Biology · Boek 4 · Bachelor Year 2

Universitaire biologie — jaar 2

Universitaire biologie — jaar 2 · Bachelor Year 2

22Populatiegenetica en natuurlijke selectie

In 1848 werd bij Manchester een zwarte berkenspanner gevangen; in 1895 waren negentien van de twintig nachtvlinders in de stad zwart, en in 1970, toen het roet verdween, was de lichte vorm terug. De vlinders veranderden niet: de verhoudingen van twee allelen in een populatie van miljoenen veranderden, onder de ogen van vogels, in enkele tientallen generaties. Darwin had gezien dat selectie soorten moet veranderen, maar had geen manier om haar te tellen; dat tellen is de populatiegenetica, en het is het rekenwerk van dit hoofdstuk. Ze vraagt hoe allelfrequenties zich gedragen wanneer er niets op inwerkt, en daarna hoe snel selectie, mutatie, migratie, toeval en inteelt ze verschuiven — en ze eindigt met de kenmerken die niet door één gen maar door vele worden bepaald, en dat is het meeste van wat selectie werkelijk ziet.

22.1 De genenpool in rust

Definitie 22.1 (Populatie, genenpool, frequenties)

Een populatie is een groep individuen van één soort die onderling voortplanten; haar genenpool is de verzameling van al hun allelen. Voor een locus met twee allelen AA en aa in een diploïde populatie van NN individuen zijn de allelfrequenties p=(2NAA+NAa)/2Np = (2N_{AA} + N_{Aa})/2N en q=1pq = 1 - p, en de genotypefrequenties zijn de fracties AAAA, AaAa en aaaa. Evolutie, in de engste zin, is een verandering van allelfrequenties tussen generaties; de vraag van dit hoofdstuk is wat ze verandert en hoeveel.

Stelling 22.2 (Hardy–Weinberg)

In een grote populatie met willekeurige paring, zonder selectie, mutatie of migratie, veranderen de allelfrequenties niet van de ene generatie op de volgende, en na één enkele generatie van willekeurige paring zijn de genotypefrequenties

AA:p2,Aa:2pq,aa:q2,AA : p^{2}, \qquad Aa : 2pq, \qquad aa : q^{2},

en blijven ze zo. Dominantie laat een dominant allel zich niet verspreiden, en een zeldzaam recessief allel gaat niet verloren: het verbergt zich in heterozygoten, die de homozygoten met 2p/q2p/q tegen één overtreffen — voor q=0.01q = 0.01 tweehonderd tegen één. De wet is de nulhypothese van de populatiegenetica: een afwijking ervan in een echte populatie, of een verandering van pp tussen generaties, is het kenmerk van een van de krachten hieronder.

Bewijs. Willekeurige paring is willekeurige versmelting van gameten: een gameet draagt AA met kans pp en aa met kans qq, onafhankelijk van zijn partner, zodat de zygote AAAA is met kans p2p^{2}, AaAa met 2pq2pq, aaaa met q2q^{2}. De allelfrequentie in de volgende generatie is p=p2+12(2pq)=p(p+q)=pp' = p^{2} + \tfrac12(2pq) = p(p + q) = p: onveranderd. Omdat de genotypefrequenties alleen van pp afhangen, zijn ze in elke generatie na de eerste dezelfde.

Voorbeeld 22.3 (Een frequentie aflezen)

Taaislijmziekte, recessief, treft één Europees kind op 2500: q2=1/2500q^{2} = 1/2500, q=0.02q = 0.02, en de dragersfrequentie is 2pq0.042pq \approx 0.04 — één persoon op 25 draagt een allel dat zijn homozygoten doodt, en 98%98\,\% van de kopieën van het allel zit in gezonde dragers, waar selectie ze niet kan zien. Daarom wordt een letaal recessief allel zo traag verwijderd, en daarom hadden eugenetische plannen om recessieve ziekten uit te roeien door de getroffenen te steriliseren nooit kunnen werken: het rekenwerk van de volgende paragraaf laat zien hoe traag.

22.2 Selectie

Definitie 22.4 (Fitness)

De fitness ww van een genotype is zijn relatieve bijdrage aan nakomelingen voor de volgende generatie — overleving tot de voortplanting maal vruchtbaarheid, geschaald zodat het beste genotype w=1w = 1 heeft. De selectiecoëfficiënt ss van een genotype is zijn tekort, w=1sw = 1 - s. Fitness is een eigenschap van een genotype in een omgeving, niet van een allel op zich: het allel van de melanistische vlinder had w>1w > 1 ten opzichte van het lichte op beroete schors en w<1w < 1 op korstmos.

Stelling 22.5 (Selectie verandert de allelfrequentie)

Met genotypefitnesses wAAw_{AA}, wAaw_{Aa}, waaw_{aa} is de gemiddelde fitness wˉ=p2wAA+2pqwAa+q2waa\bar w = p^{2}w_{AA} + 2pq\,w_{Aa} + q^{2}w_{aa} en is de allelfrequentie in de volgende generatie

p=p2wAA+pqwAawˉ,Δp=pp=pq[p(wAAwAa)+q(wAawaa)]wˉ.p' = \frac{p^{2}w_{AA} + pq\,w_{Aa}}{\bar w}, \qquad \Delta p = p' - p = \frac{pq\,\bigl[p(w_{AA} - w_{Aa}) + q(w_{Aa} - w_{aa})\bigr]}{\bar w}.

Twee gevolgen. Ten eerste is Δp\Delta p evenredig met pqpq: selectie werkt het snelst bij tussenliggende frequenties en het traagst wanneer een allel zeldzaam of bijna gefixeerd is — er is dan weinig variatie om op in te werken. Ten tweede is de verandering tegen een recessief allel (wAA=wAa=1w_{AA} = w_{Aa} = 1, waa=1sw_{aa} = 1 - s) gelijk aan Δq=spq2/wˉ\Delta q = -s\,pq^{2}/\bar w, evenredig met q2q^{2}: een zeldzaam recessief allel is voor selectie bijna onzichtbaar, en het halveren van zijn frequentie vanaf 0.010.01 duurt ongeveer honderd generaties, zelfs wanneer zijn homozygoten letaal zijn. Een gunstig dominant allel verspreidt zich eerst snel en stokt op het eind, om dezelfde reden.

