Chemistry · Boek 3 · Bachelor Year 2

Universitaire scheikunde — jaar 2

Universitaire scheikunde — jaar 2 · Bachelor Year 2

19Ligandveldtheorie en kleur

Robijn is rood en smaragd groen, en toch danken beide hun kleur aan hetzelfde ion, CrX3+\ce{Cr^3+}, waarvan enkele aluminium vervangen in korund, AlX2OX3\ce{Al2O3}, of in beril. Kristallen van kopersulfaat zijn diepblauw, maar het poeder dat na verhitten overblijft, is wit. Telkens komt de kleur van elektronen die springen tussen d-orbitalen waarvan de omringende atomen de energieën uit elkaar getrokken hebben — met een bedrag dat afhangt van welke atomen het ion omringen en hoe. Dit hoofdstuk berekent die splitsing, eerst met puntladingen, daarna met molecuulorbitalen; het verklaart kleuren, magnetisme, en de 18-elektronenregel van het vorige hoofdstuk.

Wat je al weet

Hoofdstuk 18: dnd^n-configuraties, geometrieën, elektronentellingen. Hoofdstuk 13: de vormen van de vijf d-orbitalen. Hoofdstuk 15: fragmentorbitalen. Het deel van jaar 1: absorbantie, complementaire kleuren, ongepaarde elektronen, de regel van Hund.

Een robijnkristal (publiek domein); een smaragd in zijn gesteente (Didier Descouens, CC BY-SA 3.0); kristallen van koper(II)sulfaatpentahydraat (Stephanb, CC BY-SA 3.0). Wikimedia Commons. Chroom(III) kleurt de eerste twee, het aquacomplex van koper(II) het derde. Een robijnkristal (publiek domein); een smaragd in zijn gesteente (Didier Descouens, CC BY-SA 3.0); kristallen van koper(II)sulfaatpentahydraat (Stephanb, CC BY-SA 3.0). Wikimedia Commons. Chroom(III) kleurt de eerste twee, het aquacomplex van koper(II) het derde. Een robijnkristal (publiek domein); een smaragd in zijn gesteente (Didier Descouens, CC BY-SA 3.0); kristallen van koper(II)sulfaatpentahydraat (Stephanb, CC BY-SA 3.0). Wikimedia Commons. Chroom(III) kleurt de eerste twee, het aquacomplex van koper(II) het derde.
Een robijnkristal (publiek domein); een smaragd in zijn gesteente (Didier Descouens, CC BY-SA 3.0); kristallen van koper(II)sulfaatpentahydraat (Stephanb, CC BY-SA 3.0). Wikimedia Commons. Chroom(III) kleurt de eerste twee, het aquacomplex van koper(II) het derde.

19.1 Het kristalveldmodel

Definitie 19.1 (Kristalveld)

Het kristalveldmodel behandelt de liganden van een complex als negatieve puntladingen (of de negatieve uiteinden van dipolen) rond het metaalion, en berekent hoe ze de energieën van zijn d-orbitalen veranderen. In een octaëdrisch veld splitsen de d-orbitalen in twee verzamelingen, gescheiden door de kristalveldsplitsing Δo\Delta_o.

Plaats de zes liganden op de assen. De orbitalen dz2\mathrm d_{z^2} en dx2−y2\mathrm d_{x^2-y^2} richten hun lobben recht op liganden: een elektron erin wordt sterker afgestoten en ze stijgen. De orbitalen dxy\mathrm d_{xy}, dxz\mathrm d_{xz}, dyz\mathrm d_{yz} wijzen tussen de liganden door en stijgen minder. Het eerste paar heet ege_g, de tweede verzameling van drie t2gt_{2g} (namen uit de groepentheorie, in het deel van jaar 3).

Twee d-orbitalen tussen de vier liganden van het xy-vlak van een octaëder (zwarte punten). De lobben van d_x2-y2 wijzen naar de liganden, die van d_xy ertussen.
Twee d-orbitalen tussen de vier liganden van het xyxy-vlak van een octaëder (zwarte punten). De lobben van dx2−y2\mathrm d_{x^2-y^2} wijzen naar de liganden, die van dxy\mathrm d_{xy} ertussen.

