Chemistry · Boek 3 · Bachelor Year 2

Universitaire scheikunde — jaar 2

Universitaire scheikunde — jaar 2 · Bachelor Year 2

1Reactie-enthalpieën

Een kampeergaspatroon, onder een kleine brander geschroefd: een paar gram butaan brengen een liter water in enkele minuten aan de kook, en de blauwe vlam onder de pan is veel heter dan het kokende water. Hoeveel warmte geeft een reactie af, hoeveel daarvan bereikt de pan, en hoe heet kan de vlam worden? Voor geen van deze vragen is een brander nodig: tabellen met een paar getallen per stof, eens en voorgoed gemeten, geven de reactiewarmte van elke reactie die met die stoffen te schrijven is, bij elke temperatuur. Dit hoofdstuk bouwt die boekhouding op. Het past de eerste hoofdwet van de thermodynamica, bekend uit de natuurkunde, toe op een systeem waarvan de samenstelling verandert, definieert de reactie-enthalpie als een partiële afgeleide, en laat zien hoe ze te berekenen is uit vormingsenthalpieën, uit bindingsenthalpieën en langs kringprocessen, hoe ze met de temperatuur verandert, en wat ze zegt over vlammen en calorimeters.

Wat je al weet

Uit de natuurkunde: de eerste hoofdwet ΔU=W+Q\Delta U = W + Q; de enthalpie H=U+pVH = U + pV, een toestandsfunctie; bij constante uitwendige druk, tussen twee toestanden bij die druk, is de opgenomen warmte Qp=ΔHQ_p = \Delta H; de warmtecapaciteit bij constante druk Cp=(∂H/∂T)pC_p = (\partial H/\partial T)_p; de enthalpie van een ideaal gas hangt alleen van TT af. Het deel van jaar 1 beschreef een reagerend systeem met zijn voortgang ξ\xi en de stoichiometrische getallen νi\nu_i van 0=∑iνiAi0 = \sum_i\nu_i\mathrm A_i, en legde de standaardtoestand van elk deeltje vast bij p∘=1 barp^\circ = 1\,\mathrm{bar}. Het schoolboek (jaar 11) noemde een reactie exotherm wanneer ze warmte afgeeft, en schatte verbrandingsenergieën uit bindingsenergieën.

Een kampeerbrander: butaan uit het patroon verbrandt in de lucht onder de pan. De warmte die per mol butaan vrijkomt, het deel dat het water bereikt en de temperatuur van de vlam worden berekend in het weekendprobleem van dit hoofdstuk.
Een kampeerbrander: butaan uit het patroon verbrandt in de lucht onder de pan. De warmte die per mol butaan vrijkomt, het deel dat het water bereikt en de temperatuur van de vlam worden berekend in het weekendprobleem van dit hoofdstuk.

1.1 Reactiegrootheden

Een gesloten systeem waarin de enige reactie 0=∑iνiAi0 = \sum_i\nu_i\mathrm A_i plaatsvindt, wordt beschreven door zijn temperatuur, zijn druk en zijn voortgang: de hoeveelheden zijn ni=ni,0+νiξn_i = n_{i,0} + \nu_i\xi. Elke extensieve toestandsfunctie van het systeem, bijvoorbeeld zijn enthalpie, is dan een functie H(T,p,ξ)H(T, p, \xi), met als totale differentiaal

 ⁣dH=(∂H∂T)p,ξ ⁣dT+(∂H∂p)T,ξ ⁣dp+(∂H∂ξ)T,p ⁣dξ.\dd H = \left(\frac{\partial H}{\partial T}\right)_{p,\xi}\dd T + \left(\frac{\partial H}{\partial p}\right)_{T,\xi}\dd p + \left(\frac{\partial H}{\partial \xi}\right)_{T,p}\dd\xi .

Definitie 1.1 (Reactiegrootheid, reactie-enthalpie)

Voor een extensieve toestandsfunctie XX van een gesloten systeem waarin de reactie 0=∑iνiAi0 = \sum_i\nu_i\mathrm A_i plaatsvindt, is de reactiegrootheid de partiële afgeleide

ΔrX=(∂X∂ξ)T,p,\Delta_r X = \left(\frac{\partial X}{\partial \xi}\right)_{T,p} ,

de verandering van XX per eenheid voortgang bij vaste temperatuur en druk, in eenheden van XX per mol. Voor X=HX = H is dat de reactie-enthalpie ΔrH\Delta_r H, in kJ/mol\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}.

Opmerking 1.2 (Een afgeleide, geen verschil)

Het symbool Δr\Delta_r is een operator: het werkt op de toestand van het systeem, die het onveranderd laat. Wie de reactie anders schrijft (alle coëfficiënten verdubbeld), verdubbelt ΔrH\Delta_r H: een reactiegrootheid heeft geen betekenis zonder haar reactievergelijking. Met de partiële molaire enthalpieën Hˉi=(∂H/∂ni)T,p,nj\bar H_i = (\partial H/\partial n_i)_{T,p,n_j} van de deeltjes (Hoofdstuk 3) geldt ΔrH=∑iνiHˉi\Delta_r H = \sum_i\nu_i\bar H_i, volgens de kettingregel toegepast op ni=ni,0+νiξn_i = n_{i,0} + \nu_i\xi.

Propositie 1.3 (Opgenomen warmte bij constante temperatuur en druk)

Wanneer de reactie voortschrijdt van ξ1\xi_1 tot ξ2\xi_2 in een systeem dat op constante TT en pp gehouden wordt, neemt het systeem de warmte

Qp=∫ξ1ξ2ΔrH  ⁣dξ=ΔrH (ξ2−ξ1)Q_p = \int_{\xi_1}^{\xi_2}\Delta_r H\,\dd\xi = \Delta_r H\,(\xi_2 - \xi_1)

op, als ΔrH\Delta_r H niet van ξ\xi afhangt.

Bewijs. Bij constante pp (en hier constante uitwendige druk) is de opgenomen warmte de verandering van de enthalpie, Qp=ΔHQ_p = \Delta H (natuurkunde). Bij vaste TT en pp reduceert de differentiaal van HH tot  ⁣dH=ΔrH  ⁣dξ\dd H = \Delta_r H\,\dd\xi; integreren van ξ1\xi_1 tot ξ2\xi_2 geeft het resultaat. ∎

Definitie 1.4 (Exotherm, endotherm, atherm)

Een reactie is exotherm in een gegeven toestand als ΔrH<0\Delta_r H < 0: voorwaarts verlopend bij constante TT en pp geeft ze warmte af aan de omgeving. Ze is endotherm als ΔrH>0\Delta_r H > 0, en atherm als ΔrH=0\Delta_r H = 0.

De reactiewarmte hangt in het algemeen niet af van de samenstelling: voor ideale gassen en voor zuivere vaste stoffen en vloeistoffen hangt de enthalpie van elk deeltje niet af van wat het omringt, en ligt ΔrH\Delta_r H vast zodra TT vastligt.

Propositie 1.5 (Ideale systemen)

In een mengsel van ideale gassen met zuivere gecondenseerde fasen hangt ΔrH\Delta_r H alleen van de temperatuur af, en is het gelijk aan de standaardreactie-enthalpie ΔrH∘(T)\Delta_r H^\circ(T) die hieronder gedefinieerd wordt. Voor opgeloste stoffen in verdunde oplossing geldt de gelijkheid bij goede benadering.

