Mathematics · Book 5 · Bachelor Year 3

Universitaire wiskunde — Bachelor jaar 3

Universitaire wiskunde — Bachelor jaar 3 · Bachelor Year 3

3Modulen over een hoofdideaaldomein

Lineaire algebra over een ring in plaats van een lichaam: deze kleine hypothesewijziging produceert een van de grote unificatiestellingen van de algebra. Een module over Z\Z is een abelse groep; een module over K[X]K[X] is een vectorruimte uitgerust met een endomorfisme. De structuurstelling voor eindig voortgebrachte modulen over een PID classificeert dus in één slag alle eindig voortgebrachte abelse groepen en alle endomorfismen tot op similariteit — de reductie van Jordan, die Jaar 2 door delicate inducties verkreeg, valt eruit als gevolg, samen met haar subtielere broer, de rationale canonieke vorm, geldig over elk lichaam. De rekenmotor is de normaalvorm van Smith, een rekenkunde van matrices die Euclides waardig is.

Overal is AA een commutatieve ring, spoedig een PID; “module” betekent AA-module.

3.1 Modulen, vrije modulen

Definitie 3.1

Een AA-module is een abelse groep (M,+)(M, +) met een scalaire vermenigvuldiging A×MMA \times M \to M die de vectorruimteaxioma’s vervult: a(x+y)=ax+aya(x + y) = ax + ay, (a+b)x=ax+bx(a + b)x = ax + bx, (ab)x=a(bx)(ab)x = a(bx), 1x=x1x = x. Submodulen, quotiënten M/NM/N, morfismen (AA-lineaire afbeeldingen), directe sommen iMi\bigoplus_i M_i, en de isomorfiestellingen worden woord voor woord gedefinieerd en bewezen zoals voor vectorruimten en abelse groepen; in het bijzonder M/kerfimfM/\ker f \cong \operatorname{im} f voor een morfisme ff.

Voorbeeld 3.2

De drie motiverende gevallen.

  1. A=KA = K een lichaam: modulen zijn vectorruimten.
  2. A=ZA = \Z: modulen zijn precies abelse groepen (nxnx is gedwongen x++xx + \dots + x), submodulen zijn deelgroepen.
  3. A=K[X]A = K[X]: een module is een KK-vectorruimte VV samen met de KK-lineaire afbeelding u ⁣:xXxu\colon x \mapsto X\cdot x — omgekeerd wordt elk paar (V,u)(V, u) met uL(V)u \in \mathcal L(V) een K[X]K[X]-module door Px=P(u)(x)P \cdot x = P(u)(x). De submodulen zijn precies de uu-stabiele deelruimten.

Een ideaal van AA is precies een submodule van AA; een quotiëntring A/IA/I is een AA-module. In tegenstelling tot vectorruimten kunnen modulen torsie hebben: in Z/6Z\Z/6\Z wordt het element 3ˉ0\bar 3 \ne 0 gedood door 202 \neq 0.

Definitie 3.3

MM is eindig voortgebracht als M=Ax1++AxnM = Ax_1 + \dots + Ax_n voor enige xix_i. MM is vrij van rang nn als MAnM \cong A^n, d.w.z. als ze een basis heeft (een voortbrengende familie die AA-lineair onafhankelijk is). Elke eindig voortgebrachte MM is een quotiënt van een vrije module: (a1,,an)aixi(a_1, \dots, a_n) \mapsto \sum a_ix_i beeldt AnA^n op MM af.

Propositie 3.4 (Invariante van rang)

Als A0A \neq 0 en AmAnA^m \cong A^n, dan m=nm = n.

Bewijs. Kies een maximaal ideaal m\mathfrak m van AA (Stelling 2.8) en stel k=A/mk = A/\mathfrak m, een lichaam. Een isomorfisme f ⁣:AmAnf \colon A^m \to A^n beeldt mAm\mathfrak m A^m af in mAn\mathfrak m A^n (lineariteit), en induceert dus een isomorfisme van quotiënten

Am/mAm    An/mAn,d.w.z.kmknA^m/\mathfrak m A^m \;\cong\; A^n/\mathfrak m A^n, \qquad\text{d.w.z.}\qquad k^m \cong k^n

als kk-vectorruimten (het quotiënt Am/mAmA^m/\mathfrak m A^m wordt gedood door m\mathfrak m, dus factoreert de AA-werking door kk; de beelden van de standaardbasis vormen een kk-basis). Dimensietheorie over het lichaam kk geeft m=nm = n.

Stelling 3.5 (Submodulen van vrije modulen)

Zij AA een PID en MAnM \subseteq A^n een submodule. Dan is MM vrij van rang n\leq n.

Bewijs. Inductie op nn. Voor n=1n = 1: MM is een ideaal, dus M=(0)M = (0) (vrij van rang 00) of M=dAAM = dA \cong A (xdxx \mapsto dx is injectief: domein). Voor n>1n > 1: zij π ⁣:AnA\pi \colon A^n \to A de laatste coördinaat. Dan is π(M)\pi(M) een ideaal, (0)(0) of dAdA. Als (0)(0): MAn1×{0}M \subseteq A^{n-1} \times \{0\} en inductie past. Anders kies x0Mx_0 \in M met π(x0)=d\pi(x_0) = d. Elk xMx \in M schrijft uniek

x=π(x)dAx0+(xπ(x)dx0),xπ(x)dx0Mkerπx = \underbrace{\frac{\pi(x)}{d}}_{\in A}\, x_0 + \Bigl(x - \tfrac{\pi(x)}d x_0\Bigr), \qquad x - \tfrac{\pi(x)}d x_0 \in M \cap \ker\pi

(π(x)dA\pi(x) \in dA, dus is de coëfficiënt in AA). Dus M=Ax0(Mkerπ)M = Ax_0 \oplus (M \cap \ker \pi): de som is direct omdat π(ax0)=ad=0\pi(ax_0) = ad = 0 a=0a = 0 dwingt. Door inductie is MkerπkerπAn1M \cap \ker\pi \subseteq \ker \pi \cong A^{n-1} vrij van rang n1\leq n - 1; x0x_0 toevoegen (onafhankelijk van kerπ\ker\pi zoals zojuist gezien) geeft een basis van MM van kardinaliteit n\leq n.

Opmerking 3.6

Bijgevolg heeft over een PID elke eindig voortgebrachte module MM een eindige presentatie: een surjectie φ ⁣:AnM\varphi\colon A^n \to M heeft vrije kern met basis c1,,ckc_1, \dots, c_k (knk \leq n), en MAn/im(C)M \cong A^n / \operatorname{im}(C) waar CMn,k(A)C \in M_{n,k}(A) de matrix is waarvan de kolommen de cjc_j zijn. MM begrijpen betekent een matrix over AA begrijpen tot op basiswisseling in bron en doel — het onderwerp van de volgende sectie.

3.2 Normaalvorm van Smith

Definitie 3.7

Twee matrices B,CMn,k(A)B, C \in M_{n,k}(A) zijn equivalent als C=QBPC = QBP met QGLn(A)Q \in GL_n(A), PGLk(A)P \in GL_k(A) (inverteerbaar over AA: determinant in A×A^\times). Equivalente presentatiematrices definiëren isomorfe modulen An/imA^n/ \operatorname{im} (wissel basissen in AnA^n en AkA^k).

Stelling 3.8 (Normaalvorm van Smith)

Zij AA een PID en BMn,k(A)B \in M_{n,k}(A). Dan is BB equivalent met een diagonale matrix

diag(d1,d2,,dr,0,,0),d1d2dr0,\operatorname{diag}(d_1, d_2, \dots, d_r, 0, \dots, 0), \qquad d_1 \mid d_2 \mid \cdots \mid d_r \neq 0 ,

en de did_i zijn uniek tot op geassocieerden: d1did_1 \cdots d_i is een ggd van de i×ii \times i-minoren van BB (in het bijzonder is die ggd een invariant van equivalentie). De did_i zijn de invariante factoren van BB.

Bewijs. Bestaan. Als B=0B = 0, klaar. Anders, beschouw de verzameling van idealen (b)(b) voortgebracht door entries van matrices equivalent met BB; omdat AA Noethers is, kies een matrix BB' equivalent met BB en een entry dd van BB' met (d)(d) maximaal in deze verzameling. Verplaats dd naar positie (1,1)(1,1) door rij- en kolomverwisselingen.

Bewering: dd deelt elke entry van BB'. Eerst kolom 1: als bi1b_{i1} geen veelvoud van dd is, zij e=gcd(d,bi1)=ud+vbi1e = \gcd(d, b_{i1}) = ud + vb_{i1} (Bézout), dus (e)(d)(e) \supsetneq (d). De 2×22 \times 2-matrixtruc: op rijen 11 en ii werken met

(uvbi1ede)GL2(A)(det=ud+vbi1e=1)\begin{pmatrix} u & v \\ -\dfrac{b_{i1}}e & \dfrac de \end{pmatrix} \in GL_2(A) \qquad \Bigl(\det = \tfrac{ud + v b_{i1}}e = 1\Bigr)

produceert een equivalente matrix met entry ee in positie (1,1)(1,1): dit spreekt de maximaliteit van (d)(d) tegen. Dus deelt dd kolom 11, en symmetrisch rij 11. Veelvouden van rij 1 en kolom 1 aftrekken ruimt ze op: BB' is equivalent met (d00B)\begin{pmatrix} d & 0\\ 0 & B''\end{pmatrix}. Vervolgens deelt dd elke entry bb van BB'': voeg de rij van bb toe aan rij 1 (een elementaire operatie; de nieuwe eerste rij bevat dd en bb-entries), en herhaal het kolom-opruimargument: een niet-veelvoud zou (d)(d) opnieuw verbeteren. Inducteer nu op de grootte: BB'', waarvan alle entries deelbaar door dd zijn, heeft een Smithvorm diag(d2,)\operatorname{diag}(d_2, \dots) waarvan de entries deelbaar door dd blijven (elke entry van enige QBPQB''P is een AA-combinatie van entries van BB''); stel d1=dd_1 = d.

Uniciteit. Zij Di(B)D_i(B) een ggd van alle i×ii \times i-minoren. Rij- en kolomoperaties, en algemener vermenigvuldiging met elke matrix, kunnen de ggd niet verkleinen: de i×ii \times i-minoren van QBQB zijn AA-combinaties van die van BB (Cauchy–Binet-ontwikkeling; of direct: elke rij van QBQB is een combinatie van rijen van BB, en minoren zijn multilineair in rijen). Dus delen Di(QBP)D_i(QBP) en Di(B)D_i(B) elkaar: DiD_i is een equivalentie-invariant. Op de diagonale vorm zijn de niet-nulle i×ii \times i-minoren de producten van ii van de djd_j’s, en deelbaarheid d1drd_1 \mid \dots \mid d_r maakt d1did_1 \cdots d_i de ggd. Dus d1di=Di(B)d_1 \cdots d_i = D_i(B) tot op eenheden, en di=Di/Di1d_i = D_i/D_{i-1} is bepaald.

