পৃথিবী ও মহাকাশ বিজ্ঞান · বই 5 · স্নাতক তৃতীয় বর্ষ

Universitaire aard- en ruimtewetenschappen — jaar 3

বইগুলো এখনো বাংলা ভাষায় পাওয়া যায় না — Nederlands সংস্করণ দেখানো হচ্ছে।

Universitaire aard- en ruimtewetenschappen — jaar 3 · স্নাতক তৃতীয় বর্ষ

11Thermodynamica van gesteenten

Een granaat van enkele millimeter doorsnede groeide zone na zone terwijl zijn schist begraven en verhit werd. Zijn rand legt in zijn calcium-, ijzer- en magnesiumgehalte nog vast het laatste evenwicht dat hij bereikte met de biotiet en plagioklaas eromheen. Boek 4 zette zulke samenstellingen met twee gekalibreerde vergelijkingen om in een temperatuur en een druk. Dit hoofdstuk opent die doos: waar de vergelijkingen vandaan komen, hoe ver tabellen met gemeten enthalpieën en entropieën betrouwbaar zijn, hoeveel mineralen een gesteente kan bevatten, hoe vaste oplossingen mengen en ontmengen, en hoe een computer een bulksamenstelling omzet in een kaart van de assemblages die hij moet tonen.

Wat je al weet

De Gibbs-energie, de chemische potentiaal, de activiteit en de evenwichtsconstante, de variantie en de fasenregel, de mengbaarheidslacune en de hefboomregel staan in de universitaire delen van de scheikundeboeken. De univariante reactie, haar Clapeyronhelling ΔrS/ΔrV\Delta_rS/\Delta_rV, het invariante punt en het aluminosilicaatdiagram berekend uit tabellen staan in Boek 4, in het hoofdstuk over metamorfe facies; de geothermometer en geobarometer, de granaat–biotiet-uitwisselingsthermometer en de GASP-barometer, in het hoofdstuk over P–T–t-paden; ternaire diagrammen en de cotectische lijn, in het hoofdstuk over magma’s. Een vaste oplossing en haar eindleden staan in Boek 3, in het hoofdstuk over mineralen.

11.1 Evenwicht uit tabellen

Voor een reactie tussen mineralen van vaste samenstelling is evenwicht bij de temperatuur TT en druk PP gegeven door ΔrG(T,P)=0\Delta_rG(T, P) = 0. Tabellen geven bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K} en 1 bar1\,\mathrm{bar} de vormingsenthalpie, de entropie en het molair volume van elk mineraal, en daarboven de warmtecapaciteit Cp(T)C_p(T). Boek 4 nam ΔrH\Delta_rH, ΔrS\Delta_rS en ΔrV\Delta_rV als constanten. Het algemene resultaat luidt als volgt.

Stelling 11.1 (Gibbs-energie van een reactie bij TT en PP)

Laat een reactie bij T0=298.15 KT_0 = 298.15\,\mathrm{K} en 1 bar1\,\mathrm{bar} de enthalpie ΔrH∘\Delta_rH^\circ en entropie ΔrS∘\Delta_rS^\circ hebben, de verandering van de warmtecapaciteit ΔrCp(T)\Delta_rC_p(T) en, onder de vaste stoffen, een volumeverandering ΔrV\Delta_rV die onafhankelijk is van TT en PP. Dan geldt

ΔrG(T,P)=ΔrH∘+∫T0TΔrCp dT−T(ΔrS∘+∫T0TΔrCpT dT)+(P−1) ΔrV,\Delta_rG(T, P) = \Delta_rH^\circ + \int_{T_0}^{T}\Delta_rC_p\,\mathrm dT - T\Bigl(\Delta_rS^\circ + \int_{T_0}^{T}\frac{\Delta_rC_p}{T}\,\mathrm dT\Bigr) + (P - 1)\,\Delta_rV ,

en de evenwichtslijn is P=1−ΔrG(T,1)/ΔrVP = 1 - \Delta_rG(T, 1)/\Delta_rV.

Bewijs. Bij 1 bar1\,\mathrm{bar} geldt (∂ΔrH/∂T)P=ΔrCp(\partial\Delta_rH/\partial T)_P = \Delta_rC_p en (∂ΔrS/∂T)P=ΔrCp/T(\partial\Delta_rS/\partial T)_P = \Delta_rC_p/T; integreren vanaf T0T_0 geeft ΔrH(T)\Delta_rH(T) en ΔrS(T)\Delta_rS(T), en ΔrG=ΔrH−TΔrS\Delta_rG = \Delta_rH - T\Delta_rS. Bij vaste TT geldt (∂ΔrG/∂P)T=ΔrV(\partial\Delta_rG/\partial P)_T = \Delta_rV, constant volgens de veronderstelling; integreren van 1 tot PP levert (P−1)ΔrV(P - 1)\Delta_rV op. Het stellen van ΔrG(T,P)=0\Delta_rG(T, P) = 0 levert de lijn op. ∎

De twee integralen heffen elkaar gedeeltelijk op: hun som is ∫T0TΔrCp(1−T/T′) dT′\int_{T_0}^T\Delta_rC_p(1 - T/T')\,\mathrm dT', waarin de factor 1−T/T′1 - T/T' negatief en klein is wanneer T′T' dicht bij TT ligt. Onder de vaste stoffen is ΔrCp\Delta_rC_p zelf klein, omdat de warmtecapaciteit van een mineraal vrijwel gelijk is aan de som van die van zijn oxiden. De benadering van constante eigenschappen is daarom goed, en de tabellen geven aan hoe goed. Voor de GASP-reactie,

3 CaAlX2SiX2OX8⇌CaX3AlX2SiX3OX12+2 AlX2SiOX5+SiOX2,\ce{3 CaAl2Si2O8 <=> Ca3Al2Si3O12 + 2 Al2SiO5 + SiO2},

geeft de samenvattende tabel ΔrH∘=−36.3 kJ\Delta_rH^\circ = -36.3\,\mathrm{kJ}, ΔrS∘=−130.7 J K−1\Delta_rS^\circ = -130.7\,\mathrm{J}\,\mathrm{K}^{-1} en ΔrV=−6.61 J bar−1\Delta_rV = -6.61\,\mathrm{J}\,\mathrm{bar}^{-1}, dus een lijn met helling 19.8 bar/K19.8\,\mathrm{bar}/\mathrm{K}; de hogetemperatuurtabellen, die de warmtecapaciteiten bevatten, geven ΔrG\Delta_rG bij elke 100 K100\,\mathrm{K}, en de twee lijnen verschillen minder dan 0.12 kbar0.12\,\mathrm{kbar} tot 1200 K1200\,\mathrm{K} (de figuur hieronder).