Bewijs. In een mengsel van ideale gassen gedraagt elk gas zich alsof het alleen is, met een enthalpie niHm,i(T)n_iH_{m,i}(T) die niet van pp afhangt (natuurkunde: de enthalpie van een ideaal gas hangt alleen van TT af). Een zuivere vaste stof of vloeistof heeft H=niHm,i(T,p)H = n_iH_{m,i}(T, p), en (∂Hm/∂p)T=Vm(1−αT)(\partial H_m/\partial p)_T = V_m(1 - \alpha T) bedraagt enkele J/(mol bar)\mathrm{J}/(\mathrm{mol}\,\mathrm{bar}) voor een gecondenseerde fase, verwaarloosbaar naast reactie-enthalpieën van tientallen kJ/mol\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}. Dus H=∑iniHm,i(T)H = \sum_in_iH_{m,i}(T), waarvan de afgeleide naar ξ\xi gelijk is aan ∑iνiHm,i(T)\sum_i\nu_iH_{m,i}(T): die hangt alleen van TT af, en de waarde ervan is die welke berekend wordt met elk deeltje in zijn standaardtoestand. ∎

1.2 Standaardreactie-enthalpieën en de wet van Hess

Definitie 1.6 (Standaardreactiegrootheid)

De standaardreactiegrootheid ΔrX∘(T)=∑iνiXm,i∘(T)\Delta_r X^\circ(T) = \sum_i\nu_iX_{m,i}^\circ(T) is de reactiegrootheid berekend met elk deeltje in zijn standaardtoestand bij temperatuur TT, waarbij de Xm,i∘X_{m,i}^\circ de molaire standaardwaarden zijn. Voor X=HX = H is dat de standaardreactie-enthalpie ΔrH∘(T)\Delta_r H^\circ(T); ze hangt alleen van TT af.

Alleen enthalpieverschillen zijn meetbaar; daarom wordt eens en voorgoed een referentie gekozen, zoals de waterstofelektrode gekozen werd voor potentialen.

Definitie 1.7 (Standaardreferentietoestand, standaardvormingsenthalpie)

De standaardreferentietoestand van een element bij temperatuur TT is zijn stabielste vorm bij TT onder p∘p^\circ: HX2\ce{H2}, OX2\ce{O2}, NX2\ce{N2} en ClX2\ce{Cl2} als ideale gassen, koolstof als grafiet, natrium als metaal, broom als vloeistof (bij 298 K298\,\mathrm{K}). De standaardvormingsenthalpie ΔfH∘\Delta_f H^\circ van een verbinding is de standaardreactie-enthalpie van haar vormingsreactie, de reactie die één mol van de verbinding maakt uit haar elementen in hun referentietoestand. Per constructie is ΔfH∘=0\Delta_f H^\circ = 0 voor een element in zijn referentietoestand.

Voorbeeld 1.8 (Vormingsreacties)

De vormingsreactie van water is HX2(g)+12 OX2(g)→HX2O(l)\ce{H2(g) + 1/2O2(g) -> H2O(l)}, met ΔfH∘=−285.83 kJ/mol\Delta_f H^\circ = -285.83\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol} bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K}; die van methaan is C(s)+2 HX2(g)→CHX4(g)\ce{C(s) + 2H2(g) -> CH4(g)}, ΔfH∘=−74.9 kJ/mol\Delta_f H^\circ = -74.9\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}; die van stikstofmonoxide, 12 NX2(g)+12 OX2(g)→NO(g)\ce{1/2N2(g) + 1/2O2(g) -> NO(g)}, ΔfH∘=+90.3 kJ/mol\Delta_f H^\circ = +90.3\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}: een endotherme verbinding, die de hete gassen van een motor toch vormen. De halve coëfficiënten zijn geen probleem: de vormingsreactie is een boekhoudkundig hulpmiddel, geen mechanisme.

Stelling 1.9 (Wet van Hess)

Als een reactie de som is, met coëfficiënten λk\lambda_k, van reacties kk, dan is haar standaardreactie-enthalpie dezelfde combinatie van die van hen: ΔrH∘=∑kλkΔrHk∘\Delta_r H^\circ = \sum_k\lambda_k\Delta_r H_k^\circ (wet van Hess). In het bijzonder kan een standaardreactie-enthalpie berekend worden langs elke weg van reacties die van de beginstoffen naar de reactieproducten leidt.

Bewijs. Elke ΔrHk∘=∑iνi,kHm,i∘\Delta_r H_k^\circ = \sum_i\nu_{i,k}H_{m,i}^\circ is lineair in de stoichiometrische getallen. Als de reactie ∑kλk\sum_k\lambda_k maal de reacties kk is, zijn haar stoichiometrische getallen νi=∑kλkνi,k\nu_i = \sum_k\lambda_k \nu_{i,k}, en ΔrH∘=∑iνiHm,i∘=∑kλk∑iνi,kHm,i∘\Delta_r H^\circ = \sum_i\nu_iH_{m,i}^\circ = \sum_k\lambda_k \sum_i\nu_{i,k}H_{m,i}^\circ. Achter de algebra zit de eerste hoofdwet: HH is een toestandsfunctie, dus haar verandering tussen dezelfde begin- en eindtoestand hangt niet af van de gevolgde weg. ∎

Propositie 1.10 (Reactie-enthalpie uit vormingsenthalpieën)

ΔrH∘(T)=∑iνi ΔfHi∘(T)\Delta_r H^\circ(T) = \sum_i\nu_i\,\Delta_f H_i^\circ(T).

Bewijs. Neem de weg die de beginstoffen ontleedt in hun elementen in hun referentietoestand (het omgekeerde van hun vormingsreacties, met de coëfficiënten −νi>0-\nu_i > 0), en daarna de reactieproducten vormt uit dezelfde elementen (coëfficiënten νi>0\nu_i > 0). De elementen vallen tegen elkaar weg omdat de vergelijking klopt, en de wet van Hess telt de enthalpieën op. ∎

Enthalpieniveaus voor de verbranding van methaan bij 298.15\, K. De elementen in hun referentietoestand vormen het nulpunt. Methaan ligt 74.9\, kJ/ mol lager, de reactieproducten 965.2\, kJ/ mol lager: de verbrandingsenthalpie is het verschil, -890.3\, kJ/ mol, welke weg de vlam ook werkelijk volgt.
Enthalpieniveaus voor de verbranding van methaan bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K}. De elementen in hun referentietoestand vormen het nulpunt. Methaan ligt 74.9 kJ/mol74.9\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol} lager, de reactieproducten 965.2 kJ/mol965.2\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol} lager: de verbrandingsenthalpie is het verschil, −890.3 kJ/mol-890.3\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}, welke weg de vlam ook werkelijk volgt.

Voorbeeld 1.11 (Verbranding van methaan)

Voor CHX4(g)+2 OX2(g)→COX2(g)+2 HX2O(l)\ce{CH4(g) + 2O2(g) -> CO2(g) + 2H2O(l)} is ΔrH∘=−393.51+2(−285.83)−(−74.87)−0=−890.3 kJ/mol\Delta_r H^\circ = -393.51 + 2(-285.83) - (-74.87) - 0 = -890.3\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol} bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K}. De waarde gemeten in een calorimeter is −890.7 kJ/mol-890.7\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}: tabel en vlam komen overeen binnen de onzekerheid van de gegevens. Als het water als damp vertrekt (ΔfH∘=−241.83 kJ/mol\Delta_f H^\circ = -241.83\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}), is ΔrH∘=−802.3 kJ/mol\Delta_r H^\circ = -802.3\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}: het verschil, 88.0 kJ88.0\,\mathrm{kJ}, is de verdampingsenthalpie van twee mol water, die een condensatieketel terugwint door zijn rookgassen te condenseren.

Methode 1.12 (Een kringproces van Hess)

Zo vind je de enthalpie van een reactie die niet rechtstreeks meetbaar is:

  1. schrijf de doelreactie op, met de aggregatietoestanden;
  2. zoek reacties met bekende enthalpie (verbrandingen, vormingsreacties) waarvan de combinatie, met coëfficiënten λk\lambda_k, de doelreactie oplevert;
  3. controleer dat elk deeltje dat niet in de doelreactie voorkomt, wegvalt;
  4. tel de enthalpieën op met dezelfde coëfficiënten.

