পৃথিবী ও মহাকাশ বিজ্ঞান · বই 2 · শ্রেণি 10–12

Aard- en ruimtewetenschappen bovenbouw

বইগুলো এখনো বাংলা ভাষায় পাওয়া যায় না — Nederlands সংস্করণ দেখানো হচ্ছে।

Aard- en ruimtewetenschappen bovenbouw · শ্রেণি 10–12

2Een bewoonbare planeet

Drie rotsplaneten draaien naast elkaar om de Zon. Aan het oppervlak van Venus is de lucht zo dicht dat ze tweeënnegentig keer harder drukt dan op Aarde, en zo heet — meer dan 460∘C460{}^{\circ}\mathrm{C} — dat lood er zou smelten. Op Mars drukt de ijle lucht nog geen honderdste zo hard als de onze, en ligt de gemiddelde temperatuur ver onder het vriespunt. Daartussen heeft de Aarde oceanen, regen en leven. De drie planeten zijn ontstaan uit dezelfde schijf van gas en stof rond de jonge Zon, uit grotendeels hetzelfde gesteente. Waarom dan zo’n verschillend lot? Dit hoofdstuk bekijkt wat de temperatuur van een planeet bepaalt, waardoor ze een atmosfeer kan vasthouden, onder welke voorwaarden water vloeibaar kan zijn, en waar, rond de Zon en rond andere sterren, zulke voorwaarden te vinden zijn.

Venus, gezien door de ruimtesonde Mariner 10 in 1974, in kleuren die dicht bij wat het oog zou zien liggen: een planeet die helemaal in wolken is gehuld. Beeld: NASA/JPL-Caltech (publiek domein).
Venus, gezien door de ruimtesonde Mariner 10 in 1974, in kleuren die dicht bij wat het oog zou zien liggen: een planeet die helemaal in wolken is gehuld. Beeld: NASA/JPL-Caltech (publiek domein).

Wat je al weet

De Zon is een ster; om haar heen draaien de vier rotsplaneten Mercurius, Venus, de Aarde en Mars, en daarna de vier reuzenplaneten, in bijna cirkelvormige banen (de natuurkundeboeken en Boek 1). Elk lichaam straalt energie uit als licht, des te meer naarmate zijn temperatuur stijgt, bij de temperaturen van planeten vooral als infrarood licht (de natuurkundeboeken). Broeikasgassen — waterdamp, koolstofdioxide, methaan — absorberen een deel van het infrarood dat een oppervlak uitzendt en houden het warmer (de scheikundeboeken). Water bestaat als ijs, vloeibaar water en waterdamp; druk is een kracht per oppervlakte-eenheid, gemeten in pascal (de natuurkundeboeken).

2.1 De temperatuur die de ster oplegt

De Zon zendt haar licht gelijkmatig in alle richtingen uit. Op een afstand dd is haar vermogen LL (haar lichtkracht) verdeeld over een bol met oppervlakte 4πd24\pi d^2.

Propositie 2.1 (De omgekeerd-kwadratenwet van het zonlicht)

Het vermogen dat per vierkante meter loodrecht op de zonnestralen wordt ontvangen, de bestralingssterkte van de Zon, is op een afstand dd van de Zon

S=L4πd2.S = \frac{L}{4\pi d^2}.

Op de afstand van de Aarde, 1 au1\,\mathrm{au}, is S0=1361 W/m2S_0 = 1361\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}; op een afstand dd gemeten in astronomische eenheden is S=S0/d2S = S_0/d^2.

Bewijs. In de lege ruimte gaat geen licht verloren, dus het hele vermogen LL gaat door elke bol met de Zon als middelpunt; op een bol met straal dd wordt het verdeeld over 4πd24\pi d^2 vierkante meter. Verdubbelt dd, dan wordt de oppervlakte vier keer zo groot en SS vier keer zo klein. ∎

Het licht dat op afstand d door één vierkant gaat, is op afstand 2d verdeeld over vier even grote vierkanten: de bestralingssterkte neemt af met het kwadraat van de afstand.
Het licht dat op afstand dd door één vierkant gaat, is op afstand 2d2d verdeeld over vier even grote vierkanten: de bestralingssterkte neemt af met het kwadraat van de afstand.

Een planeet absorbeert het deel van dit licht dat ze niet weerkaatst, en ze straalt energie uit naar de ruimte als infrarood licht. Absorbeert ze meer dan ze uitstraalt, dan warmt ze op; warmer straalt ze meer uit; ze komt tot rust bij de temperatuur waarbij die twee in evenwicht zijn.