De experimenten komen niet even goed overeen. Omgekeerd in een zuiger-cilinderpers bij 900 tot 1250 ∘C1250\,{}^{\circ}\mathrm{C} ligt de reactie 0.9 kbar0.9\,\mathrm{kbar} hoger dan de tabellen bij 627 ∘C627\,{}^{\circ}\mathrm{C} en 1.9 kbar1.9\,\mathrm{kbar} hoger bij 927 ∘C927\,{}^{\circ}\mathrm{C}. Met ΔrV=−6.61 J bar−1\Delta_rV = -6.61\,\mathrm{J}\,\mathrm{bar}^{-1} komt 1.9 kbar1.9\,\mathrm{kbar} overeen met een fout van 12.6 kJ12.6\,\mathrm{kJ} in ΔrH\Delta_rH; de onzekerheden van de vier vormingsenthalpieën, 3.2 kJ3.2\,\mathrm{kJ} voor grossulaar, 2.0 kJ2.0\,\mathrm{kJ} voor anorthiet en kyaniet, 1.0 kJ1.0\,\mathrm{kJ} voor kwarts, tellen op tot ongeveer 8 kJ8\,\mathrm{kJ} in ΔrH\Delta_rH. Calorimetrie legt elk mineraal vast op enkele kilojoules; een reactie tussen grote formule-eenheden vermenigvuldigt deze fouten en deelt ze door een kleine volumeverandering.

Definitie 11.2 (Intern consistente thermodynamische dataset)

Een intern consistente thermodynamische dataset is een tabel met de standaardeigenschappen van veel mineralen en vloeistoffen (vormingsenthalpie, entropie, volume, warmtecapaciteit, thermische uitzetting en compressibiliteit), gezamenlijk aangepast binnen de onzekerheden van de calorimetrie, zodat elk daarmee berekend evenwicht door de omgekeerde experimenten loopt waarop hij is gefit.

Zo’n dataset wordt één keer gefit, met gewogen kleinste kwadraten of met lineaire programmering over alle brackets tegelijk, en daarna gebruikt voor elke reactie tussen zijn mineralen, ook voor reacties die nooit in het laboratorium zijn bestudeerd. De getallen zijn geen onafhankelijke metingen: één enthalpie kan met een kilojoule worden verschoven om een reactie waarin hij meedoet te laten kloppen. Waarden uit verschillende datasets mogen nooit worden gemengd.

De eindlid-GASP-reactie, 3 anorthiet = grossulaar + 2 kyaniet + kwarts, berekend uit de calorimetrische tabellen met constante eigenschappen (gestreept) en met de warmtecapaciteiten (stippen), en de lijn die is gefit aan omgekeerde experimenten in het gearceerde gebied (rood, onder 900\, C geëxtrapoleerd).
De eindlid-GASP-reactie, 3 anorthiet = grossulaar + 2 kyaniet + kwarts, berekend uit de calorimetrische tabellen met constante eigenschappen (gestreept) en met de warmtecapaciteiten (stippen), en de lijn die is gefit aan omgekeerde experimenten in het gearceerde gebied (rood, onder 900 ∘C900\,{}^{\circ}\mathrm{C} geëxtrapoleerd).

11.2 De fasenregel in gesteenten

De fasenregel van de scheikunde geeft de variantie F=c−p+2F = c - p + 2 van een systeem van cc componenten in pp fasen. Een gesteente is zo’n systeem, en zijn mineralen tonen in welk deel van het druk–temperatuurvlak het in evenwicht was.

Propositie 11.3 (Mineralogische fasenregel)

Een gesteente dat in evenwicht is gekomen bij een druk en temperatuur die vrij zijn gekozen binnen een gebied van het druk–temperatuurvlak, bevat hooguit zoveel fasen als het componenten heeft: p≤cp \le c. Dit is de mineralogische fasenregel.

Bewijs. De fasenregel geeft F=c−p+2F = c - p + 2 onafhankelijke intensieve variabelen. Als de druk en temperatuur beide kunnen variëren zonder de assemblage te veranderen, zijn er twee vrij: F≥2F \ge 2, dus p≤cp \le c. Een gesteente met p=c+1p = c + 1 fasen ligt op een univariante lijn; bij p=c+2p = c + 2 op een invariant punt; geen van beide is waarschijnlijk voor een willekeurig gekozen gesteente. ∎

Een gesteente dat de regel breekt, is ofwel in evenwicht geweest op een reactielijn, wat de texturen kunnen tonen, of heeft nooit als geheel evenwicht bereikt: coronatexturen, gezoneerde mineralen en relictkorrels zijn gangbare redenen. Het tellen van componenten vraagt zorg. Een component die alleen in één fase van vaste samenstelling voorkomt, zoals zirkoon, kan samen met die fase worden weggelaten; een component die door een extern reservoir wordt vastgelegd, zoals water wanneer een vloeistof door het gesteente stroomt, telt niet als vrij, omdat de chemische potentiaal wordt opgelegd.

Rond een invariant punt kruisen de univariante lijnen elkaar niet willekeurig. In een systeem van cc componenten komen c+2c + 2 fasen samen in het punt, en c+2c + 2 reacties lopen ervandaan, elk geschreven tussen c+1c + 1 fasen en genoemd naar de fase die ze weglaat, tussen haakjes.

Definitie 11.4 (Schreinemakers-analyse)

Schreinemakers-analyse is de methode die de univariante lijnen rond een invariant punt rangschikt aan de hand van de samenstellingen van de fasen alleen, vóór enige meting van hun thermodynamische eigenschappen: zij legt de volgorde van de lijnen vast, de zijde van elke lijn die stabiel is, en de assemblages van elke sector daartussen.

