_p[X]: per coëfficiënt is ap=aa^p = a, plus de droom van de eerstejaars), dus fˉgˉp\bar f \mid \bar g^{\,p}: fˉ\bar f en gˉ\bar g delen een irreducibele factor, en Φˉn=fˉgˉ\bar\Phi_n = \bar f\bar g heeft dus een meervoudige factor. Dan geldt dat ook voor Xn1ˉX^n - \bar 1; maar de afgeleide nˉXn1\bar nX^{n-1} is er onderling ondeelbaar mee (pnp \nmid n, en 00 is geen wortel): tegenspraak.

Elke primitieve wortel ζnk\zeta_n^k (met gcd(k,n)=1\gcd(k, n) = 1) wordt uit ζn\zeta_n verkregen door achtereenvolgens priemmachten te nemen die nn niet delen (ontbind kk): de bewering plant zich voort, dus is elke primitieve wortel een wortel van ff, waaruit f=Φnf = \Phi_n, irreducibel. Bijgevolg is [Q(ζn):Q]=φ(n)[\Q(\zeta_n):\Q] = \varphi(n), en is Q(ζn)\Q(\zeta_n) het splitsingslichaam van de separabele Xn1X^n - 1 (alle wortels zijn machten van ζn\zeta_n): Galois. Een automorfisme σ\sigma stuurt ζn\zeta_n naar een andere primitieve wortel ζna(σ)\zeta_n^{a(\sigma)}, en σa(σ)\sigma \mapsto a(\sigma) is een injectief morfisme naar (Z/nZ)×(\Z/n\Z)^\times; beide groepen hebben orde φ(n)\varphi(n): dus een isomorfisme.

4.7 Liniaal en passer

Definitie 4.24

Vereenzelvig het vlak met C\C en begin met {0,1}\{0, 1\}. Een punt heet construeerbaar als het te verkrijgen is door eindig veel snijdingen van rechten door twee reeds geconstrueerde punten en cirkels met een geconstrueerd punt als middelpunt en als straal de afstand tussen twee geconstrueerde punten.

Stelling 4.25 (Wantzel)

Een zCz \in \C is construeerbaar dan en slechts dan als er een toren Q=F0F1Fr\Q = F_0 \subseteq F_1 \subseteq \dots \subseteq F_r bestaat met [Fi+1:Fi]=2[F_{i+1} : F_i] = 2 en zFrz \in F_r. In het bijzonder is een construeerbaar getal algebraïsch van een graad die een macht van 22 is over Q\Q.

Bewijs. (\Rightarrow) De coördinaten van het snijpunt van twee rechten door punten met coördinaten in een deellichaam FRF \subseteq \R lossen een lineair stelsel over FF op: ze blijven in FF. Snijdingen rechte–cirkel en cirkel–cirkel leiden, na eliminatie van het lineaire deel (de twee cirkelvergelijkingen van elkaar aftrekken geeft een rechte), tot een kwadratische vergelijking over FF: de nieuwe coördinaten liggen in FF of in F(d)F(\sqrt d) voor zekere dFd \in F met d>0d > 0. Per inductie heeft elk geconstrueerd punt coördinaten in een toren van kwadratische uitbreidingen van Q\Q; en ook z=x+iyz = x + \iu y ligt in zo’n toren (voeg i\iu toe: nog één kwadratische stap). Het gevolg voor de graad: [Q(z):Q][\Q(z):\Q] deelt [Fr:Q]=2r[F_r : \Q] = 2^r (torenwet).

(\Leftarrow) De construeerbare getallen vormen een lichaam: sommen en verschillen met parallellogrammen (parallellen zijn construeerbaar: laat tweemaal een loodlijn neer en richt ze weer op — de klassieke loodlijn door een punt gebruikt één cirkel en twee bogen); producten en quotiënten met de configuraties van Thales (construeer bij gegeven lengten a,ba, b de lengten abab en a/ba/b met gelijkvormige driehoeken op twee halfrechten). En het lichaam is gesloten onder worteltrekking: voor a>0a > 0 snijden de cirkel met diameter 1+a1 + a en de loodlijn in het aansluitpunt elkaar op hoogte a\sqrt a (de hoogtestelling in een rechthoekige driehoek); en voor een complexe w=ρeiθw = \rho\eu^{\iu\theta} construeer je ρ\sqrt\rho en deel je θ\theta in tweeën (een hoek halveren is een passerconstructie). Reële en imaginaire delen van elementen van een kwadratische toren zijn dus per inductie op de toren construeerbaar: elke stap voegt wortels van een kwadratische vergelijking toe, uit te drukken met lichaamsbewerkingen en één vierkantswortel van een reeds geconstrueerd getal (de abc-formule; in karakteristiek 00).

Gevolg 4.26

De drie klassieke problemen zijn niet oplosbaar met liniaal en passer:

  1. Verdubbeling van de kubus: 23\sqrt[3]2 heeft graad 33, geen macht van 22.
  2. Driedeling van de hoek: een hoek van 6060^\circ in drieën delen vergt cos20\cos 20^\circ, een wortel van de irreducibele 8X36X18X^3 - 6X - 1: graad 33.
  3. Kwadratuur van de cirkel: π\sqrt\pi is transcendent (want π\pi is het — de stelling van Lindemann, hier zonder bewijs aangenomen: haar bewijs hoort in een cursus transcendentietheorie).

Verder is de regelmatige nn-hoek construeerbaar dan en slechts dan als φ(n)\varphi(n) een macht van 22 is (Gauss–Wantzel; het “als” gebruikt de methode van de weekendopgave, het “slechts dan” is Stelling 4.25 toegepast op ζn\zeta_n, van graad φ(n)\varphi(n)). Voor n=7n = 7 is φ(7)=6\varphi(7) = 6: de regelmatige zevenhoek is onmogelijk; voor n=17n = 17 is φ(17)=16=24\varphi(17) = 16 = 2^4: construeerbaar — en de weekendopgave construeert haar.

Bewijs. (1) X32X^3 - 2 is irreducibel (Eisenstein). (2) Uit cos3θ=4cos3θ3cosθ\cos 3\theta = 4\cos^3\theta - 3\cos\theta met 3θ=603\theta = 60^\circ volgt 8c36c=18c^3 - 6c = 1 voor c=cos20c = \cos 20^\circ; de derdegraadsveelterm 8X36X18X^3 - 6X - 1 heeft geen rationale wortel (de kandidaten ±1,±12,±14,±18\pm1, \pm\frac 12, \pm\frac14, \pm\frac18 falen) en is dus irreducibel: graad 33. Een hoek van 6060^\circ is in het algemeen construeerbaar, dus zou een driedeler cc construeren. (3) Was π\sqrt\pi construeerbaar, dan was het algebraïsch, en dus ook π\pi. De uitspraak over de nn-hoek: de graad van ζn\zeta_n is φ(n)\varphi(n) (Stelling 4.23); de noodzakelijkheid volgt uit Wantzel; en voor de toereikendheid bezit de Galoisgroep, abels van orde 2m2^m, een keten deelgroepen van index 22 (een eindige 22-groep heeft die: Oefening 1.10), waarvan de vaste lichamen een kwadratische toren vormen die eindigt in Q(ζn)\Q(\zeta_n) (Stelling 4.21); besluit met Stelling 4.25.

4.8 Oplosbaarheid door worteltrekking

Definitie 4.27

Een uitbreiding L/KL/K (in deze paragraaf overal in karakteristiek 00) heet radicaal als er een toren K=F0Fr=LK = F_0 \subseteq \dots \subseteq F_r = L is met Fi+1=Fi(αi)F_{i+1} = F_i(\alpha_i) en αiniFi\alpha_i^{n_i} \in F_i: elke stap voegt een nin_i-de wortel toe. Een veelterm PK[X]P \in K[X] heet oplosbaar door worteltrekking als haar splitsingslichaam in een radicale uitbreiding van KK ligt.

Lemma 4.28

Bevat KK een primitieve nn-de eenheidswortel ζ\zeta, dat wil zeggen een ζ\zeta van orde nn in K×K^\times, en is aK×a \in K^\times, dan is K(an)/KK(\sqrt[n]a)/K Galois met een cyclische groep. Omgekeerd — hieronder niet nodig — is elke cyclische uitbreiding van graad nn van deze vorm. Bovendien is K(ζn)/KK(\zeta_n)/K Galois met een abelse groep, voor elk KK van karakteristiek 00.

Bewijs. XnaX^n - a is separabel (grootste gemene deler met nXn1nX^{n-1}: a0a \neq 0) en valt uiteen in K(α)K(\alpha) met αn=a\alpha^n = a: haar wortels zijn de ζkαK(α)\zeta^k\alpha \in K(\alpha). Dus is K(α)/KK(\alpha)/K Galois; en de afbeelding σσ(α)/αμn=ζ\sigma \mapsto \sigma(\alpha)/\alpha \in \mu_n = \langle \zeta\rangle is een injectief morfisme (στ(α)=σ(τ(α)/αα)=τ(α)/ασ(α)\sigma\tau(\alpha) = \sigma(\tau(\alpha)/ \alpha \cdot \alpha) = \tau(\alpha)/\alpha\cdot\sigma(\alpha), want het quotiënt ligt in KK) naar een cyclische groep: dus is Gal\operatorname{Gal} cyclisch. De omkering is Kummertheorie, die we niet nodig hebben (zie de opmerking hieronder). Voor K(ζn)K(\zeta_n): het splitst de separabele Xn1X^n - 1, en σa(σ)\sigma \mapsto a(\sigma) met σ(ζn)=ζna(σ)\sigma(\zeta_n) = \zeta_n^{a(\sigma)} bedt de groep in het abelse (Z/nZ)×(\Z/n\Z)^\times in, net als in Stelling 4.23 (voor de injectiviteit is alleen nodig dat ζn\zeta_n de betrokken eenheidswortels voortbrengt).

Stelling 4.29 (Galois)

Zij KK van karakteristiek 00 en PK[X]P \in K[X] met splitsingslichaam LL. Is PP oplosbaar door worteltrekking, dan is Gal(L/K)\operatorname{Gal}(L/K) een oplosbare groep. (Het omgekeerde geldt eveneens; we hebben het niet nodig.)

Bewijs. Stap 1: vergroot de radicale toren tot een Galoistoren. Zij LML \subseteq M met M/KM/K radicaal, met wortelexponenten n1,,nrn_1, \dots, n_r en n=n1nrn = n_1\cdots n_r. Voeg eerst ζn\zeta_n toe: de toren KK(ζn)M(ζn)K \subseteq K(\zeta_n) \subseteq M(\zeta_n) is nog steeds radicaal (ζn\zeta_n is een eenheidswortel: een radicale stap, want ζnn=1\zeta_n^n = 1), en haar stappen voorbij de eerste spelen zich af boven lichamen die de benodigde eenheidswortels bevatten. Vervang vervolgens M(ζn)M(\zeta_n) door het samenstel NN van alle σ(M(ζn))\sigma(M(\zeta_n)), waarbij σ\sigma de (eindig veel) KK-inbeddingen van M(ζn)M(\zeta_n) in een vaste algebraïsche afsluiting doorloopt: NN is het splitsingslichaam van het product van de minimaalveeltermen van een voortbrengende verzameling (in karakteristiek 00: eindig en separabel), dus is N/KN/K Galois; en NN is radicaal over KK: elke σ(M(ζn))\sigma(M(\zeta_n)) is radicaal over KK (pas σ\sigma toe op een radicale toren), en een samenstel van radicale uitbreidingen is radicaal (zet de torens achter elkaar: is F/KF'/K radicaal met een toren die βj\beta_j toevoegt, dan blijven stappen van het type F(βj)F''(\beta_j) radicaal boven elke grotere basis).

Stap 2: lees de oplosbaarheid van de Galoistoren af. Neem dus aan dat LNL \subseteq N met N/KN/K Galois en radicaal, met toren KK(ζn)=E0E1Es=NK \subseteq K(\zeta_n) = E_0 \subseteq E_1 \subseteq \dots \subseteq E_s = N, waarbij elke Ei+1=Ei(aini)E_{i+1} = E_i(\sqrt[n_i]{a_i}) met ζniE0Ei\zeta_{n_i} \in E_0 \subseteq E_i. Zij G=Gal(N/K)G = \operatorname{Gal}(N/K) en Gi=Gal(N/Ei)G_i = \operatorname{Gal}(N/E_i): een dalende keten GG0G1Gs={e}G \supseteq G_0 \supseteq G_1 \supseteq \dots \supseteq G_s = \{e\}. Elke Ei+1/EiE_{i+1}/E_i is Galois met cyclische groep (Lemma 4.28), dus geeft de hoofdstelling, toegepast op de Galoisuitbreiding N/EiN/E_i (Stelling 4.21(3), met omgevende groep GiG_i): Gi+1GiG_{i+1} \trianglelefteq G_i met Gi/Gi+1Gal(Ei+1/Ei)G_i/G_{i+1} \cong \operatorname{Gal}(E_{i+1}/E_i) cyclisch. Net zo is E0/KE_0/K Galois met abelse groep G/G0G/G_0 (Lemma 4.28). Die keten toont GG als oplosbaar (Propositie 1.29). Ten slotte is Gal(L/K)\operatorname{Gal}(L/K) een quotiënt van GG: L/KL/K is Galois (PP is separabel in karakteristiek 00) en de beperking GGal(L/K)G \to \operatorname{Gal}(L/K) is surjectief (Stelling 4.21(3) met H=Gal(N/L)H = \operatorname{Gal}(N/L)); en quotiënten van oplosbare groepen zijn oplosbaar.