Bewijs. Van de nakomelingen is een fractie p2wAA/wˉp^{2}w_{AA}/\bar w van type AAAA en 2pqwAa/wˉ2pq\,w_{Aa}/\bar w van type AaAa (de frequentie van elk genotype gewogen naar zijn fitness en opnieuw genormeerd); de AA-allelen onder hen zijn alle van de eerste en de helft van de tweede, wat pp' geeft. Aftrekken van p=pwˉ/wˉp = p\bar w/\bar w en uitwerken van wˉ\bar w geeft Δp\Delta p. Voor een letaal recessief allel (s=1s = 1): q=q20+pqq' = q^{2}\cdot 0 + pq gedeeld door wˉ=1q2\bar w = 1 - q^{2}, dus q=q/(1+q)q' = q/(1 + q), vandaar 1/q=1/q+11/q' = 1/q + 1, en na tt generaties 1/qt=1/q0+t1/q_t = 1/q_0 + t: van q0=0.01q_0 = 0.01 tot 0.0050.005 duurt het t=100t = 100.

Selectie aan het werk met een voordeel van 10\,\%. Een begunstigd dominant allel stijgt in zeventig generaties van 1\,\% tot een meerderheid en vertraagt daarna, terwijl zijn zeldzame recessieve tegenhanger zich in heterozygoten verbergt; een begunstigd recessief allel op 1\,\% komt in dezelfde tijd nauwelijks vooruit, omdat het bijna nooit zichtbaar wordt.
Selectie aan het werk met een voordeel van 10%10\,\%. Een begunstigd dominant allel stijgt in zeventig generaties van 1%1\,\% tot een meerderheid en vertraagt daarna, terwijl zijn zeldzame recessieve tegenhanger zich in heterozygoten verbergt; een begunstigd recessief allel op 1%1\,\% komt in dezelfde tijd nauwelijks vooruit, omdat het bijna nooit zichtbaar wordt.

Propositie 22.6 (Soorten selectie)

Gerichte selectie begunstigt één uiterste en drijft een allel naar fixatie (de melanistische vlinder in een beroet bos; antibioticaresistentie; de snavelgrootte van een vink bij droogte). Stabiliserende selectie begunstigt het midden en verwijdert de uitersten (het geboortegewicht bij de mens: de baby’s die sterven zijn de kleinste en de grootste); ze houdt een populatie waar ze is en is de meest voorkomende soort. Disruptieve selectie begunstigt beide uitersten tegenover het midden, en kan een populatie splitsen (Hoofdstuk 23). Balancerende selectie houdt twee allelen voor onbepaalde tijd in de populatie: door heterozygotenvoordeel, wanneer AaAa fitter is dan elk van beide homozygoten — met wAA=1sw_{AA} = 1 - s, waa=1tw_{aa} = 1 - t, wAa=1w_{Aa} = 1 komt de frequentie tot rust op p^=t/(s+t)\hat p = t/(s + t) — of door frequentieafhankelijke selectie, wanneer een genotype fitter is naarmate het zeldzamer is (de zeldzame SS-allelen van Hoofdstuk 6, prooien die een roofdier nog niet heeft leren herkennen, de twee bekvormen van een schubbenetende vis).

Bewijsmateriaal. Sikkelcelhemoglobine doodt de meeste homozygoten voordat ze zich voortplanten, en toch staat het allel in het malariagebied van Afrika op 10%10\,\% tot 20%20\,\%. Allison (1954) toonde aan dat heterozygote kinderen veel minder en mildere malaria-infecties hadden dan elk van beide homozygoten, en de frequentie van het allel valt samen met de historische verspreiding van falciparummalaria; in populaties van Afrikaanse afkomst die leven waar geen malaria is, daalt de frequentie sindsdien. Met t0.8t \approx 0.8 voor de sikkelcelhomozygoot en s0.1s \approx 0.1 voor de normale homozygoot in een malariagebied is q^=s/(s+t)0.11\hat q = s/(s + t) \approx 0.11 — wat wordt waargenomen.

22.3 Mutatie, migratie en het evenwicht

Stelling 22.7 (Mutatie-selectie-evenwicht)

Een schadelijk allel wordt door mutatie aangevuld met een snelheid μ\mu per gameet per generatie en door selectie verwijderd. In evenwicht heffen de twee elkaar op: voor een recessief allel met homozygoot nadeel ss,

q^=μ/s;\hat q = \sqrt{\mu/s}\,;

voor een dominant (of gedeeltelijk dominant) allel met heterozygoot nadeel hshs, q^=μ/hs\hat q = \mu/hs. De evenwichtsfrequentie van een recessief allel is dus groot, zelfs voor een letaal: met μ=105\mu = 10^{-5} en s=1s = 1 is q^=3×103\hat q = 3\times 10^{-3}, en 0.6%0.6\,\% van de populatie draagt het. Elke populatie draagt zo’n genetische last op duizenden loci, grotendeels recessief en verborgen, en het evenwicht van de ratelredenering van Hoofdstuk 7 — een fractie eU/se^{-U/s} van de individuen zonder schadelijke mutaties — is hetzelfde evenwicht, opgeteld over het genoom.

Bewijs. In elke generatie voegt mutatie μpμ\mu p \approx \mu aan qq toe en verwijdert selectie spq2/wˉsq2s\,pq^{2}/\bar w \approx sq^{2} (voor kleine qq); μ=sq^2\mu = s\hat q^{2} stellen geeft het recessieve resultaat. Voor een dominant allel verwijdert selectie hsqhs\,q per generatie (elke kopie is zichtbaar in een heterozygoot), en μ=hsq^\mu = hs\hat q.