Methode 11.5 (Schreinemakers-regels)

(1) Schrijf de c+2c + 2 reacties, elk zonder één fase. (2) Elke lijn is stabiel aan één kant van het punt en metastabiel aan de andere. (3) De metastabiele verlenging van de (ii)-lijn, die de fase ii weglaat, ligt in een sector waar ii stabiel is. (4) Geen sector tussen twee opeenvolgende stabiele lijnen overspant meer dan 180∘180{}^{\circ}. (5) Over een lijn heen zijn de assemblages aan weerszijden die van de twee zijden van haar reactie. Het vastleggen van één lijn met gegevens legt daarna de hele bundel vast, tot op een spiegelbeeld na.

Het aluminosilicaat-drievoudig punt van Boek 4 is het eenvoudigste geval, c=1c = 1 en drie lijnen. De figuur hieronder toont een tweecomponentgeval berekend door in elk punt de Gibbs-energie te minimaliseren.

Een Schreinemakers-bundel in een tweecomponentsysteem met vier fasen met samenstellingen A (0), B (1/3), C (2/3) en D (1), berekend voor verzonnen eigenschappen: stabiele lijnen doorgetrokken, metastabiele verlengingen gestreept, en de stabiele paren in elke sector. (D) is A + C = 2B, (A) is B + D = 2C, (C) is 2A + D = 3B en (B) is A + 2D = 3C.
Een Schreinemakers-bundel in een tweecomponentsysteem met vier fasen met samenstellingen A (0), B (1/31/3), C (2/32/3) en D (1), berekend voor verzonnen eigenschappen: stabiele lijnen doorgetrokken, metastabiele verlengingen gestreept, en de stabiele paren in elke sector. (D) is A + C = 2B, (A) is B + D = 2C, (C) is 2A + D = 3B en (B) is A + 2D = 3C.

11.3 Vaste oplossingen

De meeste gesteentevormende mineralen zijn vaste oplossingen, en hun eindleden verschijnen in reacties via hun activiteiten. Boek 4 nam a=X3a = X^3 voor de grossulaar in een granaat en a=Xa = X voor de anorthiet in een plagioklaas. Beide zijn gevallen van één model.

Definitie 11.6 (Activiteitsmodel met roostermenging)

In een activiteitsmodel met roostermenging, mengen de ionen van een mineraal willekeurig op elke kristallografische plaats, onafhankelijk van de andere plaatsen. De ideale activiteit van een eindlid is dan het product, over de plaatsen, van de fractie van elke plaats die het vult, verheven tot het aantal zulke plaatsen per formule-eenheid: ai=∏sXs,i nsa_i = \prod_s X_{s,i}^{\,n_s}.

Een granaat X3Y2SiX3OX12X_3Y_2\ce{Si3O12} heeft drie dodecaëdrische plaatsen XX voor Ca\ce{Ca}, Fe\ce{Fe}, Mg\ce{Mg} en Mn\ce{Mn}: agrossulaar=XCa3a_{\text{grossulaar}} = X_{\text{Ca}}^3. Een granaat met XCa=0.10X_{\text{Ca}} = 0.10 bevat 10 %10\,\% grossulaar, maar de activiteit ervan is 10−310^{-3}. Het ideale model telt de configuraties; echte oplossingen hebben daarnaast een overmaatse energie, omdat ionen van verschillende grootte rek in het rooster veroorzaken.

Definitie 11.7 (Gibbs-energie–samenstellingsdiagram)

Een Gibbs-energie–samenstellingsdiagram zet, bij vaste temperatuur en druk, de molaire Gibbs-energie van elke fase van een systeem uit tegen de samenstelling. De stabiele assemblage van elke bulksamenstelling ligt op de onderste convexe omhullende van de krommen: één fase waar haar kromme op de omhullende ligt, twee fasen aan de uiteinden van een gemeenschappelijke raaklijn.

Propositie 11.8 (Regelmatige oplossing)

In een binaire oplossing met één mengplaats per formule-eenheid en de wisselwerkingsenergie WW is de Gibbs-energie van menging

Gmix=RT[xln⁡x+(1−x)ln⁡(1−x)]+Wx(1−x).G_{\text{mix}} = RT\bigl[x\ln x + (1 - x)\ln(1 - x)\bigr] + Wx(1 - x).

Als W>0W > 0, is de oplossing stabiel bij elke samenstelling boven Tc=W/(2R)T_c = W/(2R); onder TcT_c heeft de kromme twee buigpunten en splitsen de samenstellingen tussen de twee punten van haar gemeenschappelijke raaklijn zich in twee fasen.

Bewijs. De eerste term is −T-T maal de configurationele entropie van willekeurige menging; de tweede is de eenvoudigste overmaatse energie, symmetrisch en nul aan beide uiteinden. Twee keer differentiëren geeft Gmix′′=RT/[x(1−x)]−2WG''_{\text{mix}} = RT/[x(1 - x)] - 2W. Het minimum over xx ligt bij x=1/2x = 1/2, waar het gelijk is aan 4RT−2W4RT - 2W, wat positief is bij elke xx als T>W/(2R)T > W/(2R). Onder die waarde is Gmix′′<0G''_{\text{mix}} < 0 op een interval rond 1/21/2: de kromme buigt daar naar beneden, een rechte lijn tussen twee punten van de kromme ligt eronder, en volgens de definitie hierboven bestaat het gesteente uit twee fasen. ∎

Definitie 11.9 (Solvus, ontmenging)

De solvus is de kromme, in het temperatuur–samenstellingsvlak, die het mengbaarheidsgat van een vaste oplossing begrenst: onder de solvus is een enkel kristal van tussenliggende samenstelling onstabiel en splitst het zich in twee. Ontmenging (mineraal) is die splitsing binnen een kristal bij afkoeling: lamellen van de ene samenstelling groeien in een gastheer van de andere.

Alkalivelspaten, pyroxenen en amfibolen vertonen ontmengingslamellen, zichtbaar onder de microscoop of met het blote oog: de perthiet van veel graniet is een ontmengd alkalivelspaat, een kaliumrijke gastheer met natriumrijke lamellen. Tussen de solvus en de spinodale kromme, waar Gmix′′=0G''_{\text{mix}} = 0, moet een kristal eerst de tweede fase laten ontstaan; binnen de spinodale kromme groeit elke kleine fluctuatie van de samenstelling door diffusie alleen.

