Mathematics · Boek 5 · Bachelor Year 3

Universitaire wiskunde — Bachelor jaar 3

Universitaire wiskunde — Bachelor jaar 3 · Bachelor Year 3

8Banachruimten en de fundamentele stellingen

De functionaalanalyse bestudeert oneindigdimensionale genormeerde ruimten via de operatoren en functionalen die erop leven. Haar stichtende ontdekking is dat volledigheid, via de stelling van Baire, sterke uniformiteit afdwingt: puntsgewijs begrensde families operatoren zijn begrensd in norm (Banach–Steinhaus), continue bijecties hebben continue inversen (de open afbeelding), en grafieken sporen continuïteit op (de gesloten grafiek). De andere pijler, Hahn–Banach, heeft helemaal geen volledigheid nodig — alleen het lemma van Zorn — en garandeert dat duale ruimten rijk genoeg zijn om elke vector te zien. Dit hoofdstuk bewijst alle vier de stellingen en toetst ze aan de klassieke rijruimten ℓp\ell^p, aan concrete berekeningen van duale ruimten, en aan een werkelijk verrassende toepassing: er bestaan continue 2π2\pi-periodieke functies waarvan de fourierreeks in een punt divergeert — waarmee een vraag die bachelorjaar 2 openliet ontkennend wordt beslecht.

Overal zijn E,FE, F genormeerde ruimten over K=RK = \R of C\C; en banachruimte betekent volledige genormeerde ruimte.

8.1 Begrensde operatoren; rijruimten

Definitie 8.1

L(E,F)\mathcal L(E, F) noteert de ruimte van de begrensde (= continue, bachelorjaar 2) lineaire afbeeldingen, met de operatornorm ∣∣∣T∣∣∣=sup⁡∥x∥≤1∥Tx∥\vertiii T = \sup_{\norm x \leq 1}\norm{Tx}; die is submultiplicatief: ∣∣∣ST∣∣∣≤∣∣∣S∣∣∣ ∣∣∣T∣∣∣\vertiii{ST} \leq \vertiii S\,\vertiii T. De duale ruimte is E′=L(E,K)E' = \mathcal L(E, K).

Propositie 8.2

Is FF een banachruimte, dan ook L(E,F)\mathcal L(E, F); in het bijzonder is E′E' altijd een banachruimte.

Bewijs. Zij (Tn)(T_n) Cauchy voor ∣∣∣⋅∣∣∣\vertiii\cdot. Voor elke xx is ∥Tnx−Tmx∥≤∣∣∣Tn−Tm∣∣∣∥x∥\norm{T_nx - T_mx} \leq \vertiii{T_n - T_m}\norm x: dus is (Tnx)(T_nx) Cauchy in FF en convergent; noem de limiet TxTx. TT is lineair (limieten van lineaire identiteiten); en overgaan tot de limiet in ∥Tnx−Tmx∥≤ε∥x∥\norm{T_nx - T_mx} \leq \varepsilon\norm x (voor n,m≥Nn, m \geq N) geeft ∥Tnx−Tx∥≤ε∥x∥\norm{T_nx - Tx} \leq \varepsilon\norm x: dus Tn→TT_n \to T in operatornorm, en ∣∣∣T∣∣∣≤∣∣∣TN∣∣∣+ε<∞\vertiii T \leq \vertiii{T_N} + \varepsilon < \infty. ∎

Definitie 8.3

De klassieke rijruimten (over KK, geïndexeerd door N\N):

ℓp={x=(xn):∥x∥p=(∑n∣xn∣p)1/p<∞}(1≤p<∞),\ell^p = \Bigl\{x = (x_n) : \norm x_p = \Bigl(\sum_n \abs{x_n}^p\Bigr)^{1/p} < \infty\Bigr\}\quad (1 \leq p < \infty),
ℓ∞={x:∥x∥∞=sup⁡∣xn∣<∞},\ell^\infty = \{x : \norm x_\infty = \sup\abs{x_n} < \infty\},

en c0={x:xn→0}c_0 = \{x : x_n \to 0\} met ∥⋅∥∞\norm\cdot_\infty. Dat ∥⋅∥p\norm\cdot_p een norm is, volgt uit de ongelijkheid van Minkowski, in het discrete geval precies zo bewezen als in Hoofdstuk 12 (of door de eindigdimensionale ongelijkheid uit bachelorjaar 2 te sommeren). Alle zijn banachruimten, en c0c_0 is een gesloten deelruimte van ℓ∞\ell^\infty (Oefening 8.3).

Eenheidsballen van de p-normen in het vlak, genest naarmate p groeit van 1 (ruit) via 2 (schijf) en 4 (superellips) naar ∈fty (vierkant). De convexiteit van elke bal is de ongelijkheid van Minkowski; en in de hoeken bij p = 1 en p = ∈fty ontaarden strikte convexiteit, de eenduidigheid van beste benaderingen en de gelijkheidsgevallen van  tegelijk.
Eenheidsballen van de pp-normen in het vlak, genest naarmate pp groeit van 11 (ruit) via 22 (schijf) en 44 (superellips) naar ∞\infty (vierkant). De convexiteit van elke bal is de ongelijkheid van Minkowski; en in de hoeken bij p=1p = 1 en p=∞p = \infty ontaarden strikte convexiteit, de eenduidigheid van beste benaderingen en de gelijkheidsgevallen van Oefening 12.12 tegelijk.

Propositie 8.4 (Neumannreeks)

Zij EE een banachruimte en T∈L(E)=L(E,E)T \in \mathcal L(E) = \mathcal L(E,E) met ∣∣∣T∣∣∣<1\vertiii T < 1. Dan is I−TI - T inverteerbaar in L(E)\mathcal L(E), met (I−T)−1=∑n≥0Tn(I - T)^{-1} = \sum_{n\geq0}T^n (convergent in operatornorm). Bijgevolg is de verzameling inverteerbare operatoren open, en is het inverteren erop continu.

Bewijs. De reeks convergeert absoluut (∣∣∣Tn∣∣∣≤∣∣∣T∣∣∣n\vertiii{T^n} \leq \vertiii T^n, meetkundig) in de banachruimte L(E)\mathcal L(E) (Propositie 8.2; Oefening 7.1(b)). Telescoperen geeft (I−T)∑n≤NTn=I−TN+1→I(I - T)\sum_{n \leq N}T^n = I - T^{N+1} \to I, en net zo aan de andere kant. Voor de openheid: is SS inverteerbaar en ∣∣∣H∣∣∣<1/∣∣∣S−1∣∣∣\vertiii{H} < 1/\vertiii{S^{-1}}, dan is S+H=S(I+S−1H)S + H = S(I + S^{-1}H) met ∣∣∣S−1H∣∣∣<1\vertiii{S^{-1}H} < 1: inverteerbaar. Continuïteit van het inverteren: de reeksuitdrukking geeft lokaal ∣∣∣(S+H)−1−S−1∣∣∣=O(∣∣∣H∣∣∣)\vertiii{(S+H)^{-1} - S^{-1}} = O(\vertiii H). ∎

Voorbeeld 8.5 (Een vergelijking van Volterra, met Neumann opgelost)

Beschouw op E=C([0, 1])E = \mathcal C(\intcc01) de integraalvergelijking

u(x)=1+λ∫0xu(t)  ⁣dt,dat wil zeggenu=1+λTu,(Tu)(x)=∫0xu.u(x) = 1 + \lambda\int_0^xu(t)\,\dd t, \qquad\text{dat wil zeggen}\qquad u = \mathbf 1 + \lambda Tu, \quad (Tu)(x) = \int_0^xu .

Hier is ∣∣∣T∣∣∣≤1\vertiii T \leq 1, dus voor ∣λ∣<1\abs\lambda < 1 is de Neumannreeks rechtstreeks van toepassing: u=(I−λT)−11=∑nλnTn1u = (I - \lambda T)^{-1}\mathbf 1 = \sum_n\lambda^nT^n\mathbf 1. Berekenen geeft Tn1=xnn!T^n\mathbf 1 = \frac{x^n}{n!}, dus

u(x)=∑n≥0(λx)nn!=eλx,u(x) = \sum_{n\geq0}\frac{(\lambda x)^n}{n!} = \eu^{\lambda x} ,

zoals differentiëren bevestigt. Sterker nog: ∣∣∣Tn∣∣∣≤1n!\vertiii{T^n} \leq \frac1{n!} (de herhaalde kern krimpt faculteitsgewijs), zodat ∑λnTn\sum\lambda^nT^n voor elke λ\lambda convergeert — de operator I−λTI - \lambda T is inverteerbaar voor alle λ∈C\lambda \in \C, ook al is ∣∣∣λT∣∣∣≥1\vertiii{\lambda T} \geq 1 vanaf zeker moment: wat telt is het spectrale afnemen van de machten, niet de eerste norm. Volterra-operatoren dragen dat faculteitsgewijze afnemen in zich (Oefening 7.4(a) buitte precies dat uit), en daarom kennen beginwaardeproblemen nooit de resonantieverschijnselen van randwaardeproblemen (Hoofdstuk 15).

8.2 Hahn–Banach

Stelling 8.6 (Hahn–Banach, analytische vorm)

Zij EE een reële vectorruimte, p ⁣:E→Rp \colon E \to \R sublineair (p(x+y)≤p(x)+p(y)p(x + y) \leq p(x) + p(y) en p(tx)=tp(x)p(tx) = tp(x) voor t≥0t \geq 0), F⊆EF \subseteq E een deelruimte en f ⁣:F→Rf \colon F \to \R lineair met f≤pf \leq p op FF. Dan zet ff zich voort tot een lineaire f~ ⁣:E→R\tilde f \colon E \to \R met f~≤p\tilde f \leq p op EE.

Bewijs. Voortzetting in één stap. Zij x0∉Fx_0 \notin F; we zetten ff voort tot F⊕Rx0F \oplus \R x_0 door α=f~(x0)\alpha = \tilde f(x_0) goed te kiezen: we hebben nodig, voor alle y∈Fy \in F en t>0t > 0,

f(y)+tα≤p(y+tx0)enf(y)−tα≤p(y−tx0),f(y) + t\alpha \leq p(y + tx_0) \quad\text{en}\quad f(y) - t\alpha \leq p(y - tx_0),

wat na deling door tt (sublineariteit) neerkomt op

sup⁡v∈F [f(v)−p(v−x0)]  ≤  α  ≤  inf⁡u∈F [p(u+x0)−f(u)].\sup_{v \in F}\ \bigl[f(v) - p(v - x_0)\bigr] \;\leq\; \alpha \;\leq\; \inf_{u \in F}\ \bigl[p(u + x_0) - f(u)\bigr].

Zo’n α\alpha bestaat precies wanneer elk linkerlid ≤\leq elk rechterlid is: en inderdaad is f(v)+f(u)=f(u+v)≤p(u+v)≤p(u+x0)+p(v−x0)f(v) + f(u) = f(u + v) \leq p(u + v) \leq p(u + x_0) + p(v - x_0), dat wil zeggen f(v)−p(v−x0)≤p(u+x0)−f(u)f(v) - p(v - x_0) \leq p(u + x_0) - f(u).

Zorn. Orden de voortzettingen van ff die door pp gedomineerd worden (paren: deelruimte, functionaal) naar voortzetting; een keten heeft de vereniging als bovengrens; en een maximaal element moet op heel EE gedefinieerd zijn, want anders spreekt de voortzetting in één stap de maximaliteit tegen. ∎

Gevolg 8.7

Zij EE een genormeerde ruimte (K=RK = \R of C\C).

  1. Elke f∈F′f \in F' (met FF een deelruimte) zet zich voort tot een f~∈E′\tilde f \in E' met ∥f~∥E′=∥f∥F′\norm{\tilde f}_{E'} = \norm f_{F'}.
  2. Voor elke x≠0x \neq 0 is er een f∈E′f \in E' met ∥f∥=1\norm f = 1 en f(x)=∥x∥f(x) = \norm x. In het bijzonder scheidt E′E' de punten van EE, en is ∥x∥=sup⁡∥f∥≤1∣f(x)∣\norm x = \sup_{\norm f \leq 1}\abs{f(x)}.
  3. Voor een gesloten deelruimte FF en x∉Fx \notin F is er een f∈E′f \in E' die op FF verdwijnt, met f(x)=d(x,F)f(x) = d(x, F) en ∥f∥≤1\norm f \leq 1.

Bewijs. (1) Reëel geval: pas Stelling 8.6 toe met p(x)=∥f∥F′ ∥x∥p(x) = \norm f_{F'}\,\norm x (sublineair); de voortzetting voldoet aan ±f~(x)=f~(±x)≤p(x)\pm\tilde f(x) = \tilde f(\pm x) \leq p(x), dus ∥f~∥≤∥f∥\norm{\tilde f} \leq \norm f, en ≥\geq is de beperking. Complex geval: zij u=Re⁡fu = \operatorname{Re}f, een reële functionaal met ∣u∣≤∥f∥∥⋅∥\abs u \leq \norm f\norm\cdot; merk op dat f(x)=u(x)−i u(ix)f(x) = u(x) - \iu\,u(\iu x) (controleer op reëel en imaginair deel: Im⁡f(x)=−Re⁡f(ix)\operatorname{Im}f(x) = -\operatorname{Re}f(\iu x)). Zet uu reëel-lineair voort met dezelfde grens, en stel f~(x)=u~(x)−iu~(ix)\tilde f(x) = \tilde u(x) - \iu\tilde u(\iu x): die is C\C-lineair (rechtstreeks na te gaan op vermenigvuldiging met i\iu) en zet ff voort; norm: schrijf voor gegeven xx de waarde f~(x)=reiθ\tilde f(x) = r\eu^{\iu\theta}, dan is ∣f~(x)∣=f~(e−iθx)=u~(e−iθx)≤∥f∥ ∥x∥\abs{\tilde f(x)} = \tilde f(\eu^{-\iu\theta}x) = \tilde u(\eu^{-\iu\theta}x) \leq \norm f\,\norm x.