Methode 3.9

Over een Euclidisch domein (Z\Z, K[X]K[X]) is Smithreductie een algoritme — geen maximaliteitsargument nodig: breng de entry van kleinste Euclidische grootte naar positie (1,1)(1,1); als ze enige entry van haar rij of kolom niet deelt, laat een Euclidische deling een strikt kleinere rest daar — wissel hem in en herstart (terminatie: groottes dalen); wanneer ze haar hele rij en kolom deelt, ruim ze op; als ze een binnenste entry niet deelt, voeg die rij toe aan rij 11 en herstart; recureer op het binnenste blok. In de praktijk op gehele matrices: bereken D1=gcdD_1 = \gcd van entries, D2D_2, … via minoren voor kleine groottes, of voer het algoritme uit.

Voorbeeld 3.10 (Een Smithreductie, volledig)

Reduceer M=(123456789)M = \begin{pmatrix} 1 & 2 & 3\\ 4 & 5 & 6\\ 7 & 8 & 9 \end{pmatrix} over Z\Z. De hoek 11 deelt alles: ruim haar rij en kolom op (L2L24L1L_2 \leftarrow L_2 - 4L_1, L3L37L1L_3 \leftarrow L_3 - 7L_1, dan C2C22C1C_2 \leftarrow C_2 - 2C_1, C3C33C1C_3 \leftarrow C_3 - 3C_1):

M(1000360612).M \sim \begin{pmatrix} 1 & 0 & 0\\ 0 & -3 & -6\\ 0 & -6 & -12 \end{pmatrix} .

In het binnenste blok deelt de hoek 3-3 alle entries: L3L32L2L_3 \leftarrow L_3 - 2L_2 en C3C32C2C_3 \leftarrow C_3 - 2C_2 ruimen hem op tot diag(3,0)\operatorname{diag}(-3, 0). Tekens bijstellen (vermenigvuldig een rij met 1-1, een legale operatie):

Mdiag(1,3,0),Z3/MZ3Z/3Z×Z.M \sim \operatorname{diag}(1, 3, 0), \qquad \Z^3/M\Z^3 \cong \Z/3\Z \times \Z .

Kruiscontrole via determinanten-delers: D1=gcd(entries)=1D_1 = \gcd(\text{entries}) = 1; elke 2×22\times2-minor van MM is een veelvoud van 33 (bijv. det(1245)=3\det\bigl(\begin{smallmatrix}1 & 2\\ 4 & 5\end{smallmatrix}\bigr) = -3) en één is gelijk aan 3-3: D2=3D_2 = 3; D3=detM=0D_3 = \det M = 0. Dus d1=1d_1 = 1, d2=3d_2 = 3, d3=0d_3 = 0: hetzelfde antwoord. Twee lessen: een nulle invariante factor registreert de rangdaling (de cokern pikt een vrije Z\Z-sommand op), en de deelbaarheidsketen 1301 \mid 3 \mid 0 is het Smithcertificaat — een diagonale reductie die de keten schendt (zeg diag(2,3)\operatorname{diag}(2, 3), die de onzorgvuldige kan produceren uit (2003)\bigl(\begin{smallmatrix}2 & 0\\ 0 & 3\end{smallmatrix}\bigr) door te vroeg te stoppen: correcte Smithvorm diag(1,6)\operatorname{diag}(1, 6), omdat D1=1D_1 = 1 hier!) is niet af.

Het subrooster L = ℤ(2,0) + ℤ(1,3) van ℤ2 (rode punten). De normaalvorm van Smith van ( smallmatrix 2 & 1\\ 0 & 3 smallmatrix ) is diag(1, 6): in de aangepaste basis f_1 = (1,3), f_2 = (0,1) van ℤ2 heeft men L = ℤ f_1 ℤ\,6f_2, dus ℤ2/L ℤ/6ℤ — de index is gelijk aan | | = 6, de oppervlakte van het gearceerde fundamentaal domein.
Het subrooster L=Z(2,0)+Z(1,3)L = \Z(2,0) + \Z(1,3) van Z2\Z^2 (rode punten). De normaalvorm van Smith van (2103)\bigl(\begin{smallmatrix} 2 & 1\\ 0 & 3\end{smallmatrix}\bigr) is diag(1,6)\operatorname{diag}(1, 6): in de aangepaste basis f1=(1,3)f_1 = (1,3), f2=(0,1)f_2 = (0,1) van Z2\Z^2 heeft men L=Zf1Z6f2L = \Z f_1 \oplus \Z\,6f_2, dus Z2/LZ/6Z\Z^2/L \cong \Z/6\Z — de index is gelijk aan det=6\abs{\det} = 6, de oppervlakte van het gearceerde fundamentaal domein.

3.3 De structuurstelling

Definitie 3.11

Zij AA een domein en MM een AA-module. De torsiesubmodule is

T(M)={xM:ax=0 voor enige a0}T(M) = \{x \in M : ax = 0 \text{ voor enige } a \neq 0\}

(een submodule: als ax=by=0ax = by = 0 dan ab(x+y)=0ab(x + y) = 0, ab0ab \ne 0). MM is torsievrij als T(M)=0T(M) = 0, een torsiemodule als T(M)=MT(M) = M.

Stelling 3.12 (Structuur van eindig voortgebrachte modulen over een PID)

Zij AA een PID en MM een eindig voortgebrachte AA-module. Er bestaan een unieke rNr \in \N en niet-nulle niet-eenheden d1d2dsd_1 \mid d_2 \mid \cdots \mid d_s, uniek tot op geassocieerden, met

M    ArA/(d1)A/(ds).M \;\cong\; A^r \,\oplus\, A/(d_1) \oplus \cdots \oplus A/(d_s).

Bovendien T(M)A/(d1)A/(ds)T(M) \cong A/(d_1)\oplus\dots\oplus A/(d_s) en M/T(M)ArM/T(M) \cong A^r: een eindig voortgebrachte torsievrije module over een PID is vrij.

Bewijs. Bestaan. Presenteer MAn/im(C)M \cong A^n/\operatorname{im}(C) (Opmerking 3.6) en breng CC in Smithvorm: na de twee basiswisselingen, MAn/(d1A××drA×0××0)A/(d1)A/(dr)AnrM \cong A^n / (d_1A \times \dots \times d_rA \times 0 \times \dots \times 0) \cong A/(d_1) \oplus \dots \oplus A/(d_r) \oplus A^{\,n - r}. Verwerp de factoren waar did_i een eenheid is (A/(di)=0A/(d_i) = 0); de deelbaarheidsketen overleeft.

De torsie-identificatie. In de ontbinding is ArA^r torsievrij (een domein heeft geen nuldelers) en is elke A/(di)A/(d_i) torsie (gedood door di0d_i \ne 0); een directe som splitst torsie dienovereenkomstig: T(M)=iA/(di)T(M) = \bigoplus_i A/(d_i) en M/T(M)ArM/T(M) \cong A^r.

Uniciteit van rr: M/T(M)ArM/T(M) \cong A^r hangt alleen van MM af, en Propositie 3.4 pinnt rr vast.

Uniciteit van de did_i: het volstaat de torsiemodule T=T(M)T = T(M) te behandelen. Ontbind elke did_i in priemen en splits via de Chinese reststelling (Stelling 2.9; onderscheiden priemen brengen comaximale idealen voort):

A/(d)pdA/(pvp(d)):TpjA/(pkp,j),A/(d) \cong \bigoplus_{p \mid d} A/\bigl(p^{v_p(d)}\bigr): \qquad T \cong \bigoplus_{p} \bigoplus_{j} A/\bigl(p^{k_{p,j}}\bigr),

de elementaire delers pkp,jp^{k_{p,j}}. Omgekeerd worden de did_i gereconstrueerd uit de multiset van elementaire delers (dsd_s = product van de hoogste macht van elk priem, enz.), dus volstaat te bewijzen dat de multiset {kp,j}j\{k_{p,j}\}_j door TT bepaald is, voor elk priem pp. Fixeer pp; voor j1j \geq 1 beschouw de A/(p)A/(p)-vectorruimten pj1T/pjTp^{j-1}T/p^jT. Op een cyclische factor A/(pk)A/(p^k):

pj1(A/(pk))/pj(A/(pk)){A/(p)als jk,0als j>k,p^{j-1}\bigl(A/(p^k)\bigr)\big/p^{j}\bigl(A/(p^k)\bigr) \cong \begin{cases} A/(p) & \text{als } j \leq k,\\ 0 & \text{als } j > k, \end{cases}

en op een factor A/(qk)A/(q^k), qpq \neq p: vermenigvuldiging met pp is daar bijectief (pp inverteerbaar mod qkq^k: Bézout), dus is het quotiënt 00. Directe sommen gaan door: dimA/(p)pj1T/pjT=#{i:kp,ij}\dim_{A/(p)} p^{j-1}T/p^jT = \#\{i : k_{p,i} \geq j\}. Deze intrinsieke dimensies bepalen de multiset van exponenten.

Gevolg 3.13 (Eindig voortgebrachte abelse groepen)

Elke eindig voortgebrachte abelse groep is Zr×Z/d1Z××Z/dsZ\Z^r \times \Z/d_1\Z\times\dots\times\Z/d_s\Z met d1dsd_1 \mid \dots \mid d_s, uniek. Elke eindige abelse groep is een product van cyclische groepen van priemmachtorde, uniek als multiset.

Voorbeeld 3.14

De abelse groepen van orde pnp^n corresponderen met partities van nn: voor p4p^4: Z/p4\Z/p^4, Z/p3×Z/p\Z/p^3\times\Z/p, (Z/p2)2(\Z/p^2)^2, Z/p2×(Z/p)2\Z/p^2 \times (\Z/p)^2, (Z/p)4(\Z/p)^4 — vijf groepen, omdat 44 vijf partities heeft. Gemengde ordes vermenigvuldigen de tellingen priem voor priem (CRT): er zijn 5×25 \times 2 abelse groepen van orde 2432=1442^4 \cdot 3^2 = 144.

3.4 Toepassing: canonieke vormen van endomorfismen

Zij KK een lichaam, VV een KK-vectorruimte van eindige dimensie nn, en uL(V)u \in \mathcal L(V); maak VV tot een K[X]K[X]-module via Px=P(u)(x)P \cdot x = P(u)(x) (Voorbeeld 3.2). Deze module is eindig voortgebracht (een KK-basis brengt voort) en torsie: voor elke xx zijn de n+1n+1 vectoren x,u(x),,un(x)x, u(x), \dots, u^n(x) KK-afhankelijk, wat een niet-nulle annulerende veelterm levert.

Definitie 3.15

Voor P=Xm+am1Xm1++a0P = X^m + a_{m-1}X^{m-1} + \dots + a_0 monisch is de begeleidende matrix

CP=(0a01a101am1):C_P = \begin{pmatrix} 0 & & & -a_0\\ 1 & \ddots & & -a_1\\ & \ddots & 0 & \vdots\\ & & 1 & -a_{m-1} \end{pmatrix} :

de matrix van “vermenigvuldiging met XX” op K[X]/(P)K[X]/(P) in de basis 1,Xˉ,,Xˉm11, \bar X, \dots, \bar X^{m-1}.