Een regelmatige oplossing met W = 20\, kJ\, mol-1 (ter illustratie). (a) Gibbs-energie van menging bij drie temperaturen; bij 900\, K raakt de gemeenschappelijke raaklijn (dunne lijn) de kromme bij x = 0.11 en 0.89. (b) De solvus en de spinodale kromme; een gesteente met bulksamenstelling X_0 = 0.3 (verticale rode lijn) is één fase boven 1136\, K en twee fasen eronder, waarvan de samenstellingen de solvus volgen (gestippeld).
Een regelmatige oplossing met W=20 kJ mol−1W = 20\,\mathrm{kJ}\,\mathrm{mol}^{-1} (ter illustratie). (a) Gibbs-energie van menging bij drie temperaturen; bij 900 K900\,\mathrm{K} raakt de gemeenschappelijke raaklijn (dunne lijn) de kromme bij x=0.11x = 0.11 en 0.89. (b) De solvus en de spinodale kromme; een gesteente met bulksamenstelling X0=0.3X_0 = 0.3 (verticale rode lijn) is één fase boven 1136 K1136\,\mathrm{K} en twee fasen eronder, waarvan de samenstellingen de solvus volgen (gestippeld).

11.4 Pseudosecties

Paneel (b) van de figuur hierboven is al een kleine pseudosectie: voor één bulksamenstelling geeft het aan welke fasen bij elke temperatuur stabiel zijn, en wat hun samenstellingen en verhoudingen zijn. Een metamorf gesteente heeft ongeveer tien componenten en veel vaste oplossingen, maar het principe is hetzelfde.

Definitie 11.10 (Gibbs-energieminimalisatie)

Gibbs-energieminimalisatie zoekt, bij een gegeven temperatuur en druk, de verzameling fasen, hun samenstellingen en hun hoeveelheden die de totale Gibbs-energie van een systeem met vaste bulksamenstelling minimaliseert, onder de voorwaarde dat elke component behouden blijft.

Definitie 11.11 (Pseudosectie, isopleet, effectieve bulksamenstelling)

Een pseudosectie is een fasediagram, meestal in het druk–temperatuurvlak, berekend voor één vaste bulksamenstelling: het is verdeeld in velden, elk gelabeld met de assemblage die daar de Gibbs-energie minimaliseert. Een isopleet (pseudosectie) is een lijn van een pseudosectie waarlangs een samenstellingsvariabele van één fase, of de hoeveelheid ervan, constant is. De effectieve bulksamenstelling is het deel van de samenstelling van het gesteente dat nog aan het evenwicht deelneemt, nadat de kernen van gezoneerde kristallen, porfyroblasten die van de matrix zijn afgesloten en andere geïsoleerde materie zijn verwijderd.

Een pseudosectie toont geen univariante lijnen in de zin van Boek 4: in een systeem met vaste oplossingen is de grens tussen twee velden de plaats waar één fase verschijnt of verdwijnt, en de ligging ervan hangt af van de bulksamenstelling. Een pseudosectie aflezen gaat rechtstreeks. De waargenomen assemblage legt een veld vast; de gemeten samenstelling van een mineraal, bijvoorbeeld het calcium van een granaatrand, kiest daarbinnen een isopleet; een tweede isopleet, van een ander element of een ander mineraal, snijdt die bij de druk en de temperatuur van het evenwicht. Gezoneerde granaten dragen zo een reeks snijpunten, één per zone, langs het traject van het gesteente. Maar naarmate de granaat groeit, onttrekt zijn kern mangaan en calcium aan het bereik van de matrix: de effectieve bulksamenstelling verandert, en de pseudosectie moet opnieuw worden berekend voor de latere zones.

In het laboratorium — De werkplek van de petroloog

Een petroloog aan een polarisatiemicroscoop, een doos slijpplaatjes binnen handbereik en een slijpplaatje in gepolariseerd licht op het scherm Door AI gegenereerde illustratie.

De petroloog bestudeert eerst een slijpplaatje onder de polarisatiemicroscoop, om de assemblage, de texturen en welke korrels samen zijn gegroeid, vast te stellen. Datzelfde slijpplaatje, bedekt met koolstof, gaat daarna naar een elektronenmicrosonde, die de samenstelling meet van plekjes van enkele micrometer groot langs profielen door de granaten. Software die de Gibbs-energie minimaliseert met een intern consistente thermodynamische dataset en een reeks activiteitsmodellen berekent een pseudosectie voor de bulksamenstelling, gemeten aan een plakje van hetzelfde gesteente. De isopleten van de gemeten samenstellingen worden erop uitgezet, en waar ze elkaar snijden, ligt het antwoord. De onzekerheid van de dataset en van de activiteitsmodellen, niet die van de metingen, beperkt die meestal.

11.5 Oefeningen

Oefening 11.1 ★

Uit de tabellen heeft albiet ΔfH∘=−3935.0 kJ\Delta_fH^\circ = -3935.0\,\mathrm{kJ}, S∘=207.4 J K−1S^\circ = 207.4\,\mathrm{J}\,\mathrm{K}^{-1}, V=100.07 cm3V = 100.07\,\mathrm{cm}^{3}; jadeïet −3029.3-3029.3, 133.5, 60.40; kwarts −910.7-910.7, 41.5, 22.69 (per mol). Voor albiet = jadeïet + kwarts, bereken ΔrH\Delta_rH, ΔrS\Delta_rS, ΔrV\Delta_rV (in J bar−1\mathrm{J}\,\mathrm{bar}^{-1}), de Clapeyronhelling en de druk van de lijn bij 600 ∘C600\,{}^{\circ}\mathrm{C} met constante eigenschappen.

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.1.

ΔrH=−3029.3−910.7+3935.0=−5.0 kJ\Delta_rH = -3029.3 - 910.7 + 3935.0 = -5.0\,\mathrm{kJ}; ΔrS=133.5+41.5−207.4=−32.4 J K−1\Delta_rS = 133.5 + 41.5 - 207.4 = -32.4\,\mathrm{J}\,\mathrm{K}^{-1}; ΔrV=60.40+22.69−100.07=−16.98 cm3=−1.698 J bar−1\Delta_rV = 60.40 + 22.69 - 100.07 = -16.98\,\mathrm{cm}^{3} = -1.698\,\mathrm{J}\,\mathrm{bar}^{-1}. Helling 32.4/1.698=19.1 bar/K32.4/1.698 = 19.1\,\mathrm{bar}/\mathrm{K}. Bij 873 K873\,\mathrm{K}: P=1+(873.15×(−32.4)+5000)/(−1.698)=13.7 kbarP = 1 + (873.15\times(-32.4) + 5000)/(-1.698) = 13.7\,\mathrm{kbar}.