(2) Definieer op F=KxF = Kx: f(tx)=t∥x∥f(tx) = t\norm x, van norm 11 op FF; zet voort met (1). De dualiteitsformule: ≤\leq is duidelijk, en ≥\geq volgt uit deze ff.

(3) Definieer op F⊕KxF \oplus Kx: f(y+tx)=t d(x,F)f(y + tx) = t\,d(x, F); dan is voor t≠0t \neq 0 ∥y+tx∥=∣t∣ ∥x+y/t∥≥∣t∣ d(x,F)=∣f(y+tx)∣\norm{y + tx} = \abs t\,\norm{x + y/t} \geq \abs t\,d(x, F) = \abs{f(y + tx)}, dus ∥f∥≤1\norm f \leq 1 op die deelruimte; zet voort met (1). ∎

Opmerking 8.8

Volgens (2) is de kanonieke afbeelding J ⁣:E→E′′J \colon E \to E'', J(x)(f)=f(x)J(x)(f) = f(x), een isometrie (Oefening 8.10): elke genormeerde ruimte zit in haar biduale ruimte. Ruimten waarvoor JJ surjectief is, heten reflexief; de weekendopgave toont aan dat ℓp\ell^p (1<p<∞1 < p < \infty) reflexief is en ℓ1\ell^1 niet.

8.3 De trilogie van Baire

Stelling 8.9 (Banach–Steinhaus, uniforme begrensdheid)

Zij EE een banachruimte, FF genormeerd, en (Ti)i∈I⊆L(E,F)(T_i)_{i\in I} \subseteq \mathcal L(E, F) een familie met sup⁡i∥Tix∥<∞\sup_i \norm{T_ix} < \infty voor elke x∈Ex \in E. Dan is sup⁡i∣∣∣Ti∣∣∣<∞\sup_i \vertiii{T_i} < \infty.

Bewijs. De verzamelingen Fn={x:sup⁡i∥Tix∥≤n}F_n = \{x : \sup_i\norm{T_ix} \leq n\} zijn gesloten (doorsneden van originelen van gesloten ballen) en overdekken EE. Baire (Stelling 7.6) geeft een n0n_0 en een bal B(x0,r)⊆Fn0B(x_0, r) \subseteq F_{n_0}. Voor ∥z∥<r\norm z < r is ∥Tiz∥≤∥Ti(x0+z)∥+∥Tix0∥≤2n0\norm{T_iz} \leq \norm{T_i(x_0 + z)} + \norm{T_ix_0} \leq 2n_0, dus ∣∣∣Ti∣∣∣≤2n0/r\vertiii{T_i} \leq 2n_0/r voor elke ii. ∎

Gevolg 8.10

Is EE een banachruimte en convergeren Tn∈L(E,F)T_n \in \mathcal L(E,F) puntsgewijs (Tnx→TxT_nx \to Tx voor elke xx), dan is sup⁡n∣∣∣Tn∣∣∣<∞\sup_n \vertiii{T_n} < \infty, T∈L(E,F)T \in \mathcal L(E, F) en ∣∣∣T∣∣∣≤lim inf⁡∣∣∣Tn∣∣∣\vertiii T \leq \liminf \vertiii{T_n}.

Bewijs. Convergente rijen zijn begrensd: puntsgewijze begrensdheid; Banach–Steinhaus begrenst de normen door zekere MM; en dan is ∥Tx∥=lim⁡∥Tnx∥≤M∥x∥\norm{Tx} = \lim\norm{T_nx} \leq M\norm x (TT is lineair als puntsgewijze limiet), en de scherpere grens volgt door in ∥Tnx∥≤∣∣∣Tn∣∣∣∥x∥\norm{T_nx} \leq \vertiii{T_n}\norm x tot de lim inf⁡\liminf over te gaan. ∎

Stelling 8.11 (Divergente fourierreeksen)

Er bestaan continue 2π2\pi-periodieke functies ff waarvan de fourierreeks in 00 divergeert: sup⁡N∣SN(f)(0)∣=∞\sup_N\abs{S_N(f)(0)} = \infty. Zulke ff vormen zelfs een dichte deelverzameling van C(S1)\mathcal C(S^1).

Bewijs. Werk in E=(C(S1),∥⋅∥∞)E = (\mathcal C(S^1), \norm\cdot_\infty), een banachruimte, met de functionalen ΛN(f)=SN(f)(0)=12π∫−ππf(t) DN(t)  ⁣dt\Lambda_N(f) = S_N(f)(0) = \frac1{2\pi}\int_{-\pi}^{\pi}f(t)\,D_N(t)\,\dd t (de dirichletkern, bachelorjaar 2). Elke ΛN\Lambda_N is continu met

∥ΛN∥=12π∫−ππ∣DN(t)∣  ⁣dt  =  LN.\norm{\Lambda_N} = \frac1{2\pi}\int_{-\pi}^\pi\abs{D_N(t)}\,\dd t \;=\; L_N .

(≤\leq is duidelijk; ≥\geq: neem een continue ff met ∥f∥∞≤1\norm f_\infty \leq 1 die sign⁡DN\operatorname{sign}D_N benadert — het teken heeft eindig veel sprongen, en elke sprong afvlakken over een interval van lengte ε\varepsilon verandert de integraal met O(Nε)O(N\varepsilon).) De lebesgueconstanten LNL_N gaan naar oneindig:

LN=12π∫−ππ∣sin⁡((N+12)t)∣∣sin⁡(t/2)∣  ⁣dt≥2π∫0π∣sin⁡((N+12)t)∣t  ⁣dt=2π∫0(N+12)π∣sin⁡u∣u  ⁣duL_N = \frac1{2\pi}\int_{-\pi}^{\pi} \frac{\abs{\sin\bigl((N{+}\tfrac12)t\bigr)}}{\abs{\sin(t/2)}} \,\dd t \geq \frac{2}{\pi}\int_0^{\pi} \frac{\abs{\sin\bigl((N{+}\tfrac12)t\bigr)}}{t}\,\dd t = \frac{2}{\pi}\int_0^{(N+\frac12)\pi}\frac{\abs{\sin u}}{u}\,\dd u

(met ∣sin⁡(t/2)∣≤t/2\abs{\sin(t/2)} \leq t/2 op [0,π][0, \pi], en daarna de substitutie u=(N+12)tu = (N + \tfrac12)t). Snijden in bogen:

∫(k−1)πkπ∣sin⁡u∣u  ⁣du≥1kπ∫(k−1)πkπ∣sin⁡u∣  ⁣du=2kπ,dusLN≥4π2∑k=1N1k→N→∞∞.\int_{(k-1)\pi}^{k\pi}\frac{\abs{\sin u}}u\,\dd u \geq \frac1{k\pi}\int_{(k-1)\pi}^{k\pi}\abs{\sin u}\,\dd u = \frac{2}{k\pi}, \qquad\text{dus}\qquad L_N \geq \frac{4}{\pi^2}\sum_{k=1}^N\frac1k \xrightarrow[N\to\infty]{} \infty .

Had elke continue ff dat sup⁡N∣ΛN(f)∣<∞\sup_N \abs{\Lambda_N(f)} < \infty, dan dwong Banach–Steinhaus af dat sup⁡N∥ΛN∥<∞\sup_N\norm{\Lambda_N} < \infty: tegenspraak. Dus heeft een zekere ff — zelfs een niet-magere, dichte verzameling ff (het complement van ⋃M{f:sup⁡N∣ΛNf∣≤M}\bigcup_M\{f: \sup_N\abs{\Lambda_Nf}\leq M\}, een aftelbare vereniging gesloten verzamelingen die wegens het bovenstaande, toegepast in elke bal, geen inwendige hebben en dus mager is) — dat sup⁡N∣SNf(0)∣=∞\sup_N\abs{S_Nf(0)} = \infty. ∎

Stelling 8.12 (Open afbeelding)

Zij E,FE, F banachruimten en T∈L(E,F)T \in \mathcal L(E, F) surjectief. Dan is TT open: T(BE(0,1))⊇BF(0,c)T(B_E(0,1)) \supseteq B_F(0, c) voor zekere c>0c > 0. Bijgevolg heeft een bijectieve begrensde operator tussen banachruimten een begrensde inverse.

Bewijs. Schrijf B=BE(0,1)B = B_E(0,1). De surjectiviteit geeft F=⋃nT(nB)‾=⋃nn T(B)‾F = \bigcup_n \overline{T(nB)} = \bigcup_n n\,\overline{T(B)}; Baire (Stelling 7.6) geeft T(B)‾\overline{T(B)} een inwendige: een zekere BF(y0,4c)⊆T(B)‾B_F(y_0, 4c) \subseteq \overline{T(B)}. Hercentreer in 00: voor ∥y∥<4c\norm y < 4c zijn zowel y0+yy_0 + y als y0y_0 limieten van beelden TukTu_k respectievelijk TvkTv_k met uk,vk∈Bu_k, v_k \in B, dus y=lim⁡T(uk−vk)y = \lim T(u_k - v_k) met uk−vk∈2Bu_k - v_k \in 2B: dus BF(0,4c)⊆T(2B)‾B_F(0, 4c) \subseteq \overline{T(2B)}, oftewel BF(0,2c)⊆T(B)‾B_F(0, 2c) \subseteq \overline{T(B)}.

De afsluiting weghalen (hier komt de volledigheid van EE binnen): zij ∥y∥<c\norm y < c. Kies x1∈12Bx_1 \in \frac12 B met ∥y−Tx1∥<c/2\norm{y - Tx_1} < c/2 (BF(0,2c)⊆T(B)‾B_F(0,2c) \subseteq \overline{T(B)}, met 12\frac12 geschaald); inductief xk∈2−kBx_k \in 2^{-k}B met ∥y−T(x1+⋯+xk)∥<c 2−k\norm{y - T(x_1 + \dots + x_k)} < c\,2^{-k}. De reeks ∑xk\sum x_k convergeert absoluut in de banachruimte EE, naar een x∈Bx \in B (norm <∑2−k=1< \sum 2^{-k} = 1), en Tx=yTx = y wegens de continuïteit: dus BF(0,c)⊆T(B)B_F(0, c) \subseteq T(B). De openheid van TT op willekeurige open verzamelingen volgt door translatie en schaling; en voor het gevolg: dat TT open is, betekent dat T−1T^{-1} continu is. ∎

Gevolg 8.13 (Gelijkwaardige normen)

Is een vectorruimte volledig voor twee vergelijkbare normen (∥⋅∥a≤C∥⋅∥b\norm\cdot_a \leq C\norm\cdot_b), dan zijn de normen gelijkwaardig.

Bewijs. De identiteit (E,∥⋅∥b)→(E,∥⋅∥a)(E, \norm\cdot_b) \to (E, \norm\cdot_a) is begrensd en bijectief tussen banachruimten: haar inverse is begrensd. ∎

Stelling 8.14 (Gesloten grafiek)

Zij E,FE, F banachruimten en T ⁣:E→FT \colon E \to F lineair. Is de grafiek Γ={(x,Tx)}\Gamma = \{(x, Tx)\} gesloten in E×FE \times F (dat wil zeggen: uit xn→xx_n \to x en Txn→yTx_n \to y volgt y=Txy = Tx), dan is TT begrensd.

Bewijs. E×FE \times F met ∥(x,y)∥=∥x∥+∥y∥\norm{(x,y)} = \norm x + \norm y is een banachruimte; Γ\Gamma, een gesloten deelruimte, is er ook een. De projectie πE ⁣:Γ→E\pi_E\colon \Gamma \to E is begrensd en bijectief, dus is haar inverse x↦(x,Tx)x \mapsto (x, Tx) begrensd (Stelling 8.12): ∥Tx∥≤∥(x,Tx)∥≤C∥x∥\norm{Tx} \leq \norm{(x, Tx)} \leq C\norm x. ∎

Methode 8.15

Wanneer welke stelling. Hahn–Banach: om een functionaal met voorgeschreven gedrag te maken (een vector normeren, op een deelruimte verdwijnen, vanaf een deelruimte voortzetten) — geen volledigheid nodig. Banach–Steinhaus: om puntsgewijze informatie in uniforme grenzen om te zetten — meestal om te tonen dat een limietbewerking continu is, of (contrapositief) om divergentie voor een element te bewijzen, zoals bij de fourierreeksen. Open afbeelding / gesloten grafiek: om continuïteit gratis te krijgen uit algebraïsche bijectiviteit of uit een afsluitingseigenschap van de grafiek — typisch gebruik: twee volledige normen vergelijken, of automatische continuïteit bewijzen. Alle drie de bairestellingen vergen volledigheid van het vertrekpunt; anders zijn er tegenvoorbeelden (Oefening 8.7).

8.4 Duale ruimten, concreet

Stelling 8.16

Isometrisch geldt: (c0)′≅ℓ1(c_0)' \cong \ell^1 en (ℓ1)′≅ℓ∞(\ell^1)' \cong \ell^\infty, via de paring ⟨x,y⟩=∑nxnyn\langle x, y\rangle = \sum_n x_ny_n.