Stelling 19.2 (Zwaartepunt)

In een octaëdrisch veld ligt, gemeten vanaf de gemiddelde energie van de d-orbitalen, het paar ege_g op +0.6Δo+0.6\Delta_o en de verzameling t2gt_{2g} op −0.4Δo-0.4\Delta_o.

Bewijs. Het veld verhoogt het gemiddelde van de vijf d-energieën, maar de splitsing verandert het niet (de zwaartepuntsregel, aangenomen: de som van de verschuivingen van een volledige verzameling orbitalen ligt vast door de totale lading, niet door haar schikking). Met ege_g op xx en t2gt_{2g} op x−Δox - \Delta_o geeft de voorwaarde 2x+3(x−Δo)=02x + 3(x - \Delta_o) = 0 dat x=0.6Δox = 0.6\Delta_o. ∎

19.2 Hoogspin en laagspin

Definitie 19.3 (Spintoestanden)

De paringsenergie PP is de energie die nodig is om een tweede elektron in een bezette orbitaal te plaatsen in plaats van in een lege met dezelfde energie. Een complex is hoogspin wanneer zijn elektronen de ege_g-orbitalen bezetten voordat ze in t2gt_{2g} paren, laagspin wanneer ze eerst in t2gt_{2g} paren.

Propositie 19.4 (Keuze van de spintoestand)

Voor octaëdrische ionen d4d^4 tot d7d^7 is het complex laagspin als Δo>P\Delta_o > P en hoogspin als Δo<P\Delta_o < P. Voor d1d^1–d3d^3 en d8d^8–d10d^{10} bestaat er maar één configuratie.

Bewijs. Vanaf d3d^3 (t2g3t_{2g}^3) gaat het vierde elektron ofwel naar ege_g (kost Δo\Delta_o boven t2gt_{2g}) ofwel paart het in t2gt_{2g} (kost PP). Het goedkoopste wint; dezelfde vergelijking geldt voor elk elektron tot d7d^7. Voor d1d^1–d3d^3 is er plaats in t2gt_{2g} zonder paring; voor d8d^8–d10d^{10} is t2gt_{2g} vol en moet ege_g hoe dan ook gebruikt worden. ∎

Definitie 19.5 (Kristalveldstabilisatie-energie)

De kristalveldstabilisatie-energie (CFSE) van een configuratie t2gaegbt_{2g}^ae_g^b is (−0.4a+0.6b)Δo(-0.4a + 0.6b)\Delta_o, de energie van de d-elektronen ten opzichte van het zwaartepunt (de paringsenergieën apart geteld).

Propositie 19.6 (CFSE langs de reeks)

Bij hoogspin is de CFSE 00, −0.4-0.4, −0.8-0.8, −1.2-1.2, −0.6-0.6, 00, −0.4-0.4, −0.8-0.8, −1.2-1.2, −0.6-0.6, 00 (in Δo\Delta_o) voor d0d^0 tot d10d^{10}: ze verdwijnt voor d0d^0, d5d^5, d10d^{10}. Bij laagspin bereikt ze −2.4Δo-2.4\Delta_o voor d6d^6.

Bewijs. Vul de configuraties en pas de definitie toe; de waarden zijn die van de figuur, berekend. ∎

Links: kristalveldstabilisatie-energie langs de d-reeks (berekend), hoogspin (getrokken) en laagspin (gestreept). Rechts: de twee configuraties van een d6-ion: vier ongepaarde elektronen wanneer _o < P (zoals [Fe(H2O)6]2+), geen wanneer _o > P (zoals [Fe(CN)6]4-). Links: kristalveldstabilisatie-energie langs de d-reeks (berekend), hoogspin (getrokken) en laagspin (gestreept). Rechts: de twee configuraties van een d6-ion: vier ongepaarde elektronen wanneer _o < P (zoals [Fe(H2O)6]2+), geen wanneer _o > P (zoals [Fe(CN)6]4-).
Links: kristalveldstabilisatie-energie langs de d-reeks (berekend), hoogspin (getrokken) en laagspin (gestreept). Rechts: de twee configuraties van een d6d^6-ion: vier ongepaarde elektronen wanneer Δo<P\Delta_o < P (zoals [Fe(HX2O)X6]X2+\ce{[Fe(H2O)6]^2+}), geen wanneer Δo>P\Delta_o > P (zoals [Fe(CN)X6]X4−\ce{[Fe(CN)6]^4-}).