Gevolg 4.30 (Onoplosbaarheid van de vijfdegraadsvergelijking)

Er zijn veeltermen van graad 55 over Q\Q die niet oplosbaar zijn door worteltrekking: bijvoorbeeld X54X+2X^5 - 4X + 2, waarvan de Galoisgroep S5S_5 is (Oefening 4.11), een niet-oplosbare groep (Gevolg 1.34). Voor graad 5\geq 5 kan er dus geen algemene formule met worteltrekkingen bestaan.

Opmerking 4.31

Het omgekeerde van Stelling 4.29 — een oplosbare Galoisgroep impliceert oplosbaarheid door worteltrekking — bewijst men door de afgeleide reeks af te dalen en aan te tonen dat elke cyclische uitbreiding (met genoeg eenheidswortels) radicaal is, met behulp van de resolventen van Lagrange; het verklaart waarom de graden 2,3,42, 3, 4 wél formules hebben: S2,S3,S4S_2, S_3, S_4 zijn oplosbaar (Voorbeeld 1.30). Wij nemen het op dit niveau zonder bewijs aan; een volledige behandeling hoort in een mastercursus, maar Oefening 4.8 maakt het concreet voor de derde graad.

4.9 Oefeningen

Oefening 4.1

Toon aan dat [Q(2,3):Q]=4[\Q(\sqrt2, \sqrt3):\Q] = 4 en dat Q(2+3)=Q(2,3)\Q(\sqrt2 + \sqrt3) = \Q(\sqrt2, \sqrt3), en bereken de minimaalveelterm van 2+3\sqrt2 + \sqrt3 over Q\Q.

Oplossing

Oplossing van Oefening 4.1.

3Q(2)\sqrt3 \notin \Q(\sqrt2): uit 3=a+b2\sqrt3 = a + b\sqrt2 met a,bQa, b \in \Q volgt na kwadrateren 3=a2+2b2+2ab23 = a^2 + 2b^2 + 2ab\sqrt2, dus ab=0ab = 0; bij b=0b = 0 wordt 3\sqrt3 rationaal en bij a=0a = 0 wordt 6=2bQ\sqrt6 = 2b \in \Q — beide onjuist (de standaardargumenten met priemfactorontbinding). Bijgevolg is [Q(2,3):Q(2)]=2[\Q(\sqrt2,\sqrt3) : \Q(\sqrt2)] = 2 en geeft de torenwet graad 44.

Zij γ=2+3\gamma = \sqrt2 + \sqrt3. Dan is γ2=5+26\gamma^2 = 5 + 2\sqrt6 en (γ25)2=24(\gamma^2 - 5)^2 = 24: γ\gamma annihileert X410X2+1X^4 - 10X^2 + 1. Verder is γ3=112+93\gamma^3 = 11\sqrt2 + 9\sqrt3, dus γ39γ=22\gamma^3 - 9\gamma = 2\sqrt2: dus 2Q(γ)\sqrt2 \in \Q(\gamma) en daarna 3=γ2Q(γ)\sqrt3 = \gamma - \sqrt2 \in \Q(\gamma), zodat Q(γ)=Q(2,3)\Q(\gamma) = \Q(\sqrt2,\sqrt3) van graad 44. De annihilerende vierdegraadsveelterm heeft de graad van de minimaalveelterm en is dus de minimaalveelterm: X410X2+1X^4 - 10X^2 + 1 (in het bijzonder is ze irreducibel over Q\Q).

Oefening 4.2

Zij α=23\alpha = \sqrt[3]2. Toon aan dat Q(α)/Q\Q(\alpha)/\Q niet normaal is (geef een inbedding Q(α)C\Q(\alpha) \to \C waarvan het beeld niet Q(α)\Q(\alpha) is), bepaal het splitsingslichaam LL van X32X^3 - 2 en [L:Q][L:\Q], en ga na dat AutQ(Q(α))={id}\operatorname{Aut}_\Q(\Q(\alpha)) = \{\mathrm{id}\}: bij niet-Galoisuitbreidingen kan de automorfismegroep veel kleiner zijn dan de graad.

Oplossing

Oplossing van Oefening 4.2.

De drie wortels van X32X^3 - 2 in C\C zijn α,jα,j2α\alpha, j\alpha, j^2\alpha met j=e2iπ/3j = \eu^{2\iu\pi/3}. De afbeelding αjα\alpha \mapsto j\alpha definieert een Q\Q-inbedding Q(α)C\Q(\alpha) \to \C (Stelling 4.4: beide brengen uitbreidingen van graad 33 voort met dezelfde minimaalveelterm), waarvan het beeld Q(jα)⊈R\Q(j\alpha) \not\subseteq \R verschilt van Q(α)R\Q(\alpha) \subseteq \R: dus is Q(α)/Q\Q(\alpha)/\Q niet normaal. Het splitsingslichaam is L=Q(α,j)L = \Q(\alpha, j), met [L:Q]=[L:Q(α)][Q(α):Q]=23=6[L:\Q] = [L:\Q(\alpha)]\,[\Q(\alpha):\Q] = 2 \cdot 3 = 6 (jj voldoet aan X2+X+1X^2 + X + 1, irreducibel over het reële lichaam Q(α)\Q(\alpha)). Een automorfisme van Q(α)\Q(\alpha) moet α\alpha naar een wortel van X32X^3 - 2 binnen Q(α)R\Q(\alpha) \subseteq \R sturen: alleen α\alpha komt in aanmerking, dus AutQ(Q(α))={id}\operatorname{Aut}_\Q(\Q(\alpha)) = \{\mathrm{id}\}, van orde 1<31 < 3.

Oefening 4.3

Construeer F9\mathbb F_9 als F3[X]/(X2+1)\mathbb F_3[X]/(X^2+1) en vind een voortbrenger van F9×\mathbb F_9^\times. Geef de monische irreducibele veeltermen van graad 1,2,31, 2, 3 over F2\mathbb F_2, en ga na dat X8X=X(X+1)(X3+X+1)(X3+X2+1)X^8 - X = X(X+1)(X^3+X+1)(X^3+X^2+1) over F2\mathbb F_2.

Oplossing

Oplossing van Oefening 4.3.

X2+1X^2 + 1 heeft geen wortel in F3\mathbb F_3 (0,1,20, 1, 2 gaan naar 1,2,21, 2, 2), dus is F9=F3[X]/(X2+1)\mathbb F_9 = \mathbb F_3[X]/(X^2+1) een lichaam met 99 elementen; schrijf ω=Xˉ\omega = \bar X, met ω2=1\omega^2 = -1. De groep F9×\mathbb F_9^\times is cyclisch van orde 88; ω\omega heeft orde 44, maar 1+ω1 + \omega voldoet: (1+ω)2=1+2ω+ω2=2ω(1+\omega)^2 = 1 + 2\omega + \omega^2 = 2\omega en (1+ω)4=4ω2=ω2=11(1+\omega)^4 = 4\omega^2 = \omega^2 = -1 \ne 1: orde 88.

Over F2\mathbb F_2graad 11: XX, X+1X + 1; graad 22: X2+X+1X^2 + X + 1 (de andere drie kwadratische veeltermen hebben wortels); graad 33: X3+X+1X^3 + X + 1 en X3+X2+1X^3 + X^2 + 1 (geen wortels in F2\mathbb F_2; de andere zes derdegraadsveeltermen hebben wortels). Controle:

(X3+X+1)(X3+X2+1)=X6+X5+X4+X3+X2+X+1,(X^3{+}X{+}1)(X^3{+}X^2{+}1) = X^6 + X^5 + X^4 + X^3 + X^2 + X + 1,

en X(X+1)(X6++1)=X(X7+1)=X8+X=X8XX(X{+}1)(X^6 + \dots + 1) = X(X^7 + 1) = X^8 + X = X^8 - X over F2\mathbb F_2 — precies de irreducibele veeltermen van graad die 33 deelt, zoals Oefening 4.6 voorspelt (graad 22 ontbreekt: 232 \nmid 3).

Oefening 4.4 ★★

(a) Bepaal alle primitieve wortels modulo 77 en modulo 1111 (dat wil zeggen de voortbrengers van F7×\mathbb F_7^\times en F11×\mathbb F_{11}^\times). (b) Toon aan dat voor oneven pp een xFp×x \in \mathbb F_p^\times een kwadraat is dan en slechts dan als x(p1)/2=1x^{(p-1)/2} = 1 (het criterium van Euler), en vind zo het criterium voor 1-1 uit Probleem 2.1 terug.

Oplossing

Oplossing van Oefening 4.4.

(a) Modulo 77: de machten van 33 zijn 3,2,6,4,5,13, 2, 6, 4, 5, 1: orde 66, dus een voortbrenger; de primitieve wortels zijn de 3k3^k met gcd(k,6)=1\gcd(k, 6) = 1: dus 33 en 35=53^5 = 5. Modulo 1111: de machten van 22 zijn 2,4,8,5,10,9,7,3,6,12, 4, 8, 5, 10, 9, 7, 3, 6, 1: een voortbrenger; de primitieve wortels zijn de 2k2^k met gcd(k,10)=1\gcd(k, 10) = 1: 2,23=8,27=7,29=62, 2^3 = 8, 2^7 = 7, 2^9 = 6.

(b) Schrijf x=gkx = g^k met gg een voortbrenger (Stelling 4.12). Dan is xx een kwadraat dan en slechts dan als kk even is (de kwadraten zijn de g2lg^{2l}, en g2l=gkg^{2l} = g^{k} precies wanneer k2lmodp1k \equiv 2l \bmod p-1, wat oplosbaar is precies voor even kk, want p1p - 1 is even). En x(p1)/2=gk(p1)/2=1x^{(p-1)/2} = g^{k(p-1)/2} = 1 precies wanneer (p1)kp12(p-1) \mid k\frac{p-1}2, dus precies wanneer kk even is: de twee voorwaarden komen overeen. Voor x=1=g(p1)/2x = -1 = g^{(p-1)/2}: het is een kwadraat precies wanneer p12\frac{p-1}2 even is, dus wanneer p1(mod4)p \equiv 1 \pmod 4 — opnieuw Probleem 2.1.

Oefening 4.5 ★★

Toon aan dat binnen een vaste algebraïsche afsluiting Fˉp\bar{\mathbb F}_p geldt: FpmFpn=Fpgcd(m,n)\mathbb F_{p^m} \cap \mathbb F_{p^n} = \mathbb F_{p^{\gcd(m,n)}} en FpmFpn=Fplcm(m,n)\mathbb F_{p^m}\mathbb F_{p^n} = \mathbb F_{p^{\operatorname{lcm}(m,n)}}, en beschrijf Gal(Fpn/Fpm)\operatorname{Gal}(\mathbb F_{p^n}/\mathbb F_{p^m}) voor mnm \mid n.

Oplossing

Oplossing van Oefening 4.5.

Binnen Fˉp\bar{\mathbb F}_p is Fpk={x:xpk=x}\mathbb F_{p^k} = \{x : x^{p^k} = x\} de verzameling vaste punten van FkF^k. De doorsnede FpmFpn\mathbb F_{p^m} \cap \mathbb F_{p^n} wordt vastgehouden door FmF^m en FnF^n, en dus door Fgcd(m,n)F^{\gcd(m,n)} (met gcd=am+bn\gcd = am + bn: op een vastgehouden element werkt Fam+bn=(Fm)a(Fn)bF^{am + bn} = (F^m)^a(F^n)^b triviaal — de exponenten mogen wegens de periodiciteit positief gekozen worden); ze ligt dus in Fpgcd(m,n)\mathbb F_{p^{\gcd(m,n)}}, dat omgekeerd in beide bevat is (Stelling 4.11(3)). Het samenstel FpmFpn\mathbb F_{p^m}\mathbb F_{p^n}: elk lichaam dat beide bevat heeft een graad die door mm en door nn deelbaar is, en dus door lcm(m,n)\operatorname{lcm}(m,n); en Fplcm\mathbb F_{p^{\operatorname{lcm}}} bevat beide: dat is het samenstel. Voor mnm \mid n bestaat Gal(Fpn/Fpm)\operatorname{Gal}(\mathbb F_{p^n}/\mathbb F_{p^m}) uit de machten van FF die Fpm\mathbb F_{p^m} vasthouden, dat wil zeggen uit die van FmF^m: cyclisch van orde n/mn/m, voortgebracht door Fm ⁣:xxpmF^m \colon x \mapsto x^{p^m} (de orde als in Stelling 4.11(2)).