Definitie 2.2 (Evenwichtstemperatuur)

De evenwichtstemperatuur van een planeet is de temperatuur waarbij een lichaam dat straalt als een perfecte straler, precies het vermogen naar de ruimte zou uitzenden dat de planeet van haar ster absorbeert. Het deel van het invallende licht dat de planeet als geheel weerkaatst, is haar bondalbedo AA.

Propositie 2.3 (De evenwichtstemperatuur berekenen)

Voor een planeet die de warmte die ze absorbeert over haar hele oppervlak verdeelt, geldt

Teq=(S (1−A)4σ)1/4,σ=5.67×10−8 W m−2 K−4.T_{\mathrm{eq}} = \left(\frac{S\,(1-A)}{4\sigma}\right)^{1/4}, \qquad \sigma = 5.67 \times 10^{-8}\,\mathrm{W}\,\mathrm{m}^{-2}\,\mathrm{K}^{-4}.

Op de afstand van de Aarde en zonder enige weerkaatsing geeft dit 278.3 K278.3\,\mathrm{K}; op een afstand dd in astronomische eenheden en met albedo AA is Teq=278.3 K×(1−A)1/4/dT_{\mathrm{eq}} = 278.3\,\mathrm{K} \times (1-A)^{1/4}/\sqrt{d}.

Gedeeltelijk bewijs. De planeet onderschept zonlicht op een schijf met oppervlakte πR2\pi R^2 en absorbeert het vermogen (1−A) S πR2(1-A)\,S\,\pi R^2. Ze straalt uit over haar hele oppervlak, 4πR24\pi R^2. Een perfecte straler met temperatuur TT straalt σT4\sigma T^4 per vierkante meter uit (een wet die in de natuurkundeboeken wordt bewezen en hier wordt aangenomen). Uit 4πR2σT4=(1−A) S πR24\pi R^2 \sigma T^4 = (1-A)\,S\,\pi R^2 volgt de formule; de straal valt weg. Met S=S0/d2S = S_0/d^2 is de vierdemachtswortel van 1/d21/d^2 gelijk aan 1/d1/\sqrt d. ∎

Voorbeeld 2.4 (De Aarde)

Met S0=1361 W/m2S_0 = 1361\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} en A=0.294A = 0.294 is Teq=278.3×0.7061/4≈255 KT_{\mathrm{eq}} = 278.3 \times 0.706^{1/4} \approx 255\,\mathrm{K}, dat is −18∘C-18{}^{\circ}\mathrm{C}. (Het gegevensblad van NASA geeft 254 K254\,\mathrm{K}.) De gemiddelde temperatuur van het aardoppervlak is 288 K288\,\mathrm{K}, 15∘C15{}^{\circ}\mathrm{C}: het broeikaseffect van de atmosfeer warmt het met ongeveer 33 K33\,\mathrm{K} op. Zonder dat effect zouden de oceanen bevriezen.

Evenwichtstemperaturen, berekend uit de afstand en het bondalbedo van elk hemellichaam, naast de gemeten gemiddelde temperatuur van hun oppervlak. Gegevens: planetaire gegevensbladen van NASA.
Evenwichtstemperaturen, berekend uit de afstand en het bondalbedo van elk hemellichaam, naast de gemeten gemiddelde temperatuur van hun oppervlak. Gegevens: planetaire gegevensbladen van NASA.

Opmerking 2.5 (Het diagram lezen)

Bij Mercurius en Mars, die bijna geen of maar een heel ijle atmosfeer hebben, ligt het gemeten gemiddelde dicht bij de evenwichtstemperatuur. Bij de Maan ligt het gemiddelde eronder: haar dagen en nachten duren elk ongeveer twee weken, en haar oppervlak schommelt van ongeveer 95 K95\,\mathrm{K} tot 390 K390\,\mathrm{K}, wat de eenvoudige formule, bedoeld voor een planeet die haar warmte gelijkmatig verdeelt, niet beschrijft. Venus is het opvallende geval: met een bondalbedo van 0.77 — haar wolken weerkaatsen het grootste deel van het zonlicht — is haar evenwichtstemperatuur lager dan die van de Aarde, en toch is haar oppervlak meer dan 500 K500\,\mathrm{K} heter: het broeikaseffect van haar dikke atmosfeer van koolstofdioxide.

