地球与空间科学 · 第 5 册 · 本科三年级

Universitaire aard- en ruimtewetenschappen — jaar 3

书籍暂未推出简体中文版——当前显示 Nederlands 版。

Universitaire aard- en ruimtewetenschappen — jaar 3 · 本科三年级

19Geofysische vloeistofdynamica

Roer in een kopje thee en de draaiing is binnen een minuut uitgedoofd; de theeblaadjes verzamelen zich in het midden op de bodem, en verder gebeurt er niets. Ook de oceaan en de atmosfeer worden geroerd, door de Zon en de wind, maar op een roterende planeet en in lagen met verschillende dichtheid. Rotatie en gelaagdheid zorgen dat ze zich houden aan regels die een theekopje nooit laat zien: winden waaien langs de isobaren in plaats van er dwars op, weigeren kolommen vloeistof te kantelen, en de wind van de bovenste troposfeer ligt besloten in de temperaturen eronder. Dit hoofdstuk stelt de vergelijkingen op van deze grote, trage, dunne stromingen en de weinige getallen die bepalen welke termen ertoe doen.

Wat je al weet

De Coriolis- en centrifugaalkrachten in een roterend assenstelsel, de Navier–Stokes en continuïteitsvergelijkingen, de viscositeit, het Reynoldsgetal en de hydrostatische relatie zijn behandeld in de natuurkundeboeken. De Coriolisparameter f=2Ωsin⁡φf = 2\Omega \sin\varphi, de drukgradiëntkracht, het geostrofisch evenwicht, de geostrofische en gradiëntwinden en de straalstromen worden behandeld in Boek 3, in het hoofdstuk over de algemene circulatie van de atmosfeer; de Ekmanlaag in het hoofdstuk over de circulatie van de oceaan; de potentiële temperatuur, statische stabiliteit en de oscillatie van een opgetild luchtpakketje in het hoofdstuk over de structuur van de atmosfeer en de oceaan.

19.1 Vergelijkingen in een roterend assenstelsel

In een assenstelsel dat meedraait met de Aarde, met de hoeksnelheid Ω⃗\vec\Omega, voldoet een vloeistofpakketje met snelheid u⃗\vec u aan

Du⃗Dt+2Ω⃗×u⃗=−1ρ∇p+g⃗+ν∇2u⃗,∂ρ∂t+∇⋅(ρu⃗)=0,\frac{\mathrm D\vec u}{\mathrm Dt} + 2\vec\Omega\times\vec u = -\frac{1}{\rho}\nabla p + \vec g + \nu\nabla^2\vec u , \qquad \frac{\partial\rho}{\partial t} + \nabla\cdot(\rho\vec u) = 0 ,

waarin D/Dt=∂/∂t+u⃗⋅∇\mathrm D/\mathrm Dt = \partial/\partial t + \vec u\cdot\nabla de afgeleide is die het pakketje volgt en ν\nu de kinematische viscositeit. De middelpuntvliedende kracht is opgeteld bij de gravitatie: hun som g⃗\vec g is de effectieve zwaarte, loodrecht op de niveauvlakken van de geopotentiaal, en de verticaal wordt daardoor bepaald. Van de rotatie blijft alleen de Coriolisterm, −2Ω⃗×u⃗-2\vec\Omega\times \vec u, over, en die verricht geen arbeid: hij draait een pakketje zonder zijn snelheid te veranderen. De Aarde draait met Ω=7.292 115×10−5 rad/s\Omega = 7.292\,115 \times 10^{-5}\,\mathrm{rad}/\mathrm{s}, eenmaal per sterrendag van 23.9345 h23.9345\,\mathrm{h}.

Voor bewegingen over afstanden veel kleiner dan de straal aa van de Aarde volstaat een lokaal cartesisch assenstelsel: xx naar het oosten, yy naar het noorden, zz omhoog, op breedtegraad φ\varphi, het raakvlak van de figuur hieronder. Hier Ω⃗=Ω (0,cos⁡φ,sin⁡φ)\vec\Omega = \Omega\,(0, \cos\varphi, \sin\varphi), en de drie componenten van de impulsvergelijking zijn

DuDt−fv+f~w=−1ρ∂p∂x+Fx,DvDt+fu=−1ρ∂p∂y+Fy,DwDt−f~u=−1ρ∂p∂z−g+Fz,f=2Ωsin⁡φ,f~=2Ωcos⁡φ,\begin{aligned} \frac{\mathrm Du}{\mathrm Dt} - f v + \tilde f w &= -\frac{1}{\rho}\frac{\partial p}{\partial x} + F_x ,\\ \frac{\mathrm Dv}{\mathrm Dt} + f u &= -\frac{1}{\rho}\frac{\partial p}{\partial y} + F_y ,\\ \frac{\mathrm Dw}{\mathrm Dt} - \tilde f u &= -\frac{1}{\rho}\frac{\partial p}{\partial z} - g + F_z , \end{aligned} \qquad f = 2\Omega\sin\varphi,\quad \tilde f = 2\Omega\cos\varphi ,

met F⃗\vec F de wrijving. Voor de dunne, bijna horizontale stromingen van de oceaan en de atmosfeer vallen de termen in f~\tilde f weg: f~w\tilde f w is klein naast fvfv omdat w≪vw \ll v, en f~u\tilde f u is een tienduizendste van gg (uit Oefening 19.5). De Coriolis-kracht werkt dan alleen horizontaal, via de lokale verticale component van de rotatie, Ωsin⁡φ\Omega\sin\varphi.

Definitie 19.1 (ff-vlak en β\beta-vlak)

Nabij een referentiebreedtegraad φ0\varphi_0 neemt de ff-vlak-benadering de Coriolisparameter als constant aan, f=f0=2Ωsin⁡φ0f = f_0 = 2\Omega\sin\varphi_0. De β\beta-vlak-benadering houdt de eerste-orde verandering met de noordwaartse afstand yy in rekening: f=f0+βyf = f_0 + \beta y, met β=df/dy=2Ωcos⁡φ0/a\beta = \mathrm df/\mathrm dy = 2\Omega \cos\varphi_0/a.

Bij 45∘45{}^{\circ}, met de gemiddelde straal a=6371 kma = 6371\,\mathrm{km}, f0=1.031×10−4 s−1f_0 = 1.031 \times 10^{-4}\,\mathrm{s}^{-1} en β=1.62×10−11 m−1 s−1\beta = 1.62 \times 10^{-11}\,\mathrm{m}^{-1}\,\mathrm{s}^{-1}: over 1000 km1000\,\mathrm{km} breedtegraad verandert ff met 16 %16\,\%. Het ff-vlak is geschikt voor bewegingen die veel kleiner zijn dan dat; het β\beta-vlak is nodig voor stromingen op bekkenschaal en planetaire golven.

Links: het lokale assenstelsel op breedtegraad : z langs de lokale verticaal, y naar het noorden in het raakvlak, x naar het oosten het papier in. De rotatievector splitst in  om de verticaal, die horizontale beweging draait, en  om de noordelijke as, die bij dunne stromingen wordt weggelaten. Rechts: de Coriolisparameter en zijn raaklijn in het -vlak bij 45: dicht bij die breedte over een band van breedtegraden, ver ervan af bij de evenaar en de pool.
Links: het lokale assenstelsel op breedtegraad : z langs de lokale verticaal, y naar het noorden in het raakvlak, x naar het oosten het papier in. De rotatievector splitst in  om de verticaal, die horizontale beweging draait, en  om de noordelijke as, die bij dunne stromingen wordt weggelaten. Rechts: de Coriolisparameter en zijn raaklijn in het -vlak bij 45: dicht bij die breedte over een band van breedtegraden, ver ervan af bij de evenaar en de pool.
Links: het lokale assenstelsel op breedtegraad φ\varphi: zz langs de lokale verticaal, yy naar het noorden in het raakvlak, xx naar het oosten het papier in. De rotatievector splitst in Ωsin⁡φ\Omega\sin\varphi om de verticaal, die horizontale beweging draait, en Ωcos⁡φ\Omega\cos\varphi om de noordelijke as, die bij dunne stromingen wordt weggelaten. Rechts: de Coriolisparameter en zijn raaklijn in het β\beta-vlak bij 45∘45{}^{\circ}: dicht bij die breedte over een band van breedtegraden, ver ervan af bij de evenaar en de pool.

Twee verdere benaderingen vereenvoudigen de vergelijkingen zonder wat ertoe doet te verliezen. De eerste betreft de dichtheid.

