পৃথিবী ও মহাকাশ বিজ্ঞান · বই 2 · শ্রেণি 10–12

Aard- en ruimtewetenschappen bovenbouw

বইগুলো এখনো বাংলা ভাষায় পাওয়া যায় না — Nederlands সংস্করণ দেখানো হচ্ছে।

Aard- en ruimtewetenschappen bovenbouw · শ্রেণি 10–12

3De energiebalans van de Aarde

Op de langste dag van het jaar gaat de Zon op de Noordpool niet onder. Ze draait de hele dag op dezelfde hoogte, ongeveer 23∘23{}^{\circ} boven de horizon, rond aan de hemel, en de top van de atmosfeer boven de pool ontvangt op één dag meer zonlicht per vierkante meter dan waar ook op Aarde — 13.0 kWh13.0\,\mathrm{kWh}, tegen 9.5 kWh9.5\,\mathrm{kWh} boven de evenaar. Toch blijft de zee rond de pool de hele zomer met ijs bedekt. Over een heel jaar gerekend ontvangt de evenaar daarentegen twee en een half keer zoveel zonlicht als de pool, en blijven de tropen het hele jaar warm. Dit hoofdstuk volgt de energie van het zonlicht: hoeveel er aankomt, waar en wanneer; hoeveel er meteen naar de ruimte wordt teruggekaatst; hoe de rest verdeeld wordt tussen de lucht en de grond, van de tropen naar de polen wordt gevoerd en ten slotte als infrarood licht naar de ruimte teruggaat — en welk piepklein deel ervan door levende wezens wordt opgeslagen.

Zee-ijs in de Noordelijke IJszee in juli, onder een Zon die niet ondergaat: wit ijs, plassen smeltwater op het oppervlak, en de donkere open zee tussen de ijsschotsen. Twee wetenschappers nemen monsters van de plassen. Foto: NASA Goddard Space Flight Center, 2011 (publiek domein).
Zee-ijs in de Noordelijke IJszee in juli, onder een Zon die niet ondergaat: wit ijs, plassen smeltwater op het oppervlak, en de donkere open zee tussen de ijsschotsen. Twee wetenschappers nemen monsters van de plassen. Foto: NASA Goddard Space Flight Center, 2011 (publiek domein).

Wat je al weet

De seizoenen ontstaan door de helling van de aardas, 23.44∘23.44{}^{\circ} ten opzichte van de loodlijn op het vlak van haar baan: in juni helt het noordelijk halfrond naar de Zon toe, die daar hoger aan de hemel klimt en langer boven de horizon blijft (de natuurkundeboeken en Boek 1). De bestralingssterkte op de afstand van de Aarde, S0=1361 W/m2S_0 = 1361\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}, het bondalbedo van een planeet en haar evenwichtstemperatuur kwamen aan bod in Hoofdstuk 2. Broeikasgassen absorberen een deel van het infrarood dat het oppervlak uitzendt (de scheikundeboeken). Warme lucht stijgt op en koude lucht daalt; zo gaat de lucht rond in convectiecellen en ontstaan de wereldwijde winden (Boek 1, jaar 8). Planten, algen en sommige bacteriën maken met de energie van licht suikers uit koolstofdioxide en water: fotosynthese (de biologieboeken).

3.1 Het ontvangen zonlicht

Vanaf de Zon gezien is de Aarde een schijf. Elke seconde vangt ze het zonlicht op dat op een schijf met straal RR, haar eigen straal, valt; maar dat licht wordt verdeeld over alle punten van een bol, waarvan de helft in de nacht ligt.

Propositie 3.1 (Een kwart van de zonneconstante)

Gemiddeld over het hele aardoppervlak en over dag en nacht is het vermogen van het zonlicht dat aan de top van de atmosfeer aankomt

S04=13614≈340 W/m2.\frac{S_0}{4} = \frac{1361}{4} \approx 340\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}.

Bewijs. De Aarde vangt het zonlicht op dat door een schijf met oppervlakte πR2\pi R^2 loodrecht op de stralen gaat, dus een vermogen S0 πR2S_0\,\pi R^2. Verdeeld over de oppervlakte van de bol, 4πR24\pi R^2, geeft dat S0 πR2/(4πR2)=S0/4S_0\,\pi R^2/(4\pi R^2) = S_0/4 per vierkante meter. ∎

De Aarde vangt het zonlicht op dat op een schijf met haar eigen straal valt, maar verdeelt het over de vier keer grotere oppervlakte van een bol: gemiddeld ontvangt elke vierkante meter van de top van de atmosfeer een kwart van de zonneconstante.
De Aarde vangt het zonlicht op dat op een schijf met haar eigen straal valt, maar verdeelt het over de vier keer grotere oppervlakte van een bol: gemiddeld ontvangt elke vierkante meter van de top van de atmosfeer een kwart van de zonneconstante.

Het gemiddelde verbergt grote verschillen van plaats tot plaats. Een bundel zonlicht die schuin op de grond valt, verspreidt zich over een grotere oppervlakte dan een bundel die er loodrecht op valt.

Propositie 3.2 (Zonlicht op een horizontaal oppervlak)

Staat de Zon op een hoogte hh boven de horizon, dan ontvangt een horizontale vierkante meter aan de top van de atmosfeer het vermogen S0sin⁡hS_0 \sin h.

Bewijs. Neem een vierkante bundel zonlicht met een doorsnede van 1 m21\,\mathrm{m}^{2}, die S0S_0 draagt. Op de grond is zijn voetafdruk een rechthoek met één zijde van 1 m1\,\mathrm{m} en een andere met lengte ℓ\ell in de richting van de schuine stralen. In de rechthoekige driehoek gevormd door die zijde, de straal en de doorsnede van de bundel is de hoek bij de grond hh en geldt sin⁡h=1/ℓ\sin h = 1/\ell. Het vermogen van de bundel wordt over ℓ\ell vierkante meter verdeeld: S0/ℓ=S0sin⁡hS_0/\ell = S_0 \sin h per vierkante meter. ∎

Zonlicht dat aankomt op een hoogte h boven de horizon: dezelfde bundel bedekt 1/ h vierkante meter horizontale grond, zodat elke vierkante meter S_0 h ontvangt. Hoe lager de Zon, hoe zwakker het zonlicht op de grond.
Zonlicht dat aankomt op een hoogte hh boven de horizon: dezelfde bundel bedekt 1/sin⁡h1/\sin h vierkante meter horizontale grond, zodat elke vierkante meter S0sin⁡hS_0 \sin h ontvangt. Hoe lager de Zon, hoe zwakker het zonlicht op de grond.