Oefening 4.6 ★★

Zij Id(q)I_d(q) het aantal monische irreducibele veeltermen van graad dd over Fq\mathbb F_q. Bewijs

XqnX  =  dn P irred. monisch, degP=dP,en dusqn=dndId(q).X^{q^n} - X \;=\; \prod_{d \mid n}\ \prod_{P \text{ irred. monisch, } \deg P = d} P , \qquad\text{en dus}\qquad q^n = \sum_{d \mid n} d\, I_d(q).

Leid I1,I2,I3,I4I_1, I_2, I_3, I_4 expliciet af, en toon aan dat Id(q)1I_d(q) \geq 1 voor elke dd (zodat de uitbreidingen Fqd/Fq\mathbb F_{q^d}/\mathbb F_q voor alle dd bestaan als quotiënten Fq[X]/(P)\mathbb F_q[X]/(P)).

Oplossing

Oplossing van Oefening 4.6.

XqnXX^{q^n} - X is separabel (afgeleide 1-1) met als wortelverzameling Fqn\mathbb F_{q^n}. Zij PP monisch irreducibel van graad dd. Is dnd \mid n, dan is Fq[X]/(P)FqdFqn\mathbb F_q[X]/(P) \cong \mathbb F_{q^d} \subseteq \mathbb F_{q^n}, dus heeft PP een wortel αFqn\alpha \in \mathbb F_{q^n}; en αqn=α\alpha^{q^n} = \alpha, zodat P=παP = \pi_\alpha de veelterm XqnXX^{q^n} - X deelt. Is omgekeerd PXqnXP \mid X^{q^n} - X, dan brengt een wortel αFqn\alpha \in \mathbb F_{q^n} het lichaam FqdFqn\mathbb F_{q^d} \subseteq \mathbb F_{q^n} voort, dus dnd \mid n (Stelling 4.11(3)). Verschillende irreducibele veeltermen zijn onderling ondeelbaar en het product is separabel: elke PP komt met exponent precies 11 voor, en elke wortel van XqnXX^{q^n}-X is een wortel van haar minimaalveelterm: de ontbinding klopt. Graden vergelijken geeft qn=dndId(q)q^n = \sum_{d\mid n} d\,I_d(q).

Bijgevolg is I1=qI_1 = q; uit q2=I1+2I2q^2 = I_1 + 2I_2 volgt I2=q2q2I_2 = \frac{q^2 - q}2; uit q3=I1+3I3q^3 = I_1 + 3I_3 volgt I3=q3q3I_3 = \frac{q^3 - q}3; en uit q4=I1+2I2+4I4q^4 = I_1 + 2I_2 + 4I_4 volgt I4=q4q24I_4 = \frac{q^4 - q^2}4. Bestaan: nIn=qndn,d<ndIdqndn/2qd>qnqn/2+10nI_n = q^n - \sum_{d \mid n,\, d < n} dI_d \geq q^n - \sum_{d \leq n/2} q^d > q^n - q^{n/2 + 1} \geq 0 voor n2n \geq 2 (en I1=q1I_1 = q \geq 1): dus altijd In1I_n \geq 1.

Oefening 4.7 ★★

Bepaal Gal(Q(2,3)/Q)\operatorname{Gal}(\Q(\sqrt2,\sqrt3)/\Q) en het volledige tralie van tussenliggende lichamen. Dezelfde vraag voor het splitsingslichaam van (X22)(X23)(X26)(X^2-2)(X^2-3)(X^2-6) — wat valt je op?

Oplossing

Oplossing van Oefening 4.7.

L=Q(2,3)L = \Q(\sqrt2, \sqrt3) is het splitsingslichaam van (X22)(X23)(X^2 - 2)(X^2 - 3), separabel: Galois van graad 44 (Oefening 4.1). Een automorfisme stuurt 2±2\sqrt2 \mapsto \pm\sqrt2 en 3±3\sqrt3 \mapsto \pm\sqrt3: hoogstens 44 mogelijkheden, en G=4\abs G = 4 realiseert ze alle: G(Z/2Z)2G \cong (\Z/2\Z)^2, met elementen id,σ(22),τ(33),στ\mathrm{id}, \sigma (\sqrt2 \mapsto -\sqrt2), \tau (\sqrt3\mapsto-\sqrt3), \sigma\tau. De deelgroepen van orde 22 zijn σ,τ,στ\langle\sigma\rangle, \langle\tau\rangle, \langle\sigma\tau\rangle, met vaste lichamen Q(3)\Q(\sqrt3), Q(2)\Q(\sqrt2) en Q(6)\Q(\sqrt6) (merk op dat στ\sigma\tau het getal 6=23\sqrt6 = \sqrt2\sqrt3 vasthoudt). Het tralie: onderaan Q\Q, in het midden de drie kwadratische lichamen, bovenaan LL — en niets anders (Stelling 4.21). Voor (X22)(X23)(X26)(X^2-2)(X^2-3)(X^2-6) is het splitsingslichaam hetzelfde LL (want 6=23\sqrt6 = \sqrt2\sqrt3), zodat het antwoord identiek is: de Galoiscorrespondentie is een invariant van de uitbreiding, niet van de veelterm die haar toevallig presenteert.

Oefening 4.8 ★★

(De derdegraadsvergelijking, opgelost door haar groep) Zij P=X3+pX+qQ[X]P = X^3 + pX + q \in \Q[X] irreducibel met wortels x1,x2,x3x_1, x_2, x_3 en splitsingslichaam LL. Stel δ=(x1x2)(x1x3)(x2x3)\delta = (x_1 - x_2)(x_1 - x_3)(x_2 - x_3) en Δ=δ2=4p327q2\Delta = \delta^2 = -4p^3 - 27q^2 (neem die klassieke identiteit zonder bewijs aan of ga ze na door de symmetrische functies uit te werken). (a) Toon aan dat Gal(L/Q)A3\operatorname{Gal}(L/\Q) \cong A_3 of S3S_3, naargelang Δ\Delta wel of niet een kwadraat in Q\Q is. (b) Definieer met j=ζ3j = \zeta_3 de resolventen van Lagrange u=x1+jx2+j2x3u = x_1 + jx_2 + j^2x_3 en v=x1+j2x2+jx3v = x_1 + j^2x_2 + jx_3. Toon aan dat u3+v3=27qu^3 + v^3 = -27q en uv=3puv = -3p, en los u3u^3 en v3v^3 op: de formules van Cardano rollen eruit. Waar is de oplosbaarheid van S3S_3 gebruikt?

Oplossing

Oplossing van Oefening 4.8.

(a) GG werkt trouw en transitief (irreducibiliteit) op de drie wortels: dus GS3G \hookrightarrow S_3 met 3G3 \mid \abs G, zodat GA3G \cong A_3 of S3S_3. Elke σG\sigma \in G permuteert de xix_i, en σ(δ)=ε(σ)δ\sigma(\delta) = \varepsilon(\sigma)\,\delta (δ\delta is alternerend in de wortels). Is Δ\Delta een kwadraat in Q\Q, dan is δQ×\delta \in \Q^\times (merk op dat δ0\delta \neq 0: separabel), dus ε(σ)=1\varepsilon(\sigma) = 1 voor alle σ\sigma: GA3G \subseteq A_3, en dus G=A3G = A_3. Zo niet, dan is δQ\delta \notin \Q en heeft een zekere σ\sigma dat ε(σ)=1\varepsilon(\sigma) = -1: G=S3G = S_3. (In beide gevallen is Q(δ)=LGA3\Q(\delta) = L^{G \cap A_3}.)

(b) Met x1+x2+x3=0x_1 + x_2 + x_3 = 0 is u+v=2x1(x2+x3)=3x1u + v = 2x_1 - (x_2 + x_3) = 3x_1. Verder is

uv=ixi2+(j+j2)i<kxixk=(xi)23i<kxixk=3p,uv = \sum_i x_i^2 + (j + j^2)\sum_{i<k}x_ix_k = \Bigl(\sum x_i\Bigr)^2 - 3\sum_{i<k}x_ix_k = -3p,

met j+j2=1j + j^2 = -1 en i<kxixk=p\sum_{i<k}x_ix_k = p. Dan is

u3+v3=(u+v)33uv(u+v)=27x13+9p3x1=27(x13+px1)=27q.u^3 + v^3 = (u+v)^3 - 3uv(u+v) = 27x_1^3 + 9p\cdot 3x_1 = 27\,(x_1^3 + px_1) = -27q .

Dus zijn u3u^3 en v3v^3 de wortels van Y2+27qY27p3=0Y^2 + 27qY - 27p^3 = 0 (hun product is (uv)3=27p3(uv)^3 = -27p^3): u3=27q+729q2+108p32u^3 = \frac{-27q + \sqrt{729q^2 + 108p^3}}2, en x1=u+v3x_1 = \frac{u + v}3 met v=3p/uv = -3p/u: Cardano. De oplosbaarheid van S3S_3 is het skelet: de toren QQ(δ)Q(δ,j,u)\Q \subseteq \Q(\delta) \subseteq \Q(\delta, j, u) voegt eerst een vierkantswortel toe (δ\delta, het vaste lichaam van A3A_3: de stap S3S3/A3S_3 \to S_3/A_3) en daarna een derdemachtswortel (uu, want u3Q(δ,j)u^3 \in \Q(\delta, j): de stap A3{e}A_3 \to \{e\}) — de afgeleide reeks S3A3{e}S_3 \supset A_3 \supset \{e\} in levenden lijve.

Oefening 4.9 ★★

Toon in Q(ζ5)\Q(\zeta_5) aan dat het enige kwadratische deellichaam Q(5)\Q(\sqrt5) is, via de Gauss-sommen η0=ζ5+ζ54\eta_0 = \zeta_5 + \zeta_5^4 en η1=ζ52+ζ53\eta_1 = \zeta_5^2 + \zeta_5^3: bereken η0+η1\eta_0 + \eta_1 en η0η1\eta_0\eta_1, en leid af dat cos2π5=514\cos\frac{2\pi}5 = \frac{\sqrt5 - 1}4. Besluit dat de regelmatige vijfhoek construeerbaar is.

Oplossing

Oplossing van Oefening 4.9.

Er geldt η0+η1=ζ5+ζ52+ζ53+ζ54=1\eta_0 + \eta_1 = \zeta_5 + \zeta_5^2 + \zeta_5^3 + \zeta_5^4 = -1 (de som van alle 55-de eenheidswortels is 00). Verder is η0η1=(ζ+ζ4)(ζ2+ζ3)=ζ3+ζ4+ζ6+ζ7=ζ3+ζ4+ζ+ζ2=1\eta_0\eta_1 = (\zeta + \zeta^4)(\zeta^2 + \zeta^3) = \zeta^3 + \zeta^4 + \zeta^6 + \zeta^7 = \zeta^3 + \zeta^4 + \zeta + \zeta^2 = -1 (exponenten modulo 55). Dus zijn η0\eta_0 en η1\eta_1 de wortels van Y2+Y1Y^2 + Y - 1: 1±52\frac{-1 \pm \sqrt5}2. Omdat η0=2cos2π5>0\eta_0 = 2\cos\frac{2\pi}5 > 0, is η0=512\eta_0 = \frac{\sqrt5 - 1}2, waaruit cos2π5=514\cos\frac{2\pi}5 = \frac{\sqrt5 - 1}4, en η1=152\eta_1 = \frac{-1-\sqrt5}2. De groep Gal(Q(ζ5)/Q)(Z/5Z)×\operatorname{Gal}(\Q(\zeta_5)/\Q) \cong (\Z/5\Z)^\times is cyclisch van orde 44: ze heeft een unieke deelgroep van orde 22 ({±1}\{\pm 1\}, dus ζζ±1\zeta \mapsto \zeta^{\pm1}), zodat Q(ζ5)\Q(\zeta_5) een uniek kwadratisch deellichaam heeft (Stelling 4.21); dat bevat η0Q\eta_0 \notin \Q en is dus Q(η0)=Q(5)\Q(\eta_0) = \Q(\sqrt5). Construeerbaarheid: cos2π5\cos\frac{2\pi}5 ligt in de kwadratische toren QQ(5)\Q \subseteq \Q(\sqrt5), en ζ5\zeta_5 één kwadratische stap hoger: Stelling 4.25 construeert de vijfhoek.