Voorbeeld 1.13 (Van koolstof naar koolstofmonoxide)

Bij het verbranden van koolstof ontstaat altijd wat koolstofdioxide; daarom wordt de enthalpie van C(s)+12 OX2(g)→CO(g)\ce{C(s) + 1/2O2(g) -> CO(g)} niet rechtstreeks gemeten. De twee verbrandingen C(s)+OX2(g)→COX2(g)\ce{C(s) + O2(g) -> CO2(g)} (−393.51 kJ/mol-393.51\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}) en CO(g)+12 OX2(g)→COX2(g)\ce{CO(g) + 1/2O2(g) -> CO2(g)} (−283.0 kJ/mol-283.0\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}, gemeten) zijn dat wel; de doelreactie is de eerste min de tweede: ΔrH∘=−393.51+283.0=−110.5 kJ/mol\Delta_r H^\circ = -393.51 + 283.0 = -110.5\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}, de vormingsenthalpie van koolstofmonoxide.

Geschiedenis — Germain Henri Hess

Germain Henri Hess (1802–1850), hoogleraar scheikunde in Sint-Petersburg, mat de warmte die vrijkomt wanneer zwavelzuur in verscheidene stappen verdund of geneutraliseerd wordt, en vond in 1840 dat het totaal niet afhing van de gevolgde stappen: de “wet van de constante warmtesom”, geformuleerd nog vóór de eerste hoofdwet van de thermodynamica zelf, die haar verklaart. (Portret door I. I. Reimers, 1837–1838; CC BY-SA 4.0, Wikimedia Commons.)

1.3 Reactie-enthalpieën berekenen

Uit bindingsenthalpieën

Wanneer de vormingsenthalpie van een verbinding ontbreekt, levert de energie van haar bindingen een schatting, in de gasfase.

Definitie 1.14 (Bindingsdissociatie-enthalpie, gemiddelde bindingsenthalpie)

De bindingsdissociatie-enthalpie van een binding A–B in een gasvormig molecuul is de standaardreactie-enthalpie van het verbreken van die binding tot twee gasvormige fragmenten, AB(g)→A(g)+B(g)\ce{AB(g) -> A(g) + B(g)} voor een tweeatomig molecuul. Wanneer een molecuul nn gelijke bindingen heeft, is zijn gemiddelde bindingsenthalpie de standaardenthalpie van zijn volledige atomisering tot gasvormige atomen, gedeeld door nn.

De atomiseringsenthalpieën zijn zelf vormingsenthalpieën: die van de gasvormige atomen, min die van het molecuul. De onderstaande tabel is op die manier berekend.

bindingenthalpie (kJ/mol\mathrm{kJ}/\mathrm{mol})verkregen uit
H–H436HX2\ce{H2}, dissociatie
O=O498OX2\ce{O2}, dissociatie
N≡\equivN945NX2\ce{N2}, dissociatie
Cl–Cl243ClX2\ce{Cl2}, dissociatie
H–Cl432HCl\ce{HCl}, dissociatie
C–H416CHX4\ce{CH4}, gemiddelde van vier
N–H391NHX3\ce{NH3}, gemiddelde van drie
O–H464HX2O\ce{H2O}, gemiddelde van twee
C=O804COX2\ce{CO2}, gemiddelde van twee
C–C330CX2HX6\ce{C2H6}, met C–H uit methaan
C=C589CX2HX4\ce{C2H4}, met C–H uit methaan
Bindingsenthalpieën bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K}, berekend uit de standaardvormingsenthalpieën van de gasvormige atomen en moleculen. De laatste twee regels tonen de grens van de methode: een C–H-binding van ethaan is niet precies die van methaan, en de waarde voor C–C erft het verschil.

Propositie 1.15 (Schatting uit bindingsenthalpieën)

Voor een reactie tussen gassen geldt

ΔrH∘≈∑(enthalpiee¨n verbroken bindingen)−∑(enthalpiee¨n gevormde bindingen).\Delta_r H^\circ \approx \sum(\text{enthalpieën verbroken bindingen}) - \sum(\text{enthalpieën gevormde bindingen}).

Bewijs. Volg de weg die elke beginstof atomiseert (enthalpie: de verbroken bindingen) en daarna de reactieproducten uit de atomen opbouwt (min de gevormde bindingen). De wet van Hess maakt de som exact wanneer elke bindingsenthalpie die van de binding in haar eigen molecuul is; die vervangen door een gemiddelde waarde uit een ander molecuul is de benadering. ∎

Voorbeeld 1.16 (Hydrogenering van etheen)

In CX2HX4(g)+HX2(g)→CX2HX6(g)\ce{C2H4(g) + H2(g) -> C2H6(g)} worden één C=C en één H–H verbroken en vervangen door één C–C en twee C–H. Met de tabel: 589+436−330−2×416=−137 kJ/mol589 + 436 - 330 - 2 \times 416 = -137\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}; uit vormingsenthalpieën is de waarde −136.3 kJ/mol-136.3\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}. De overeenkomst is hier goed omdat de C–C en C=C van de tabel uit precies deze moleculen verkregen zijn; voor een molecuul dat niet lijkt op die van de tabel is een fout van 10 tot 30 kJ/mol30\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol} gewoon.

Roosterenthalpieën: het kringproces van Born–Haber

Definitie 1.17 (Roosterenthalpie)

De roosterenthalpie van een ionkristal is de standaardreactie-enthalpie van zijn dissociatie tot gasvormige ionen: voor natriumchloride NaCl(s)→NaX+(g)+ClX−(g)\ce{NaCl(s) -> Na+(g) + Cl-(g)}. Ze is positief, en meet de cohesie van het kristal.

Ze is niet rechtstreeks meetbaar, maar een kringproces via de elementen levert haar uit meetbare grootheden: de vormingsenthalpie van het kristal, de atomisering van de elementen, de ionisatie-energie van het metaal en de elektronenaffiniteit van het niet-metaal (beide gedefinieerd in het deel van jaar 1).

Het kringproces van Born–Haber voor natriumchloride bij 298\, K (kJ/ mol). Van het kristal omhoog naar de gasvormige ionen via de roosterenthalpie, of de omweg via de elementen: beide leiden tot hetzelfde niveau. De roosterenthalpie is de enige onbekende van het kringproces.
Het kringproces van Born–Haber voor natriumchloride bij 298 K298\,\mathrm{K} (kJ/mol\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}). Van het kristal omhoog naar de gasvormige ionen via de roosterenthalpie, of de omweg via de elementen: beide leiden tot hetzelfde niveau. De roosterenthalpie is de enige onbekende van het kringproces.

Methode 1.18 (Het kringproces van Born–Haber)

  1. Teken vanuit de elementen in hun referentietoestand twee wegen: een naar het kristal (vorming), een naar de gasvormige ionen (sublimatie van het metaal, atomisering van het niet-metaal, ionisatie, elektronenopname).
  2. Sluit het kringproces met de roosterenthalpie, van het kristal omhoog naar de gasvormige ionen.
  3. Schrijf op dat de som van de enthalpieën rond het kringproces nul is, en los op naar de onbekende. Ionisatie-energieën en elektronenaffiniteiten staan in tabellen in eV per atoom: vermenigvuldig met NAe=96.485 kJ/(mol eV)N_A e = 96.485\,\mathrm{kJ}/(\mathrm{mol}\,\mathrm{eV}).

Voorbeeld 1.19 (Natriumchloride)

ΔlatH∘=411.1+107.5+121.3+495.8−348.6=787 kJ/mol\Delta_{\text{lat}}H^\circ = 411.1 + 107.5 + 121.3 + 495.8 - 348.6 = 787\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}. De ionisatie-energie en de elektronenaffiniteit zijn energieën bij 0 K0\,\mathrm{K}; hun correcties naar 298 K298\,\mathrm{K} (+52RT+\tfrac52RT voor elk) heffen elkaar op tussen de twee stappen. Een kristalmodel met puntladingen geeft een vergelijkbare waarde; daarom heet natriumchloride ionisch.

1.4 Reactie-enthalpieën en temperatuur

Tabellen geven ΔfH∘\Delta_f H^\circ bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K}. Een reactor werkt bij 700 K700\,\mathrm{K}, een vlam bij 2000 K2000\,\mathrm{K}: hoe verandert ΔrH∘\Delta_r H^\circ met de temperatuur?