Definitie 19.2 (Boussinesq-benadering)

De Boussinesq-benadering schrijft de dichtheid als ρ=ρ0+ρ′\rho = \rho_0 + \rho', met ρ0\rho_0 een constante en ∣ρ′∣≪ρ0|\rho'| \ll \rho_0, en houdt ρ′\rho' alleen waar die met gg is vermenigvuldigd. De continuïteitsvergelijking wordt ∇⋅u⃗=0\nabla\cdot\vec u = 0, en de impulsvergelijking

Du⃗Dt+f k⃗×u⃗=−1ρ0∇p′+b k⃗+ν∇2u⃗,b=−g ρ′ρ0,\frac{\mathrm D\vec u}{\mathrm Dt} + f\,\vec k\times\vec u = -\frac{1}{\rho_0}\nabla p' + b\,\vec k + \nu\nabla^2\vec u , \qquad b = -g\,\frac{\rho'}{\rho_0} ,

waarbij p′p' de afwijking van de druk is van de hydrostatische druk van de dichtheid ρ0\rho_0, k⃗\vec k de naar boven gerichte eenheidsvector en bb het drijfvermogen.

In de oceaan is ρ′\rho' enkele kg/m3\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3} op 10251025, een fractie van een procent, en de benadering is uitstekend. In de atmosfeer neemt de dichtheid met een factor ee af over ongeveer 8.5 km8.5\,\mathrm{km}; de benadering geldt voor lagen die veel dunner zijn dan dat, en diepere stromingen vervangen ρ0\rho_0 door een gemiddeld profiel ρ0(z)\rho_0(z), met dezelfde fysica.

De tweede betreft de verticale richting. Een vloeistof in rust bevindt zich in hydrostatisch evenwicht; een bewegende vloeistof behoudt dat, met zeer goede benadering, wanneer de beweging veel breder is dan ze diep is.

Definitie 19.3 (Hydrostatische benadering)

De hydrostatische benadering vervangt de verticale impulsvergelijking van een bewegende vloeistof door de hydrostatische relatie, ∂p/∂z=−ρg\partial p/\partial z = -\rho g.

Propositie 19.4 (Wanneer de hydrostatische benadering geldt)

Voor een beweging met horizontale schaal LL, diepte HH en snelheid UU, met een Rossby-getal U/(fL)U/(fL) van hooguit de orde één, is de verticale versnelling kleiner dan de verticale gradiënt van de drukstoring met een factor van de orde (U/fL) (H/L)2(U/fL)\,(H/L)^2.

Bewijs. Wanneer de Corioliskracht minstens zo groot is als de versnelling, de horizontale impulsvergelijking balanceert de horizontale drukgradiënt daartegen: p′/(ρ0L)∼fUp'/(\rho_0 L) \sim fU, dus p′/ρ0∼fULp'/\rho_0 \sim fUL, en de verticale gradiënt is p′/(ρ0H)∼fUL/Hp'/(\rho_0 H) \sim fUL/H. Continuïteit, ∂w/∂z=−(∂u/∂x+∂v/∂y)\partial w/\partial z = -(\partial u/\partial x + \partial v/\partial y), begrenst de verticale snelheid door W∼UH/LW \sim UH/L, en de verticale versnelling door Dw/Dt∼UW/L=U2H/L2\mathrm Dw/\mathrm Dt \sim UW/L = U^2H/L^2. De verhouding is (U2H/L2)/(fUL/H)=(U/fL)(H/L)2(U^2H/L^2)/(fUL/H) = (U/fL)(H/L)^2. ∎

Een weersysteem van 1000 km1000\,\mathrm{km} breed in een troposfeer van 10 km10\,\mathrm{km} diep heeft (H/L)2=10−4(H/L)^2 = 10^{-4} en een Rossby-getal van ongeveer 0.1: de fout van de hydrostatische benadering is van de orde 10−510^{-5}. Ze faalt alleen bij smalle, diepe bewegingen: een opwaartse stroming in een onweersbui, een convectieve pluim in de oceaan.

19.2 Schalen van roterende stroming

Welke termen van de impulsvergelijking ertoe doen, wordt bepaald door twee verhoudingen.

Definitie 19.5 (Rossby- en Ekmangetal)

Voor een stroming met snelheid UU, horizontale schaal LL en diepte HH op een planeet met Coriolisparameter ff is het Rossby-getal Ro=U/(fL)\mathrm{Ro} = U/(fL), de verhouding van de versnelling, van de orde U2/LU^2/L, tot de Corioliskracht, van de orde fUfU. Het Ekmangetal is Ek=ν/(fH2)\mathrm{Ek} = \nu/(fH^2), de verhouding van de viskeuze kracht, van de orde νU/H2\nu U/H^2, tot de Corioliskracht; in een turbulente stroming wordt ν\nu vervangen door een wervelviscositeit.

Een badkuip die leegloopt met 0.1 m/s0.1\,\mathrm{m}/\mathrm{s} over 0.3 m0.3\,\mathrm{m} heeft een Rossby-getal van enkele duizenden: de rotatie van de Aarde bepaalt niet de draairichting van de wervel. Een depressie van 1000 km1000\,\mathrm{km} breed met winden van 15 m/s15\,\mathrm{m}/\mathrm{s} heeft Ro≈0.14\mathrm{Ro} \approx 0.14, en een oceaangyre Ro∼10−4\mathrm{Ro} \sim 10^{-4}. Viscositeit is nog zwakker: de moleculaire viscositeit van water is 10−6 m2/s10^{-6}\,\mathrm{m}^{2}/\mathrm{s}, en de wervelviscositeiten die voor de turbulentie van de oceaan, 10−5 tot 10−3 m2/s10^{-5}\text{ tot }10^{-3}\,\mathrm{m}^{2}/\mathrm{s} in de verticale richting, geven Ek∼10−5\mathrm{Ek} \sim 10^{-5} over 1000 m1000\,\mathrm{m} diepte. De twee getallen hangen samen met het Reynoldsgetal via Re=UL/ν=(Ro/Ek)(L/H)2\mathrm{Re} = UL/\nu = (\mathrm{Ro}/\mathrm{Ek})(L/H)^2.

Wanneer beide getallen klein zijn, houdt de stationaire horizontale impulsvergelijking alleen de Corioliskracht en de drukgradiënt over: de stroming is in geostrofisch evenwicht, f k⃗×u⃗g=−(1/ρ)∇hpf\,\vec k\times\vec u_g = -(1/\rho)\nabla_h p, zoals Boek 3 uit het eerste jaar aan de hand van weerkaarten afleidt. Geostrofie is de limiet Ro,Ek→0\mathrm{Ro}, \mathrm{Ek}\to 0; de correcties daarop zijn van de orde Ro\mathrm{Ro}, en wrijving werkt alleen in dunne lagen met een relatieve dikte van Ek\sqrt{\mathrm{Ek}}, de Ekmanlagen onderaan de atmosfeer en bovenaan en onderaan de oceaan. Op een ff-vlak heeft de geostrofische snelheid geen horizontale divergentie: ∂ug/∂x+∂vg/∂y=−(1/ρf)(∂2p/∂x∂y−∂2p/∂y∂x)=0\partial u_g/\partial x + \partial v_g/\partial y = -(1/\rho f)(\partial^2 p/\partial x\partial y - \partial^2 p/\partial y\partial x) = 0 voor uniforme ρ\rho.

De tegenovergestelde limiet, rotatie zonder drukgradiënt, is de eenvoudigste beweging die een roterende vloeistof kan maken.

Definitie 19.6 (Traagheidsoscillatie)

Een traagheidsoscillatie is de horizontale beweging van een vloeistof waarop geen horizontale kracht werkt behalve de Coriolisskracht.

Stelling 19.7 (Traagheidscirkels)

Op een ff-vlak behoudt een pakketje dat met snelheid UU in beweging is gebracht, waarop geen horizontale kracht werkt behalve de Coriolisskracht, zijn snelheid en beschrijft het een cirkel met straal U/∣f∣U/|f|, met de klok mee op het noordelijk halfrond en tegen de klok in op het zuidelijk halfrond, in de traagheidsperiode 2π/∣f∣2\pi/|f|, wat de helft van een siderische dag gedeeld door sin⁡φ\sin\varphi is.