De hoogte van de Zon verandert in de loop van de dag, en de lengte van de dag verandert met de seizoenen; allebei tellen ze mee in de energie die een plaats ontvangt.

Definitie 3.3 (Instraling)

De instraling van een plaats is het vermogen van het zonlicht dat een horizontale vierkante meter aan de top van de atmosfeer erboven ontvangt. Gemiddeld over de vierentwintig uur van een dag is het de daggemiddelde instraling; gemiddeld over een jaar de jaargemiddelde instraling; beide worden gemeten in W/m2\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}.

Om het daggemiddelde uit te rekenen, heb je de hoogte van de Zon op elk moment van de dag nodig, en daarvoor is wiskunde nodig die verder gaat dan dit boek; de computer die de krommen hieronder tekende, heeft het gedaan. Twee gevallen zijn eenvoudig. Op de evenaar komt de Zon bij een equinox recht in het oosten op, staat ze om 12 uur ’s middags in het zenit en gaat ze na twaalf uur recht in het westen onder; gemiddeld over vierentwintig uur geeft dat S0/π≈433 W/m2S_0/\pi \approx 433\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} (aangenomen). Op de Noordpool draait de Zon gewoon op een vaste hoogte rond aan de hemel, en dat gebruikt het volgende voorbeeld.

Voorbeeld 3.4 (De pool in juni)

Bij de junizonnewende staat de Zon de hele dag 23.44∘23.44{}^{\circ} boven de horizon van de Noordpool. De daggemiddelde instraling is daar 1361×sin⁡23.44∘≈541 W/m21361 \times \sin 23.44^\circ \approx 541\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}; over vierentwintig uur is dat 541×24≈13 000 Wh541 \times 24 \approx 13\,000\,\mathrm{Wh}, 13.0 kWh13.0\,\mathrm{kWh} per vierkante meter. Op dezelfde dag ontvangt de evenaar een daggemiddelde van 397 W/m2397\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}, of 9.5 kWh9.5\,\mathrm{kWh} per vierkante meter: de Zon klimt daar om 12 uur ’s middags hoger, maar ze is twaalf uur lang onder.

Daggemiddelde instraling aan de top van de atmosfeer in de loop van het jaar, op vier breedtes van het noordelijk halfrond (berekend voor een cirkelvormige baan, uit de zonneconstante en de helling van de as). De pool ontvangt een half jaar lang niets, en rond de junizonnewende meer dan welke andere plaats ook.
Daggemiddelde instraling aan de top van de atmosfeer in de loop van het jaar, op vier breedtes van het noordelijk halfrond (berekend voor een cirkelvormige baan, uit de zonneconstante en de helling van de as). De pool ontvangt een half jaar lang niets, en rond de junizonnewende meer dan welke andere plaats ook.

Opmerking 3.5 (De krommen lezen)

De instraling op de evenaar verandert nauwelijks: twee vlakke maxima bij de equinoxen, wanneer de Zon om 12 uur ’s middags in het zenit staat. Hoe noordelijker, hoe groter de schommeling tussen zomer en winter. Voorbij 90∘−23.44∘=66.56∘90^\circ - 23.44^\circ = 66.56{}^{\circ} blijft de Zon bij de decemberzonnewende onder de horizon: de poolnacht. Van ongeveer 10 mei tot eind juli ontvangen de Noordpool en de breedte 60∘60{}^{\circ} NB allebei meer dan de evenaar.

Over een heel jaar verandert het beeld: de jaargemiddelde instraling, verderop uitgezet in de paragraaf over overschot en tekort, daalt van 416 W/m2416\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} op de evenaar tot 172 W/m2172\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} op de polen. De overvloed van de poolgebieden in de zomer weegt niet op tegen hun lange nacht en hun lage Zon.

Opmerking 3.6 (De afstand tot de Zon maakt de seizoenen niet)

De baan van de Aarde is niet helemaal een cirkel: haar afstand tot de Zon varieert tussen 147.1147.1 en 152.1152.1 miljoen kilometer, met ongeveer 3 %3\,\%, zodat het zonlicht met ongeveer 7 %7\,\% varieert. De Aarde staat begin januari het dichtst bij de Zon, midden in de noordelijke winter. De krommen hierboven verwaarlozen deze kleine verandering; de seizoenen komen van de helling van de as, en ze zijn tegengesteld op de twee halfronden.

3.2 Albedo

Een deel van het zonlicht dat de Aarde bereikt, verwarmt nooit iets: wolken, de lucht, sneeuw en de zee sturen het terug naar de ruimte.

Definitie 3.7 (Albedo)

Het albedo van een oppervlak is het deel van het zonlicht dat erop valt en dat het weerkaatst, een getal tussen 0 (al het licht geabsorbeerd) en 1 (alles weerkaatst). Het bondalbedo uit Hoofdstuk 2 is het albedo van een planeet als geheel.

Gangbare albedo’s van oppervlakken en van de Aarde als geheel; het lichte deel van een staaf is het gebruikelijke bereik. Gegevens: University of Colorado Boulder, MOSAiC-expeditie; National Snow and Ice Data Center.
Gangbare albedo’s van oppervlakken en van de Aarde als geheel; het lichte deel van een staaf is het gebruikelijke bereik. Gegevens: University of Colorado Boulder, MOSAiC-expeditie; National Snow and Ice Data Center.