Stelling 3.16 (Frobenius: rationale canonieke vorm)

Er is een unieke rij monische niet-constante veeltermen P1P2PsP_1 \mid P_2 \mid \dots \mid P_s (de similariteitsinvarianten van uu) zodanig dat, als K[X]K[X]-modulen,

VK[X]/(P1)K[X]/(Ps):V \cong K[X]/(P_1) \oplus \cdots \oplus K[X]/(P_s):

in een geschikte basis heeft uu blokdiagonale matrix diag(CP1,,CPs)\operatorname{diag}(C_{P_1}, \dots, C_{P_s}). Bovendien:

  1. Ps=μuP_s = \mu_u (minimale veelterm) en P1Ps=χuP_1\cdots P_s = \chi_u (karakteristieke veelterm); in het bijzonder μuχu\mu_u \mid \chi_u (Cayley–Hamilton opnieuw bewezen) en χuμus\chi_u \mid \mu_u^{\,s}, dus hebben χu\chi_u en μu\mu_u dezelfde irreducibele factoren.
  2. Twee endomorfismen (of vierkante matrices) zijn gelijksoortig desda ze dezelfde similariteitsinvarianten hebben.

Bewijs. De structuurstelling (Stelling 3.12) toegepast op de PID K[X]K[X]: de torsiemodule VV ontbindt met invariante factoren PiP_i, genormaliseerd monisch (eenheden van K[X]K[X] zijn K×K^\times); geen vrij deel treedt op (VV is torsie). Op elke cyclische factor K[X]/(Pi)K[X]/(P_i) heeft vermenigvuldiging met XX matrix CPiC_{P_i} in de basis van machten van Xˉ\bar X: basissen aaneenschakelen geeft de blokvorm.

(1) De annihilator van V=K[X]/(Pi)V = \bigoplus K[X]/(P_i) is (P1)(Ps)=(Ps)(P_1)\cap\dots\cap(P_s) = (P_s) (deelbaarheidsketen: PsP_s is een gemeenschappelijk veelvoud, en de klasse van 11 in de laatste factor wordt precies door (Ps)(P_s) gedood): μu=Ps\mu_u = P_s. Voor χu\chi_u: op een cyclische factor, χCP=P\chi_{C_P} = P, door inductie op m=degPm = \deg P. Ontwikkel det(XImCP)\det(XI_m - C_P) langs de eerste rij (waarvan de entries XX zijn, dan nullen, dan a0a_0 in de laatste kolom):

det(XImCP)=Xdet(XIm1CP~)+(1)1+ma0detL,\det(XI_m - C_P) = X\,\det\bigl(XI_{m-1} - C_{\tilde P}\bigr) + (-1)^{1+m}\,a_0\,\det L ,

waar P~=Xm1+am1Xm2++a1\tilde P = X^{m-1} + a_{m-1}X^{m-2} + \dots + a_1 (zelfde vorm, één maat kleiner) en LL driehoekig is met diagonaal (1,,1)(-1, \dots, -1), dus detL=(1)m1\det L = (-1)^{m-1}. Door inductie is de eerste term XP~X\tilde P, en de tweede is a0a_0: het totaal is XP~+a0=PX\tilde P + a_0 = P (basisgeval m=1m=1: det(X+a0)=P\det(X + a_0) = P). Determinanten vermenigvuldigen over blokken: χu=Pi\chi_u = \prod P_i. Cayley–Hamilton: χu(μu)\chi_u \in (\mu_u) omdat PsP_s elke… deelt; omgekeerd deelt elke PiP_i PsP_s, dus deelt χu=Pi\chi_u = \prod P_i Pss=μusP_s^{\,s} = \mu_u^s; en μu=Ps\mu_u = P_s deelt χu\chi_u als één van haar factoren.

(2) Gelijksoortige endomorfismen zijn geconjugeerde modulestructuren, hebben dus gelijke invarianten (uniciteit in Stelling 3.12); omgekeerd geven gelijke invarianten isomorfe K[X]K[X]-modulen, en een module-isomorfisme is precies een lineaire bijectie die de twee endomorfismen vervlecht: een similariteit.

Gevolg 3.17 (Similariteit is ongevoelig voor lichaamsuitbreiding)

Zij KLK \subseteq L lichamen en M,NMn(K)M, N \in M_n(K). Als MM en NN gelijksoortig over LL zijn, zijn ze dat over KK.

Bewijs. De similariteitsinvarianten van MM worden berekend door de minorformule van Smith (Stelling 3.8) toegepast op de presentatiematrix XInMXI_n - M over K[X]K[X] — immers de K[X]K[X]-module VM=KnV_M = K^n heeft presentatie XInMXI_n - M: de afbeelding K[X]nVMK[X]^n \to V_M, (Qi)Qi(M)ei(Q_i) \mapsto \sum Q_i(M)e_i, is surjectief met kern voortgebracht door de kolommen van XInMXI_n - M (directe verificatie: modulo die kolommen reduceert elk element van K[X]nK[X]^n tot een constante vector, en constante vectoren beelden bijectief af; het weekendprobleem werkt dit uit). Ggd’s van veeltermen veranderen niet onder lichaamsuitbreiding: als dd de monische ggd in K[X]K[X] is van een familie (fj)(f_j), geeft Bézout d=ujfjd = \sum u_jf_j met ujK[X]u_j \in K[X], dus deelt elke gemeenschappelijke deler van de fjf_j in L[X]L[X] dd; omdat dd zelf een gemeenschappelijke deler is, is ze de ggd in L[X]L[X] ook. Dus zijn de invariante factoren van XInMXI_n - M, quotiënten van opeenvolgende minor-ggd’s, dezelfde over KK en over LL: M,NM, N hebben dezelfde similariteitsinvarianten over LL desda over KK; besluit door Stelling 3.16(2).

Stelling 3.18 (Jordaanse vorm, opnieuw afgeleid)

Stel dat χu\chi_u over KK splitst (bijv. K=CK = \C). Op VV de elementaire-delers-ontbinding toepassen (bewijs van Stelling 3.12) in plaats van invariante factoren:

Vλ,jK[X]/((Xλ)kλ,j),V \cong \bigoplus_{\lambda, j} K[X]\big/\bigl((X - \lambda)^{k_{\lambda,j}}\bigr),

en in de basis ((Xλ)k1,,(Xλ),1ˉ)\bigl(\overline{(X-\lambda)^{k-1}}, \dots, \overline{(X - \lambda)}, \bar 1\bigr) van elke factor werkt uu als het Jordaanse blok Jk(λ)J_k(\lambda): elk endomorfisme met gesplitste karakteristieke veelterm heeft een Jordaanse basis, en de multiset van blokken (λ,k)(\lambda, k) is uniek.

Bewijs. De elementaire delers van de torsiemodule VV zijn de (Xλ)k(X - \lambda)^k met XλX - \lambda lopend over de irreducibele factoren van μu\mu_u (die splitst, omdat χu\chi_u dat doet en beide dezelfde irreducibele factoren hebben, Stelling 3.16). In W=K[X]/((Xλ)k)W = K[X]/((X-\lambda)^k), stel fj=(Xλ)kjf_j = \overline{(X - \lambda)^{k-j}} voor j=1,,kj = 1, \dots, k: dan (Xλ)fj=fj1(X - \lambda)f_j = f_{j-1} (met f0=0f_0 = 0), d.w.z. u(fj)=λfj+fj1u(f_j) = \lambda f_j + f_{j-1}: de matrix van uu op (f1,,fk)(f_1, \dots, f_k) is precies Jk(λ)J_k(\lambda) (enen boven de diagonaal). Uniciteit van de multiset van elementaire delers is Stelling 3.12.

Opmerking 3.19

De hiërarchie van canonieke vormen is nu doorzichtig: de rationale vorm bestaat over elk lichaam en detecteert similariteit absoluut (Gevolg 3.17); de Jordaanse vorm is haar verfijning wanneer χu\chi_u splitst. De dimensietellende bewijzen van de stelling van Jordan uit Jaar 2 zijn ondergebracht: alle combinatoriek was de rekenkunde van de PID K[X]K[X].

3.5 Oefeningen

Oefening 3.1

(a) Toon dat Q\Q niet eindig voortgebracht is als Z\Z-module. (b) Toon dat Q\Q torsievrij maar niet vrij is. (c) Waarom spreekt geen van beide uitspraken Stelling 3.12 tegen?

Oplossing

Oplossing van Oefening 3.1.

(a) Als Q=Zq1++Zqk\Q = \Z q_1 + \dots + \Z q_k, zij dd een gemeenschappelijke noemer van de qiq_i: elke combinatie ligt in 1dZ\frac1d\Z, maar 12d1dZ\frac1{2d} \notin \frac1d\Z. Tegenspraak.

(b) Torsievrij: nq=0nq = 0 met n0n \neq 0 dwingt q=0q = 0 in Q\Q. Niet vrij: twee niet-nulle rationalen ab,cd\frac ab, \frac cd vervullen de niet-triviale relatie (bc)ab(ad)cd=0(bc)\frac ab - (ad)\frac cd = 0, dus heeft een basis hoogstens één element; QZ\Q \cong \Z zou Q=Zq\Q = \Z q cyclisch maken, maar q2Zq\frac q2 \notin \Z q. (En Q0\Q \neq 0.)

(c) Stelling 3.12 neemt eindige voortbrenging aan, die (a) ontkent: geen tegenspraak — eerder toont Q\Q dat de hypothese noodzakelijk is in de uitspraak “torsievrij \Rightarrow vrij”.

Oefening 3.2

Som de abelse groepen van orde 360360 op tot op isomorfie, in zowel elementaire-delers- als invariante-factoren-vorm. Hoeveel abelse groepen van orde p5p^5 zijn er?

Oplossing

Oplossing van Oefening 3.2.

360=23325360 = 2^3\cdot3^2\cdot5. Partities: van 33: (3),(2,1),(1,1,1)(3), (2,1), (1,1,1); van 22: (2),(1,1)(2), (1,1); van 11: (1)(1). Dus 3×2×1=63 \times 2 \times 1 = 6 groepen. Elementaire delers \to invariante factoren:

Z/8×Z/9×Z/5\Z/8 \times \Z/9 \times \Z/5Z/360\Z/360
Z/8×Z/3×Z/3×Z/5\Z/8 \times \Z/3 \times \Z/3 \times \Z/5Z/3×Z/120\Z/3 \times \Z/120
Z/4×Z/2×Z/9×Z/5\Z/4 \times \Z/2 \times \Z/9 \times \Z/5Z/2×Z/180\Z/2 \times \Z/180
Z/4×Z/2×Z/3×Z/3×Z/5\Z/4 \times \Z/2 \times \Z/3 \times \Z/3 \times \Z/5Z/6×Z/60\Z/6 \times \Z/60
(Z/2)3×Z/9×Z/5(\Z/2)^3 \times \Z/9 \times \Z/5Z/2×Z/2×Z/90\Z/2 \times \Z/2 \times \Z/90
(Z/2)3×Z/3×Z/3×Z/5(\Z/2)^3 \times \Z/3 \times \Z/3 \times \Z/5Z/2×Z/6×Z/30\Z/2 \times \Z/6 \times \Z/30

(Om naar invariante factoren te gaan: de grootste dsd_s verzamelt de hoogste priemmacht van elk priem, enzovoort naar beneden.) Van orde p5p^5: evenveel als partities van 55, namelijk 77.

Oefening 3.3

Bereken de normaalvorm van Smith over Z\Z van

B=(2468),C=(2000300012),B = \begin{pmatrix} 2 & 4\\ 6 & 8 \end{pmatrix}, \qquad C = \begin{pmatrix} 2 & 0 & 0\\ 0 & 3 & 0\\ 0 & 0 & 12 \end{pmatrix},

en identificeer de abelse groepen Z2/BZ2\Z^2/B\Z^2 en Z3/CZ3\Z^3/C\Z^3.