Oefening 11.2 ★

Een gesteente van het systeem MgO\ce{MgO}–SiOX2\ce{SiO2} bevat forsteriet, enstatiet en kwarts. Pas de mineralogische fasenregel toe. Welke conclusie volgt eruit?

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.2.

c=2c = 2 en p=3>cp = 3 > c: de regel wordt geschonden. De drie fasen coëxisteren alleen op de univariante lijn van MgX2SiOX4+SiOX2⇌2 MgSiOX3\ce{Mg2SiO4 + SiO2 <=> 2 MgSiO3}; een willekeurig gekozen gesteente ligt daar niet, dus de assemblage registreert een onvolledige reactie, bijvoorbeeld forsteriet dat omhuld is door een rand van enstatiet en zo van het kwarts is afgeschermd.

Oefening 11.3 ★

Bereken de ideale activiteiten van grossulaar en pyrop in een granaat met XCa=0.20X_{\text{Ca}} = 0.20 en XMg=0.15X_{\text{Mg}} = 0.15, en van anorthiet in een plagioklaas met Xan=0.40X_{\text{an}} = 0.40 (één roosterplaats).

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.3.

agrossulaar=0.203=0.008a_{\text{grossulaar}} = 0.20^3 = 0.008; apyroop=0.153=3.4×10−3a_{\text{pyroop}} = 0.15^3 = 3.4 \times 10^{-3}; aanorthiet=0.40a_{\text{anorthiet}} = 0.40.

Oefening 11.4 ★

Bereken de kritische temperatuur van een regelmatige oplossing met W=15 kJ mol−1W = 15\,\mathrm{kJ}\,\mathrm{mol}^{-1}. Welke WW geeft Tc=1000 KT_c = 1000\,\mathrm{K}?

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.4.

Tc=15 000/(2×8.314)=902 KT_c = 15\,000/(2\times8.314) = 902\,\mathrm{K}; W=2×8.314×1000=16.6 kJ mol−1W = 2\times8.314\times1000 = 16.6\,\mathrm{kJ}\,\mathrm{mol}^{-1}.

Oefening 11.5 ★★

Bij 1000 K1000\,\mathrm{K} geven de tabellen de Gibbs-energieën van vorming −5432.2-5432.2 (grossulaar), −3478.1-3478.1 (anorthiet), −2088.8-2088.8 (kyaniet) en −730.2-730.2 (kwarts), in kJ mol−1\mathrm{kJ}\,\mathrm{mol}^{-1}. Bereken ΔrG\Delta_rG van de GASP-reactie bij 1 bar1\,\mathrm{bar} en de evenwichtsdruk ervan, en vergelijk met de experimentele lijn P0=22.80 T−1093P_0 = 22.80\,T - 1093 (bar, ∘C{}^{\circ}\mathrm{C}).

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.5.

ΔrG=−5432.2+2×(−2088.8)−730.2+3×3478.1=94.3 kJ\Delta_rG = -5432.2 + 2\times(-2088.8) - 730.2 + 3\times3478.1 = 94.3\,\mathrm{kJ}; P=1+94 300/6.61=14.3 kbarP = 1 + 94\,300/6.61 = 14.3\,\mathrm{kbar}. De experimentele lijn geeft 22.80×726.85−1093=15.5 kbar22.80\times726.85 - 1093 = 15.5\,\mathrm{kbar}, 1.2 kbar1.2\,\mathrm{kbar} hoger.

Oefening 11.6 ★★

Voor de regelmatige oplossing uit de figuur (W=20 kJ mol−1W = 20\,\mathrm{kJ}\,\mathrm{mol}^{-1}), bereken GmixG_{\text{mix}} bij x=0.5x = 0.5 en 900 K900\,\mathrm{K}, daarna bij de solvusflank x=0.111x = 0.111. Toon aan dat het splitsen van een kristal met samenstelling 0.5 in de twee flanken de Gibbs-energie verlaagt, en met hoeveel.

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.6.

RT=7483 J mol−1RT = 7483\,\mathrm{J}\,\mathrm{mol}^{-1}. Bij x=0.5x = 0.5: 7483ln⁡0.5+20 000/4=−5187+5000=−187 J mol−17483\ln0.5 + 20\,000/4 = -5187 + 5000 = -187\,\mathrm{J}\,\mathrm{mol}^{-1}. Bij x=0.111x = 0.111: 7483×(0.111ln⁡0.111+0.889ln⁡0.889)+20 000×0.111×0.889=−2609+1974=−635 J mol−17483\times(0.111\ln0.111 + 0.889\ln0.889) + 20\,000\times0.111\times0.889 = -2609 + 1974 = -635\,\mathrm{J}\,\mathrm{mol}^{-1}, en hetzelfde bij 0.889 door symmetrie. Gelijke hoeveelheden van de twee flanken hebben de bulksamenstelling 0.5 en de Gibbs-energie −635 J mol−1-635\,\mathrm{J}\,\mathrm{mol}^{-1}: splitsen verlaagt de energie met 448 J mol−1448\,\mathrm{J}\,\mathrm{mol}^{-1}.

Oefening 11.7 ★★

Hoeveel fasen komen samen in een invariant punt, en hoeveel univariante lijnen gaan er vanuit het punt uit, in een systeem van drie componenten? In de bundel van de figuur, controleer dat elk van de vier reacties klopt.

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.7.

c+2=5c + 2 = 5 fasen en 5 lijnen. (D) A+C=2BA + C = 2B: 0+2/3=2×1/30 + 2/3 = 2\times1/3. (A) B+D=2CB + D = 2C: 1/3+1=2×2/31/3 + 1 = 2\times2/3. (C) 2A+D=3B2A + D = 3B: 0+1=3×1/30 + 1 = 3\times1/3. (B) A+2D=3CA + 2D = 3C: 0+2=3×2/30 + 2 = 3\times2/3.