Verse sneeuw kaatst het meeste licht dat ze ontvangt terug, de open oceaan bijna niets. Daarom houdt het zee-ijs van de openingsfoto zijn kou vast tijdens de poolzomer: de sneeuw erop weerkaatst tot negen tiende van het zonlicht, terwijl het donkere water tussen de ijsschotsen er ongeveer 94 procent van absorbeert. Als het ijs smelt, neemt donker water zijn plaats in en absorbeert meer zonlicht, waardoor meer ijs smelt: een zichzelf versterkende kringloop die Hoofdstuk 28 weegt tussen de terugkoppelingen van het klimaat.

Een winterochtend na een paar zonnige dagen: de sneeuw ligt nog op de wei, maar op de donkere geploegde akker, die veel meer zonlicht absorbeert, is ze gesmolten.
Een winterochtend na een paar zonnige dagen: de sneeuw ligt nog op de wei, maar op de donkere geploegde akker, die veel meer zonlicht absorbeert, is ze gesmolten.

Voor de Aarde als geheel meten satellieten het naar de ruimte weerkaatste zonlicht rechtstreeks: gemiddeld 100 W/m2100\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} van de 340 W/m2340\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} die aankomen, een albedo van 100/340≈0.29100/340 \approx 0.29. Wolken zijn de belangrijkste weerkaatsers: dezelfde metingen, met de wolken er rekenkundig uit gehaald, geven maar 53 W/m253\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} weerkaatst.

Voorbeeld 3.8 (Het zonlicht dat de Aarde absorbeert)

Met een bondalbedo van 0.294 absorbeert elke vierkante meter gemiddeld 340×(1−0.294)≈240 W/m2340 \times (1 - 0.294) \approx 240\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}. Over de hele bol, met oppervlakte 4πR2=4π×(6.371×106 m)2≈5.10×1014 m24\pi R^2 = 4\pi \times (6.371 \times 10^{6}\,\mathrm{m})^2 \approx 5.10 \times 10^{14}\,\mathrm{m}^{2}, absorbeert de Aarde 240×5.10×1014≈1.22×1017 W240 \times 5.10\times10^{14} \approx 1.22 \times 10^{17}\,\mathrm{W} zonlicht: dit vermogen drijft de winden, de zeestromingen en de waterkringloop aan.

3.3 De wereldwijde energiebalans

Waar gaan die 240 W/m2240\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} naartoe? Metingen van satellieten, van instrumenten op de grond en van schepen, gecombineerd met modellen van de atmosfeer, geven vandaag een samenhangend antwoord, gemiddeld over de wereld en over meerdere jaren. Het wetenschappelijke evaluatierapport van 2021 vat het samen in het diagram hieronder, en stelt dat de wereldgemiddelde componenten nu nauwkeuriger bekend zijn, aan de top van de atmosfeer en aan het oppervlak (hoge betrouwbaarheid).

Definitie 3.9 (Energiebalans)

De energiebalans van een systeem — de hele Aarde, haar oppervlak of haar atmosfeer — is de boekhouding van alle energie die erin komt en eruit gaat, waarbij elke stroom wordt gegeven als een gemiddeld vermogen per vierkante meter aardoppervlak. De balans is sluitend als wat erin komt gelijk is aan wat eruit gaat; anders wint of verliest het systeem energie en warmt het op of koelt het af.

Het oppervlak verliest ook energie zonder straling: water verdampt uit de zee en uit bladeren, en de grond verwarmt de lucht die ermee in contact is.

Definitie 3.10 (Latente warmte; voelbare warmte)

De latente warmte van een stof is de energie die ze opneemt wanneer ze van toestand verandert zonder van temperatuur te veranderen — bij smelten of verdampen — en die ze teruggeeft bij de omgekeerde overgang. Voor water dat verdampt bij 15∘C15{}^{\circ}\mathrm{C} is dat ongeveer 2.47 MJ2.47\,\mathrm{MJ} per kilogram. In de energiebalans is de latentewarmtestroom de energie die verdamping aan het oppervlak onttrekt en die de waterdamp in de lucht vrijgeeft waar hij tot wolken condenseert. De stroom van voelbare warmte is de energie die het oppervlak doorgeeft aan de lucht die ermee in contact is, waardoor die lucht opwarmt, en die opstijgende lucht naar boven voert.

De wereldgemiddelde energiebalans van de Aarde aan het begin van de 21e eeuw, in W/ m2 gemiddeld over het hele oppervlak. Oranje: zonlicht; groen: warmte die door verdamping en door warme lucht wordt meegevoerd; rood: infrarood. Van de 100 weerkaatste komen er 25 van het oppervlak en 75 van wolken, de lucht en het stof erin. Het infrarood naar de ruimte omvat het deel van de uitstraling van het oppervlak dat recht door de lucht ontsnapt. Gegevens: IPCC, zesde evaluatierapport, werkgroep I, figuur 7.2.
De wereldgemiddelde energiebalans van de Aarde aan het begin van de 21e eeuw, in W/m2\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} gemiddeld over het hele oppervlak. Oranje: zonlicht; groen: warmte die door verdamping en door warme lucht wordt meegevoerd; rood: infrarood. Van de 100 weerkaatste komen er 25 van het oppervlak en 75 van wolken, de lucht en het stof erin. Het infrarood naar de ruimte omvat het deel van de uitstraling van het oppervlak dat recht door de lucht ontsnapt. Gegevens: IPCC, zesde evaluatierapport, werkgroep I, figuur 7.2.

Methode 3.11 (Een energiebalansdiagram lezen)

  1. Kies het systeem: de hele Aarde (een lijn boven de atmosfeer), het oppervlak, of de atmosfeer (de laag ertussen).
  2. Som de pijlen op die erin gaan en tel ze op; som de pijlen op die eruit gaan en tel ze op.
  3. Vergelijk de twee sommen. Zijn ze gelijk binnen de afronding van de getallen, dan is het systeem in evenwicht; het verschil is wat het per seconde en per vierkante meter wint (of verliest).