Propositie 22.8 (Migratie en de regel van één migrant)

Als elke generatie een fractie mm van een populatie bestaat uit immigranten uit een populatie met allelfrequentie pmp_{m}, verschuift de frequentie naar pmp_{m} met Δp=m(pmp)\Delta p = m(p_{m} - p): het verschil tussen de twee populaties neemt af als (1m)t(1 - m)^{t}. Genenstroom maakt gelijk; hij maakt lokale aanpassing ongedaan tenzij de selectie sterker is dan mm, en hij is de kracht die een soort één soort houdt. Omgekeerd lopen populaties die geen migranten uitwisselen uiteen door drift en door hun eigen mutaties, en één enkele migrant per generatie — ongeacht de populatiegrootte — volstaat om te voorkomen dat ze door drift voor verschillende allelen gefixeerd raken.

22.4 Toeval: genetische drift

Stelling 22.9 (Genetische drift)

In een populatie van NN diploïde individuen is de allelfrequentie van elke generatie een willekeurige steekproef van 2N2N gameten uit de vorige, zodat pp willekeurig zwerft met een variantie van p(1p)/2Np(1 - p)/2N per generatie. De heterozygotie H=2pqH = 2pq neemt gemiddeld elke generatie af met een factor (11/2N)(1 - 1/2N),

Ht=H0(112N)tH0et/2N,H_t = H_0\left(1 - \frac{1}{2N}\right)^{t} \approx H_0\,e^{-t/2N},

en elk allel gaat uiteindelijk verloren of raakt gefixeerd, met een kans gelijk aan zijn huidige frequentie: een nieuwe neutrale mutatie, met frequentie 1/2N1/2N, wordt gefixeerd met kans 1/2N1/2N en doet daar, als dat gebeurt, ongeveer 4N4N generaties over. Drift is verwaarloosbaar in een populatie van miljoenen en overheersend in een van enkele tientallen: een flessenhals of een stichtersgebeurtenis — enkele kolonisten op een eiland, een soort die door de jacht tot honderd dieren is teruggebracht — verliest in één generatie allelen door toeval en laat een populatie achter die uniform, verarmd en vol homozygoten is. De NN die telt, is de effectieve grootte, het aantal individuen dat zich werkelijk voortplant, meestal veel kleiner dan het getelde aantal.

Bewijs. De 2N2N genkopieën van de volgende generatie worden met teruglegging getrokken uit een pool waarin AA frequentie pp heeft: het aantal AA-kopieën is binomiaal verdeeld met gemiddelde 2Np2Np en variantie 2Np(1p)2Np(1 - p), zodat pp' gemiddelde pp en variantie p(1p)/2Np(1 - p)/2N heeft. Twee kopieën die in de volgende generatie willekeurig worden getrokken, komen met kans 1/2N1/2N van dezelfde ouderlijke kopie en zijn dan identiek, zodat de kans dat twee kopieën verschillen (de heterozygotie) elke generatie met 11/2N1 - 1/2N wordt vermenigvuldigd. Fixatiekans: de frequentie van een neutraal allel is een martingaal — de verwachtingswaarde verandert nooit — en eindigt op 0 of 1, dus de kans om op 1 te eindigen is gelijk aan de beginwaarde.

Drift. Twee populaties van tien individuen die bij p = 0.5 beginnen, fixeren binnen vijfentwintig generaties tegengestelde allelen; twee van duizend zwerven in zestig generaties enkele procenten.
Drift. Twee populaties van tien individuen die bij p=0.5p = 0.5 beginnen, fixeren binnen vijfentwintig generaties tegengestelde allelen; twee van duizend zwerven in zestig generaties enkele procenten.

Propositie 22.10 (Inteelt)

Paring tussen verwanten verandert de allelfrequenties niet, maar verhoogt het aandeel homozygoten: de inteeltcoëfficiënt FF van een individu is de kans dat zijn twee allelen op een locus identiek door afstamming zijn, en de genotypefrequenties worden p2+Fpqp^{2} + Fpq, 2pq(1F)2pq(1 - F), q2+Fpqq^{2} + Fpq. Voor nakomelingen van volle neven en nichten is F=1/16F = 1/16, van broers en zussen 1/41/4, van zelfbevruchting 1/21/2. Omdat de recessieve allelen van de genetische last in de extra homozygoten zichtbaar worden, lijden ingeteelde nakomelingen aan inteeltdepressie: een letaal recessief allel op q=0.01q = 0.01 verschijnt bij q2=104q^{2} = 10^{-4} van de nakomelingen uit willekeurige paring, maar bij q2+Fpq=7×104q^{2} + Fpq = 7\times 10^{-4} van de kinderen van neven en nichten, zeven keer meer; opgeteld over duizenden loci hebben kinderen van neven en nichten ongeveer twee keer de zuigelingensterfte van anderen, en een kleine populatie die generaties lang inteelt, verliest vruchtbaarheid en vitaliteit — het lot van het jachtluipaard, de Floridapanter en de koningshuizen van Europa.

22.5 Veel genen: kwantitatieve kenmerken

Stelling 22.11 (Erfelijkheidsgraad en respons op selectie)

Een kenmerk zoals lichaamslengte, opbrengst of snaveldiepte wordt bepaald door veel genen met een klein effect en door de omgeving, en varieert continu. De variantie ervan in een populatie valt uiteen in een genetisch deel VGV_G en een omgevingsdeel VEV_E, en de erfelijkheidsgraad h2=VA/VPh^{2} = V_A/V_P is de fractie van de fenotypische variantie die te danken is aan de additieve effecten van genen (het deel dat wordt doorgegeven). Als de ouders van de volgende generatie worden geselecteerd met een gemiddelde dat dat van de populatie met SS overtreft (het selectiedifferentieel), overtreft hun nageslacht het met

R=h2SR = h^{2}\,S

— de fokkersvergelijking. Het is het hele fokken van dieren en planten in één regel: een erfelijkheidsgraad van 0.50.5 en ouders een standaardafwijking boven het gemiddelde geven nakomelingen een halve standaardafwijking erboven, en de winst stapelt zich generatie na generatie op. Erfelijkheidsgraad is een eigenschap van een populatie in een omgeving, niet van een kenmerk: ze zegt niets over de vraag of een eigenschap vastligt, en een eigenschap met h2=0.8h^{2} = 0.8 in de ene populatie kan h2=0h^{2} = 0 hebben in een andere waarin elk individu hetzelfde genotype heeft.

