Mathematics · Boek 5 · Bachelor Year 3

Universitaire wiskunde — Bachelor jaar 3

Universitaire wiskunde — Bachelor jaar 3 · Bachelor Year 3

2Ringen en rekenkunde

Gewone gehele getallen ontbinden op precies één manier in priemfactoren; veeltermen over een lichaam ook. Zijn die twee feiten één stelling? Dit hoofdstuk antwoordt bevestigend en legt precies de hypothesen bloot die een “rekenkunde” in een commutatieve ring mogelijk maken: de keten

euclidisch    hoofdideaal    factorieel (UFD),\text{euclidisch} \;\Longrightarrow\; \text{hoofdideaal} \;\Longrightarrow\; \text{factorieel (UFD)},

met alle implicaties bewezen en alle omkeringen weerlegd. Daarna zetten we de theorie in waar ze haar waarde bewijst: bij de gehele getallen van Gauss Z[i]\Z[\iu] (die in de weekendopgave de tweekwadratenstelling van Fermat zullen kraken), bij veeltermringen in meer veranderlijken (het lemma van Gauss, het criterium van Eisenstein) en bij noetherse ringen, met als hoogtepunt de basisstelling van Hilbert. Overal betekent ring een commutatieve ring met eenheid 101 \neq 0; de idealen van Z\Z en K[X]K[X] uit het volume van bachelorjaar 2 zijn onze twee leidende voorbeelden.

2.1 Idealen, quotiënten en de isomorfiestelling

Definitie 2.1

Een ideaal II van een ring AA is een additieve deelgroep met AIIAI \subseteq I. De quotiëntring A/IA/I is de quotiëntgroep (A,+)/I(A, +)/I met de vermenigvuldiging (a+I)(b+I)=ab+I(a + I)(b + I) = ab + I: die is goed gedefinieerd, want aa vervangen door a+xa + x en bb door b+yb + y (met x,yIx, y \in I) verandert abab met ay+xb+xyIay + xb + xy \in I. De projectie π ⁣:AA/I\pi \colon A \to A/I is een surjectief ringmorfisme met kern II, en de kernen van ringmorfismen zijn precies de idealen.

Stelling 2.2 (Eerste isomorfiestelling)

Is f ⁣:ABf \colon A \to B een ringmorfisme, dan is fˉ ⁣:A/kerfimf\bar f\colon A/\ker f \to \operatorname{im} f, a+kerff(a)a + \ker f \mapsto f(a), een ringisomorfisme. Algemener factoriseert ff over A/IA/I voor elk ideaal IkerfI \subseteq \ker f. De idealen van A/IA/I zijn de J/IJ/I met JIJ \supseteq I een ideaal van AA (correspondentiestelling).

Bewijs. Net als bij groepen (Stellingen 1.3 en 1.5), waarbij we opmerken dat alle betrokken afbeeldingen ook de producten respecteren: fˉ\bar f is goed gedefinieerd, bijectief op het beeld en multiplicatief; de correspondentie JJ/IJ \mapsto J/I, Jˉπ1(Jˉ)\bar J \mapsto \pi^{-1}(\bar J) bewaart in beide richtingen idealen, omdat π\pi een surjectief ringmorfisme is.

Definitie 2.3

Zij IAI \subsetneq A een echt ideaal. II heet priem als uit abIab \in I volgt dat aIa \in I of bIb \in I; en II heet maximaal als er geen ideaal strikt tussen II en AA ligt.

Propositie 2.4

II is priem     \iff A/IA/I is een integriteitsdomein; II is maximaal     \iff A/IA/I is een lichaam. In het bijzonder zijn maximale idealen priem.

Bewijs. Schrijf aˉ\bar a voor de klassen in A/IA/I. “II priem” vertaalt zich letterlijk naar “aˉbˉ=0aˉ=0\bar a\bar b = 0 \Rightarrow \bar a = 0 of bˉ=0\bar b = 0”, en A/I0A/I \neq 0 naar IAI \neq A: dat is precies de definitie van een domein. Voor de maximaliteit gebruiken we de correspondentiestelling: geen ideaal strikt tussen II en AA     \iff A/IA/I heeft geen ander ideaal dan 00 en zichzelf     \iff A/IA/I is een lichaam — voor die laatste stap: in een lichaam zijn 00 en het geheel de enige idealen (een ideaal dat x0x \ne 0 bevat, bevat x1x=1x^{-1}x = 1); en omgekeerd, brengt elke x0x \neq 0 het eenheidsideaal voort, dan is xy=1xy = 1 voor zekere yy. Lichamen zijn domeinen, dus zijn maximale idealen priem.

Voorbeeld 2.5

In Z\Z zijn de priemidealen (0)(0) en de (p)(p) met pp priem; de maximale zijn de (p)(p) (Z/pZ=Fp\Z/p\Z = \mathbb F_p is een lichaam, Z/(0)=Z\Z/(0) = \Z niet). In K[X,Y]K[X, Y] zijn (X)(X,Y)(X) \subsetneq (X, Y) beide priem (K[X,Y]/(X)K[Y]K[X,Y]/(X) \cong K[Y], een domein; K[X,Y]/(X,Y)KK[X,Y]/(X,Y) \cong K, een lichaam), zodat (X)(X) priem maar niet maximaal is.

Om in volle algemeenheid te garanderen dat er maximale idealen bestaan, hebben we een verzamelingtheoretisch principe nodig. Een partieel geordende verzameling heet inductief als elke totaal geordende deelverzameling (keten) een bovengrens heeft.

Stelling 2.6 (Lemma van Zorn)

Elke niet-lege inductief geordende verzameling bezit een maximaal element.

Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen.

Opmerking 2.7

Dit is geen stelling van de gewone wiskunde maar een axioma: het is, boven op de basisaxioma’s van Zermelo–Fraenkel voor de verzamelingenleer, gelijkwaardig met het keuzeaxioma (“elk product van niet-lege verzamelingen is niet-leeg”), dat we in dit boek overal aanvaarden. We signaleren elk gebruik ervan. De analyse zal het opnieuw inroepen (Hahn–Banach, Hoofdstuk 8).

Stelling 2.8 (Krull)

Elk echt ideaal IAI \subsetneq A ligt in een maximaal ideaal.

Bewijs. Orden de verzameling E\mathcal E van echte idealen die II bevatten naar inclusie; ze is niet leeg (IEI \in \mathcal E). Een keten (Jλ)(J_\lambda) in E\mathcal E heeft als bovengrens J=JλJ = \bigcup J_\lambda: dat is een ideaal (twee elementen a,bJa, b \in J liggen wegens totaliteit in een gemeenschappelijke JλJ_\lambda), het is echt (1Jλ1 \notin J_\lambda voor alle λ\lambda) en het bevat II. Het lemma van Zorn levert een maximaal element van E\mathcal E, en dat is een maximaal ideaal dat II bevat (een echt ideaal strikt daarboven zou in E\mathcal E liggen).

Stelling 2.9 (Chinese reststelling)

Zij I1,,InI_1, \dots, I_n paarsgewijs comaximale idealen van AA (Ik+Il=AI_k + I_l = A voor klk \neq l). Dan is

A/k=1nIk        k=1nA/Ik,a(a+I1,,a+In),A\Big/\bigcap_{k=1}^n I_k \;\xrightarrow{\;\sim\;}\; \prod_{k=1}^n A/I_k, \qquad a \longmapsto (a + I_1, \dots, a + I_n),

en bovendien kIk=I1I2In\bigcap_k I_k = I_1 I_2 \cdots I_n (het door de producten voortgebrachte ideaal).

Bewijs. De afbeelding f(a)=(a+Ik)kf(a) = (a + I_k)_k is een ringmorfisme met kern Ik\bigcap I_k; wegens Stelling 2.2 volstaat het de surjectiviteit te bewijzen. Leg kk vast; schrijf voor elke lkl \neq k de gelijkheid 1=ul+vl1 = u_l + v_l met ulIku_l \in I_k en vlIlv_l \in I_l (comaximaliteit). Dan is

ek=lkvl=lk(1ul)1(modIk),ekIl (lk),e_k = \prod_{l \neq k} v_l = \prod_{l\neq k}(1 - u_l) \equiv 1 \pmod{I_k}, \qquad e_k \in I_l \ (l \neq k),

dus f(ek)=(0,,1,,0)f(e_k) = (0, \dots, 1, \dots, 0); is een doel (ak+Ik)k(a_k + I_k)_k gegeven, dan wordt het bereikt door kakek\sum_k a_k e_k.

Producten tegenover doorsnede: I1InIkI_1\cdots I_n \subseteq \bigcap I_k geldt altijd. Omgekeerd volstaat het per inductie het geval n=2n = 2 te behandelen (men gaat na dat I1I_1 en I2InI_2\cdots I_n comaximaal zijn: vermenigvuldigen van 1=ul+vl1 = u_l + v_l over l2l \geq 2 geeft 1I1+I2In1 \in I_1 + I_2\cdots I_n). Voor n=2n = 2: schrijf 1=u+v1 = u + v met uI1u \in I_1 en vI2v \in I_2; voor xI1I2x \in I_1 \cap I_2 is dan x=xu+xvI2I1+I1I2=I1I2x = xu + xv \in I_2I_1 + I_1I_2 = I_1I_2.

Voorbeeld 2.10

In Z\Z met Ik=(mk)I_k = (m_k) en de mkm_k paarsgewijs onderling ondeelbaar: Z/(m1mn)ZZ/mkZ\Z/(m_1\cdots m_n)\Z \cong \prod \Z/m_k\Z — de Chinese reststelling uit het volume van bachelorjaar 2. Beperkt tot de eenheden: (Z/mnZ)×(Z/mZ)××(Z/nZ)×(\Z/mn\Z)^\times \cong (\Z/m\Z)^\times \times (\Z/n\Z)^\times voor gcd(m,n)=1\gcd(m,n)=1, waaruit de multiplicativiteit van de functie φ\varphi van Euler volgt (Oefening 2.8).

2.2 Deelbaarheid: euclidisch, hoofdideaal, factorieel

Definitie 2.11

Zij AA een integriteitsdomein en a,bAa, b \in A. We zeggen dat aa het element bb deelt (aba \mid b) als b(a)=aAb \in (a) = aA. Twee elementen a,ba, b heten geassocieerd als a=uba = ub met uA×u \in A^\times (gelijkwaardig: (a)=(b)(a) = (b)). Een p0p \neq 0 die geen eenheid is, heet:

  • irreducibel als p=abp = ab afdwingt dat aA×a \in A^\times of bA×b \in A^\times;
  • priem als pabp \mid ab afdwingt dat pap \mid a of pbp \mid b (dat wil zeggen: het ideaal (p)(p) is priem).

Propositie 2.12

In elk domein geldt: priem \Rightarrow irreducibel. Het omgekeerde is in het algemeen onjuist: in Z[i5]={a+ib5:a,bZ}\Z[\iu\sqrt 5] = \{a + \iu b\sqrt5 : a, b \in \Z\} is 22 irreducibel maar niet priem.

Bewijs. Zij pp priem en p=abp = ab. Dan is pabp \mid ab, zeg pap \mid a: dus a=pca = pc, waaruit p=pcbp = pcb, en wegschrappen van pp (het is een domein!) geeft cb=1cb = 1: bA×b \in A^\times.

In Z[i5]\Z[\iu\sqrt5] gebruiken we de norm N(x+iy5)=x2+5y2N(x + \iu y\sqrt 5) = x^2 + 5y^2, die multiplicatief is (het is z2\abs z^2). Is 2=ab2 = ab met a,ba, b geen eenheden, dan is 4=N(a)N(b)4 = N(a)N(b) met N(a),N(b)1N(a), N(b) \neq 1 (de elementen van norm 11 zijn ±1\pm1, de eenheden), dus N(a)=2N(a) = 2: onmogelijk, want x2+5y2=2x^2 + 5y^2 = 2 heeft geen gehele oplossingen. Dus is 22 irreducibel. Maar 26=(1+i5)(1i5)2 \mid 6 = (1 + \iu\sqrt5)(1 - \iu\sqrt5) terwijl 22 geen van beide factoren deelt (12±i52Z[i5]\frac12 \pm \frac{\iu\sqrt5}2 \notin \Z[\iu\sqrt5]): niet priem.

Definitie 2.13

Een integriteitsdomein AA heet:

  • euclidisch als er een afbeelding ν ⁣:A{0}N\nu \colon A \setminus \{0\} \to \N bestaat (een euclidische functie) zodanig dat er voor alle a,ba, b met b0b \ne 0 een qq en een rr zijn met a=bq+ra = bq + r en (r=0r = 0 of ν(r)<ν(b)\nu(r) < \nu(b));
  • hoofdideaaldomein (een PID) als elk ideaal van de vorm (a)(a) is;
  • factorieel (een UFD) als elk element 0\neq 0 dat geen eenheid is, een product van irreducibele elementen is, op de volgorde en op associatie na uniek.

Stelling 2.14

Euclidisch \Rightarrow hoofdideaaldomein.

Bewijs. Zij I(0)I \neq (0) een ideaal en bI{0}b \in I \setminus\{0\} met ν(b)\nu(b) minimaal. Deel voor aIa \in I: a=bq+ra = bq + r; dan is r=abqIr = a - bq \in I, en ν(r)<ν(b)\nu(r) < \nu(b) zou de minimaliteit tegenspreken, dus r=0r = 0 en a(b)a \in (b): I=(b)I = (b).