2.2 Een atmosfeer vasthouden

Een gas bestaat uit moleculen die voortdurend bewegen, des te sneller naarmate het gas heter is. Een molecuul bovenin een atmosfeer dat sneller omhoog beweegt dan de ontsnappingssnelheid van de planeet — de snelheid die nodig is om haar zwaartekracht voorgoed te verlaten (de natuurkundeboeken) — gaat verloren in de ruimte. In miljarden jaren verliest een kleine planeet met een zwakke zwaartekracht haar lucht; een grote houdt ze vast.

hemellichaamontsnappingssnelheid (km/s\mathrm{km}/\mathrm{s})druk aan het oppervlak (bar)atmosfeer
Maan2.40geen
Mercurius4.30geen
Mars5.00.006ijl, koolstofdioxide
Venus10.492dik, koolstofdioxide
Aarde11.21stikstof en zuurstof

Opmerking 2.6 (Grootte is niet het hele verhaal)

De Maan en Mercurius, klein en (voor Mercurius) dicht bij de hete Zon, zijn bijna al hun gassen kwijtgeraakt. Mars, met de helft van de ontsnappingssnelheid van de Aarde, hield een ijle atmosfeer. Venus en de Aarde hebben bijna dezelfde grootte en ontsnappingssnelheid, en toch heel verschillende atmosferen: hun geschiedenis — het lot van hun water en van hun koolstofdioxide — liep uiteen, zoals Hoofdstuk 26 voor de Aarde zal laten zien.

2.3 Vloeibaar water

Het fasediagram van water, met de gemiddelde omstandigheden aan het oppervlak van Venus, de Aarde en Mars (vierkantjes). De drukas is logaritmisch: elke streep is honderd keer de streep eronder. Krommen berekend met de vergelijkingen van de International Association for the Properties of Water and Steam; planeetwaarden van NASA.
Het fasediagram van water, met de gemiddelde omstandigheden aan het oppervlak van Venus, de Aarde en Mars (vierkantjes). De drukas is logaritmisch: elke streep is honderd keer de streep eronder. Krommen berekend met de vergelijkingen van de International Association for the Properties of Water and Steam; planeetwaarden van NASA.

Propositie 2.7 (Wanneer water vloeibaar kan zijn)

Vloeibaar water bestaat alleen bij drukken boven die van het tripelpunt, 611.657 Pa611.657\,\mathrm{Pa} (0.006 bar0.006\,\mathrm{bar}), waar ijs, vloeistof en damp naast elkaar bestaan bij 273.16 K273.16\,\mathrm{K}, en bij temperaturen onder het kritieke punt, 647.096 K647.096\,\mathrm{K} (220.64 bar220.64\,\mathrm{bar}), waarboven vloeistof en damp niet meer te onderscheiden zijn. Bij een gegeven druk boven het tripelpunt is water vloeibaar tussen zijn smeltpunt, dicht bij 273 K273\,\mathrm{K}, en zijn kookpunt, dat daalt wanneer de druk daalt.

Voorbeeld 2.8 (Drie planeten in één diagram)

Het aardoppervlak, bij 288 K288\,\mathrm{K} en 1 bar1\,\mathrm{bar}, ligt in het vloeistofgebied: water kan er, afhankelijk van het weer, vloeibaar, ijs of damp zijn. Venus, bij 737 K737\,\mathrm{K}, ligt ver voorbij de kritieke temperatuur: daar is helemaal geen vloeibaar water mogelijk. Mars, bij 6.36 mbar6.36\,\mathrm{mbar}, ligt net boven het tripelpunt: water kookt er bij ongeveer 0.5∘C0.5{}^{\circ}\mathrm{C}, zodat vloeibaar water er alleen zou kunnen bestaan in een venster van ongeveer een halve graad, en de gemiddelde temperatuur, 210 K210\,\mathrm{K}, ligt in het ijsgebied.

Mount Sharp, in de Galekrater op Mars, gefotografeerd door de rover Curiosity in 2012, in de kleuren die zijn camera vastlegde. De onderste lagen werden miljarden jaren geleden in water afgezet. Beeld: NASA/JPL-Caltech/MSSS (publiek domein).
Mount Sharp, in de Galekrater op Mars, gefotografeerd door de rover Curiosity in 2012, in de kleuren die zijn camera vastlegde. De onderste lagen werden miljarden jaren geleden in water afgezet. Beeld: NASA/JPL-Caltech/MSSS (publiek domein).