Stelling 1.20 (Wet van Kirchhoff)

 ⁣dΔrH∘ ⁣dT=ΔrCp∘=∑iνiCp,m,i∘,\frac{\dd\Delta_r H^\circ}{\dd T} = \Delta_r C_p^\circ = \sum_i\nu_i C_{p,m,i}^\circ ,

zodat ΔrH∘(T2)=ΔrH∘(T1)+∫T1T2ΔrCp∘  ⁣dT\Delta_r H^\circ(T_2) = \Delta_r H^\circ(T_1) + \int_{T_1}^{T_2} \Delta_r C_p^\circ\,\dd T (wet van Kirchhoff), zolang er tussen T1T_1 en T2T_2 geen faseovergang optreedt.

Bewijs. Met elk deeltje in zijn standaardtoestand is H∘(T,ξ)=∑iniHm,i∘(T)H^\circ(T, \xi) = \sum_in_i H^\circ_{m,i}(T) een functie van twee variabelen waarvan de tweede partiële afgeleiden continu zijn; volgens de stelling van Schwarz mogen ze verwisseld worden:

 ⁣dΔrH∘ ⁣dT=∂∂T∂H∘∂ξ=∂∂ξ∂H∘∂T=∂∂ξ∑iniCp,m,i∘=∑iνiCp,m,i∘.\frac{\dd\Delta_r H^\circ}{\dd T} = \frac{\partial}{\partial T} \frac{\partial H^\circ}{\partial\xi} = \frac{\partial}{\partial\xi} \frac{\partial H^\circ}{\partial T} = \frac{\partial}{\partial\xi} \sum_in_iC^\circ_{p,m,i} = \sum_i\nu_iC^\circ_{p,m,i}.

Integreren tussen T1T_1 en T2T_2 geeft de tweede vorm. Een faseovergang van een deeltje binnen het interval voegt zijn overgangsenthalpie toe, met het stoichiometrisch getal als factor. ∎

Voorbeeld 1.21 (Ammoniaksynthese bij hoge temperatuur)

Voor NX2(g)+3 HX2(g)→2 NHX3(g)\ce{N2(g) + 3H2(g) -> 2NH3(g)} is ΔrH∘(298)=−91.9 kJ/mol\Delta_r H^\circ(298) = -91.9\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol} en, met de warmtecapaciteiten bij 298 K298\,\mathrm{K}, ΔrCp∘=2(35.65)−29.12−3(28.84)=−44.3 J/(K mol)\Delta_r C_p^\circ = 2(35.65) - 29.12 - 3(28.84) = -44.3\,\mathrm{J}/(\mathrm{K}\,\mathrm{mol}). Constant verondersteld geeft dat ΔrH∘(700)=−91.9−0.0443×402=−109.7 kJ/mol\Delta_r H^\circ(700) = -91.9 - 0.0443 \times 402 = -109.7\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}. De tabellen, die de warmtecapaciteiten volgen terwijl die met de temperatuur toenemen, geven −105.2 kJ/mol-105.2\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}: de schatting met constante CpC_p zit er 4 % naast, een redelijke prijs voor een berekening van één regel. Over 400 K400\,\mathrm{K} verandert de reactie-enthalpie met ongeveer een zevende.

1.5 Adiabatische reacties en calorimetrie

Vlamtemperatuur

In een vlam verloopt de reactie snel en heeft de warmte geen tijd om weg te gaan: de gassen verhitten zichzelf.

Definitie 1.22 (Adiabatische vlamtemperatuur)

De adiabatische vlamtemperatuur van een brandstof is de temperatuur die de producten van haar volledige verbranding bereiken wanneer de reactie bij constante druk plaatsvindt, zonder enige warmte-uitwisseling, uitgaande van beginstoffen bij 298 K298\,\mathrm{K}.

Propositie 1.23 (Een vlamtemperatuur berekenen)

Als de reactie met ξ\xi voortschrijdt vanuit beginstoffen bij T0T_0 en het eindsysteem warmtecapaciteit Cp(T)C_p(T) heeft, voldoet de eindtemperatuur TfT_f aan

ξ ΔrH∘(T0)+∫T0TfCp(T)  ⁣dT=0.\xi\,\Delta_r H^\circ(T_0) + \int_{T_0}^{T_f}C_p(T)\,\dd T = 0 .

Bewijs. Adiabatisch en bij constante druk heeft de transformatie ΔH=Qp=0\Delta H = Q_p = 0. Omdat HH een toestandsfunctie is, geeft elke weg tussen dezelfde begin- en eindtoestand dezelfde ΔH\Delta H. Neem de weg van de figuur hieronder: eerst de reactie bij T0T_0, met ΔH1=ξΔrH∘(T0)\Delta H_1 = \xi\Delta_r H^\circ(T_0) (Propositie 1.3, bij ideaal gedrag); daarna het opwarmen van het eindsysteem van T0T_0 tot TfT_f, ΔH2=∫Cp  ⁣dT\Delta H_2 = \int C_p\,\dd T. Hun som is nul. ∎

De adiabatische vlam (gestreept) en een gelijkwaardige weg in twee stappen: reactie bij constante temperatuur, daarna opwarmen van de producten. Omdat H een toestandsfunctie is, is de som van de twee enthalpieveranderingen van de stappen nul.
De adiabatische vlam (gestreept) en een gelijkwaardige weg in twee stappen: reactie bij constante temperatuur, daarna opwarmen van de producten. Omdat HH een toestandsfunctie is, is de som van de twee enthalpieveranderingen van de stappen nul.

Methode 1.24 (Vlamtemperatuur)

  1. Schrijf de volledige verbranding van één mol brandstof op; tel er in lucht de stikstof en het argon bij die met de zuurstof meekomen (ook die worden opgewarmd); neem het water als damp.
  2. Bereken q=−ΔrH∘(T0)q = -\Delta_r H^\circ(T_0) per mol brandstof.
  3. Neem ofwel een constante warmtecapaciteit CpC_p van de producten: Tf=T0+q/CpT_f = T_0 + q/C_p; ofwel zoek door interpolatie de TfT_f waarvoor de som van de getabelleerde toenamen ni[Hm,i∘(Tf)−Hm,i∘(T0)]n_i[H^\circ_{m,i}(T_f) - H^\circ_{m,i}(T_0)] gelijk is aan qq.
Enthalpie die nodig is om de verbrandingsproducten van één mol brandstof (koolstofdioxide, stoom, en de stikstof en het argon van de lucht) op te warmen vanaf 298\, K, volgens de getabelleerde enthalpieën. Elke kromme snijdt de warmte die haar verbranding vrijgeeft bij de adiabatische vlamtemperatuur: ongeveer 2400\, K voor butaan, 2330\, K voor methaan.
Enthalpie die nodig is om de verbrandingsproducten van één mol brandstof (koolstofdioxide, stoom, en de stikstof en het argon van de lucht) op te warmen vanaf 298 K298\,\mathrm{K}, volgens de getabelleerde enthalpieën. Elke kromme snijdt de warmte die haar verbranding vrijgeeft bij de adiabatische vlamtemperatuur: ongeveer 2400 K2400\,\mathrm{K} voor butaan, 2330 K2330\,\mathrm{K} voor methaan.

De berekende temperaturen zijn bovengrenzen. Boven ongeveer 2000 K2000\,\mathrm{K} beginnen koolstofdioxide en water te dissociëren tot koolstofmonoxide, waterstof, zuurstof en radicalen; deze endotherme reacties nemen een deel van de warmte terug, en een echte butaanvlam in lucht is merkbaar koeler dan berekend. In zuivere zuurstof is er geen stikstof om op te warmen en is de vlam veel heter: daarom verbranden lassers ethyn met zuurstof en niet met lucht.

Calorimetrie

Propositie 1.25 (Constant volume en constante druk)

In een gesloten stalen vat (een bomcalorimeter) is de gemeten warmte QV=ΔUQ_V = \Delta U, en voor ideale gassen en gecondenseerde fasen geldt

ΔrH=ΔrU+Δνgas RT,\Delta_r H = \Delta_r U + \Delta\nu_{\text{gas}}\,RT ,

waarin Δνgas\Delta\nu_{\text{gas}} de som is van de stoichiometrische getallen van de gasvormige deeltjes.