Voorbeeld 2.15

Z\Z (met ν=\nu = \abs\cdot) en K[X]K[X] (met ν=deg\nu = \deg) zijn euclidisch — het volume van bachelorjaar 2 bewees beide delingen. Ook Z[i]\Z[\iu] is het, met ν=N\nu = N de kwadratische norm (Oefening 2.4); de meetkunde achter het bewijs staat in de figuur hieronder. Een hoofdideaaldomein dat niet euclidisch is bestaat, maar is lastig te certificeren (het standaardvoorbeeld is Z[1+i192]\Z\bigl[\frac{1+\iu\sqrt{19}}2\bigr]); een UFD dat geen hoofdideaaldomein is, ligt voor het grijpen: K[X,Y]K[X, Y] (Oefening 2.6) of Z[X]\Z[X].

Deling bij de gehele getallen van Gauss: het exacte quotiënt a/b ∈ ℂ ligt op afstand ≤ √2/2 < 1 van een roosterpunt q ∈ ℤ[ ]; dan heeft r = a - bq de norm N(r) = N(b)\,|a/b - q|2 < N(b). Eén euclidische deling, en dus een hele rekenkunde.
Deling bij de gehele getallen van Gauss: het exacte quotiënt a/bCa/b \in \C ligt op afstand 22<1\leq \frac{\sqrt2}{2} < 1 van een roosterpunt qZ[i]q \in \Z[\iu]; dan heeft r=abqr = a - bq de norm N(r)=N(b)a/bq2<N(b)N(r) = N(b)\,\abs{a/b - q}^2 < N(b). Eén euclidische deling, en dus een hele rekenkunde.

Lemma 2.16 (Stijgende ketens van hoofdidealen)

In een hoofdideaaldomein is elke stijgende rij idealen I1I2I_1 \subseteq I_2 \subseteq \cdots vanaf zeker moment constant.

Bewijs. I=nInI = \bigcup_n I_n is een ideaal (de vereniging is stijgend), dus I=(a)I = (a); het element aa ligt in een zekere INI_N, en dan is I=(a)INInII = (a) \subseteq I_N \subseteq I_n \subseteq I voor nNn \geq N.

Lemma 2.17 (Bézout; lemma van Euclides)

Zij AA een hoofdideaaldomein en a,bAa, b \in A. Dan is (a)+(b)=(d)(a) + (b) = (d) voor zekere dd, een grootste gemene deler: dad \mid a, dbd \mid b, en elke gemeenschappelijke deler van aa en bb deelt dd; bovendien is d=au+bvd = au + bv voor zekere u,vu, v (Bézout). Bijgevolg is elk irreducibel element van een hoofdideaaldomein priem.

Bewijs. (a)+(b)(a) + (b) is een ideaal, dus van de vorm (d)(d); uit a,b(d)a, b \in (d) volgt dad \mid a en dbd \mid b; en d=au+bv(a)+(b)d = au + bv \in (a) + (b). Een gemeenschappelijke deler cc van aa en bb deelt au+bv=dau + bv = d.

Euclides: zij pp irreducibel met pabp \mid ab en pap \nmid a. Een grootste gemene deler dd van pp en aa deelt pp, dus is dd een eenheid of geassocieerd met pp (irreducibiliteit); het tweede is uitgesloten door pap \nmid a. Dus 1=pu+av1 = pu + av, waaruit b=pub+abvb = pub + abv, en pp deelt beide termen: pbp \mid b.

Stelling 2.18

Hoofdideaaldomein \Rightarrow factorieel.

Bewijs. Bestaan. Stel dat een element a0a \neq 0 dat geen eenheid is, geen ontbinding in irreducibele factoren heeft. Dan is aa niet irreducibel: a=a1b1a = a_1b_1 met beide factoren geen eenheid; minstens één ervan, zeg a1a_1, heeft opnieuw geen ontbinding (een product van twee ontbindbare elementen is ontbindbaar). Herhaald toepassen levert a=a0,a1,a2,a = a_0, a_1, a_2, \dots, elk een echte deler van de vorige en zonder ontbinding, dus (a0)(a1)(a2)(a_0) \subsetneq (a_1) \subsetneq (a_2) \subsetneq \cdots — de inclusies zijn strikt, want uit an=an+1ca_n = a_{n+1}c met cc geen eenheid zou (an)=(an+1)(a_n) = (a_{n+1}) afdwingen dat cA×c \in A^\times (wegschrappen in een domein). Dat spreekt Lemma 2.16 tegen.

Eenduidigheid. Zij p1pr=q1qsp_1 \cdots p_r = q_1 \cdots q_s met alle factoren irreducibel en rsr \leq s; we gebruiken inductie naar rr. Het priemelement p1p_1 (Lemma 2.17) deelt het rechterlid, dus een zekere qjq_j; hernummer zo dat j=1j = 1. Omdat q1q_1 irreducibel is en p1p_1 geen eenheid, is q1=up1q_1 = u p_1 met uA×u \in A^\times: p1p_1 en q1q_1 zijn geassocieerd. Schrap p1p_1 weg: p2pr=(uq2)q3qsp_2 \cdots p_r = (u q_2) q_3\cdots q_s, en besluit per inductie (r=1r = 1 dwingt s=1s = 1 af: een eenheid maal irreducibele elementen kan geen 11 zijn).

Opmerking 2.19

In een UFD bestaan grootste gemene delers (neem de minimale exponenten in de ontbindingen) en geldt het lemma van Euclides — irreducibel == priem (Oefening 2.2) — maar Bézout kan falen: in Z[X]\Z[X] is gcd(2,X)=1\gcd(2, X) = 1 en toch 12U+XV1 \neq 2U + XV (evalueer in X=0X = 0: 1=2U(0)1 = 2U(0), onmogelijk). Bézout-identiteiten zijn het exclusieve voorrecht van hoofdideaaldomeinen.

Voorbeeld 2.20 (Een ring zonder eenduidige ontbinding)

Geen van de implicaties euclidisch \Rightarrow hoofdideaaldomein \Rightarrow UFD is een gelijkwaardigheid, en het falen van de laatste is het waard om één keer helemaal uit te schrijven. In

A=Z[i5]={a+ib5:a,bZ},N(a+ib5)=a2+5b2,A = \Z[\iu\sqrt5] = \{a + \iu b\sqrt5 : a, b \in \Z\}, \qquad N(a + \iu b\sqrt5) = a^2 + 5b^2,

is de norm multiplicatief en geldt N(z)=1N(z) = 1 precies wanneer zA×={±1}z \in A^\times = \{\pm1\}. Beschouw

6=23=(1+i5)(1i5).6 = 2 \cdot 3 = (1 + \iu\sqrt5)(1 - \iu\sqrt5).

Alle vier de factoren zijn irreducibel: hun normen zijn 4,9,6,64, 9, 6, 6, en een echte ontbinding z=z1z2z = z_1z_2 zou N(z1){2,3}N(z_1) \in \{2, 3\} afdwingen — maar a2+5b2a^2 + 5b^2 is nooit 22 of 33 (b=0b = 0 laat de niet-kwadraten 2,32, 3 over; b1\abs b \geq 1 geeft 5\geq 5). En toch is 22 met geen van beide 1±i51 \pm \iu\sqrt5 geassocieerd (normen 464 \neq 6): twee werkelijk verschillende ontbindingen van 66 in irreducibele factoren. Gelijkwaardig: hier is irreducibel \neq priem, want 22 deelt het product (1+i5)(1i5)=6(1 + \iu\sqrt5)(1 - \iu\sqrt5) = 6 maar geen van beide factoren (opnieuw de normen). De ideaaltheoretische reparatie van dit falen — idealen ontbinden in plaats van elementen — is de geboorte van de algebraïsche getaltheorie; op ons niveau ijkt het voorbeeld hoe bijzonder de euclidische ringen Z\Z, K[X]K[X] en Z[i]\Z[\iu] van dit hoofdstuk werkelijk zijn.

Methode 2.21

Om een quotiëntring A/IA/I te herkennen: zoek een surjectief morfisme f ⁣:ABf \colon A \to B met kern II en roep Stelling 2.2 in; is A=C[X]A = C[X] een veeltermring, dan is ff meestal een evaluatie. Zo is Z[X]/(X2+1)Z[i]\Z[X]/(X^2+1) \cong \Z[\iu] (evalueer in i\iu), K[X,Y]/(YX2)K[X]K[X,Y]/(Y - X^2) \cong K[X] (evalueer YY in X2X^2) en R[X]/(X2+1)C\R[X]/(X^2+1) \cong \C. Om aan te tonen dat II priem of maximaal is, toon je aan dat het quotiënt een domein respectievelijk een lichaam is (Propositie 2.4).

2.3 Veeltermen over een UFD: Gauss en Eisenstein

In deze paragraaf is AA overal een UFD met breukenlichaam KK (geconstrueerd als het lichaam van formele quotiënten a/ba/b met b0b \neq 0, net zoals Q\Q uit Z\Z; het volume van bachelorjaar 2 voerde die constructie uit voor Q\Q, en ze gaat letterlijk over). Ons doel: factorialiteit gaat over van AA naar A[X]A[X], en irreducibiliteit over AA is in wezen irreducibiliteit over het grotere lichaam KK.

Definitie 2.22

De inhoud c(P)c(P) van een PA[X]P \in A[X] met P0P \neq 0 is een grootste gemene deler van haar coëfficiënten (op een eenheid na bepaald); PP heet primitief als c(P)A×c(P) \in A^\times. Elke PA[X]P \in A[X] schrijft zich als P=c(P)P1P = c(P)\,P_1 met P1P_1 primitief, en elke PK[X]{0}P \in K[X]\setminus\{0\} als P=λP1P = \lambda P_1 met λK×\lambda \in K^\times en P1A[X]P_1 \in A[X] primitief (werk de noemers weg en haal dan de inhoud buiten).

Lemma 2.23 (Gauss)

Het product van twee primitieve veeltermen van A[X]A[X] is primitief; bijgevolg is c(PQ)=c(P)c(Q)c(PQ) = c(P)c(Q) op eenheden na.

Bewijs. Zij P,QP, Q primitief en stel dat een irreducibele (dus, in een UFD, priem) pp alle coëfficiënten van PQPQ deelt. Reduceer modulo pp: in (A/(p))[X](A/(p))[X] is PˉQˉ=0\bar P \bar Q = 0. Maar A/(p)A/(p) is een domein ((p)(p) is priem), dus is (A/(p))[X](A/(p))[X] een domein (de kopcoëfficiënten vermenigvuldigen), zodat Pˉ=0\bar P = 0 of Qˉ=0\bar Q = 0: pp deelt alle coëfficiënten van PP of alle van QQ, in strijd met de primitiviteit. Voor het gevolg: schrijf P=c(P)P1P = c(P)P_1 en Q=c(Q)Q1Q = c(Q)Q_1; dan is PQ=c(P)c(Q)P1Q1PQ = c(P)c(Q) P_1Q_1 met P1Q1P_1Q_1 primitief.

Stelling 2.24

Zij AA een UFD met breukenlichaam KK.

  1. Een primitieve PA[X]P \in A[X] van graad 1\geq 1 is irreducibel in A[X]A[X] dan en slechts dan als ze irreducibel is in K[X]K[X].
  2. A[X]A[X] is een UFD; de irreducibele elementen ervan zijn de irreducibele elementen van AA en de primitieve veeltermen die over KK irreducibel zijn. In het bijzonder zijn Z[X]\Z[X] en, per inductie, K[X1,,Xn]K[X_1, \dots, X_n] en Z[X1,,Xn]\Z[X_1, \dots, X_n] UFD’s.

Bewijs. (1) (\Leftarrow) Is P=QRP = QR in A[X]A[X] met Q,RQ, R geen eenheden, dan is geen van beide factoren constant (een constante factor van een primitieve veelterm is een eenheid), dus is de ontbinding ook in K[X]K[X] echt. (\Rightarrow) Stel P=QRP = QR met Q,RK[X]Q, R \in K[X] van graad 1\geq 1. Schrijf Q=λQ1Q = \lambda Q_1 en R=μR1R = \mu R_1 met Q1,R1A[X]Q_1, R_1 \in A[X] primitief: dan is P=λμQ1R1P = \lambda\mu\, Q_1R_1, en Q1R1Q_1R_1 is primitief volgens Gauss. Nemen we de inhouden, dan is λμA×\lambda\mu \in A^\times (beide leden hebben inhoud een eenheid; formeel: λμ=c(P)A×\lambda\mu = c(P) \in A^\times op eenheden na, en in het bijzonder λμA\lambda \mu \in A): P=(λμQ1)R1P = (\lambda\mu Q_1) R_1 is dus een echte ontbinding in A[X]A[X].

(2) Bestaan: zij P0P \neq 0 geen eenheid; ontbind P=c(P)P1P = c(P)P_1, ontbind c(P)c(P) in irreducibele elementen van AA, en ontbind P1P_1 in het UFD K[X]K[X] als Qi\prod Q_i met QiK[X]Q_i \in K[X] irreducibel; schrijven we Qi=λiRiQ_i = \lambda_i R_i met RiA[X]R_i \in A[X] primitief (en dus irreducibel over KK, en dus in A[X]A[X] volgens (1)), dan is het product λi\prod \lambda_i zoals eerder een eenheid van AA en is P1=uRiP_1 = u\prod R_i. Eenduidigheid: vergelijk het constante deel en het veeltermdeel van een ontbinding; de constanten vermenigvuldigen tot c(P)c(P) (Gauss), uniek wegens de factorialiteit van AA; de veeltermdelen geven twee ontbindingen in K[X]K[X] van dezelfde veelterm, die dus op constanten van K×K^\times na overeenkomen (factorialiteit van K[X]K[X], Stelling 2.18), en primitieve veeltermen die in K[X]K[X] geassocieerd zijn, zijn dat ook in A[X]A[X]: is R=λRR = \lambda R' met R,RR, R' primitief en λK×\lambda \in K^\times, dan dwingt het nemen van inhouden λA×\lambda \in A^\times af.