Propositie 3.12 (De balans sluit)

Binnen de afronding van de getallen sluit de balans in het diagram hierboven voor de Aarde als geheel, voor het oppervlak en voor de atmosfeer, op een klein overschot na van ongeveer 0.7 W/m20.7\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} dat de Aarde absorbeert en niet teruggeeft.

Bewijs. Hele Aarde: erin 340; eruit 100+239=339100 + 239 = 339. Oppervlak: erin 160+342=502160 + 342 = 502; eruit 82+21+398=50182 + 21 + 398 = 501. In beide gevallen is het overschot, ongeveer 1, de afgeronde onbalans van 0.7. Atmosfeer: noem WW het deel van het infrarood van het oppervlak dat door de lucht naar de ruimte ontsnapt. De lucht ontvangt 80+82+21+(398−W)=581−W80 + 82 + 21 + (398 - W) = 581 - W en zendt 342342 naar beneden en 239−W239 - W naar boven uit, samen 581−W581 - W: in evenwicht, wat WW ook is. ∎

Het diagram toont ook het broeikaseffect aan het werk. Het oppervlak ontvangt van de lucht 342 W/m2342\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} als infrarood — meer dan twee keer het zonlicht dat het absorbeert, 160 W/m2160\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}. Daardoor kan het 398 W/m2398\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} uitzenden, de uitstraling van een lichaam van ongeveer 15∘C15{}^{\circ}\mathrm{C}, terwijl de Aarde maar 239 W/m2239\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} naar de ruimte stuurt. De natuurkundeboeken bouwen het model dat deze getallen met de temperatuur verbindt; dit boek gebruikt de gemeten stromen.

Voorbeeld 3.13 (Een meter water per jaar)

De latentewarmtestroom, 82 W/m282\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}, verdampt elke seconde 82/2.47×106≈3.3×10−5 kg82/2.47\times 10^6 \approx 3.3 \times 10^{-5}\,\mathrm{kg} water per vierkante meter. Over een jaar, 3.16×1073.16\times10^7 seconden, is dat ongeveer 1050 kg1050\,\mathrm{kg}, een laag water van 1.05 m1.05\,\mathrm{m} dik over de hele Aarde. De lucht bevat telkens maar een beetje water, dus vrijwel alles valt terug als regen en sneeuw: de latentewarmtestroom en de jaarlijkse neerslag van de planeet zijn twee kanten van dezelfde waterkringloop.

Opmerking 3.14 (De onbalans)

Het overschot van 0.7 W/m20.7\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} lijkt piepklein naast stromen van honderden watt, maar over de hele Aarde is het 0.7×5.10×1014≈3.6×1014 W0.7 \times 5.10\times10^{14} \approx 3.6 \times 10^{14}\,\mathrm{W}, grotendeels opgeslagen in de oceaan, die opwarmt. Het is geen natuurconstante: het is de laatste decennia gegroeid, zoals Hoofdstuk 28 uitlegt.

3.4 Overschot en tekort

De balans sluit voor de Aarde als geheel, maar niet op elke breedte.

Jaargemiddelde instraling aan de top van de atmosfeer tegen de breedte (op beide halfronden dezelfde; berekend uit de zonneconstante en de helling van de as). Tussen de evenaar en ongeveer 37 ligt ze boven het wereldgemiddelde; dichter bij de polen blijft ze eronder.
Jaargemiddelde instraling aan de top van de atmosfeer tegen de breedte (op beide halfronden dezelfde; berekend uit de zonneconstante en de helling van de as). Tussen de evenaar en ongeveer 37∘37{}^{\circ} ligt ze boven het wereldgemiddelde; dichter bij de polen blijft ze eronder.

De tropen absorberen veel meer zonlicht dan de poolgebieden, en hun lage albedo vergroot het verschil nog. Het infrarood dat ze naar de ruimte sturen is ook groter, omdat ze warmer zijn, maar het varieert veel minder met de breedte. Daardoor absorberen de gebieden rond de evenaar gemiddeld ongeveer 200 W/m2200\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} meer dan ze weerkaatsen en uitstralen, en stralen de gebieden bij de polen ongeveer 200 W/m2200\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} meer uit dan ze absorberen.

Definitie 3.15 (Warmtetransport naar de polen)

Het warmtetransport naar de polen is de energiestroom die de bewegingen van de atmosfeer en van de oceaan van de tropen naar de polen voeren. Het wordt gemeten door een breedtecirkel heen, in petawatt (1 PW1\,\mathrm{PW} = 1015 W10^{15}\,\mathrm{W}).

Zonder dat transport zouden de tropen steeds heter en de polen steeds kouder worden, tot elke breedte haar eigen balans sloot. De atmosfeer doet het meeste werk: warme lucht die naar de polen stroomt en koude lucht die naar de evenaar terugkeert, en waterdamp die zijn latente warmte ver van de plaats waar hij verdampte vrijgeeft. De zeestromingen voeren de rest. Schattingen op basis van metingen geven voor het transport door de atmosfeer een maximum van ongeveer 5.0 PW5.0\,\mathrm{PW} bij 43∘43{}^{\circ} NB, met vergelijkbare waarden bij 40∘40{}^{\circ} ZB; de oceaan voert alleen dicht bij de evenaar meer dan de atmosfeer, tussen 0∘0{}^{\circ} en 17∘17{}^{\circ} NB, en op 35∘35{}^{\circ} NB, waar het totale transport het grootst is, neemt de atmosfeer er 78 %78\,\% van voor haar rekening. Het totaal is daar het grootst omdat 35∘35{}^{\circ} ongeveer de breedte is waar het overschot overgaat in het tekort: naar de evenaar toe blijft het transport het overschot van elke breedte die het passeert verzamelen; naar de pool toe put elke breedte eruit.

Tussen ongeveer 35 ZB en 35 NB absorbeert de Aarde meer energie dan ze uitstraalt; dichter bij de polen straalt ze meer uit dan ze absorbeert. De atmosfeer (oranje) en de oceaan (groen) voeren het overschot naar de polen. Schematisch: de breedte van de pijlen is niet op schaal.
Tussen ongeveer 35∘35{}^{\circ} ZB en 35∘35{}^{\circ} NB absorbeert de Aarde meer energie dan ze uitstraalt; dichter bij de polen straalt ze meer uit dan ze absorbeert. De atmosfeer (oranje) en de oceaan (groen) voeren het overschot naar de polen. Schematisch: de breedte van de pijlen is niet op schaal.