2.4 De bewoonbare zone

Definitie 2.9 (Bewoonbare zone)

De bewoonbare zone van een ster is het gebied van afstanden tot de ster waarop een rotsplaneet met genoeg water en een atmosfeer zoals die van de Aarde vloeibaar water aan haar oppervlak zou kunnen houden. De binnenrand ligt waar de planeet haar water door de hitte zou verliezen; de buitenrand waar zelfs een sterk broeikaseffect haar niet meer zou kunnen behoeden voor bevriezing.

Propositie 2.10 (De bewoonbare zone van de Zon)

Gedetailleerde modellen van planeetatmosferen plaatsen de bewoonbare zone van de Zon tussen 0.99 au0.99\,\mathrm{au} en 1.70 au1.70\,\mathrm{au}. De Aarde (1 au1\,\mathrm{au}) ligt net binnen de binnenrand; Mars (1.52 au1.52\,\mathrm{au}) ligt erin; Venus (0.72 au0.72\,\mathrm{au}) ligt ruim binnen de binnenrand.

Propositie 2.11 (Bewoonbare zones van andere sterren)

Rond een ster met lichtkracht LL ontvangt een planeet dezelfde bestralingssterkte als op een afstand d⊙d_\odot van de Zon wanneer ze ligt op

d=d⊙L/L⊙.d = d_\odot \sqrt{L/L_\odot}.

De randen van de bewoonbare zone verschuiven in eerste benadering evenredig mee (de kleur van het sterlicht speelt ook een kleine rol).

Bewijs. Gelijke bestralingssterkte betekent L/(4πd2)=L⊙/(4πd⊙2)L/(4\pi d^2) = L_\odot/(4\pi d_\odot^2), dus d2=d⊙2 L/L⊙d^2 = d_\odot^2\,L/L_\odot. ∎

Boven: de bewoonbare zone van de Zon en de vier rotsplaneten. Onder: de bewoonbare zone van de zwakke rode ster Proxima Centauri, berekend door die van de Zon te schalen met de vierkantswortel van de lichtkracht van de ster, en haar planeet Proxima b. Let op de andere schaal: de hele onderste strook is 0.1\, au lang.
Boven: de bewoonbare zone van de Zon en de vier rotsplaneten. Onder: de bewoonbare zone van de zwakke rode ster Proxima Centauri, berekend door die van de Zon te schalen met de vierkantswortel van de lichtkracht van de ster, en haar planeet Proxima b. Let op de andere schaal: de hele onderste strook is 0.1 au0.1\,\mathrm{au} lang.

2.5 Planeten van andere sterren

Definitie 2.12 (Exoplaneet)

Een exoplaneet is een planeet die om een andere ster dan de Zon draait.

Exoplaneten zijn veel te zwak en staan te dicht bij hun ster om rechtstreeks gezien te worden, op een paar reuzen na. De meeste worden onrechtstreeks gevonden: ofwel trekt de planeet één keer per omloop vóór haar ster langs en maakt die heel lichtjes zwakker, ofwel doet haar aantrekking de ster naar ons toe en van ons af wiebelen, waardoor de kleur van het sterlicht heen en weer verschuift. De tweede methode geeft alleen een minimale massa voor de planeet, omdat de helling van de baan niet bekend is. Deze methoden komen aan bod in het boek voor bachelorjaar 3.

Cijfers van 2026

Op 15 oktober 2026 telde het NASA Exoplanet Archive 6 451 bevestigde exoplaneten.

Voorbeeld 2.13 (Proxima b)

De ster die het dichtst bij de Zon staat, Proxima Centauri, op 1.30 pc1.30\,\mathrm{pc}, is een kleine rode ster met een lichtkracht van maar ongeveer 0.00150.0015 keer die van de Zon. In 2016 werd een planeet ontdekt die er elke 11.2 dagen omheen draait, op 0.0485 au0.0485\,\mathrm{au}, met minstens 1.06 keer de massa van de Aarde. Op die afstand ontvangt ze ongeveer 0.64 keer de bestralingssterkte die de Aarde ontvangt, en ligt ze binnen de bewoonbare zone van haar ster. Of ze een atmosfeer heeft, of water, is niet bekend.

Opmerking 2.14 (Bewoonbaar is niet bewoond)

De bewoonbare zone zegt alleen iets over afstand en licht. Een planeet erin kan geen water hebben, geen atmosfeer, of de verkeerde — Mars ligt in de zone van de Zon en heeft vandaag geen vloeibaar water aan zijn oppervlak. De Aarde is bewoonbaar omdat verschillende voorwaarden tegelijk vervuld zijn: de juiste afstand, een massa die groot genoeg is om een atmosfeer vast te houden, veel water, en een broeikaseffect dat niet te zwak en niet te sterk is.