Bewijs. De vergelijkingen zijn du/dt=fv\mathrm du/\mathrm dt = fv, dv/dt=−fu\mathrm dv/\mathrm dt = -fu. Met w=u+ivw = u + \mathrm iv luiden ze dw/dt=−if w\mathrm dw/\mathrm dt = -\mathrm if\,w, dus w=U e−iftw = U\,\mathrm e^{-\mathrm ift} voor een begin naar het oosten: de snelheid ∣w∣=U|w| = U blijft constant en de snelheidsvector draait met hoeksnelheid ff, met de klok mee wanneer f>0f > 0. Door integratie loopt de positie x+iy=(iU/f)(e−ift−1)x + \mathrm iy = (\mathrm iU/f)(\mathrm e^{-\mathrm ift} - 1) rond het punt −iU/f-\mathrm iU/f op afstand U/∣f∣U/|f|. De periode is 2π/∣f∣=2π/(2Ω∣sin⁡φ∣)2\pi/|f| = 2\pi/(2\Omega|\sin\varphi|), en 2π/Ω2\pi/\Omega is de siderische dag. ∎

Op 45∘45{}^{\circ} bedraagt de traagheidsperiode 16.9 h16.9\,\mathrm{h}, en een stroming van 0.2 m/s0.2\,\mathrm{m}/\mathrm{s} draait op een cirkel van 1.94 km1.94\,\mathrm{km}; op 30∘30{}^{\circ} is de periode precies een siderische dag, en op de evenaar zijn er geen traagheidscirkels. Nadat een storm de oppervlaktelaag van de oceaan in beweging heeft gebracht en vervolgens is weggeëbd, doet het water precies dat. Drijvende boeien met drijfanker op 15 m15\,\mathrm{m} in de Noord-Pacifische Oceaan traceerden dagenlang lussen na een storm in oktober 1987, meegevoerd door de gemiddelde stroming: het derde pad van de onderstaande figuur, na de cirkel en de spiraal.

Paden over vier dagen van een pakketje dat met 0.2\, m/ s naar het oosten beweegt op 45 NB (stip), zonder kracht behalve de Coriolisskracht: een cirkel met straal 1.94\, km, met de klok mee doorlopen elke 16.9\, h (grijs); met een wrijving die de snelheid halveert in 2.8 dagen, een naar binnen gerichte spiraal (blauw); hetzelfde pakketje meegevoerd door een constante naar het oosten gerichte stroming van 0.05\, m/ s, een reeks krimpende lussen (rood).
Paden over vier dagen van een pakketje dat met 0.2 m/s0.2\,\mathrm{m}/\mathrm{s} naar het oosten beweegt op 45∘45{}^{\circ} NB (stip), zonder kracht behalve de Coriolisskracht: een cirkel met straal 1.94 km1.94\,\mathrm{km}, met de klok mee doorlopen elke 16.9 h16.9\,\mathrm{h} (grijs); met een wrijving die de snelheid halveert in 2.82.8 dagen, een naar binnen gerichte spiraal (blauw); hetzelfde pakketje meegevoerd door een constante naar het oosten gerichte stroming van 0.05 m/s0.05\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, een reeks krimpende lussen (rood).

Tussen geostrofie en de traagheidscirkel ligt de stroming rond een centrum van hoge of lage druk, waar de isobaren gekromd zijn en de versnelling naar het centrum niet langer verwaarloosbaar is.

Definitie 19.8 (Gradiëntwind)

De gradiëntwind is de stationaire, wrijvingsvrije stroming langs gekromde isobaren, waarin de drukgradiëntkracht, de Coriolisskracht en de centripetale versnelling elkaar in evenwicht houden.

Propositie 19.9 (De krommingscorrectie)

Laat de isobaren cirkels met straal rr zijn op het noordelijk halfrond, en VgV_g de geostrofische snelheid die hun drukgradiënt zou geven, met Rog=Vg/(fr)\mathrm{Ro}_g = V_g/(fr). Rond een lagedrukgebied is de gradiëntwind V=2Vg/(1+1+4Rog)V = 2V_g/(1 + \sqrt{1 + 4\mathrm{Ro}_g}), trager dan VgV_g; rond een hogedrukgebied is V=2Vg/(1+1−4Rog)V = 2V_g/(1 + \sqrt{1 - 4\mathrm{Ro}_g}), sneller, en die bestaat alleen als Rog≤1/4\mathrm{Ro}_g \le 1/4. In eerste orde geldt V=Vg(1∓Rog)V = V_g(1 \mp \mathrm{Ro}_g).

Bewijs. Rond een lagedrukgebied draait de wind tegen de klok in; de drukgradiëntkracht fVgfV_g wijst naar het centrum, de Coriolisskracht fVfV naar buiten, en hun verschil levert de centripetale versnelling: fVg−fV=V2/rfV_g - fV = V^2/r. De positieve wortel van V2+frV−frVg=0V^2 + frV - frV_g = 0 is V=(fr/2)(1+4Rog−1)V = (fr/2)(\sqrt{1 + 4\mathrm{Ro}_g} - 1); vermenigvuldigen met (1+4Rog+1)/(1+4Rog+1)(\sqrt{1 + 4\mathrm{Ro}_g} + 1)/(\sqrt{1 + 4\mathrm{Ro}_g} + 1) geeft de formule. Rond een hogedrukgebied draait de wind met de klok mee en wijst de Coriolisskracht naar binnen: fV−fVg=V2/rfV - fV_g = V^2/r, dus V2−frV+frVg=0V^2 - frV + frV_g = 0, wat alleen reële wortels heeft als f2r2≥4frVgf^2r^2 \ge 4frV_g; de wortel die naar VgV_g gaat wanneer Rog→0\mathrm{Ro}_g \to 0 is V=(fr/2)(1−1−4Rog)V = (fr/2)(1 - \sqrt{1 - 4\mathrm{Ro}_g}). Door de wortels te ontwikkelen geldt V=Vg(1∓Rog+… )V = V_g(1 \mp \mathrm{Ro}_g + \dots). ∎

Het Rossby-getal van de isobaren meet de correctie: een tiende voor een depressie van matige omvang. De voorwaarde Rog≤1/4\mathrm{Ro}_g \le 1/4 verklaart waarom het centrum van een anticycloon zwakke gradiënten en lichte winden heeft, terwijl dat van een depressie steile gradiënten en stormen kan bevatten.

19.3 Rotatie zonder stratificatie

Een roterende vloeistof van uniforme dichtheid gedraagt zich bij langzame beweging alsof ze uit starre kolommen bestaat die evenwijdig aan de rotatieas lopen.

Stelling 19.10 (Taylor–Proudman)

In een stationaire stroming van een niet-viskeuze vloeistof van uniforme dichtheid, die roteert met Ω⃗\vec\Omega, met klein Rossby-getal, varieert de snelheid niet langs de richting van de rotatieas: (Ω⃗⋅∇)u⃗=0(\vec\Omega\cdot\nabla)\vec u = 0.

Bewijs. Voor Ro→0\mathrm{Ro}\to 0, stationair en niet-viskeus reduceert de impulsvergelijking tot 2Ω⃗×u⃗=−∇(p/ρ0+Φ)2\vec\Omega\times\vec u = -\nabla(p/\rho_0 + \Phi), met Φ\Phi het geopotentiaal. De rotatie van een gradiënt is nul, dus ∇×(Ω⃗×u⃗)=0\nabla\times(\vec\Omega \times\vec u) = 0. Voor een constante Ω⃗\vec\Omega is deze rotatie gelijk aan Ω⃗(∇⋅u⃗)−(Ω⃗⋅∇)u⃗\vec\Omega (\nabla\cdot\vec u) - (\vec\Omega\cdot\nabla)\vec u, en ∇⋅u⃗=0\nabla\cdot\vec u = 0 bij uniforme dichtheid. ∎

Met Ω⃗\vec\Omega langs zz geldt ∂u⃗/∂z=0\partial\vec u/\partial z = 0: alle drie de snelheidscomponenten zijn op elke hoogte gelijk. Als een starre bodem daar ww verbiedt, geldt w=0w = 0 overal, en de horizontale stroming is op elk niveau gelijk. Een obstakel op de bodem van een roterende tank voelt men daarom tot aan het oppervlak: de vloeistof erboven kan er niet overheen klimmen, want dat zou een kolom uitrekken of samendrukken, en ze stroomt op elke hoogte eromheen. De vloeistofkolom die boven het obstakel blijft staan, is een Taylorkolom.