Stelling 2.25 (Irreducibiliteitscriteria)

Zij AA een UFD, KK haar breukenlichaam, en P=anXn++a0A[X]P = a_nX^n + \dots + a_0 \in A[X] primitief van graad n1n \geq 1.

  1. (Reductie) Is pAp \in A priem met panp \nmid a_n, en is de reductie Pˉ\bar P irreducibel in (A/(p))[X](A/(p))[X], dan is PP irreducibel in K[X]K[X] (en dus in A[X]A[X]).
  2. (Eisenstein) Is er een priemgetal pp met panp \nmid a_n, paip \mid a_i voor 0i<n0 \leq i < n en p2a0p^2 \nmid a_0, dan is PP irreducibel in K[X]K[X] (en dus in A[X]A[X]).

Bewijs. Volgens Stelling 2.24(1) levert een echte ontbinding over KK een P=QRP = QR met Q,RA[X]Q, R \in A[X] en degQ,degR1\deg Q, \deg R \geq 1 (constanten zijn uitgesloten: die zouden eenheden zijn of de primitiviteit bederven).

(1) Reduceer modulo pp: Pˉ=QˉRˉ\bar P = \bar Q\bar R in (A/(p))[X](A/(p))[X]. Omdat panp \nmid a_n en de graad onder reductie alleen kan dalen, is degQˉ=degQ1\deg \bar Q = \deg Q \geq 1 en degRˉ=degR1\deg\bar R = \deg R \geq 1 (hun kopcoëfficiënten vermenigvuldigen tot aˉn0\bar a_n \neq 0, dus daalt geen van beide): Pˉ\bar P ontbindt echt — tegenspraak.

(2) Reduceer modulo pp: QˉRˉ=Pˉ=aˉnXn\bar Q \bar R = \bar P = \bar a_n X^n (alle lagere coëfficiënten sterven weg). In het domein (A/(p))[X](A/(p))[X] zijn de ontbindingen van cXncX^n (c0c \ne 0) alleen die in constanten en zuivere machten cXkc'X^k: immers, als QˉRˉ=aˉnXn\bar Q\bar R = \bar a_nX^n en Qˉ\bar Q een coëfficiënt 0\neq 0 had in een graad <degQˉ< \deg\bar Q, neem dan de laagste niet-nulle termen: val(QˉRˉ)=valQˉ+valRˉ\operatorname{val}(\bar Q\bar R) = \operatorname{val}\bar Q + \operatorname{val}\bar R (domein), en dat moet gelijk zijn aan n=degQˉ+degRˉn = \deg\bar Q + \deg\bar R, wat val=deg\operatorname{val} = \deg afdwingt voor beide: het zijn allebei monomen. Zoals hierboven dalen de graden niet, dus zijn de constante termen Q(0)Q(0) en R(0)R(0) van QQ en RR door pp deelbaar — allebei, omdat beide reducties monomen van graad 1\geq 1 zijn. Dan is p2Q(0)R(0)=a0p^2 \mid Q(0)R(0) = a_0: tegenspraak.

Voorbeeld 2.26

XnpX^n - p is irreducibel over Q\Q voor elk priemgetal pp en elke n1n \geq 1 (Eisenstein bij pp): er zijn dus over Q\Q irreducibele veeltermen van elke graad — in scherp contrast met C\C (graad 11, d’Alembert–Gauss, bewezen in Hoofdstuk 16) en R\R (graden 11 en 22). De truc van het verschuiven vergroot het bereik van Eisenstein: de pp-de cyclotomische veelterm Φp=Xp1++X+1=Xp1X1\Phi_p = X^{p-1} + \dots + X + 1 = \frac{X^p - 1}{X - 1} voldoet aan

Φp(X+1)=(X+1)p1X=Xp1+(p1)Xp2++(pp1),\Phi_p(X + 1) = \frac{(X+1)^p - 1}{X} = X^{p-1} + \binom{p}{1}X^{p-2} + \dots + \binom{p}{p-1},

en dat is Eisenstein bij pp (p(pk)p \mid \binom pk voor 0<k<p0 < k < p, en (pp1)=p≢0modp2\binom{p}{p-1} = p \not\equiv 0 \bmod p^2): dus is Φp(X+1)\Phi_p(X+1), en daarmee Φp\Phi_p, irreducibel over Q\Q. Dit is het algebraïsche hart van het verhaal over de regelmatige 1717-hoek in Hoofdstuk 4.

Methode 2.27

Om te bewijzen dat PZ[X]P \in \Z[X] irreducibel is over Q\Q: (i) maak PP primitief; (ii) probeer Eisenstein, op P(X)P(X) en op de verschuivingen P(X±1)P(X \pm 1); (iii) probeer reductie modulo kleine priemgetallen die de kopcoëfficiënt niet delen — irreducibiliteit modulo één pp volstaat, en over Fp\mathbb F_p is irreducibiliteit een eindige controle (geen wortels sluit factoren van graad 11 uit; test daarna de eindig veel factoren van elke graad degP/2\leq \deg P/2); (iv) helpt niets, dan onbepaalde coëfficiënten. Pas op: reducibiliteit modulo elk priemgetal impliceert niet reducibiliteit over Q\Q (Oefening 2.11).

2.4 Noetherse ringen

Definitie 2.28

Een ring AA heet noethers als elk ideaal van AA eindig voortgebracht is.

Propositie 2.29

AA is noethers dan en slechts dan als elke stijgende rij idealen vanaf zeker moment constant is (de stijgende ketenvoorwaarde), dan en slechts dan als elke niet-lege familie idealen een maximaal element heeft (voor de inclusie).

Bewijs. (Eindig voortgebracht \Rightarrow ketenvoorwaarde): voor een keten I1I2I_1 \subseteq I_2 \subseteq \cdots is de vereniging II een ideaal, voortgebracht door x1,,xrx_1, \dots, x_r; alle xix_i liggen in een zekere INI_N, dus I=IN=InI = I_N = I_n voor nNn \geq N. (Ketenvoorwaarde \Rightarrow maximale elementen): had een niet-lege familie F\mathcal F geen maximaal element, kies dan I1FI_1 \in \mathcal F en inductief In+1InI_{n+1} \supsetneq I_n in F\mathcal F (mogelijk omdat InI_n niet maximaal is): een oneindige strikt stijgende keten. (Hier gebruiken we het axioma van afhankelijke keuzen, een zwakke vorm van het keuzeaxioma waar we niet over tobben.) (Maximale elementen \Rightarrow eindig voortgebracht): zij II een ideaal; de familie van eindig voortgebrachte idealen binnen II is niet leeg ((0)(0)), en een maximaal element J=(x1,,xr)J = (x_1, \dots, x_r) moet gelijk zijn aan II: anders levert het toevoegen van een xIJx \in I \setminus J aan de voortbrengers een strikt groter lid van de familie.

Stelling 2.30 (Basisstelling van Hilbert)

Is AA noethers, dan ook A[X]A[X]. Bijgevolg zijn ook A[X1,,Xn]A[X_1, \dots, X_n] en al hun quotiënten noethers.

Bewijs. Zij II een ideaal van A[X]A[X] en stel dat II niet eindig voortgebracht is. Bouw een rij: neem f1I{0}f_1 \in I \setminus \{0\} van minimale graad, en inductief fk+1I(f1,,fk)f_{k+1} \in I \setminus (f_1, \dots, f_k) van minimale graad (die verzameling is per veronderstelling niet leeg). De graden dk=degfkd_k = \deg f_k zijn niet-dalend: immers fk+1(f1,,fk)(f1,,fk1)f_{k+1} \notin (f_1,\dots,f_k) \supseteq (f_1, \dots, f_{k-1}), dus deed fk+1f_{k+1} in stap kk al mee en verloor of speelde gelijk: dk+1dkd_{k+1} \geq d_k. Zij akAa_k \in A de kopcoëfficiënt van fkf_k. De keten idealen (a1)(a1,a2)(a_1) \subseteq (a_1, a_2) \subseteq \cdots stabiliseert: voor zekere nn is an+1(a1,,an)a_{n+1} \in (a_1, \dots, a_n), zeg an+1=knukaka_{n+1} = \sum_{k\leq n} u_k a_k. Beschouw

g=fn+1k=1nukXdn+1dkfk.g = f_{n+1} - \sum_{k=1}^{n} u_k X^{\,d_{n+1} - d_k} f_k .

Dan is gI(f1,,fn)g \in I \setminus (f_1, \dots, f_n) (de som ligt in het ideaal, fn+1f_{n+1} niet), en toch valt de coëfficiënt van graad dn+1d_{n+1} weg: degg<dn+1\deg g < d_{n+1}, in strijd met de minimaliteit van dn+1=degfn+1d_{n+1} = \deg f_{n+1}.

Herhaald toepassen geeft dat A[X1,,Xn]=(A[X1,,Xn1])[Xn]A[X_1, \dots, X_n] = (A[X_1, \dots, X_{n-1}])[X_n] noethers is; en een quotiënt A/IA/I is noethers omdat zijn idealen J/IJ/I zich optillen tot idealen van AA (correspondentie), waar eindig veel voortbrengers op voortbrengers projecteren.

Opmerking 2.31

Noetheriaanheid is het eindigheidsaxioma van de algebraïsche meetkunde: elk stelsel veeltermvergelijkingen in nn veranderlijken, hoe oneindig ook, is gelijkwaardig met eindig veel ervan — de oplossingsverzameling wordt door eindig veel veeltermen uitgesneden. Hoofdideaaldomeinen zijn noethers (triviaal); Z[X1,X2,]\Z[X_1, X_2, \dots] in oneindig veel veranderlijken is dat niet ((X1)(X1,X2)(X_1) \subsetneq (X_1, X_2) \subsetneq \cdots). Ook in de analyse komen niet-noetherse ringen vanzelf voor: de continue functies op [0,1]\intcc01 vormen er een (Oefening 2.10).

2.5 Oefeningen

Oefening 2.1

Herken de quotiënten: (a) Z[X]/(X2+1)Z[i]\Z[X]/(X^2 + 1) \cong \Z[\iu]; (b) R[X]/(X2+1)C\R[X]/(X^2+1) \cong \C; (c) F2[X]/(X2+X+1)\mathbb F_2[X]/(X^2 + X + 1) is een lichaam met 44 elementen — schrijf de vermenigvuldigingstabel op.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.1.

(a) De evaluatie f ⁣:Z[X]Z[i]f \colon \Z[X] \to \Z[\iu], PP(i)P \mapsto P(\iu), is een surjectief ringmorfisme (a+bXa+bia + bX \mapsto a + b\iu). Kern: deel PP door de monische veelterm X2+1X^2 + 1 in Z[X]\Z[X]: P=(X2+1)Q+(bX+a)P = (X^2 + 1)Q + (bX + a) met a,bZa, b \in \Z; dan is P(i)=a+bi=0P(\iu) = a + b\iu = 0 precies wanneer a=b=0a = b = 0. Dus kerf=(X2+1)\ker f = (X^2+1), en Stelling 2.2 besluit.

(b) Dezelfde berekening met coëfficiënten in R\R: R[X]/(X2+1)C\R[X]/(X^2+1) \cong \C — dit is de netste constructie van C\C.

(c) X2+X+1X^2 + X + 1 heeft geen wortel in F2\mathbb F_2 (00 en 11 gaan beide naar 11), dus is ze, van graad 22 zijnde, irreducibel: het quotiënt F4=F2[X]/(X2+X+1)\mathbb F_4 = \mathbb F_2[X]/(X^2+X+1) is een lichaam (Propositie 2.4; (P)(P) is maximaal in K[X]K[X] zodra PP irreducibel is, want K[X]K[X] is een hoofdideaaldomein: een ideaal (D)(P)(D) \supseteq (P) betekent DPD \mid P). De vier elementen zijn 0,1,ω,ω+10, 1, \omega, \omega + 1 met ω=Xˉ\omega = \bar X en ω2=ω+1\omega^2 = \omega + 1. Vermenigvuldigingstabel (de elementen 0\neq 0):

ωω=ω+1,ω(ω+1)=ω2+ω=1,(ω+1)2=ω2+1=ω.\omega \cdot \omega = \omega + 1, \qquad \omega(\omega + 1) = \omega^2 + \omega = 1, \qquad (\omega+1)^2 = \omega^2 + 1 = \omega .

De elementen 0\neq 0 vormen een cyclische groep van orde 33, voortgebracht door ω\omega.

Oefening 2.2

(a) Toon aan dat in een UFD elk irreducibel element priem is. (b) Toon aan dat een eindig integriteitsdomein een lichaam is. (c) Leid af dat in een eindige ring elk priemideaal maximaal is.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.2.

(a) Zij pp irreducibel in een UFD met pabp \mid ab, zeg ab=pcab = pc, met a,b0a, b \neq 0 (anders triviaal). Is aa of bb een eenheid, dan deelt pp de andere. Ontbind anders aa, bb en cc in irreducibele factoren: de twee ontbindingen van abab,

(factoren van a)(factoren van b)=p(factoren van c),(\text{factoren van } a)(\text{factoren van } b) = p \cdot (\text{factoren van } c),

moeten op volgorde en associatie na overeenkomen: pp is dus geassocieerd met een irreducibele factor van aa of van bb, en deelt die.

(b) Zij AA een eindig domein en x0x \neq 0. De afbeelding yxyy \mapsto xy is injectief (uit xy=xyxy = xy' volgt x(yy)=0x(y - y') = 0 en dus y=yy = y'), en dus surjectief (AA is eindig): 1=xy1 = xy voor zekere yy.

(c) Is p\mathfrak p priem in een eindige ring AA, dan is A/pA/\mathfrak p een eindig domein, dus volgens (b) een lichaam, en is p\mathfrak p maximaal (Propositie 2.4).