2.6 Oefeningen

Oefening 2.1 ★

Definieer de evenwichtstemperatuur van een planeet. Waarom is de gemiddelde oppervlaktetemperatuur van de Aarde hoger dan haar evenwichtstemperatuur?

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.1.

De temperatuur waarbij een perfecte straler precies het vermogen naar de ruimte zou uitstralen dat de planeet van haar ster absorbeert. Het aardoppervlak is warmer (288 K288\,\mathrm{K} tegen ongeveer 255 K255\,\mathrm{K}) omdat broeikasgassen een deel van het infrarood dat het uitzendt absorberen en een deel ervan terugsturen.

Oefening 2.2 ★

Noem met behulp van het staafdiagram van evenwichts- en gemeten temperaturen het hemellichaam waarvan het oppervlak het sterkst door zijn atmosfeer wordt opgewarmd, en schat met hoeveel kelvin.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.2.

Venus: gemeten 737 K737\,\mathrm{K} tegen een evenwichtstemperatuur van ongeveer 227 K227\,\mathrm{K}, een opwarming van ongeveer 510 K510\,\mathrm{K}.

Oefening 2.3 ★

Mars draait op 1.52 au1.52\,\mathrm{au} van de Zon. Bereken met de omgekeerd-kwadratenwet en S0=1361 W/m2S_0 = 1361\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} de bestralingssterkte van de Zon bij Mars.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.3.

S=1361/1.522≈589 W/m2S = 1361/1.52^2 \approx 589\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} (het gegevensblad geeft 586 W/m2586\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}, met de exacte gemiddelde afstand).

Oefening 2.4 ★

Geef met behulp van het fasediagram van water de toestand van water bij 1 bar1\,\mathrm{bar} en 330 K330\,\mathrm{K}; bij 0.001 bar0.001\,\mathrm{bar} en 250 K250\,\mathrm{K}; bij 100 bar100\,\mathrm{bar} en 700 K700\,\mathrm{K}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.4.

1 bar1\,\mathrm{bar}, 330 K330\,\mathrm{K}: vloeibaar (onder het kookpunt, ongeveer 373 K373\,\mathrm{K}). 0.001 bar0.001\,\mathrm{bar}, 250 K250\,\mathrm{K}: ijs (de druk ligt boven de kromme tussen ijs en damp, die bij 250 K250\,\mathrm{K} op ongeveer 0.0008 bar0.0008\,\mathrm{bar} ligt). 100 bar100\,\mathrm{bar}, 700 K700\,\mathrm{K}: damp — de temperatuur ligt boven de kritieke temperatuur, dus er kan geen vloeistof bestaan.

Oefening 2.5 ★

Wat is een exoplaneet? Beschrijf in telkens één zin de twee belangrijkste manieren waarop exoplaneten worden opgespoord.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.5.

Een planeet die om een andere ster dan de Zon draait. Transits: de planeet trekt vóór haar ster langs en maakt die bij elke omloop iets zwakker. Wiebelen: de aantrekking van de planeet beweegt de ster heen en weer langs onze gezichtslijn, waardoor de kleur van het sterlicht periodiek verschuift.

Oefening 2.6 ★★

Bereken de evenwichtstemperatuur van de Aarde met S0=1361 W/m2S_0 = 1361\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} en A=0.294A = 0.294, en daarna met A=0A = 0. Reken beide om naar graden Celsius.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.6.

T=(1361×0.706/(4×5.67×10−8))1/4≈255 K≈−18∘CT = (1361 \times 0.706/(4 \times 5.67\times10^{-8}))^{1/4} \approx 255\,\mathrm{K} \approx -18{}^{\circ}\mathrm{C}. Met A=0A = 0: ≈278 K≈5∘C\approx 278\,\mathrm{K} \approx 5{}^{\circ}\mathrm{C}.

Oefening 2.7 ★★

Een ster is vier keer zo lichtsterk als de Zon. Tussen welke afstanden ligt haar bewoonbare zone? Zou de Aarde, op 1 au1\,\mathrm{au} van deze ster geplaatst, erbinnen liggen?

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.7.

4=2\sqrt 4 = 2: van 2×0.99=1.98 au2 \times 0.99 = 1.98\,\mathrm{au} tot 2×1.70=3.40 au2 \times 1.70 = 3.40\,\mathrm{au}. Op 1 au1\,\mathrm{au} zou de planeet vier keer de bestralingssterkte van de Aarde ontvangen: ver binnen de binnenrand, te heet.