Oefening 11.8 ★★

Een gesteente met bulksamenstelling X0=0.3X_0 = 0.3 in de regelmatige oplossing van de figuur is afgekoeld tot 900 K900\,\mathrm{K}, waar de solvusflanken 0.111 en 0.889 zijn. Bereken de hoeveelheid van elke fase.

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.8.

Volgens de hefboomregel maakt de fase bij 0.889 (0.3−0.111)/(0.889−0.111)=0.243(0.3 - 0.111)/(0.889 - 0.111) = 0.243, 24 %24\,\%, en de fase bij 0.111 76 %76\,\%.

Oefening 11.9 ★★

Met de GASP-barometer P=P0+(3RT/6.21)ln⁡(XCa/Xan)P = P_0 + (3RT/6.21)\ln(X_{\text{Ca}}/X_{\text{an}}) (bar), bereken ∂P/∂Xan\partial P/\partial X_{\text{an}} bij 900 K900\,\mathrm{K} en Xan=0.30X_{\text{an}} = 0.30. Met hoeveel verschuift de druk, als de waarde van XanX_{\text{an}} met 0.01 afwijkt?

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.9.

∂P/∂Xan=−3RT/(6.21Xan)=−3×8.314×900/(6.21×0.30)=−12 000 bar\partial P/\partial X_{\text{an}} = -3RT/(6.21X_{\text{an}}) = -3\times8.314\times900/(6.21\times0.30) = -12\,000\,\mathrm{bar} per eenheid van XanX_{\text{an}}: een fout van 0.01 verschuift de druk met 120 bar120\,\mathrm{bar}.

Oefening 11.10 ★★★

Toon aan dat de spinodaal van een regelmatige oplossing gelijk is aan x(1−x)=RT/(2W)x(1 - x) = RT/(2W). Bij welke temperatuur wordt een kristal met samenstelling 0.3 instabiel voor elke kleine fluctuatie, voor W=20 kJ mol−1W = 20\,\mathrm{kJ}\,\mathrm{mol}^{-1}? Vergelijk met de temperatuur waarbij het de solvus bereikt, T=W(1−2x)/[Rln⁡((1−x)/x)]T = W(1 - 2x)/[R\ln((1 - x)/x)], en verklaar de kloof.

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.10.

Gmix′=RTln⁡[x/(1−x)]+W(1−2x)G'_{\text{mix}} = RT\ln[x/(1 - x)] + W(1 - 2x) en Gmix′′=RT/[x(1−x)]−2WG''_{\text{mix}} = RT/[x(1 - x)] - 2W, nul waar x(1−x)=RT/(2W)x(1 - x) = RT/(2W). Voor x=0.3x = 0.3: T=2×20 000×0.21/8.314=1010 KT = 2\times20\,000\times0.21/8.314 = 1010\,\mathrm{K}; het solvus wordt bereikt bij 20 000×0.4/(8.314ln⁡(7/3))=1136 K20\,000\times0.4/(8.314\ln(7/3)) = 1136\,\mathrm{K}. Tussen beide in is het kristal metastabiel: splitsen zou de energie verlagen, maar een kleine fluctuatie verhoogt haar, dus moet de tweede fase nucleëren.

Oefening 11.11 ★★★

Toon aan dat de solvus van een symmetrische regelmatige oplossing voldoet aan RTln⁡[x/(1−x)]+W(1−2x)=0RT\ln[x/(1 - x)] + W(1 - 2x) = 0, en dat hij zijn maximum, Tc=W/(2R)T_c = W/(2R), bereikt bij x=1/2x = 1/2.

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.11.

Omdat Gmix(x)=Gmix(1−x)G_{\text{mix}}(x) = G_{\text{mix}}(1 - x), raakt de gemeenschappelijke raaklijn de kromme in twee symmetrische punten xx en 1−x1 - x en is ze horizontaal: Gmix′(x)=0G'_{\text{mix}}(x) = 0, wat de vergelijking is. Oplossen geeft T(x)=W(1−2x)/[Rln⁡((1−x)/x)]T(x) = W(1 - 2x)/[R\ln((1 - x)/x)]. Met x=1/2−εx = 1/2 - \varepsilon geldt 1−2x=2ε1 - 2x = 2\varepsilon en ln⁡((1/2+ε)/(1/2−ε))≈4ε\ln((1/2 + \varepsilon)/(1/2 - \varepsilon)) \approx 4\varepsilon, dus T→W/(2R)T \to W/(2R) voor ε→0\varepsilon \to 0; en voor x<1/2x < 1/2 neemt T(x)T(x) toe naarmate xx nadert tot 1/2, dus deze grenswaarde is het maximum.

Oefening 11.12 ★★★

Een gesteente bevat 2.0 wt%2.0\,\mathrm{wt}\% MnO\ce{MnO}. Granaatkernen met 10 wt%10\,\mathrm{wt}\% MnO\ce{MnO} vormen 8 wt%8\,\mathrm{wt}\% van het gesteente en zijn afgesloten van de matrix. Bereken het MnO\ce{MnO}-gehalte van de effectieve bulk samenstelling. Waarom is dat belangrijk voor de pseudosectie van de granaatranden?

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.12.

(2.0−0.08×10)/0.92=1.30 wt%(2.0 - 0.08\times10)/0.92 = 1.30\,\mathrm{wt}\%. Mangaan begunstigt granaat: met minder ervan in de effectieve bulksamenstelling groeien de randen in een ander veld en langs andere isopleeten dan de totaalanalyse van het gesteente zou voorspellen.