Oplossing

Oplossing van Oefening 3.3.

BB: D1=gcd(2,4,6,8)=2D_1 = \gcd(2,4,6,8) = 2; D2=detB=1624=8D_2 = \abs{\det B} = \abs{16 - 24} = 8. Invariante factoren d1=2d_1 = 2, d2=8/2=4d_2 = 8/2 = 4: Smithvorm diag(2,4)\operatorname{diag}(2, 4), en Z2/BZ2Z/2Z×Z/4Z\Z^2/B\Z^2 \cong \Z/2\Z \times \Z/4\Z.

CC: diagonaal maar niet Smith (232 \nmid 3). D1=gcd(2,3,12)=1D_1 = \gcd(2,3,12) = 1; D2=gcd(23,212,312)=gcd(6,24,36)=6D_2 = \gcd(2\cdot3,\, 2\cdot12,\, 3\cdot12) = \gcd(6, 24, 36) = 6; D3=72D_3 = 72. Dus d=(1,6,12)d = (1, 6, 12) en Z3/CZ3Z/6Z×Z/12Z\Z^3/C\Z^3 \cong \Z/6\Z\times\Z/12\Z — consistent met de CRT: Z/2×Z/3×Z/12Z/6×Z/12\Z/2\times\Z/3\times\Z/12 \cong \Z/6\times\Z/12.

Oefening 3.4 ★★

Zij LZnL \subseteq \Z^n een deelgroep van rang nn met basis de kolommen van BMn(Z)B \in M_n(\Z), detB0\det B \neq 0. Toon dat Zn/L\Z^n/L eindig is van kardinaliteit detB\abs{\det B}, en dat Zn/LiZ/diZ\Z^n/L \cong \prod_i \Z/d_i\Z voor de invariante factoren did_i van BB. Illustreer met L=Z(2,0)+Z(1,3)L = \Z(2,0) + \Z(1,3).

Oplossing

Oplossing van Oefening 3.4.

Schrijf B=Qdiag(d1,,dn)PB = Q\,\operatorname{diag}(d_1, \dots, d_n)\,P met Q,PGLn(Z)Q, P \in GL_n(\Z) (Stelling 3.8; geen nulle did_i omdat detB0\det B \neq 0). Dan Zn/BZnZn/diag(d)Zn=iZ/diZ\Z^n/B\Z^n \cong \Z^n/ \operatorname{diag}(d)\Z^n = \prod_i \Z/d_i\Z (het samengestelde isomorfisme xQ1xx \mapsto Q^{-1}x van Zn\Z^n beeldt BZnB\Z^n op diag(d)PZn=diag(d)Zn\operatorname{diag}(d)P\Z^n = \operatorname{diag}(d)\Z^n af). Haar kardinaliteit is di=detdiag(d)=detB\prod \abs{d_i} = \abs{\det \operatorname{diag}(d)} = \abs{\det B}, omdat detQ,detP=±1\det Q, \det P = \pm 1. Voor L=Z(2,0)+Z(1,3)L = \Z(2,0) + \Z(1,3): B=(2103)B = \bigl(\begin{smallmatrix}2 & 1\\ 0 & 3\end{smallmatrix}\bigr), D1=1D_1 = 1, D2=6D_2 = 6: Z2/LZ/6Z\Z^2/L \cong \Z/6\Z, van kardinaliteit detB=6\abs{\det B} = 6.

Oefening 3.5 ★★

Zij AA een domein. (a) Verifieer dat T(M)T(M) een submodule is en dat M/T(M)M/T(M) torsievrij is. (b) Toon dat het ideaal (X,Y)(X, Y) van K[X,Y]K[X,Y], als K[X,Y]K[X,Y]-module, torsievrij maar niet vrij is: de structuurstelling heeft de PID-hypothese echt nodig.

Oplossing

Oplossing van Oefening 3.5.

(a) Submodule: gedaan in Definitie 3.11. Als a(x+T(M))=0a(x + T(M)) = 0 in M/T(M)M/T(M) met a0a \neq 0, dan axT(M)ax \in T(M): bax=0bax = 0 voor enige b0b \neq 0, en ba0ba \neq 0 (domein), dus xT(M)x \in T(M): de klasse is nul. M/T(M)M/T(M) is torsievrij.

(b) (X,Y)K[X,Y](X, Y) \subseteq K[X,Y] is torsievrij (een submodule van het domein K[X,Y]K[X,Y] werkend op zichzelf). Stel ze was vrij; twee elementen P,QP, Q vervullen QPPQ=0Q\cdot P - P \cdot Q = 0, een niet-triviale relatie wanneer PQP \ne Q niet-nul zijn, dus heeft een basis één element: (X,Y)=(P)(X, Y) = (P) hoofdideaal — in strijd met Oefening 2.6(a). Torsievrij en eindig voortgebracht (X,YX, Y brengen voort), maar niet vrij: over de non-PID K[X,Y]K[X,Y] faalt de structuurstelling.

Oefening 3.6 ★★

(a) Toon dat 2Z2\Z geen direct complement in de Z\Z-module Z\Z heeft: submodulen van vrije modulen zijn vrij (Stelling 3.5), maar directe sommanden hoeven dat niet te zijn. (b) Toon dat als MAnM \subseteq A^n (AA een PID) vervult: An/MA^n/M is torsievrij, dan is MM een directe sommand.

Oplossing

Oplossing van Oefening 3.6.

(a) Als Z=2ZC\Z = 2\Z \oplus C, beperkt de projectie ZZ/2Z\Z \to \Z/2\Z tot een isomorfisme CZ/2ZC \cong \Z/2\Z: CC zou een deelgroep van Z\Z zijn waarvan het niet-nulle element xx 2xC2Z=02x \in C \cap 2\Z = 0 vervult. Maar Z\Z is torsievrij: C=0C = 0, wat Z=2Z\Z = 2\Z dwingt — vals.

(b) An/MA^n/M is eindig voortgebracht en torsievrij, dus vrij (Stelling 3.12): An/MArA^n/M \cong A^r met basis f1,,frf_1, \dots, f_r. Kies originelen yiAny_i \in A^n van de fif_i en stel F=Ay1++AyrF = Ay_1 + \dots + Ay_r. Elk xAnx \in A^n heeft klasse aifi\sum a_i f_i, dus xaiyiMx - \sum a_i y_i \in M: An=M+FA^n = M + F. De som is direct: als aiyiM\sum a_i y_i \in M, is de klasse nul, dus alle ai=0a_i = 0. Dus An=MFA^n = M \oplus F.

Oefening 3.7 ★★

Los in Z2\Z^2 het stelsel

{2x+4yb1(mod20),6x+8yb2(mod20),\begin{cases} 2x + 4y \equiv b_1 \pmod{20},\\ 6x + 8y \equiv b_2 \pmod{20}, \end{cases}

op voor welke paren (b1,b2)(b_1, b_2) oplossingen bestaan, met de Smithvorm van Oefening 3.3 (inverteerbare variabelenwisselingen aan beide kanten).

Oplossing

Oplossing van Oefening 3.7.

Met Oefening 3.3: BB heeft Smithvorm diag(2,4)=Q1BP1\operatorname{diag}(2,4) = Q^{-1}BP^{-1} (of equivalent). Het stelsel is B(xy)(b1b2)(mod20)B\begin{pmatrix}x\\ y\end{pmatrix} \equiv \begin{pmatrix}b_1\\ b_2\end{pmatrix} \pmod{20}, d.w.z. B(xy)20(uv)=(b1b2)B \begin{pmatrix}x\\ y\end{pmatrix} - 20\begin{pmatrix}u\\ v\end{pmatrix} = \begin{pmatrix}b_1\\ b_2\end{pmatrix}. Na basiswisseling (xy)=P1(xy)\begin{pmatrix}x'\\ y'\end{pmatrix} = P^{-1}\begin{pmatrix}x\\ y\end{pmatrix} en (b1b2)=Q1(b1b2)\begin{pmatrix}b_1'\\ b_2'\end{pmatrix} = Q^{-1}\begin{pmatrix}b_1\\ b_2\end{pmatrix} wordt het diagonaal: 2xb1(mod20)2x' \equiv b_1' \pmod{20}, 4yb2(mod20)4y' \equiv b_2' \pmod{20}. Oplosbaar desda 2b12 \mid b_1' en 4b24 \mid b_2', d.w.z. (b1b2)\begin{pmatrix}b_1\\ b_2\end{pmatrix} ligt in BZ2+20Z2B\Z^2 + 20\Z^2. Concreet met B=(2468)B = \begin{pmatrix}2 & 4\\ 6 & 8\end{pmatrix}: de ggd van de 2×22\times2-minoren met 2020 beperkt; oplosbaarheid is equivalent met 2gcd(b1,b2,20)2 \mid \gcd(b_1, b_2, 20) in de passende zin na Smith — of direct: de rijen van BB zijn (2,4)(2,4) en (6,8)=3(2,4)+(0,4)(6,8) = 3(2,4) + (0,-4), dus de voorwaarde reduceert tot congruenties op lineaire combinaties van b1,b2b_1, b_2. Uit Smith d1=2,d2=4d_1=2, d_2=4: na coördinaatwisseling 2b12 \mid b_1' en 4b24 \mid b_2'.

Oefening 3.8 ★★

(a) Bepaal alle similariteitsinvarianten en mogelijke Jordaanse vormen van een nilpotente 4×44 \times 4-matrix, gesorteerd naar de partitie van 44 die ze realiseren. (b) Vertoon twee 4×44\times4 complexe matrices met dezelfde karakteristieke en minimale veeltermen die niet gelijksoortig zijn, en bewijs dat voor n3n \leq 3 dit niet kan.

Oplossing

Oplossing van Oefening 3.8.

(a) Nilpotente 4×44\times4: χu=X4\chi_u = X^4, μu=Xk\mu_u = X^k met k4k \leq 4. Partities van 44 en hun invariante factoren / Jordaanse vormen:

  • (4)(4): μ=X4\mu = X^4, één blok J4(0)J_4(0); invarianten P1=X4P_1 = X^4.
  • (3,1)(3,1): μ=X3\mu = X^3, blokken J3,J1J_3, J_1; invarianten XX3X \mid X^3.
  • (2,2)(2,2): μ=X2\mu = X^2, twee J2J_2; invarianten X2X2X^2 \mid X^2.
  • (2,1,1)(2,1,1): μ=X2\mu = X^2, één J2J_2 en twee J1J_1; invarianten XXX2X \mid X \mid X^2.
  • (1,1,1,1)(1,1,1,1): μ=X\mu = X, vier J1J_1 (nulmatrix); invarianten XXXXX \mid X \mid X \mid X.

(b) Over C\C, χ=X4\chi = X^4, μ=X2\mu = X^2: mogelijke partities (2,2)(2,2) en (2,1,1)(2,1,1) — twee niet-gelijksoortige klassen met dezelfde χ\chi en μ\mu. Voor n3n \leq 3: de partities van nn met gegeven grootste deel k=degμk = \deg\mu en som nn zijn uniek bepaald wanneer n3n \leq 3 (voor n=3n=3, μ=X2\mu=X^2: alleen (2,1)(2,1); voor μ=X3\mu=X^3: alleen (3)(3); voor μ=X\mu=X: alleen (1,1,1)(1,1,1)).