Een Taylorkolom (schematisch). (a) In een tank met uniform water dat snel roteert, stuit een langzame stroming op een lage hindernis op de bodem; de vloeistof boven het obstakel (grijs) blijft op zijn plaats tot aan het oppervlak, en de stroming op elke hoogte gaat om de kolom heen alsof het obstakel de bovenkant bereikt. (b) De stroming gezien van bovenaf is op elk niveau gelijk.
Een Taylorkolom (schematisch). (a) In een tank met uniform water dat snel roteert, stuit een langzame stroming op een lage hindernis op de bodem; de vloeistof boven het obstakel (grijs) blijft op zijn plaats tot aan het oppervlak, en de stroming op elke hoogte gaat om de kolom heen alsof het obstakel de bovenkant bereikt. (b) De stroming gezien van bovenaf is op elk niveau gelijk.

De atmosfeer en de oceaan zijn gelaagd, en stratificatie verzacht de beperking: een gestratificeerde vloeistof kan met de hoogte variëren, zoals de stelling van de thermische wind voorschrijft.

19.4 Stratificatie en de thermische wind

Het deel van Boek 3 uit het eerste jaar liet een luchtpakketje in een stabiele atmosfeer opstijgen en vond dat het rond zijn niveau oscilleert. Hetzelfde geldt in elke gestratificeerde vloeistof, en de frequentie van de oscillatie is de maat

Definitie 19.11 (Drijfvermogenfrequentie)

De drijfvermogenfrequentie NN van een vloeistof in rust wordt gedefinieerd door

N2=gθdθdz (lucht),N2=−gρ0dρθdz (zeewater),N^2 = \frac{g}{\theta}\frac{\mathrm d\theta}{\mathrm dz}\ \text{(lucht)}, \qquad N^2 = -\frac{g}{\rho_0}\frac{\mathrm d\rho_\theta}{\mathrm dz}\ \text{(zeewater)},

waarin θ\theta de potentiële temperatuur van de lucht is en ρθ\rho_\theta de potentiële dichtheid van het water, de dichtheid die het zou krijgen als het adiabatisch naar een referentiedruk wordt gebracht.

Stelling 19.12 (Oscillatie van een verplaatst pakketje)

Een pakketje dat verticaal over een kleine afstand ζ\zeta uit zijn niveau in een vloeistof in rust is verplaatst, adiabatisch en zonder menging, gehoorzaamt aan ζ¨=−N2ζ\ddot\zeta = -N^2\zeta. Als N2>0N^2 > 0 oscilleert het met de hoekfrequentie NN; als N2<0N^2 < 0 groeit de verplaatsing en is de vloeistof instabiel.

Bewijs. Adiabatisch en zonder menging verplaatst, behoudt het pakketje zijn potentiële dichtheid ρθ(z0)\rho_\theta(z_0). Op het niveau z0+ζz_0 + \zeta heeft het de druk van zijn omgeving, waarvan de potentiële dichtheid ρθ(z0)+ζ dρθ/dz\rho_\theta(z_0) + \zeta\,\mathrm d\rho_\theta/\mathrm dz is; twee pakketjes bij dezelfde druk verschillen in dichtheid met het verschil van hun potentiële dichtheden, tot op de eerste orde. De drijfkracht per massa-eenheid is −g(ρp−ρe)/ρ0=g ζ (dρθ/dz)/ρ0=−N2ζ-g(\rho_p - \rho_e)/\rho_0 = g\,\zeta\,(\mathrm d\rho_\theta/\mathrm dz)/\rho_0 = -N^2\zeta. Voor lucht bij een gegeven druk varieert de dichtheid als 1/θ1/\theta, dus −dρθ/ρ0=dθ/θ-\mathrm d\rho_\theta/\rho_0 = \mathrm d\theta/\theta en komen de twee vormen van N2N^2 overeen. ∎

In de troposfeer van de standaardatmosfeer, die afkoelt met 6.49 K/km6.49\,\mathrm{K}/\mathrm{km} tegenover de 9.77 K/km9.77\,\mathrm{K}/\mathrm{km} van de droge adiabaat (g/cpg/c_p, met cp=γR/(γ−1)c_p = \gamma R/(\gamma - 1), γ=1.4\gamma = 1.4 en R=286.9 J kg−1 K−1R = 286.9\,\mathrm{J}\,\mathrm{kg}^{-1}\,\mathrm{K}^{-1}), bedraagt NN gemiddeld 0.0113 s−10.0113\,\mathrm{s}^{-1}, een periode van 9.3 min9.3\,\mathrm{min}; in de isotherme onderste stratosfeer is het 0.0210 s−10.0210\,\mathrm{s}^{-1}. In de oceaan heeft de waterkolom van de Noord-Atlantische Oceaan op 40.5∘40.5{}^{\circ} NB, 30.5∘30.5{}^{\circ} WL in het jaargemiddelde de sterkste stratificatie in de seizoenspycnocline, N=0.0106 s−1N = 0.0106\,\mathrm{s}^{-1} op ongeveer 30 m30\,\mathrm{m}, zes cycli per uur, en veel zwakkere waarden daaronder: hooguit een paar cycli per uur, zoals waargenomen over de bovenste oceaan.

Drijfvermogenfrequentie. Links, de standaardatmosfeer: vrijwel uniform in de troposfeer, in de isotherme onderste stratosfeer twee keer zo groot, en nog groter boven 25\, km, waar de temperatuur stijgt. Rechts, een jaargemiddelde kolom van de Noord-Atlantische Oceaan (temperatuur en zoutgehalte uit de World Ocean Atlas 2023, potentiële dichtheid uit EOS-80): een scherp maximum in de seizoenspycnocline, zwakke stratificatie daaronder.
Drijfvermogenfrequentie. Links, de standaardatmosfeer: vrijwel uniform in de troposfeer, in de isotherme onderste stratosfeer twee keer zo groot, en nog groter boven 25 km25\,\mathrm{km}, waar de temperatuur stijgt. Rechts, een jaargemiddelde kolom van de Noord-Atlantische Oceaan (temperatuur en zoutgehalte uit de World Ocean Atlas 2023, potentiële dichtheid uit EOS-80): een scherp maximum in de seizoenspycnocline, zwakke stratificatie daaronder.

Stratificatie laat de stroming met de hoogte variëren, en hoe ze dat doet hangt ervan af of de oppervlakken van constante dichtheid samenvallen met die van constante druk.

Definitie 19.13 (Barotrope en barokliene vloeistoffen)

Een vloeistof is barotroop als haar dichtheid alleen een functie van de druk is, zodat oppervlakken van constante dichtheid samenvallen met oppervlakken van constante druk; ze is baroklien als ze elkaar kruisen.

In de atmosfeer maakt een horizontale temperatuurgradiënt langs een drukvlak de lucht baroklien. Hydrostatisch evenwicht zorgt er dan voor dat de drukvlakken met de hoogte steiler gaan hellen, en geostrofisch evenwicht zet de groeiende helling om in een groeiende wind.

De meetkunde van de thermische wind (schematisch, een meridionale doorsnede met de warme kant naar het zuiden, p_1 > p_2 > p_3 > p_4). Warme lucht zet uit, zodat de laag tussen twee drukvlakken aan de warme kant dikker is dan aan de koude kant: elk vlak helt steiler naar de koude kant dan het vlak eronder. De geostrofische wind is evenredig met de helling en neemt toe met de hoogte (cirkels, groter bij sterkere wind), naar het oosten, uit het vlak.
De meetkunde van de thermische wind (schematisch, een meridionale doorsnede met de warme kant naar het zuiden, p1>p2>p3>p4p_1 > p_2 > p_3 > p_4). Warme lucht zet uit, zodat de laag tussen twee drukvlakken aan de warme kant dikker is dan aan de koude kant: elk vlak helt steiler naar de koude kant dan het vlak eronder. De geostrofische wind is evenredig met de helling en neemt toe met de hoogte (cirkels, groter bij sterkere wind), naar het oosten, uit het vlak.

Stelling 19.14 (Thermische wind)

In een atmosfeer in hydrostatisch en geostrofisch evenwicht varieert de geostrofische wind met de druk als

∂ug∂ln⁡p=Rf(∂T∂y)p,∂vg∂ln⁡p=−Rf(∂T∂x)p.\frac{\partial u_g}{\partial\ln p} = \frac{R}{f}\left(\frac{\partial T}{\partial y}\right)_p , \qquad \frac{\partial v_g}{\partial\ln p} = -\frac{R}{f}\left(\frac{\partial T}{\partial x}\right)_p .