11.6 Probleem: het granaat van de Varden-schist

Probleem 11.1

Weekendprobleem — de druk en temperatuur van een verzonnen schist, uit tabellen, de fasenregel, activiteitsmodellen en thermobarometrie

De schist van het Varden Hills-basement, ongeveer 480 Ma480\,\mathrm{Ma} geleden gemetamorfoseerd, bevat granaat, biotiet, muscoviet, plagioklaas, kyaniet en kwarts. Aan de rand van een granaat en in de korrels eromheen meet de microsonde: granaat XFe=0.74X_{\text{Fe}} = 0.74, XMg=0.12X_{\text{Mg}} = 0.12, XCa=0.10X_{\text{Ca}} = 0.10, XMn=0.04X_{\text{Mn}} = 0.04; biotiet Mg/(Mg+Fe)=0.45\ce{Mg}/(\ce{Mg} + \ce{Fe}) = 0.45; plagioklaas Xan=0.30X_{\text{an}} = 0.30. Gebruik de tabellen van dit hoofdstuk voor de GASP-reactie, de thermometer uit Boek 4

T=52 635+0.311P20.20−3Rln⁡KD(T in K,P in bar),T = \frac{52\,635 + 0.311P}{20.20 - 3R\ln K_D}\quad(T \text{ in K}, P \text{ in bar}),

en de experimentele barometer P=22.80 t−1093+(3RT/6.21)ln⁡(XCa/Xan)P = 22.80\,t - 1093 + (3RT/6.21)\ln (X_{\text{Ca}}/X_{\text{an}}), met tt in ∘C{}^{\circ}\mathrm{C} en TT in kelvin. Neem R=8.314 J mol−1 K−1R = 8.314\,\mathrm{J}\,\mathrm{mol}^{-1}\,\mathrm{K}^{-1}, een korstdichtheid van 2800 kg/m32800\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3} en g=9.81 m/s2g = 9.81\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}.

Deel I — De tabellen.

  1. Bereken uit de samenvattende tabel ΔrH∘\Delta_rH^\circ, ΔrS∘\Delta_rS^\circ en ΔrV\Delta_rV van de GASP-reactie.
  2. Bereken ΔrG\Delta_rG bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K} en 1 bar1\,\mathrm{bar}. Welke kant is aan het oppervlak stabiel?
  3. Bereken de eindliddruk bij 900 K900\,\mathrm{K} met constante eigenschappen, en de Clapeyronhelling.
  4. De hogetemperatuurtabellen geven ΔrG=81.5 kJ\Delta_rG = 81.5\,\mathrm{kJ} bij 900 K900\,\mathrm{K} en 119.8 kJ119.8\,\mathrm{kJ} bij 1200 K1200\,\mathrm{K} (1 bar1\,\mathrm{bar}). Bereken de drukken.
  5. Vergelijk met de experimentele lijn bij dezelfde temperaturen.
  6. Welke fout in ΔrH\Delta_rH zou de kloof bij 1200 K1200\,\mathrm{K} verklaren? Vergelijk met de gecombineerde onzekerheid van de vier enthalpieën.
  7. Waarom veranderen de warmtecapaciteiten het resultaat zo weinig?

Deel II — De fasenregel.

  1. Geef de componenten die nodig zijn om de zes mineralen en een waterig fluïdum te beschrijven, en tel de fasen.
  2. Bereken de variantie met de fasenregel en controleer de mineralogische fasenregel.
  3. Een tweede monster bevat kyaniet en sillimaniet naast elkaar. Wat zegt dit over de druk en temperatuur?
  4. Water stroomde tijdens de metamorfose door het gesteente. Hoe verandert dat de telling?

Deel III — Activiteiten en thermobarometrie.

  1. Bereken de ideale activiteiten van grossulaar en anorthiet, en ln⁡K\ln K van de GASP-reactie in het gesteente.
  2. Bereken KDK_D van de granaat–biotiet-uitwisseling.
  3. Bereken de temperatuur bij 8 kbar8\,\mathrm{kbar}.
  4. Bereken de GASP-druk bij die temperatuur.
  5. Itereer naar het snijpunt van de twee vergelijkingen.
  6. Herhaal het snijpunt met de eindlijn uit de tabellen in plaats van de experimentele lijn (met ΔrV=−6.61 J bar−1\Delta_rV = -6.61\,\mathrm{J}\,\mathrm{bar}^{-1}). Welk resultaat wordt aangehouden, en waarom?
  7. Hoeveel verschuift het resultaat bij een fout van 0.05 in XanX_{\text{an}}?

Deel IV — De begraving.

  1. Met de constante eigenschappen van Boek 4 heeft kyaniet = sillimaniet ΔrH=7.7 kJ\Delta_rH = 7.7\,\mathrm{kJ}, ΔrS=12.6 J K−1\Delta_rS = 12.6\,\mathrm{J}\,\mathrm{K}^{-1}, ΔrV=0.571 J bar−1\Delta_rV = 0.571\,\mathrm{J}\,\mathrm{bar}^{-1}. Ligt het resultaat in het kyanietveld?
  2. Bereken de begravingsdiepte.
  3. De granaatkern heeft XCa=0.07X_{\text{Ca}} = 0.07 en groeide met plagioklaas van dezelfde XanX_{\text{an}}, bij ongeveer dezelfde temperatuur. Is de kern dieper of ondieper gevormd dan de rand?
  4. Geef de piekdruk en begravingsdiepte van de Varden-schist.
Oplossing

Oplossing van Probleem 11.1.

1. ΔrH∘=−6640.0+2×(−2593.8)−910.7+3×4234.0=−36.3 kJ\Delta_rH^\circ = -6640.0 + 2\times(-2593.8) - 910.7 + 3\times4234.0 = -36.3\,\mathrm{kJ}; ΔrS∘=260.1+165.6+41.5−597.9=−130.7 J K−1\Delta_rS^\circ = 260.1 + 165.6 + 41.5 - 597.9 = -130.7\,\mathrm{J}\,\mathrm{K}^{-1}; ΔrV=125.28+88.30+22.69−302.37=−66.10 cm3=−6.61 J bar−1\Delta_rV = 125.28 + 88.30 + 22.69 - 302.37 = -66.10\,\mathrm{cm}^{3} = -6.61\,\mathrm{J}\,\mathrm{bar}^{-1}.

2. −36 300+298.15×130.7=+2.67 kJ-36\,300 + 298.15\times130.7 = +2.67\,\mathrm{kJ}: positief, dus anorthiet is stabiel aan het oppervlak.

3. P=1+(900×(−130.7)+36 300)/(−6.61)=12.3 kbarP = 1 + (900\times(-130.7) + 36\,300)/(-6.61) = 12.3\,\mathrm{kbar}; helling 130.7/6.61=19.8 bar/K130.7/6.61 = 19.8\,\mathrm{bar}/\mathrm{K}.