Bewijs. We bewijzen (c0)′≅ℓ1(c_0)' \cong \ell^1; de tweede identificatie is Oefening 8.5. Ken aan y∈ℓ1y \in \ell^1 de functionaal Λy(x)=∑xnyn\Lambda_y(x) = \sum x_ny_n toe (voor x∈c0x \in c_0): absoluut convergent, met ∣Λy(x)∣≤∥x∥∞∥y∥1\abs{\Lambda_y(x)} \leq \norm x_\infty\norm y_1, dus ∥Λy∥≤∥y∥1\norm{\Lambda_y} \leq \norm y_1. Zij omgekeerd Λ∈(c0)′\Lambda \in (c_0)'; stel yn=Λ(en)y_n = \Lambda(e_n) (met ene_n de eenheidsrijen). Toets voor elke NN op x(N)=∑n≤Nsign⁡(yn‾) en∈c0x^{(N)} = \sum_{n \leq N} \operatorname{sign}(\overline{y_n})\,e_n \in c_0 (norm ≤1\leq 1; gebruik in het complexe geval de factoren yˉn/∣yn∣\bar y_n/\abs{y_n} van modulus 11): Λ(x(N))=∑n≤N∣yn∣≤∥Λ∥\Lambda(x^{(N)}) = \sum_{n\leq N}\abs{y_n} \leq \norm\Lambda. Dus y∈ℓ1y \in \ell^1 met ∥y∥1≤∥Λ∥\norm y_1 \leq \norm\Lambda. Ten slotte is Λ=Λy\Lambda = \Lambda_y: beide vallen samen op de ene_n en dus op de eindige rijen, die dicht liggen in c0c_0 (afknotten: ∥x−∑n≤Nxnen∥∞=sup⁡n>N∣xn∣→0\norm{x - \sum_{n \leq N}x_ne_n}_\infty = \sup_{n > N}\abs{x_n} \to 0, juist omdat xn→0x_n \to 0); en continue functionalen die op een dichte verzameling samenvallen, zijn gelijk. De correspondentie is lineair, bijectief en isometrisch (∥Λy∥=∥y∥1\norm{\Lambda_y} = \norm y_1 uit de twee ongelijkheden). ∎

8.5 Oefeningen

Oefening 8.1 ★

Bereken de operatornormen: (a) van de verschuivingen S(x1,x2,… )=(0,x1,x2,… )S(x_1, x_2, \dots) = (0, x_1, x_2, \dots) en S∗(x1,x2,… )=(x2,x3,… )S^*(x_1, x_2, \dots) = (x_2, x_3, \dots) op ℓ2\ell^2; (b) van de vermenigvuldigingsoperator Max=(anxn)M_a x = (a_nx_n) op ℓ2\ell^2, voor a∈ℓ∞a \in \ell^\infty; (c) van de functionaal Λ(f)=∫01/2f−∫1/21f\Lambda(f) = \int_0^{1/2}f - \int_{1/2}^1f op C([0, 1])\mathcal C(\intcc01) — toon aan dat ∥Λ∥=1\norm\Lambda = 1 en dat de norm niet bereikt wordt.

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.1.

(a) ∥Sx∥2=∥x∥2\norm{Sx}_2 = \norm x_2: SS is een isometrie, dus ∣∣∣S∣∣∣=1\vertiii S = 1. Voor de achterwaartse verschuiving is ∥S∗x∥22=∑n≥2∣xn∣2≤∥x∥22\norm{S^*x}_2^2 = \sum_{n \geq 2}\abs{x_n}^2 \leq \norm x_2^2, met gelijkheid voor x=e2x = e_2: ∣∣∣S∗∣∣∣=1\vertiii{S^*} = 1.

(b) ∥Max∥22=∑∣an∣2∣xn∣2≤∥a∥∞2∥x∥22\norm{M_ax}_2^2 = \sum\abs{a_n}^2\abs{x_n}^2 \leq \norm a_\infty^2\norm x_2^2; en toetsen op x=enx = e_n geeft ∣∣∣Ma∣∣∣≥∣an∣\vertiii{M_a} \geq \abs{a_n} voor elke nn: ∣∣∣Ma∣∣∣=∥a∥∞\vertiii{M_a} = \norm a_\infty.

(c) ∣Λ(f)∣≤∫01∣f∣≤∥f∥∞\abs{\Lambda(f)} \leq \int_0^1\abs f \leq \norm f_\infty, dus ∥Λ∥≤1\norm\Lambda \leq 1. Zij voor ε>0\varepsilon > 0 de functie fεf_\varepsilon gelijk aan 11 op [0,12−ε][0, \frac12 - \varepsilon], aan −1-1 op [12+ε,1][\frac12 + \varepsilon, 1], en affien daartussen: dan is ∥fε∥∞=1\norm{f_\varepsilon}_\infty = 1 en Λ(fε)≥1−2ε\Lambda(f_\varepsilon) \geq 1 - 2\varepsilon, dus ∥Λ∥=1\norm\Lambda = 1. Niet bereikt: uit Λ(f)=1\Lambda(f) = 1 met ∥f∥∞≤1\norm f_\infty \leq 1 volgt ∫01/2f=12\int_0^{1/2}f = \frac12 en ∫1/21f=−12\int_{1/2}^1 f = -\frac12, dat wil zeggen (continuïteit en ∣f∣≤1\abs f \leq 1) f≡1f \equiv 1 op [0,12][0, \frac12] en f≡−1f \equiv -1 op [12,1][\frac12, 1]: tegenspraak in 12\frac12.

Oefening 8.2 ★

Zij EE een banachruimte, T∈L(E)T \in \mathcal L(E) inverteerbaar, en SS met ∣∣∣S−T∣∣∣<1/∣∣∣T−1∣∣∣\vertiii{S - T} < 1/\vertiii{T^{-1}}. Toon aan dat SS inverteerbaar is en schat ∣∣∣S−1−T−1∣∣∣\vertiii{S^{-1} - T^{-1}}. Toepassing: is een lineair stelsel Tx=bTx = b oplosbaar met TT inverteerbaar, dan blijft het bij een voldoende kleine verstoring van TT eenduidig oplosbaar, met een kwantitatieve grens op de verandering van de oplossing.

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.2.

Schrijf S=T(I−T−1(T−S))S = T\bigl(I - T^{-1}(T - S)\bigr) met ∣∣∣T−1(T−S)∣∣∣≤∣∣∣T−1∣∣∣ ∣∣∣T−S∣∣∣=θ<1\vertiii{T^{-1}(T-S)} \leq \vertiii{T^{-1}}\,\vertiii{T - S} = \theta < 1: volgens Propositie 8.4 is SS inverteerbaar met S−1=∑n≥0(T−1(T−S))nT−1S^{-1} = \sum_{n\geq0}\bigl(T^{-1}(T - S)\bigr)^nT^{-1}, waaruit

∣∣∣S−1−T−1∣∣∣≤∑n≥1θn ∣∣∣T−1∣∣∣=∣∣∣T−1∣∣∣2 ∣∣∣T−S∣∣∣1−θ.\vertiii{S^{-1} - T^{-1}} \leq \sum_{n\geq1}\theta^n\,\vertiii{T^{-1}} = \frac{\vertiii{T^{-1}}^2\,\vertiii{T - S}}{1 - \theta}.

Voor het lineaire stelsel: xT=T−1bx_T = T^{-1}b en xS=S−1bx_S = S^{-1}b verschillen hoogstens die grens maal ∥b∥\norm b — kleine verstoringen van een inverteerbaar stelsel blijven eenduidig oplosbaar, met lipschitz-afhankelijkheid van de oplossing van de operator.

Oefening 8.3 ★★

(a) Bewijs dat ℓ1\ell^1, ℓ∞\ell^\infty en c0c_0 banachruimten zijn, en dat c0c_0 de afsluiting in ℓ∞\ell^\infty is van de ruimte van de eindige rijen. (b) Toon aan dat ℓp⊆ℓq\ell^p \subseteq \ell^q met ∥⋅∥q≤∥⋅∥p\norm\cdot_q \leq \norm\cdot_p voor 1≤p≤q≤∞1 \leq p \leq q \leq \infty, en dat de inclusie strikt is.

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.3.

(a) ℓ1\ell^1: zij (x(k))(x^{(k)}) Cauchy. Elke coördinaat is Cauchy (∣xn(k)−xn(l)∣≤∥x(k)−x(l)∥1\abs{x^{(k)}_n - x^{(l)}_n} \leq \norm{x^{(k)} - x^{(l)}}_1); stel xn=lim⁡kxn(k)x_n = \lim_kx^{(k)}_n. Bij gegeven ε\varepsilon is voor k,l≥Kk, l \geq K: ∑n≤N∣xn(k)−xn(l)∣≤ε\sum_{n \leq N}\abs{x^{(k)}_n - x^{(l)}_n} \leq \varepsilon voor elke NN; laat l→∞l \to \infty en dan N→∞N \to \infty: ∥x(k)−x∥1≤ε\norm{x^{(k)} - x}_1 \leq \varepsilon, en x=x(k)−(x(k)−x)∈ℓ1x = x^{(k)} - (x^{(k)} - x) \in \ell^1. ℓ∞\ell^\infty: Cauchy voor ∥⋅∥∞\norm\cdot_\infty is uniform Cauchy, en convergeert dus uniform naar een begrensde rij. c0c_0 is gesloten in ℓ∞\ell^\infty: convergeert x(k)→xx^{(k)} \to x uniform met xn(k)→n0x^{(k)}_n \to_n 0, dan geeft ∣xn∣≤∥x−x(k)∥∞+∣xn(k)∣\abs{x_n} \leq \norm{x - x^{(k)}}_\infty + \abs{x^{(k)}_n} dat lim sup⁡n∣xn∣≤ε\limsup_n\abs{x_n} \leq \varepsilon: dus x∈c0x \in c_0; en een gesloten deelruimte van een banachruimte is een banachruimte. Eindige rijen: hun afsluiting bevat elke x∈c0x \in c_0 (de afknottingen convergeren: sup⁡n>N∣xn∣→0\sup_{n>N}\abs{x_n} \to 0) en ligt binnen het gesloten c0c_0.

(b) Neem wegens de homogeniteit ∥x∥p=1\norm x_p = 1: dan is ∣xn∣≤1\abs{x_n} \leq 1 voor alle nn, dus ∣xn∣q≤∣xn∣p\abs{x_n}^q \leq \abs{x_n}^p en ∥x∥q≤1=∥x∥p\norm x_q \leq 1 = \norm x_p; voor q=∞q = \infty geldt ∣xn∣≤∥x∥p\abs{x_n} \leq \norm x_p rechtstreeks. Striktheid: xn=n−αx_n = n^{-\alpha} met 1q<α≤1p\frac1q < \alpha \leq \frac1p ligt in ℓq∖ℓp\ell^q \setminus \ell^p (riemannreeksen).

Oefening 8.4 ★★

Zij F⊆EF \subseteq E een gesloten deelruimte en x∉Fx \notin F. Bewijs met Gevolg 8.7 de dualiteitsformule

d(x,F)=max⁡{∣f(x)∣:f∈E′, ∥f∥≤1, f↾F=0}d(x, F) = \max\bigl\{\abs{f(x)} : f \in E',\ \norm f \leq 1,\ f\restriction_F = 0\bigr\}

(let op: een maximum). Leid af dat F=⋂{ker⁡f:f∈E′, f↾F=0}F = \bigcap\{\ker f : f \in E',\ f\restriction_F = 0\}: gesloten deelruimten zijn precies de doorsneden van kernen van functionalen.

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.4.

(≤\leq) Is ∥f∥≤1\norm f \leq 1 en f↾F=0f\restriction_F = 0, dan is voor elke y∈Fy \in F: ∣f(x)∣=∣f(x−y)∣≤∥x−y∥\abs{f(x)} = \abs{f(x - y)} \leq \norm{x - y}; neem het infimum. (≥\geq, en bereikt) Gevolg 8.7(3) levert een ff met f↾F=0f\restriction_F = 0, ∥f∥≤1\norm f \leq 1 en f(x)=d(x,F)f(x) = d(x, F): het supremum is dus een maximum. Gevolg: F⊆⋂{ker⁡f:f↾F=0}F \subseteq \bigcap\{\ker f : f\restriction_F = 0\} is triviaal, en een punt x∉Fx \notin F wordt door de bovengenoemde functionaal uit de doorsnede uitgesloten (f(x)=d(x,F)>0f(x) = d(x,F) > 0, want FF is gesloten).

Oefening 8.5 ★★

Bewijs isometrisch dat (ℓ1)′≅ℓ∞(\ell^1)' \cong \ell^\infty, volgens het schema van Stelling 8.16 (de eindige rijen liggen dicht in ℓ1\ell^1). Waar breekt het argument voor (ℓ∞)′(\ell^\infty)'?

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.5.

Voor y∈ℓ∞y \in \ell^\infty is ∣Λy(x)∣=∣∑xnyn∣≤∥y∥∞∥x∥1\abs{\Lambda_y(x)} = \abs{\sum x_ny_n} \leq \norm y_\infty\norm x_1, dus ∥Λy∥≤∥y∥∞\norm{\Lambda_y} \leq \norm y_\infty; en toetsen op ene_n geeft ∣yn∣=∣Λy(en)∣≤∥Λy∥\abs{y_n} = \abs{\Lambda_y(e_n)} \leq \norm{\Lambda_y}: gelijkheid. Stel omgekeerd yn=Λ(en)y_n = \Lambda(e_n) voor Λ∈(ℓ1)′\Lambda \in (\ell^1)': dan is ∣yn∣≤∥Λ∥\abs{y_n} \leq \norm\Lambda, dus y∈ℓ∞y \in \ell^\infty; en Λ\Lambda en Λy\Lambda_y vallen samen op de eindige rijen, die dicht liggen in ℓ1\ell^1 (∥x−∑n≤Nxnen∥1=∑n>N∣xn∣→0\norm{x - \sum_{n\leq N}x_ne_n}_1 = \sum_{n>N}\abs{x_n} \to 0): dus Λ=Λy\Lambda = \Lambda_y. De afbeelding y↦Λyy \mapsto \Lambda_y is lineair, isometrisch en surjectief. Voor (ℓ∞)′(\ell^\infty)' levert hetzelfde begin een rij yn=Λ(en)y_n = \Lambda(e_n), maar de eindige rijen liggen niet dicht in ℓ∞\ell^\infty (de constante rij 1\mathbf 1 ligt op afstand 11 van alle), zodat Λ\Lambda niet door de yny_n wordt vastgelegd — en inderdaad is (ℓ∞)′≠ℓ1(\ell^\infty)' \neq \ell^1 (Probleem 8.1).