Oefening 3.9 ★★★

Zij uL(V)u \in \mathcal L(V), dimV=n\dim V = n. Toon dat de volgende equivalent zijn: (i) VV is een cyclische K[X]K[X]-module (er is xx met V=K[u]xV = K[u]x, een cyclische vector); (ii) μu=χu\mu_u = \chi_u; (iii) s=1s = 1 in Stelling 3.16. Leid af dat een begeleidende matrix een cyclische vector heeft, en bepaal wanneer een diagonale matrix er één heeft.

Oplossing

Oplossing van Oefening 3.9.

(i)\Rightarrow(iii): VK[X]/(P)V \cong K[X]/(P) cyclisch dwingt s=1s=1 in de structuurstelling. (iii)\Rightarrow(ii): met s=1s=1, P1=μu=χuP_1 = \mu_u = \chi_u. (ii)\Rightarrow(i): degμu=n=dimV\deg\mu_u = n = \dim V dwingt dat de cyclische deelruimte K[u]xK[u]x voor een vector met annihilator (μu)(\mu_u) dimensie nn heeft: V=K[u]xV = K[u]x. Begeleidende matrix: per constructie cyclisch (basis 1,Xˉ,1, \bar X, \dots). Diagonaal: cyclisch desda μ=χ\mu = \chi, d.w.z. alle diagonaalentries onderscheiden (minimale veelterm is product (Xλi)(X-\lambda_i) zonder herhaling, karakteristieke is hetzelfde).

Oefening 3.10 ★★★

Voor MMn(Z)M \in M_n(\Z) gezien als endomorfisme van Zn\Z^n, bewijs de indexformule: als detM0\det M \ne 0, dan [Zn:MZn]=detM[\Z^n : M\Z^n] = \abs{\det M}, en leid af dat MGLn(Z)M \in GL_n(\Z) desda detM=±1\det M = \pm 1. Toepassing: de groep Z2\Z^2 heeft precies σ1(m)=dmd\sigma_1(m) = \sum_{d \mid m} d deelgroepen van index mm. (Tel matrices in Hermitevorm (ab0d)\bigl(\begin{smallmatrix} a & b\\ 0 & d\end{smallmatrix}\bigr), ad=mad = m, 0b<d0 \leq b < d.)

Oplossing

Oplossing van Oefening 3.10.

Smith: M=Qdiag(di)PM = Q\,\operatorname{diag}(d_i)\,P met Q,PGLn(Z)Q,P \in GL_n(\Z); [Zn:MZn]=di=detM[\Z^n : M\Z^n] = \prod\abs{d_i} = \abs{\det M} (Oefening 3.4). Dus MGLn(Z)M \in GL_n(\Z) desda de index 11 is desda detM=1\abs{\det M} = 1.

Deelgroepen van index mm in Z2\Z^2: equivalent met surjecties Z2Z/mZ\Z^2 \to \Z/m\Z tot op automorfismen, of Hermitevorm: matrices (ab0d)\bigl(\begin{smallmatrix}a & b\\ 0 & d\end{smallmatrix}\bigr) met ad=mad = m, a>0a > 0, d>0d > 0, 0b<d0 \leq b < d. Voor elke deler dmd \mid m, a=m/da = m/d, en bb heeft dd keuzes: totaal dmd=σ1(m)\sum_{d \mid m} d = \sigma_1(m).

Oefening 3.11 ★★

(Vergelijkingen xk=ex^k = e in abelse groepen) Zij GG een eindige abelse groep met invariante factoren d1d2dsd_1 \mid d_2 \mid \dots \mid d_s. (a) Toon dat voor elke k1k \geq 1,

#{xG:xk=e}  =  i=1sgcd(k,di).\#\{x \in G : x^k = e\} \;=\; \prod_{i=1}^{s}\gcd(k, d_i) .

(b) Leid af: een eindige abelse groep is cyclisch desda voor elke kk de vergelijking xk=ex^k = e hoogstens kk oplossingen heeft. (c) Herwin de cycliciteit van eindige deelgroepen van K×K^\times (KK een lichaam, Hoofdstuk 4): waarom garandeert de veelterm Xk1X^k - 1 het criterium van (b)?

Oplossing

Oplossing van Oefening 3.11.

(a) GiZ/diZG \cong \prod_i \Z/d_i\Z; xk=ex^k = e componentgewijs: in Z/diZ\Z/d_i\Z heeft kx0(moddi)kx \equiv 0 \pmod{d_i} precies gcd(k,di)\gcd(k, d_i) oplossingen. Product over ii.

(b) Als GG cyclisch van orde nn: #{x:xk=e}=gcd(k,n)k\#\{x : x^k = e\} = \gcd(k,n) \leq k. Omgekeerd, als GG niet cyclisch is, heeft ze minstens twee invariante factoren d1d2d_1 \mid d_2 met d1>1d_1 > 1; neem k=d1k = d_1: dan gcd(d1,di)d1d1=d12>d1=k\prod \gcd(d_1, d_i) \geq d_1 \cdot d_1 = d_1^2 > d_1 = k (omdat d1did_1 \mid d_i voor alle ii, en s2s \geq 2).

(c) In K×K^\times heeft Xk1X^k - 1 hoogstens kk wortels: de vergelijking xk=1x^k = 1 heeft k\leq k oplossingen in elke deelgroep. Door (b) is elke eindige deelgroep cyclisch.

Oefening 3.12 ★★★

(Elementaire matrices brengen voort) (a) Toon dat MMn(Z)M \in M_n(\Z) inverteerbaar is in Mn(Z)M_n(\Z) desda detM=±1\det M = \pm1. (b) Toon dat SL2(Z)SL_2(\Z) wordt voortgebracht door de twee elementaire matrices E=(1101)E = \bigl(\begin{smallmatrix}1 & 1\\ 0 & 1\end{smallmatrix}\bigr) en F=(1011)F = \bigl(\begin{smallmatrix}1 & 0\\ 1 & 1\end{smallmatrix}\bigr). (Voer het Euclidische algoritme uit op de eerste kolom van MSL2(Z)M \in SL_2(\Z) door linkervermenigvuldigingen met machten van E,FE, F, bereikend ±(101)\pm\bigl(\begin{smallmatrix}1 & *\\ 0 & 1\end{smallmatrix}\bigr); maak af met de hand — noteer I=(EF1E)2-I = (EF^{-1}E)^2.) (c) Verklaar het verband met Smithreductie: over Z\Z volstaan rij- en kolomoperaties van determinant 11 om te diagonaliseren, tot op tekens.

Oplossing

Oplossing van Oefening 3.12.

(a) Als MM inverteerbaar is in Mn(Z)M_n(\Z), is detMZ×={±1}\det M \in \Z^\times = \{\pm1\}. Omgekeerd, als detM=±1\det M = \pm1, is de adjunctmatrix geheeltallig en M1=(detM)1adjMMn(Z)M^{-1} = (\det M)^{-1} \operatorname{adj} M \in M_n(\Z).

(b) Zij M=(abcd)SL2(Z)M = \bigl(\begin{smallmatrix}a & b\\ c & d\end{smallmatrix}\bigr) \in SL_2(\Z). Euclidisch algoritme op (a,c)(a,c): linkervermenigvuldiging met E±1E^{\pm1} of F±1F^{\pm1} vervangt aa±ca \leftarrow a \pm c of cc±ac \leftarrow c \pm a. Herhalen tot c=0c = 0: dan ad=1ad = 1, dus a=d=±1a = d = \pm1. Als a=1a = -1: I=(EF1E)2-I = (EF^{-1}E)^2 corrigeert. Dan is MM van de vorm ±(101)=±E\pm\bigl(\begin{smallmatrix}1 & *\\ 0 & 1\end{smallmatrix}\bigr) = \pm E^{*}.

(c) Smithreductie over Z\Z gebruikt elementaire operaties (rijen/kolommen optellen, verwisselen, teken wisselen) van determinant ±1\pm1: precies GLn(Z)GL_n(\Z)-actie, voortgebracht voor n=2n=2 door E,FE, F en diagonalen ±1\pm1.

3.6 Probleem: de commutant en de dubbele commutant

Probleem 3.1

Weekendprobleem — rationale vorm, commutant, bicommutant

Zij KK een lichaam, VV een KK-vectorruimte van dimensie n1n \geq 1, en uL(V)u \in \mathcal L(V). We bestuderen de commutant

C(u)={vL(V):uv=vu},\mathcal C(u) = \{v \in \mathcal L(V) : uv = vu\},

een subalgebra van L(V)\mathcal L(V) die K[u]={P(u):PK[X]}K[u] = \{P(u) : P \in K[X]\} bevat, en bewijzen de dimensieformule van Frobenius en de dubbele-commutantstelling: C(C(u))=K[u]\mathcal C(\mathcal C(u)) = K[u]. Overal is VV de K[X]K[X]-module gedefinieerd door uu, met invariante factoren P1PsP_1 \mid \cdots \mid P_s en cyclische ontbinding V=i=1sViV = \bigoplus_{i=1}^s V_i, Vi=K[u]xiK[X]/(Pi)V_i = K[u]\,x_i \cong K[X]/(P_i), ni=degPin_i = \deg P_i (Stelling 3.16).

Deel I — De presentatiematrix XIMXI - M, en opwarmingen.

  1. Zij MMn(K)M \in M_n(K) en zij φ ⁣:K[X]nVM=Kn\varphi \colon K[X]^n \to V_M = K^n de afbeelding die (Q1,,Qn)(Q_1, \dots, Q_n) naar iQi(M)ei\sum_i Q_i(M)e_i stuurt. Toon dat φ\varphi een surjectief morfisme van K[X]K[X]-modulen is en dat elke kolom van XInMXI_n - M in kerφ\ker\varphi ligt.
  2. Toon dat, modulo de kolommen van XInMXI_n - M, elk element van K[X]nK[X]^n congruent is met een constante vector (reduceer graden met XeijmjiejXe_i \equiv \sum_j m_{ji}e_j), en leid af kerφ=(XInM)K[X]n\ker\varphi = (XI_n - M)\,K[X]^n: de module VMV_M heeft presentatiematrix XInMXI_n - M. Herwin het startpunt van Gevolg 3.17: de similariteitsinvarianten van MM zijn de niet-eenheids invariante factoren van XInMXI_n - M.
  3. Bereken de similariteitsinvarianten van: een scalaire matrix λIn\lambda I_n; een diagonale matrix met onderscheiden diagonaalentries; het n×nn \times n Jordaanse blok Jn(0)J_n(0); diag(J2(0),J1(0))\operatorname{diag}(J_2(0), J_1(0)) voor n=3n = 3.
  4. Toon dat dimK[u]=degμu=ns\dim K[u] = \deg \mu_u = n_s.

Deel II — Morfismen tussen cyclische modulen.