Bewijs. Het verwachte fenotype van de nakomelingen regresseert op dat van het ouderlijk gemiddelde met helling h2h^{2} (de additief-genetische covariantie tussen verwanten gedeeld door de fenotypische variantie), zodat een ouderlijke afwijking SS een afwijking h2Sh^{2}S bij de nakomelingen geeft. In de praktijk wordt h2h^{2} uit die regressie gemeten, of uit de gelijkenis van tweelingen en broers en zussen, of uit de respons zelf.

Bewijsmateriaal. Het maïsexperiment van Illinois, begonnen in 1896, selecteerde elk jaar de kolven met het hoogste en het laagste oliegehalte: na honderd generaties was de hoge lijn gestegen van 5%5\,\% tot 20%20\,\% olie en de lage lijn gedaald tot onder 1%1\,\%, en beide reageerden nog — de variatie van veel genen raakt door een eeuw selectie niet uitgeput. Op de Galápagos maten de Grants elke vink op één eiland tijdens de droogte van 1977: de overlevenden hadden snavels die 4%4\,\% dieper waren dan die van de doden, het kenmerk had h20.7h^{2} \approx 0.7, en de kuikens van het volgende jaar hadden snavels die 3%3\,\% dieper waren dan die van de vorige generatie — selectie waargenomen, gemeten, en haar respons voorspeld door de vergelijking hierboven.

De fokkersvergelijking in een vinkenpopulatie. De droogte liet overlevenden achter met een gemiddelde snavel die S = 0.5\, mm dieper was; met h2 = 0.7 waren hun nakomelingen R = 0.35\, mm dieper dan de generatie ervoor.
De fokkersvergelijking in een vinkenpopulatie. De droogte liet overlevenden achter met een gemiddelde snavel die S=0.5mmS = 0.5\,\mathrm{mm} dieper was; met h2=0.7h^{2} = 0.7 waren hun nakomelingen R=0.35mmR = 0.35\,\mathrm{mm} dieper dan de generatie ervoor.

Voorbeeld 22.12 (Het rekenwerk van de vlinder)

Het melanistische allel van de berkenspanner is dominant. Van een frequentie van ongeveer 10310^{-3} in 1848 tot 90%90\,\% van de vlinders (een frequentie van bijna 0.70.7) in 1895 is vijftig generaties; de selectievergelijking reproduceert dat met ss tussen 0.20.2 en 0.30.3 tegen de lichte vorm — en de loslaatexperimenten van Kettlewell in de jaren 1950, waarin vogels ongeveer in die verhouding lichte vlinders van beroete stammen en donkere van schone stammen haalden, maten de coëfficiënt rechtstreeks. De terugkeer na de wetten voor schone lucht, van 90%90\,\% melanistisch in 1960 tot onder 10%10\,\% in 2000, verliep met dezelfde snelheid in de andere richting. De hele episode — een grote populatie, een dominant allel, een sterke en omkeerbare selectieve factor — is populatiegenetica die zich in het openbaar voltrekt.

Links: de twee vormen van de berkenspanner op korstmos — welke een vogel vindt, hangt af van de schors. Rechts: het schelppolymorfisme van de gewone tuinslak, met kleuren en banden die in elke populatie in stand worden gehouden door roofdieren die de gewone vorm leren herkennen. Links: de twee vormen van de berkenspanner op korstmos — welke een vogel vindt, hangt af van de schors. Rechts: het schelppolymorfisme van de gewone tuinslak, met kleuren en banden die in elke populatie in stand worden gehouden door roofdieren die de gewone vorm leren herkennen.
Links: de twee vormen van de berkenspanner op korstmos — welke een vogel vindt, hangt af van de schors. Rechts: het schelppolymorfisme van de gewone tuinslak, met kleuren en banden die in elke populatie in stand worden gehouden door roofdieren die de gewone vorm leren herkennen.

22.6 Opgaven

Oefening 22.1

In een steekproef van 1000 mensen zijn er 640 MMMM, 320 MNMN en 40 NNNN. Bereken de allelfrequenties en de verwachtingen volgens Hardy–Weinberg. Is de populatie in evenwicht?

Oplossing

Oplossing van Oefening 22.1.

p(M)=(1280+320)/2000=0.8p(M) = (1280 + 320)/2000 = 0.8, q(N)=0.2q(N) = 0.2. Verwacht MMMM: 0.64×1000=6400.64\times 1000 = 640; MNMN: 2×0.8×0.2×1000=3202\times 0.8\times 0.2\times 1000 = 320; NNNN: 40 — precies de waargenomen aantallen. De populatie is voor dit locus in evenwicht.

Oefening 22.2

Albinisme is recessief en treft één persoon op 2000020\,000. Bereken de allelfrequentie en de dragersfrequentie.

Oplossing

Oplossing van Oefening 22.2.

q=1/20000=0.0071q = \sqrt{1/20000} = 0.0071; dragers 2pq0.0142pq \approx 0.014, één persoon op 70. Dragers overtreffen getroffenen met 2p/q2802p/q \approx 280 tegen één.

Oefening 22.3

Definieer fitness, selectiecoëfficiënt en erfelijkheidsgraad, en noem de vijf krachten die allelfrequenties veranderen.

Oplossing

Oplossing van Oefening 22.3.