Oefening 4.10 ★★★

Zij K=Fp(S,T)K = \mathbb F_p(S, T) (rationale functies in twee onbepaalden) en L=K(S1/p,T1/p)L = K(S^{1/p}, T^{1/p}). (a) Toon aan dat [L:K]=p2[L:K] = p^2 en dat αpK\alpha^p \in K voor elke αL\alpha \in L. (b) Leid af dat L/KL/K niet enkelvoudig is: er bestaat geen primitief element — inseparabiliteit is fataal voor Stelling 4.17.

Oplossing

Oplossing van Oefening 4.10.

(a) Schrijf s=S1/ps = S^{1/p} en t=T1/pt = T^{1/p} (elementen van een gekozen algebraïsche afsluiting met sp=Ss^p = S en tp=Tt^p = T). De veelterm XpSX^p - S is irreducibel over K=Fp(S,T)K = \mathbb F_p(S, T), opgevat als breukenlichaam van Fp(T)[S]\mathbb F_p(T)[S]: Eisenstein bij het priemelement SS van dat UFD (Stelling 2.25). Dus [K(s):K]=p[K(s):K] = p; net zo is XpTX^p - T Eisenstein bij TT over het breukenlichaam van Fp(s)[T]\mathbb F_p(s)[T]TT blijft daar priem — wat [L:K(s)]=p[L : K(s)] = p en [L:K]=p2[L:K] = p^2 geeft. Voor αL\alpha \in L: L=K[s,t]L = K[s, t], dus α=cijsitj\alpha = \sum c_{ij}s^it^j met cijKc_{ij} \in K, en via het frobeniusmorfisme is αp=cijpSiTjK\alpha^p = \sum c_{ij}^p S^iT^j \in K.

(b) Was L=K(α)L = K(\alpha), dan was [K(α):K]=p2[K(\alpha):K] = p^2; maar αp=aK\alpha^p = a \in K betekent dat α\alpha de veelterm XpaX^p - a annihileert, dus degπαp<p2\deg\pi_\alpha \leq p < p^2: tegenspraak. Er is dus geen primitief element: Stelling 4.17 heeft de separabiliteit werkelijk nodig (hier deelt elke πα\pi_\alpha een Xpa=(Xα)pX^p - a = (X - \alpha)^p: zuiver inseparabel).

Oefening 4.11 ★★★

Zij P=X54X+2P = X^5 - 4X + 2 en GG haar Galoisgroep over Q\Q, werkend op de 55 wortels. (a) Toon aan dat PP irreducibel is en leid af dat 5G5 \mid \abs G; besluit dat GG een 55-cykel bevat (Cauchy, Stelling 1.13). (b) Toon, door het verloop van xx54x+2x \mapsto x^5 - 4x + 2 te bestuderen, aan dat PP precies 33 reële wortels heeft; leid af dat de complexe toevoeging zich in GG tot een transpositie beperkt. (c) Toon aan dat een deelgroep van S5S_5 die een transpositie en een 55-cykel bevat, gelijk is aan S5S_5 (conjugeer de transpositie met machten van de cykel). Besluit dat GS5G \cong S_5 en, met Stelling 4.29, dat PP niet oplosbaar is door worteltrekking.

Oplossing

Oplossing van Oefening 4.11.

(a) Eisenstein bij 22 (24,22 \mid 4, 2; 424 \nmid 2): PP is irreducibel. Is α\alpha een wortel, dan deelt [Q(α):Q]=5[\Q(\alpha):\Q] = 5 de graad [L:Q]=G[L:\Q] = \abs G (met LL het splitsingslichaam): Cauchy (Stelling 1.13) geeft een element van orde 55 in GS5G \leq S_5; en in S5S_5 hebben alleen 55-cykels orde 55 (de ordes zijn kleinste gemene veelvouden van de cykellengten).

(b) P(x)=5x44P'(x) = 5x^4 - 4 verdwijnt in ±(4/5)1/4±0.946\pm(4/5)^{1/4} \approx \pm 0.946: eerst een lokaal maximum, dan een lokaal minimum. Waarden: P(2)=22<0P(-2) = -22 < 0, P(0)=2>0P(0) = 2 > 0, P(1)=1<0P(1) = -1 < 0, P(2)=26>0P(2) = 26 > 0: drie tekenwisselingen, en hoogstens drie reële wortels (twee kritieke punten): dus precies 33 reële wortels, en daarmee één paar complex toegevoegde wortels. Neem het splitsingslichaam LL binnen C\C: de complexe toevoeging beeldt LL op zichzelf af (ze permuteert de wortels, die LL voortbrengen) en houdt Q\Q vast, dus bepaalt ze een element van GG; ze houdt de drie reële wortels vast en verwisselt de twee andere: een transpositie.

(c) Zij τ=(ab)\tau = (a\,b) en σ\sigma een 55-cykel in GG. Een zekere macht σk\sigma^k stuurt aa naar bb (met k0mod5k \ne 0 \bmod 5), en σk\sigma^k is opnieuw een 55-cykel: na hernoeming mogen we σ=(12345)\sigma = (1\,2\,3\,4\,5) en τ=(12)\tau = (1\,2) aannemen. Conjugeren geeft σmτσm=(σm(1) σm(2))\sigma^m\tau\sigma^{-m} = (\sigma^m(1)\ \sigma^m(2)): de naburige transposities (12),(23),(34),(45),(51)(1\,2), (2\,3), (3\,4), (4\,5), (5\,1) liggen dus alle in GG; en naburige transposities brengen S5S_5 voort (elke transpositie (ij)(i\,j) is een product van naburige, en transposities brengen alles voort). Dus G=S5G = S_5, niet oplosbaar (Gevolg 1.34), en Stelling 4.29 besluit: X54X+2X^5 - 4X + 2 is niet oplosbaar door worteltrekking.

Oefening 4.12 ★★★

(De diëdrale vierdegraadsvergelijking) Zij α=24\alpha = \sqrt[4]2 en L=Q(α,i)L = \Q(\alpha, \iu), het splitsingslichaam van X42X^4 - 2 over Q\Q. (a) Toon aan dat [L:Q]=8[L : \Q] = 8 en dat G=Gal(L/Q)G = \operatorname{Gal}(L/\Q) wordt voortgebracht door σ ⁣:αiα, ii\sigma\colon \alpha \mapsto \iu\alpha,\ \iu \mapsto \iu en de complexe toevoeging τ\tau, met σ4=τ2=e\sigma^4 = \tau^2 = e en τστ=σ1\tau\sigma\tau = \sigma^{-1}: dus GD4G \cong D_4. (b) Geef het deelgroepentralie van D4D_4 (tien deelgroepen) en koppel elke deelgroep aan haar vaste lichaam; ga in het bijzonder na dat Q(2)\Q(\sqrt2), Q(i)\Q(\iu) en Q(i2)\Q(\iu\sqrt2) de drie kwadratische deellichamen zijn, en lokaliseer Q(α)\Q(\alpha), Q(iα)\Q(\iu\alpha) en Q(2,i)\Q(\sqrt2, \iu). (c) Welke tussenliggende lichamen zijn Galois over Q\Q? Vergelijk je antwoord met de normaaldelers van D4D_4, en verklaar waarom Q(α)/Q\Q(\alpha)/\Q faalt terwijl Q(2)/Q\Q(\sqrt2)/\Q slaagt.

Oplossing

Oplossing van Oefening 4.12.

(a) X42X^4 - 2 is irreducibel (Eisenstein bij 22): dus [Q(α):Q]=4[\Q(\alpha):\Q] = 4; en iQ(α)R\iu \notin \Q(\alpha) \subseteq \R, zodat [L:Q(α)]=2[L : \Q(\alpha)] = 2 en [L:Q]=8[L:\Q] = 8. De uitbreiding is Galois (splitsingslichaam van een separabele veelterm: de wortels zijn de ikα\iu^k\alpha), dus G=8\abs G = 8. Een automorfisme stuurt α\alpha naar een van de vier wortels en i\iu naar ±i\pm\iu: hoogstens 88 afbeeldingen, alle gerealiseerd. De genoemde σ\sigma (orde 44: σ2(α)=α\sigma^2(\alpha) = -\alpha, σ4=e\sigma^4 = e) en τ\tau (orde 22) voldoen aan

τστ(α)=τσ(α)=τ(iα)=iα=σ1(α),τστ(i)=i(1)(1)=i,\tau\sigma\tau(\alpha) = \tau\sigma(\alpha) = \tau(\iu\alpha) = -\iu\alpha = \sigma^{-1}(\alpha), \qquad \tau\sigma\tau(\iu) = \iu\cdot(-1)(-1) = \iu ,

of preciezer: τστ(i)=τσ(i)=τ(i)=i=σ1(i)\tau\sigma\tau(\iu) = \tau\sigma(-\iu) = \tau(-\iu) = \iu = \sigma^{-1}(\iu). Dus τστ=σ1\tau\sigma\tau = \sigma^{-1}: de presentatie van D4D_4.

(b) De tien deelgroepen van D4=σ,τD_4 = \langle\sigma, \tau\rangle: {e}\{e\}; vijf van orde 22: σ2\langle\sigma^2\rangle, τ\langle\tau\rangle, σ2τ\langle\sigma^2\tau\rangle, στ\langle\sigma\tau\rangle, σ3τ\langle\sigma^3\tau\rangle; drie van orde 44: σ\langle\sigma\rangle, {e,σ2,τ,σ2τ}\{e, \sigma^2, \tau, \sigma^2\tau\}, {e,σ2,στ,σ3τ}\{e, \sigma^2, \sigma\tau, \sigma^3\tau\}; en D4D_4 zelf. Vaste lichamen (graad == index): {e}L\{e\} \leftrightarrow L; de deelgroepen van orde 22 \leftrightarrow de vijf lichamen van graad 44,

τQ(α),σ2τQ(iα),σ2Q(2,i),στQ((1+i)α),σ3τQ((1i)α).\langle\tau\rangle \leftrightarrow \Q(\alpha),\quad \langle\sigma^2\tau\rangle \leftrightarrow \Q(\iu\alpha), \quad \langle\sigma^2\rangle \leftrightarrow \Q(\sqrt2, \iu),\quad \langle\sigma\tau\rangle \leftrightarrow \Q\bigl((1+\iu)\alpha\bigr),\quad \langle\sigma^3\tau\rangle \leftrightarrow \Q\bigl((1-\iu)\alpha\bigr) .

Controles: τ\tau houdt de reële α\alpha vast; σ2τ\sigma^2\tau stuurt αα\alpha \mapsto -\alpha en ii\iu \mapsto -\iu en houdt dus iα\iu\alpha vast; en omdat στ(α)=iα\sigma\tau(\alpha) = \iu\alpha en στ(i)=i\sigma\tau(\iu) = -\iu:

στ((1+i)α)=(1i)iα=(1+i)α,σ3τ((1i)α)=(1+i)(i)α=(1i)α:\sigma\tau\bigl((1+\iu)\alpha\bigr) = (1 - \iu)\,\iu\alpha = (1 + \iu)\alpha, \qquad \sigma^3\tau\bigl((1-\iu)\alpha\bigr) = (1 + \iu)(-\iu)\alpha = (1 - \iu)\alpha :

elke spiegeling houdt haar voortbrenger vast, en het vaste lichaam, van graad 4=4 = index, is precies het lichaam dat die voortbrenger voortbrengt (die is een wortel van X4+8X^4 + 8, irreducibel). De deelgroepen van orde 44 \leftrightarrow de drie kwadratische lichamen: σQ(i)\langle\sigma\rangle \leftrightarrow \Q(\iu) (σ\sigma houdt i\iu vast); {e,σ2,τ,σ2τ}Q(2)\{e, \sigma^2, \tau, \sigma^2\tau\} \leftrightarrow \Q(\sqrt2) (alle vier houden α2\alpha^2 vast, op de tekencontroles na: τ(2)=2\tau(\sqrt2) = \sqrt2, σ2(α2)=(α)2\sigma^2(\alpha^2) = (-\alpha)^2); en {e,σ2,στ,σ3τ}Q(i2)\{e, \sigma^2, \sigma\tau, \sigma^3\tau\} \leftrightarrow \Q(\iu\sqrt2) (want στ(iα2)=(i)(iα)2=iα2\sigma\tau(\iu\alpha^2) = (-\iu)(\iu\alpha)^2 = \iu\alpha^2).