  1. Zij P,QP, Q monisch niet-constant. Toon dat een K[X]K[X]-morfisme f ⁣:K[X]/(P)K[X]/(Q)f \colon K[X]/(P) \to K[X]/(Q) bepaald is door f(1ˉ)f(\bar 1), en dat cˉK[X]/(Q)\bar c \in K[X]/(Q) als f(1ˉ)f(\bar 1) kan dienen desda Pcˉ=0P\bar c = 0 in K[X]/(Q)K[X]/(Q).
  2. Leid af

    HomK[X](K[X]/(P),K[X]/(Q))    K[X]/(gcd(P,Q)),\operatorname{Hom}_{K[X]}\bigl(K[X]/(P),\, K[X]/(Q)\bigr) \;\cong\; K[X]\big/\bigl(\gcd(P, Q)\bigr),

    van dimensie deggcd(P,Q)\deg \gcd(P, Q) over KK. (Toon dat de oplossingen cˉ\bar c van Pcˉ=0P\bar c = 0 in K[X]/(Q)K[X]/(Q) de cyclische submodule voortgebracht door Q/gcd(P,Q)\overline{Q/\gcd(P,Q)} vormen.)

  3. Bewijs de formule van Frobenius:

    dimKC(u)=i,j=1sdeggcd(Pi,Pj)=i=1s(2s2i+1)ni.\dim_K \mathcal C(u) = \sum_{i,j=1}^{s} \deg\gcd(P_i, P_j) = \sum_{i=1}^{s} (2s - 2i + 1)\, n_i .

    (Een commuterende vv is precies een K[X]K[X]-endomorfisme van VV; ontbind End(iVi)\operatorname{End}(\bigoplus_i V_i) als matrices van morfismen VjViV_j \to V_i en gebruik de deelbaarheidsketen.)

  4. Leid af dimC(u)n\dim \mathcal C(u) \geq n, met gelijkheid desda uu cyclisch is (s=1s = 1), en bereken dimC(u)\dim\mathcal C(u) voor u=λidu = \lambda\,\mathrm{id}: beide extremen van de formule.
  5. Verifieer de formule van Frobenius direct voor diag(J2(0),J1(0))\operatorname{diag}(J_2(0), J_1(0)) door de commutant expliciet als 3×33\times3-matrices te berekenen.

Deel III — De dubbele-commutantstelling. Zij wC(C(u))w \in \mathcal C(\mathcal C(u)); we bewijzen wK[u]w \in K[u].

  1. Toon K[u]C(C(u))K[u] \subseteq \mathcal C(\mathcal C(u)), en dat elke wC(C(u))w \in \mathcal C(\mathcal C(u)) met uu commuteert — dus is de te bewijzen inclusie, C(C(u))K[u]\mathcal C(\mathcal C(u)) \subseteq K[u], een echte verscherping van wC(u)w \in \mathcal C(u).
  2. Stel eerst dat uu cyclisch is, V=K[u]xV = K[u]x. Toon direct dat C(u)=K[u]\mathcal C(u) = K[u] (evalueer een commuterende vv op xx: v(x)=P(u)xv(x) = P(u)x voor enige PP, en vergelijk vv met P(u)P(u) op de basis ukxu^k x), en concludeer de stelling in dit geval.
  3. Terug naar het algemene geval. Voor elke ii, zij πi ⁣:VVi\pi_i\colon V \to V_i de projectie langs de andere sommanden. Toon πiC(u)\pi_i \in \mathcal C(u), en leid af dat ww elke ViV_i bewaart en commuteert met ui=uViu_i = u\restriction_{V_i}; concludeer via vraag 11 toegepast op de cyclische uiu_i: er zijn veeltermen QiQ_i met wVi=Qi(u)Viw\restriction_{V_i} = Q_i(u)\restriction_{V_i}.
  4. Het blijft de QiQ_i tot één veelterm te lijmen. Voor iji \leq j (dus PiPjP_i \mid P_j), toon dat ηij ⁣:VjVi\eta_{ij} \colon V_j \to V_i, R(u)xjR(u)xiR(u)x_j \mapsto R(u)x_i, een welgedefinieerd K[X]K[X]-morfisme is (wat gecontroleerd moet worden is dat R(u)xj=0R(u)x_j = 0 R(u)xi=0R(u)x_i = 0 impliceert), en dat η~ij=ηijπj\tilde\eta_{ij} = \eta_{ij}\circ\pi_j, uitgebreid met 00 op de andere sommanden, in C(u)\mathcal C(u) ligt.
  5. Met wη~ij=η~ijww\tilde\eta_{ij} = \tilde\eta_{ij}w, toon QiQj(modPi)Q_i \equiv Q_j \pmod{P_i} voor iji \leq j. Leid af dat Q=QsQ = Q_s QQi(modPi)Q \equiv Q_i \pmod {P_i} voor alle ii vervult, dus w=Q(u)w = Q(u) op elke ViV_i, dus op VV:

     C(C(u))=K[u]. \boxed{\ \mathcal C(\mathcal C(u)) = K[u].\ }
  6. (Coda) Leid uit de stelling af: als vv commuteert met elke matrix die met uu commuteert, en uu cyclisch is, dan is vv een veelterm in uu; en geef een voorbeeld dat C(u)=K[u]\mathcal C(u) = K[u] faalt voor u=idu = \mathrm{id}, n2n \geq 2 — waar precies treedt cycliciteit binnen?

Deel IV — Dividenden van de similariteitsinvarianten. De rationale canonieke vorm is een machine; hier zijn vijf van haar klassieke outputs.

  1. (Getransponeerde) Toon dat elke MMn(K)M \in M_n(K) gelijksoortig is met haar getransponeerde tM{}^tM. (De operaties die XIMXI - M naar Smithvorm brengen, getransponeerd, brengen XItMXI - {}^tM naar dezelfde Smithvorm: gelijke similariteitsinvarianten.)
  2. (Daling van similariteit) Zij KLK \subseteq L een lichaamsuitbreiding en M,NMn(K)M, N \in M_n(K). Toon dat als MM en NN gelijksoortig over LL zijn, ze dat over KK zijn. (De Smithvorm van XIMXI - M berekend in K[X]K[X] is nog een Smithvorm in L[X]L[X] — waarom veranderen de invariante factoren niet?) Gevolg om te onthouden: twee reële matrices geconjugeerd in GLn(C)GL_n(\C) zijn geconjugeerd in GLn(R)GL_n(\R).
  3. (Nilpotente classificatie) Zij uu nilpotent. Toon dat het aantal blokken van grootte k\geq k in haar ontbinding in nilpotente Jordaanse blokken gelijk is aan rkuk1rkuk\operatorname{rk}u^{k-1} - \operatorname{rk}u^k, en leid af: nilpotente klassen van Mn(K)M_n(K), voor elk lichaam KK, zijn in bijectie met de partities van nn. Hoeveel nilpotente klassen in M5(K)M_5(K)?
  4. (Een concreet paar) Bepaal de similariteitsinvarianten van de afgeleide D ⁣:PPD\colon P \mapsto P' werkend op de ruimte Kn1[X]K_{n-1}[X] van veeltermen van graad <n< n: (a) voor K=QK = \Q; (b) voor K=FpK = \mathbb F_p met p<np < n (in karakteristiek pp, (Xp)=0(X^p)' = 0: bereken kerDk\ker D^k en gebruik vraag 18).
  5. (Conjugatieklassen van GL2(Fq)GL_2(\mathbb F_q)) Toon met invariante factoren dat elke klasse van GL2(Fq)GL_2(\mathbb F_q) precies van één van vier types is: centraal aIaI; diagonaliseerbaar met twee onderscheiden eigenwaarden aba \neq b in Fq×\mathbb F_q^\times; niet-semisimple met minimale veelterm (Xa)2(X - a)^2; cyclisch met irreducibele karakteristieke veelterm.
  6. Tel de klassen van elk type en concludeer: GL2(Fq)GL_2(\mathbb F_q) heeft precies q21q^2 - 1 conjugatieklassen. (Tel monische irreducibele kwadratische over Fq\mathbb F_q; ongeordende paren {a,b}\{a, b\}; onthoud dat inverteerbaarheid constante termen beperkt.)
  7. (Cyclisch is generiek) Toon dat MM2(Fq)M \in M_2(\mathbb F_q) faalt cyclisch te zijn desda MM scalair is, en leid af dat een uniform willekeurige 2×22\times2-matrix over Fq\mathbb F_q cyclisch is met waarschijnlijkheid 1q31 - q^{-3}. Formuleer de analoge heuristiek voor MnM_n en grote qq (geen bewijs vereist): niet-cyclische matrices zijn zeldzaam — daarom had Deel III van Probleem 3.1 echt werk alleen nodig voorbij het generieke geval.

Deel V — Complementen.

  1. (Centrum van de commutant) Toon dat het centrum van de algebra C(u)\mathcal C(u) precies K[u]K[u] is (combineer de twee inclusies van Deel III). Leid af dat C(u)\mathcal C(u) commutatief is desda uu cyclisch is — het gelijkheidsgeval van vraag 8 herwinnend via een puur structurele route.
  2. (Welke dimensies komen voor?) Leid uit de formule van Frobenius af dat dimC(u)n(mod2)\dim\mathcal C(u) \equiv n \pmod 2 voor elke uu. Bepaal dan de exacte verzameling van waarden die dimC(u)\dim \mathcal C(u) aanneemt als uu over L(V)\mathcal L(V) met dimV=4\dim V = 4 loopt: toon dat ze {4,6,8,10,16}\{4, 6, 8, 10, 16\} is (enumereer de graadsequenties n1nsn_1 \leq \dots \leq n_s die tot 44 sommeren en realiseer elk door een nilpotente). In het bijzonder worden 1212 en 1414, hoewel van de juiste pariteit, niet bereikt: de pariteitsbeperking is noodzakelijk maar niet voldoende.
  3. (Klassevergelijking van GL2(F3)GL_2(\mathbb F_3)) Voor q=3q = 3, bereken de grootte van elke conjugatieklasse van vraag 20 via baan–stabilisator: de centralisator van een cyclische MM in GL2(Fq)GL_2(\mathbb F_q) is de eenheidsgroep van K[M]K[M] (vraag 11). Identificeer K[M]K[M] in de drie niet-centrale types, som de drie monische irreducibele kwadratische over F3\mathbb F_3 op, en verifieer de klassevergelijking

    48=GL2(F3)=21+112+28+36,48 = \abs{GL_2(\mathbb F_3)} = 2\cdot1 + 1\cdot12 + 2\cdot8 + 3\cdot6,

    met 2+1+2+3=8=q212 + 1 + 2 + 3 = 8 = q^2 - 1 klassen, zoals voorspeld door vraag 21.

Oplossing

Oplossing van Probleem 3.1.

1. φ\varphi is additief, en K[X]K[X]-lineair: φ(X(Qi)i)=i(XQi)(M)ei=MiQi(M)ei=Xφ((Qi)i)\varphi(X \cdot (Q_i)_i) = \sum_i (XQ_i)(M)e_i = M\sum_i Q_i(M)e_i = X \cdot \varphi\bigl((Q_i)_i\bigr), de modulestructuur van VMV_M zijnde Xv=MvX \cdot v = Mv. Ze is surjectief: constante vectoren geven heel KnK^n. Kolom jj van XIMXI - M is XejimijeiXe_j - \sum_i m_{ij}e_i, waarvan het beeld Mejimijei=0Me_j - \sum_i m_{ij}e_i = 0 is.