Oefening 8.6 ★★

Zij E,F,GE, F, G genormeerd met EE een banachruimte, en B ⁣:E×F→GB \colon E \times F \to G bilineair en in elke veranderlijke afzonderlijk continu. Toon aan dat BB (gezamenlijk) continu is: ∥B(x,y)∥≤C∥x∥∥y∥\norm{B(x,y)} \leq C\norm x\norm y. (Pas Banach–Steinhaus toe op de familie (B(⋅,y))∥y∥≤1(B(\cdot, y))_{\norm y \leq 1}.)

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.6.

Voor elke vaste xx is y↦B(x,y)y \mapsto B(x, y) continu en lineair: sup⁡∥y∥≤1∥B(x,y)∥<∞\sup_{\norm y \leq 1}\norm{B(x,y)} < \infty. Dus is de familie {B(⋅,y):∥y∥≤1}⊆L(E,G)\{B(\cdot, y) : \norm y \leq 1\} \subseteq \mathcal L(E, G) (elk lid continu, wegens de continuïteit in xx) puntsgewijs begrensd op de banachruimte EE: Banach–Steinhaus (Stelling 8.9) levert een CC met ∥B(x,y)∥≤C∥x∥\norm{B(x,y)} \leq C\norm x voor alle ∥y∥≤1\norm y \leq 1; en de homogeniteit in yy maakt het af: ∥B(x,y)∥≤C∥x∥∥y∥\norm{B(x,y)} \leq C\norm x\norm y.

Oefening 8.7 ★★

(a) Vergelijk op E=C([0, 1])E = \mathcal C(\intcc01) de normen ∥⋅∥∞\norm\cdot_\infty en ∥⋅∥1\norm\cdot_1: de identiteit (E,∥⋅∥∞)→(E,∥⋅∥1)(E, \norm\cdot_\infty) \to (E, \norm\cdot_1) is begrensd en bijectief, maar haar inverse is onbegrensd. Welke hypothese van Gevolg 8.13 faalt? (b) Geef een discontinue lineaire afbeelding van een dichte deelruimte van ℓ2\ell^2 naar KK (bijvoorbeeld op de eindige rijen), en leg uit waarom dat de gesloten-grafiekstelling niet tegenspreekt.

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.7.

(a) ∥f∥1≤∥f∥∞\norm f_1 \leq \norm f_\infty: de identiteit is begrensd en bijectief. Haar inverse is onbegrensd: fn(x)=xnf_n(x) = x^n heeft ∥fn∥1=1n+1→0\norm{f_n}_1 = \frac1{n+1} \to 0 maar ∥fn∥∞=1\norm{f_n}_\infty = 1. Geen tegenspraak met Gevolg 8.13: (C([0, 1]),∥⋅∥1)(\mathcal C(\intcc01), \norm\cdot_1) is niet volledig (Oefening 7.1); het gevolg vergt volledigheid aan beide kanten.

(b) Op de ruimte E0E_0 van de eindige rijen (dicht in ℓ2\ell^2) is φ(x)=∑nn xn\varphi(x) = \sum_n n\,x_n lineair en onbegrensd (φ(en)=n\varphi(e_n) = n met ∥en∥2=1\norm{e_n}_2 = 1). De gesloten-grafiekstelling is niet van toepassing: E0E_0 is niet volledig — en φ\varphi heeft geen continue voortzetting tot ℓ2\ell^2, wat illustreert dat dichtheid zonder uniforme continuïteit machteloos is (Stelling 7.2).

Oefening 8.8 ★★★

(Hellinger–Toeplitz) Zij T ⁣:ℓ2→ℓ2T \colon \ell^2 \to \ell^2 lineair (overal gedefinieerd) en symmetrisch: ⟨Tx,y⟩=⟨x,Ty⟩\langle Tx, y\rangle = \langle x, Ty\rangle voor alle x,yx, y, met ⟨x,y⟩=∑xnyˉn\langle x, y \rangle = \sum x_n\bar y_n. Toon aan dat TT begrensd is. (Gesloten grafiek: als xk→xx_k \to x en Txk→zTx_k \to z, toets dan tegen een willekeurige yy.) Moraal: onbegrensde symmetrische operatoren — de hamiltonianen van de kwantummechanica — kunnen nooit op de hele ruimte gedefinieerd worden.

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.8.

We gaan de hypothese van de gesloten grafiek na. Zij xk→xx_k \to x en Txk→zTx_k \to z in ℓ2\ell^2. Dan is voor elke yy:

⟨z,y⟩=lim⁡k⟨Txk,y⟩=lim⁡k⟨xk,Ty⟩=⟨x,Ty⟩=⟨Tx,y⟩,\langle z, y\rangle = \lim_k\langle Tx_k, y\rangle = \lim_k \langle x_k, Ty\rangle = \langle x, Ty\rangle = \langle Tx, y\rangle,

met de continuïteit van het inproduct in elke ingang (Cauchy–Schwarz) en tweemaal de symmetrie. Dus staat z−Txz - Tx loodrecht op elke yy, en in het bijzonder op zichzelf: z=Txz = Tx. De grafiek is gesloten en ℓ2\ell^2 is een banachruimte: dus is TT begrensd (Stelling 8.14). Een symmetrische operator die op heel ℓ2\ell^2 gedefinieerd is, is dus automatisch begrensd; werkelijk onbegrensde symmetrische operatoren (plaats, impuls, hamiltonianen) moeten op echte dichte deelruimten leven.

Oefening 8.9 ★★★

(Stelling van Pólya over kwadratuur) Zij voor elke nn de regel Λn(f)=∑i=0nwi,nf(xi,n)\Lambda_n(f) = \sum_{i=0}^{n} w_{i,n}f(x_{i,n}) een kwadratuurregel op C([0, 1])\mathcal C(\intcc01) (met xi,n∈[0, 1]x_{i,n} \in \intcc01 en wi,n∈Rw_{i,n} \in \R). Toon aan dat Λn(f)→∫01f\Lambda_n(f) \to \int_0^1f voor elke continue ff dan en slechts dan als: (i) Λn(P)→∫01P\Lambda_n(P) \to \int_0^1P voor elke veelterm PP, en (ii) sup⁡n∑i∣wi,n∣<∞\sup_n\sum_i\abs{w_{i,n}} < \infty. (Bereken ∥Λn∥\norm{\Lambda_n}; gebruik Banach–Steinhaus en Weierstrass.) Ga na dat regels met positieve gewichten die exact zijn op de constanten, automatisch aan (ii) voldoen.

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.9.

Ten eerste is ∥Λn∥=∑i∣wi,n∣\norm{\Lambda_n} = \sum_i\abs{w_{i,n}}: ≤\leq is de driehoeksongelijkheid; ≥\geq door te toetsen op een stuksgewijs lineaire ff met ∥f∥∞≤1\norm f_\infty \leq 1 en f(xi,n)=sign⁡(wi,n)f(x_{i,n}) = \operatorname{sign}(w_{i,n}) (interpoleer lineair tussen de eindig veel knooppunten; waar knooppunten samenvallen, vallen de tekens samen).

(⇒\Rightarrow) Puntsgewijze convergentie in elke ff geeft (i), en puntsgewijze begrensdheid, dus levert Banach–Steinhaus (Stelling 8.9) op de banachruimte C([0, 1])\mathcal C(\intcc01) de uitspraak (ii).

(⇐\Leftarrow) Zij M=sup⁡n∥Λn∥+1M = \sup_n\norm{\Lambda_n} + 1. Kies bij gegeven ff en ε\varepsilon een veelterm PP met ∥f−P∥∞<ε/(2M)\norm{f - P}_\infty < \varepsilon/(2M) (Gevolg 7.16); dan is

∣Λnf−∫01f∣≤∣Λn(f−P)∣+∣ΛnP−∫01P∣+∣∫01(P−f)∣≤ε+∣ΛnP−∫01P∣→ε.\Bigl|\Lambda_n f - \int_0^1 f\Bigr| \leq \abs{\Lambda_n(f - P)} + \Bigl|\Lambda_nP - \int_0^1P\Bigr| + \Bigl|\int_0^1(P - f)\Bigr| \leq \varepsilon + \Bigl|\Lambda_nP - \int_0^1P\Bigr| \to \varepsilon .

Positieve gewichten met exactheid op de constanten: ∑i∣wi,n∣=∑iwi,n=Λn(1)=∫011=1\sum_i\abs{w_{i,n}} = \sum_iw_{i,n} = \Lambda_n(\mathbf 1) = \int_0^1 1 = 1 voor regels die exact zijn op de constanten — (ii) geldt dan met constante 11.

Oefening 8.10 ★★

Toon aan dat J ⁣:E→E′′J \colon E \to E'', J(x)(f)=f(x)J(x)(f) = f(x), een lineaire isometrie is (gebruik Gevolg 8.7(2)), en dat ze surjectief is wanneer dim⁡E<∞\dim E < \infty. Toon ook aan dat EE separabel is zodra E′E' dat is. (Kies xnx_n die een dichte rij van E′E' bijna normeren, en toon aan dat hun gesloten opspansel EE is, via Gevolg 8.7(3).)

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.10.

De lineariteit van JJ is formeel; en ∥J(x)∥=sup⁡∥f∥≤1∣f(x)∣=∥x∥\norm{J(x)} = \sup_{\norm f \leq 1}\abs{f(x)} = \norm x volgens Gevolg 8.7(2). Is dim⁡E=n\dim E = n, dan is dim⁡E′=n\dim E' = n (een basis geeft coördinaatfunctionalen), dus dim⁡E′′=n\dim E'' = n, en is de injectieve (isometrische) JJ surjectief. Separabiliteit: zij (fn)(f_n) dicht in E′E' en kies ∥xn∥=1\norm{x_n} = 1 met ∣fn(xn)∣≥12∥fn∥\abs{f_n(x_n)} \geq \frac12\norm{f_n}. Stel F=Vect⁡‾(xn)F = \overline{\operatorname{Vect}}(x_n); was F≠EF \neq E, neem dan een g∈E′g \in E' met g≠0g \neq 0 die op FF verdwijnt (Gevolg 8.7(3)) en kies fnk→gf_{n_k} \to g:

∥fnk−g∥≥∣(fnk−g)(xnk)∣=∣fnk(xnk)∣≥12∥fnk∥≥12(∥g∥−∥fnk−g∥),\norm{f_{n_k} - g} \geq \abs{(f_{n_k} - g)(x_{n_k})} = \abs{f_{n_k}(x_{n_k})} \geq \tfrac12\norm{f_{n_k}} \geq \tfrac12\bigl(\norm g - \norm{f_{n_k} - g}\bigr),

dus ∥fnk−g∥≥13∥g∥>0\norm{f_{n_k} - g} \geq \frac13\norm g > 0: tegenspraak. Bijgevolg is F=EF = E, en vormen de combinaties van de xnx_n met rationale (of Q+iQ\Q + \iu\Q-)coëfficiënten een aftelbare dichte verzameling.

Oefening 8.11 ★★

(Quotiëntruimten) Zij EE een banachruimte en F⊆EF \subseteq E een gesloten deelruimte. Definieer op E/FE/F

∥xˉ∥  =  d(x,F)=inf⁡y∈F∥x−y∥.\norm{\bar x} \;=\; d(x, F) = \inf_{y\in F}\norm{x - y} .

(a) Toon aan dat dit een goed gedefinieerde norm op E/FE/F is (waar komt de geslotenheid van FF binnen?), en dat de projectie π ⁣:E→E/F\pi \colon E \to E/F voldoet aan ∣∣∣π∣∣∣≤1\vertiii\pi \leq 1 en de open eenheidsbal op de open eenheidsbal afbeeldt. (b) Toon aan dat E/FE/F volledig is. (Gebruik het reekscriterium van Oefening 7.1(b): gegeven klassen xˉk\bar x_k met ∑∥xˉk∥<∞\sum\norm{\bar x_k} < \infty, til elke op tot xk∈Ex_k \in E met ∥xk∥≤∥xˉk∥+2−k\norm{x_k} \leq \norm{\bar x_k} + 2^{-k} en sommeer in EE.) (c) Bereken: toon voor E=cE = c (de convergente rijen) en F=c0F = c_0 aan dat c/c0≅Kc/c_0 \cong K isometrisch, via xˉ↦lim⁡nxn\bar x \mapsto \lim_nx_n.

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.11.

(a) Goed gedefinieerd: d(x,F)d(x, F) hangt alleen van xˉ\bar x af (xx over FF verschuiven verandert de afstand niet). De homogeniteit en de driehoeksongelijkheid gaan via het infimum over van ∥⋅∥\norm\cdot. De scheiding vergt de geslotenheid: ∥xˉ∥=0\norm{\bar x} = 0 betekent d(x,F)=0d(x, F) = 0, dus x∈Fˉ=Fx \in \bar F = F, dus xˉ=0\bar x = 0. ∣∣∣π∣∣∣≤1\vertiii\pi \leq 1: ∥xˉ∥≤∥x∥\norm{\bar x} \leq \norm x. Open bal op open bal: is ∥xˉ∥<1\norm{\bar x} < 1, dan heeft een zekere representant ∥x−y∥<1\norm{x - y} < 1; en omgekeerd is π(BE(0,1))⊆BE/F(0,1)\pi(B_E(0,1)) \subseteq B_{E/F}(0,1) wegens de normongelijkheid — dus is π\pi open, het modelgeval van de open-afbeeldingsstelling.