(c) Galois over Q\Q \leftrightarrow normaaldelers van D4D_4: {e}\{e\}, σ2\langle\sigma^2\rangle (het centrum), de drie deelgroepen van orde 44, en D4D_4 — de Galois tussenliggende lichamen zijn dus LL, Q(2,i)\Q(\sqrt2, \iu), de drie kwadratische lichamen, en Q\Q. De vijf lichamen van graad 44 die bij niet-normale spiegelingen horen, zijn niet Galois: Q(α)\Q(\alpha) bevat één wortel van X42X^4 - 2 maar niet iα\iu\alpha (het is reëel) — conjugatie met σ\sigma brengt τ\langle\tau\rangle naar σ2τ\langle\sigma^2\tau\rangle, precies zoals het Q(α)\Q(\alpha) naar Q(iα)\Q(\iu\alpha) brengt: de niet-normaliteit van de deelgroep is het bestaan van een geconjugeerd lichaam.

4.10 Probleem: Gauss en de regelmatige 17-hoek

Probleem 4.1

Weekendopgave — construeerbaarheid van de 17-hoek

Op 30 maart 1796 toonde de negentienjarige Gauss aan dat de regelmatige 1717-hoek construeerbaar is — de eerste vooruitgang op die vraag sinds de oudheid. We doen zijn berekening over met het gereedschap van dit hoofdstuk. Stel ζ=e2iπ/17\zeta = \eu^{2\iu\pi/17}, L=Q(ζ)L = \Q(\zeta) en G=Gal(L/Q)G = \operatorname{Gal}(L/\Q).

Deel I — De groep en haar filtratie.

  1. Verantwoord: [L:Q]=16[L:\Q] = 16 en G(Z/17Z)×G \cong (\Z/17\Z)^\times, cyclisch van orde 1616. Ga na dat 33 een voortbrenger van (Z/17Z)×(\Z/17\Z)^\times is (bereken de machten van 33 modulo 1717: 3,9,10,13,5,15,11,16,3, 9, 10, 13, 5, 15, 11, 16, \dots).
  2. Zij σG\sigma \in G met σ(ζ)=ζ3\sigma(\zeta) = \zeta^3, en Hk=σ2kH_k = \langle \sigma^{2^k}\rangle voor k=0,,4k = 0, \dots, 4. Toon aan dat G=H0H1H2H3H4={e}G = H_0 \supset H_1 \supset H_2 \supset H_3 \supset H_4 = \{e\} met telkens index [Hk:Hk+1]=2[H_k : H_{k+1}] = 2, en dat de vaste lichamen Q=L0L1L2L3L4=L\Q = L_0 \subset L_1 \subset L_2 \subset L_3 \subset L_4 = L een toren van kwadratische uitbreidingen vormen.
  3. Besluit a priori, met Stelling 4.25, dat ζ\zeta — en dus de 1717-hoek — construeerbaar is. De rest van het probleem maakt de toren expliciet.

Deel II — De perioden van lengte 8. Definieer de Gauss-perioden

η0=k evenζ3kmod17=ζ1+ζ9+ζ13+ζ15+ζ16+ζ8+ζ4+ζ2,η1=k onevenζ3kmod17.\eta_0 = \sum_{k \text{ even}} \zeta^{3^k \bmod 17} = \zeta^{1} + \zeta^{9} + \zeta^{13} + \zeta^{15} + \zeta^{16} + \zeta^{8} + \zeta^{4} + \zeta^{2}, \qquad \eta_1 = \sum_{k \text{ oneven}} \zeta^{3^k \bmod 17}.
  1. Toon aan dat η0\eta_0 en η1\eta_1 door H1H_1 worden vastgehouden en door σ\sigma worden verwisseld; leid af dat η0,η1L1\eta_0, \eta_1 \in L_1 en dat ze de twee wortels zijn van een kwadratische veelterm over Q\Q.
  2. Bereken η0+η1=1\eta_0 + \eta_1 = -1. Toon aan dat η0η1=4\eta_0\eta_1 = -4 (elk product ζaζb\zeta^a\zeta^b is een zekere ζc\zeta^c met c0c \neq 0; tel hoe vaak elke cc voorkomt, of redeneer dat het product een geheel getal is dat door GG wordt vastgehouden, gelijk aan de som over alle 6464 producten, en gebruik dat elke rest 0\neq 0 even vaak optreedt).
  3. Leid af dat η0=1+172\eta_0 = \frac{-1 + \sqrt{17}}2 en η1=1172\eta_1 = \frac{-1-\sqrt{17}}2 (bepaal numeriek welke welke is: η01.56\eta_0 \approx 1.56), en dat L1=Q(17)L_1 = \Q(\sqrt{17}).

Deel III — Perioden van lengte 4 en 2. Definieer

β0=ζ+ζ13+ζ16+ζ4,β1=ζ3+ζ5+ζ14+ζ12,β2=ζ9+ζ15+ζ8+ζ2,β3=ζ10+ζ11+ζ7+ζ6.\beta_0 = \zeta + \zeta^{13} + \zeta^{16} + \zeta^{4},\quad \beta_1 = \zeta^3 + \zeta^5 + \zeta^{14} + \zeta^{12},\quad \beta_2 = \zeta^9 + \zeta^{15} + \zeta^{8} + \zeta^{2},\quad \beta_3 = \zeta^{10} + \zeta^{11} + \zeta^{7} + \zeta^{6}.
  1. Toon aan dat β0+β2=η0\beta_0 + \beta_2 = \eta_0 en β1+β3=η1\beta_1 + \beta_3 = \eta_1, en dat β0\beta_0 en β2\beta_2 door H2H_2 worden vastgehouden en door σ2\sigma^2 worden verwisseld.
  2. Bereken β0β2=1\beta_0\beta_2 = -1 en β1β3=1\beta_1\beta_3 = -1 (werk uit: de zestien verkregen exponenten doorlopen 1,,161, \dots, 16 precies één keer).
  3. Leid af dat β0=η0+η02+42\beta_0 = \frac{\eta_0 + \sqrt{\eta_0^2 + 4}}2 (controleer het teken numeriek: β02.05\beta_0 \approx 2.05) en de overeenkomstige formule voor β1\beta_1; dus L2=Q(β0)L_2 = \Q(\beta_0), kwadratisch over L1L_1.
  4. Zij γ0=ζ+ζ16=2cos2π17\gamma_0 = \zeta + \zeta^{16} = 2\cos\frac{2\pi}{17} en γ1=ζ13+ζ4\gamma_1 = \zeta^{13} + \zeta^4. Toon aan dat γ0+γ1=β0\gamma_0 + \gamma_1 = \beta_0 en γ0γ1=β1\gamma_0\gamma_1 = \beta_1, zodat γ0=β0+β024β12\gamma_0 = \frac{\beta_0 + \sqrt{\beta_0^2 - 4\beta_1}}2.
  5. Stel de keten formules samen die cos2π17\cos\frac{2\pi}{17} door geneste vierkantswortels uitdrukt, en geef een decimale controle (cos2π170.93247\cos\frac{2\pi}{17} \approx 0.93247).

Deel IV — Slotwoord.

  1. Waar precies gebruikte het argument dat 1717 een Fermat-priemgetal is (17=222+117 = 2^{2^2} + 1)? Toon aan dat voor een priemgetal pp de regelmatige pp-hoek construeerbaar is dan en slechts dan als p=22t+1p = 2^{2^t} + 1 voor zekere tt (toon aan dat uit p1=2mp - 1 = 2^m volgt dat mm zelf een macht van 22 moet zijn).
  2. Leid de volledige lijst construeerbare regelmatige nn-hoeken voor n20n \leq 20 af, met het criterium van Gauss–Wantzel uit Gevolg 4.26.

Deel V — Gauss-sommen en kwadratische reciprociteit. De perioden uit Deel II verbergen een schat. Voor een oneven priemgetal pp is het legendresymbool (ap)\bigl(\frac ap\bigr) gelijk aan +1+1 als aa een kwadraat 0\neq 0 modulo pp is, 1-1 als het dat niet is, en 00 als pap \mid a; Oefening 4.4(b) (het criterium van Euler) geeft (ap)a(p1)/2(modp)\bigl(\frac ap\bigr) \equiv a^{(p-1)/2} \pmod p, waaruit de multiplicativiteit volgt. Schrijf ζ=e2iπ/p\zeta = \eu^{2\iu\pi/p}, p=(1)(p1)/2pp^* = (-1)^{(p-1)/2}p, en definieer de Gauss-som

g  =  a=1p1(ap)ζa.g \;=\; \sum_{a=1}^{p-1}\Bigl(\frac ap\Bigr)\zeta^a .
  1. Toon aan dat a=1p1(ap)=0\sum_{a=1}^{p-1}\bigl(\frac ap\bigr) = 0 (er zijn evenveel kwadraten als niet-kwadraten), en bewijs de alternatieve vorm g=a=0p1ζa2g = \sum_{a=0}^{p-1}\zeta^{a^2} (elk kwadraat 0\neq 0 wordt tweemaal geraakt, en aζa=0\sum_{a}\zeta^a = 0). Voor p=17p = 17: breng gg in verband met de perioden van Deel II — toon aan dat g=η0η1g = \eta_0 - \eta_1 (de kwadraten modulo 1717 zijn precies de even machten van de voortbrenger 33).
  2. Bewijs g2=pg^2 = p^*: werk

    g2=a,b0(abp)ζa+b=c a0(a(ca)p)ζcg^2 = \sum_{a,b\neq0}\Bigl(\frac{ab}p\Bigr) \zeta^{a+b} = \sum_{c}\ \sum_{a \neq 0}\Bigl(\frac{a(c - a)}p\Bigr)\zeta^{c}

    uit (stel b=cab = c - a), substitueer ca=atc - a = at om de binnenste som te evalueren als (1p)(p1)\bigl(\frac{-1}p\bigr)(p - 1) voor c=0c = 0 en als (1p)-\bigl(\frac{-1}p\bigr) anders, en besluit met vraag 14. Controleer numeriek: voor p=17p = 17 is (η0η1)2=17(\eta_0 - \eta_1)^2 = 17 (Deel II).

  3. Leid af dat pQ(ζp)\sqrt{p^*} \in \Q(\zeta_p), en besluit dat het enige kwadratische deellichaam van Q(ζp)\Q(\zeta_p) gelijk is aan Q(p)\Q(\sqrt{p^*}) — enig, omdat Gal(Q(ζp)/Q)\operatorname{Gal}(\Q(\zeta_p)/\Q) cyclisch is (Stelling 4.23) en een cyclische groep precies één deelgroep van index 22 heeft. (Elk kwadratisch lichaam bedt zich in een cyclotomisch lichaam in — het eerste geval van de stelling van Kronecker–Weber, waarvan de algemene vorm nog ver voor ons ligt.)
  4. Zij nu qpq \neq p een ander oneven priemgetal. Bewijs, werkend in de ring Z[ζ]\Z[\zeta] modulo qq, dat

    gq(qp)g(modqZ[ζ])g^q \equiv \Bigl(\frac qp\Bigr)\,g \pmod{q\Z[\zeta]}

    (droom van de eerstejaars: (x+y)qxq+yq(x + y)^q \equiv x^q + y^q modulo qq in elke commutatieve ring; vervolgens gqa(ap)qζaqg^q \equiv \sum_a\bigl(\frac ap\bigr)^q\zeta^{aq}, herindexeer b=aqb = aq en haal (q1p)=(qp)\bigl(\frac{q^{-1}}p\bigr) = \bigl(\frac qp\bigr) naar buiten).

  5. Anderzijds is gq=g(g2)(q1)/2=g(p)(q1)/2g^q = g\,(g^2)^{(q-1)/2} = g\,(p^*)^{(q-1)/2}; leid met het criterium van Euler modulo qq af dat gq(pq)g(modqZ[ζ])g^q \equiv \bigl(\frac{p^*}q\bigr)g \pmod{q\Z[\zeta]}, en besluit — door de twee uitdrukkingen voor gqg^q met gg te vermenigvuldigen en g2=pg^2 = p^* te gebruiken, dat inverteerbaar is modulo qq — dat

    (qp)=(pq).\Bigl(\frac qp\Bigr) = \Bigl(\frac{p^*}q\Bigr) .

    (Waarom impliceert een congruentie tussen de gehele getallen ±p\pm p^* modulo qZ[ζ]q\Z[\zeta] hun gelijkheid? Snijd met Z\Z.)

  6. Werk (pq)=(1q)(p1)/2(pq)\bigl(\frac{p^*}q\bigr) = \bigl(\frac{-1}q\bigr)^{(p-1)/2}\bigl(\frac pq\bigr) en (1q)=(1)(q1)/2\bigl(\frac{-1}q\bigr) = (-1)^{(q-1)/2} uit om de wet van de kwadratische reciprociteit te verkrijgen:

    (pq)(qp)=(1)p12q12.\Bigl(\frac pq\Bigr)\Bigl(\frac qp\Bigr) = (-1)^{\frac{p-1}2\cdot\frac{q-1}2} .