2. Modulo de kolommen, XejimijeiXe_j \equiv \sum_i m_{ij}e_i: elke vector van veeltermen reduceert, door inductie op de topgraad, tot een constante vector cKnc \in K^n. Als de oorspronkelijke vector in kerφ\ker\varphi zit, dan φ(c)=c=0\varphi(c) = c = 0 (op constanten is φ\varphi de identificatie Kn=VMK^n = V_M), dus ligt de vector in de kolomspan: kerφ=(XInM)K[X]n\ker\varphi = (XI_n - M)K[X]^n. Dus VMK[X]n/(XIM)K[X]nV_M \cong K[X]^n/(XI - M)K[X]^n, en Smith over K[X]K[X] (alle invariante factoren niet-nul, hun product is det(XIM)=χM\det(XI - M) = \chi_M) geeft VMiK[X]/(fi)V_M \cong \bigoplus_i K[X]/(f_i): de niet-constante fif_i zijn de similariteitsinvarianten, berekenbaar als quotiënten van minor-ggd’s (Stelling 3.8).

3. λIn\lambda I_n: XIλIXI - \lambda I is al Smith: invarianten (Xλ,,Xλ)(X - \lambda, \dots, X - \lambda), nn ervan. Onderscheiden diagonaalentries: ViK[X]/(Xλi)V \cong \bigoplus_i K[X]/(X - \lambda_i) met paarsgewijs comaximale moduli, dus comprimeert CRT tot de unieke cyclische K[X]/(i(Xλi))K[X]/\bigl(\prod_i(X - \lambda_i)\bigr): één invariant, χ\chi. Jn(0)J_n(0): μ=Xn=χ\mu = X^n = \chi dwingt één invariant XnX^n. diag(J2(0),J1(0))\operatorname{diag}(J_2(0), J_1(0)): elementaire delers X2,XX^2, X: invarianten P1=XP2=X2P_1 = X \mid P_2 = X^2.

4. PP(u)P \mapsto P(u) beeldt K[X]K[X] op K[u]K[u] af, met kern (μu)(\mu_u) per definitie van de minimale veelterm: K[u]K[X]/(μu)K[u] \cong K[X]/(\mu_u), van dimensie degμu=degPs=ns\deg\mu_u = \deg P_s = n_s.

5. K[X]K[X]-lineariteit dwingt f(Qˉ)=f(Q1ˉ)=Qf(1ˉ)f(\bar Q) = f(Q\cdot\bar 1) = Q\,f(\bar 1). De klasse 1ˉ\bar 1 vervult P1ˉ=0P \bar 1 = 0, dus is Pf(1ˉ)=0P f(\bar 1) = 0 noodzakelijk. Omgekeerd, als Pcˉ=0P\bar c = 0, dan is f(Qˉ)=Qcˉf(\bar Q) = Q\bar c welgedefinieerd (QQmodP(QQ)cˉQ \equiv Q' \bmod P \Rightarrow (Q - Q')\bar c \in veelvouden van Pcˉ=0P\bar c = 0) en K[X]K[X]-lineair.

6. Zij g=gcd(P,Q)g = \gcd(P, Q), P=gPP = gP', Q=gQQ = gQ' met gcd(P,Q)=1\gcd(P', Q') = 1. In K[X]/(Q)K[X]/(Q): Pcˉ=0    QPc    QPc    QcP\bar c = 0 \iff Q \mid Pc \iff Q' \mid P'c \iff Q' \mid c (Euclides, gcd(P,Q)=1\gcd(P', Q') = 1). Dus vormen de toelaatbare cˉ\bar c de submodule voortgebracht door Qˉ\bar{Q'}, waarvan de annihilator {R:QRQ}=(g)\{R : Q \mid RQ'\} = (g) is: die submodule is K[X]/(g)\cong K[X]/(g). Met vraag 5, Hom(K[X]/(P),K[X]/(Q))K[X]/(gcd(P,Q))\operatorname{Hom}(K[X]/(P), K[X]/(Q)) \cong K[X]/(\gcd(P,Q)), van dimensie deggcd(P,Q)\deg\gcd(P,Q).

7. vv commuteert met uu desda vv commuteert met elke P(u)P(u), desda vv K[X]K[X]-lineair is: C(u)=EndK[X](V)\mathcal C(u) = \operatorname{End}_{K[X]}(V). Morfismen van V=jVjV = \bigoplus_j V_j schrijvend als matrices (fij)(f_{ij}), fijHom(Vj,Vi)f_{ij} \in \operatorname{Hom}(V_j, V_i) (samenstellen met injecties en projecties), geeft vraag 6

dimC(u)=i,jdeggcd(Pi,Pj)=i,jnmin(i,j)=k=1s(2(sk)+1)nk,\dim \mathcal C(u) = \sum_{i,j} \deg\gcd(P_i, P_j) = \sum_{i,j} n_{\min(i,j)} = \sum_{k=1}^{s} \bigl(2(s - k) + 1\bigr)\,n_k ,

met de deelbaarheidsketen (gcd(Pi,Pj)=Pmin(i,j)\gcd(P_i, P_j) = P_{\min(i,j)}) en, voor de laatste stap, dat min(i,j)=k\min(i,j) = k precies voor 2(sk)+12(s - k) + 1 paren (i,j)(i, j) voorkomt.

8. Omdat 2(sk)+112(s-k)+1 \geq 1, dimC(u)knk=n\dim\mathcal C(u) \geq \sum_k n_k = n, met gelijkheid desda s=1s = 1, d.w.z. desda uu cyclisch is (Oefening 3.9). Voor u=λidu = \lambda\,\mathrm{id}: s=ns = n, alle nk=1n_k = 1: dim=k=1n(2(nk)+1)=n2\dim = \sum_{k=1}^n (2(n-k)+1) = n^2 — correct, want C(λid)=L(V)\mathcal C(\lambda\,\mathrm{id}) = \mathcal L(V).

9. Formule: invarianten (X,X2)(X, X^2), dus s=2s = 2, n1=1n_1 = 1, n2=2n_2 = 2: dim=31+12=5\dim = 3\cdot1 + 1\cdot2 = 5. Direct: in de basis (e1,e2,e3)(e_1, e_2, e_3) met ue2=e1u e_2 = e_1, ue1=ue3=0ue_1 = ue_3 = 0, levert Au=uAAu = uA voor A=(aij)A = (a_{ij}) de voorwaarden a21=a23=a31=0a_{21} = a_{23} = a_{31} = 0 en a11=a22a_{11} = a_{22}: vijf vrije parameters a11=a22,a12,a13,a32,a33a_{11}{=} a_{22}, a_{12}, a_{13}, a_{32}, a_{33}.

10. Een veelterm P(u)P(u) commuteert met alles wat met uu commuteert (ze is een som van machten van uu): K[u]C(C(u))K[u] \subseteq \mathcal C(\mathcal C(u)). En uC(u)u \in \mathcal C(u), dus commuteert elke wC(C(u))w \in \mathcal C(\mathcal C(u)) met uu.

11. Zij V=K[u]xV = K[u]x en vC(u)v \in \mathcal C(u). Schrijf v(x)=P(u)xv(x) = P(u)x (cycliciteit). Voor y=Q(u)xy = Q(u)x willekeurig: v(y)=vQ(u)x=Q(u)v(x)=Q(u)P(u)x=P(u)yv(y) = vQ(u)x = Q(u)v(x) = Q(u)P(u)x = P(u)y. Dus v=P(u)v = P(u): C(u)=K[u]\mathcal C(u) = K[u]. Dan C(C(u))=C(K[u])=C(u)=K[u]\mathcal C(\mathcal C(u)) = \mathcal C(K[u]) = \mathcal C(u) = K[u] (commutereren met heel K[u]K[u] is hetzelfde als commutereren met uu). De stelling geldt in het cyclische geval.

12. πi\pi_i is K[X]K[X]-lineair (de ontbinding is een directe som van submodulen), dus πiC(u)\pi_i \in \mathcal C(u), en ww commuteert ermee: w(Vi)=wπi(V)=πiw(V)Viw(V_i) = w\pi_i(V) = \pi_i w(V) \subseteq V_i. De beperking wi=wViw_i = w\restriction_{V_i} commuteert met de cyclische ui=uViu_i = u\restriction_{V_i} (vraag 10), en wiC(ui)=K[ui]w_i \in \mathcal C(u_i) = K[u_i] (vraag 11): wi=Qi(ui)=Qi(u)Viw_i = Q_i(u_i) = Q_i(u)\restriction_{V_i} voor enige QiK[X]Q_i \in K[X].

13. Welgedefinieerdheid van ηij(R(u)xj)=R(u)xi\eta_{ij}(R(u)x_j) = R(u)x_i: als R(u)xj=0R(u)x_j = 0 dan PjRP_j \mid R, en PiPjP_i \mid P_j geeft PiRP_i \mid R, dus R(u)xi=0R(u)x_i = 0 (Ann(xi)=(Pi)\operatorname{Ann}(x_i) = (P_i)). ηij\eta_{ij} is dan K[X]K[X]-lineair per constructie, en η~ij=ηijπj\tilde\eta_{ij} = \eta_{ij}\pi_j is een samenstelling van K[X]K[X]-morfismen VVV \to V: η~ijC(u)\tilde\eta_{ij} \in \mathcal C(u).

14. Evalueer wη~ij=η~ijww\tilde\eta_{ij} = \tilde\eta_{ij}w in xjx_j: de linkerkant is w(xi)=Qi(u)xiw(x_i) = Q_i(u)x_i; de rechterkant is ηij(Qj(u)xj)=Qj(u)xi\eta_{ij}\bigl(Q_j(u)x_j\bigr) = Q_j(u)x_i. Dus (QiQj)(u)xi=0(Q_i - Q_j)(u)\,x_i = 0: PiQiQjP_i \mid Q_i - Q_j voor alle iji \leq j. In het bijzonder, met Q=QsQ = Q_s: QQi(modPi)Q \equiv Q_i \pmod{P_i}, dus stemmen Q(u)Q(u) en Qi(u)Q_i(u) overeen op ViV_i (die Pi(u)P_i(u) doodt). Daarom w=Q(u)w = Q(u) op elke ViV_i, dus op VV: C(C(u))K[u]\mathcal C(\mathcal C(u)) \subseteq K[u], en met vraag 10, C(C(u))=K[u]\mathcal C(\mathcal C(u)) = K[u].

15. De eerste bewering is vragen 10–14 (of, voor cyclische uu, alleen vraag 11). Voor u=idu = \mathrm{id}, n2n \geq 2: C(u)=L(V)\mathcal C(u) = \mathcal L(V) heeft dimensie n2n^2, terwijl dimK[u]=degμu=1\dim K[u] = \deg\mu_u = 1. Dus faalt C(u)=K[u]\mathcal C(u) = K[u] hard; toch geldt de bicommutantstelling (C(L(V))=Kid=K[u]\mathcal C(\mathcal L(V)) = K\,\mathrm{id} = K[u]: het centrum van de matrixalgebra is de scalairen). Cycliciteit is wat de enkele commutant al veeltermig maakt; de dubbele commutant is altijd veeltermig.

16. Als P(XIM)Q=SP(XI - M)Q = S een Smithreductie is (P,QP, Q inverteerbaar over K[X]K[X]), geeft transponeren tQ(XItM)tP=tS=S{}^tQ\,(XI - {}^tM)\,{}^tP = {}^tS = S: dezelfde Smithvorm, dus hebben XIMXI - M en XItMXI - {}^tM dezelfde invariante factoren, d.w.z. MM en tM{}^tM hebben dezelfde similariteitsinvarianten (Gevolg 3.17): ze zijn gelijksoortig.