Methode 19.7 (Spintoestand, CFSE en ongepaarde elektronen)

  1. Bepaal nn uit de oxidatietoestand (n=g−mn = g - m).
  2. Vergelijk voor d4d^4–d7d^7 Δo\Delta_o en PP (of plaats het ligand in de spectrochemische reeks): sterk veld, laagspin; zwak veld, hoogspin.
  3. Vul t2gt_{2g} en ege_g dienovereenkomstig; CFSE =(−0.4a+0.6b)Δo= (-0.4a + 0.6b)\Delta_o.
  4. Tel de ongepaarde elektronen; elk ongepaard elektron maakt het complex paramagnetisch.

19.3 Andere geometrieën

Propositie 19.8 (Tetraëdrische en vlak vierkante velden)

In een tetraëdrisch veld is de volgorde omgekeerd: twee orbitalen (ee) onder drie (t2t_2), met een splitsing Δt≈49Δo\Delta_t \approx \frac49\Delta_o voor hetzelfde metaal en dezelfde liganden; tetraëdrische complexen zijn hoogspin. In een vlak vierkant veld ligt de orbitaal dx2−y2\mathrm d_{x^2-y^2} ver boven de andere: een d8d^8-ion vult de vier lagere orbitalen en laat haar leeg.

Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen. ∎

De factor 4/94/9 komt uit de geometrie van de puntladingen; met slechts vier liganden, waarvan geen enkel langs de assen wijst, is de splitsing te klein om de paringsenergie te overwinnen. Het weghalen van de twee liganden op de zz-as van een octaëder verlaagt de orbitalen met een zz-component en verhoogt er geen: dat verklaart de vlak vierkante d8d^8-complexen van het vorige hoofdstuk, waarvan de acht elektronen allemaal plaats vinden onder de lege dx2−y2\mathrm d_{x^2-y^2}.

Splitsing van de d-orbitalen in drie geometrieën, schematisch (niet op dezelfde schaal): octaëdrisch, tetraëdrisch (omgekeerd en kleiner), vlak vierkant (één orbitaal ver boven de andere).
Splitsing van de d-orbitalen in drie geometrieën, schematisch (niet op dezelfde schaal): octaëdrisch, tetraëdrisch (omgekeerd en kleiner), vlak vierkant (één orbitaal ver boven de andere).

19.4 Kleur en de spectrochemische reeks

Definitie 19.9 (d-d-overgang)

Een d-d-overgang is de promotie van een elektron van een lager naar een hoger d-niveau van een complex door absorptie van licht; voor een d1d^1-ion van t2gt_{2g} naar ege_g, bij de energie Δo\Delta_o.

Propositie 19.10 (Splitsing uit de kleur)

Als een complex het sterkst absorbeert bij de golflengte λmax⁡\lambda_{\max} door een d-d-overgang met energie Δo\Delta_o, dan is Δo=NAhc/λmax⁡\Delta_o = N_Ahc/\lambda_{\max} per mol, of ν~=1/λmax⁡\tilde\nu = 1/\lambda_{\max} in golfgetallen; de waargenomen kleur is de complementaire kleur van de geabsorbeerde.

Bewijs. Een foton met golflengte λ\lambda draagt hc/λhc/\lambda; één mol fotonen NAhc/λN_Ahc/\lambda. Wit licht zonder de geabsorbeerde band verschijnt in de complementaire kleur. ∎

Methode 19.11 (Van een absorptieband naar een kleur)