    Controleer haar op (p,q)=(17,3)(p, q) = (17, 3) door de kwadraten modulo 1717 en modulo 33 op te schrijven, en gebruik haar om in drie regels te beslissen of x2219(mod383)x^2 \equiv 219 \pmod{383} oplosbaar is (383383 is priem, 219=373219 = 3\cdot73).

Deel VI — Irreducibele veeltermen tellen: de priemgetalstelling van Fq[X]\mathbb F_q[X]. Leg een priemmacht qq vast en zij Nq(n)N_q(n) het aantal monische irreducibele veeltermen van graad nn over Fq\mathbb F_q; herinner uit Oefening 4.6 de ontbinding van XqnXX^{q^n} - X en de identiteit qn=dndNq(d)q^n = \sum_{d\mid n}d\,N_q(d), die we nu inverteren, herinterpreteren en uitbuiten.

  1. (Woorden) Noem een woord wFqnw \in \mathbb F_q^n primitief als het geen macht un/d=uuu^{n/d} = u\cdots u van een strikt korter woord uu is, en zij A(d)A(d) het aantal primitieve woorden van lengte dd. Toon aan dat elk woord van lengte nn op precies één manier een macht is van een primitief woord van zekere lengte dnd \mid n, zodat qn=dnA(d)q^n = \sum_{d \mid n}A(d); besluit door vergelijking met Oefening 4.6 dat A(d)=dNq(d)A(d) = d\,N_q(d) voor elke dd, en verklaar dat samenvallen met een expliciete bijectie: een αFqd\alpha \in \mathbb F_{q^d} van graad dd heeft een frobeniusbaan (α,αq,,αqd1)(\alpha, \alpha^q, \dots, \alpha^{q^{d-1}}) van precies dd verschillende elementen, en de elementen van graad dd corresponderen dd-op-één met de irreducibele veeltermen van graad dd.
  2. Bewijs de inversieformule van Möbius: is f(n)=dng(d)f(n) = \sum_{d\mid n}g(d) voor alle nn, dan is g(n)=dnμ(d)f(n/d)g(n) = \sum_{d\mid n}\mu(d)\,f(n/d), waarbij μ\mu de möbiusfunctie is (μ(m)=(1)#priemfactoren\mu(m) = (-1)^{\#\text{priemfactoren}} als mm kwadraatvrij is, en 00 anders) (sleutellemma: dmμ(d)=0\sum_{d \mid m}\mu(d) = 0 voor m>1m > 1 — paar de delers met en zonder een vaste priemfactor). Leid af dat

    Nq(n)=1ndnμ(d)qn/d.N_q(n) = \frac1n\sum_{d \mid n}\mu(d)\,q^{n/d} .
  3. Toon aan dat Nq(n)1n(qn2qn/2)>0N_q(n) \geq \frac1n\bigl(q^n - 2q^{n/2}\bigr) > 0 voor elke n1n \geq 1: een nieuw bewijs dat Fqn\mathbb F_{q^n} voor alle nn bestaat. Interpreteer de hoofdterm: een toevallig gekozen monische veelterm van graad nn is irreducibel met kans 1n\sim \frac1n — het volmaakte analogon van de priemgetalstelling, met nn in plaats van logx\log x; controleer het numeriek voor q=2q = 2 en n4n \leq 4 (Oefening 4.6 geeft de aantallen).
  4. Bewijs de multiplicatieve tegenhanger van vraag 21:

    π monisch irred.degπ=nπ  =  dn(XqdX)μ(n/d)\prod_{\substack{\pi \text{ monisch irred.}\\ \deg\pi = n}}\pi \;=\; \prod_{d \mid n} \bigl(X^{q^d} - X\bigr)^{\mu(n/d)}

    (möbiusinversie in de abelse groep van de rationale functies 0\neq 0); ga haar met de hand na voor q=2q = 2 en n=2n = 2: (X4X)/(X2X)=X2+X+1(X^4 - X)/(X^2 - X) = X^2 + X + 1.

Deel VII — Twee slotstukken.

  1. (Het tweede supplement) De methode van Deel V berekent ook (2q)\bigl(\frac2q\bigr). Zij ω=e2iπ/8\omega = \eu^{2\iu\pi/8} en g=ω+ω1g = \omega + \omega^{-1}. Toon aan dat g2=2g^2 = 2 (want ω2=i\omega^2 = \iu); bewijs vervolgens voor een oneven priemgetal qq in Z[ω]\Z[\omega] modulo qq dat

    gqωq+ωq(modqZ[ω]),g^q \equiv \omega^q + \omega^{-q} \pmod{q\Z[\omega]},

    en dat het rechterlid gelijk is aan gg als q±1(mod8)q \equiv \pm1 \pmod 8 en aan g-g als q±3(mod8)q \equiv \pm3 \pmod 8. Besluit, door met gq=g(g2)(q1)/2(2q)gg^q = g\,(g^2)^{(q-1)/2} \equiv \bigl(\frac2q\bigr)g te vergelijken als in vraag 18, dat

    (2q)=(1)(q21)/8,\Bigl(\frac2q\Bigr) = (-1)^{(q^2-1)/8},

    en ga na dat (q21)/8(q^2 - 1)/8 even is precies wanneer q±1(mod8)q \equiv \pm1 \pmod 8. Controle: 22 is een kwadraat modulo 77 en modulo 1717 (323^2 en 626^2), maar niet modulo 33 en niet modulo 55.

  2. (De zètafunctie van Fq[X]\mathbb F_q[X]) Bewijs de identiteit van formele machtreeksen in tt:

    n1(1tn)Nq(n)=11qt\prod_{n \geq 1}\bigl(1 - t^n\bigr)^{-N_q(n)} = \frac1{1 - qt}

    (eenduidige ontbinding in monische irreducibele veeltermen: ontwikkel elke factor als meetkundige reeks en tel de monische veeltermen van graad nn). Vind de identiteit qm=dmdNq(d)q^m = \sum_{d \mid m}d\,N_q(d) uit Oefening 4.6 terug door logaritmen te nemen. Controleer de coëfficiënt van t2t^2 met de hand voor q=2q = 2, en bereken met de formule van vraag 21 dat N2(6)=9N_2(6) = 9, waarmee 26=12+21+32+692^6 = 1\cdot2 + 2\cdot1 + 3\cdot2 + 6\cdot9 klopt.

Oplossing

Oplossing van Probleem 4.1.

1. Φ17\Phi_{17} is irreducibel (Stelling 4.23, of Voorbeeld 2.26 voor een priemindex): dus [L:Q]=φ(17)=16[L:\Q] = \varphi(17) = 16 en G(Z/17Z)×G \cong (\Z/17\Z)^\times, cyclisch van orde 1616 (Stelling 4.12). De machten van 33 modulo 1717:

3, 9, 10, 13, 5, 15, 11, 16, 14, 8, 7, 4, 12, 2, 6, 13,\ 9,\ 10,\ 13,\ 5,\ 15,\ 11,\ 16,\ 14,\ 8,\ 7,\ 4,\ 12,\ 2,\ 6,\ 1

— zestien verschillende waarden: 33 brengt voort.

2. G=σG = \langle\sigma\rangle is cyclisch van orde 1616; Hk=σ2kH_k = \langle\sigma^{2^k}\rangle heeft orde 24k2^{4-k} en [Hk:Hk+1]=2[H_k : H_{k+1}] = 2. Volgens de hoofdstelling (Stelling 4.21) voldoen de Lk=LHkL_k = L^{H_k} aan [Lk:Q]=[G:Hk]=2k[L_k : \Q] = [G : H_k] = 2^k: dus [Lk+1:Lk]=2[L_{k+1}:L_k] = 2.

3. ζL=L4\zeta \in L = L_4 ligt boven op een toren van kwadratische uitbreidingen van Q\Q: volgens Stelling 4.25 is ζ\zeta construeerbaar, en de 1717-hoek heeft hoekpunten ζk\zeta^k.

4. σ2\sigma^2 vermenigvuldigt de exponenten met 99; de exponenten van η0\eta_0 zijn de even machten van 33,

{32kmod17}={1,9,13,15,16,8,4,2},\{3^{2k} \bmod 17\} = \{1, 9, 13, 15, 16, 8, 4, 2\},

een verzameling die onder vermenigvuldiging met 9=329 = 3^2 invariant is; dus wordt η0\eta_0 (en net zo η1\eta_1) door H1=σ2H_1 = \langle\sigma^2\rangle vastgehouden: η0,η1L1\eta_0, \eta_1 \in L_1, een kwadratisch lichaam. En σ\sigma stuurt even machten naar oneven: het verwisselt η0\eta_0 en η1\eta_1. Bijgevolg worden η0+η1\eta_0 + \eta_1 en η0η1\eta_0\eta_1 door heel GG vastgehouden en zijn ze rationaal; η0\eta_0 en η1\eta_1 zijn dus de wortels van een rationale kwadratische veelterm.

5. η0+η1=c=116ζc=1\eta_0 + \eta_1 = \sum_{c=1}^{16}\zeta^c = -1. Het product ontwikkelt zich tot 6464 termen ζa+b\zeta^{a + b} met aa in de even verzameling en bb in de oneven. Geen enkele term is ζ0\zeta^0: b=ab = -a is onmogelijk, want 1=16=38-1 = 16 = 3^8 is een even macht, zodat a-a in de even verzameling blijft. Dus η0η1=c0ncζc\eta_0\eta_1 = \sum_{c \neq 0} n_c\zeta^c met nc=64\sum n_c = 64; σ\sigma toepassen houdt η0η1\eta_0\eta_1 vast (het verwisselt de factoren) en permuteert de ζc\zeta^c transitief over alle c0c \neq 0, dus zijn alle ncn_c gelijk: nc=4n_c = 4 en η0η1=4c0ζc=4\eta_0\eta_1 = 4\sum_{c\neq0}\zeta^c = -4.

6. η0,1\eta_{0,1} lossen Y2+Y4=0Y^2 + Y - 4 = 0 op: 1±172\frac{-1 \pm \sqrt{17}}2. Numeriek geeft het paren van toegevoegde exponenten η0=2(cos2π17+cos4π17+cos8π17+cos16π17)1.56>0\eta_0 = 2\bigl(\cos\tfrac{2\pi}{17} + \cos\tfrac{4\pi}{17} + \cos\tfrac{8\pi}{17} + \cos\tfrac{16\pi}{17}\bigr) \approx 1.56 > 0: dus η0=1+172\eta_0 = \frac{-1+\sqrt{17}}2 en η1=1172\eta_1 = \frac{-1-\sqrt{17}}2, en L1=Q(η0)=Q(17)L_1 = \Q(\eta_0) = \Q(\sqrt{17}).

7. De exponentverzamelingen: voor β0\beta_0 is dat {1,13,16,4}\{1, 13, 16, 4\}, de machten 34k3^{4k}; voor β2\beta_2 is dat {9,15,8,2}\{9, 15, 8, 2\}, oftewel 9×9 \times die verzameling. Hun vereniging is de even verzameling: β0+β2=η0\beta_0 + \beta_2 = \eta_0; net zo β1+β3=η1\beta_1 + \beta_3 = \eta_1. Vermenigvuldiging met 13=3413 = 3^4 laat de exponentverzameling van elke βi\beta_i invariant: ze worden door H2=σ4H_2 = \langle\sigma^4\rangle vastgehouden; en σ2\sigma^2 (×9\times 9) stuurt {1,13,16,4}\{1,13,16,4\} naar {9,15,8,2}\{9, 15, 8, 2\}: het verwisselt β0\beta_0 en β2\beta_2.

8. Werken we β0β2\beta_0\beta_2 uit, dan doorlopen de zestien exponentsommen

{1,13,16,4}+{9,15,8,2}={10,16,9,3, 5,11,4,15, 8,14,7,1, 13,2,12,6}\{1,13,16,4\} + \{9,15,8,2\} = \{10,16,9,3,\ 5,11,4,15,\ 8,14,7,1,\ 13,2,12,6\}

de getallen 1,,161, \dots, 16 precies één keer: β0β2=c0ζc=1\beta_0\beta_2 = \sum_{c\ne0}\zeta^c = -1. Toepassing van σ\sigma (dat β0β1\beta_0 \mapsto \beta_1 en β2β3\beta_2 \mapsto \beta_3 stuurt: exponenten ×3\times 3) geeft β1β3=σ(β0β2)=1\beta_1\beta_3 = \sigma(\beta_0\beta_2) = -1.