Bewijs. H=U+pVH = U + pV, en ΔrH=ΔrU+∂(pV)/∂ξ\Delta_r H = \Delta_r U + \partial(pV)/\partial\xi bij vaste TT. De pVpV van de gecondenseerde fasen is verwaarloosbaar, en voor de gassen geldt pV=ngasRTpV = n_{\text{gas}}RT met ngas=ngas,0+Δνgasξn_{\text{gas}} = n_{\text{gas},0} + \Delta\nu_{\text{gas}}\xi, waarvan de afgeleide naar ξ\xi gelijk is aan ΔνgasRT\Delta\nu_{\text{gas}}RT. ∎

Een bomcalorimeter. Het monster verbrandt bij constant volume in zuurstof onder druk; de warmte gaat naar de bom en het geroerde water, waarvan de temperatuurstijging op de thermometer wordt afgelezen. De warmtecapaciteit van de calorimeter wordt vooraf bepaald door een standaard met bekende energie te verbranden.
Een bomcalorimeter. Het monster verbrandt bij constant volume in zuurstof onder druk; de warmte gaat naar de bom en het geroerde water, waarvan de temperatuurstijging op de thermometer wordt afgelezen. De warmtecapaciteit van de calorimeter wordt vooraf bepaald door een standaard met bekende energie te verbranden.

Methode 1.26 (Calorimetrie)

  1. IJk: verbrand een massa van een standaard met bekende verbrandingsenergie (of voer een bekende elektrische energie toe), lees de temperatuurstijging ΔT\Delta T af, en leid daaruit de warmtecapaciteit CC van de hele calorimeter af (water en vat, zijn “waterwaarde”).
  2. Verbrand het monster en lees ΔT′\Delta T' af: de vrijgekomen warmte is C ΔT′C\,\Delta T', dus ΔrU=−CΔT′/ξ\Delta_r U = -C\Delta T'/\xi bij constant volume.
  3. Corrigeer naar ΔrH\Delta_r H met ΔνgasRT\Delta\nu_{\text{gas}}RT; in een open calorimeter (constante druk) is direct ΔrH=−CΔT′/ξ\Delta_r H = -C\Delta T'/\xi.

Voorbeeld 1.27 (Een bommeting)

Voor de verbranding van butaan met vloeibaar water is Δνgas=4−1−6.5=−3.5\Delta\nu_{\text{gas}} = 4 - 1 - 6.5 = -3.5, dus ΔrU=ΔrH+3.5RT=−2877.6+8.7=−2868.9 kJ/mol\Delta_r U = \Delta_r H + 3.5RT = -2877.6 + 8.7 = -2868.9\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}: de correctie bedraagt enkele promille, meer dan de onzekerheid van een goede bommeting, en wordt dus nooit weggelaten.

Geschiedenis — Calorimetrische bommen, 1881

Marcellin Berthelot (1827–1907) verbrandde organische verbindingen in samengeperste zuurstof in een gesloten, met platina bekleed stalen vat, zodat de verbranding volledig was en niets ontsnapte: de calorimetrische bom, nog steeds het referentie-instrument voor verbrandingswarmten. Hij bedacht ook de woorden exotherm en endotherm. (Foto: publiek domein, Wikimedia Commons.)

1.6 Oefeningen

Oefening 1.1 ★

Bereken met de standaardvormingsenthalpieën van het hoofdstuk ΔrH∘\Delta_r H^\circ bij 298 K298\,\mathrm{K} van de verbranding van propaan, CX3HX8(g)+5 OX2(g)→3 COX2(g)+4 HX2O(l)\ce{C3H8(g) + 5O2(g) -> 3CO2(g) + 4H2O(l)}, gegeven ΔfH∘(CX3HX8,g)=−104.7 kJ/mol\Delta_f H^\circ(\ce{C3H8}, \text{g}) = -104.7\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}. Is de reactie exotherm?

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.1.

ΔrH∘=3(−393.51)+4(−285.83)−(−104.7)−5(0)=−2219.2 kJ/mol\Delta_r H^\circ = 3(-393.51) + 4(-285.83) - (-104.7) - 5(0) = -2219.2\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}, negatief: exotherm. (De gemeten verbrandingsenthalpie is dezelfde, −2219.2 kJ/mol-2219.2\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}.)

Oefening 1.2 ★

Bereken de warmte die vrijkomt bij het verbranden van 1.00 kg1.00\,\mathrm{kg} methaan (water vloeibaar gevormd) en van 1.00 kg1.00\,\mathrm{kg} diwaterstof, HX2(g)+12 OX2(g)→HX2O(l)\ce{H2(g) + 1/2O2(g) -> H2O(l)}. Welke brandstof levert meer warmte per kilogram?

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.2.

Methaan: 890.3/16.04=55.5 kJ/g890.3/16.04 = 55.5\,\mathrm{kJ}/\mathrm{g}, dus 55.5 MJ55.5\,\mathrm{MJ} per kilogram. Diwaterstof: 285.83/2.016=141.8 kJ/g285.83/2.016 = 141.8\,\mathrm{kJ}/\mathrm{g}, 141.8 MJ/kg141.8\,\mathrm{MJ}/\mathrm{kg}: ongeveer 2.6 keer meer per kilogram (maar veel minder per liter, want het gas is licht).

Oefening 1.3 ★

Een bomcalorimeter geeft ΔrU=−3264 kJ/mol\Delta_r U = -3264\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol} voor vloeibaar benzeen dat verbrandt volgens CX6HX6(l)+152 OX2(g)→6 COX2(g)+3 HX2O(l)\ce{C6H6(l) + 15/2O2(g) -> 6CO2(g) + 3H2O(l)} bij 298 K298\,\mathrm{K}. Bereken ΔrH\Delta_r H.

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.3.

Δνgas=6−7.5=−1.5\Delta\nu_{\text{gas}} = 6 - 7.5 = -1.5, dus ΔrH=ΔrU+ΔνgasRT=−3264−1.5×8.314×298.15×10−3=−3267.7 kJ/mol\Delta_r H = \Delta_r U + \Delta\nu_{\text{gas}}RT = -3264 - 1.5 \times 8.314 \times 298.15 \times 10^{-3} = -3267.7\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}, in overeenstemming met de waarde berekend uit vormingsenthalpieën, −3267.6 kJ/mol-3267.6\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}.

Oefening 1.4 ★

Gegeven ΔrH∘=−393.5 kJ/mol\Delta_r H^\circ = -393.5\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol} voor C(s)+OX2(g)→COX2(g)\ce{C(s) + O2(g) -> CO2(g)} en ΔrH∘=−283.0 kJ/mol\Delta_r H^\circ = -283.0\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol} voor CO(g)+12 OX2(g)→COX2(g)\ce{CO(g) + 1/2O2(g) -> CO2(g)}. Bereken de enthalpie van COX2(g)+C(s)→2 CO(g)\ce{CO2(g) + C(s) -> 2CO(g)}, de reactie die plaatsvindt in de hete cokes van een hoogoven.

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.4.

De doelreactie is de eerste reactie min tweemaal de tweede: ΔrH∘=−393.5−2(−283.0)=+172.5 kJ/mol\Delta_r H^\circ = -393.5 - 2(-283.0) = +172.5\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}. Ze is endotherm: de hete cokes koelt af terwijl hij koolstofdioxide omzet in koolstofmonoxide.

Oefening 1.5 ★★

Schat met de bindingsenthalpieën van het hoofdstuk de enthalpie van CHX4(g)+ClX2(g)→CHX3Cl(g)+HCl(g)\ce{CH4(g) + Cl2(g) -> CH3Cl(g) + HCl(g)}, met 350 kJ/mol350\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol} voor C–Cl. Bereken daarna dezelfde grootheid uit de vormingsenthalpieën, gegeven ΔfH∘(CHX3Cl,g)=−83.7 kJ/mol\Delta_f H^\circ(\ce{CH3Cl}, \text{g}) = -83.7\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}, en becommentarieer het verschil.