(b) Zij ∑k∥xˉk∥<∞\sum_k\norm{\bar x_k} < \infty en til op met ∥xk∥≤∥xˉk∥+2−k\norm{x_k} \leq \norm{\bar x_k} + 2^{-k}: dan is ∑∥xk∥<∞\sum\norm{x_k} < \infty, dus convergeert s=∑kxks = \sum_kx_k in de banachruimte EE (Oefening 7.1(b)), en de continuïteit van π\pi geeft ∑kxˉk=sˉ\sum_k\bar x_k = \bar s: elke absoluut convergente reeks van E/FE/F convergeert, en dat is gelijkwaardig met volledigheid (dezelfde oefening).

(c) De afbeelding λ(x)=lim⁡nxn\lambda(x) = \lim_nx_n is lineair van cc naar KK en verdwijnt precies op c0c_0, dus induceert ze een lineaire bijectie c/c0→Kc/c_0 \to K. Isometrie: d(x,c0)=∣λ(x)∣d(x, c_0) = \abs{\lambda(x)} — ≤\leq: trek van xx de rij x−λ(x)1∈c0x - \lambda(x)\mathbf 1 \in c_0 af, zodat λ(x)1\lambda(x)\mathbf 1 overblijft, van norm ∣λ(x)∣\abs{\lambda(x)}; ≥\geq: voor y∈c0y \in c_0 is ∥x−y∥∞≥lim sup⁡n∣xn−yn∣=∣λ(x)∣\norm{x - y}_\infty \geq \limsup_n\abs{x_n - y_n} = \abs{\lambda(x)}.

Oefening 8.12 ★★

(Begrensde projecties en gecomplementeerde deelruimten) Zij EE een banachruimte en P ⁣:E→EP \colon E \to E lineair met P2=PP^2 = P (een algebraïsche projectie), V=im⁡PV = \operatorname{im}P en W=ker⁡PW = \ker P. (a) Stel dat PP begrensd is. Toon aan dat VV en WW gesloten zijn en dat E=V⊕WE = V \oplus W met de ontbinding x=Px+(x−Px)x = Px + (x - Px). (b) Stel omgekeerd dat E=V⊕WE = V \oplus W met VV en WW beide gesloten, en zij PP de projectie op VV langs WW. Toon aan dat PP begrensd is. (Gesloten grafiek: als xn→xx_n \to x en Pxn→zPx_n \to z, dan is z∈Vz \in V en xn−Pxn→x−z∈Wx_n - Px_n \to x - z \in W, en de eenduidigheid van de ontbinding geeft z=Pxz = Px.) (c) Leid de gelijkwaardigheid af: een deelruimte VV laat een begrensde projectie toe dan en slechts dan als ze gesloten is en een gesloten algebraïsch complement heeft — en merk op (zonder bewijs) dat er gesloten deelruimten zonder die eigenschap bestaan (c0c_0 binnen ℓ∞\ell^\infty is het klassieke voorbeeld): hilbertruimten, waar V⊥V^\perp altijd werkt (Hoofdstuk 13), zijn de uitzondering, niet de regel.

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.12.

(a) W=ker⁡PW = \ker P is gesloten (origineel van 00 onder een continue afbeelding); en V=im⁡P=ker⁡(I−P)V = \operatorname{im}P = \ker(I - P) (immers Px=xPx = x precies wanneer x∈im⁡Px \in \operatorname{im}P, met P2=PP^2 = P), eveneens gesloten. Elke xx splitst als Px+(x−Px)Px + (x - Px) met Px∈VPx \in V en x−Px∈Wx - Px \in W, en V∩W=0V \cap W = 0 (want x=Px=0x = Px = 0): dus E=V⊕WE = V \oplus W.

(b) Het grafiekargument: zij xn→xx_n \to x en Pxn→zPx_n \to z. Dan is z∈Vz \in V (VV gesloten en Pxn∈VPx_n \in V) en xn−Pxn→x−z∈Wx_n - Px_n \to x - z \in W (WW gesloten). Dus x=z+(x−z)x = z + (x - z) met z∈Vz \in V en x−z∈Wx - z \in W; en de eenduidigheid van de ontbinding geeft z=Pxz = Px. De grafiek van PP is gesloten en EE is een banachruimte: dus is PP begrensd (Stelling 8.14).

(c) (a) en (b) samen vormen de gelijkwaardigheid. In een hilbertruimte heeft elke gesloten VV het gesloten complement V⊥V^\perp (Hoofdstuk 13): daar is elke gesloten deelruimte gecomplementeerd. In algemene banachruimten faalt dat — c0c_0 heeft in ℓ∞\ell^\infty geen gesloten complement (de stelling van Phillips, buiten ons gereedschap) — zodat begrensde projecties een voorrecht zijn, en de gesloten-grafiekstelling precies de boekhouding is die meetkundige splitsingen in begrensde operatoren omzet.

8.6 Probleem: de dualiteit van de ℓp\ell^p-ruimten

Probleem 8.1

Weekendopgave — (ℓp)′=ℓq(\ell^p)' = \ell^q, reflexiviteit, en het vreemde van ℓ∞\ell^\infty

Leg 1<p<∞1 < p < \infty vast en zij qq de toegevoegde exponent, met 1p+1q=1\frac1p + \frac1q = 1. De paring is overal ⟨x,y⟩=∑nxnyn\langle x, y\rangle = \sum_n x_ny_n.

Deel I — Hölder en Minkowski voor rijen.

  1. (Ongelijkheid van Young) Toon voor a,b≥0a, b \geq 0 aan dat ab≤app+bqqab \leq \frac{a^p}p + \frac{b^q}q, met de concaviteit van log⁡\log of door t↦tpp+1q−tt \mapsto \frac{t^p}p + \frac1q - t te bestuderen.
  2. (Hölder) Leid af dat ∣⟨x,y⟩∣≤∥x∥p∥y∥q\abs{\langle x, y\rangle} \leq \norm x_p\norm y_q voor x∈ℓpx \in \ell^p en y∈ℓqy \in \ell^q; bepaal het gelijkheidsgeval.
  3. (Minkowski) Leid de driehoeksongelijkheid voor ∥⋅∥p\norm\cdot_p af. (Schrijf ∣xn+yn∣p≤∣xn∣ ∣xn+yn∣p−1+∣yn∣ ∣xn+yn∣p−1\abs{x_n + y_n}^p \leq \abs{x_n}\,\abs{x_n{+}y_n}^{p-1} + \abs{y_n}\,\abs{x_n{+}y_n}^{p-1} en pas Hölder toe op elke term.)
  4. Bewijs dat ℓp\ell^p volledig is en dat de eindige rijen er dicht in liggen.

Deel II — De dualiteit (ℓp)′=ℓq(\ell^p)' = \ell^q.

  1. Toon voor y∈ℓqy \in \ell^q aan dat Λy(x)=⟨x,y⟩\Lambda_y(x) = \langle x, y\rangle een Λy∈(ℓp)′\Lambda_y \in (\ell^p)' definieert met ∥Λy∥≤∥y∥q\norm{\Lambda_y} \leq \norm y_q, en, door te toetsen op xn=∣yn∣q−1sign⁡(yn)x_n = \abs{y_n}^{q-1}\operatorname{sign}(y_n) (passend afgeknot en genormaliseerd), dat ∥Λy∥=∥y∥q\norm{\Lambda_y} = \norm y_q.
  2. Stel omgekeerd yn=Λ(en)y_n = \Lambda(e_n) voor een gegeven Λ∈(ℓp)′\Lambda \in (\ell^p)'; toon aan dat y∈ℓqy \in \ell^q met ∥y∥q≤∥Λ∥\norm y_q \leq \norm\Lambda (toets op afknottingen zoals in vraag 5 en laat de afknotlengte groeien), en besluit dat Λ=Λy\Lambda = \Lambda_y: de afbeelding y↦Λyy \mapsto \Lambda_y is een isometrisch isomorfisme ℓq→(ℓp)′\ell^q \to (\ell^p)'.
  3. Leid af dat ℓp\ell^p reflexief is voor 1<p<∞1 < p < \infty: door de twee dualiteiten samen te stellen komt elk element van (ℓp)′′(\ell^p)'' uit ℓp\ell^p; ga zorgvuldig na dat de samenstelling de kanonieke JJ is.

Deel III — ℓ1\ell^1 en ℓ∞\ell^\infty zijn andere beesten.

  1. Toon aan dat ℓp\ell^p (1≤p<∞1 \leq p < \infty) en c0c_0 separabel zijn, maar ℓ∞\ell^\infty niet. (De overaftelbaar vele indicatorrijen van deelverzamelingen van N\N liggen paarsgewijs op afstand 11.)
  2. Leid uit Oefening 8.10 af dat (ℓ1)′≅ℓ∞(\ell^1)' \cong \ell^\infty maar (ℓ∞)′≇ℓ1(\ell^\infty)' \not\cong \ell^1: ℓ1\ell^1 is niet reflexief. (Was (ℓ∞)′(\ell^\infty)' gelijk aan ℓ1\ell^1, dan was ze separabel en dus ℓ∞\ell^\infty ook.)
  3. (Een banachlimiet, expliciet) Stel op ℓR∞\ell^\infty_\R: p(x)=lim sup⁡nx1+⋯+xnnp(x) = \limsup_n \frac{x_1 + \dots + x_n}{n}. Toon aan dat pp sublineair is, en dat op de deelruimte cc van de convergente rijen LIM(x)=lim⁡x\mathrm{LIM}(x) = \lim x voldoet aan LIM≤p\mathrm{LIM} \leq p. Zet met Hahn–Banach voort tot LIM ⁣:ℓR∞→R\mathrm{LIM} \colon \ell^\infty_\R \to \R en toon aan: LIM\mathrm{LIM} is positief (uit x≥0x \geq 0 volgt LIM(x)≥0\mathrm{LIM}(x) \geq 0), verschuivingsinvariant (LIM(x2,x3,… )=LIM(x)\mathrm{LIM}(x_2, x_3, \dots) = \mathrm{LIM}(x)), zet de limiet voort, en voldoet aan lim inf⁡x≤LIM(x)≤lim sup⁡x\liminf x \leq \mathrm{LIM}(x)\leq \limsup x.
  4. Toon aan dat zo’n LIM\mathrm{LIM}, opgevat in (ℓ∞)′(\ell^\infty)', niet van de vorm Λy\Lambda_y is voor enige y∈ℓ1y \in \ell^1; besluit opnieuw dat (ℓ∞)′≠ℓ1(\ell^\infty)' \neq \ell^1. (Evalueer op de eenheidsrijen ene_n, en daarna op de constante rij 11.)
  5. Evalueer LIM\mathrm{LIM} op (0,1,0,1,… )(0,1,0,1,\dots), en toon aan dat er geen verschuivingsinvariante multiplicatieve voortzetting van de limiet kan bestaan (beschouw x=(0,1,0,1,… )x = (0,1,0,1,\dots) en x⋅Sxx\cdot Sx, waarbij SS de verschuiving is).

Deel IV — Slot: waarom reflexiviteit ertoe doet.

  1. Toon met Gevolg 8.10 en vraag 6 aan dat elke begrensde rij van ℓp\ell^p (1<p<∞1 < p < \infty) een deelrij (x(k))(x^{(k)}) heeft die zwak convergeert: Λ(x(k))\Lambda(x^{(k)}) convergeert voor elke Λ∈(ℓp)′\Lambda \in (\ell^p)'. (Diagonaalextractie over de aftelbaar veel coördinaten; bepaal de zwakke limiet in ℓp\ell^p met de uniforme begrensdheid van de normen en Hölder.) Toon aan de hand van een voorbeeld (ene_n in ℓ1\ell^1, tegen goed gekozen elementen van ℓ∞\ell^\infty) aan dat dit in ℓ1\ell^1 faalt: zwakke compactheid is een voorrecht van reflexieve ruimten.

Deel V — De zwakke topologie aan het werk, en de verrassing van Schur. Schrijf x(k)⇀xx^{(k)} \rightharpoonup x in een genormeerde ruimte EE (zwakke convergentie) wanneer Λ(x(k))→Λ(x)\Lambda(x^{(k)}) \to \Lambda(x) voor elke Λ∈E′\Lambda \in E'.