  1. Reken λmax⁡\lambda_{\max} om naar ν~=1/λmax⁡\tilde\nu = 1/\lambda_{\max} (cm−1\mathrm{cm}^{-1}) en naar NAhc/λmax⁡N_Ahc/\lambda_{\max} (kJ/mol\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}): 500 nm↔20 000 cm−1↔239 kJ/mol500\,\mathrm{nm} \leftrightarrow 20\,000\,\mathrm{cm}^{-1} \leftrightarrow 239\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}.
  2. Zoek de geabsorbeerde kleur (violet 400–430, blauw 430–490, groen 490–560, geel 560–590, oranje 590–620, rood 620–700 nm, bij benadering).
  3. De waargenomen kleur ligt er tegenover op de kleurencirkel.
Een kleurencirkel: de waargenomen kleur is ruwweg de complementaire, diametraal tegenover de geabsorbeerde band.
Een kleurencirkel: de waargenomen kleur is ruwweg de complementaire, diametraal tegenover de geabsorbeerde band.

Definitie 19.12 (Spectrochemische reeks)

De spectrochemische reeks rangschikt liganden naar de splitsing die ze voor een gegeven metaalion veroorzaken:

IX−<BrX−<ClX−<FX−<OHX−<HX2O<NHX3<en<NOX2X−<CNX−<CO.\ce{I-} < \ce{Br-} < \ce{Cl-} < \ce{F-} < \ce{OH-} < \ce{H2O} < \ce{NH3} < \text{en} < \ce{NO2-} < \ce{CN-} < \ce{CO} .

Voor een gegeven ligand groeit Δo\Delta_o ook met de lading van het metaalion en naar beneden in een groep (4d- en 5d-complexen, groter dan 3d-complexen, zijn bijna altijd laagspin).

De halogeniden staan aan het zwakke uiteinde en CNX−\ce{CN-} en CO\ce{CO} aan het sterke, wat het kristalveldmodel niet kan verklaren: het zou het geladen FX−\ce{F-} boven het neutrale CO\ce{CO} plaatsen. De verklaring vereist orbitalen.

19.5 Het ligandveld

Definitie 19.13 (Ligandveldtheorie)

De ligandveldtheorie beschrijft een complex met molecuulorbitalen die opgebouwd zijn uit de valentieorbitalen van het metaal (zijn negen nnd-, (n+1)(n+1)s- en (n+1)(n+1)p-orbitalen) en de donororbitalen van de liganden.

Propositie 19.14 (σ\sigma-binding in een octaëdrisch complex)

Met zes liganden die elk één σ\sigma-donororbitaal leveren, ontstaan zes bindende molecuulorbitalen uit de s-, de drie p- en de twee ege_g-orbitalen van het metaal; de drie t2gt_{2g}-orbitalen, die tussen de liganden door wijzen, blijven niet-bindend; daarboven liggen de antibindende eg∗e_g^*-orbitalen. De elektronen van de liganden vullen de zes bindende orbitalen; de d-elektronen van het metaal gaan naar t2gt_{2g} en eg∗e_g^*, gescheiden door Δo\Delta_o. Bindende plus niet-bindende orbitalen kunnen 12+6=1812 + 6 = 18 elektronen bevatten.

Redenering. Volgens de fragmentmethode van Hoofdstuk 15 wisselwerkt elke metaalorbitaal met de combinatie van ligandorbitalen van dezelfde symmetrie: s met de volledig symmetrische, elke p met een paar tegenover elkaar liggende liganden, dz2\mathrm d_{z^2} en dx2−y2\mathrm d_{x^2-y^2} met de combinaties die langs hun lobben wijzen; geen enkele σ\sigma-combinatie past bij de t2gt_{2g}-orbitalen (hun overlap met elke σ\sigma-donor die langs een as wijst, is door symmetrie nul). De namen van de combinaties komen uit de groepentheorie, aangenomen. Alle bindende en niet-bindende orbitalen vullen, en geen van de antibindende, vergt 18 elektronen — de 18-elektronenregel. ∎

Molecuulorbitalen van een octaëdrisch complex met zes -donoren, schematisch. De twaalf elektronen van de liganden vullen de zes bindende orbitalen; de d-elektronen van het metaal bezetten het niet-bindende niveau t_2g en het antibindende e_g*, gescheiden door _o — het kristalveldbeeld teruggevonden. Tot 18 elektronen vullen de bindende en niet-bindende niveaus.
Molecuulorbitalen van een octaëdrisch complex met zes σ\sigma-donoren, schematisch. De twaalf elektronen van de liganden vullen de zes bindende orbitalen; de d-elektronen van het metaal bezetten het niet-bindende niveau t2gt_{2g} en het antibindende eg∗e_g^*, gescheiden door Δo\Delta_o — het kristalveldbeeld teruggevonden. Tot 18 elektronen vullen de bindende en niet-bindende niveaus.