Dit transport is de motor van het weer. De convectiecellen en de wereldwijde winden van Boek 1, de stormen van Hoofdstuk 5 en de grote zeestromingen van Hoofdstuk 6 verplaatsen allemaal warmte van waar de Zon te veel geeft naar waar ze te weinig geeft.

3.5 Waar de energie blijft

Bijna alle energie van het zonlicht die de Aarde absorbeert, eindigt als warmte: ze verwarmt de grond, de zee en de lucht, verdampt water, drijft de winden en de stromingen aan, en vertrekt weer als infrarood licht. Een piepklein deel volgt een andere weg: fotosynthese slaat het op in de chemische bindingen van suikers, en van daaruit in alle levende materie van de planeet.

Voorbeeld 3.16 (Het aandeel van de fotosynthese)

Planten op het land en algen in de zee slaan, na hun eigen behoeften, elk jaar ongeveer 105105 miljard ton koolstof op in nieuwe levende materie, ruwweg de helft op het land en de helft in de oceaan: ecologen noemen dat de netto primaire productie van de planeet. De verbranding van een mol glucose, CX6HX12OX6\ce{C6H12O6}, die zes mol koolstof bevat, 72 g72\,\mathrm{g}, levert 2805 kJ2805\,\mathrm{kJ}: ongeveer 38.9 kJ38.9\,\mathrm{kJ} per gram koolstof. De energie die elk jaar wordt opgeslagen, is 1.049×1017 g×38.9×103 J/g≈4.1×1021 J1.049\times10^{17}\,\mathrm{g} \times 38.9 \times 10^{3}\,\mathrm{J}/\mathrm{g} \approx 4.1 \times 10^{21}\,\mathrm{J}, een vermogen van 4.1×1021/3.16×107≈1.3×1014 W4.1\times10^{21}/3.16\times10^{7} \approx 1.3 \times 10^{14}\,\mathrm{W}. Vergeleken met de 1.22×1017 W1.22 \times 10^{17}\,\mathrm{W} zonlicht die de Aarde absorbeert, is dat ongeveer 0.1 %0.1\,\%.

Opmerking 3.17 (Een klein aandeel, een grote rol)

Een duizendste van het geabsorbeerde zonlicht voedt bijna al het leven op Aarde, en de resten van planten en algen die honderden miljoenen jaren lang zijn begraven, vormen steenkool, aardolie en aardgas (Hoofdstuk 18). De rest van het zonlicht — meer dan 99.9 procent — houdt de planeet warm en haar lucht, water en weer in beweging.

3.6 Oefeningen

Oefening 3.1 ★

Definieer de instraling van een plaats en het albedo van een oppervlak. Wat weerkaatst het grootste deel van het zonlicht, verse sneeuw of de open oceaan?

Oplossing

Oplossing van Oefening 3.1.

De instraling van een plaats is het vermogen van het zonlicht dat een horizontale vierkante meter aan de top van de atmosfeer erboven ontvangt (gemiddeld over een dag of een jaar). Het albedo van een oppervlak is het deel van het zonlicht dat erop valt en dat het weerkaatst. Verse sneeuw (0.8 tot 0.9) weerkaatst veel meer dan de open oceaan (0.06).

Oefening 3.2 ★

Geef met behulp van het energiebalansdiagram van dit hoofdstuk, als percentage van de 340 W/m2340\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} die aan de top van de atmosfeer aankomen, het deel dat naar de ruimte wordt weerkaatst, het deel dat de lucht absorbeert en het deel dat het oppervlak absorbeert.

Oplossing

Oplossing van Oefening 3.2.

Weerkaatst: 100/340≈29 %100/340 \approx 29\,\%; geabsorbeerd door de lucht: 80/340≈24 %80/340 \approx 24\,\%; geabsorbeerd door het oppervlak: 160/340≈47 %160/340 \approx 47\,\%.

Oefening 3.3 ★

Een zomerzon levert 800 W/m2800\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} op de grond. Hoeveel vermogen absorbeert een vierkante meter die met vers asfalt (albedo 0.04) is bedekt, en een die met verse sneeuw (albedo 0.85) is bedekt?

Oplossing

Oplossing van Oefening 3.3.

Asfalt: 800×(1−0.04)=768 W800 \times (1 - 0.04) = 768\,\mathrm{W}. Sneeuw: 800×(1−0.85)=120 W800 \times (1 - 0.85) = 120\,\mathrm{W}, meer dan zes keer minder.

Oefening 3.4 ★

Wat voert meer energie weg van het aardoppervlak: verdamping of het opwarmen van de lucht die met de grond in contact is? Beschrijf in twee zinnen hoe de energie die verdamping aan de zee onttrekt, de lucht hoog erboven bereikt.

Oplossing

Oplossing van Oefening 3.4.

Verdamping: 82 W/m282\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}, tegen 21 W/m221\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} voor het opwarmen van de lucht. Het water dat verdampt, onttrekt zijn latente warmte aan de zee; de damp stijgt met de lucht op, en waar hij condenseert tot wolkendruppeltjes, vaak kilometers hoger, geeft hij die energie terug aan de lucht eromheen.

Oefening 3.5 ★

Leg uit waarom de daggemiddelde instraling op de Noordpool in december nul is, en geef de breedte waarboven dat bij de decemberzonnewende gebeurt.

Oplossing

Oplossing van Oefening 3.5.

In december helt het noordelijk halfrond van de Zon af: op de pool blijft de Zon de hele dag onder de horizon, dus er komt geen zonlicht aan. Bij de decemberzonnewende geldt dat overal voorbij 90∘−23.44∘=66.56∘90^\circ - 23.44^\circ = 66.56{}^{\circ} NB.