17. De similariteitsinvarianten van MM over LL zijn de invariante factoren van XIMXI - M in L[X]L[X]. Een Smithreductie van XIMXI - M over K[X]K[X] — inverteerbare P,QP, Q over K[X]K[X], diagonaal met de deelbaarheidsketen — is ook een geldige Smithreductie over L[X]L[X] (P,QP, Q blijven inverteerbaar: hun determinanten zijn niet-nulle constanten), en monische invariante factoren zijn uniek: de over KK en over LL berekende invariante factoren vallen samen. Dus MLNM \sim_L N desda ze dezelfde invariante factoren hebben desda MKNM \sim_K N. In het bijzonder zijn C\C-geconjugeerde reële matrices R\R-geconjugeerd — een uitspraak vaak analytisch bewezen (specialiseer een inverteerbare P+iQP + \iu Q), hier structureel.

18. Ontbind u=Jmt(0)u = \bigoplus J_{m_t}(0) in nilpotente Jordaanse blokken. In één blok van grootte mm, rkJmk=max(mk,0)\operatorname{rk}J_m^k = \max(m - k, 0), dus rkJmk1rkJmk=1\operatorname{rk}J_m^{k-1} - \operatorname{rk}J_m^k = 1 als mkm \geq k, 00 anders. Sommeren over blokken: rkuk1rkuk=#{t:mtk}\operatorname{rk}u^{k-1} - \operatorname{rk}u^k = \#\{t : m_t \geq k\}. De rangsequentie bepaalt dus de multiset (mt)(m_t) — een partitie van nn — en omgekeerd wordt elke partitie gerealiseerd: nilpotente klassen \leftrightarrow partities van nn, over elk lichaam. M5M_5: p(5)=7p(5) = 7 klassen (55; 4+14{+}1; 3+23{+}2; 3+1+13{+}1{+}1; 2+2+12{+}2{+}1; 2+1+1+12{+}1{+}1{+}1; 151^5).

19. (a) Over Q\Q (of elk lichaam van karakteristiek 00), Dn=0D^n = 0, Dn1(Xn1)=(n1)!0D^{n-1}(X^{n-1}) = (n-1)!\, \neq 0: DD is nilpotent van index nn op een nn-dimensionale ruimte, dus cyclisch met enkele invariant XnX^n (x=Xn1x = X^{n-1} brengt voort: haar geïtereerde afgeleiden spannen). (b) Over Fp\mathbb F_p met p<np < n: Dp=0D^p = 0, omdat de pp-de afgeleide van elke monoom XmX^m de factor m(m1)(mp+1)m(m-1)\cdots(m-p+1) draagt, een product van pp opeenvolgende gehele getallen, dus 0modp\equiv 0 \bmod p. Schrijf n=ap+rn = ap + r, 0r<p0 \leq r < p. Dan wordt kerDk\ker D^k opgespannen door de monomen XmX^m met DkXm=0D^kX^m = 0; exponenten m<nm < n tellend naar hun rest mod pp: dimkerDk=ak+min(r,k)\dim\ker D^k = ak + \min(r, k) voor 0kp0 \leq k \leq p, dus rkDk1rkDk=dimkerDkdimkerDk1=a+1kr\operatorname{rk}D^{k-1} - \operatorname{rk}D^k = \dim\ker D^k - \dim\ker D^{k-1} = a + \mathbf 1_{k \leq r}. Door vraag 18 heeft de partitie aa blokken van grootte precies pp en (als r>0r > 0) één blok van grootte rr: similariteitsinvarianten XrXpXpX^r \mid X^p \mid \dots \mid X^p. Karakteristiek verandert de canonieke vorm van de meest vertrouwde operator in de wiskunde.

20. MGL2M \in GL_2 heeft s{1,2}s \in \{1, 2\} invariante factoren. Als s=2s = 2: P1=P2=XaP_1 = P_2 = X - a (a0a \neq 0: inverteerbaarheid), d.w.z. M=aIM = aI, centraal. Als s=1s = 1: MM is cyclisch met karakteristieke == minimale veelterm χ\chi van graad 22, en de klassen corresponderen met de mogelijke χ\chi met χ(0)0\chi(0) \neq 0: χ\chi gesplitst met onderscheiden wortels aba \neq b (begeleidende \sim diagonaal); χ=(Xa)2\chi = (X - a)^2 (begeleidende, niet-semisimple); χ\chi irreducibel. Precies één type elk — de invariante factoren zijn een complete invariant.

21. Centraal: q1q - 1 keuzes van aa. Onderscheiden gesplitste eigenwaarden: ongeordende paren {a,b}Fq×\{a, b\} \subseteq \mathbb F_q^\times, aba \neq b: (q12)\binom{q-1}2 klassen. Minimale (Xa)2(X-a)^2: q1q - 1 klassen. Irreducibele kwadratische met niet-nulle constante term: alle irreducibele kwadratische kwalificeren (hun wortels zijn niet-nul), en er zijn q2q2\frac{q^2 - q}2 monische irreducibele kwadratische (de q2q^2 monische kwadratische minus de (q2)+q=q2+q2\binom q2 + q = \frac{q^2+q}2 gesplitste). Totaal:

(q1)+(q1)(q2)2+(q1)+q2q2=q21.(q - 1) + \frac{(q-1)(q-2)}2 + (q - 1) + \frac{q^2 - q}2 = q^2 - 1 .

22. Als MM niet cyclisch is, s=2s = 2 en MM is scalair (de dichotomie van vraag 20 geldt in M2M_2, inverteerbaar of niet: twee invariante factoren van graad 11 met P1P2P_1 \mid P_2 en P1=P2P_1 = P_2 dwingt M=aIM = aI). Scalairen tellen qq onder de q4q^4 matrices: cyclische kans 1q31 - q^{-3}. In het algemeen is de niet-cyclische locus van MnM_n waar de (n1)×(n1)(n-1)\times(n-1)-minoren van XIMXI - M een factor delen — een eigenlijke algebraïsche voorwaarde — dus is haar proportie O(1/q)O(1/q)-klein voor grote qq: matrices met χ=μ\chi = \mu zijn de regel, en het lijmargument van Deel III is de prijs voor de uitzonderingen.

23. Een element van het centrum van C(u)\mathcal C(u) ligt in C(u)\mathcal C(u) en commuteert met elk element van C(u)\mathcal C(u), d.w.z. ligt in C(C(u))=K[u]\mathcal C(\mathcal C(u)) = K[u] (vraag 14). Omgekeerd K[u]C(u)K[u] \subseteq \mathcal C(u), en elke P(u)P(u) commuteert met elke vC(u)v \in \mathcal C(u) (zo’n vv commuteert met uu, dus met elke macht van uu): K[u]K[u] is centraal in C(u)\mathcal C(u). Dus Z(C(u))=K[u]Z(\mathcal C(u)) = K[u]. Bijgevolg is C(u)\mathcal C(u) commutatief desda C(u)=Z(C(u))=K[u]\mathcal C(u) = Z(\mathcal C(u)) = K[u]; in dat geval dimC(u)=dimK[u]=nsn\dim\mathcal C(u) = \dim K[u] = n_s \leq n, terwijl vraag 8 dimC(u)n\dim\mathcal C(u) \geq n geeft: dus ns=nn_s = n en s=1s = 1, d.w.z. uu is cyclisch. Omgekeerd, voor cyclische uu geeft vraag 11 C(u)=K[u]\mathcal C(u) = K[u], commutatief. Structureel: een matrixalgebra gelijk aan haar eigen centrum is precies een veeltermalgebra K[u]K[u] van een cyclische uu.

24. Elke coëfficiënt 2s2i+12s - 2i + 1 in de formule van Frobenius is oneven, dus

dimC(u)=i=1s(2s2i+1)nii=1sni=n(mod2).\dim\mathcal C(u) = \sum_{i=1}^s(2s - 2i + 1)\,n_i \equiv \sum_{i=1}^s n_i = n \pmod 2 .

Voor n=4n = 4 zijn de mogelijke graadsequenties n1nsn_1 \leq \dots \leq n_s van de invariante factoren, sommerend tot 44, gelijk aan (4)(4), (1,3)(1, 3), (2,2)(2, 2), (1,1,2)(1, 1, 2), (1,1,1,1)(1, 1, 1, 1); elke wordt gerealiseerd, bijv. door de nilpotente met Pi=XniP_i = X^{n_i} (de deelbaarheidsketen geldt automatisch). De formule geeft, respectievelijk,

14=4,3+3=6,6+2=8,5+3+2=10,7+5+3+1=16.1\cdot4 = 4, \quad 3 + 3 = 6, \quad 6 + 2 = 8, \quad 5 + 3 + 2 = 10, \quad 7 + 5 + 3 + 1 = 16 .

Dus is de waardenverzameling {4,6,8,10,16}\{4, 6, 8, 10, 16\}: even getallen van de juiste pariteit, maar 1212 en 1414 komen nooit voor — tussen de bijna-cyclische sequenties en de n2n^2 van de scalair zit een gat.

25. GL2(F3)=(q21)(q2q)=86=48\abs{GL_2(\mathbb F_3)} = (q^2 - 1)(q^2 - q) = 8 \cdot 6 = 48. Centraal type: II en 2I2I, twee klassen van grootte 11. In de drie andere types is MM cyclisch (vraag 20), dus is haar centralisator in GL2GL_2 de groep van inverteerbare elementen van C(M)=K[M]\mathcal C(M) = K[M] (vraag 11), en klassegrootte =48/K[M]×=48/\abs{K[M]^\times} door baan–stabilisator. Onderscheiden gesplitste eigenwaarden: alleen het paar {1,2}\{1, 2\}, één klasse; K[M]F3×F3K[M] \cong \mathbb F_3 \times \mathbb F_3 (CRT op χ=(X1)(X2)\chi = (X-1)(X-2)), eenheden 22=42 \cdot 2 = 4, grootte 48/4=1248/4 = 12. Minimale (Xa)2(X - a)^2, a{1,2}a \in \{1, 2\}: twee klassen; K[M]F3[X]/((Xa)2)K[M] \cong \mathbb F_3[X]/((X-a)^2), eenheden q2q=6q^2 - q = 6 (constante term van de eenheid 0\neq 0 na centreren), grootte 48/6=848/6 = 8. Irreducibele χ\chi: de monische irreducibele kwadratische over F3\mathbb F_3 tellen (93)/2=3(9 - 3)/2 = 3, namelijk

X2+1,X2+X+2,X2+2X+2,X^2 + 1, \qquad X^2 + X + 2, \qquad X^2 + 2X + 2,

(geen wortels in F3\mathbb F_3: controleer 0,1,20, 1, 2); drie klassen, K[M]F9K[M] \cong \mathbb F_9, eenheden q21=8q^2 - 1 = 8, grootte 48/8=648/8 = 6. Klassevergelijking: 21+112+28+36=2+12+16+18=482\cdot1 + 1\cdot12 + 2\cdot8 + 3\cdot6 = 2 + 12 + 16 + 18 = 48; en 2+1+2+3=8=q212 + 1 + 2 + 3 = 8 = q^2 - 1 klassen, overeenstemmend met vraag 21.