Oefening 2.8 ★★

Venus draait op 0.723 au0.723\,\mathrm{au}. Bereken de bestralingssterkte die ze ontvangt, en daarna haar evenwichtstemperatuur met haar bondalbedo van 0.77. Vergelijk met haar oppervlaktetemperatuur van 737 K737\,\mathrm{K} en verklaar het verschil.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.8.

S=1361/0.7232≈2604 W/m2S = 1361/0.723^2 \approx 2604\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}; Teq=(2604×0.23/(4σ))1/4≈227 KT_{\mathrm{eq}} = (2604 \times 0.23/(4\sigma))^{1/4} \approx 227\,\mathrm{K}. Het oppervlak is ongeveer 510 K510\,\mathrm{K} heter: de dikke atmosfeer van koolstofdioxide (92 bar92\,\mathrm{bar}) veroorzaakt een enorm broeikaseffect.

Oefening 2.9 ★★

Op Mars is de gemiddelde druk aan het oppervlak 6.36 mbar6.36\,\mathrm{mbar}, net boven het tripelpunt van water, en water kookt er bij ongeveer 0.5∘C0.5{}^{\circ}\mathrm{C}. Leg uit waarom vloeibaar water vandaag niet kan blijven bestaan aan het oppervlak van Mars, zelfs niet op een zomermiddag waarop de grond 10∘C10{}^{\circ}\mathrm{C} bereikt.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.9.

Bij 6.36 mbar6.36\,\mathrm{mbar} is water alleen vloeibaar tussen ongeveer 0∘C0{}^{\circ}\mathrm{C} en 0.5∘C0.5{}^{\circ}\mathrm{C}. Bij 10∘C10{}^{\circ}\mathrm{C} ligt de druk onder de kookkromme: het water kookt weg tot damp; ’s nachts bevriest het.

Oefening 2.10 ★★

De ontsnappingssnelheid is 2.4 km/s2.4\,\mathrm{km}/\mathrm{s} op de Maan en 11.2 km/s11.2\,\mathrm{km}/\mathrm{s} op de Aarde. Bereken hun verhouding. Leg uit waarom de Aarde een atmosfeer heeft behouden en de Maan niet.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.10.

11.2/2.4≈4.711.2/2.4 \approx 4.7. Een gasmolecuul moet bijna vijf keer sneller bewegen om aan de Aarde te ontsnappen dan aan de Maan; in miljarden jaren liet de zwakke zwaartekracht van de Maan haar gassen ontsnappen, terwijl die van de Aarde het grootste deel ervan vasthield.

Oefening 2.11 ★★

Stel dat de Aarde met ijs bedekt was en haar bondalbedo tot 0.50 steeg. Bereken haar nieuwe evenwichtstemperatuur. Leg uit waarom zo’n toestand, eenmaal bereikt, de neiging zou hebben te blijven bestaan.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.11.

T=(1361×0.50/(4σ))1/4≈234 KT = (1361 \times 0.50/(4\sigma))^{1/4} \approx 234\,\mathrm{K}, ongeveer −39∘C-39{}^{\circ}\mathrm{C}. Het ijs zou zoveel zonlicht weerkaatsen dat de planeet koud genoeg zou blijven om het te behouden: een zichzelf versterkende kringloop.

Oefening 2.12 ★★★

Laat zien dat Teq=278.3 K×(1−A)1/4/dT_{\mathrm{eq}} = 278.3\,\mathrm{K} \times (1-A)^{1/4}/\sqrt{d}, met dd in astronomische eenheden, volgt uit de formule van het hoofdstuk. Met welke factor verandert de evenwichtstemperatuur als de afstand met vier wordt vermenigvuldigd?

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.12.

Teq=(S0(1−A)/(4σd2))1/4=(S0/(4σ))1/4(1−A)1/4(d2)−1/4T_{\mathrm{eq}} = (S_0(1-A)/(4\sigma d^2))^{1/4} = (S_0/(4\sigma))^{1/4} (1-A)^{1/4} (d^2)^{-1/4}; (1361/(4σ))1/4≈278.3 K(1361/(4\sigma))^{1/4} \approx 278.3\,\mathrm{K} en (d2)1/4=d(d^2)^{1/4} = \sqrt d. Vier keer zo ver: TT gedeeld door 4=2\sqrt 4 = 2.