Definitie 19.15 (π\pi-donor- en π\pi-acceptorliganden)

Een π\pi-donorligand heeft gevulde orbitalen met π\pi-symmetrie ten opzichte van de binding metaal-ligand (vrije elektronenparen van ClX−\ce{Cl-}, OHX−\ce{OH-}); een π\pi-acceptorligand heeft lege orbitalen met lage energie (de π∗\pi^*-orbitalen van CO\ce{CO} en CNX−\ce{CN-}). De overdracht van elektronendichtheid van gevulde d-orbitalen van het metaal naar de lege π∗\pi^*-orbitalen van een π\pi-acceptorligand heet terugdonatie.

Propositie 19.16 (π\pi-effecten op de splitsing)

π\pi-donorliganden verkleinen Δo\Delta_o; π\pi-acceptorliganden vergroten haar.

Bewijs. De t2gt_{2g}-orbitalen hebben de juiste symmetrie om met π\pi-orbitalen van liganden te overlappen. Een gevulde π\pi-orbitaal van een ligand ligt onder t2gt_{2g}: volgens Stelling 17.1 duwt de wisselwerking t2gt_{2g} omhoog, naar eg∗e_g^*, en wordt Δo\Delta_o kleiner. Een lege π∗\pi^*-orbitaal ligt boven t2gt_{2g}: de wisselwerking duwt t2gt_{2g} omlaag, en Δo\Delta_o wordt groter. Het tweede geval draagt d-dichtheid van het metaal over naar de π∗\pi^* van het ligand: terugdonatie. ∎

Invloed van de π-orbitalen van liganden op het niveau t_2g, schematisch. Een gevulde π-orbitaal eronder duwt t_2g omhoog (kleinere splitsing); een lege π*-orbitaal erboven trekt het omlaag (grotere splitsing).
Invloed van de π\pi-orbitalen van liganden op het niveau t2gt_{2g}, schematisch. Een gevulde π\pi-orbitaal eronder duwt t2gt_{2g} omhoog (kleinere splitsing); een lege π∗\pi^*-orbitaal erboven trekt het omlaag (grotere splitsing).

Dit plaatst CO\ce{CO} en CNX−\ce{CN-}, sterke σ\sigma-donoren en π\pi-acceptoren, bovenaan de spectrochemische reeks, en de halogeniden, π\pi-donoren, onderaan. Metaalcarbonylen hebben hun t2gt_{2g}-orbitalen gestabiliseerd en gevuld: de 18-elektronencomplexen van Hoofdstuk 18.

19.6 Oefeningen

Oefening 19.1 ★

Geef de octaëdrische configuratie en de CFSE van een d3d^3-ion en van een d8d^8-ion.

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.1.

d3d^3: t2g3t_{2g}^3, CFSE −1.2Δo-1.2\Delta_o. d8d^8: t2g6eg2t_{2g}^6e_g^2, CFSE −2.4+1.2=−1.2Δo-2.4 + 1.2 = -1.2\Delta_o.

Oefening 19.2 ★

Hoeveel ongepaarde elektronen hebben [Fe(HX2O)X6]X2+\ce{[Fe(H2O)6]^2+} (hoogspin) en [Fe(CN)X6]X4−\ce{[Fe(CN)6]^4-} (laagspin)?

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.2.

[Fe(HX2O)X6]X2+\ce{[Fe(H2O)6]^2+}, d6d^6 hoogspin t2g4eg2t_{2g}^4e_g^2: vier. [Fe(CN)X6]X4−\ce{[Fe(CN)6]^4-}, laagspin t2g6t_{2g}^6: geen (diamagnetisch).

Oefening 19.3 ★

Een complex absorbeert het sterkst bij 600 nm600\,\mathrm{nm}. Welke kleur heeft het?

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.3.