Oefening 2.3

Ga in Z[i5]\Z[\iu\sqrt5] na dat 33, 1+i51 + \iu\sqrt5 en 1i51 - \iu\sqrt5 irreducibel zijn en dat 9=33=(2+i5)(2i5)9 = 3\cdot 3 = (2 + \iu\sqrt5)(2 - \iu\sqrt5), en besluit opnieuw (na Propositie 2.12) dat Z[i5]\Z[\iu\sqrt5] geen UFD is. Waar precies faalt de eenduidigheid?

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.3.

Normen: N(3)=9N(3) = 9, N(1±i5)=6N(1 \pm \iu\sqrt5) = 6 en N(2±i5)=9N(2 \pm \iu\sqrt5) = 9. De vergelijkingen x2+5y2=2x^2 + 5y^2 = 2 en x2+5y2=3x^2 + 5y^2 = 3 hebben geen gehele oplossingen, dus heeft geen enkel element norm 22 of 33. Een echte ontbinding van 33 zou twee factoren van norm 33 vergen: onmogelijk — 33 is irreducibel. Een echte ontbinding van 1±i51 \pm \iu\sqrt5 (norm 66) zou factoren van norm 22 en 33 vergen: onmogelijk. Hetzelfde geldt voor 2±i52 \pm \iu\sqrt5 (norm 99: de factoren zouden norm 33 hebben). Nu is

9=33=(2+i5)(2i5),9 = 3 \cdot 3 = (2 + \iu\sqrt5)(2 - \iu\sqrt5),

twee ontbindingen in irreducibele factoren. Ze zijn werkelijk verschillend: de eenheden zijn ±1\pm 1 (norm 11) en 2±i5±32 \pm \iu\sqrt5 \neq \pm 3. De eenduidigheid faalt dus — terwijl het bestaan van ontbindingen in Z[i5]\Z[\iu\sqrt5] wél geldt (Oefening 2.10(c)): de niet-factorialiteit is hier uitsluitend een falen van de eenduidigheid. (In overeenstemming met Propositie 2.12: deze irreducibele elementen zijn niet priem.)

Oefening 2.4 ★★

(a) Toon aan dat Z[i]\Z[\iu] euclidisch is voor de norm N(x+iy)=x2+y2N(x + \iu y) = x^2 + y^2: kies bij gegeven a,b0a, b \neq 0 een qZ[i]q \in \Z[\iu] die het dichtst bij a/bCa/b \in \C ligt. (b) Bepaal Z[i]×\Z[\iu]^\times. (c) Dezelfde vragen voor Z[i2]\Z[\iu\sqrt2] en N(x+iy2)=x2+2y2N(x + \iu y\sqrt2) = x^2 + 2y^2. Waarom faalt hetzelfde argument voor Z[i5]\Z[\iu\sqrt5]?

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.4.

(a) Zij a,bZ[i]a, b \in \Z[\iu] met b0b \neq 0, en a/b=x+iyCa/b = x + \iu y \in \C. Kies gehele getallen m,nm, n met xm12\abs{x - m} \leq \frac12 en yn12\abs{y - n} \leq \frac12, en stel q=m+inq = m + \iu n en r=abqr = a - bq. Dan is

N(r)=N(b)abq2N(b)(14+14)=N(b)2<N(b).N(r) = N(b)\,\abs*{\tfrac ab - q}^2 \leq N(b)\Bigl(\tfrac14 + \tfrac14\Bigr) = \tfrac{N(b)}2 < N(b).

Dus is NN een euclidische functie (N(r)<N(b)N(r) < N(b) of r=0r = 0).

(b) Uit uv=1uv = 1 volgt N(u)N(v)=1N(u)N(v) = 1 met N(u)NN(u) \in \N: dus N(u)=1N(u) = 1, dat wil zeggen x2+y2=1x^2 + y^2 = 1, en u{±1,±i}u \in \{\pm 1, \pm\iu\}; omgekeerd zijn dat eenheden.

(c) Voor Z[i2]\Z[\iu\sqrt2] geeft hetzelfde afronden a/bq214+24=34<1\abs{a/b - q}^2 \leq \frac14 + \frac{2}4 = \frac34 < 1: euclidisch; de eenheden volgen uit x2+2y2=1x^2 + 2y^2 = 1, dus ±1\pm 1. Voor Z[i5]\Z[\iu\sqrt5] wordt de grens 14+54=32>1\frac14 + \frac54 = \frac32 > 1: het afrondargument faalt — en het moet falen, want Z[i5]\Z[\iu\sqrt5] is niet eens een UFD (Oefening 2.3), terwijl euclidisch een UFD zou impliceren (Stellingen 2.14 en 2.18).

Oefening 2.5 ★★

Zij AA een ring. (a) Toon aan dat 1+xA×1 + x \in A^\times zodra xx nilpotent is (xn=0x^n = 0 voor zekere nn). (b) Toon aan dat A[X]×=A×A[X]^\times = A^\times als AA een domein is; geef een tegenvoorbeeld over Z/4Z\Z/4\Z. (c) Toon aan dat een domein geen andere idempotenten (e2=ee^2 = e) heeft dan 00 en 11, en geen andere nilpotente elementen dan 00.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.5.

(a) Is xn=0x^n = 0, dan is

(1+x)(1x+x2+(1)n1xn1)=1+(1)n1xn=1.(1 + x)\bigl(1 - x + x^2 - \dots + (-1)^{n-1}x^{n-1}\bigr) = 1 + (-1)^{n-1}x^n = 1 .

(b) In een domein is deg(PQ)=degP+degQ\deg(PQ) = \deg P + \deg Q; uit PQ=1PQ = 1 volgt degP=degQ=0\deg P = \deg Q = 0 en P,QA×P, Q \in A^\times: dus A[X]×=A×A[X]^\times = A^\times. Over Z/4Z\Z/4\Z is (1+2X)2=1+4X+4X2=1(1 + 2X)^2 = 1 + 4X + 4X^2 = 1, zodat 1+2X1 + 2X een eenheid van graad 11 is (hier is 22 nilpotent; vergelijk (a)).

(c) Uit e2=ee^2 = e volgt e(e1)=0e(e - 1) = 0, dus e{0,1}e \in \{0, 1\} in een domein. Is xn=0x^n = 0 met n1n \geq 1 minimaal en x0x \ne 0, dan is n2n \geq 2 en xxn1=0x \cdot x^{n-1} = 0 met beide factoren 0\neq 0: tegenspraak.

Oefening 2.6 ★★

In A=K[X,Y]A = K[X, Y]: (a) toon aan dat het ideaal (X,Y)(X, Y) maximaal maar geen hoofdideaal is — zodat K[X,Y]K[X,Y] een UFD (Stelling 2.24) is dat geen hoofdideaaldomein is; (b) herken K[X,Y]/(YX2)K[X, Y]/(Y - X^2) en K[X,Y]/(XY1)K[X,Y]/(XY - 1) als deelringen van rationale functies; (c) is (YX2)(Y - X^2) priem? maximaal?

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.6.

(a) K[X,Y]/(X,Y)KK[X,Y]/(X,Y) \cong K (evalueer in (0,0)(0,0)): een lichaam, dus is (X,Y)(X,Y) maximaal. Was (X,Y)=(P)(X, Y) = (P), dan dwingt PXP \mid X (kijk naar de graden in YY) af dat PK[X]P \in K[X], en PYP \mid Y vervolgens dat PKP \in K; P=0P = 0 is absurd, en PK×P \in K^\times zou (P)=K[X,Y](P) = K[X,Y] geven, in strijd met het feit dat het ideaal echt is (K[X,Y]/(X,Y)K0K[X,Y]/(X,Y) \cong K \neq 0). Dus is (X,Y)(X,Y) geen hoofdideaal.

(b) De evaluatie P(X,Y)P(X,X2)P(X, Y) \mapsto P(X, X^2) beeldt K[X,Y]K[X,Y] af op K[X]K[X]; de kern is (YX2)(Y - X^2): deling door de in YY monische veelterm YX2Y - X^2 geeft P=(YX2)Q+R(X)P = (Y - X^2)Q + R(X), en P(X,X2)=R(X)P(X, X^2) = R(X). Dus K[X,Y]/(YX2)K[X]K[X,Y]/(Y - X^2) \cong K[X] — de coördinatenring van een parabool, isomorf met die van een rechte.

De evaluatie P(X,Y)P(X,X1)P(X, Y) \mapsto P(X, X^{-1}) beeldt K[X,Y]K[X, Y] af op de ring K[X,X1]K[X, X^{-1}] van Laurentveeltermen. De kern bevat (XY1)(XY - 1); omgekeerd heeft modulo XY1XY - 1 elke klasse een representant R=n0anXn+m1bmYmR = \sum_{n \geq 0} a_nX^n + \sum_{m \geq 1} b_m Y^m (vervang telkens opnieuw elk product XYXY door 11), en R(X,X1)=anXn+bmXm=0R(X, X^{-1}) = \sum a_n X^n + \sum b_m X^{-m} = 0 dwingt alle an=bm=0a_n = b_m = 0 af. Bijgevolg is K[X,Y]/(XY1)K[X,X1]K[X, Y]/(XY - 1) \cong K[X, X^{-1}] — de coördinatenring van een hyperbool: de rechte met één punt weggehaald.

(c) (YX2)(Y - X^2) is priem (het quotiënt K[X]K[X] is een domein) maar niet maximaal (K[X]K[X] is geen lichaam; concreet: (YX2)(YX2,X)K[X,Y](Y - X^2) \subsetneq (Y - X^2,\, X) \subsetneq K[X,Y]).

Oefening 2.7 ★★

Irreducibel over Q\Q of niet: X512X3+36X12X^5 - 12X^3 + 36X - 12; X4+X+1X^4 + X + 1 (reduceer modulo 22); X4+4X^4 + 4; Φ8=X4+1\Phi_8 = X^4 + 1 (verschuif over 11); X3X1X^3 - X - 1.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.7.

X512X3+36X12X^5 - 12X^3 + 36X - 12: Eisenstein bij p=3p = 3 (312,36,123 \mid 12, 36, 12; 9129 \nmid 12; 313 \nmid 1): irreducibel. (Bij p=2p = 2 faalt Eisenstein: 4124 \mid 12.)

X4+X+1X^4 + X + 1: reduceer modulo 22. Er is geen wortel in F2\mathbb F_2; de enige irreducibele kwadratische veelterm over F2\mathbb F_2 is X2+X+1X^2 + X + 1, en (X2+X+1)2=X4+X2+1X4+X+1(X^2+X+1)^2 = X^4 + X^2 + 1 \neq X^4 + X + 1. Dus is X4+X+1X^4 + X + 1 irreducibel over F2\mathbb F_2, en daarmee over Q\Q (Stelling 2.25(1); ze is monisch).

X4+4X^4 + 4: reducibel — de identiteit van Sophie Germain, X4+4=(X22X+2)(X2+2X+2)X^4 + 4 = (X^2 - 2X + 2)(X^2 + 2X + 2).

X4+1X^4 + 1: verschuiven geeft (X+1)4+1=X4+4X3+6X2+4X+2(X+1)^4 + 1 = X^4 + 4X^3 + 6X^2 + 4X + 2: Eisenstein bij 22. Een ontbinding van X4+1X^4+1 zou overgaan in een ontbinding van (X+1)4+1(X+1)^4 + 1: dus irreducibel.

X3X1X^3 - X - 1: een derdegraadsveelterm is reducibel over Q\Q dan en slechts dan als ze een rationale wortel heeft; een rationale wortel van een monische gehele veelterm is een geheel getal dat de constante term deelt (de rationalewortelstelling: is p/qp/q in laagste termen een wortel, dan q1q \mid 1 en p1p \mid -1), en ±1\pm 1 zijn geen wortels (beide geven 1-1): irreducibel.

Oefening 2.8 ★★

(a) Bewijs met Stelling 2.9 dat de functie van Euler multiplicatief is op onderling ondeelbare argumenten en dat φ(pk)=pk1(p1)\varphi(p^k) = p^{k-1}(p-1); vind zo φ(n)=npn(11p)\varphi(n) = n\prod_{p \mid n}(1 - \frac1p) terug. (b) Los op: x2(mod7)x \equiv 2 \pmod 7, x5(mod11)x \equiv 5 \pmod{11}, x1(mod13)x \equiv 1 \pmod{13}, en geef daarbij de idempotenten eke_k uit het bewijs van Stelling 2.9.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.8.

(a) Voor gcd(m,n)=1\gcd(m, n) = 1 geeft Stelling 2.9 een ringisomorfisme Z/mnZZ/mZ×Z/nZ\Z/mn\Z \cong \Z/m\Z \times \Z/n\Z. Een element van een productring is een eenheid dan en slechts dan als beide coördinaten dat zijn, dus (Z/mnZ)×(Z/mZ)××(Z/nZ)×(\Z/mn\Z)^\times \cong (\Z/m\Z)^\times \times (\Z/n\Z)^\times en φ(mn)=φ(m)φ(n)\varphi(mn) = \varphi(m)\varphi(n). Voor een priemmacht zijn de niet-eenheden van Z/pkZ\Z/p^k\Z de klassen van de veelvouden van pp: φ(pk)=pkpk1\varphi(p^k) = p^k - p^{k-1}. Bijgevolg is

φ(n)=i(piαipiαi1)=npn(11p).\varphi(n) = \prod_i \bigl(p_i^{\alpha_i} - p_i^{\alpha_i-1}\bigr) = n \prod_{p \mid n}\Bigl(1 - \frac1p\Bigr).