Oefening 2.13 ★★★

Op welke afstand van de Zon zou een planeet met albedo 0.294 een evenwichtstemperatuur van 273 K273\,\mathrm{K} hebben? Vergelijk met de binnenrand van de bewoonbare zone, en leg uit waarom die twee verschillen.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.13.

d=278.3×0.7061/4/273≈0.934\sqrt d = 278.3 \times 0.706^{1/4}/273 \approx 0.934, dus d≈0.873 aud \approx 0.873\,\mathrm{au}, binnen de binnenrand (0.99 au0.99\,\mathrm{au}). De evenwichtstemperatuur houdt geen rekening met het broeikaseffect: een echte planeet met een atmosfeer is warmer dan TeqT_{\mathrm{eq}}, zodat ze al verder naar buiten, op ongeveer 0.99 au0.99\,\mathrm{au}, oververhit raakt en haar water verliest. De randen komen uit modellen van de hele atmosfeer, niet uit TeqT_{\mathrm{eq}} alleen.

Oefening 2.14 ★★★

Op een planeet met een druk aan het oppervlak van 1000 Pa1000\,\mathrm{Pa} kookt water bij ongeveer 7∘C7{}^{\circ}\mathrm{C}. Tussen welke temperaturen kan water daar vloeibaar zijn? Wat zou er met een meer op die planeet gebeuren op een dag van 15∘C15{}^{\circ}\mathrm{C}?

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.14.

Tussen het smeltpunt, ongeveer 0∘C0{}^{\circ}\mathrm{C}, en het kookpunt, ongeveer 7∘C7{}^{\circ}\mathrm{C}. Bij 15∘C15{}^{\circ}\mathrm{C} zou het meer koken.

Oefening 2.15 ★★★

Een planeet draait op 1.2 au1.2\,\mathrm{au} van een ster die half zo lichtsterk is als de Zon. Bereken de randen van de bewoonbare zone van de ster en zeg of de planeet erbinnen ligt. Hoe zeker kun je van het antwoord zijn?

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.15.

0.5≈0.707\sqrt{0.5} \approx 0.707: van 0.707×0.99≈0.70 au0.707 \times 0.99 \approx 0.70\,\mathrm{au} tot 0.707×1.70≈1.20 au0.707 \times 1.70 \approx 1.20\,\mathrm{au}. De planeet ligt precies op de buitenrand. De randen zijn modeluitkomsten en de schaling is bij benadering, dus het valt niet te zeggen of ze erbinnen of erbuiten ligt.

2.7 Probleem: kan Proxima b een oceaan hebben?

Probleem 2.1

Weekendprobleem — van het licht van een zwakke rode ster tot de temperatuur van haar dichtstbijzijnde planeet

Een leerling leest het gegevensblad van de planeet Proxima b. Haar ster heeft een lichtkracht L=0.00151 L⊙L = 0.00151\,L_\odot; de planeet draait op d=0.0485 aud = 0.0485\,\mathrm{au} in 11.18 dagen om de ster en heeft minstens 1.055 keer de massa van de Aarde. Gebruik S0=1361 W/m2S_0 = 1361\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}, σ=5.67×10−8 W m−2 K−4\sigma = 5.67 \times 10^{-8}\,\mathrm{W}\,\mathrm{m}^{-2}\,\mathrm{K}^{-4}, de bewoonbare zone van de Zon 0.99 tot 1.70 au0.99\text{ tot }1.70\,\mathrm{au}, en de ontsnappingssnelheid van de Aarde 11.2 km/s11.2\,\mathrm{km}/\mathrm{s}.

Deel I — Het licht van de ster.

  1. Bereken de bestralingssterkte bij de planeet als deel van die bij de Aarde, L/d2L/d^2 (met LL in zonnelichtkrachten en dd in au).
  2. Druk ze uit in W/m2\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}.
  3. Vergelijk ze met de bestralingssterkte bij Venus (2601 W/m22601\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}) en bij Mars (586 W/m2586\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}).
  4. Hoeveel jaren van de planeet passen er in één aardjaar?

Deel II — Temperaturen zonder atmosfeer.

  1. Bereken de evenwichtstemperatuur van een volkomen donkere planeet (A=0A = 0) bij die bestralingssterkte.
  2. Bereken ze voor een planeet die even helder is als Venus (A=0.77A = 0.77).
  3. Welke van deze twee temperaturen ligt boven het vriespunt van water? Wat laten de twee resultaten zien over de rol van wolken en ijs?

Deel III — De bewoonbare zone.