Tussen twee drukniveaus pb>ptp_b > p_t is de thermische wind, het verschil van de geostrofische winden, luidt

u⃗g(pt)−u⃗g(pb)=Rf ln⁡pbpt  k⃗×∇pTˉ,\vec u_g(p_t) - \vec u_g(p_b) = \frac{R}{f}\,\ln\frac{p_b}{p_t}\;\vec k\times\nabla_p\bar T ,

waarin Tˉ\bar T de gemiddelde temperatuur van de laag is: hij waait langs de isothermen van de laag, met de koude lucht links in het noordelijk halfrond.

Bewijs. Op een oppervlak van constante druk geldt dp=(∂p/∂y) dy+(∂p/∂z) dz=0\mathrm dp = (\partial p/\partial y) \,\mathrm dy + (\partial p/\partial z)\,\mathrm dz = 0, en met ∂p/∂z=−ρg\partial p/\partial z = -\rho g voldoet de hoogte zpz_p van het oppervlak aan g ∂zp/∂y=(1/ρ) ∂p/∂yg\,\partial z_p/\partial y = (1/\rho)\,\partial p/\partial y. In termen van de geopotentiaal Φ=gzp\Phi = gz_p van het oppervlak luidt het geostrofisch evenwicht fug=−∂Φ/∂yfu_g = -\partial\Phi/\partial y en fvg=∂Φ/∂xfv_g = \partial\Phi/\partial x, met de afgeleiden genomen langs het oppervlak. De hydrostatische relatie en de ideale gaswet geven ∂Φ/∂p=−1/ρ=−RT/p\partial\Phi/\partial p = -1/\rho = -RT/p, dat wil zeggen ∂Φ/∂ln⁡p=−RT\partial\Phi/\partial\ln p = -RT. Door fug=−∂Φ/∂yfu_g = -\partial\Phi/\partial y naar ln⁡p\ln p te differentiëren volgt f ∂ug/∂ln⁡p=R ∂T/∂yf\,\partial u_g/\partial\ln p = R\,\partial T/\partial y, en analoog voor vgv_g. Bij integratie van pbp_b naar ptp_t neemt ln⁡p\ln p af met ln⁡(pb/pt)\ln(p_b/p_t), dus ug(pt)−ug(pb)=−(R/f)ln⁡(pb/pt) ∂Tˉ/∂yu_g(p_t) - u_g(p_b) = -(R/f)\ln(p_b/p_t)\,\partial\bar T/\partial y, en vg(pt)−vg(pb)=(R/f)ln⁡(pb/pt) ∂Tˉ/∂xv_g(p_t) - v_g(p_b) = (R/f)\ln(p_b/p_t)\,\partial\bar T/\partial x: dit zijn de componenten van de vectorvorm, aangezien k⃗×∇Tˉ=(−∂Tˉ/∂y,∂Tˉ/∂x)\vec k\times\nabla\bar T = (-\partial\bar T/\partial y, \partial\bar T/\partial x). ∎

Gevolg 19.15 (Thermische wind in hoogte)

In hoogtecoördinaten, voor de atmosfeer, ∂ug/∂z=−(g/fT) ∂T/∂y+(ug/T) ∂T/∂z\partial u_g/\partial z = -(g/fT)\,\partial T/\partial y + (u_g/T)\,\partial T/\partial z; voor de oceaan in de Boussinesq-benadering geldt ∂ug/∂z=(g/fρ0) ∂ρ/∂y\partial u_g/\partial z = (g/f\rho_0)\,\partial\rho/\partial y en ∂vg/∂z=−(g/fρ0) ∂ρ/∂x\partial v_g/\partial z = -(g/f\rho_0)\,\partial\rho/\partial x.

Bewijs. In de lucht, fug=−(1/ρ)∂p/∂y=−RT ∂ln⁡p/∂yfu_g = -(1/\rho)\partial p/\partial y = -RT\,\partial\ln p/\partial y en ∂ln⁡p/∂z=−g/(RT)\partial\ln p/\partial z = -g/(RT). Dan

f ∂(ug/T)∂z=−R ∂∂y∂ln⁡p∂z=g ∂(1/T)∂y=−gT2∂T∂y,f\,\frac{\partial(u_g/T)}{\partial z} = -R\,\frac{\partial}{\partial y}\frac{\partial\ln p}{\partial z} = g\,\frac{\partial(1/T)}{\partial y} = -\frac{g}{T^2}\frac{\partial T}{\partial y} ,

Uitwerking van het linkerlid geeft de formule. In de oceaan, fug=−(1/ρ0)∂p/∂yfu_g = -(1/\rho_0)\partial p/\partial y en ∂p/∂z=−ρg\partial p/\partial z = -\rho g, dus f ∂ug/∂z=(g/ρ0) ∂ρ/∂yf\,\partial u_g/ \partial z = (g/\rho_0)\,\partial\rho/\partial y; evenzo voor vgv_g. ∎

De tweede term van de atmosferische vorm, die voortkomt uit de afname van de temperatuur met de hoogte, is kleiner dan de eerste en verdwijnt in een isotherme laag; geïntegreerd over een laag met haar gemiddelde temperatuur, geeft de eerste term alleen bijna de drukvorm, aangezien Δz≈(RTˉ/g)ln⁡(pb/pt)\Delta z \approx (R\bar T/g) \ln(p_b/p_t) (Probleem, deel IV). In de oceaan zet dezelfde stelling een doorsnede van de dichtheid over een stroom om in de verticale afschuiving: de basis van de dynamische methode van de oceanografen.

De straalstromen uit Boek 3 zijn thermische winden. In het zonaal gemiddelde van januari 1991–2020 neemt de westenwind op 30∘30{}^{\circ} NB toe van 4.3 m/s4.3\,\mathrm{m}/\mathrm{s} op 850 hPa850\,\mathrm{hPa} tot 40.4 m/s40.4\,\mathrm{m}/\mathrm{s} op 250 hPa250\,\mathrm{hPa}; met ff op 30∘30{}^{\circ} en RR is deze afschuiving het kenmerk van een laag waarvan de gemiddelde temperatuur daalt naar het noorden met 7.5 K7.5\,\mathrm{K} per 1000 km1000\,\mathrm{km}. Op 45∘45{}^{\circ} NB levert de afschuiving van 6.0 tot 23.2 m/s6.0\text{ tot }23.2\,\mathrm{m}/\mathrm{s} een daling van 5.0 K5.0\,\mathrm{K} per 1000 km1000\,\mathrm{km}. De figuur hieronder toont de profielen en, voor elke breedtegraad, de temperatuurdaling naar de pool, afgelezen uit de afschuiving: het grootst in de subtropen van het winterhalfrond, waar de subtropische straalstroom zich bevindt, 43.9 m/s43.9\,\mathrm{m}/\mathrm{s} op 200 hPa200\,\mathrm{hPa} en 30∘30{}^{\circ} NB in januari en 41.0 m/s41.0\,\mathrm{m}/\mathrm{s} op 30∘30{}^{\circ} ZB in juli. Boven 200 hPa200\,\mathrm{hPa} op 30∘30{}^{\circ} NB neemt de wind weer af: de stelling van de thermische wind, achterstevoren gelezen, zegt dat daar, in de onderste stratosfeer, stijgt de temperatuur naar de pool toe.

Links, de zonaal gemiddelde zonale wind in januari (NCEP–NCAR Reanalysis 1, gemiddelde 1991–2020) op drie breedtegraden: de wind neemt toe met de hoogte door de troposfeer. Rechts, de laaggemiddelde temperatuurdaling naar de pool tussen 850\, hPa en 250\, hPa, afgelezen uit de windafschuiving met de stelling van de thermische wind (equatorwaarts van 25, waar de geostrofie faalt, weggelaten): groter op het winterhalfrond.
Links, de zonaal gemiddelde zonale wind in januari (NCEP–NCAR Reanalysis 1, gemiddelde 1991–2020) op drie breedtegraden: de wind neemt toe met de hoogte door de troposfeer. Rechts, de laaggemiddelde temperatuurdaling naar de pool tussen 850 hPa850\,\mathrm{hPa} en 250 hPa250\,\mathrm{hPa}, afgelezen uit de windafschuiving met de stelling van de thermische wind (equatorwaarts van 25∘25{}^{\circ}, waar de geostrofie faalt, weggelaten): groter op het winterhalfrond.