Fitness: het verwachte aantal nakomelingen van een genotype ten opzichte van het beste. Selectiecoëfficiënt ss: het fitnesstekort, w=1sw = 1 - s. Erfelijkheidsgraad h2h^{2}: de fractie van de fenotypische variantie die additief-genetisch is, of gelijkwaardig de helling van nakomelingen op ouders. Krachten: mutatie, selectie, drift, migratie, niet-willekeurige paring (de laatste verandert genotypefrequenties, geen allelfrequenties).

Oefening 22.4

Geef van gerichte, stabiliserende en balancerende selectie elk een voorbeeld, met telkens de selecterende factor.

Oplossing

Oplossing van Oefening 22.4.

Gericht: melanisme bij de berkenspanner, met als factor de vogels die op zicht jagen op door roet verdonkerde stammen. Stabiliserend: het geboortegewicht bij de mens, met als factor de sterfte van zeer kleine en zeer grote baby’s. Balancerend: sikkelcel, met als factoren malaria (tegen AAAA) en bloedarmoede (tegen SSSS) samen.

Oefening 22.5 ★★

Een letaal recessief allel heeft frequentie 0.020.02. Hoeveel generaties duurt het om die te halveren? Om 0.0010.001 te bereiken? Wat zegt dit over het effect van het verhinderen dat getroffenen zich voortplanten?

Oplossing

Oplossing van Oefening 22.5.

qt=q0/(1+tq0)q_t = q_0/(1 + tq_0): halveren duurt 1/q0=501/q_0 = 50 generaties; 0.0010.001 bereiken duurt 1/0.0011/0.02=9501/0.001 - 1/0.02 = 950 generaties. Bijna alle kopieën van het allel zitten in heterozygoten, onzichtbaar voor selectie; getroffenen verhinderen zich voort te planten (wat de natuur al doet, want ze zijn dood) verandert binnen een mensenleven niets meetbaars.

Oefening 22.6 ★★

Bereken met wAA=1w_{AA} = 1, wAa=1w_{Aa} = 1, waa=0.8w_{aa} = 0.8 en p=0.3p = 0.3 wˉ\bar w, pp' en Δp\Delta p. Herhaal voor p=0.9p = 0.9. Waarom is de tweede verandering zoveel kleiner?

Oplossing

Oplossing van Oefening 22.6.

p=0.3p = 0.3: wˉ=0.09+0.42+0.8×0.49=0.902\bar w = 0.09 + 0.42 + 0.8\times 0.49 = 0.902; p=(0.09+0.21)/0.902=0.333p' = (0.09 + 0.21)/0.902 = 0.333; Δp=+0.033\Delta p = +0.033. p=0.9p = 0.9: wˉ=0.998\bar w = 0.998, p=0.9018p' = 0.9018, Δp=+0.0018\Delta p = +0.0018. Bij p=0.9p = 0.9 is maar q2=0.01q^{2} = 0.01 van de populatie aaaa: het allel waartegen selectie werkt, zit verborgen in heterozygoten, en Δp=spq2/wˉ\Delta p = spq^{2}/\bar w bevat de factor q2q^{2}.

Oefening 22.7 ★★

De sikkelcelhomozygoot heeft in een malariagebied w=0.2w = 0.2 en de normale homozygoot w=0.88w = 0.88, de heterozygoten w=1w = 1. Bereken de evenwichtsfrequentie van het sikkelcelallel en de fractie van de kinderen die in evenwicht met de ziekte wordt geboren.

Oplossing

Oplossing van Oefening 22.7.

Met s=0.12s = 0.12 tegen AAAA en t=0.8t = 0.8 tegen SSSS is q^=s/(s+t)=0.12/0.92=0.13\hat q = s/(s + t) = 0.12/0.92 = 0.13. Getroffen geboorten q^2=0.017\hat q^{2} = 0.017, ongeveer één kind op 60 — de prijs van de bescherming die de heterozygoten genieten.

Oefening 22.8 ★★

Een recessief letaal allel ontstaat door mutatie met μ=2×105\mu = 2 \times 10^{-5}\, per gameet. Bereken zijn evenwichtsfrequentie en de fractie getroffen geboorten. Een dominant letaal allel (vóór de voortplanting) met dezelfde snelheid: welke fractie van de geboorten?

Oplossing

Oplossing van Oefening 22.8.

Recessief letaal: q^=μ=2×105=0.0045\hat q = \sqrt{\mu} = \sqrt{2\times 10^{-5}} = 0.0045; getroffen geboorten q^2=μ=2×105\hat q^{2} = \mu = 2\times 10^{-5}, één op 5000050\,000. Dominant letaal: elke kopie wordt verwijderd in de generatie waarin ze verschijnt, zodat de getroffen geboorten gewoon de nieuwe mutaties zijn, 2μ=4×1052\mu = 4\times 10^{-5} (twee gameten per geboorte), één op 2500025\,000 — het recessieve allel verbergt zijn kopieën tweehonderd tegen één, het dominante verbergt niets.

Oefening 22.9 ★★

Een populatie van 50 zich voortplantende individuen begint met H=0.5H = 0.5. Bereken haar heterozygotie na 10, 50 en 200 generaties. Hoe groot moet een populatie zijn om over 100 generaties 90%90\,\% van haar heterozygotie te behouden?

Oplossing

Oplossing van Oefening 22.9.

Ht=0.5(11/100)tH_t = 0.5\,(1 - 1/100)^{t}: na 10 generaties 0.450.45; na 50 0.300.30; na 200 0.0670.067. Voor (11/2N)100=0.9(1 - 1/2N)^{100} = 0.9: 100/(2N)ln0.9=0.105100/(2N) \approx -\ln 0.9 = 0.105, dus N475N \approx 475, ongeveer 500 zich voortplantende individuen.

Oefening 22.10 ★★★

Een eiland wordt gekoloniseerd door 10 vogels uit een populatie op het vasteland waarin een allel frequentie 0.10.1 heeft. Bereken de kans dat het allel bij de stichters ontbreekt, en de kans dat het op het eiland uiteindelijk gefixeerd raakt als het in één kopie aanwezig is. Vergelijk met het vasteland.