Oefening 3.6 ★★

Bereken met Propositie 3.2 het vermogen dat een horizontale vierkante meter aan de top van de atmosfeer ontvangt wanneer de Zon 90∘90{}^{\circ}, 30∘30{}^{\circ} en 10∘10{}^{\circ} boven de horizon staat. Op welke hoogte van de Zon ontvangt de vierkante meter de helft van S0S_0?

Oplossing

Oplossing van Oefening 3.6.

1361sin⁡90∘=1361 W1361 \sin 90^\circ = 1361\,\mathrm{W}; 1361sin⁡30∘=680.5 W1361 \sin 30^\circ = 680.5\,\mathrm{W}; 1361sin⁡10∘≈236 W1361 \sin 10^\circ \approx 236\,\mathrm{W}. De helft van S0S_0 vraagt sin⁡h=0.5\sin h = 0.5, dus h=30∘h = 30{}^{\circ}.

Oefening 3.7 ★★

Controleer volgens Methode 3.11 de balans van het zonlicht alleen: hoeveel van de 340 W/m2340\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} die aankomen, wordt weerkaatst, door de lucht geabsorbeerd en door het oppervlak geabsorbeerd? Is de som van de drie 340? Controleer ook dat het zonlicht dat het oppervlak bereikt, 185 W/m2185\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}, daar wordt weerkaatst of geabsorbeerd.

Oplossing

Oplossing van Oefening 3.7.

Weerkaatst 100, geabsorbeerd door de lucht 80, geabsorbeerd door het oppervlak 160: 100+80+160=340100 + 80 + 160 = 340, al het zonlicht is verantwoord. Aan het oppervlak geldt 185=25+160185 = 25 + 160: wat niet wordt weerkaatst, wordt geabsorbeerd.

Oefening 3.8 ★★

Bereken met de gemiddelde straal van de Aarde, 6371 km6371\,\mathrm{km}, de oppervlakte van de schijf die het zonlicht opvangt en het vermogen dat ze opvangt, en daarna de oppervlakte van de bol. Leid daaruit het gemiddelde vermogen per vierkante meter van de bol af.

Oplossing

Oplossing van Oefening 3.8.

Schijf: π×(6.371×106)2≈1.275×1014 m2\pi \times (6.371\times10^6)^2 \approx 1.275 \times 10^{14}\,\mathrm{m}^{2}; vermogen: 1361×1.275×1014≈1.74×1017 W1361 \times 1.275\times10^{14} \approx 1.74 \times 10^{17}\,\mathrm{W}. Bol: 4πR2≈5.10×1014 m24\pi R^2 \approx 5.10 \times 10^{14}\,\mathrm{m}^{2}. Gemiddeld: 1.74×1017/5.10×1014≈340 W/m21.74\times10^{17}/5.10\times 10^{14} \approx 340\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}, een kwart van S0S_0.

Oefening 3.9 ★★

Het overschot van de Aarde is 0.7 W/m20.7\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} over een oppervlakte van 5.10×1014 m25.10 \times 10^{14}\,\mathrm{m}^{2}. Hoeveel energie, in joule, wint de Aarde in een jaar van 3.16×1073.16\times10^7 seconden?

Oplossing

Oplossing van Oefening 3.9.

0.7×5.10×1014×3.16×107≈1.1×1022 J0.7 \times 5.10\times10^{14} \times 3.16\times10^7 \approx 1.1 \times 10^{22}\,\mathrm{J} per jaar.

Oefening 3.10 ★★

Met de wolken er rekenkundig uit gehaald, zou de Aarde 53 W/m253\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} weerkaatsen in plaats van 100 W/m2100\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}, en 267 W/m2267\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} infrarood naar de ruimte sturen in plaats van 239 W/m2239\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}. Hoeveel veranderen de wolken het geabsorbeerde zonlicht, en het verloren infrarood? Warmen de wolken de Aarde per saldo op, of koelen ze haar af?

Oplossing

Oplossing van Oefening 3.10.

De wolken weerkaatsen 100−53=47 W/m2100 - 53 = 47\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} meer zonlicht, dat dus niet wordt geabsorbeerd. Ze houden 267−239=28 W/m2267 - 239 = 28\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} infrarood tegen. Per saldo verliest de Aarde 47−28=19 W/m247 - 28 = 19\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}: de wolken koelen haar als geheel af.

Oefening 3.11 ★★

Lees de krommen van de daggemiddelde instraling in dit hoofdstuk af. In welke maanden is de daggemiddelde instraling op de Noordpool groter dan op de evenaar? Waarom vertoont de kromme van de evenaar twee maxima en niet één?

Oplossing

Oplossing van Oefening 3.11.

Van ongeveer 10 mei tot eind juli, dus in mei, juni en juli. Op de evenaar staat de Zon bij de twee equinoxen, in maart en september, om 12 uur ’s middags in het zenit; bij de zonnewenden passeert ze 23.44∘23.44{}^{\circ} van het zenit, zodat de evenaar in juni en in december iets minder ontvangt.

Oefening 3.12 ★★★

De latente verdampingswarmte van water is 2.47 MJ/kg2.47\,\mathrm{MJ}/\mathrm{kg} en de latentewarmtestroom 82 W/m282\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}. Bereken de dikte van de laag water, in millimeter, die elke dag van de gemiddelde vierkante meter van de Aarde verdampt, en in meter per jaar (een liter water, uitgespreid over een vierkante meter, geeft een laag van 1 mm1\,\mathrm{mm} dik).

Oplossing

Oplossing van Oefening 3.12.

Per seconde: 82/(2.47×106)≈3.32×10−5 kg82/(2.47\times10^6) \approx 3.32 \times 10^{-5}\,\mathrm{kg}. Per dag: 3.32×10−5×86 400≈2.9 kg3.32\times10^{-5} \times 86\,400 \approx 2.9\,\mathrm{kg}, een laag van ongeveer 2.9 mm2.9\,\mathrm{mm}. Per jaar: 3.32×10−5×3.16×107≈1050 kg3.32\times10^{-5} \times 3.16\times10^7 \approx 1050\,\mathrm{kg}, ongeveer 1.05 m1.05\,\mathrm{m} water.