19.5 De Rossby-deformatiestraal

Rotatie en stratificatie leggen elk een schaal op; samen leggen ze een lengte vast.

Definitie 19.16 (Rossby-deformatiestraal)

De Rossby-deformatiestraal van een laag van diepte HH en drijfvermogenfrequentie NN is LR=NH/∣f∣L_R = NH/|f|.

Propositie 19.17 (Potentiële en kinetische energie van gebalanceerde stroming)

In een hydrostatische, geostrofische stroming met horizontale schaal LL in een laag van diepte HH en drijfvermogenfrequentie NN is de verhouding van de potentiële energie opgeslagen in de verplaatste dichtheidsoppervlakken tot de kinetische energie van de orde (L/LR)2(L/L_R)^2.

Bewijs. Geostrofie geeft de drukstoring p′/ρ0∼fULp'/\rho_0 \sim fUL; de hydrostatische betrekking geeft het drijfvermogen b∼p′/(ρ0H)∼fUL/Hb \sim p'/(\rho_0H) \sim fUL/H. Een drijfvermogen bb in een vloeistof met drijfvermogenfrequentie NN betekent dat dichtheidsoppervlakken verticaal verplaatst over η=b/N2\eta = b/N^2; zulke oppervlakken slaan per massa-eenheid van de orde N2η2=b2/N2∼f2U2L2/(N2H2)N^2\eta^2 = b^2/N^2 \sim f^2U^2L^2/(N^2H^2). Gedeeld door de kinetische energie, van de orde U2U^2, is dit (fL/NH)2=(L/LR)2(fL/NH)^2 = (L/L_R)^2. ∎

Bewegingen veel breder dan LRL_R bevatten het grootste deel van hun energie in gekantelde dichtheidsoppervlakken, bewegingen veel smaller in hun snelheid; bij LRL_R zijn de twee gelijk, en de instabiliteit van barokliene stromingen, die zich voedt met de potentiële energie van de gekantelde oppervlakken, groeit het snelst rond die schaal. Voor de troposfeer, met het gemiddelde NN van de standaardatmosfeer, H=11 kmH = 11\,\mathrm{km} en ff op 45∘45{}^{\circ}, LR=1210 kmL_R = 1210\,\mathrm{km}: de schaal van de depressies en anticyclonen op een weerkaart. Voor de bovenste kilometer van de Noord-Atlantische waterkolom op 40.5∘40.5{}^{\circ} NB, LR=38 kmL_R = 38\,\mathrm{km}, dertig keer kleiner: de oceaan heeft zijn eigen weer, wervels van tientallen kilometers breed, en een model dat ze oplost heeft een veel fijner rooster nodig. Op schalen nabij LRL_R verandert ff met βLR/f\beta L_R/f, 19 %19\,\% voor de atmosfeer en minder dan één procent voor de oceaan: oceaanwervels leven op een ff-vlak, weersystemen voelen het β\beta-vlak.

In het laboratorium — Een planeet op een draaitafel

Een roterende bak: kleurstof die spiraalvormig rond een cilinder draait, gefilmd door een camera die met de tafel meedraait (Door AI gegenereerde illustratie).

In een laboratorium voor geofysische vloeistofdynamica staat een bak water op een draaitafel; een camera draait mee en ziet het water zoals een waarnemer op een planeet het zou zien. Vóór elke proef laat men het water spin-up ondergaan totdat het als een star lichaam meedraait; dat duurt enkele minuten, vele omwentelingen van de tafel. Daarna brengen de onderzoekers kleurstof in, of verschuiven ze langzaam een obstakel over de bodem: de kleurstof stijgt in een verticale kolom boven het obstakel en de stroming splitst zich op elk niveau rond het obstakel. Met een laag zoet water boven zout water, of met een verwarmde buitenwand en een gekoeld centrum, wordt de bak baroklien, en verschijnen straalstromen, wervels en meanderende fronten, waarvan de grootte de Rossby-deformatiestraal van de bak voorspelt.

19.6 Oefeningen

Oefening 19.1 ★

Neem Ω=7.292 115×10−5 rad/s\Omega = 7.292\,115 \times 10^{-5}\,\mathrm{rad}/\mathrm{s}. (a) Bereken de Coriolisparameter en de traagheidsperiode op 30∘30{}^{\circ}, 45∘45{}^{\circ} en 60∘60{}^{\circ} NB. (b) Bereken de straal van de traagheidscirkel van een stroom van 0.20 m/s0.20\,\mathrm{m}/\mathrm{s} op dezelfde breedtegraden. (c) Vergelijk de traagheidsperiode op 30∘30{}^{\circ} met de sterrendag, 23.9345 h23.9345\,\mathrm{h}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.1.

(a) f=2Ωsin⁡φf = 2\Omega\sin\varphi: 7.292×10−57.292 \times 10^{-5}, 1.031×10−41.031 \times 10^{-4} en 1.263×10−4 s−11.263 \times 10^{-4}\,\mathrm{s}^{-1}; 2π/f2\pi/f: 23.93, 16.92 en 13.82 h13.82\,\mathrm{h}. (b) U/fU/f: 2.74, 1.94 en 1.58 km1.58\,\mathrm{km}. (c) Bij 30∘30{}^{\circ}, sin⁡φ=1/2\sin\varphi = 1/2 en 2π/f=2π/Ω2\pi/f = 2\pi/\Omega: de traagheidsperiode is de sterrendag, 23.93 h23.93\,\mathrm{h}.

Oefening 19.2 ★

Bereken op 45∘45{}^{\circ} NB het Rossby-getal van een stofduivel (10 m/s10\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, 10 m10\,\mathrm{m}), een zeebries (5 m/s5\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, 20 km20\,\mathrm{km}), een depressie (15 m/s15\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, 1000 km1000\,\mathrm{km}) en een oceaangyre (0.05 m/s0.05\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, 2000 km2000\,\mathrm{km}). Welke daarvan liggen dicht bij het geostrofisch evenwicht?

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.2.

Met f=1.031×10−4 s−1f = 1.031 \times 10^{-4}\,\mathrm{s}^{-1}: stofduivel 9.7×1039.7 \times 10^{3}, zeebries 2.4, depressie 0.15, gyre 2.4×10−42.4 \times 10^{-4}. De depressie en de gyre liggen dicht bij geostrofisch evenwicht; de stofduivel draait beide kanten op, onbewust van de rotatie van de Aarde, en de zeebries voelt het pas na een dag.

Oefening 19.3 ★

Op 45∘45{}^{\circ} NB neemt de gemiddelde temperatuur van de troposfeer, 250 K250\,\mathrm{K}, naar het noorden af met 5 K5\,\mathrm{K} per 1000 km1000\,\mathrm{km}. Bereken met de eerste term van de thermische wind in de hoogte de verticale verschuiving van de westenwind en de toename van de wind over 10 km10\,\mathrm{km}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.3.

∂ug/∂z=(g/fT) ∣∂T/∂y∣=9.81×5×10−6/(1.031×10−4×250)=1.90×10−3 s−1\partial u_g/\partial z = (g/fT)\,|\partial T/\partial y| = 9.81\times 5 \times 10^{-6}/(1.031 \times 10^{-4}\times250) = 1.90 \times 10^{-3}\,\mathrm{s}^{-1}; over 10 km10\,\mathrm{km} neemt de westelijke wind met 19 m/s19\,\mathrm{m}/\mathrm{s} toe.

Oefening 19.4 ★

De stabiliteit E=−(1/ρ) dρθ/dzE = -(1/\rho)\,\mathrm d\rho_\theta/\mathrm dz van de bovenste kilometer van de oceaan ligt tussen 50×10−850 \times 10^{-8} en 1000×10−8 m−11000 \times 10^{-8}\,\mathrm{m}^{-1}; in diepe geulen is ze 10−8 m−110^{-8}\,\mathrm{m}^{-1}. Bereken N=gEN = \sqrt{gE}, de periode van de drijfvermogenoscillatie en NN in cycli per uur voor deze drie waarden.

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.4.

E=50×10−8E = 50 \times 10^{-8}: N=2.21×10−3 s−1N = 2.21 \times 10^{-3}\,\mathrm{s}^{-1}, een periode van 47 min47\,\mathrm{min}, 1.271.27 cycli per uur. E=1000×10−8E = 1000 \times 10^{-8}: N=9.90×10−3 s−1N = 9.90 \times 10^{-3}\,\mathrm{s}^{-1}, 10.6 min10.6\,\mathrm{min}, 5.7 cycli per uur. E=10−8E = 10^{-8}: N=3.13×10−4 s−1N = 3.13 \times 10^{-4}\,\mathrm{s}^{-1}, 5.6 h5.6\,\mathrm{h}, 0.18 cycli per uur.