  1. Maak de inventaris af: toon isometrisch aan dat (c0)′≅ℓ1(c_0)' \cong \ell^1, volgens het schema van de vragen 5–6 (wat neemt de plaats van de toetsrijen in?). Stel de keten c0→ℓ1→ℓ∞→…c_0 \to \ell^1 \to \ell^\infty \to \dots van opeenvolgende duale ruimten samen en markeer waar de reflexiviteit faalt.
  2. Toon aan dat elke zwak convergente rij van een banachruimte begrensd is: bekijk de x(k)x^{(k)} via de kanonieke inbedding JJ als functionalen op E′E' en pas Banach–Steinhaus toe (Stelling 8.9) — op welke banachruimte, en waarom is de volledigheid daar beschikbaar?
  3. Toon aan dat in ℓp\ell^p met 1<p<∞1 < p < \infty geldt: x(k)⇀xx^{(k)} \rightharpoonup x dan en slechts dan als sup⁡k∥x(k)∥p<∞\sup_k\norm{x^{(k)}}_p < \infty en xn(k)→xnx^{(k)}_n \to x_n voor elke coördinaat nn (één richting gebruikt Banach–Steinhaus via de kanonieke inbedding; benader voor de andere y∈ℓqy \in \ell^q door eindige rijen). Leid af dat ek⇀0e_k \rightharpoonup 0 in ℓ2\ell^2 terwijl ∥ek∥2=1\norm{e_k}_2 = 1: zwakke limieten kunnen massa verliezen.
  4. Toon aan dat de norm zwak onderhalfcontinu is: uit x(k)⇀xx^{(k)} \rightharpoonup x volgt ∥x∥≤lim inf⁡k ∥x(k)∥\norm x \leq \liminf_k\,\norm{x^{(k)}} (kies een normerende functionaal voor xx, Gevolg 8.7).
  5. (Radon–Riesz in ℓ2\ell^2) Toon aan dat in ℓ2\ell^2 zwakke convergentie samen met convergentie van de normen normconvergentie impliceert (werk ∥x(k)−x∥22\norm{x^{(k)} - x}_2^2 uit). Geef een tegenvoorbeeld voor dezelfde uitspraak zonder de normhypothese.
  6. (Schur, stap 1) Zij x(k)⇀0x^{(k)} \rightharpoonup 0 in ℓ1\ell^1 en stel, uit het ongerijmde, dat ∥x(k)∥1≥δ>0\norm{x^{(k)}}_1 \geq \delta > 0 langs een deelrij. Toon eerst aan dat xn(k)→0x^{(k)}_n \to 0 voor elke nn (welke functionalen?), en construeer daarna recursief indices k1<k2<⋯k_1 < k_2 < \cdots en gehele getallen 0=N0<N1<N2<⋯0 = N_0 < N_1 < N_2 < \cdots zodanig dat de massa van x(kj)x^{(k_j)} zich concentreert op het blok Bj=(Nj−1, Nj]B_j = \intoc{N_{j-1}}{N_j}:

    ∑n∈Bj∣xn(kj)∣≥∥x(kj)∥1−δ10.\sum_{n \in B_j}\bigl|x^{(k_j)}_n\bigr| \geq \norm{x^{(k_j)}}_1 - \frac\delta{10} .
  7. (Schur, stap 2) Definieer y∈ℓ∞y \in \ell^\infty door yn=sign⁡(xn(kj))y_n = \operatorname{sign}\bigl(x^{(k_j)}_n\bigr) voor n∈Bjn \in B_j. Toon aan dat ⟨x(kj),y⟩≥∥x(kj)∥1−2δ10≥8δ10\langle x^{(k_j)}, y\rangle \geq \norm{x^{(k_j)}}_1 - \frac{2\delta}{10} \geq \frac{8\delta}{10} en leid een tegenspraak af met x(k)⇀0x^{(k)} \rightharpoonup 0. Besluit de stelling van Schur: in ℓ1\ell^1 convergeren zwak convergente rijen in norm.
  8. Leid af dat (ek)(e_k) in ℓ1\ell^1 geen zwak convergente deelrij heeft (haar enige kandidaat-limiet is 00, per coördinaat — pas dan Schur toe), waarmee het falen van de zwakke compactheid uit vraag 13 wordt teruggevonden; en los de schijnbare paradox op: in ℓ1\ell^1 vallen zwakke en normconvergentie van rijen samen, en toch verschillen de zwakke en de normtopologie en zijn begrensde verzamelingen nog steeds niet zwak rijcompact — geen tegenspraak, alleen het falen van de reflexiviteit.
  9. (Overzichtstabel) Stel voor E∈{c0, ℓ1, ℓp (1<p<∞), ℓ∞}E \in \{c_0,\ \ell^1,\ \ell^p\ (1{<}p{<}\infty),\ \ell^\infty\} een tabel op met: de duale ruimte; separabiliteit; reflexiviteit; of begrensde rijen zwak convergente deelrijen toelaten; en één kenmerkende eigenschap van elke ruimte, in één regel verantwoord vanuit dit probleem.

Deel VI — Aanvullingen: dichtstbijzijnde punten, gemiddelde convergentie, de waarde van een banachlimiet.

  1. (Dichtstbijzijnde punten: een dividend van de reflexiviteit) Zij FF een gesloten deelruimte van ℓp\ell^p (1<p<∞1 < p < \infty) en x∈ℓpx \in \ell^p. Toon aan dat d=dist⁡(x,F)d = \operatorname{dist}(x, F) bereikt wordt: haal uit een minimaliserende rij een zwak convergente deelrij (vraag 13), houd de zwakke limiet binnen FF door met Hahn–Banach een functionaal te bouwen die op FF verdwijnt maar niet in een punt daarbuiten, en besluit met vraag 17. Toon daarna aan dat dit voorrecht niet universeel is: bewijs voor Λ(x)=∑n2−nxn\Lambda(x) = \sum_n2^{-n}x_n op c0c_0 dat ∥Λ∥=1\norm\Lambda = 1 niet op de eenheidsbal bereikt wordt, stel de afstandsformule dist⁡(x,ker⁡Λ)=∣Λ(x)∣\operatorname{dist}(x, \ker\Lambda) = \abs{\Lambda(x)} op, en leid af dat geen enkele x∉ker⁡Λx \notin \ker\Lambda een dichtstbijzijnd punt in het gesloten hypervlak ker⁡Λ\ker\Lambda heeft.
  2. (Banach–Saks in ℓ2\ell^2) Zij x(k)⇀0x^{(k)} \rightharpoonup 0 in ℓR2\ell^2_{\R} met ∥x(k)∥2≤C\norm{x^{(k)}}_2 \leq C. Construeer een deelrij (yj)(y_j) met ∣⟨yi,yj⟩∣≤1j\abs{\langle y_i, y_j\rangle} \leq \frac1j voor alle i<ji < j, en leid af dat

    ∥y1+⋯+ymm∥22≤C2+2m⟶0:\Bigl\lVert\frac{y_1 + \dots + y_m}m\Bigr\rVert_2^2 \leq \frac{C^2 + 2}m \longrightarrow 0 :

    na extractie convergeren de cesàromiddelen dus in norm. Controleer dat op (ek)(e_k), waarvan de middelen norm 1m\frac1{\sqrt m} hebben: zwakke convergentie, nutteloos voor de rij zelf (vraag 16), wordt normconvergentie voor de gemiddelden.

  3. (De waarde van een banachlimiet) Zij LL een willekeurige banachlimiet (vraag 10) en Amx=1m(x+Sx+⋯+Sm−1x)A_mx = \frac1m(x + Sx + \dots + S^{m-1}x). Toon aan dat L(Amx)=L(x)L(A_mx) = L(x) en lim inf⁡Amx≤L(x)≤lim sup⁡Amx\liminf A_mx \leq L(x) \leq \limsup A_mx; leid af dat alle banachlimieten op periodieke rijen samenvallen, met als waarde het gemiddelde over een periode — 13\frac13 op (1,0,0,1,0,0,… )(1, 0, 0, 1, 0, 0, \dots), in overeenstemming met de 12\frac12 uit vraag 12. Toon daarna aan dat die overeenstemming in het algemeen faalt: toon voor de blokrij xx die gelijk is aan 11 op (3j−1, 3j]\intoc{3^{j-1}}{3^j} voor even jj en 00 elders, aan dat de cesàromiddelen tussen ≤13\leq \frac13 en ≥23\geq \frac23 schommelen, en bouw twee banachlimieten L±L_\pm met L−(x)≤13<23≤L+(x)L_-(x) \leq \frac13 < \frac23 \leq L_+(x) (zet voort vanaf c⊕Rxc \oplus \R x met de uiterste toegelaten waarden ±\pm: ga na dat Λ(y+tx)=lim⁡y+t p(x)\Lambda(y + tx) = \lim y + t\,p(x) door de sublineaire pp van vraag 10 wordt gedomineerd).
Oplossing

Oplossing van Probleem 8.1.

1. Voor a,b>0a, b > 0 geeft de concaviteit van log⁡\log: log⁡(app+bqq)≥1plog⁡ap+1qlog⁡bq=log⁡(ab)\log\bigl(\tfrac{a^p}p + \tfrac{b^q}q\bigr) \geq \tfrac1p\log a^p + \tfrac1q\log b^q = \log(ab); exponentieer. (Is ab=0ab = 0, dan is de ongelijkheid triviaal.) Gelijkheid precies wanneer ap=bqa^p = b^q.

2. We mogen ∥x∥p=∥y∥q=1\norm x_p = \norm y_q = 1 aannemen (homogeniteit; de nulgevallen zijn triviaal). Dan is

∣⟨x,y⟩∣≤∑n∣xn∣∣yn∣≤∑n(∣xn∣pp+∣yn∣qq)=1p+1q=1=∥x∥p∥y∥q.\abs{\langle x, y\rangle} \leq \sum_n\abs{x_n}\abs{y_n} \leq \sum_n\Bigl(\frac{\abs{x_n}^p}p + \frac{\abs{y_n}^q}q\Bigr) = \frac1p + \frac1q = 1 = \norm x_p\norm y_q .

Gelijkheid vergt ∣xn∣p=∣yn∣q\abs{x_n}^p = \abs{y_n}^q voor alle nn (het gelijkheidsgeval van Young) plus het uitlijnen van de fasen van xnynx_ny_n.

3. ∣xn+yn∣p≤(∣xn∣+∣yn∣)∣xn+yn∣p−1\abs{x_n + y_n}^p \leq \bigl(\abs{x_n} + \abs{y_n}\bigr)\abs{x_n + y_n}^{p-1}; sommeren en Hölder toepassen (pp tegen qq, met (p−1)q=p(p - 1)q = p) geeft

∥x+y∥pp≤(∥x∥p+∥y∥p) (∑n∣xn+yn∣p)1/q=(∥x∥p+∥y∥p) ∥x+y∥pp/q;\norm{x + y}_p^p \leq \bigl(\norm x_p + \norm y_p\bigr)\,\Bigl(\sum_n\abs{x_n + y_n}^{p}\Bigr)^{1/q} = \bigl(\norm x_p + \norm y_p\bigr)\,\norm{x+y}_p^{p/q};

is ∥x+y∥p≠0\norm{x + y}_p \neq 0 (anders triviaal), deel dan door ∥x+y∥pp/q\norm{x+y}_p^{p/q} en gebruik p−pq=1p - \frac pq = 1. (Dat ∥x+y∥p\norm{x+y}_p eindig is, komt eerst: ∣xn+yn∣p≤2p(∣xn∣p+∣yn∣p)\abs{x_n+y_n}^p \leq 2^p(\abs{x_n}^p + \abs{y_n}^p).)

4. Volledigheid: als voor ℓ1\ell^1 (Oefening 8.3), met coördinaatsgewijze limieten plus de uniforme staartgrens ∑n≤N∣xn(k)−xn(l)∣p≤εp\sum_{n\leq N}\abs{x^{(k)}_n - x^{(l)}_n}^p \leq \varepsilon^p, waarbij eerst ll en dan NN naar oneindig gaat. Dichtheid van de eindige rijen: ∥x−∑n≤Nxnen∥pp=∑n>N∣xn∣p→0\norm{x - \sum_{n\leq N}x_ne_n}_p^p = \sum_{n > N}\abs{x_n}^p \to 0.

5. Hölder geeft ∣Λy(x)∣≤∥x∥p∥y∥q\abs{\Lambda_y(x)} \leq \norm x_p\norm y_q: dus ∥Λy∥≤∥y∥q\norm{\Lambda_y} \leq \norm y_q. Toetsen: stel xn(N)=∣yn∣q−1sign⁡‾(yn)x^{(N)}_n = \abs{y_n}^{q-1}\overline{\operatorname{sign}}(y_n) voor n≤Nn \leq N en 00 daarna (met sign⁡\operatorname{sign} de fase van modulus 11, zodat xnyn=∣yn∣qx_ny_n = \abs{y_n}^q). Dan is Λy(x(N))=∑n≤N∣yn∣q\Lambda_y(x^{(N)}) = \sum_{n\leq N}\abs{y_n}^q en ∥x(N)∥p=(∑n≤N∣yn∣q)1/p\norm{x^{(N)}}_p = \bigl(\sum_{n\leq N}\abs{y_n}^{q}\bigr)^{1/p} (want (q−1)p=q(q-1)p = q), dus

∥Λy∥≥(∑n≤N∣yn∣q)1−1/p→N→∞∥y∥q.\norm{\Lambda_y} \geq \Bigl(\sum_{n\leq N}\abs{y_n}^q\Bigr)^{1 - 1/p} \xrightarrow[N\to\infty]{} \norm y_q .

6. Stel yn=Λ(en)y_n = \Lambda(e_n). Met dezelfde toetsvectoren is ∑n≤N∣yn∣q=Λ(x(N))≤∥Λ∥ (∑n≤N∣yn∣q)1/p\sum_{n \leq N}\abs{y_n}^q = \Lambda(x^{(N)}) \leq \norm\Lambda\,\bigl(\sum_{n\leq N}\abs{y_n}^q\bigr)^{1/p}, waaruit (∑n≤N∣yn∣q)1/q≤∥Λ∥\bigl(\sum_{n\leq N}\abs{y_n}^q\bigr)^{1/q} \leq \norm\Lambda voor elke NN: dus y∈ℓqy \in \ell^q met ∥y∥q≤∥Λ∥\norm y_q \leq \norm\Lambda. De functionalen Λ\Lambda en Λy\Lambda_y vallen samen op de dichte eindige rijen (vraag 4): Λ=Λy\Lambda = \Lambda_y. Met vraag 5 is y↦Λyy \mapsto \Lambda_y dus een isometrisch isomorfisme ℓq≅(ℓp)′\ell^q \cong (\ell^p)'.