(b) Zij M=71113=1001M = 7 \cdot 11 \cdot 13 = 1001. Idempotenten: voor e1(1,0,0)e_1 \equiv (1, 0, 0) is 143=11133(mod7)143 = 11\cdot13 \equiv 3 \pmod 7 en 3513 \cdot 5 \equiv 1, dus e1=1435=715e_1 = 143 \cdot 5 = 715. Voor e2e_2: 913(mod11)91 \equiv 3 \pmod{11} en 3413 \cdot 4 \equiv 1, dus e2=914=364e_2 = 91\cdot4 = 364. Voor e3e_3: 771(mod13)77 \equiv -1 \pmod{13}, dus e3=7712=924e_3 = 77 \cdot 12 = 924. Dan is

x2e1+5e2+1e3=1430+1820+924=4174170(mod1001),x \equiv 2\,e_1 + 5\,e_2 + 1\,e_3 = 1430 + 1820 + 924 = 4174 \equiv 170 \pmod{1001},

en inderdaad 170=247+2=1511+5=1313+1170 = 24\cdot7 + 2 = 15\cdot11 + 5 = 13\cdot13 + 1.

Oefening 2.9 ★★★

(Het nilradicaal) Zij Nil(A)\operatorname{Nil}(A) de verzameling nilpotente elementen. (a) Toon aan dat Nil(A)\operatorname{Nil}(A) een ideaal is dat in elk priemideaal ligt. (b) Zij omgekeerd aa niet nilpotent; produceer met het lemma van Zorn, toegepast op de idealen die S={an:nN}S = \{a^n : n \in \N\} mijden, een priemideaal dat aa niet bevat. Besluit:

Nil(A)=p priemp.\operatorname{Nil}(A) = \bigcap_{\mathfrak p \text{ priem}} \mathfrak p .
Oplossing

Oplossing van Oefening 2.9.

(a) Is xn=0x^n = 0 en ym=0y^m = 0, dan heeft de binomiale ontwikkeling van (x+y)n+m(x+y)^{n+m} uitsluitend termen xiyjx^iy^j met i+j=n+mi + j = n + m, zodat ini \geq n of jmj \geq m: elke term verdwijnt, en x+yx + y is nilpotent; verder is (ax)n=anxn=0(ax)^n = a^nx^n = 0, dus is Nil(A)\operatorname{Nil}(A) een ideaal. Is p\mathfrak p priem en xn=0px^n = 0 \in \mathfrak p, dan geeft inductie naar nn dat xpx \in \mathfrak p (want xxn1px \cdot x^{n-1} \in \mathfrak p).

(b) Zij aNil(A)a \notin \operatorname{Nil}(A) en S={an:n1}S = \{a^n : n \geq 1\}, zodat 0S0 \notin S. De verzameling E\mathcal E van idealen disjunct met SS bevat (0)(0) en is inductief (de vereniging van een keten idealen die SS mijden, is een ideaal dat SS mijdt): Zorn levert een maximale pE\mathfrak p \in \mathcal E. Dat p\mathfrak p echt is, volgt uit apa \notin \mathfrak p (want aSa \in S). Priemheid: zij x,ypx, y \notin \mathfrak p. Wegens de maximaliteit snijden p+(x)\mathfrak p + (x) en p+(y)\mathfrak p + (y) de verzameling SS: amp+(x)a^m \in \mathfrak p + (x) en anp+(y)a^n \in \mathfrak p + (y). Vermenigvuldigen geeft am+np+(xy)a^{m+n} \in \mathfrak p + (xy). Lag xypxy \in \mathfrak p, dan was am+npSa^{m+n} \in \mathfrak p \cap S: absurd. Dus xypxy \notin \mathfrak p — de contrapositie van de priemheid. Elk niet-nilpotent element ontwijkt dus een priemideaal; samen met (a) geeft dat Nil(A)=pp\operatorname{Nil}(A) = \bigcap_{\mathfrak p} \mathfrak p.

Oefening 2.10 ★★★

(a) Zij AA noethers en f ⁣:AAf \colon A \to A een surjectief ringmorfisme. Toon aan dat ff injectief is. (Beschouw kerfkerf2\ker f \subseteq \ker f^2 \subseteq \cdots.) (b) Toon aan dat de ring C([0,1],R)\mathcal C(\intcc01, \R) van continue functies niet noethers is. (Beschouw In={f:f=0 op [0,1/n]}I_n = \{f : f = 0 \text{ op } \intcc0{1/n}\}.) (c) Toon aan dat in een noethers domein elk element 0\neq 0 dat geen eenheid is, een (eindig) product van irreducibele elementen is — zodat de niet-factorialiteit van Z[i5]\Z[\iu\sqrt 5] uitsluitend een falen van de eenduidigheid is.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.10.

(a) De keten kerfkerf2\ker f \subseteq \ker f^2 \subseteq \cdots stabiliseert (Propositie 2.29): voor zekere nn is kerfn=kerfn+1\ker f^n = \ker f^{n+1}. Zij xkerfx \in \ker f. Omdat ff, en dus ook fnf^n, surjectief is, is x=fn(y)x = f^n(y) voor zekere yy; dan is fn+1(y)=f(x)=0f^{n+1}(y) = f(x) = 0, dus ykerfn+1=kerfny \in \ker f^{n+1} = \ker f^n, dat wil zeggen x=fn(y)=0x = f^n(y) = 0.

(b) In={fC([0,1],R):f[0,1/n]=0}I_n = \{f \in \mathcal C(\intcc01, \R) : f\restriction_{ \intcc0{1/n}} = 0\} is een ideaal, en InIn+1I_n \subseteq I_{n+1}. De inclusie is strikt: xmax(0,x1n+1)x \mapsto \max\bigl(0, x - \frac1{n+1}\bigr) verdwijnt op [0,1n+1]\intcc0{\frac1{n+1}} maar niet op [0,1n]\intcc0{\frac1n}. Een oneindige strikt stijgende keten spreekt Propositie 2.29 tegen.

(c) Stel dat de verzameling elementen 0\neq 0 die geen eenheid zijn en geen ontbinding in irreducibele factoren toelaten, niet leeg is. De bijbehorende familie idealen {(a)}\{(a)\} heeft een maximaal element (a)(a) (Propositie 2.29). Het element aa is niet irreducibel (een irreducibel element is zijn eigen ontbinding), dus a=bca = bc met b,cb, c geen eenheden; (a)(b)(a) \subseteq (b) is strikt (want uit (a)=(b)(a) = (b) zou b=adb = ad volgen, dus a=adca = adc en dc=1dc = 1: cc een eenheid), en evenzo (a)(c)(a) \subsetneq (c). Wegens de maximaliteit ontbinden bb en cc beide in irreducibele factoren; die achter elkaar gezet ontbinden aa: tegenspraak. Toegepast op Z[i5]\Z[\iu\sqrt5]noethers als quotiënt van Z[X]\Z[X] (Stelling 2.30, met Z[i5]Z[X]/(X2+5)\Z[\iu\sqrt5] \cong \Z[X]/(X^2+5)) — laat dit zien dat daar ontbindingen bestaan; Oefening 2.3 liet zien dat de eenduidigheid het is die faalt.

Oefening 2.11 ★★★

Zij P=X4+1P = X^4 + 1. (a) Toon aan dat PP irreducibel is over Q\Q (Oefening 2.7). (b) Toon aan dat PP modulo elk priemgetal pp reducibel is: behandel p=2p = 2; toon vervolgens voor oneven pp aan dat 8p218 \mid p^2 - 1 en neem voorlopig zonder bewijs aan (het wordt bewezen in Hoofdstuk 4) dat de multiplicatieve groep van het lichaam met p2p^2 elementen cyclisch is, om te besluiten dat PP modulo pp in twee kwadratische factoren uiteenvalt; maak die expliciet wanneer een van 1-1, 22, 2-2 een kwadraat modulo pp is, en toon aan dat dat er altijd een is.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.11.

(a) Oefening 2.7: verschuiven en Eisenstein bij 22.

(b) Modulo 22: X4+1=(X+1)4X^4 + 1 = (X + 1)^4. Zij nu pp oneven. De kwadraten vormen een deelgroep van index 22 in (Z/pZ)×(\Z/p\Z)^\times: het morfisme xx2x \mapsto x^2 heeft kern {±1}\{\pm 1\} (twee elementen: X21X^2 - 1 heeft hoogstens 22 wortels in een lichaam, en 111 \neq -1 voor oneven pp), dus telt het beeld p12\frac{p-1}2 elementen. Bijgevolg is het product van twee niet-kwadraten een kwadraat (in de quotiëntgroep van orde 22 is xy=xˉyˉ\overline{xy} = \bar x\bar y). Dus is minstens één van 1-1, 22, 2-2 een kwadraat modulo pp (zijn 1-1 en 22 het niet, dan is 2=(1)2-2 = (-1)\cdot 2 het wel). In elk van die gevallen ontbindt X4+1X^4 + 1 modulo pp:

  • 1=c2-1 = c^2: X4+1=X4c2=(X2c)(X2+c)X^4 + 1 = X^4 - c^2 = (X^2 - c)(X^2 + c);
  • 2=c22 = c^2: (X2+cX+1)(X2cX+1)=X4+(2c2)X2+1=X4+1(X^2 + cX + 1)(X^2 - cX + 1) = X^4 + (2 - c^2)X^2 + 1 = X^4 + 1;
  • 2=c2-2 = c^2: (X2+cX1)(X2cX1)=X4(c2+2)X2+1=X4+1(X^2 + cX - 1)(X^2 - cX - 1) = X^4 - (c^2 + 2)X^2 + 1 = X^4 + 1.

Dus is X4+1X^4+1 modulo elk priemgetal reducibel en toch irreducibel over Q\Q: het reductiecriterium (Stelling 2.25(1)) spoort irreducibiliteit op, maar uit het falen ervan volgt niets.

(De structurele reden: p21=(p1)(p+1)p^2 - 1 = (p-1)(p+1) is een product van twee opeenvolgende even getallen, dus 8p218 \mid p^2 - 1; de cyclische groep Fp2×\mathbb F_{p^2}^\times (de cycliciteit wordt in Hoofdstuk 4 bewezen) bevat dan een element ζ\zeta van orde 88, een wortel van X4+1X^4 + 1; de minimaalveelterm daarvan over Fp\mathbb F_p deelt X4+1X^4+1 en heeft graad 2\leq 2X4+1X^4+1 kan dus nooit irreducibel zijn modulo pp.)

Oefening 2.12 ★★

(Idempotenten splitsen ringen) Een element ee van een commutatieve ring AA heet idempotent als e2=ee^2 = e. (a) Toon aan dat met ee ook 1e1 - e idempotent is, en dat de afbeelding x(ex,(1e)x)x \mapsto (ex, (1-e)x) een ringisomorfisme AAe×A(1e)A \cong Ae \times A(1-e) is, waarbij AeAe een ring met eenheid ee is. (b) Bepaal alle idempotenten van een domein, en die van Z/12Z\Z/12\Z; geef het isomorfisme Z/12ZZ/4Z×Z/3Z\Z/12\Z \cong \Z/4\Z \times \Z/3\Z door zijn twee niet-triviale idempotenten te noemen. (c) Toon aan dat de ontbinding van Z/nZ\Z/n\Z volgens de Chinese reststelling (Voorbeeld 2.10) precies overeenkomt met de idempotenten ei1modpiaie_i \equiv 1 \bmod p_i^{a_i} en ei0e_i \equiv 0 modulo de andere priemmachten: ringen vallen uiteen langs hun idempotenten zoals ruimten uiteenvallen langs projecties.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.12.

(a) (1e)2=12e+e2=1e(1-e)^2 = 1 - 2e + e^2 = 1 - e. De afbeelding φ(x)=(ex,(1e)x)\varphi(x) = (ex, (1-e)x) is additief en multiplicatief naar het product van de twee idealen: exey=e2xy=e(xy)exey = e^2xy = e(xy), en AeAe is een commutatieve ring met eenheid ee (eex=exe\cdot ex = ex). Injectief: uit ex=0ex = 0 en (1e)x=0(1-e)x = 0 volgt door optellen x=0x = 0. Surjectief: (ea,(1e)b)(ea, (1-e)b) is het beeld van ea+(1e)bea + (1-e)b (bereken beide componenten met e(1e)=0e(1-e) = 0). En de eenheid gaat goed: φ(1)=(e,1e)\varphi(1) = (e, 1-e), de eenheid van het product.

(b) In een domein dwingt e(e1)=0e(e - 1) = 0 af dat e{0,1}e \in \{0, 1\}: alleen triviale idempotenten. In Z/12Z\Z/12\Z geeft e2ee^2 \equiv e de oplossingen e{0,1,4,9}e \in \{0, 1, 4, 9\}. Het niet-triviale paar {4,9}\{4, 9\}: 4+9=1314 + 9 = 13 \equiv 1, 49=3604\cdot9 = 36 \equiv 0, en Z/12Z4={0,4,8}Z/3Z\Z/12\Z\cdot4 = \{0, 4, 8\} \cong \Z/3\Z (met eenheid 44), Z/12Z9={0,3,6,9}Z/4Z\Z/12\Z\cdot9 = \{0, 3, 6, 9\} \cong \Z/4\Z (met eenheid 99): dat is de splitsing Z/12ZZ/4Z×Z/3Z\Z/12\Z \cong \Z/4\Z\times\Z/3\Z uit de Chinese reststelling, met 9(1,0)9 \leftrightarrow (1, 0) en 4(0,1)4 \leftrightarrow (0, 1).

(c) Onder het isomorfisme Z/nZiZ/piaiZ\Z/n\Z \cong \prod_i \Z/p_i^{a_i}\Z uit de Chinese reststelling komt het element eie_i met de aangegeven congruenties overeen met het tupel met een 11 op plaats ii en 00 elders: de elementaire idempotenten van het product. Omgekeerd bouwt een volledige familie orthogonale idempotenten (eiej=0e_ie_j = 0 voor iji \neq j en ei=1\sum e_i = 1) de productontbinding inductief weer op volgens (a). Idempotenten zijn voor ringen wat orthogonale projecties zijn voor hilbertruimten (Hoofdstuk 13): de coördinaten van een inwendige directe ontbinding.