Oefening 3.13 ★★★

Op de Noordpool draait de Zon rond aan de hemel op een hoogte gelijk aan haar declinatie δ\delta, dus de daggemiddelde instraling is daar S0sin⁡δS_0 \sin \delta. Zoek de declinatie waarbij de pool gemiddeld over de dag evenveel ontvangt als de evenaar bij een equinox, S0/πS_0/\pi. Voor de declinatie geldt sin⁡δ=sin⁡23.44∘×sin⁡λ\sin\delta = \sin 23.44^\circ \times \sin\lambda, waarbij de hoek λ\lambda in een jaar gelijkmatig met 360∘360{}^{\circ} toeneemt, vanaf 0∘0{}^{\circ} bij de maartequinox (90∘90{}^{\circ} bij de junizonnewende). Gedurende ongeveer hoeveel dagen per jaar ontvangt de pool meer dan S0/πS_0/\pi?

Oplossing

Oplossing van Oefening 3.13.

S0sin⁡δ=S0/πS_0 \sin\delta = S_0/\pi geeft sin⁡δ=1/π≈0.318\sin\delta = 1/\pi \approx 0.318, dus δ≈18.6∘\delta \approx 18.6{}^{\circ}. Dan is sin⁡λ=0.318/sin⁡23.44∘≈0.318/0.398≈0.800\sin\lambda = 0.318/\sin 23.44^\circ \approx 0.318/0.398 \approx 0.800: λ≈53.15∘\lambda \approx 53.15{}^{\circ} of 180∘−53.15∘=126.85∘180^\circ - 53.15^\circ = 126.85{}^{\circ}. Daartussen neemt λ\lambda met 73.7∘73.7{}^{\circ} toe, dat is 73.7/36073.7/360 van een jaar, ongeveer 7575 dagen, van half mei tot eind juli.

Oefening 3.14 ★★★

Stel dat in de zomer een oppervlakte van 1×1012 m21 \times 10^{12}\,\mathrm{m}^{2} zee-ijs (albedo 0.6) smelt en wordt vervangen door open oceaan (albedo 0.06), onder zonlicht van gemiddeld 300 W/m2300\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} aan het oppervlak. Bereken het extra geabsorbeerde vermogen. Vergelijk het met het vermogen dat alle fotosynthese op Aarde opslaat, 1.3×1014 W1.3 \times 10^{14}\,\mathrm{W}, en leg uit waarom deze wisseling van oppervlakken zichzelf versterkt.

Oplossing

Oplossing van Oefening 3.14.

Het ijs absorbeert 1−0.6=0.401 - 0.6 = 0.40 van het zonlicht, de oceaan 1−0.06=0.941 - 0.06 = 0.94. Extra vermogen: (0.94−0.40)×300×1012≈1.6×1014 W(0.94 - 0.40) \times 300 \times 10^{12} \approx 1.6 \times 10^{14}\,\mathrm{W}, meer dan alle fotosynthese van de planeet. De extra energie warmt het water op, dat aan de randen van de ijsschotsen meer ijs doet smelten, waardoor meer donker water bloot komt te liggen: de verandering voedt zichzelf.

Oefening 3.15 ★★★

De afstand van de Aarde tot de Zon is 147.1147.1 miljoen kilometer op het dichtstbijzijnde punt en 152.1152.1 miljoen op het verste, met een gemiddelde van 149.6149.6 miljoen, waar S0=1361 W/m2S_0 = 1361\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}. Bereken de bestralingssterkte van de Zon bij de twee uitersten. Het verschil is bijna 90 W/m290\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}; op 60∘60{}^{\circ} NB is de daggemiddelde instraling ongeveer 490 W/m2490\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} in juni en 24 W/m224\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} in december. Leg uit waarom de afstand niet de oorzaak van de seizoenen kan zijn.

Oplossing

Oplossing van Oefening 3.15.

Dichtstbij: 1361×(149.6/147.1)2≈1408 W/m21361 \times (149.6/147.1)^2 \approx 1408\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}; verst: 1361×(149.6/152.1)2≈1317 W/m21361 \times (149.6/152.1)^2 \approx 1317\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}; ongeveer 7 %7\,\% verschil. Op 60∘60{}^{\circ} NB is de instraling in juni twintig keer groter dan in december: een verandering van een paar procent kan dat niet veroorzaken. Bovendien staat de Aarde begin januari het dichtst bij de Zon, tijdens de noordelijke winter, en hebben de twee halfronden, op dezelfde afstand van de Zon, tegengestelde seizoenen: de helling van de as, niet de afstand, maakt de seizoenen.

3.7 Probleem: een zonnestraal volgen

Probleem 3.1

Weekendprobleem — van het zonlicht dat de Aarde bereikt tot het deel dat het leven opslaat

Gebruik S0=1361 W/m2S_0 = 1361\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}, de straal van de Aarde R=6371 kmR = 6371\,\mathrm{km}, σ=5.67×10−8 W m−2 K−4\sigma = 5.67 \times 10^{-8}\,\mathrm{W}\,\mathrm{m}^{-2}\,\mathrm{K}^{-4}, een jaar van 3.156×1073.156\times10^7 seconden, de stromen van het energiebalansdiagram, een latente verdampingswarmte van 2.47 MJ/kg2.47\,\mathrm{MJ}/\mathrm{kg}, een wereldwijde netto primaire productie van 104.9104.9 miljard ton koolstof per jaar, en 2805 kJ2805\,\mathrm{kJ} die vrijkomt bij de verbranding van een mol glucose (72.07 g72.07\,\mathrm{g} koolstof).

Deel I — De meetkunde van het zonlicht.