7. Zij ξ∈(ℓp)′′\xi \in (\ell^p)''. Samengesteld met de isometrie ℓq≅(ℓp)′\ell^q \cong (\ell^p)' uit vraag 6 definieert ξ\xi een element van (ℓq)′(\ell^q)', dat (vraag 6 met pp en qq verwisseld) gelijk is aan Λz\Lambda_z voor een unieke z∈ℓpz \in \ell^p: voor elke y∈ℓqy \in \ell^q is ξ(Λy)=∑nznyn\xi(\Lambda_y) = \sum_nz_ny_n. Anderzijds is J(z)(Λy)=Λy(z)=∑nynznJ(z)(\Lambda_y) = \Lambda_y(z) = \sum_ny_nz_n: dezelfde waarde. En omdat elk element van (ℓp)′(\ell^p)' een Λy\Lambda_y is, volgt ξ=J(z)\xi = J(z): JJ is surjectief — ℓp\ell^p is reflexief.

8. De eindige rijen met rationale ingangen (reëel en imaginair deel) zijn aftelbaar en liggen dicht in ℓp\ell^p (p<∞p < \infty) en in c0c_0. In ℓ∞\ell^\infty: de familie {1A:A⊆N}\{\mathbf 1_A : A \subseteq \N\} is overaftelbaar met ∥1A−1B∥∞=1\norm{\mathbf 1_A - \mathbf 1_B}_\infty = 1 voor A≠BA \neq B; de ballen B(1A,12)B(\mathbf 1_A, \frac12) zijn paarsgewijs disjunct, en een dichte verzameling moet elk ervan snijden: er is dus geen aftelbare dichte verzameling.

9. Was ℓ1\ell^1 reflexief, dan was (ℓ∞)′≅((ℓ1)′)′=J(ℓ1)(\ell^\infty)' \cong ((\ell^1)')' = J(\ell^1) separabel (isometrisch beeld van het separabele ℓ1\ell^1); en volgens Oefening 8.10 zou de separabiliteit van de duale ruimte (ℓ∞)′(\ell^\infty)' afdwingen dat ℓ∞\ell^\infty separabel is — in strijd met vraag 8. Dus is ℓ1\ell^1 niet reflexief (en is (ℓ∞)′(\ell^\infty)' strikt groter dan ℓ1\ell^1, zoals vraag 11 concreet maakt).

10. De homogeniteit van pp is duidelijk; subadditiviteit: middelen is lineair, en lim sup⁡(un+vn)≤lim sup⁡un+lim sup⁡vn\limsup(u_n + v_n) \leq \limsup u_n + \limsup v_n. Op cc: de cesàromiddelen van een convergente rij convergeren naar haar limiet, dus is p(x)=lim⁡x=LIM(x)p(x) = \lim x = \mathrm{LIM}(x) daar; in het bijzonder LIM≤p\mathrm{LIM} \leq p op cc. Hahn–Banach (Stelling 8.6) zet LIM\mathrm{LIM} voort tot ℓR∞\ell^\infty_\R met overal LIM≤p\mathrm{LIM} \leq p. Positiviteit: voor x≥0x \geq 0 is −LIM(x)=LIM(−x)≤p(−x)=lim sup⁡gem(−x)≤0-\mathrm{LIM}(x) = \mathrm{LIM}(-x) \leq p(-x) = \limsup\text{gem}(-x) \leq 0. Verschuivingsinvariantie: de middelen van x−Sxx - Sx telescoperen tot x1−xn+1n→0\frac{x_1 - x_{n+1}}n \to 0, dus p(±(x−Sx))=0p(\pm(x - Sx)) = 0 en LIM(x−Sx)=0\mathrm{LIM}(x - Sx) = 0. Grenzen: LIM(x)≤p(x)≤lim sup⁡x\mathrm{LIM}(x) \leq p(x) \leq \limsup x (de middelen blijven achter bij de suprema), en dit op −x-x toepassen geeft de ondergrens.

11. en∈c0e_n \in c_0, dus LIM(en)=0\mathrm{LIM}(e_n) = 0 voor alle nn. Was LIM=Λy\mathrm{LIM} = \Lambda_y met y∈ℓ1y \in \ell^1, dan was yn=Λy(en)=0y_n = \Lambda_y(e_n) = 0 voor alle nn, dus Λy=0\Lambda_y = 0; maar LIM(1)=1\mathrm{LIM}(\mathbf 1) = 1. Dus LIM∈(ℓ∞)′∖{Λy:y∈ℓ1}\mathrm{LIM} \in (\ell^\infty)' \setminus \{\Lambda_y : y \in \ell^1\}: opnieuw (ℓ∞)′≠ℓ1(\ell^\infty)' \neq \ell^1.

12. Voor x=(0,1,0,1,… )x = (0,1,0,1,\dots) is x+Sx=1x + Sx = \mathbf 1, dus 2 LIM(x)=LIM(x)+LIM(Sx)=12\,\mathrm{LIM}(x) = \mathrm{LIM}(x) + \mathrm{LIM}(Sx) = 1 en LIM(x)=12\mathrm{LIM}(x) = \frac12. Was φ\varphi een verschuivingsinvariante multiplicatieve voortzetting van de limiet, dan geeft x⋅Sx=0x\cdot Sx = 0 dat φ(x)φ(Sx)=φ(x)2=0\varphi(x)\varphi(Sx) = \varphi(x)^2 = 0, dus φ(x)=0\varphi(x) = 0; maar φ(x)+φ(Sx)=φ(1)=1\varphi(x) + \varphi(Sx) = \varphi(\mathbf 1) = 1 geeft 2φ(x)=12\varphi(x) = 1: tegenspraak. Middelen en vermenigvuldigen gaan niet samen.

13. Zij ∥x(k)∥p≤M\norm{x^{(k)}}_p \leq M. De coördinaten zijn door MM begrensd: een diagonaalextractie geeft een deelrij (nog steeds x(k)x^{(k)} genoemd) met xn(k)→xnx^{(k)}_n \to x_n voor elke nn. Dan is x∈ℓpx \in \ell^p: ∑n≤N∣xn∣p=lim⁡k∑n≤N∣xn(k)∣p≤Mp\sum_{n\leq N}\abs{x_n}^p = \lim_k\sum_{n\leq N}\abs{x^{(k)}_n}^p \leq M^p voor alle NN. Zwakke convergentie: voor y∈ℓqy \in \ell^q en willekeurige NN is

∣Λy(x(k)−x)∣≤∣∑n≤N(xn(k)−xn)yn∣+2M(∑n>N∣yn∣q)1/q,\abs{\Lambda_y(x^{(k)} - x)} \leq \Bigl|\sum_{n \leq N}(x^{(k)}_n - x_n)y_n\Bigr| + 2M\Bigl(\sum_{n>N}\abs{y_n}^q\Bigr)^{1/q},

waarbij de eerste term naar 00 gaat als k→∞k \to \infty (eindig veel coördinaten) en de tweede klein is voor grote NN (Hölder op de staart): dus Λy(x(k))→Λy(x)\Lambda_y(x^{(k)}) \to \Lambda_y(x) voor elke yy — zwakke convergentie, want elke functionaal is een Λy\Lambda_y (vraag 6). In ℓ1\ell^1 faalt dit: beschouw de begrensde rij (en)(e_n). Elke deelrij (enk)(e_{n_k}) convergeert coördinaatsgewijs naar 00, dus is 00 haar enige kandidaat-limiet; maar toetsen tegen y∈ℓ∞y \in \ell^\infty met ynk=(−1)ky_{n_k} = (-1)^k (en 00 elders) geeft Λy(enk)=(−1)k\Lambda_y(e_{n_k}) = (-1)^k, wat divergeert. Er is dus geen zwak convergente deelrij: zwakke rijcompactheid van de ballen kenmerkt de reflexieve wereld.

14. Voor y∈ℓ1y \in \ell^1 is Λy(x)=∑xnyn\Lambda_y(x) = \sum x_ny_n gedefinieerd op c0c_0 met ∣Λy(x)∣≤∥x∥∞∥y∥1\abs{\Lambda_y(x)} \leq \norm x_\infty\norm y_1, en toetsen op x(N)=(sign⁡y1,…,sign⁡yN,0,… )∈c0x^{(N)} = (\operatorname{sign}y_1, \dots, \operatorname{sign}y_N, 0, \dots) \in c_0 geeft Λy(x(N))=∑n≤N∣yn∣→∥y∥1\Lambda_y(x^{(N)}) = \sum_{n\leq N}\abs{y_n} \to \norm y_1: dus ∥Λy∥=∥y∥1\norm{\Lambda_y} = \norm y_1. Stel omgekeerd yn=Λ(en)y_n = \Lambda(e_n) voor Λ∈(c0)′\Lambda \in (c_0)'; dezelfde toetsen geven ∑n≤N∣yn∣=Λ(x(N))≤∥Λ∥\sum_{n \leq N}\abs{y_n} = \Lambda(x^{(N)}) \leq \norm\Lambda, dus y∈ℓ1y \in \ell^1, en Λ=Λy\Lambda = \Lambda_y op de dichte eindige rijen en dus overal. De keten van duale ruimten: (c0)′=ℓ1(c_0)' = \ell^1, (ℓ1)′=ℓ∞(\ell^1)' = \ell^\infty (Oefening 8.10), (ℓ∞)′⊋ℓ1(\ell^\infty)' \supsetneq \ell^1 (vragen 9–11): de reflexiviteit faalt al bij de allereerste stap — c0′′=ℓ∞≠c0c_0'' = \ell^\infty \neq c_0 — en herstelt nooit meer.

15. Jx(k)∈E′′=(E′)′J x^{(k)} \in E'' = (E')' is een familie begrensde functionalen op de banachruimte E′E' (duale ruimten zijn volledig, Propositie 8.2); en voor elke Λ∈E′\Lambda \in E' convergeert de rij Jx(k)(Λ)=Λ(x(k))Jx^{(k)}(\Lambda) = \Lambda(x^{(k)}) en is ze dus begrensd. Banach–Steinhaus op E′E' geeft sup⁡k∥Jx(k)∥<∞\sup_k\norm{Jx^{(k)}} < \infty, en JJ is isometrisch (Opmerking 8.8): dus sup⁡k∥x(k)∥<∞\sup_k\norm{x^{(k)}} < \infty.

16. (⇒\Rightarrow) De begrensdheid is vraag 15; en de coördinaten zijn de functionalen Λen\Lambda_{e_n}. (⇐\Leftarrow) Zij M=sup⁡k∥x(k)∥pM = \sup_k\norm{x^{(k)}}_p, y∈ℓqy \in \ell^q en ε>0\varepsilon > 0; kies NN met (∑n>N∣yn∣q)1/q<ε\bigl(\sum_{n>N}\abs{y_n}^q\bigr)^{1/q} < \varepsilon. Dan is

∣Λy(x(k)−x)∣≤∑n≤N∣xn(k)−xn∣ ∣yn∣+∥x(k)−x∥p ε≤∑n≤N∣xn(k)−xn∣∣yn∣+(M+∥x∥p) ε,\abs{\Lambda_y(x^{(k)} - x)} \leq \sum_{n\leq N}\abs{x^{(k)}_n - x_n}\,\abs{y_n} + \norm{x^{(k)} - x}_p\,\varepsilon \leq \sum_{n\leq N}\abs{x^{(k)}_n - x_n}\abs{y_n} + (M + \norm x_p)\,\varepsilon,

en de eindige som gaat naar 00: dus lim sup⁡≤(M+∥x∥p)ε\limsup \leq (M + \norm x_p)\varepsilon voor elke ε\varepsilon. (Dat x∈ℓpx \in \ell^p met ∥x∥p≤M\norm x_p \leq M, volgt uit grenzen op eindige stukken in de trant van Fatou: ∑n≤N∣xn∣p=lim⁡k∑n≤N∣xn(k)∣p≤Mp\sum_{n \leq N}\abs{x_n}^p = \lim_k\sum_{n\leq N}\abs{x^{(k)}_n}^p \leq M^p.) Voor eke_k in ℓ2\ell^2: begrensd, coördinaatsgewijs →0\to 0, dus ek⇀0e_k \rightharpoonup 0, en toch ∥ek∥=1\norm{e_k} = 1: de eenheid massa ontsnapt naar oneindige index, onzichtbaar voor elke vaste functionaal.

17. Neem Λ\Lambda met ∥Λ∥=1\norm\Lambda = 1 en Λ(x)=∥x∥\Lambda(x) = \norm x (Gevolg 8.7). Dan is ∥x∥=lim⁡Λ(x(k))≤lim inf⁡∥Λ∥ ∥x(k)∥=lim inf⁡∥x(k)∥\norm x = \lim\Lambda(x^{(k)}) \leq \liminf\norm\Lambda\,\norm{x^{(k)}} = \liminf\norm{x^{(k)}}. (Met ek⇀0e_k \rightharpoonup 0: 0≤lim inf⁡10 \leq \liminf 1, en de ongelijkheid kan strikt zijn.)

18. In ℓ2\ell^2 is ∥x(k)−x∥22=∥x(k)∥22−2Re⁡⟨x(k),x⟩+∥x∥22\norm{x^{(k)} - x}_2^2 = \norm{x^{(k)}}_2^2 - 2\operatorname{Re}\langle x^{(k)}, x\rangle + \norm x_2^2 (in het reële geval −2⟨x(k),x⟩-2\langle x^{(k)}, x\rangle). Zwakke convergentie toegepast op de functionaal Λx\Lambda_x geeft ⟨x(k),x⟩→∥x∥22\langle x^{(k)}, x\rangle \to \norm x_2^2, en de normen convergeren per hypothese: het rechterlid gaat dus naar ∥x∥2−2∥x∥2+∥x∥2=0\norm x^2 - 2\norm x^2 + \norm x^2 = 0. Tegenvoorbeeld zonder normconvergentie: ek⇀0e_k \rightharpoonup 0 met ∥ek−0∥=1↛0\norm{e_k - 0} = 1 \not\to 0.