9. β0\beta_0 en β2\beta_2 lossen Y2η0Y1=0Y^2 - \eta_0 Y - 1 = 0 op, dus β0=η0+η02+42\beta_0 = \frac{\eta_0 + \sqrt{\eta_0^2 + 4}}2 (numeriek is β0=2cos2π17+2cos8π172.05>0\beta_0 = 2\cos\frac{2\pi}{17} + 2\cos\frac{8\pi}{17} \approx 2.05 > 0: het ++-teken). Net zo is β1=η1+η12+420.344\beta_1 = \frac{\eta_1 + \sqrt{\eta_1^2 + 4}}2 \approx 0.344 (opnieuw legt een numerieke controle het teken vast). En L2=L1(β0)L_2 = L_1(\beta_0), kwadratisch over L1L_1.

10. Er geldt γ0+γ1=ζ+ζ16+ζ13+ζ4=β0\gamma_0 + \gamma_1 = \zeta + \zeta^{16} + \zeta^{13} + \zeta^4 = \beta_0. En

γ0γ1=(ζ+ζ16)(ζ13+ζ4)=ζ14+ζ5+ζ12+ζ3=β1.\gamma_0\gamma_1 = (\zeta + \zeta^{16})(\zeta^{13} + \zeta^4) = \zeta^{14} + \zeta^{5} + \zeta^{12} + \zeta^{3} = \beta_1 .

Dus lossen γ0\gamma_0 en γ1\gamma_1 de vergelijking Y2β0Y+β1=0Y^2 - \beta_0Y + \beta_1 = 0 op; numeriek is γ0=2cos2π171.865>γ10.185\gamma_0 = 2\cos\frac{2\pi}{17} \approx 1.865 > \gamma_1 \approx 0.185: γ0=β0+β024β12\gamma_0 = \frac{\beta_0 + \sqrt{\beta_0^2 - 4\beta_1}}2.

11. De keten:

η0=1+172,β0=η0+η02+42,β1=η1+η12+42,cos2π17=β0+β024β14.\eta_0 = \frac{-1 + \sqrt{17}}2, \quad \beta_0 = \frac{\eta_0 + \sqrt{\eta_0^2 + 4}}2, \quad \beta_1 = \frac{\eta_1 + \sqrt{\eta_1^2 + 4}}2, \quad \cos\frac{2\pi}{17} = \frac{\beta_0 + \sqrt{\beta_0^2 - 4\beta_1}}4 .

Numeriek: 174.1231\sqrt{17} \approx 4.1231, η01.5616\eta_0 \approx 1.5616, η12.5616\eta_1 \approx -2.5616, β02.0494\beta_0 \approx 2.0494, β10.3441\beta_1 \approx 0.3441, β024β12.8234\beta_0^2 - 4\beta_1 \approx 2.8234, en cos2π172.0494+1.680340.93242\cos\frac{2\pi}{17} \approx \frac{2.0494 + 1.6803}4 \approx 0.93242 — tegenover cos2π17=0.93247\cos\frac{2\pi}{17} = 0.93247\dots: het kleine verschil is afronding in de tussenstappen; met meer cijfers komt er 0.9324720.932472 uit.

12. De constructie had nodig dat [L:Q]=p1[L:\Q] = p - 1 een macht van 22 is, zodat er een volledige keten deelgroepen van index 22 bestaat. Is p=2m+1p = 2^m + 1 priem en m=abm = ab met aa oneven >1> 1, dan laat x+1xa+1x + 1 \mid x^a + 1 met x=2bx = 2^b zien dat 2b+12^b + 1 een echte deler van pp is — onmogelijk. Dus is mm een macht van 22: p=22t+1p = 2^{2^t} + 1, een Fermat-priemgetal (3,5,17,257,655373, 5, 17, 257, 65537, …). Omgekeerd geldt voor zulke pp dat φ(p)=22t\varphi(p) = 2^{2^t}, en past het argument van de vragen 1–3 (of Gevolg 4.26): de regelmatige pp-hoek is construeerbaar dan en slechts dan als pp een Fermat-priemgetal is.

13. φ(n)\varphi(n) is een macht van 22 precies wanneer n=2ap1prn = 2^a p_1\cdots p_r met verschillende Fermat-priemgetallen pip_i (multiplicativiteit van φ\varphi; een oneven priemmacht pkp^k met k2k \geq 2 draagt de factor p2mp \nmid 2^m bij). Voor n20n \leq 20 zijn de construeerbare regelmatige nn-hoeken

n=3,4,5,6,8,10,12,15,16,17,20n = 3, 4, 5, 6, 8, 10, 12, 15, 16, 17, 20

met respectievelijk

φ(n)=2, 2, 4, 2, 4, 4, 4, 8, 8, 16, 8.\varphi(n) = 2,\ 2,\ 4,\ 2,\ 4,\ 4,\ 4,\ 8,\ 8,\ 16,\ 8 .

De onmogelijke zijn n=7,9,11,13,14,18,19n = 7, 9, 11, 13, 14, 18, 19, waar φ(n)=6,6,10,12,6,6,18\varphi(n) = 6, 6, 10, 12, 6, 6, 18 een oneven priemfactor heeft.

14. De kwadraten vormen het beeld van het kwadrateringsmorfisme op de cyclische groep (Z/pZ)×(\Z/p\Z)^\times, van index 22: er zijn p12\frac{p-1}2 kwadraten en p12\frac{p-1}2 niet-kwadraten, dus is de som van de symbolen 00. Verder is

a=0p1ζa2=1+2b kwadraat0ζb=1+b0(1+(bp))ζb=bζb+g=g,\sum_{a=0}^{p-1}\zeta^{a^2} = 1 + 2\sum_{b \text{ kwadraat} \neq 0}\zeta^b = 1 + \sum_{b\neq0}\Bigl(1 + \Bigl(\frac bp\Bigr)\Bigr) \zeta^b = \sum_{b}\zeta^b + g = g,

met 1+(bp)=#{a:a2=b}1 + \bigl(\frac bp\bigr) = \#\{a : a^2 = b\} en b=0p1ζb=0\sum_{b=0}^{p-1}\zeta^b = 0. Voor p=17p = 17 zijn de kwadraten modulo 1717 de even machten van de voortbrenger 33, dat wil zeggen precies de exponenten die in η0\eta_0 voorkomen (Deel II), zodat g=even kζ3koneven kζ3k=η0η1g = \sum_{\text{even }k}\zeta^{3^k} - \sum_{\text{oneven }k} \zeta^{3^k} = \eta_0 - \eta_1.

15. Met b=cab = c - a (waarbij a,ba, b de resten 0\neq 0 doorlopen en c=a+bc = a + b alle resten):

g2=cζca0,ac(a(ca)p).g^2 = \sum_c\zeta^c\sum_{a\neq0,\,a\neq c} \Bigl(\frac{a(c-a)}p\Bigr) .

Voor c=0c = 0 is (a2p)=(1p)\bigl(\frac{-a^2}p\bigr) = \bigl(\frac{-1}p\bigr), gesommeerd over p1p - 1 waarden. Voor c0c \neq 0 substitueren we ca=atc - a = at, dat wil zeggen t=c/a1t = c/a - 1; doorloopt aa de resten 0\neq 0, dan doorloopt tt bijectief de resten 1\neq -1 (inverteer: a=c/(1+t)a = c/(1 + t)). De sommand wordt (a2tp)=(tp)\bigl(\frac{a^2t}p\bigr) = \bigl(\frac tp\bigr), en

t1(tp)=(1p)\sum_{t \neq -1}\Bigl(\frac tp\Bigr) = -\Bigl(\frac{-1}p\Bigr)

(de volledige som verdwijnt volgens vraag 14). Bijgevolg is

g2=(1p)[(p1)c0ζc]=(1p)p=p,g^2 = \Bigl(\frac{-1}p\Bigr)\Bigl[(p-1) - \sum_{c\neq0}\zeta^c\Bigr] = \Bigl(\frac{-1}p\Bigr)\,p = p^* ,

met c0ζc=1\sum_{c\neq0}\zeta^c = -1 en het criterium van Euler (1p)=(1)(p1)/2\bigl(\frac{-1}p\bigr) = (-1)^{(p-1)/2}. Voor p=17p = 17: (η0η1)2=(η0+η1)24η0η1=1+16=17(\eta_0 - \eta_1)^2 = (\eta_0 + \eta_1)^2 - 4\eta_0\eta_1 = 1 + 16 = 17, in overeenstemming met Deel II.

16. Uit g2=pg^2 = p^* volgt p=±gQ(ζp)\sqrt{p^*} = \pm g \in \Q(\zeta_p), dus is Q(p)\Q(\sqrt{p^*}) een kwadratisch deellichaam. Eenduidigheid: deellichamen van graad 22 corresponderen via de Galoiscorrespondentie met deelgroepen van index 22 van de cyclische groep Gal(Q(ζp)/Q)(Z/pZ)×\operatorname{Gal}(\Q(\zeta_p)/\Q) \cong (\Z/p\Z)^\times, en een cyclische groep van even orde heeft precies één zulke deelgroep (de kwadraten). Elk kwadratisch lichaam is Q(d)\Q(\sqrt{d}) met dd kwadraatvrij, en door de lichamen Q(p)\Q(\sqrt{p^*}), Q(i)Q(ζ4)\Q(\iu) \subseteq \Q(\zeta_4) en Q(2)Q(ζ8)\Q(\sqrt2) \subseteq \Q(\zeta_8) binnen een gemeenschappelijke Q(ζN)\Q(\zeta_N) te combineren vang je elke d\sqrt d: het kwadratische geval van Kronecker–Weber.

17. In elke commutatieve ring is (x+y)q=xq+yq+q()(x + y)^q = x^q + y^q + q(\cdots): de binomiaalcoëfficiënten (qk)\binom qk met 0<k<q0 < k < q zijn deelbaar door het priemgetal qq. Herhaald toegepast op de p1p - 1 termen van gg:

gqa(ap)qζaq=a(ap)ζaq(modqZ[ζ]),g^q \equiv \sum_{a}\Bigl(\frac ap\Bigr)^{q}\zeta^{aq} = \sum_a\Bigl(\frac ap\Bigr)\zeta^{aq} \pmod{q\Z[\zeta]},

(qq is oneven, dus blijft het symbool onveranderd). Herindexeren met b=aqb = aq: a=q1ba = q^{-1}b en (q1bp)=(qp)(bp)\bigl(\frac{q^{-1}b}p\bigr) = \bigl(\frac{q}p\bigr)\bigl(\frac bp\bigr) (multiplicativiteit; (q1p)=(qp)\bigl(\frac{q^{-1}}p\bigr) = \bigl(\frac qp\bigr), want het symbool van een inverse is gelijk aan het symbool): dus gq(qp)gg^q \equiv \bigl(\frac qp\bigr)g.

18. Er geldt exact gq=g(g2)(q1)/2=g(p)(q1)/2g^q = g\,(g^2)^{(q-1)/2} = g\,(p^*)^{(q-1)/2} (vraag 15), en het criterium van Euler in Z\Z geeft (p)(q1)/2(pq)(modq)(p^*)^{(q-1)/2} \equiv \bigl(\frac{p^*}q\bigr) \pmod q, en dus ook modulo qZ[ζ]q\Z[\zeta]: gq(pq)gg^q \equiv \bigl(\frac{p^*}q\bigr)g. Vergelijken met vraag 17 en vermenigvuldigen met gg geeft

(qp)p(pq)p(modqZ[ζ]).\Bigl(\frac qp\Bigr)p^* \equiv \Bigl(\frac{p^*}q\Bigr)p^* \pmod{q\Z[\zeta]} .

Beide leden zijn gehele getallen; hun verschil, 00 of ±2p\pm2p^*, ligt in qZ[ζ]Z=qZq\Z[\zeta] \cap \Z = q\Z (een geheel getal mqZ[ζ]m \in q\Z[\zeta] heeft m/qQZ[ζ]=Zm/q \in \Q \cap \Z[\zeta] = \Z, dat laatste omdat 1,ζ,,ζp21, \zeta, \dots, \zeta^{p-2} een Q\Q-basis is waarvan de rationale coördinaten de geheelheid aflezen). Omdat q2pq \nmid 2p^* (qq is oneven en qpq \neq p), is het verschil 00: (qp)=(pq)\bigl(\frac qp\bigr) = \bigl(\frac{p^*}q\bigr).