Licht van 600 nm is oranje; het complex ziet er blauw uit (groenachtig blauw).

Oefening 19.4 ★

Rangschik HX2O\ce{H2O}, CNX−\ce{CN-}, ClX−\ce{Cl-}, NHX3\ce{NH3} naar de splitsing die ze veroorzaken.

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.4.

ClX−<HX2O<NHX3<CNX−\ce{Cl-} < \ce{H2O} < \ce{NH3} < \ce{CN-}.

Oefening 19.5 ★★

Voor een d5d^5-ion is Δo=165 kJ/mol\Delta_o = 165\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol} met water en 390 kJ/mol390\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol} met cyanide, en P=300 kJ/molP = 300\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol} (gegevens voor de oefening). Voorspel beide spintoestanden en de ongepaarde elektronen.

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.5.

Water: Δo<P\Delta_o < P, hoogspin, t2g3eg2t_{2g}^3e_g^2, vijf ongepaarde elektronen. Cyanide: Δo>P\Delta_o > P, laagspin, t2g5t_{2g}^5, één ongepaard elektron.

Oefening 19.6 ★★

[Co(HX2O)X6]X2+\ce{[Co(H2O)6]^2+} is roze, [CoClX4]X2−\ce{[CoCl4]^2-} diepblauw. Verklaar de kleurverandering uit de verandering van geometrie en ligand.

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.6.

In het tetraëdrische [CoClX4]X2−\ce{[CoCl4]^2-} is de splitsing ongeveer 4/94/9 van een octaëdrische, en chloride is een zwakker ligand dan water: de d-d-band verschuift naar langere golflengten (van oranje naar rood), en het complex ziet er blauw uit. Tetraëdrische complexen absorberen ook sterker, vandaar de diepe kleur.

Oefening 19.7 ★★

Toon aan dat het vlak vierkante [Ni(CN)X4]X2−\ce{[Ni(CN)4]^2-} diamagnetisch is, terwijl het tetraëdrische [NiClX4]X2−\ce{[NiCl4]^2-} twee ongepaarde elektronen heeft.

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.7.

NiX2+\ce{Ni^2+} is d8d^8. Vlak vierkant: vier lagere orbitalen bevatten de acht elektronen in paren, dx2−y2\mathrm d_{x^2-y^2} blijft leeg: diamagnetisch. Tetraëdrisch: e4t24e^4t_2^4, twee ongepaarde elektronen in de verzameling t2t_2.

Oefening 19.8 ★★

Een d1d^1-complex absorbeert bij 500 nm500\,\mathrm{nm} (gegevens voor de oefening). Bereken Δo\Delta_o in cm−1\mathrm{cm}^{-1} en kJ/mol\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.8.

ν~=1/(500×10−7 cm)=20 000 cm−1\tilde\nu = 1/(500 \times 10^{-7}\,\text{cm}) = 20\,000\,\mathrm{cm}^{-1}; Δo=0.1196/(500×10−9)=2.39×105 J/mol\Delta_o = 0.1196/(500 \times 10^{-9}) = 2.39 \times 10^{5}\,\mathrm{J}/\mathrm{mol}, 239 kJ/mol239\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}.

Oefening 19.9 ★★

Waarom zijn verbindingen van ZnX2+\ce{Zn^2+} en ScX3+\ce{Sc^3+} kleurloos?

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.9.

ZnX2+\ce{Zn^2+} is d10d^{10} en ScX3+\ce{Sc^3+} d0d^0: geen d-d-overgang is mogelijk (geen leeg d-niveau voor ZnX2+\ce{Zn^2+}, geen d-elektron voor ScX3+\ce{Sc^3+}), dus geen absorptie in het zichtbare.

Oefening 19.10 ★★★

Tel de elektronen in de molecuulorbitalen van [Co(NHX3)X6]X3+\ce{[Co(NH3)6]^3+}: welke niveaus zijn gevuld, en is het complex diamagnetisch?

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.10.

Co(III) d6d^6 + zes vrije elektronenparen van ammoniak: 18 elektronen. Twaalf vullen de zes bindende orbitalen, zes vullen het niet-bindende t2gt_{2g} (ammoniak geeft met kobalt(III) een veld dat sterk genoeg is voor laagspin); eg∗e_g^* is leeg. Alle elektronen zijn gepaard: diamagnetisch.