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.5.

Verbroken bindingen: C–H en Cl–Cl, 416+243=659 kJ/mol416 + 243 = 659\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}; gevormde bindingen: C–Cl en H–Cl, 350+432=782 kJ/mol350 + 432 = 782\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}: schatting −123 kJ/mol-123\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}. Uit vormingsenthalpieën: −83.7−92.3+74.9=−101.1 kJ/mol-83.7 - 92.3 + 74.9 = -101.1\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}. Het verschil van 22 kJ/mol22\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol} komt van de gemiddelde C–Cl-waarde, een gemiddelde over verscheidene moleculen, en van de C–H-binding die in methaan verbroken wordt, sterker dan het gemiddelde van de vier.

Oefening 1.6 ★★

De standaardverdampingsenthalpie van water bij 298 K298\,\mathrm{K} is ΔfH∘(HX2O,g)−ΔfH∘(HX2O,l)\Delta_f H^\circ(\ce{H2O}, \text{g}) - \Delta_f H^\circ(\ce{H2O}, \text{l}). Bereken ze. Schat ze met Cp,m∘=75.35 J/(K mol)C_{p,m}^\circ = 75.35\,\mathrm{J}/(\mathrm{K}\,\mathrm{mol}) voor de vloeistof en 33.59 J/(K mol)33.59\,\mathrm{J}/(\mathrm{K}\,\mathrm{mol}) voor de damp, beide constant verondersteld, bij 400 K400\,\mathrm{K} (oververhit water onder druk), en vergelijk met de tabellen, die ΔfH∘=−282.59 kJ/mol\Delta_f H^\circ = -282.59\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol} geven voor de vloeistof en −242.85 kJ/mol-242.85\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol} voor de damp bij 400 K400\,\mathrm{K}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.6.

Bij 298 K298\,\mathrm{K}: −241.83+285.83=44.00 kJ/mol-241.83 + 285.83 = 44.00\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}. Kirchhoff met ΔCp=33.59−75.35=−41.76 J/(K mol)\Delta C_p = 33.59 - 75.35 = -41.76\,\mathrm{J}/(\mathrm{K}\,\mathrm{mol}): 44.00−0.04176×101.85=39.75 kJ/mol44.00 - 0.04176 \times 101.85 = 39.75\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol} bij 400 K400\,\mathrm{K}. De tabellen geven −242.85+282.59=39.74 kJ/mol-242.85 + 282.59 = 39.74\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}: de constante warmtecapaciteiten zijn over dit interval uitstekend.

Oefening 1.7 ★★

Bereken met een kringproces van Born–Haber de roosterenthalpie van kaliumchloride uit: ΔfH∘(KCl,s)=−436.7 kJ/mol\Delta_f H^\circ(\ce{KCl}, \text{s}) = -436.7\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}, sublimatie van kalium 89.0 kJ/mol89.0\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}, ionisatie-energie van kalium 4.341 eV4.341\,\mathrm{eV}, ΔfH∘(Cl,g)=121.3 kJ/mol\Delta_f H^\circ(\ce{Cl}, \text{g}) = 121.3\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}, elektronenaffiniteit van chloor 3.613 eV3.613\,\mathrm{eV}. Waarom is ze kleiner dan die van natriumchloride?

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.7.

Ionisatie: 4.341×96.485=418.8 kJ/mol4.341 \times 96.485 = 418.8\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}; elektronenopname: −3.613×96.485=−348.6 kJ/mol-3.613 \times 96.485 = -348.6\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}. Roosterenthalpie =436.7+89.0+121.3+418.8−348.6=717 kJ/mol= 436.7 + 89.0 + 121.3 + 418.8 - 348.6 = 717\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}, minder dan de 787 kJ/mol787\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol} van natriumchloride: KX+\ce{K+} is groter dan NaX+\ce{Na+}, de ionen liggen verder uit elkaar en trekken elkaar minder aan.

Oefening 1.8 ★★

Een koffiebekercalorimeter wordt geijkt door er 2.00 kJ2.00\,\mathrm{kJ} elektrische energie aan toe te voeren, wat zijn temperatuur met 0.418 K0.418\,\mathrm{K} doet stijgen. Daarna wordt er 50.0 mL50.0\,\mathrm{mL} zoutzuur van 1.00 mol/L1.00\,\mathrm{mol}/\mathrm{L} in gemengd met 50.0 mL50.0\,\mathrm{mL} natronloog van 1.10 mol/L1.10\,\mathrm{mol}/\mathrm{L}, beide bij dezelfde begintemperatuur: de temperatuur stijgt met 0.583 K0.583\,\mathrm{K}. Bereken de enthalpie van HX3OX+(aq)+OHX−(aq)→2 HX2O(l)\ce{H3O+(aq) + OH-(aq) -> 2H2O(l)}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.8.

Warmtecapaciteit van de calorimeter: C=2.00/0.418=4.785 kJ/KC = 2.00/0.418 = 4.785\,\mathrm{kJ}/\mathrm{K}. Vrijgekomen warmte: 4.785×0.583=2.789 kJ4.785 \times 0.583 = 2.789\,\mathrm{kJ}, voor ξ=0.0500 mol\xi = 0.0500\,\mathrm{mol} (het zuur is beperkend, de base in lichte overmaat): ΔrH=−2.789/0.0500=−55.8 kJ/mol\Delta_r H = -2.789/0.0500 = -55.8\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}.

Oefening 1.9 ★★

Octaan, een model voor benzine, heeft ΔfH∘(l)=−250.3 kJ/mol\Delta_f H^\circ(\text{l}) = -250.3\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}. Bereken de enthalpie van zijn verbranding (water vloeibaar), de warmte die per kilogram vrijkomt, en de massa koolstofdioxide die per megajoule wordt uitgestoten. Vergelijk met methaan.

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.9.

CX8HX18(l)+252 OX2(g)→8 COX2(g)+9 HX2O(l)\ce{C8H18(l) + 25/2O2(g) -> 8CO2(g) + 9H2O(l)}: ΔrH∘=8(−393.51)+9(−285.83)+250.3=−5470.3 kJ/mol\Delta_r H^\circ = 8(-393.51) + 9(-285.83) + 250.3 = -5470.3\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}; met M=114.2 g/molM = 114.2\,\mathrm{g}/\mathrm{mol} is dat 47.9 MJ/kg47.9\,\mathrm{MJ}/\mathrm{kg}. Koolstofdioxide: 8×44.01=352.1 g8 \times 44.01 = 352.1\,\mathrm{g} voor 5.470 MJ5.470\,\mathrm{MJ}, dus 64.4 g/MJ64.4\,\mathrm{g}/\mathrm{MJ}, tegen 44.01/0.8903=49.4 g/MJ44.01/0.8903 = 49.4\,\mathrm{g}/\mathrm{MJ} voor methaan: methaan heeft meer waterstof per koolstofatoom, en de verbranding van waterstof levert warmte zonder koolstofdioxide.

Oefening 1.10 ★★★

Bereken de adiabatische vlamtemperatuur van methaan dat verbrandt in de stoichiometrische hoeveelheid zuivere zuurstof, met constante warmtecapaciteiten (die van het hoofdstuk bij 298 K298\,\mathrm{K}: COX2\ce{CO2} 37.13, HX2O(g)\ce{H2O(g)} 33.59 J/(K mol)33.59\,\mathrm{J}/(\mathrm{K}\,\mathrm{mol})). Vergelijk met het resultaat in lucht, 2780 K2780\,\mathrm{K} in dezelfde benadering. Waarom is de werkelijke vlam in zuurstof veel kouder dan deze berekening zegt?

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.10.