Oefening 19.5 ★★

Een weersysteem heeft U=10 m/sU = 10\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, L=1000 kmL = 1000\,\mathrm{km}, H=10 kmH = 10\,\mathrm{km}, op 45∘45{}^{\circ} NB. (a) Schat de verticale snelheid en de verticale versnelling ervan, en vergelijk die laatste met gg en met de verticale gradiënt van de drukstoring, fUL/HfUL/H. (b) Bereken de weggelaten Coriolisterm f~u\tilde fu en vergelijk die met gg.

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.5.

(a) W∼UH/L=0.1 m/sW \sim UH/L = 0.1\,\mathrm{m}/\mathrm{s} en Dw/Dt∼UW/L=10−6 m/s2\mathrm Dw/\mathrm Dt \sim UW/L = 10^{-6}\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}, 1.0×10−71.0 \times 10^{-7} van gg. De drukterm, fUL/H=0.103 m/s2fUL/H = 0.103\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}, is 1×1051 \times 10^{5} keer groter: de verhouding, 9.7×10−69.7 \times 10^{-6}, is Ro(H/L)2\mathrm{Ro}(H/L)^2 met Ro=0.097\mathrm{Ro} = 0.097. (b) f~u=2Ωcos⁡45∘×10=1.03×10−3 m/s2\tilde fu = 2\Omega\cos45{}^{\circ}\times10 = 1.03 \times 10^{-3}\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}, 1.05×10−41.05 \times 10^{-4} van gg.

Oefening 19.6 ★★

Neem f=10−4 s−1f = 10^{-4}\,\mathrm{s}^{-1} en cirkelvormige isobaren met een straal van 300 km300\,\mathrm{km}. (a) De drukgradiënt rond een lagedrukgebied geeft Vg=20 m/sV_g = 20\,\mathrm{m}/\mathrm{s}: bereken de gradiëntwind. (b) Rond een hogedrukgebied, Vg=5 m/sV_g = 5\,\mathrm{m}/\mathrm{s}: bereken de gradiëntwind. (c) Wat is de grootste VgV_g die rond het hogedrukgebied mogelijk is, en wat is dan de wind?

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.6.

fr=30 m/sfr = 30\,\mathrm{m}/\mathrm{s}. (a) Rog=0.667\mathrm{Ro}_g = 0.667, V=40/(1+3.667)=13.7 m/sV = 40/(1 + \sqrt{3.667}) = 13.7\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, een derde langzamer dan geostrofisch. (b) Rog=0.167\mathrm{Ro}_g = 0.167, V=10/(1+0.333)=6.34 m/sV = 10/(1 + \sqrt{0.333}) = 6.34\,\mathrm{m}/\mathrm{s}. (c) Vg≤fr/4=7.5 m/sV_g \le fr/4 = 7.5\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, en dan V=fr/2=15 m/sV = fr/2 = 15\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, tweemaal de geostrofische snelheid.

Oefening 19.7 ★★

Een bak van 20 cm20\,\mathrm{cm} diep draait eenmaal per 6 s6\,\mathrm{s}; het water erin heeft ν=10−6 m2/s\nu = 10^{-6}\,\mathrm{m}^{2}/\mathrm{s}. (a) Bereken f=2Ωf = 2\Omega, vervolgens het Rossby-getal van een stroming van 1 cm/s1\,\mathrm{cm}/\mathrm{s} langs een cilinder van 5 cm5\,\mathrm{cm} breed, en het Ekmangetal van de bak. Zal er een Taylorkolom ontstaan? (b) De theorie geeft een spin-uptijd H/νΩH/\sqrt{\nu\Omega}: bereken die in minuten en in omwentelingen van de tafel.

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.7.

(a) Ω=2π/6=1.047 rad/s\Omega = 2\pi/6 = 1.047\,\mathrm{rad}/\mathrm{s}, f=2.094 s−1f = 2.094\,\mathrm{s}^{-1}. Ro=0.01/(2.094×0.05)=0.095\mathrm{Ro} = 0.01/(2.094\times0.05) = 0.095 en Ek=10−6/(2.094×0.04)=1.19×10−5\mathrm{Ek} = 10^{-6}/(2.094\times0.04) = 1.19 \times 10^{-5}: beide klein, dus de stroming voldoet aan de stelling van Taylor–Proudman en er vormt zich een Taylorkolom. (b) 0.2/10−6×1.047=195 s0.2/\sqrt{10^{-6} \times1.047} = 195\,\mathrm{s}, 3.3 min3.3\,\mathrm{min}, 33 omwentelingen van de draaitafel.

Oefening 19.8 ★★

In het januari-zonaal gemiddelde van 1991–2020 is de westenwind 4.27 m/s4.27\,\mathrm{m}/\mathrm{s} op 850 hPa850\,\mathrm{hPa} en 40.39 m/s40.39\,\mathrm{m}/\mathrm{s} op 250 hPa250\,\mathrm{hPa} op 30∘30{}^{\circ} NB, 5.99 m/s5.99\,\mathrm{m}/\mathrm{s} en 23.17 m/s23.17\,\mathrm{m}/\mathrm{s} op 45∘45{}^{\circ} NB. Met R=286.9 J kg−1 K−1R = 286.9\,\mathrm{J}\,\mathrm{kg}^{-1}\,\mathrm{K}^{-1}, bereken de meridionale gradiënt van de gemiddelde temperatuur van de laag op beide breedtegraden, en verklaar waarom de straalstroom op 30∘30{}^{\circ} NB sterker is.

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.8.

∂Tˉ/∂y=−f Δu/(Rln⁡(850/250))\partial\bar T/\partial y = -f\,\Delta u/(R\ln(850/250)), met ln⁡(850/250)=1.224\ln(850/250) = 1.224. Op 30∘30{}^{\circ} NB, −7.29×10−5×36.12/(286.9×1.224)=−7.50 K-7.29 \times 10^{-5}\times36.12/(286.9 \times1.224) = -7.50\,\mathrm{K} per 1000 km1000\,\mathrm{km}; op 45∘45{}^{\circ} NB, −1.031×10−4×17.18/351.1=−5.05 K-1.031 \times 10^{-4}\times17.18/351.1 = -5.05\,\mathrm{K} per 1000 km1000\,\mathrm{km}. De windschuiving is evenredig met de gradiënt gedeeld door ff: de gradiënt is 1.5 maal groter op 30∘30{}^{\circ} en ff 1.4 maal kleiner, dus de windschuiving is 2.1 maal groter.

Oefening 19.9 ★★

(a) Bereken de Rossby-deformatiestraal van de troposfeer (N=0.0113 s−1N = 0.0113\,\mathrm{s}^{-1}, H=11 kmH = 11\,\mathrm{km}, 45∘45{}^{\circ} NB) en van de bovenste oceaan (N=0.003 57 s−1N = 0.003\,57\,\mathrm{s}^{-1}, H=1000 mH = 1000\,\mathrm{m}, 40.5∘40.5{}^{\circ} NB). (b) Met a=6371 kma = 6371\,\mathrm{km} bereken β\beta op beide breedtegraden en de relatieve verandering βLR/f\beta L_R/f van de Coriolisparameter over elke straal.

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.9.

(a) LR=0.0113×11 000/1.031×10−4=1206 kmL_R = 0.0113\times11\,000/1.031 \times 10^{-4} = 1206\,\mathrm{km}; 0.00357×1000/9.47×10−5=37.7 km0.00357\times1000/9.47 \times 10^{-5} = 37.7\,\mathrm{km}, 32 maal kleiner. (b) β=2Ωcos⁡φ/a\beta = 2\Omega\cos\varphi/a: 1.62×10−111.62 \times 10^{-11} en 1.74×10−11 m−1 s−11.74 \times 10^{-11}\,\mathrm{m}^{-1}\,\mathrm{s}^{-1}. βLR/f=0.19\beta L_R/f = 0.19 voor de atmosfeer, 0.007 voor de oceaan.