2.6 Probleem: de tweekwadratenstelling van Fermat

Probleem 2.1

Weekendopgave — sommen van twee kwadraten, via Z[i]\Z[\iu]

Welke gehele getallen zijn sommen van twee kwadraten? Het antwoord van Fermat (1640) is een van de juwelen van de rekenkunde; de gehele getallen van Gauss maken van het bewijs ringtheorie. Overal is N(x+iy)=x2+y2N(x + \iu y) = x^2 + y^2 de norm, is Z[i]\Z[\iu] euclidisch (Oefening 2.4) en dus een hoofdideaaldomein en een UFD, en betekent Gauss-priemgetal een priemelement (= irreducibel element) van Z[i]\Z[\iu].

Deel I — Normen en Gauss-priemgetallen.

  1. Ga na dat N(zw)=N(z)N(w)N(zw) = N(z)N(w), leid opnieuw af dat Z[i]×={±1,±i}\Z[\iu]^\times = \{\pm1, \pm\iu\}, en bewijs de identiteit van Brahmagupta: een product van twee sommen van twee kwadraten is zelf een som van twee kwadraten.
  2. Toon aan dat zz een Gauss-priemgetal is zodra N(z)N(z) een priemgetal is.
  3. Toon aan dat elk Gauss-priemgetal π\pi precies één priemgetal pp deelt (beschouw N(π)=ππˉN(\pi) = \pi\bar\pi), en dat dan N(π){p,p2}N(\pi) \in \{p, p^2\}.
  4. Leid de tweedeling af: voor elk priemgetal pp blijft ofwel pp priem in Z[i]\Z[\iu] (en bestaat er geen Gauss-priemgetal van norm pp), ofwel is p=ππˉp = \pi\bar\pi met π\pi een Gauss-priemgetal van norm pp — en dan is p=a2+b2p = a^2 + b^2.

Deel II — De stelling van Wilson en 1-1 modulo pp.

  1. Bewijs de stelling van Wilson: voor pp priem is (p1)!1(modp)(p-1)! \equiv -1 \pmod p. (Paar elke rest met haar inverse; welke zijn met zichzelf gepaard?)
  2. Zij pp een oneven priemgetal en m=p12m = \frac{p-1}2. Toon aan dat (m!)2(1)m+1(modp)(m!)^2 \equiv (-1)^{m+1} \pmod p (vervang in (p1)!(p-1)! elke factor k>mk > m door (pk)-(p - k)).
  3. Besluit: 1-1 is een kwadraat modulo pp dan en slechts dan als p=2p = 2 of p1(mod4)p \equiv 1 \pmod 4. (Voor “slechts dan”: is x21x^2 \equiv -1, wat is dan de orde van xx in (Z/pZ)×(\Z/p\Z)^\times, en wat zegt Lagrange?)

Deel III — De splitsingswet.

  1. Zij p1(mod4)p \equiv 1 \pmod 4 en xx zodanig dat px2+1=(x+i)(xi)p \mid x^2 + 1 = (x + \iu)(x - \iu). Toon aan dat pp geen Gauss-priemgetal is, en besluit met Deel I: p=a2+b2p = a^2 + b^2.
  2. Zij p3(mod4)p \equiv 3 \pmod 4. Toon rechtstreeks aan dat pp geen som van twee kwadraten is (kwadraten modulo 44), en leid af dat pp een Gauss-priemgetal blijft.
  3. Handel p=2p = 2 af: geef de ontbinding 2=i(1+i)22 = -\iu(1+\iu)^2 en ga na dat 1+i1 + \iu een Gauss-priemgetal is. (22 is het enige vertakte priemgetal: het is op een eenheid na deelbaar door het kwadraat van een Gauss-priemgetal.)
  4. Stel de classificatie van de Gauss-priemgetallen samen, op eenheden na: 1+i1 + \iu; de gehele getallen p3(mod4)p \equiv 3 \pmod 4; en de toegevoegde paren π,πˉ\pi, \bar\pi van norm p1(mod4)p \equiv 1 \pmod 4. Controleer haar op 5=(2+i)(2i)5 = (2+\iu)(2-\iu) en op 33.

Deel IV — De tweekwadratenstelling.

  1. Bewijs de rechtstreekse helft: verschijnt in de ontbinding n=piαin = \prod p_i^{\alpha_i} elk priemgetal 3(mod4)\equiv 3 \pmod 4 met een even exponent, dan is nn een som van twee kwadraten. (Brahmagupta samen met de Delen II–III.)
  2. Bewijs de omkering: is n=a2+b2=N(a+ib)n = a^2 + b^2 = N(a + \iu b) en deelt q3(mod4)q \equiv 3 \pmod 4 het getal nn, toon dan aan dat qq, een Gauss-priemgetal, a+iba + \iu b of aiba - \iu b deelt, dat het in feite zowel aa als bb deelt, en besluit met inductie naar nn dat de exponent van qq in nn even is.
  3. Formuleer de uiteindelijke stelling. Welke van 20252025, 20262026, 20272027 zijn sommen van twee kwadraten? (2025=81252025 = 81 \cdot 25; 2026=210132026 = 2 \cdot 1013 met 10131013 priem; 20272027 priem.)
  4. (Slotwoord) Toon aan dat een priemgetal p1(mod4)p \equiv 1 \pmod 4 in wezen op één manier een som van twee kwadraten is: is p=a2+b2=c2+d2p = a^2 + b^2 = c^2 + d^2 met positieve gehele getallen, dan is {a,b}={c,d}\{a, b\} = \{c, d\}. (De eenduidigheid van de ontbinding in Z[i]\Z[\iu].)

Deel V — Representaties tellen: de formule van Jacobi en de reeks van Leibniz. Schrijf r2(n)=#{(a,b)Z2:a2+b2=n}r_2(n) = \#\{(a, b) \in \Z^2 : a^2 + b^2 = n\} (geordende paren, tekens en nullen meegerekend), en zij χ\chi het niet-triviale karakter modulo 44: χ(d)=+1\chi(d) = +1 als d1d \equiv 1, 1-1 als d3(mod4)d \equiv 3 \pmod4, en 00 als dd even is.

  1. (Opwarmer, ter contrast) Welke gehele getallen zijn verschillen van twee kwadraten? Toon aan: n=a2b2n = a^2 - b^2 met a,bZa, b \in \Z dan en slechts dan als n≢2(mod4)n \not\equiv 2 \pmod 4 — geen ringtheorie nodig, en geen structuur die te vergelijken is met wat volgt.
  2. Toon aan dat r2(n)r_2(n) het aantal zZ[i]z \in \Z[\iu] met N(z)=nN(z) = n is. Schrijf n=2ajpjbjkqkckn = 2^{a}\prod_jp_j^{b_j} \prod_kq_k^{c_k} met pj1p_j \equiv 1 en qk3(mod4)q_k \equiv 3 \pmod4, en toon met de classificatie van vraag 11 en de eenduidige ontbinding aan dat zulke zz bestaan dan en slechts dan als alle ckc_k even zijn, en dat dan

    r2(n)=4j(bj+1).r_2(n) = 4\prod_j\,(b_j + 1) .

    (Tel: z=u(1+i)ajπjsjπˉjbjsjkqkck/2z = u\,(1+\iu)^{a}\prod_j\pi_j^{s_j} \bar\pi_j^{\,b_j - s_j}\prod_kq_k^{c_k/2} met uu een eenheid en 0sjbj0 \leq s_j \leq b_j; waarom is die lijst volledig en zonder herhaling?)

  3. Toon aan dat dχ(d)d \mapsto \chi(d) volledig multiplicatief is, leid af dat ndnχ(d)n \mapsto \sum_{d \mid n}\chi(d) multiplicatief is, en bereken die functie op priemmachten: ze is 11 op 2a2^a; b+1b + 1 op pbp^b (p1p \equiv 1); en 11 of 00 op qcq^c (q3q \equiv 3), naargelang cc even of oneven is.
  4. Besluit de stelling van Jacobi:

    r2(n)=4dnχ(d)=4(d1(n)d3(n)),r_2(n) = 4\sum_{d \mid n}\chi(d) = 4\bigl(d_1(n) - d_3(n)\bigr),

    waarbij di(n)d_i(n) de delers i(mod4)\equiv i \pmod 4 telt. Controleer dit voor n=3,5,9,25n = 3, 5, 9, 25, en geef de 1616 representaties van 6565.

  5. (De cirkel) Toon aan dat nxr2(n)\sum_{n \leq x}r_2(n) het aantal roosterpunten van Z2\Z^2 in de gesloten schijf met straal x\sqrt x is, en bewijs

    nxr2(n)=πx+O(x)\sum_{n\leq x}r_2(n) = \pi x + O(\sqrt x)

    (elk roosterpunt bezit een eenheidsvierkant; vergelijk oppervlakten, waarbij de fout in een ring van breedte O(1)O(1) leeft).

  6. (Leibniz, rekenkundig gelezen) Combineer de vragen 19–20:

    dxχ(d)xd=πx4+O(x),\sum_{d \leq x}\chi(d)\Bigl\lfloor\frac xd\Bigr\rfloor = \frac{\pi x}4 + O(\sqrt x),

    en leid daaruit — door de gehele delen zorgvuldig weg te werken — de reeks van Leibniz af:

    113+1517+=π4.1 - \frac13 + \frac15 - \frac17 + \dots = \frac\pi4 .

    De alternerende reeks van de omgekeerden van de oneven getallen is het gemiddelde overschot van de delers 1\equiv 1 op de delers 3\equiv 3: analyse berekend door rekenkunde.

  7. (Hoe zeldzaam zijn sommen van twee kwadraten?) Toon aan dat geen enkel geheel getal 3(mod4)\equiv 3 \pmod 4 een som van twee kwadraten is (op twee manieren: kwadraten modulo 44, of het pariteitscriterium van vraag 17), zodat minstens een kwart van alle gehele getallen buiten de boot valt; en toon aan dat het gemiddelde 1xnxr2(n)π\frac1x\sum_{n\leq x}r_2(n) \to \pi uit vraag 20 verenigbaar is met dichtheid 00 voor de representeerbare getallen — geef gehele getallen met abnormaal veel representaties (neem producten van veel priemgetallen 1mod4\equiv 1 \bmod 4) om uit te leggen hoe een verdwijnend aandeel toch een positief gemiddelde kan dragen. (Landau bewees dat de werkelijke dichtheid als 1/logx1/\sqrt{\log x} afneemt; dat gaat ons gereedschap te boven, maar het mechanisme is nu zichtbaar.)

Deel VI — Aanvullingen: primitieve representaties en Pythagoras.

  1. Noem een representatie n=a2+b2n = a^2 + b^2 primitief als gcd(a,b)=1\gcd(a, b) = 1. Toon aan dat n1n \geq 1 een primitieve representatie toelaat dan en slechts dan als 4n4 \nmid n en geen priemgetal q3(mod4)q \equiv 3 \pmod 4 het getal nn deelt. (Voor de noodzakelijkheid: hergebruik de afdaling van vraag 13 en de kwadraten modulo 44; voor de toereikendheid: bouw zz uitsluitend uit 1+i1 + \iu en de πj\pi_j — geen toegevoegden — en leg uit waarom een gemeenschappelijke priemfactor van aa en bb zowel πj\pi_j als πˉj\bar\pi_j, of (1+i)2(1+\iu)^2, in zz zou afdwingen.)
  2. (Pythagoreïsche drietallen) Zij a2+b2=c2a^2 + b^2 = c^2 met a,b,ca, b, c positief, gcd(a,b)=1\gcd(a, b) = 1 en bb even. Toon aan dat a+iba + \iu b en aiba - \iu b onderling ondeelbaar zijn in Z[i]\Z[\iu] (een gemeenschappelijke priemdeler in Z[i]\Z[\iu] zou 2a2a en 2b2b delen, en cc is oneven), leid uit de eenduidige ontbinding af dat a+ib=u(m+in)2a + \iu b = u(m + \iu n)^2 voor een eenheid uu, en besluit met de klassieke parametrisatie: op verwisseling van aa en bb na is

    a=m2n2,b=2mn,c=m2+n2,a = m^2 - n^2, \qquad b = 2mn, \qquad c = m^2 + n^2,

    met m>n1m > n \geq 1 onderling ondeelbaar en van tegengestelde pariteit. Vind (3,4,5)(3, 4, 5) en (21,20,29)(21, 20, 29) terug uit (m,n)=(2,1)(m, n) = (2, 1) en (5,2)(5, 2).

  3. (Numerieke controle) Neem x=25x = 25. Bereken r2(n)r_2(n) voor 1n251 \leq n \leq 25 met de formule van Jacobi, ga na dat de waarden 0\neq 0 precies optreden bij n=1,2,4,5,8,9,10,13,16,17,18,20,25n = 1, 2, 4, 5, 8, 9, 10, 13, 16, 17, 18, 20, 25, en dat

    n25r2(n)=80=4d25χ(d)25d.\sum_{n \leq 25} r_2(n) = 80 = 4\sum_{d \leq 25}\chi(d) \Bigl\lfloor\frac{25}d\Bigr\rfloor .

    Controleer dat de gesloten schijf met straal 55 precies 8181 roosterpunten bevat, en vergelijk met πx78.5\pi x \approx 78.5: de fout blijft ruim binnen de O(x)O(\sqrt x) van vraag 20.

Oplossing

Oplossing van Probleem 2.1.