Producten van CHX4+2 OX2→COX2+2 HX2O(g)\ce{CH4 + 2O2 -> CO2 + 2H2O(g)}: Cp=37.13+2×33.59=104.3 J/KC_p = 37.13 + 2 \times 33.59 = 104.3\,\mathrm{J}/\mathrm{K}; q=802.3 kJq = 802.3\,\mathrm{kJ}; Tf=298+802 300/104.3≈7990 KT_f = 298 + 802\,300/104.3 \approx 7990\,\mathrm{K}, bijna driemaal de waarde in lucht, omdat er geen stikstof is die zijn deel van de warmte opneemt. De echte zuurstofvlam is veel kouder: lang vóór 7990 K7990\,\mathrm{K} dissociëren koolstofdioxide en water tot koolstofmonoxide, waterstof, zuurstof en atomen, endotherme reacties die het grootste deel van de warmte opnemen; bovendien nemen de warmtecapaciteiten toe met TT.

Oefening 1.11 ★★★

De warmtecapaciteit van een gas wordt vaak geschreven als Cp,m∘=a+bTC_{p,m}^\circ = a + bT. Neem voor de ammoniaksynthese Δra=−60.5 J/(K mol)\Delta_r a = -60.5\,\mathrm{J}/(\mathrm{K}\,\mathrm{mol}) en Δrb=0.0540 J/(K2 mol)\Delta_r b = 0.0540\,\mathrm{J}/(\mathrm{K}^{2}\,\mathrm{mol}) (aangepast aan de tabellen tussen 300 K300\,\mathrm{K} en 800 K800\,\mathrm{K}). Integreer de wet van Kirchhoff van 298 K298\,\mathrm{K} tot 700 K700\,\mathrm{K} en vergelijk met de waarde uit de tabellen, −105.2 kJ/mol-105.2\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}, en met de schatting bij constante CpC_p.

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.11.

ΔrH∘(700)=ΔrH∘(298)+∫298700(Δra+Δrb T)  ⁣dT=−91.88+[−60.5×401.85+0.0270×(7002−298.152)]×10−3=−91.88−24.31+10.83=−105.4 kJ/mol\Delta_r H^\circ(700) = \Delta_r H^\circ(298) + \int_{298}^{700}(\Delta_r a + \Delta_r b\,T)\,\dd T = -91.88 + [-60.5 \times 401.85 + 0.0270 \times (700^2 - 298.15^2)] \times 10^{-3} = -91.88 - 24.31 + 10.83 = -105.4\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}, op 0.2 kJ/mol0.2\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol} na gelijk aan de tabellen (−105.2 kJ/mol-105.2\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}), terwijl de schatting met constante CpC_p er 4.5 kJ/mol4.5\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol} naast zat.

Oefening 1.12 ★★★

Stikstofmonoxide ontstaat in motoren volgens NX2(g)+OX2(g)→2 NO(g)\ce{N2(g) + O2(g) -> 2NO(g)}. Bereken zijn standaardreactie-enthalpie bij 298 K298\,\mathrm{K}. Toon aan dat de reactie, als ΔrCp∘\Delta_r C_p^\circ klein is, bij 2000 K2000\,\mathrm{K} ongeveer evenveel warmte opneemt; schat met de warmtecapaciteiten van de tabellen bij 298 K298\,\mathrm{K} (NO\ce{NO} 29.85 J/(K mol)29.85\,\mathrm{J}/(\mathrm{K}\,\mathrm{mol}), NX2\ce{N2} 29.12, OX2\ce{O2} 29.38 J/(K mol)29.38\,\mathrm{J}/(\mathrm{K}\,\mathrm{mol})) de verandering tussen 298 K298\,\mathrm{K} en 2000 K2000\,\mathrm{K}. Leg uit waarom een endotherme reactie juist in de heetste vlammen een probleem kan zijn.

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.12.

ΔrH∘=2×90.29=+180.6 kJ/mol\Delta_r H^\circ = 2 \times 90.29 = +180.6\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol} (endotherm). ΔrCp∘=2(29.85)−29.12−29.38=1.2 J/(K mol)\Delta_r C_p^\circ = 2(29.85) - 29.12 - 29.38 = 1.2\,\mathrm{J}/(\mathrm{K}\,\mathrm{mol}), dus tussen 298 K298\,\mathrm{K} en 2000 K2000\,\mathrm{K} verandert de reactie-enthalpie met ongeveer 1.2×1702=2 kJ/mol1.2 \times 1702 = 2\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}, één procent. Een endotherme reactie wordt begunstigd door een hoge temperatuur (Hoofdstuk 4): koude lucht maakt bijna geen stikstofmonoxide, de heetste vlammen maken er het meeste; daarom is de verbrandingstemperatuur een hefboom tegen deze verontreiniging.

1.7 Probleem: het kampeergaspatroon

Probleem 1.1

Weekendprobleem — de energie van butaan, een meting in een bomcalorimeter, het water dat in een pan wordt verwarmd, en de temperatuur van de vlam

Een kampeerbrander verbrandt butaan uit een patroon met 230 g230\,\mathrm{g} inhoud. Gegevens bij 298 K298\,\mathrm{K} (ΔfH∘\Delta_f H^\circ in kJ/mol\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}): CX4HX10(g)\ce{C4H10(g)} −125.6-125.6, COX2(g)\ce{CO2(g)} −393.51-393.51, HX2O(l)\ce{H2O(l)} −285.83-285.83, HX2O(g)\ce{H2O(g)} −241.83-241.83. Molaire massa’s: CX4HX10\ce{C4H10} 58.12 g/mol58.12\,\mathrm{g}/\mathrm{mol}, HX2O\ce{H2O} 18.02 g/mol18.02\,\mathrm{g}/\mathrm{mol}. Warmtecapaciteit van vloeibaar water 75.35 J/(K mol)75.35\,\mathrm{J}/(\mathrm{K}\,\mathrm{mol}). Droge lucht: 20.95 %20.95\,\% OX2\ce{O2}, 78.08 %78.08\,\% NX2\ce{N2}, 0.93 %0.93\,\% Ar\ce{Ar} in volume. R=8.314 J/(K mol)R = 8.314\,\mathrm{J}/(\mathrm{K}\,\mathrm{mol}).

Deel I — De brandstof.

  1. Schrijf de volledige verbranding van butaan op, met vloeibaar gevormd water, voor één mol butaan.
  2. Bereken de standaardreactie-enthalpie ervan bij 298 K298\,\mathrm{K}.
  3. Bereken ze opnieuw met het water als damp gevormd, en verklaar het verschil.
  4. Bereken in beide gevallen de warmte die per gram butaan vrijkomt.
  5. Welke van de twee waarden beschrijft een kampeerbrander, waarvan het water de vlam als damp verlaat?
  6. Hoeveel warmte kan het hele patroon op de brander vrijgeven?

Deel II — Een meting. Een monster van 0.500 g0.500\,\mathrm{g} butaan wordt verbrand in een bomcalorimeter met een warmtecapaciteit van 10.00 kJ/K10.00\,\mathrm{kJ}/\mathrm{K}; het gevormde water condenseert.

  1. Welke grootheid meet een bomcalorimeter, en waarom?
  2. Bereken Δνgas\Delta\nu_{\text{gas}} van de reactie van vraag 1.
  3. Bereken de verwachte ΔrU\Delta_r U.
  4. Bereken de verwachte temperatuurstijging van de calorimeter.
  5. De afgelezen stijging is 2.461 K2.461\,\mathrm{K}. Leid de gemeten ΔrU\Delta_r U en ΔrH\Delta_r H af, en het relatieve verschil met de tabellen.

Deel III — De pan.

  1. Bereken de warmte die nodig is om 1.00 L1.00\,\mathrm{L} water (1.00 kg1.00\,\mathrm{kg}) van 20 ∘C20\,{}^{\circ}\mathrm{C} tot 100 ∘C100\,{}^{\circ}\mathrm{C} te brengen.
  2. De brander doet dat met 16.0 g16.0\,\mathrm{g} butaan. Bereken zijn rendement (door het water opgenomen warmte gedeeld door vrijgekomen warmte).
  3. Waar blijft de rest van de warmte?
  4. Hoeveel liter water kan het hele patroon bij dit rendement aan de kook brengen?

Deel IV — De vlam.