  1. Bereken de oppervlakte van de schijf die het zonlicht opvangt, πR2\pi R^2, in vierkante meter.
  2. Bereken het vermogen aan zonlicht dat ze opvangt.
  3. Bereken de oppervlakte van het aardoppervlak, 4πR24\pi R^2.
  4. Leid daaruit het gemiddelde vermogen af dat per vierkante meter aan de top van de atmosfeer aankomt.
  5. Bij een equinox staat de Zon om 12 uur ’s middags in het zenit boven de evenaar en 30∘30{}^{\circ} boven de horizon op 60∘60{}^{\circ} NB. Wat ontvangt een horizontale vierkante meter op elk van beide plaatsen?

Deel II — Albedo.

  1. Bereken uit de 100 W/m2100\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} die worden weerkaatst het albedo van de Aarde.
  2. Bereken het geabsorbeerde vermogen per vierkante meter en voor de hele Aarde.
  3. Zonder wolken zou 53 W/m253\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} worden weerkaatst. Hoe groot zou het albedo dan zijn? Met welke factor verhogen wolken het?
  4. Bereken de evenwichtstemperatuur die hoort bij het geabsorbeerde vermogen van vraag 7 (Hoofdstuk 2), en vergelijk die met de 288 K288\,\mathrm{K} van het oppervlak.

Deel III — Het oppervlak.

  1. Tel de energiestromen op die het oppervlak binnenkomen.
  2. Tel de stromen op die het verlaten, en vergelijk.
  3. Hoeveel keer groter dan het zonlicht dat het oppervlak absorbeert, is het infrarood dat het van de lucht ontvangt? Wat laat dat zien?
  4. Bereken de massa water die in een jaar van een vierkante meter verdampt, en de dikte van de laag die ze vormt.
  5. Bereken het totale vermogen van de onbalans, 0.7 W/m20.7\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}, over de hele Aarde.

Deel IV — Het aandeel van het leven.

  1. Bereken de energie die per gram in glucose vastgelegde koolstof wordt opgeslagen.
  2. Bereken de energie die de netto primaire productie in een jaar opslaat.
  3. Reken die om naar een vermogen.
  4. Druk het uit per vierkante meter aardoppervlak.
  5. Vergelijk het met de onbalans van vraag 14.
  6. Welk deel van het door de Aarde geabsorbeerde zonlicht (vraag 7) slaat fotosynthese op?
Oplossing

Oplossing van Probleem 3.1.

1. π×(6.371×106)2≈1.275×1014 m2\pi \times (6.371\times10^6)^2 \approx 1.275 \times 10^{14}\,\mathrm{m}^{2}.

2. 1361×1.275×1014≈1.735×1017 W1361 \times 1.275\times10^{14} \approx 1.735 \times 10^{17}\,\mathrm{W}.

3. 4πR2≈5.101×1014 m24\pi R^2 \approx 5.101 \times 10^{14}\,\mathrm{m}^{2}.

4. 1.735×1017/5.101×1014≈340 W/m21.735\times10^{17}/5.101\times10^{14} \approx 340\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}, dat is S0/4S_0/4.

5. Evenaar: 1361 W1361\,\mathrm{W}; 60∘60{}^{\circ} NB: 1361sin⁡30∘=680.5 W1361 \sin 30^\circ = 680.5\,\mathrm{W}.

6. 100/340≈0.294100/340 \approx 0.294.

7. 340−100=240 W/m2340 - 100 = 240\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}; over de hele Aarde 240×5.101×1014≈1.224×1017 W240 \times 5.101\times10^{14} \approx 1.224 \times 10^{17}\,\mathrm{W}.

8. 53/340≈0.15653/340 \approx 0.156. Wolken verhogen het albedo met een factor 100/53≈1.9100/53 \approx 1.9: ze verdubbelen het bijna.

9. (240/5.67×10−8)1/4≈255 K(240/5.67\times10^{-8})^{1/4} \approx 255\,\mathrm{K}, ongeveer 33 K33\,\mathrm{K} onder de 288 K288\,\mathrm{K} van het oppervlak.

10. 160+342=502 W/m2160 + 342 = 502\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}.

11. 82+21+398=501 W/m282 + 21 + 398 = 501\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}. Het oppervlak wint ongeveer 1 W/m21\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}: de afgeronde onbalans van 0.7 W/m20.7\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}.

12. 342/160≈2.1342/160 \approx 2.1. De lucht stuurt het oppervlak als infrarood meer dan twee keer zoveel energie als het zonlicht dat het absorbeert: het broeikaseffect.

13. 82×3.156×107/(2.47×106)≈1050 kg82 \times 3.156\times10^7/(2.47\times10^6) \approx 1050\,\mathrm{kg}, een laag van ongeveer 1.05 m1.05\,\mathrm{m} dik.

14. 0.7×5.101×1014≈3.6×1014 W0.7 \times 5.101\times10^{14} \approx 3.6 \times 10^{14}\,\mathrm{W}.

15. 2805/72.07≈38.9 kJ2805/72.07 \approx 38.9\,\mathrm{kJ} per gram koolstof.

16. 104.9×109104.9\times10^9 ton is 1.049×10171.049\times10^{17} g; 1.049×1017×38.9×103≈4.08×1021 J1.049\times10^{17} \times 38.9\times10^3 \approx 4.08 \times 10^{21}\,\mathrm{J}.

17. 4.08×1021/3.156×107≈1.29×1014 W4.08\times10^{21}/3.156\times10^7 \approx 1.29 \times 10^{14}\,\mathrm{W}.

18. 1.29×1014/5.101×1014≈0.25 W/m21.29\times10^{14}/5.101\times10^{14} \approx 0.25\,\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2}.

19. 0.7/0.25≈2.80.7/0.25 \approx 2.8: de onbalans van de Aarde is bijna drie keer het vermogen dat fotosynthese opslaat.

20. 1.29×1014/1.224×1017≈0.00111.29\times10^{14}/1.224\times10^{17} \approx 0.0011: fotosynthese slaat ongeveer 0.1 %0.1\,\% op van het zonlicht dat de Aarde absorbeert — een duizendste.

এই অধ্যায়ে সংজ্ঞায়িত পরিভাষা-শব্দ

পরিভাষায় সব 957 টি শব্দ দেখো