Oplossing

Oplossing van Oefening 22.10.

Twintig genkopieën: P(afwezig)=0.920=0.12P(\text{afwezig}) = 0.9^{20} = 0.12. Eén enkele kopie onder 20 heeft frequentie 0.050.05, en een neutraal allel raakt gefixeerd met een kans gelijk aan zijn frequentie: 0.050.05. Op een vasteland van, zeg, 100000100\,000 vogels heeft één kopie een kans van 5×1065\times 10^{-6} om gefixeerd te raken. Het eiland is een plek waar zeldzame allelen verloren gaan en waar de allelen die overleven de overhand kunnen krijgen: drift verarmt en differentieert tegelijk.

Oefening 22.11 ★★★

De melkgift heeft h2=0.3h^{2} = 0.3 en een standaardafwijking van 1000L1000\,\mathrm{L}. Een fokker houdt de beste 20%20\,\% van de koeien als moeders (hun gemiddelde ligt 1.41.4 standaardafwijkingen boven dat van de kudde). Bereken de respons per generatie. Als stieren uit de beste 1%1\,\% worden gekozen (gemiddelde 2.72.7 standaardafwijkingen erboven), wat is dan de respons? Waarom vertraagt de respons na veel generaties?

Oplossing

Oplossing van Oefening 22.11.

R=h2S=0.3×1.4×1000L=420LR = h^{2}S = 0.3\times 1.4\times 1000\,\mathrm{L} = 420\,\mathrm{L} per generatie. Met stieren uit de beste 1%1\,\% is het gemiddelde differentieel (1.4+2.7)/2=2.05(1.4 + 2.7)/2 = 2.05 standaardafwijkingen en R=0.3×2050=615LR = 0.3\times 2050 = 615\,\mathrm{L}. De respons vertraagt omdat selectie de additieve variantie opgebruikt — gunstige allelen raken gefixeerd en h2h^{2} daalt — en omdat de gecorreleerde veranderingen in andere eigenschappen (vruchtbaarheid, gezondheid) kosten opleggen die selectie op alleen de melkgift niet ziet.

Oefening 22.12 ★★★

“Selectie is blind voor wat ze niet kan zien.” Bespreek, met het recessieve allel in heterozygoten, de neutrale mutatie en het kenmerk met een erfelijkheidsgraad nul, waarop selectie wel en niet kan inwerken.

Oplossing

Oplossing van Oefening 22.12.

Selectie ziet fenotypen. Een recessief allel in een heterozygoot geeft geen fenotype, dus selectie kan het niet verwijderen, en zijn frequentie daalt als 1/t1/t, steeds trager. Een neutrale mutatie maakt geen verschil in fitness; haar lot hangt alleen van drift af, en ze raakt gefixeerd met kans 1/2N1/2N. Een kenmerk met een erfelijkheidsgraad nul kan sterk worden geselecteerd — de overlevenden kunnen sterk van de populatie verschillen — en toch is de volgende generatie onveranderd, omdat de verschillen niet erfelijk waren. Selectie kan alleen inwerken op erfelijke verschillen die voor de fitness verschil maken; al het andere evolueert door toeval of helemaal niet.

22.7 Vraagstuk: de vlinder, het eiland en de kudde

Probleem 22.1

Weekendvraagstuk — de opkomst van de berkenspanner berekend met de selectievergelijking, de drift en inteelt van een stichterspopulatie gevolgd, een mutatie-selectie-evenwicht opgesteld, en een fokprogramma voorspeld, met als besluit de selectiecoëfficiënt van de vlinder, de heterozygotie van het eiland en de winst van de kudde

Berkenspanner: melanistisch allel MM dominant, frequentie p0=0.001p_0 = 0.001 in 1848; 90%90\,\% van de vlinders melanistisch 50 generaties later; neem aan wMM=wMm=1w_{MM} = w_{Mm} = 1 en wmm=1sw_{mm} = 1 - s. Eiland: gesticht door 12 vogels van een vasteland waar H=0.4H = 0.4 en een recessief schadelijk allel q=0.05q = 0.05 heeft; het eiland herbergt daarna 40 zich voortplantende vogels. Mutatie: μ=1×105\mu = 1 \times 10^{-5}\,. Kudde: h2=0.4h^{2} = 0.4, standaardafwijking 800L800\,\mathrm{L}.

Deel I — De vlinder.

  1. Welke fractie van de vlinders was in 1848 melanistisch, en welke fractie van de MM-allelen zat in heterozygoten?
  2. Toon aan dat, met MM dominant, de frequentie van het lichte allel voldoet aan q=q(1sq)/(1sq2)q' = q(1 - sq)/(1 - sq^{2}).
  3. Bereken, uitgaande van q0=0.999q_0 = 0.999, qq na één generatie voor s=0.3s = 0.3.
  4. 90%90\,\% melanistisch betekent q2=0.1q^{2} = 0.1. Wat is qq dan?
  5. Schat door proberen met de recursie (of de benadering Δqsq2p\Delta q \approx -sq^{2}p zolang qq dicht bij 1 ligt) het aantal generaties dat s=0.3s = 0.3 nodig heeft om qq van 0.9990.999 tot 0.320.32 te brengen, en vergelijk met de waargenomen 50.
  6. Na de wetten voor schone lucht heeft de lichte vorm het voordeel: s=0.3s = 0.3 tegen mmmm wordt s=0.3s = 0.3 tegen M_M\_. Toon aan dat Δp=spq2/wˉ\Delta p = -spq^{2}/\bar w, en leg uit waarom de terugkeer van de lichte vorm eerst traag is en eindigt in een exponentiële afname van MM, terwijl de opkomst exponentieel begon en in een slakkengang eindigde.

Deel II — Het eiland.