  1. Butaan verbrandt in de stoichiometrische hoeveelheid lucht. Bereken de hoeveelheden distikstof en argon die meekomen met de dizuurstof die één mol butaan nodig heeft.
  2. Geef de hoeveelheden van de producten, stikstof en argon inbegrepen.
  3. Leg met een weg in twee stappen uit waarom de warmte die de reactie bij 298 K298\,\mathrm{K} vrijgeeft (water als damp) volledig wordt gebruikt om deze gassen op te warmen.
  4. Bereken met de warmtecapaciteiten bij 298 K298\,\mathrm{K}, COX2\ce{CO2} 37.13, HX2O(g)\ce{H2O(g)} 33.59, NX2\ce{N2} 29.12, Ar\ce{Ar} 20.79 J/(K mol)20.79\,\mathrm{J}/(\mathrm{K}\,\mathrm{mol}), de warmtecapaciteit van de producten.
  5. Leid de vlamtemperatuur af bij constante warmtecapaciteiten.
  6. De enthalpietoenamen uit de tabellen geven, voor de producten van één mol butaan, 2515.7 kJ2515.7\,\mathrm{kJ} tussen 298 K298\,\mathrm{K} en 2300 K2300\,\mathrm{K}, en 2655.7 kJ2655.7\,\mathrm{kJ} tussen 298 K298\,\mathrm{K} en 2400 K2400\,\mathrm{K}. Bepaal de vlamtemperatuur door lineaire interpolatie.
  7. Waarom is de eerste schatting te hoog?
  8. Waarom is de gemeten temperatuur van een butaanvlam nog lager?
  9. Geef de adiabatische vlamtemperatuur van butaan in lucht.
Oplossing

Oplossing van Probleem 1.1.

1. CX4HX10(g)+132 OX2(g)→4 COX2(g)+5 HX2O(l)\ce{C4H10(g) + 13/2O2(g) -> 4CO2(g) + 5H2O(l)}. 2. ΔrH∘=4(−393.51)+5(−285.83)+125.6=−2877.6 kJ/mol\Delta_r H^\circ = 4(-393.51) + 5(-285.83) + 125.6 = -2877.6\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}. 3. Met waterdamp: 4(−393.51)+5(−241.83)+125.6=−2657.6 kJ/mol4(-393.51) + 5(-241.83) + 125.6 = -2657.6\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}; het verschil, 220.0 kJ220.0\,\mathrm{kJ}, is de verdampingsenthalpie van vijf mol water (elk 44.0 kJ/mol44.0\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}). 4. 2877.6/58.12=49.5 kJ/g2877.6/58.12 = 49.5\,\mathrm{kJ}/\mathrm{g} en 2657.6/58.12=45.7 kJ/g2657.6/58.12 = 45.7\,\mathrm{kJ}/\mathrm{g}. 5. De tweede: het water vertrekt als damp en zijn condensatiewarmte gaat verloren. 6. 230×45.7=1.05×104 kJ230 \times 45.7 = 1.05 \times 10^{4}\,\mathrm{kJ}, ongeveer 10.5 MJ10.5\,\mathrm{MJ}. 7. Bij constant volume is de opgenomen warmte ΔU\Delta U (geen volumearbeid): de bom meet ΔrU\Delta_r U. 8. Δνgas=4−1−6.5=−3.5\Delta\nu_{\text{gas}} = 4 - 1 - 6.5 = -3.5 (het water is vloeibaar). 9. ΔrU=ΔrH−ΔνgasRT=−2877.6+3.5×2.479=−2868.9 kJ/mol\Delta_r U = \Delta_r H - \Delta\nu_{\text{gas}}RT = -2877.6 + 3.5 \times 2.479 = -2868.9\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}. 10. ξ=0.500/58.12=8.60×10−3 mol\xi = 0.500/58.12 = 8.60 \times 10^{-3}\,\mathrm{mol}; warmte 8.60×10−3×2868.9=24.68 kJ8.60 \times 10^{-3} \times 2868.9 = 24.68\,\mathrm{kJ}; ΔT=24.68/10.00=2.468 K\Delta T = 24.68/10.00 = 2.468\,\mathrm{K}. 11. Warmte 10.00×2.461=24.61 kJ10.00 \times 2.461 = 24.61\,\mathrm{kJ}: ΔrU=−24.61/(8.603×10−3)=−2860.6 kJ/mol\Delta_r U = -24.61/(8.603 \times 10^{-3}) = -2860.6\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol} en ΔrH=−2860.6−8.7=−2869.3 kJ/mol\Delta_r H = -2860.6 - 8.7 = -2869.3\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}, in absolute waarde 0.29 %0.29\,\% onder de tabellen: warmteverlies van de calorimeter of een licht onvolledige verbranding. 12. n=1000/18.02=55.5 moln = 1000/18.02 = 55.5\,\mathrm{mol}; Q=55.5×75.35×80=334.5 kJQ = 55.5 \times 75.35 \times 80 = 334.5\,\mathrm{kJ}. 13. Vrijgekomen warmte 16.0×45.72=731.5 kJ16.0 \times 45.72 = 731.5\,\mathrm{kJ}; rendement 334.5/731.5=0.46334.5/731.5 = 0.46. 14. Naar de hete verbrandingsgassen die langs de pan ontsnappen, de door de vlam verwarmde lucht en de wanden van de pan, en naar straling. 15. 230×45.72×0.457/334.5=14.4 L230 \times 45.72 \times 0.457/334.5 = 14.4\,\mathrm{L}. 16. Met 6.5 mol6.5\,\mathrm{mol} OX2\ce{O2} komen 6.5×78.08/20.95=24.23 mol6.5 \times 78.08/20.95 = 24.23\,\mathrm{mol} NX2\ce{N2} en 6.5×0.93/20.95=0.289 mol6.5 \times 0.93/20.95 = 0.289\,\mathrm{mol} Ar\ce{Ar} mee. 17. 4 mol4\,\mathrm{mol} COX2\ce{CO2}, 5 mol5\,\mathrm{mol} HX2O(g)\ce{H2O(g)}, 24.23 mol24.23\,\mathrm{mol} NX2\ce{N2}, 0.289 mol0.289\,\mathrm{mol} Ar\ce{Ar}. 18. De vlam is adiabatisch en isobaar, dus ΔH=0\Delta H = 0. Langs een weg bestaande uit de reactie bij 298 K298\,\mathrm{K} (ΔH1=−2657.6 kJ\Delta H_1 = -2657.6\,\mathrm{kJ}) gevolgd door het opwarmen van deze producten is ΔH2=−ΔH1=+2657.6 kJ\Delta H_2 = -\Delta H_1 = +2657.6\,\mathrm{kJ}: alle warmte gaat naar de gassen. 19. Cp=4(37.13)+5(33.59)+24.23(29.12)+0.289(20.79)=1028 J/KC_p = 4(37.13) + 5(33.59) + 24.23(29.12) + 0.289(20.79) = 1028\,\mathrm{J}/\mathrm{K}. 20. Tf=298+2 657 600/1028=2883 KT_f = 298 + 2\,657\,600/1028 = 2883\,\mathrm{K}. 21. Tf=2300+100×(2657.6−2515.7)/(2655.7−2515.7)=2401 KT_f = 2300 + 100 \times (2657.6 - 2515.7)/(2655.7 - 2515.7) = 2401\,\mathrm{K}. 22. De warmtecapaciteiten van de gassen nemen toe met de temperatuur (met ongeveer een kwart tussen 298 K298\,\mathrm{K} en 2400 K2400\,\mathrm{K}): met de waarden bij kamertemperatuur worden de gassen te goedkoop opgewarmd. 23. Boven 2000 K2000\,\mathrm{K} dissociëren koolstofdioxide en water gedeeltelijk (endotherm), de vlam straalt, en de menging met lucht is nooit volmaakt. 24. De adiabatische vlamtemperatuur van butaan in lucht is Tad≈2.40×103 K\boldsymbol{T_{\text{ad}} \approx 2.40 \times 10^{3}\,\mathrm{K}}.

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 852 begrippen in de begrippenlijst