Oefening 19.11 ★★★

Leg uit waarom CO\ce{CO}, een neutraal en zwak basisch molecuul, een grotere splitsing geeft dan het fluoride-ion.

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.11.

CO\ce{CO} is een goede σ\sigma-donor en vooral een π\pi-acceptor: zijn lege π∗\pi^*-orbitalen verlagen het niveau t2gt_{2g} door terugdonatie, wat Δo\Delta_o vergroot. FX−\ce{F-} is een π\pi-donor, die t2gt_{2g} verhoogt en Δo\Delta_o verkleint. Het puntladingsmodel ziet alleen de lading en krijgt de volgorde verkeerd.

Oefening 19.12 ★★★

De hydratatie-enthalpieën van de ionen MX2+\ce{M^2+} van CaX2+\ce{Ca^2+} tot ZnX2+\ce{Zn^2+}, uitgezet tegen nn, vormen twee bulten boven een rechte door d0d^0, d5d^5 en d10d^{10}. Verklaar de vorm met de CFSE bij hoogspin.

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.12.

Zonder veld zouden de hydratatie-enthalpieën een gladde lijn volgen (de ionen krimpen langs de reeks). Water geeft hoogspin-aquacomplexen waarvan de CFSE nul is voor d0d^0, d5d^5, d10d^{10} en het grootst voor d3d^3 en d8d^8: de extra stabilisatie voegt twee bulten toe, met maxima rond VX2+\ce{V^2+} en NiX2+\ce{Ni^2+}, boven de lijn door CaX2+\ce{Ca^2+}, MnX2+\ce{Mn^2+}, ZnX2+\ce{Zn^2+}.

19.7 Probleem: rode robijn, groene smaragd

Probleem 19.1

Weekendprobleem — chroom(III) in een octaëdrisch veld, de absorptiebanden van robijn en de kleur die ze overlaten, het zwakkere veld van smaragd, en gehydrateerd en watervrij kopersulfaat

Gegevens voor het probleem (afgerond, illustratief): robijn (CrX3+\ce{Cr^3+} in AlX2OX3\ce{Al2O3}) absorbeert in twee banden, rond 556 nm556\,\mathrm{nm} en 405 nm405\,\mathrm{nm}; in smaragd (CrX3+\ce{Cr^3+} in beril) ligt de eerste band rond 620 nm620\,\mathrm{nm}. Voor een d3d^3-ion komt de eerste band overeen met Δo\Delta_o. NAhc=0.1196 J m/molN_Ahc = 0.1196\,\mathrm{J}\,\mathrm{m}/\mathrm{mol}.

Deel I — Chroom(III).

  1. Geef de dnd^n-configuratie van CrX3+\ce{Cr^3+}.
  2. Hoe is ze verdeeld in een octaëdrisch veld?
  3. Is er een keuze tussen hoogspin en laagspin?
  4. Bereken haar CFSE.
  5. Hoeveel ongepaarde elektronen heeft het ion?
  6. Waarom zijn chroom(III)complexen kinetisch inert (wisselen ze traag liganden uit)?

Deel II — Robijn.

  1. Wat omringt een CrX3+\ce{Cr^3+}-ion dat in korund de plaats van AlX3+\ce{Al^3+} inneemt?
  2. Reken de eerste band om naar een golfgetal.
  3. Leid Δo\Delta_o af in kJ/mol\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}.
  4. Welke kleuren worden door de twee banden geabsorbeerd?
  5. Wat blijft er over om gezien te worden?
  6. Waarom zijn er twee banden voor één enkele splitsing? (Een kwalitatief antwoord.)

Deel III — Smaragd.

  1. Reken de band van smaragd om naar Δo\Delta_o.
  2. Vergelijk met robijn: welk kristal geeft het sterkste veld?
  3. Waarheen verschuift de geabsorbeerde kleur, en welke kleur wordt doorgelaten?
  4. Opper een structurele reden voor het zwakkere veld in beril.
  5. Zou het aantal ongepaarde elektronen veranderen?