  1. Bereken de kans dat geen van de 12 stichters het schadelijke allel draagt.
  2. Bereken de verwachte heterozygotie na de stichtersgeneratie (getrokken uit H=0.4H = 0.4 door 12 individuen, d.w.z. 24 genkopieën).
  3. Bereken de heterozygotie na 100 generaties bij N=40N = 40, als fractie van die van het vasteland.
  4. Een neutrale mutatie verschijnt in één vogel. Bereken haar fixatiekans en de verwachte tijd tot fixatie als ze gefixeerd raakt.
  5. De eilandvogels paren willekeurig maar zijn allemaal verwant. Met F=1/(2N)F = 1/(2N) die zich per generatie opstapelt tot ongeveer 0.30.3 na 30 generaties, bereken de frequentie van getroffen homozygoten voor het allel met q=0.05q = 0.05, met en zonder inteelt.
  6. Elke generatie komt er één vogel van het vasteland aan. Leg uit wat dit doet met de divergentie van het eiland en met zijn last.

Deel III — Het evenwicht.

  1. Bereken de evenwichtsfrequentie van een recessief letaal allel dat wordt aangevuld met μ=105\mu = 10^{-5}, en de fractie getroffen geboorten.
  2. Bereken hetzelfde voor s=0.1s = 0.1 (een licht schadelijk recessief allel).
  3. Bereken het evenwicht voor een dominant allel met heterozygoot nadeel hs=0.05hs = 0.05.
  4. De geneeskunde geneest de letale aandoening, zodat ss daalt tot 0.10.1. Hoe verandert het evenwicht, en hoelang (in orde van grootte) doet de populatie erover om daar te komen?
  5. Het genoom heeft 2000020\,000 genen die elk met 10510^{-5} muteren tot een recessief letaal allel. Hoeveel letale allelen draagt een gemiddelde persoon in heterozygote toestand? (In evenwicht heeft elk locus 2q^2\hat q kopieën per persoon.)
  6. Leg uit waarom dat aantal verenigbaar is met een gezonde populatie en waarom het een huwelijk tussen neef en nicht kostbaar maakt.

Deel IV — De kudde.

  1. De fokker houdt de beste 30%30\,\% van de koeien (gemiddelde 1.161.16 standaardafwijkingen boven de kudde). Bereken het selectiedifferentieel in liters en de respons.
  2. Wat is na vijf generaties van dezelfde selectie de verwachte winst, en waarom zou de werkelijke winst kleiner kunnen zijn?
  3. Stieren leveren de helft van de genen en worden uit de beste 2%2\,\% gekozen (2.42.4 standaardafwijkingen). Bereken de respons wanneer koeien en stieren zoals hierboven worden geselecteerd (neem het gemiddelde van de twee differentiëlen).
  4. Een kudde waarin alle koeien klonen van één dier zijn: wat zijn h2h^{2} en de respons? Wat zegt dat over de erfelijkheidsgraad?
  5. Een vinkenpopulatie heeft h2=0.7h^{2} = 0.7 voor snaveldiepte en de droogte laat overlevenden achter met snavels die 0.6mm0.6\,\mathrm{mm} dieper zijn. Voorspel de volgende generatie.
  6. De fokker richt zich op een eigenschap met h2=0.1h^{2} = 0.1. Welk selectiedifferentieel, in standaardafwijkingen, geeft dezelfde respons als in vraag 19?
  7. Formuleer het resultaat: de ss van de vlinder en de tijd tot 90%90\,\% melanistisch, de heterozygotie van het eiland na 100 generaties, en de respons van de kudde per generatie.
Oplossing

Oplossing van Probleem 22.1.