4. 1+81 500/6.61=12.3 kbar1 + 81\,500/6.61 = 12.3\,\mathrm{kbar} bij 900 K900\,\mathrm{K}; 1+119 800/6.61=18.1 kbar1 + 119\,800/6.61 = 18.1\,\mathrm{kbar} bij 1200 K1200\,\mathrm{K}.

5. Bij 626.85 en 926.85 ∘C926.85\,{}^{\circ}\mathrm{C} geeft de experimentele lijn 13.2 en 20.0 kbar20.0\,\mathrm{kbar}: 0.9 en 1.9 kbar1.9\,\mathrm{kbar} boven de tabellen.

6. 1914×6.61=12.7 kJ1914\times6.61 = 12.7\,\mathrm{kJ}. De gecombineerde onzekerheid is 3.22+(3×2.0)2+(2×2.0)2+1.02=8.0 kJ\sqrt{3.2^2 + (3\times2.0)^2 + (2\times2.0)^2 + 1.0^2} = 8.0\,\mathrm{kJ}: het verschil is 1.6 keer dat, mogelijk voor calorimetrie, en de reden waarom de lijn uit de experimenten wordt genomen.

7. ΔrCp\Delta_rC_p is klein bij vaste stoffen, en de twee integralen heffen elkaar gedeeltelijk op: de tabellen verschuiven de lijn met slechts 26 en 112 bar112\,\mathrm{bar}.

8. SiOX2\ce{SiO2}, AlX2OX3\ce{Al2O3}, FeO\ce{FeO}, MgO\ce{MgO}, MnO\ce{MnO}, CaO\ce{CaO}, NaX2O\ce{Na2O}, KX2O\ce{K2O} en HX2O\ce{H2O}: c=9c = 9. Fasen: granaat, biotiet, muscoviet, plagioklaas, kyaniet, kwarts en fluïdum, p=7p = 7.

9. F=9−7+2=4F = 9 - 7 + 2 = 4: druk, temperatuur en twee samenstellingsvariabelen. p=7≤c=9p = 7 \le c = 9: de regel geldt, en de associatie kan over een gebied van het druk–temperatuurvlak stabiel zijn.

10. Twee zuivere AlX2SiOX5\ce{Al2SiO5}-polymorfen in evenwicht liggen op de univariante lijn kyaniet = sillimaniet: één betrekking tussen PP en TT, en een thermometer levert dan de druk.

11. Het fluïdum legt de chemische potentiaal van water op: 8 vrije componenten voor 6 vaste fasen, F=8−6+2=4F = 8 - 6 + 2 = 4, en p≤cp \le c geldt nog steeds.

12. agrossulaar=0.103=0.001a_{\text{grossulaar}} = 0.10^3 = 0.001, aanorthiet=0.30a_{\text{anorthiet}} = 0.30; ln⁡K=ln⁡(0.001/0.303)=−3.30\ln K = \ln(0.001/0.30^3) = -3.30.

13. KD=(0.12/0.74)/(0.45/0.55)=0.1622/0.8182=0.198K_D = (0.12/0.74)/(0.45/0.55) = 0.1622/0.8182 = 0.198.

14. T=(52 635+2488)/(20.20+24.94×1.618)=55 123/60.57=910 KT = (52\,635 + 2488)/(20.20 + 24.94\times1.618) = 55\,123/60.57 = 910\,\mathrm{K}, of 637 ∘C637\,{}^{\circ}\mathrm{C}.

15. P0=22.80×636.9−1093=13 429 barP_0 = 22.80\times636.9 - 1093 = 13\,429\,\mathrm{bar}; (3×8.314×910.1/6.21)ln⁡(1/3)=−4016 bar(3\times8.314 \times910.1/6.21)\ln(1/3) = -4016\,\mathrm{bar}; P=9.41 kbarP = 9.41\,\mathrm{kbar}.

16. Bij 9.41 kbar9.41\,\mathrm{kbar}, 644.2 ∘C644.2\,{}^{\circ}\mathrm{C}, daarna 9.55 kbar9.55\,\mathrm{kbar}; bij die druk 644.9 ∘C644.9\,{}^{\circ}\mathrm{C} en 9.56 kbar9.56\,\mathrm{kbar}, daarna ongewijzigd: 645 ∘C645\,{}^{\circ}\mathrm{C} en 9.56 kbar9.56\,\mathrm{kbar}.

17. 641 ∘C641\,{}^{\circ}\mathrm{C} en 8.79 kbar8.79\,\mathrm{kbar}. De tabellen leggen de eindlid-lijn ongeveer 1 kbar1\,\mathrm{kbar} te laag (Deel I); de experimentele lijn wordt behouden.

18. Met Xan=0.35X_{\text{an}} = 0.35: 642 ∘C642\,{}^{\circ}\mathrm{C} en 8.93 kbar8.93\,\mathrm{kbar}, 0.63 kbar0.63\,\mathrm{kbar} minder.

19. Bij 918 K918\,\mathrm{K}: P=1+(918×12.6−7700)/0.571=6.8 kbarP = 1 + (918\times12.6 - 7700)/0.571 = 6.8\,\mathrm{kbar}, onder 9.56 kbar9.56\,\mathrm{kbar}: kyaniet, zoals waargenomen.

20. z=9.56×108/(2800×9.81)=34.8 kmz = 9.56 \times 10^{8}/(2800\times9.81) = 34.8\,\mathrm{km}.

21. ΔP=(3×8.314×918/6.21)ln⁡(0.07/0.10)=−1.3 kbar\Delta P = (3\times8.314\times918/6.21)\ln(0.07/0.10) = -1.3\,\mathrm{kbar}: de kern groeide ongeveer 4.8 km4.8\,\mathrm{km} ondieper. De granaat groeide tijdens begraving, en zijn rand registreert het diepste punt.

22. De Varden-schist bereikte een piekdruk van 9.6 kbar9.6\,\mathrm{kbar} bij 645 ∘C645\,{}^{\circ}\mathrm{C}, een begraving van ongeveer 35 km35\,\mathrm{km}.

এই অধ্যায়ে সংজ্ঞায়িত পরিভাষা-শব্দ

পরিভাষায় সব 957 টি শব্দ দেখো