19. Coördinaatsgewijze convergentie: pas de functionalen Λen∈(ℓ1)′=ℓ∞\Lambda_{e_n} \in (\ell^1)' = \ell^\infty toe (met y=eny = e_n). Constructie: zijn kj−1k_{j-1} en Nj−1N_{j-1} gekozen, neem dan kj>kj−1k_j > k_{j-1} zo groot dat ∑n≤Nj−1∣xn(kj)∣<δ20\sum_{n \leq N_{j-1}}\abs{x^{(k_j)}_n} < \frac\delta{20} (eindig veel coördinaten, elk →0\to 0), en daarna Nj>Nj−1N_j > N_{j-1} zo groot dat de staart voldoet aan ∑n>Nj∣xn(kj)∣<δ20\sum_{n > N_j}\abs{x^{(k_j)}_n} < \frac\delta{20} (convergentie van de reeks die ∥x(kj)∥1\norm{x^{(k_j)}}_1 definieert). Het blok Bj=(Nj−1, Nj]B_j = \intoc{N_{j-1}}{N_j} draagt dan op δ10\frac\delta{10} na de hele massa van x(kj)x^{(k_j)}.

20. Met yy als gedefinieerd (overal ∣yn∣≤1\abs{y_n} \leq 1):

⟨x(kj),y⟩=∑n∈Bj∣xn(kj)∣+∑n∉Bjxn(kj)yn≥(∥x(kj)∥1−δ10)−δ10≥δ−2δ10=4δ5>0,\langle x^{(k_j)}, y\rangle = \sum_{n \in B_j}\abs{x^{(k_j)}_n} + \sum_{n \notin B_j}x^{(k_j)}_ny_n \geq \Bigl(\norm{x^{(k_j)}}_1 - \frac\delta{10}\Bigr) - \frac\delta{10} \geq \delta - \frac{2\delta}{10} = \frac{4\delta}5 > 0,

waarbij de middelste ongelijkheid geldt omdat de massa buiten het blok hoogstens δ10\frac\delta{10} is (vraag 19). Maar y∈ℓ∞=(ℓ1)′y \in \ell^\infty = (\ell^1)' en x(k)⇀0x^{(k)} \rightharpoonup 0 dwingen ⟨x(kj),y⟩→0\langle x^{(k_j)}, y\rangle \to 0 af: tegenspraak. Zwak naar nul convergerende rijen van ℓ1\ell^1 convergeren dus in norm naar nul, en door translatie convergeren zwak convergente rijen in norm: de stelling van Schur.

21. Een zwak convergente deelrij van (ek)(e_k) zou limiet 00 hebben (coördinaten), dus volgens Schur ∥ekj∥1→0\norm{e_{k_j}}_1 \to 0 — maar de normen zijn 11. Er is dus geen zwak convergente deelrij, zoals in vraag 13 met de hand gevonden. Geen paradox: Schur zegt dat rijen in ℓ1\ell^1 de zwakke en de normtopologie niet kunnen onderscheiden (de topologieën zelf verschillen wel degelijk — zwakke omgevingen zijn nooit normbegrensd), en de zwakke rijcompactheid van de eenheidsbal is een andere, sterkere eigenschap, gelijkwaardig met reflexiviteit (Eberlein–Šmulian, buiten ons gereedschap; het falen hebben we althans bewezen).

22. De inventaris.

EEE′E'sep.refl.zwak rijcpt. ballen
c0c_0ℓ1\ell^1janeenee (e1+…+eke_1{+}\dots{+}e_k)
ℓ1\ell^1ℓ∞\ell^\inftyjaneenee (eke_k, vr. 21)
ℓp\ell^pℓq\ell^qjajaja (vr. 13)
ℓ∞\ell^\infty⊋ℓ1\supsetneq\ell^1neeneenee

Kenmerken: c0c_0 — haar biduale ruimte is ℓ∞\ell^\infty: de eerste niet-reflexieve stap (vraag 14); ℓ1\ell^1 — de eigenschap van Schur (vraag 20); ℓp\ell^p — reflexiviteit en zwakke compactheid (vragen 7 en 13); ℓ∞\ell^\infty — niet-separabel, met banachlimieten: functionalen die geen enkele rij kan voorstellen (vragen 8 en 10–11). Eén familie ruimten, vier verschillende werelden.

23. Zij (fk)⊆F(f_k) \subseteq F met ∥x−fk∥→d\norm{x - f_k} \to d. Dan is ∥fk∥≤∥x∥+sup⁡k∥x−fk∥\norm{f_k} \leq \norm x + \sup_k\norm{x - f_k}: begrensd, dus levert vraag 13 een deelrij fkj⇀ff_{k_j} \rightharpoonup f. Was f∉Ff \notin F, dan is δ=dist⁡(f,F)>0\delta = \operatorname{dist}(f, F) > 0 (FF is gesloten); op F⊕RfF \oplus \R f voldoet de lineaire vorm λ(g+tf)=t\lambda(g + tf) = t aan ∣λ(u)∣≤∥u∥/δ\abs{\lambda(u)} \leq \norm u/\delta (want ∥g+tf∥≥∣t∣ δ\norm{g + tf} \geq \abs t\,\delta), en Hahn–Banach zet die voort tot Λ∈(ℓp)′\Lambda \in (\ell^p)' met Λ↾F=0\Lambda\restriction_F = 0 en Λ(f)=1\Lambda(f) = 1; maar dan is 0=Λ(fkj)→Λ(f)=10 = \Lambda(f_{k_j}) \to \Lambda(f) = 1: tegenspraak. Dus f∈Ff \in F, en x−fkj⇀x−fx - f_{k_j} \rightharpoonup x - f geeft met vraag 17

d≤∥x−f∥≤lim inf⁡j ∥x−fkj∥=d:d \leq \norm{x - f} \leq \liminf_j\,\norm{x - f_{k_j}} = d :

de afstand wordt in ff bereikt. In c0c_0: ∣Λ(x)∣≤∑n2−n∣xn∣<∥x∥∞\abs{\Lambda(x)} \leq \sum_n2^{-n}\abs{x_n} < \norm x_\infty voor elke x≠0x \neq 0 (een nulrij ≠0\neq 0 kan niet voor alle nn aan ∣xn∣=∥x∥∞\abs{x_n} = \norm x_\infty voldoen), terwijl de afgeknotte rijen (1,…,1,0,… )(1, \dots, 1, 0, \dots) geven Λ=1−2−N→1\Lambda = 1 - 2^{-N} \to 1: dus ∥Λ∥=1\norm\Lambda = 1, nooit bereikt. Afstandsformule: voor f∈ker⁡Λf \in \ker\Lambda is ∣Λ(x)∣=∣Λ(x−f)∣≤∥x−f∥\abs{\Lambda(x)} = \abs{\Lambda(x - f)} \leq \norm{x - f}, dus dist⁡(x,ker⁡Λ)≥∣Λ(x)∣\operatorname{dist}(x, \ker\Lambda) \geq \abs{\Lambda(x)}; en omgekeerd ligt voor uu in de eenheidsbal met Λ(u)≥1−ε\Lambda(u) \geq 1 - \varepsilon de vector f=x−Λ(x)Λ(u)uf = x - \frac{\Lambda(x)}{\Lambda(u)}u in ker⁡Λ\ker\Lambda met ∥x−f∥≤∣Λ(x)∣1−ε\norm{x - f} \leq \frac{\abs{\Lambda(x)}}{1 - \varepsilon}: gelijkheid. Werd ze in een f∈ker⁡Λf \in \ker\Lambda bereikt, dan voldeed z=x−fz = x - f aan ∣Λ(z)∣=∣Λ(x)∣=∥z∥≠0\abs{\Lambda(z)} = \abs{\Lambda(x)} = \norm z \neq 0, zodat Λ\Lambda haar norm in z/∥z∥z/\norm z zou bereiken: onmogelijk. Een gesloten hypervlak van c0c_0 zonder ergens een dichtstbijzijnd punt — de reflexiviteit was geen versiering.

24. Stel y1=x(1)y_1 = x^{(1)}. Gegeven y1,…,yjy_1, \dots, y_j gaat elke afbeelding k↦⟨yi,x(k)⟩k \mapsto \langle y_i, x^{(k)}\rangle naar 00 (yi∈ℓ2=(ℓ2)′y_i \in \ell^2 = (\ell^2)'), dus is er voorbij de vorige index een kj+1k_{j+1} met ∣⟨yi,x(kj+1)⟩∣≤1j+1\abs{\langle y_i, x^{(k_{j+1})}\rangle} \leq \frac1{j+1} voor i=1,…,ji = 1, \dots, j; noem die keuze yj+1y_{j+1}. Dan is

∥∑j=1myj∥22=∑j=1m∥yj∥22+2∑j=2m∑i<j⟨yi,yj⟩≤mC2+2∑j=2mj−1j≤mC2+2m,\Bigl\lVert\sum_{j=1}^my_j\Bigr\rVert_2^2 = \sum_{j=1}^m\norm{y_j}_2^2 + 2\sum_{j=2}^m\sum_{i<j}\langle y_i, y_j\rangle \leq mC^2 + 2\sum_{j=2}^m\frac{j-1}j \leq mC^2 + 2m,

en delen door m2m^2 geeft ∥1m∑jyj∥22≤C2+2m→0\norm{\frac1m\sum_jy_j}_2^2 \leq \frac{C^2 + 2}m \to 0. (Voor een zwakke limiet x≠0x \neq 0: pas dit toe op x(k)−xx^{(k)} - x.) Op de orthonormale (ek)(e_k) is zelfs geen extractie nodig: ∥1m(e1+⋯+em)∥2=mm=1m\norm{\frac1m(e_1 + \dots + e_m)}_2 = \frac{\sqrt m}m = \frac1{\sqrt m}. Middelen zet zwakke convergentie dus om in normconvergentie: de eigenschap van Banach–Saks van ℓ2\ell^2.

25. Amx=1m∑i=0m−1SixA_mx = \frac1m\sum_{i=0}^{m-1}S^ix, dus geven de lineariteit en de verschuivingsinvariantie L(Amx)=L(x)L(A_mx) = L(x). Kies voor een begrensde uu en ε>0\varepsilon > 0 een NN met un≤lim sup⁡u+εu_n \leq \limsup u + \varepsilon voor n≥Nn \geq N; de positiviteit toegepast op (lim sup⁡u+ε)1−SNu≥0(\limsup u + \varepsilon)\mathbf 1 - S^Nu \geq 0 samen met L(SNu)=L(u)L(S^Nu) = L(u) geeft L(u)≤lim sup⁡u+εL(u) \leq \limsup u + \varepsilon, en symmetrisch L(u)≥lim inf⁡u−εL(u) \geq \liminf u - \varepsilon: dus lim inf⁡Amx≤L(x)≤lim sup⁡Amx\liminf A_mx \leq L(x) \leq \limsup A_mx voor elke mm. Is xx TT-periodiek, dan is ATxA_Tx de constante rij gelijk aan het periodegemiddelde μ\mu: dus L(x)=μL(x) = \mu voor elke banachlimiet — 13\frac13 op (1,0,0,… )(1,0,0,\dots) en 12\frac12 op (0,1,0,1,… )(0,1,0,1,\dots) als in vraag 12. Voor de blokrij: bij N=3jN = 3^j met jj even bestaat het laatste blok geheel uit enen, dus is het cesàromiddel ≥3j−3j−13j=23\geq \frac{3^j - 3^{j-1}}{3^j} = \frac23; en bij N=3jN = 3^j met jj oneven liggen alle enen in (0, 3j−1]\intoc0{3^{j-1}}, dus is het middel ≤13\leq \frac13. Bijgevolg is p(x)≥23p(x) \geq \frac23 en −p(−x)=lim inf⁡nx1+⋯+xnn≤13-p(-x) = \liminf_n\frac{x_1 + \dots + x_n}n \leq \frac13. Definieer op M=c⊕RxM = c \oplus \R x: Λ+(y+tx)=lim⁡y+t p(x)\Lambda_+(y + tx) = \lim y + t\,p(x). Dominatie door pp: voor t>0t > 0 geeft de sublineariteit p(tx)≤p(y+tx)+p(−y)p(tx) \leq p(y + tx) + p(-y), oftewel p(y+tx)≥t p(x)+lim⁡yp(y + tx) \geq t\,p(x) + \lim y (merk op dat p(±y)=±lim⁡yp(\pm y) = \pm\lim y voor y∈cy \in c: de cesàromiddelen van een convergente rij convergeren naar haar limiet); voor t=−s<0t = -s < 0 geeft p(y)≤p(y−sx)+p(sx)p(y) \leq p(y - sx) + p(sx) dat p(y−sx)≥lim⁡y−s p(x)p(y - sx) \geq \lim y - s\,p(x); en voor t=0t = 0 is er gelijkheid. Dus is Λ+≤p\Lambda_+ \leq p op MM, en Hahn–Banach zet haar voort tot L+≤pL_+ \leq p op ℓR∞\ell^\infty_\R, wat precies als in vraag 10 een banachlimiet is (uit de dominatie door pp volgen de positiviteit, de verschuivingsinvariantie en de waarde lim⁡\lim op cc), met L+(x)=p(x)≥23L_+(x) = p(x) \geq \frac23. Dezelfde berekening met Λ−(y+tx)=lim⁡y−t p(−x)\Lambda_-(y + tx) = \lim y - t\,p(-x) (met p(−sx)≤p(y−sx)+p(−y)p(-sx) \leq p(y - sx) + p(-y) voor het geval t=−s<0t = -s < 0) levert een banachlimiet L−L_- met L−(x)=−p(−x)≤13L_-(x) = -p(-x) \leq \frac13. Twee banachlimieten, één rij, twee waarden: buiten de periodieke (en algemener de bijna convergente) wereld is een banachlimiet een echte keuze.

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 395 begrippen in de begrippenlijst