19. Wegens de multiplicativiteit is (pq)=(1q)(p1)/2(pq)=(1)q12p12(pq)\bigl(\frac{p^*}q\bigr) = \bigl(\frac{-1}q\bigr)^{(p-1)/2}\bigl(\frac pq\bigr) = (-1)^{\frac{q-1}2\cdot\frac{p-1}2}\bigl(\frac pq\bigr), zodat vraag 18 luidt: (qp)(pq)=(1)p12q12\bigl(\frac qp\bigr)\bigl(\frac pq\bigr) = (-1)^{\frac{p-1}2\frac{q-1}2} — de reciprociteit. Controle voor (17,3)(17, 3): de exponent 16222=8\frac{16}2\cdot\frac22 = 8 is even, dus moeten de twee symbolen samenvallen; de kwadraten modulo 33 zijn {1}\{1\} en 17217 \equiv 2, dus (173)=1\bigl(\frac{17}3\bigr) = -1; de kwadraten modulo 1717 zijn {1,4,9,16,8,2,15,13}\{1, 4, 9, 16, 8, 2, 15, 13\} en 33 ontbreekt: (317)=1\bigl(\frac3{17}\bigr) = -1. Product +1+1, zoals voorspeld. Voor x2219(mod383)x^2 \equiv 219 \pmod{383}: (219383)=(3383)(73383)\bigl(\frac{219}{383}\bigr) = \bigl(\frac3{383}\bigr)\bigl(\frac{73}{383}\bigr). Ten eerste: 3833(mod4)383 \equiv 3 \pmod4 en 333 \equiv 3, dus geeft de reciprociteit (3383)=(3833)=(23)=(1)=+1\bigl(\frac3{383}\bigr) = -\bigl(\frac{383}3\bigr) = -\bigl(\frac23\bigr) = -(-1) = +1. Ten tweede: 731(mod4)73 \equiv 1 \pmod 4, dus (73383)=(38373)=(1873)=(273)\bigl(\frac{73}{383}\bigr) = \bigl(\frac{383}{73}\bigr) = \bigl(\frac{18}{73}\bigr) = \bigl(\frac2{73}\bigr) (want 18=23218 = 2\cdot3^2), en 731(mod8)73 \equiv 1 \pmod 8 maakt 22 een kwadraat modulo 7373 (de aanvullende wet, met dezelfde methode te bewijzen via g=ζ8+ζ81=2g = \zeta_8 + \zeta_8^{-1} = \sqrt2 in Q(ζ8)\Q(\zeta_8)): dus +1+1. Totaal +1+1: de congruentie is oplosbaar.

20. Bestaan en eenduidigheid van de primitieve wortel: heeft ww de verzameling perioden {d:w=un/d, u=d}\{d : w = u^{n/d},\ \abs u = d\}, dan deelt de kleinste zulke d0d_0 elke andere periode dd (is ww zowel een dd-macht als een dd'-macht, dan is het een gcd(d,d)\gcd(d, d')-macht: vergelijk de letters op indices die modulo de grootste gemene deler overeenkomen, via Bézout), en is het blok van lengte d0d_0 primitief. Sorteren we de qnq^n woorden naar de lengte van hun primitieve wortel, dan is qn=dnA(d)q^n = \sum_{d \mid n}A(d). Omdat AA en dNq(d)d\,N_q(d) aan dezelfde recursie voldoen met dezelfde waarden voor n=1n = 1 (beide leggen elkaar inductief vast vanuit qn=dn()q^n = \sum_{d\mid n}(\cdot)), zijn ze gelijk: A(d)=dNq(d)A(d) = d\,N_q(d). De bijectie, rechtstreeks: de elementen van graad dd in Fq\overline{\mathbb F_q} zijn de wortels van de Nq(d)N_q(d) irreducibele veeltermen van graad dd, elk goed voor haar dd verschillende wortels (separabiliteit): dus dNq(d)d\,N_q(d) elementen van graad dd, wat past bij de telling qn=dn#{elementen van graad d in Fqn}q^n = \sum_{d\mid n}\#\{ \text{elementen van graad } d \text{ in } \mathbb F_{q^n}\} — dezelfde zeef, één keer op woorden en één keer op lichaamselementen.

21. Lemma: dmμ(d)=1m=1\sum_{d \mid m}\mu(d) = \mathbf 1_{m=1}. Leg voor m>1m > 1 een priemgetal pmp \mid m vast: de kwadraatvrije delers van mm paren zich als {d,pd}\{d, pd\} met pdp \nmid d, en μ(pd)=μ(d)\mu(pd) = -\mu(d): de som heft elkaar op. Dan is, voor f(n)=eng(e)f(n) = \sum_{e\mid n}g(e),

dnμ(d)f(nd)=dnμ(d) ⁣ ⁣en/d ⁣ ⁣g(e)=eng(e) ⁣ ⁣dn/e ⁣ ⁣μ(d)=g(n).\sum_{d \mid n}\mu(d)\,f\bigl(\tfrac nd\bigr) = \sum_{d \mid n}\mu(d)\!\!\sum_{e \mid n/d}\!\!g(e) = \sum_{e \mid n}g(e)\!\!\sum_{d \mid n/e}\!\!\mu(d) = g(n) .

Met f(n)=qnf(n) = q^n en g(n)=nNq(n)g(n) = nN_q(n) (Oefening 4.6): Nq(n)=1ndnμ(d)qn/dN_q(n) = \frac1n\sum_{d\mid n}\mu(d)\,q^{n/d}.

22. De term d=1d = 1 is qnq^n; elke andere term voldoet aan μ(d)qn/dqn/2\abs{\mu(d)q^{n/d}} \leq q^{n/2}, en grof geschat is dn,d>1qn/djn/2qj<2qn/2\sum_{d \mid n, d > 1}q^{n/d} \leq \sum_{j \leq n/2}q^j < 2q^{n/2} (meetkundig, q2q \geq 2). Dus nNq(n)>qn2qn/20nN_q(n) > q^n - 2q^{n/2} \geq 0 voor n1n \geq 1: er bestaan irreducibele veeltermen van elke graad, en Fq[X]/(π)=Fqn\mathbb F_q[X]/(\pi) = \mathbb F_{q^n} wordt opnieuw opgebouwd — bestaan mét telling. Het aandeel irreducibele veeltermen onder de qnq^n monische veeltermen van graad nn is 1n(1+O(qn/2))\frac1n(1 + O(q^{-n/2})): de priemgetalstelling van Fq[X]\mathbb F_q[X], met nn in de rol van logx\log x. Voor q=2q = 2 kloppen de aantallen 2,1,2,32, 1, 2, 3 uit Oefening 4.6 met de formule: zo is N2(4)=14(2422)=3N_2(4) = \frac14(2^4 - 2^2) = 3.

23. Stel in de multiplicatieve abelse groep van de rationale functies 0\neq 0 over Fq\mathbb F_q: F(n)=XqnXF(n) = X^{q^n} - X en G(n)=degπ=nπG(n) = \prod_{\deg\pi = n}\pi; Oefening 4.6 zegt dat F(n)=dnG(d)F(n) = \prod_{d\mid n}G(d). Het möbiusargument van vraag 21, multiplicatief geschreven (de exponenten tellen precies op zoals de sommen deden), geeft G(n)=dnF(d)μ(n/d)G(n) = \prod_{d \mid n}F(d)^{\mu(n/d)}. Voor q=2q = 2 en n=2n = 2: G(2)=X4XX2X=X(X31)X(X1)=X2+X+1G(2) = \frac{X^4 - X}{X^2 - X} = \frac{X(X^3 - 1)}{X(X - 1)} = X^2 + X + 1, de unieke irreducibele kwadratische veelterm over F2\mathbb F_2, zoals het hoort.

24. Er geldt ω2=i\omega^2 = \iu en ω2=i\omega^{-2} = -\iu, dus g2=ω2+2+ω2=2g^2 = \omega^2 + 2 + \omega^{-2} = 2. De droom van de eerstejaars in de commutatieve ring Z[ω]/qZ[ω]\Z[\omega]/q\Z[\omega] geeft gq=(ω+ω1)qωq+ωqg^q = (\omega + \omega^{-1})^q \equiv \omega^q + \omega^{-q}. De waarde van ωq+ωq\omega^q + \omega^{-q} hangt alleen van qmod8q \bmod 8 af: voor q±1q \equiv \pm1 is ωq+ωq=ω±1+ω1=g\omega^q + \omega^{-q} = \omega^{\pm1} + \omega^{\mp1} = g; voor q±3q \equiv \pm3 geldt met ω4=1\omega^4 = -1 dat ω3=ω1\omega^{3} = -\omega^{-1} en ω3=ω\omega^{-3} = -\omega, zodat ωq+ωq=g\omega^q + \omega^{-q} = -g. Anderzijds is gq=g(g2)(q1)/2=g2(q1)/2(2q)g(modqZ[ω])g^q = g\,(g^2)^{(q-1)/2} = g\,2^{(q-1)/2} \equiv \bigl(\frac2q\bigr)g \pmod{q\Z[\omega]} volgens het criterium van Euler modulo qq. Vergelijken en met gg vermenigvuldigen geeft 2(2q)±2(modqZ[ω])2\bigl(\frac2q\bigr) \equiv \pm2 \pmod{q\Z[\omega]}; zouden de tekens verschillen, dan deelde qq het getal 44 in Z[ω]\Z[\omega] en dus in Z\Z (qZ[ω]Z=qZq\Z[\omega] \cap \Z = q\Z: lees de coördinaten op de basis 1,ω,ω2,ω31, \omega, \omega^2, \omega^3 af), onmogelijk voor oneven qq. Dus is (2q)=+1\bigl(\frac2q\bigr) = +1 precies wanneer q±1(mod8)q \equiv \pm1 \pmod 8. Pariteitscontrole: q=8k±1q = 8k \pm 1 geeft (q21)/8=2k(4k±1)(q^2 - 1)/8 = 2k(4k \pm 1), even; q=8k±3q = 8k \pm 3 geeft (q21)/8=8k2±6k+1(q^2 - 1)/8 = 8k^2 \pm 6k + 1, oneven: de formule (1)(q21)/8(-1)^{(q^2-1)/8} codeert precies die gevalsonderscheiding. Numeriek: 32=92(mod7)3^2 = 9 \equiv 2 \pmod 7 (717 \equiv -1) en 62=362(mod17)6^2 = 36 \equiv 2 \pmod{17} (17117 \equiv 1); de kwadraten modulo 33 zijn {0,1}\{0, 1\} en modulo 55 zijn ze {0,1,4}\{0, 1, 4\}, en geen van beide bevat 22 (333 \equiv 3 en 53(mod8)5 \equiv -3 \pmod 8).

25. Elke monische fFq[X]f \in \mathbb F_q[X] ontbindt op precies één manier als ππeπ\prod_\pi\pi^{e_\pi} over de monische irreducibele veeltermen: naar graad gesorteerd geeft dat

f monischtdegf=π e0tedegπ=π(1tdegπ)1=n1(1tn)Nq(n),\sum_{f \text{ monisch}}t^{\deg f} = \prod_\pi\ \sum_{e \geq 0}t^{e\deg\pi} = \prod_\pi\bigl(1 - t^{\deg\pi}\bigr)^{-1} = \prod_{n \geq 1}\bigl(1 - t^n\bigr)^{-N_q(n)},

en alle producten zijn tt-adisch geoorloofd (alleen graden m\leq m raken de coëfficiënt van tmt^m, en er zijn eindig veel irreducibele veeltermen van elke graad). Het linkerlid is mqmtm=(1qt)1\sum_m q^mt^m = (1 - qt)^{-1}: de identiteit. Logaritmen: log(1qt)=mqmmtm-\log(1 - qt) = \sum_m\frac{q^m}mt^m, terwijl nNq(n)(log(1tn))=nNq(n)ktnkk\sum_nN_q(n)\bigl(-\log(1 - t^n)\bigr) = \sum_nN_q(n)\sum_k\frac{t^{nk}}k; de coëfficiënt van tmt^m geeft qmm=dk=mNq(d)k=1mdmdNq(d)\frac{q^m}m = \sum_{dk = m} \frac{N_q(d)}k = \frac1m\sum_{d \mid m}d\,N_q(d), oftewel qm=dmdNq(d)q^m = \sum_{d\mid m}d\,N_q(d). Controle met de hand voor q=2q = 2, coëfficiënt van t2t^2: N2(1)=2N_2(1) = 2 en N2(2)=1N_2(2) = 1, en (1t)2(1t2)1=(1+2t+3t2+)(1+t2+)(1 - t)^{-2}(1 - t^2)^{-1} = (1 + 2t + 3t^2 + \dots)(1 + t^2 + \dots) heeft als t2t^2-coëfficiënt 3+1=4=223 + 1 = 4 = 2^2. Ten slotte geeft de formule van vraag 21 met de delers 1,2,3,61, 2, 3, 6:

N2(6)=16(262322+2)=546=9,N_2(6) = \tfrac16\bigl(2^6 - 2^3 - 2^2 + 2\bigr) = \tfrac{54}6 = 9,

en inderdaad is 12+21+32+69=2+2+6+54=64=261\cdot2 + 2\cdot1 + 3\cdot2 + 6\cdot9 = 2 + 2 + 6 + 54 = 64 = 2^6.

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 395 begrippen in de begrippenlijst