1. Er geldt N(z)=zzˉN(z) = z\bar z, dus N(zw)=zwzw=zzˉwwˉ=N(z)N(w)N(zw) = zw\overline{zw} = z\bar z\, w \bar w = N(z)N(w). Uit uv=1uv = 1 volgt N(u)N(v)=1N(u)N(v) = 1 in N\N, dus N(u)=1N(u) = 1, dat wil zeggen u{±1,±i}u \in \{\pm 1, \pm \iu\}; alle vier zijn eenheden. Brahmagupta: (a2+b2)(c2+d2)=N((a+ib)(c+id))=(acbd)2+(ad+bc)2(a^2+b^2)(c^2+d^2) = N\bigl((a + \iu b)(c + \iu d)\bigr) = (ac - bd)^2 + (ad + bc)^2.

2. Is z=abz = ab, dan is N(z)=N(a)N(b)N(z) = N(a)N(b) priem, dus N(a)=1N(a) = 1 of N(b)=1N(b) = 1: één factor is een eenheid. Omdat N(z)>1N(z) > 1, is zz niet nul en geen eenheid: irreducibel — en priem, want Z[i]\Z[\iu] is een UFD (Stelling 2.14, Stelling 2.18 en Lemma 2.17).

3. π\pi deelt N(π)=ππˉ2N(\pi) = \pi\bar\pi \geq 2, een geheel getal; ontbinden we N(π)N(\pi) in priemgetallen en gebruiken we dat π\pi priem is, dan is πp\pi \mid p voor zeker priemgetal pp. Was ook πqp\pi \mid q \neq p, dan geeft Bézout in Z\Z dat 1=up+vq1 = up + vq, dus π1\pi \mid 1 — absurd: pp is uniek. Uit p=πγp = \pi\gamma volgt p2=N(p)=N(π)N(γ)p^2 = N(p) = N(\pi)N(\gamma) met N(π)1N(\pi) \neq 1, dus N(π){p,p2}N(\pi) \in \{p, p^2\}.

4. Zij π\pi een Gauss-priemgetal dat pp deelt, met p=πγp = \pi\gamma. Is N(π)=p2N(\pi) = p^2, dan is N(γ)=1N(\gamma) = 1, dus is pp geassocieerd met π\pi en zelf een Gauss-priemgetal; en dan heeft geen enkel Gauss-priemgetal norm pp (want uit N(ρ)=pN(\rho) = p volgt ρρρˉ=p\rho \mid \rho\bar\rho = p, en als pp priem is in Z[i]\Z[\iu] moet ρ\rho met pp geassocieerd zijn, wat N(ρ)=N(p)=p2pN(\rho) = N(p) = p^2 \neq p geeft). Is N(π)=pN(\pi) = p, schrijf dan π=a+ib\pi = a + \iu b: p=ππˉ=a2+b2p = \pi\bar\pi = a^2 + b^2.

5. Paar in de abelse groep (Z/pZ)×(\Z/p\Z)^\times elk element met zijn inverse. De elementen die hun eigen inverse zijn, zijn de wortels van X21X^2 - 1: precies ±1\pm 1 (hoogstens twee wortels in een lichaam). Het product van alle elementen is dan 1(1)(paren kk1)=11 \cdot (-1) \cdot \prod (\text{paren } k k^{-1}) = -1: dus (p1)!1(modp)(p-1)! \equiv -1 \pmod p. (Voor p=2p = 2: 1!11! \equiv -1.)

6. Schrijf (p1)!=k=1mkk=m+1p1k(p-1)! = \prod_{k=1}^m k \cdot \prod_{k=m+1}^{p-1}k met m=p12m = \frac{p-1}2. Substitueer in het tweede product k=pjk = p - j met j=1,,mj = 1, \dots, m: modulo pp is j=1m(pj)(1)mm!\prod_{j=1}^m (p - j) \equiv (-1)^m m!. Bijgevolg is 1(1)m(m!)2-1 \equiv (-1)^m (m!)^2, dat wil zeggen (m!)2(1)m+1(modp)(m!)^2 \equiv (-1)^{m+1} \pmod p.

7. Is p1(mod4)p \equiv 1 \pmod 4, dan is mm even en geeft vraag 6 dat (m!)21(m!)^2 \equiv -1: een vierkantswortel van 1-1. Omgekeerd, is x21(modp)x^2 \equiv -1 \pmod p met pp oneven, dan is x4=1x2x^4 = 1 \neq x^2: xx heeft orde 44 in (Z/pZ)×(\Z/p\Z)^\times, dus 4p14 \mid p - 1 (Lagrange). En voor p=2p = 2: 12=111^2 = 1 \equiv -1. Besluit: 1-1 is een kwadraat modulo pp dan en slechts dan als p=2p = 2 of p1(mod4)p \equiv 1 \pmod 4.

8. Met x21x^2 \equiv -1 is px2+1=(x+i)(xi)p \mid x^2 + 1 = (x + \iu)(x - \iu). Was pp een Gauss-priemgetal, dan deelde het een van beide factoren; maar xp±ipZ[i]\frac xp \pm \frac \iu p \notin \Z[\iu]. Dus is pp geen Gauss-priemgetal; volgens de tweedeling (vraag 4) — pp niet priem betekent de tweede tak — is p=a2+b2p = a^2 + b^2.

9. Kwadraten zijn 0\equiv 0 of 1(mod4)1 \pmod 4, dus a2+b2{0,1,2}(mod4)a^2 + b^2 \in \{0, 1, 2\} \pmod 4: een priemgetal p3(mod4)p \equiv 3 \pmod 4 is geen som van twee kwadraten. Volgens vraag 4 is de tak N(π)=pN(\pi) = p (met p=a2+b2p = a^2+b^2) dus onmogelijk: pp blijft een Gauss-priemgetal.

10. Er geldt (1+i)2=2i(1 + \iu)^2 = 2\iu, dus 2=i(1+i)22 = -\iu(1 + \iu)^2; en N(1+i)=2N(1 + \iu) = 2 is priem, dus is 1+i1 + \iu een Gauss-priemgetal (vraag 2).

11. Elk Gauss-priemgetal deelt precies één priemgetal pp (vraag 3); we lopen de gevallen af: p=2p = 2 geeft de geassocieerden van 1+i1 + \iu; p3(mod4)p \equiv 3 \pmod 4 geeft pp zelf (vraag 9); en p1(mod4)p \equiv 1 \pmod 4 geeft het paar π,πˉ\pi, \bar\pi van norm pp (vragen 4 en 8). Het paar is echt: uit πˉ{±π,±iπ}\bar\pi \in \{\pm\pi, \pm\iu\pi\} zou, met π=a+ib\pi = a + \iu b, volgen dat b=0b = 0, a=0a = 0 of a=±ba = \pm b, wat p=a2+b2{a2,2a2}p = a^2 + b^2 \in \{a^2, 2a^2\} geeft — onmogelijk voor een oneven priemgetal. Controle: 5=(2+i)(2i)5 = (2 + \iu)(2 - \iu) met N(2±i)=5N(2\pm\iu) = 5; en 33: priem van norm 99.

12. Schrijf n=2αipiβijqj2γjn = 2^{\alpha}\prod_i p_i^{\beta_i} \prod_j q_j^{2\gamma_j} met pi1p_i \equiv 1 en qj3(mod4)q_j \equiv 3 \pmod 4. Elke factor is een som van twee kwadraten: 2=12+122 = 1^2 + 1^2; pi=a2+b2p_i = a^2 + b^2 (vraag 8); en qj2γj=(qjγj)2+02q_j^{2\gamma_j} = (q_j^{\gamma_j})^2 + 0^2. De identiteit van Brahmagupta (vraag 1) draagt de eigenschap over op het product nn.

13. Zij n=a2+b2=N(a+ib)n = a^2 + b^2 = N(a + \iu b) en q3(mod4)q \equiv 3 \pmod 4 met qnq \mid n. Het Gauss-priemgetal qq (vraag 9) deelt (a+ib)(aib)(a + \iu b)(a - \iu b), dus een van beide factoren — zeg qa+ibq \mid a + \iu b (het andere geval verloopt identiek). Maar dan leest a+ibq=aq+ibqZ[i]\frac{a + \iu b}{q} = \frac aq + \iu \frac bq \in \Z[\iu] af dat qaq \mid a en qbq \mid b in Z\Z. Bijgevolg is q2nq^2 \mid n en nq2=(aq)2+(bq)2\frac n{q^2} = \bigl(\frac aq\bigr)^2 + \bigl(\frac bq\bigr)^2. Met sterke inductie naar nn is de exponent van qq in n/q2n/q^2 even; die in nn dus ook.

14. Stelling (Fermat). Een positief geheel getal is een som van twee kwadraten dan en slechts dan als elk priemgetal 3(mod4)\equiv 3 \pmod 4 er met een even exponent in voorkomt. — 2025=34522025 = 3^4 \cdot 5^2: de exponent van 33 is even, dus ja (2025=452+02=272+3622025 = 45^2 + 0^2 = 27^2 + 36^2). 2026=210132026 = 2 \cdot 1013 met 10131(mod4)1013 \equiv 1 \pmod 4 priem: ja (1013=222+2321013 = 22^2 + 23^2, en met Brahmagupta en 2=12+122 = 1^2+1^2: 2026=(2223)2+(22+23)2=12+4522026 = (22 - 23)^2 + (22 + 23)^2 = 1^2 + 45^2). 20272027 is priem en 3(mod4)\equiv 3 \pmod 4: nee.

15. Zij p=a2+b2=c2+d2p = a^2 + b^2 = c^2 + d^2 met positieve gehele getallen, p1(mod4)p \equiv 1 \pmod 4, en π\pi een Gauss-priemgetal met p=ππˉp = \pi\bar\pi (vraag 4). Zowel a+iba + \iu b als c+idc + \iu d heeft norm pp en is dus een Gauss-priemgetal (vraag 2) dat p=(a+ib)(aib)p = (a+\iu b)(a - \iu b) deelt; wegens de eenduidigheid van de ontbinding is c+idc + \iu d geassocieerd met a+iba + \iu b of met aiba - \iu b:

c+id{±(a±ib), ±i(a±ib)}={±a±ib, ±b±ia}.c + \iu d \in \{\pm(a \pm \iu b),\ \pm\iu(a \pm \iu b)\} = \{\pm a \pm \iu b,\ \pm b \pm \iu a\}.

Omdat cc en dd positief zijn, blijft c+id{a+ib,b+ia}c + \iu d \in \{a + \iu b, b + \iu a\} over: {c,d}={a,b}\{c, d\} = \{a, b\}.

16. Is n=a2b2=(ab)(a+b)n = a^2 - b^2 = (a-b)(a+b), dan hebben beide factoren dezelfde pariteit, zodat nn oneven is (beide oneven) of deelbaar door 44 (beide even) — nooit 2(mod4)\equiv 2 \pmod 4. Omgekeerd: voor oneven nn is n=(n+12)2(n12)2n = \bigl(\frac{n+1}2\bigr)^2 - \bigl(\frac{n-1}2\bigr)^2; en voor n=4mn = 4m is n=(m+1)2(m1)2n = (m+1)^2 - (m-1)^2. Het antwoord is een kale congruentievoorwaarde met een identiteit van één regel erachter: verschillen van kwadraten dragen geen rekenkundige diepte, en het contrast met de sommen is juist de inzet van dit probleem.

17. (a,b)z=a+ib(a, b) \mapsto z = a + \iu b is een bijectie tussen de representaties en {z:N(z)=n}\{z : N(z) = n\}. Ontbind zz in het UFD Z[i]\Z[\iu] met de classificatie (vraag 11): op een eenheid na is z=(1+i)ajπjsjπˉjtjkqkukz = (1+\iu)^{a'}\prod_j\pi_j^{s_j}\bar\pi_j^{t_j} \prod_kq_k^{u_k}, en normen nemen (N(1+i)=2N(1+\iu) = 2, N(πj)=N(πˉj)=pjN(\pi_j) = N(\bar\pi_j) = p_j, N(qk)=qk2N(q_k) = q_k^2) geeft

n=2ajpjsj+tjkqk2uk.n = 2^{a'}\prod_jp_j^{s_j + t_j}\prod_kq_k^{2u_k} .

Vergelijken van de exponenten: a=aa' = a, sj+tj=bjs_j + t_j = b_j en 2uk=ck2u_k = c_koplosbaar dan en slechts dan als elke ckc_k even is, en dan ligt uk=ck/2u_k = c_k/2 vast terwijl sj[ ⁣[0,bj] ⁣]s_j \in \intint0{b_j} vrij is. Verschillende gegevens (u,(sj))(u, (s_j)) geven niet-geassocieerde zz’s met dezelfde norm; de eenheid u{±1,±i}u \in \{\pm1, \pm\iu\} (4 keuzen) somt elke associatieklasse vervolgens zonder herhaling op (twee gelijke producten zouden de eenduidigheid van de ontbinding schenden — πj\pi_j en πˉj\bar\pi_j zijn niet geassocieerd, want pj=πjπˉjp_j = \pi_j\bar\pi_j is niet vertakt). Totaal: r2(n)=4j(bj+1)r_2(n) = 4\prod_j(b_j + 1), en 00 zodra een ckc_k oneven is.

18. χ(dd)=χ(d)χ(d)\chi(dd') = \chi(d)\chi(d') gaat men modulo 44 na (oneven maal oneven dekt de vier tekengevallen; iets even geeft 0=00 = 0). Voor onderling ondeelbare m,nm, n schrijft elke deler van mnmn zich op precies één manier als d=d1d2d = d_1d_2 met d1md_1 \mid m en d2nd_2 \mid n: dmnχ(d)=(d1mχ(d1))(d2nχ(d2))\sum_{d \mid mn}\chi(d) = \bigl(\sum_{d_1\mid m}\chi(d_1)\bigr)\bigl(\sum_{d_2\mid n}\chi(d_2)\bigr), dus multiplicatief. Priemmachten: op 2a2^a is alleen d=1d = 1 oneven, dus is de som 11. Op pbp^b met p1p \equiv 1 is elke χ(pi)=1\chi(p^i) = 1, dus is de som b+1b + 1. Op qcq^c met q3q \equiv 3 is χ(qi)=(1)i\chi(q^i) = (-1)^i, dus is de alternerende som 11 (cc even) of 00 (cc oneven).