1. Melanistische fractie 1q2=10.9992=0.0021 - q^{2} = 1 - 0.999^{2} = 0.002, één vlinder op 500; de fractie van de MM-allelen in heterozygoten is 2pq/(2pq+2p2)=q=0.9992pq/(2pq + 2p^{2}) = q = 0.999: vrijwel alle. 2. Met wˉ=1sq2\bar w = 1 - sq^{2} zijn de kopieën van het lichte allel na selectie pq1+q2(1s)pq\cdot 1 + q^{2}(1 - s) op wˉ\bar w, dus q=(pq+q2sq2)/(1sq2)=q(1sq)/(1sq2)q' = (pq + q^{2} - sq^{2})/(1 - sq^{2}) = q(1 - sq)/(1 - sq^{2}). 3. q1=0.999×(10.2997)/(10.2994)=0.99857q_1 = 0.999\times(1 - 0.2997)/(1 - 0.2994) = 0.99857: een verandering van 0.0014-0.0014. 4. q=0.1=0.32q = \sqrt{0.1} = 0.32. 5. De herhaalde recursie neemt 28 generaties voor s=0.3s = 0.3; de benadering geeft dezelfde orde (de verandering is eerst 0.0003-0.0003 en versnelt daarna naarmate pp groeit). De waargenomen 50 generaties komen overeen met een kleinere ss, ongeveer 0.20.2 (de recursie geeft 45 generaties voor s=0.2s = 0.2): een selectie van 20 tot 30%20\text{ tot }30\,\% per generatie, enorm naar de maatstaven van de meeste allelen. 6. Met wMM=wMm=1sw_{MM} = w_{Mm} = 1 - s, wmm=1w_{mm} = 1: wˉ=1s(1q2)\bar w = 1 - s(1 - q^{2}) en p=p(1s)/wˉp' = p(1 - s)/\bar w, dus Δp=p[(1s)wˉ]/wˉ=spq2/wˉ\Delta p = p[(1 - s) - \bar w]/\bar w = -spq^{2}/\bar w. De lichte vorm wordt alleen als homozygoot mmmm begunstigd, aan het begin een fractie q2=0.1q^{2} = 0.1: de terugkeer begint traag. Als q1q \to 1 is Δpsp\Delta p \approx -sp en neemt MM exponentieel af, met een factor 1s1 - s per generatie: een dominant allel kan zich nergens verbergen. De opkomst was het spiegelbeeld: Δp+sp\Delta p \approx +sp zolang MM zeldzaam was (exponentieel begin), daarna Δqsq2p\Delta q \approx -sq^{2}p \to een slakkengang, doordat het lichte allel zich in heterozygoten verborg. De recursie geeft 27 generaties voor de terugkeer van p=0.68p = 0.68 tot 0.0010.001, waarvan 16 om een frequentie van 5%5\,\% van het melanistische allel te bereiken. 7. 2424 genkopieën: 0.9524=0.290.95^{24} = 0.29. 8. H1=0.4(11/24)=0.383H_1 = 0.4\,(1 - 1/24) = 0.383. 9. H100=0.383(11/80)100=0.383×0.284=0.109H_{100} = 0.383\,(1 - 1/80)^{100} = 0.383\times 0.284 = 0.109: 27%27\,\% van de 0.40.4 van het vasteland. 10. P(fixatie)=1/(2N)=1/80=0.0125P(\text{fixatie}) = 1/(2N) = 1/80 = 0.0125; verwachte tijd tot fixatie 4N=1604N = 160 generaties. 11. Zonder inteelt q2=0.0025q^{2} = 0.0025; met F=0.3F = 0.3 q2+Fpq=0.0025+0.3×0.95×0.05=0.017q^{2} + Fpq = 0.0025 + 0.3\times 0.95\times 0.05 = 0.017: zeven keer meer getroffen vogels. 12. Eén migrant per generatie (m=1/40m = 1/40) volstaat om te voorkomen dat het eiland op neutrale loci uiteenloopt, en om de allelen aan te vullen die door drift verloren zijn gegaan; hij brengt ook de schadelijke allelen van het vasteland binnen met hun frequentie op het vasteland, en die worden door de inteelt op het eiland als homozygoten zichtbaar — de last wordt bepaald door het evenwicht tussen immigratie en blootstelling. 13. q^=105=0.0032\hat q = \sqrt{10^{-5}} = 0.0032; getroffen geboorten q^2=105\hat q^{2} = 10^{-5}. 14. q^=105/0.1=0.01\hat q = \sqrt{10^{-5}/0.1} = 0.01; getroffen geboorten 10410^{-4}: een tien keer zwakkere selectie laat het allel drie keer zo algemeen worden en de ziekte tien keer. 15. p^=μ/(hs)=105/0.05=2×104\hat p = \mu/(hs) = 10^{-5}/0.05 = 2\times 10^{-4}; dragers 2p^=4×1042\hat p = 4\times 10^{-4}. 16. Van q^=0.0032\hat q = 0.0032 naar 0.010.01: het allel stijgt met een snelheid die door mutatie wordt bepaald, μ=105\mu = 10^{-5} per generatie, dus de nadering duurt in de orde van Δq/μ700\Delta q/\mu \approx 700 generaties — 2000020\,000 jaar: elke beslissing die nu wordt genomen, wordt gevoeld door een populatie die in niets op de onze zal lijken. 17. Elk locus levert 2q^=0.00632\hat q = 0.0063 letale kopieën per persoon; over 2000020\,000 loci ongeveer 130130 — maar dat veronderstelt dat elk gen tot een recessief letaal allel kan muteren; met de gangbare schatting van enkele duizenden essentiële genen draagt een persoon enkele tot enkele tientallen letale equivalenten in heterozygote toestand. 18. Elk zit op een ander locus en elk is zeldzaam, zodat de kans dat een willekeurig paar allebei hetzelfde draagt klein is; neven en nichten delen een achtste van hun genen door afstamming, zodat voor elk van de verscheidene letale allelen van een neef het risico dat het kind homozygoot is 1/161/16 per gedeeld letaal allel bedraagt — de extra kindersterfte bij huwelijken tussen neef en nicht is gemeten op enkele procenten. 19. S=1.16×800L=930LS = 1.16\times 800\,\mathrm{L} = 930\,\mathrm{L}; R=0.4×930=370LR = 0.4\times 930 = 370\,\mathrm{L}. 20. Vijf generaties: ongeveer 1860L1860\,\mathrm{L}; in de praktijk minder, omdat de additieve variantie uitgeput raakt, omdat h2h^{2} in de oorspronkelijke kudde werd geschat, en omdat de omgeving (voer, huisvesting) die de beste koeien voortbracht niet wordt doorgegeven. 21. Gemiddeld differentieel (1.16+2.4)/2=1.78(1.16 + 2.4)/2 = 1.78 standaardafwijkingen, S=1424LS = 1424\,\mathrm{L}, R=0.4×1424=570LR = 0.4\times 1424 = 570\,\mathrm{L}. 22. Klonen hebben geen genetische variantie, dus h2=0h^{2} = 0 en R=0R = 0, wat SS ook is: erfelijkheidsgraad is een eigenschap van een populatie, het deel van haar variantie dat genetisch is, geen eigenschap van het kenmerk. 23. R=0.7×0.6=0.42mmR = 0.7\times 0.6 = 0.42\,\mathrm{mm} dieper. 24. Dezelfde respons 370L370\,\mathrm{L} vraagt S=370/0.1=3700LS = 370/0.1 = 3700\,\mathrm{L}, dat is 4.64.6 standaardafwijkingen — minder dan één koe op tienduizend houden: onpraktisch, en daarom worden eigenschappen met een lage erfelijkheidsgraad traag of met andere middelen verbeterd (nakomelingenonderzoek, grotere families). 25. Vlinder: s0.2s \approx 0.2 tot 0.30.3, 28 generaties bij 0.30.3 en 45 bij 0.20.2, tegenover 50 waargenomen; eiland: H1000.11H_{100} \approx 0.11, 27%27\,\% van het vasteland; kudde: 370L370\,\mathrm{L} per generatie met alleen de koeien, 570L570\,\mathrm{L} met geselecteerde stieren.

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 479 begrippen in de begrippenlijst