  1. Bereken L/L⊙\sqrt{L/L_\odot}.
  2. Bereken de binnenrand van de bewoonbare zone van de ster.
  3. Bereken de buitenrand.
  4. Ligt Proxima b in de bewoonbare zone?
  5. Op welke afstand van de Zon zou een planeet dezelfde bestralingssterkte ontvangen als Proxima b? Waar zou dat in de bewoonbare zone van de Zon liggen?

Deel IV — Een atmosfeer en water?

  1. Als de planeet de gemiddelde dichtheid van de Aarde had, zou haar straal 1.0551/31.055^{1/3} keer die van de Aarde zijn. Bereken deze factor.
  2. De ontsnappingssnelheid is evenredig met M/R\sqrt{M/R}. Schat de ontsnappingssnelheid van de planeet. Zou ze een atmosfeer kunnen vasthouden?
  3. Waarom is de massa alleen als minimum bekend?
  4. Wat is volgens het fasediagram de laagste druk aan het oppervlak waarbij vloeibaar water nog mogelijk is?
  5. Bereken de evenwichtstemperatuur van Proxima b met het albedo van de Aarde, 0.294.
  6. Met hoeveel kelvin zou haar broeikaseffect haar dan moeten opwarmen om haar oppervlak op de gemiddelde temperatuur van de Aarde, 288 K288\,\mathrm{K}, te brengen?
Oplossing

Oplossing van Probleem 2.1.

1. 0.00151/0.04852≈0.6420.00151/0.0485^2 \approx 0.642.

2. 0.642×1361≈874 W/m20.642 \times 1361 \approx 874\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}.

3. Ertussenin: ongeveer drie keer minder dan bij Venus, anderhalf keer meer dan bij Mars.

4. 365.25/11.18≈32.7365.25/11.18 \approx 32.7.

5. (874/(4×5.67×10−8))1/4≈249 K(874/(4 \times 5.67\times10^{-8}))^{1/4} \approx 249\,\mathrm{K}.

6. (874×0.23/(4σ))1/4≈173 K(874 \times 0.23/(4\sigma))^{1/4} \approx 173\,\mathrm{K}.

7. Geen van beide: 249 K249\,\mathrm{K} ligt nog onder 273 K273\,\mathrm{K}. Een heldere laag wolken of ijs verlaagt de evenwichtstemperatuur met meer dan 75 K75\,\mathrm{K}: wat een planeet bedekt, telt even zwaar als haar afstand.

8. 0.00151≈0.0389\sqrt{0.00151} \approx 0.0389.

9. 0.99×0.0389≈0.0385 au0.99 \times 0.0389 \approx 0.0385\,\mathrm{au}.

10. 1.70×0.0389≈0.066 au1.70 \times 0.0389 \approx 0.066\,\mathrm{au}.

11. Ja: 0.0385<0.0485<0.0660.0385 < 0.0485 < 0.066.

12. d⊙=0.0485/0.0389≈1.25 aud_\odot = 0.0485/0.0389 \approx 1.25\,\mathrm{au}: in de binnenste helft van de bewoonbare zone van de Zon, tussen de Aarde en Mars.

13. 1.0551/3≈1.0181.055^{1/3} \approx 1.018.

14. 11.2×1.055/1.018≈11.4 km/s11.2 \times \sqrt{1.055/1.018} \approx 11.4\,\mathrm{km}/\mathrm{s}, ongeveer die van de Aarde: haar zwaartekracht zou een atmosfeer kunnen vasthouden (of ze er een heeft, hangt af van haar geschiedenis).

15. Het wiebelen van de ster verraadt alleen het deel van haar beweging langs onze gezichtslijn; omdat de helling van de baan onbekend is, is de gevonden massa alleen de werkelijke massa als we de baan precies van opzij zien, en anders een minimum.

16. De druk van het tripelpunt, 611.657 Pa611.657\,\mathrm{Pa}, ongeveer 0.006 bar0.006\,\mathrm{bar}.

17. (874×0.706/(4σ))1/4≈228 K(874 \times 0.706/(4\sigma))^{1/4} \approx 228\,\mathrm{K}.

18. 288−228=60 K288 - 228 = 60\,\mathrm{K}: Proxima b zou een opwarming door het broeikaseffect van ongeveer 60 K60\,\mathrm{K} nodig hebben, bijna twee keer de 33 K33\,\mathrm{K} van de Aarde.

এই অধ্যায়ে সংজ্ঞায়িত পরিভাষা-শব্দ

পরিভাষায় সব 957 টি শব্দ দেখো