19. De twee multiplicatieve functies 14r2\frac14r_2 (vraag 17) en dnχ(d)\sum_{d\mid n}\chi(d) (vraag 18) vallen samen op alle priemmachten — 11 op 2a2^a; b+1b + 1 op pbp^b; 1c even\mathbf 1_{c\ \mathrm{even}} op qcq^c — en dus overal: dat is de formule van Jacobi, waarbij dnχ(d)=d1(n)d3(n)\sum_{d\mid n}\chi(d) = d_1(n) - d_3(n) door de delers te sorteren. Controles: r2(3)=0=4(11)r_2(3) = 0 = 4(1 - 1); r2(5)=8=4(20)r_2(5) = 8 = 4(2 - 0) (de paren (±1,±2),(±2,±1)(\pm1,\pm2), (\pm2,\pm1)); r2(9)=4=4(21)r_2(9) = 4 = 4(2 - 1) (delers 1,911, 9 \equiv 1 en 333 \equiv 3; representaties (±3,0),(0,±3)(\pm3, 0), (0, \pm3)); r2(25)=12=4(30)r_2(25) = 12 = 4(3 - 0). Voor 65=51365 = 5\cdot13: r2=422=16r_2 = 4\cdot2\cdot2 = 16, uit 65=1+64=16+4965 = 1 + 64 = 16 + 49: de zestien paren (±1,±8),(±8,±1),(±4,±7),(±7,±4)(\pm1, \pm8), (\pm8, \pm1), (\pm4, \pm7), (\pm7, \pm4).

20. nxr2(n)\sum_{n \leq x}r_2(n) telt de paren (a,b)(a, b) met 0<a2+b2x0 < a^2 + b^2 \leq x, dat wil zeggen de roosterpunten van de gesloten schijf DxD_{\sqrt x} zonder de oorsprong. Ken aan elk roosterpunt PP het eenheidsvierkant P+[0,1)2P + \intco01^2 toe: die vierkanten betegelen het vlak. Elk vierkant dat bij een punt van DxD_{\sqrt x} hoort, ligt in Dx+2D_{\sqrt x + \sqrt2}, en elk vierkant dat Dx2D_{\sqrt x - \sqrt 2} snijdt, hoort bij een punt van DxD_{\sqrt x} (het vierkant heeft diameter 2\sqrt 2): oppervlakten vergelijken geeft

π(x2)2#{roosterpunten in Dx}π(x+2)2,\pi(\sqrt x - \sqrt2)^2 \leq \#\{\text{roosterpunten in } D_{\sqrt x}\} \leq \pi(\sqrt x + \sqrt 2)^2,

en beide grenzen zijn πx+O(x)\pi x + O(\sqrt x). De oorsprong aftrekken verandert op deze precisie niets.

21. Met Jacobi (vraag 19) en verwisseling van de sommatievolgorde (n=dmn = dm):

14nxr2(n)=nxdnχ(d)=dxχ(d)#{m:dmx}=dxχ(d)xd,\frac14\sum_{n\leq x}r_2(n) = \sum_{n \leq x}\sum_{d \mid n}\chi(d) = \sum_{d \leq x}\chi(d)\,\#\{m : dm \leq x\} = \sum_{d\leq x}\chi(d)\Bigl\lfloor\frac xd\Bigr\rfloor,

en dat is πx4+O(x)\frac{\pi x}4 + O(\sqrt x) volgens vraag 20. Nu de gehele delen weg: x/d=x/d+O(1)\lfloor x/d\rfloor = x/d + O(1), maar O(1)O(1) sommeren over dxd \leq x is te grof. Gebruik in plaats daarvan dat de partiële sommen van χ\chi begrensd zijn (cyclisch 0,1,1,00, 1, 1, 0), zodat dxχ(d){x/d}\sum_{d\leq x}\chi(d)\{x/d\} na Abel-sommatie, waarbij we de termen paren volgens d1,3d \equiv 1, 3, gelijk is aan O(x)O(\sqrt x) — of, eenvoudiger, splits bij x\sqrt x. Voor dxd \leq \sqrt x vervangen we x/d\lfloor x/d\rfloor door x/d+O(1)x/d + O(1): fout O(x)O(\sqrt x). Voor d>xd > \sqrt x neemt x/d\lfloor x/d\rfloor elke waarde v<xv < \sqrt x aan op een interval van opeenvolgende dd’s, waarop de χ\chi-som O(1)O(1) is: door over de x\leq \sqrt x waarden van vv te sommeren wordt de totale fout O(x)O(\sqrt x), terwijl d>xχ(d)xd=O(x)\sum_{d > \sqrt x}\chi(d)\frac xd = O(\sqrt x) volgt uit de staarten van een alternerende reeks (xd>xχ(d)/d=xO(1/x)x\sum_{d>\sqrt x}\chi(d)/d = x\,O(1/\sqrt x)). Bijgevolg is

xdxχ(d)d=πx4+O(x),ofteweldxχ(d)d=π4+O(1x),x\sum_{d \leq x}\frac{\chi(d)}d = \frac{\pi x}4 + O(\sqrt x), \qquad\text{oftewel}\qquad \sum_{d\leq x}\frac{\chi(d)}d = \frac\pi4 + O\Bigl(\frac1{\sqrt x}\Bigr),

en xx \to \infty geeft 113+15=π41 - \frac13 + \frac15 - \dots = \frac\pi4.

22. Was n3(mod4)n \equiv 3 \pmod4 gelijk aan a2+b2a^2 + b^2, dan zou dat botsen met het feit dat kwadraten 0,1(mod4)\equiv 0, 1 \pmod 4 zijn en dus a2+b2{0,1,2}a^2 + b^2 \in \{0, 1, 2\} modulo 44 — onmogelijk. (Het criterium van vraag 17 zegt hetzelfde: n3(mod4)n \equiv 3 \pmod 4 dwingt een priemgetal 3\equiv 3 met oneven exponent af.) Representeerbare gehele getallen mijden dus een volledige restklasse: dichtheid 34\leq \frac34. Het gemiddelde π\pi van r2r_2 concentreert zich op weinig getallen: n=jkpjn = \prod_{j\leq k}p_j (verschillende priemgetallen 1mod4\equiv 1 \bmod 4) heeft r2(n)=42kr_2(n) = 4\cdot2^k representaties — onbegrensd veel — zodat een dunne verzameling nn’s het hele gemiddelde kan dragen, precies zoals de gemiddelde uitbetaling van een loterij samengaat met bijna-zeker verlies. Landau’s resultaat #{nx representeerbaar}Cx/logx\#\{n \leq x \text{ representeerbaar}\} \sim Cx/\sqrt{\log x} bevestigt het: dichtheid 00, gemiddelde π\pi.

23. Noodzakelijkheid. Zij n=a2+b2n = a^2 + b^2 met gcd(a,b)=1\gcd(a, b) = 1. Deelde een priemgetal q3(mod4)q \equiv 3 \pmod 4 het getal nn, dan geeft vraag 13 dat qaq \mid a en qbq \mid b: tegenspraak. Was 4n4 \mid n, dan dwingt a2+b20(mod4)a^2 + b^2 \equiv 0 \pmod 4, met kwadraten 0,1(mod4)\equiv 0, 1 \pmod 4, af dat a2b20a^2 \equiv b^2 \equiv 0, dus dat aa en bb beide even zijn: tegenspraak. Toereikendheid. Schrijf n=2αjpjbjn = 2^{\alpha}\prod_jp_j^{b_j} met α1\alpha \leq 1 en pj1(mod4)p_j \equiv 1 \pmod 4, en stel z=(1+i)αjπjbj=a+ibz = (1+\iu)^{\alpha}\prod_j \pi_j^{b_j} = a + \iu b, van norm nn. Stel dat een priemgetal tt de gcd(a,b)\gcd(a, b) deelt; dan is tzt \mid z in Z[i]\Z[\iu]. Is t3(mod4)t \equiv 3 \pmod 4, dan is tN(z)=nt \mid N(z) = n: uitgesloten. Is t1(mod4)t \equiv 1 \pmod 4, dan is t=πtπˉtt = \pi_t\bar\pi_t, dus πˉtz\bar\pi_t \mid z; maar in de ontbinding van zz komt geen enkel toegevoegd priemelement voor (πj\pi_j en πˉj\bar\pi_j zijn niet geassocieerd, vraag 17), in strijd met de eenduidige ontbinding. Is t=2=i(1+i)2t = 2 = -\iu(1+\iu)^2, dan is (1+i)2z(1+\iu)^2 \mid z, wat α2\alpha \geq 2 afdwingt: uitgesloten. Bijgevolg is gcd(a,b)=1\gcd(a, b) = 1: de representatie is primitief.

24. aa is oneven (gcd(a,b)=1\gcd(a, b) = 1 en bb even), dus is c2=a2+b2c^2 = a^2 + b^2 oneven en cc oneven. Zij δ\delta een gemeenschappelijke priemdeler van a+iba + \iu b en aiba - \iu b in Z[i]\Z[\iu]: hij deelt hun som 2a2a en hun verschil 2ib2\iu b, dus 2a2a en 2b2b; een Bézout-betrekking ua+vb=1ua + vb = 1 geeft dan δ2\delta \mid 2, zodat δ\delta geassocieerd is met 1+i1 + \iu en N(δ)=2N(\delta) = 2 de oneven N(a+ib)=c2N(a + \iu b) = c^2 deelt: tegenspraak. Dus zijn a+iba + \iu b en aiba - \iu b onderling ondeelbaar met product c2c^2; in het UFD Z[i]\Z[\iu] komt elk Gauss-priemgetal van c2c^2 met een even exponent voor en gaat het volledig naar een van de twee onderling ondeelbare factoren, waaruit a+ib=u(m+in)2=u(m2n2+2imn)a + \iu b = u(m + \iu n)^2 = u\bigl(m^2 - n^2 + 2\iu mn\bigr) met uu een eenheid. De keuzen u=±iu = \pm\iu maken het reële deel 2mn\mp 2mn even — onmogelijk, want aa is oneven. De keuzen u=±1u = \pm1 geven, na aanpassing van de tekens van mm en nn en eventueel verwisseling van hun namen om alles positief te maken, a=m2n2a = m^2 - n^2 en b=2mnb = 2mn met m>n1m > n \geq 1; en c2=N(m+in)2c^2 = N(m + \iu n)^2 geeft c=m2+n2c = m^2 + n^2. Een gemeenschappelijke deler van mm en nn zou aa en bb delen: dus gcd(m,n)=1\gcd(m, n) = 1; en mn(mod2)m \equiv n \pmod 2 zou aa even maken: dus tegengestelde pariteit. Controles: (m,n)=(2,1)(m, n) = (2, 1) geeft (3,4,5)(3, 4, 5); (m,n)=(5,2)(m, n) = (5, 2) geeft (254,20,25+4)=(21,20,29)(25 - 4, 20, 25 + 4) = (21, 20, 29), en 441+400=841=292441 + 400 = 841 = 29^2.

25. De formule van Jacobi r2(n)=4(d1(n)d3(n))r_2(n) = 4(d_1(n) - d_3(n)) geeft voor n=1,,25n = 1, \dots, 25:

4, 4, 0, 4, 8, 0, 0, 4, 4, 8, 0, 0, 8, 0, 0, 4, 8, 4, 0, 8, 0, 0, 0, 0, 12,4,\ 4,\ 0,\ 4,\ 8,\ 0,\ 0,\ 4,\ 4,\ 8,\ 0,\ 0,\ 8,\ 0,\ 0,\ 4,\ 8,\ 4,\ 0,\ 8,\ 0,\ 0,\ 0,\ 0,\ 12,

met waarden 0\neq 0 precies bij n=1,2,4,5,8,9,10,13,16,17,18,20,25n = 1, 2, 4, 5, 8, 9, 10, 13, 16, 17, 18, 20, 25 (zo is r2(15)=0r_2(15) = 0: de delers 1,511, 5 \equiv 1 en 3,1533, 15 \equiv 3 heffen elkaar op; en r2(20)=8r_2(20) = 8: de delers 1,511, 5 \equiv 1, geen enkele 3\equiv 3). De som is 4+4+4+8+4+4+8+8+4+8+4+8+12=804 + 4 + 4 + 8 + 4 + 4 + 8 + 8 + 4 + 8 + 4 + 8 + 12 = 80. Aan de delerskant dragen de oneven d25d \leq 25 bij:

258+53+22+11+11+11+1=20,25 - 8 + 5 - 3 + 2 - 2 + 1 - 1 + 1 - 1 + 1 - 1 + 1 = 20,

waarbij we χ(d)25/d\chi(d)\lfloor 25/d\rfloor aflezen voor d=1,3,5,,25d = 1, 3, 5, \dots, 25; en 420=804 \cdot 20 = 80, zoals de identiteit van vraag 21 voorspelt. Roosterpunten van de gesloten schijf met straal 55: de 8080 punten met 1a2+b2251 \leq a^2 + b^2 \leq 25 plus de oorsprong, dus 8181; en πx=25π78.54\pi x = 25\pi \approx 78.54, een fout van ongeveer 2.462.46, ruim binnen de O(x)O(\sqrt x)-band van vraag 20 (x=5\sqrt x = 5).

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 395 begrippen in de begrippenlijst