Deel IV — Kopersulfaat.

  1. Wat is de configuratie van CuX2+\ce{Cu^2+}?
  2. In CuSOX4 ⋅ 5 HX2O\ce{CuSO4.5H2O} is koper omringd door watermoleculen. Waarom is de vaste stof blauw?
  3. Wat gebeurt er met de kleur wanneer het water verdreven wordt, en waarom?
  4. Waarom maakt een druppel water het witte poeder weer blauw?
  5. Zou [Cu(NHX3)X4]X2+\ce{[Cu(NH3)4]^2+} bij een kortere of langere golflengte absorberen dan het aqua-ion?
  6. Kan een d9d^9-ion hoogspin of laagspin zijn?
  7. Is CuSOX4 ⋅ 5 HX2O\ce{CuSO4.5H2O} paramagnetisch?
  8. Geef Δo\Delta_o van CrX3+\ce{Cr^3+} in robijn uit zijn eerste absorptieband.
Oplossing

Oplossing van Probleem 19.1.

1. d3d^3. 2. t2g3t_{2g}^3, één elektron in elk van de drie orbitalen, met parallelle spins. 3. Nee: drie elektronen passen in t2gt_{2g} zonder paring. 4. −1.2Δo-1.2\Delta_o. 5. Drie. 6. De CFSE is groot en de eg∗e_g^*-orbitalen, die naar de liganden wijzen, zijn leeg: een ligand weghalen of toevoegen kost een groot deel van die stabilisatie. 7. Zes oxide-ionen op de hoekpunten van een licht vervormde octaëder. 8. 1/(556×10−7)=17 990 cm−11/(556 \times 10^{-7}) = 17\,990\,\mathrm{cm}^{-1}, ongeveer 1.80×104 cm−11.80 \times 10^{4}\,\mathrm{cm}^{-1}. 9. 0.1196/(556×10−9)=2.15×105 J/mol0.1196/(556 \times 10^{-9}) = 2.15 \times 10^{5}\,\mathrm{J}/\mathrm{mol}: 215 kJ/mol215\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}. 10. Geelgroen (556 nm) en violet (405 nm). 11. Rood, met een beetje blauw: het diepe rood van robijn. 12. Een d3d^3-ion heeft meer dan één aangeslagen configuratie met een elektron in ege_g; de elektronenafstoting geeft ze verschillende energieën, vandaar verscheidene banden (behandeld in het deel van jaar 3). 13. 0.1196/(620×10−9)=1.93×105 J/mol0.1196/(620 \times 10^{-9}) = 1.93 \times 10^{5}\,\mathrm{J}/\mathrm{mol}, 193 kJ/mol193\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol} (16 130 cm−116\,130\,\mathrm{cm}^{-1}). 14. Robijn: zijn splitsing is groter. 15. Naar oranjerood: nu wordt rood geabsorbeerd, en groen (met wat blauw) wordt doorgelaten. 16. In beril zijn de chroomplaatsen iets groter en de oxide-ionen verder weg, en de omgeving verschilt: een zwakker veld. 17. Nee: een d3d^3-ion houdt in elk octaëdrisch veld drie ongepaarde elektronen. 18. d9d^9. 19. Het aquacomplex absorbeert in het rood en oranje door een d-d-overgang: het doorgelaten licht is blauw. 20. Het wordt wit: zonder waterliganden rond het koper (sulfaat neemt hun plaats in) is het veld zwakker en verschuift de band naar het infrarood. 21. Water bindt opnieuw aan koper en het blauwe aquacomplex ontstaat. 22. Bij kortere golflengte: ammoniak, hoger dan water in de reeks, geeft een grotere splitsing (het diepe blauwviolet van het amminecomplex). 23. Nee: t2g6eg3t_{2g}^6e_g^3 is de enige configuratie. 24. Ja: één ongepaard elektron. 25. Δo≈1.8×104 cm−1\boldsymbol{\Delta_o \approx 1.8 \times 10^{4}\,\mathrm{cm}^{-1}}, ongeveer 215 kJ/mol\boldsymbol{215\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}}.

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 852 begrippen in de begrippenlijst