Oefening 19.10 ★★★

Een waterpakketje van het oppervlaktewater dat met UU beweegt, wordt afgeremd door een lineaire wrijving: du/dt=fv−ru\mathrm du/\mathrm dt = fv - ru, dv/dt=−fu−rv\mathrm dv/\mathrm dt = -fu - rv. (a) Los op met w=u+ivw = u + \mathrm iv en beschrijf het pad. (b) Het waterpakketje wordt ook meegevoerd door een stationaire stroom u0u_0 naar het oosten: geef zijn positie. (c) Op 45∘45{}^{\circ} NB met U=0.2 m/sU = 0.2\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, r−1=4 dagenr^{-1} = 4\text{ dagen} en u0=0.05 m/su_0 = 0.05\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, geef zijn snelheid ten opzichte van de stroom na vier dagen en de afstand die het is afgedreven.

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.10.

(a) dw/dt=−(r+if)w\mathrm dw/\mathrm dt = -(r + \mathrm if)w, dus w=Ue−rte−iftw = U\mathrm e^{-rt}\mathrm e^{-\mathrm ift}: de snelheid draait met tempo ff, terwijl de grootte ervan vervalt als e−rt\mathrm e^{-rt}. De positie x+iy=U(1−e−(r+if)t)/(r+if)x + \mathrm iy = U(1 - \mathrm e^{-(r + \mathrm if)t})/(r + \mathrm if) spiraalt naar het punt U/(r+if)U/(r + \mathrm if). (b) x+iy=U(1−e−(r+if)t)/(r+if)+u0tx + \mathrm iy = U(1 - \mathrm e^{-(r + \mathrm if)t})/(r + \mathrm if) + u_0t: de spiraal wordt uitgetrokken tot lussen. (c) 0.2 e−1=0.074 m/s0.2\,\mathrm e^{-1} = 0.074\,\mathrm{m}/\mathrm{s}; het centrum is u0t=0.05×4×86 400=17.3 kmu_0t = 0.05\times4\times86\,400 = 17.3\,\mathrm{km} oostwaarts verschoven.

Oefening 19.11 ★★★

Over een oceaanfront op 40∘40{}^{\circ} NB neemt de dichtheid van het water naar het noorden toe met 1 kg/m31\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3} over 100 km100\,\mathrm{km}, door de bovenste 1000 m1000\,\mathrm{m}; daaronder is het water uniform en stil. Met ρ0=1025 kg/m3\rho_0 = 1025\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3}, bereken de verticale verschuiving van de stroom en de stroom aan het oppervlak. In welke richting stroomt die?

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.11.

f=9.37×10−5 s−1f = 9.37 \times 10^{-5}\,\mathrm{s}^{-1}; ∂u/∂z=(g/fρ0) ∂ρ/∂y=9.81×10−5/(9.37×10−5×1025)=1.02×10−3 s−1\partial u/\partial z = (g/f\rho_0)\,\partial \rho/\partial y = 9.81\times10^{-5}/(9.37 \times 10^{-5}\times1025) = 1.02 \times 10^{-3}\,\mathrm{s}^{-1}. Met u=0u = 0 op 1000 m1000\,\mathrm{m} is de oppervlaktestroom 1.02 m/s1.02\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, oostwaarts: op het noordelijk halfrond stroomt de stroming met het lichte water aan haar rechterkant.

Oefening 19.12 ★★★

De jaargemiddelde kolom op 40.5∘40.5{}^{\circ} NB, 30.5∘30.5{}^{\circ} WL heeft potentiële dichtheden σθ=ρθ−1000 kg/m3\sigma_\theta = \rho_\theta - 1000\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3} van 26.029 aan het oppervlak, 26.697 op 100 m100\,\mathrm{m}, 27.079 op 500 m500\,\mathrm{m} en 27.628 op 1000 m1000\,\mathrm{m}. (a) Bereken NN in elk van de drie lagen, in s−1\mathrm{s}^{-1} en in cycli per uur. (b) Welke laag is het stabielst, en waarom? (c) Vergelijk de waarden met het bereik van de bovenste oceaan uit Oefening 19.4.

Oplossing

Oplossing van Oefening 19.12.

(a) N2=(g/ρ) Δσθ/ΔzN^2 = (g/\rho)\,\Delta\sigma_\theta/\Delta z. 0–100 m100\,\mathrm{m}: 9.81×0.668/(1026.4×100)9.81\times0.668/(1026.4\times100), N=7.99×10−3 s−1N = 7.99 \times 10^{-3}\,\mathrm{s}^{-1}, 4.6 cycli per uur; 100–500 m500\,\mathrm{m}: 3.02×10−3 s−13.02 \times 10^{-3}\,\mathrm{s}^{-1}, 1.7 cycli per uur; 500–1000 m1000\,\mathrm{m}: 3.24×10−3 s−13.24 \times 10^{-3}\,\mathrm{s}^{-1}, 1.9 cycli per uur. (b) De bovenste 100 m100\,\mathrm{m}: deze bevat het warme oppervlaktewater boven de seizoenspycnoklien. Tussen 100 en 500 m500\,\mathrm{m} is het water gelijkmatiger dan eronder. (c) E=N2/gE = N^2/g is 650×10−8650 \times 10^{-8}, 93×10−893 \times 10^{-8} en 107×10−8 m−1107 \times 10^{-8}\,\mathrm{m}^{-1}, allemaal binnen het bereik van de bovenste oceaan.

19.7 Probleem: Winden over de Steppe van Orrin

Probleem 19.1

Weekendprobleem — de rotatie, de stratificatie en de winden van een verzonnen vlakte op 48∘48{}^{\circ} NB

De Steppe van Orrin is een vlakte op 48∘48{}^{\circ} NB met een meer, Lake Orrin, 12 km12\,\mathrm{km} breed, en een klein laboratorium met een roterende tank. Neem Ω=7.292 115×10−5 rad/s\Omega = 7.292\,115 \times 10^{-5}\,\mathrm{rad}/\mathrm{s}, g=9.81 m/s2g = 9.81\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}, R=286.9 J kg−1 K−1R = 286.9\,\mathrm{J}\,\mathrm{kg}^{-1}\,\mathrm{K}^{-1} en cp=1004 J kg−1 K−1c_p = 1004\,\mathrm{J}\,\mathrm{kg}^{-1}\,\mathrm{K}^{-1}. Alle waarden van de steppe, van het meer en van de winden zijn verzonnen.

Deel I — Speelt de rotatie een rol?

  1. Bereken de Coriolisparameter en de traagheidsperiode bij Orrin.
  2. Bereken het Rossby-getal van vijf stromingen: water dat uit een badkuip wegloopt (0.1 m/s0.1\,\mathrm{m}/\mathrm{s} over 0.3 m0.3\,\mathrm{m}); de tank van het laboratorium, die eens per 10 s10\,\mathrm{s} rondgaat (met f=2Ωtankf = 2\Omega_{\text{tank}}; 5 mm/s5\,\mathrm{mm}/\mathrm{s} over 0.2 m0.2\,\mathrm{m}); de avondbries van het meer (5 m/s5\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, 20 km20\,\mathrm{km}); een depressie (15 m/s15\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, 1000 km1000\,\mathrm{km}); de gyre van een oceaanbekken op dezelfde breedte (0.05 m/s0.05\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, 2000 km2000\,\mathrm{km}).
  3. Welke van deze stromingen voelen de rotatie die ze aandrijft, en welke zijn dicht bij geostrofisch?
  4. Bereken het Ekmangetal van de tank (0.2 m0.2\,\mathrm{m} diep, ν=10−6 m2/s\nu = 10^{-6}\,\mathrm{m}^{2}/\mathrm{s}), van de depressie (wervelviscositeit 10 m2/s10\,\mathrm{m}^{2}/\mathrm{s}, diepte 10 km10\,\mathrm{km}) en van de gyre (wervelviscositeit 10−3 m2/s10^{-3}\,\mathrm{m}^{2}/\mathrm{s}, diepte 1000 m1000\,\mathrm{m}).
  5. De Ekmanlaag heeft de dikte δ=2ν/f\delta = \sqrt{2\nu/f}. Toon aan dat δ/H=2 Ek\delta/H = \sqrt{2\,\mathrm{Ek}} en bereken δ\delta voor de tank en voor de lucht van de steppe.
  6. Wat zeggen deze getallen over waar wrijving een rol speelt?

Deel II — De wind aan de grond.

  1. Aan de grond is de druk 1012.9 hPa1012.9\,\mathrm{hPa} en de temperatuur 288.1 K288.1\,\mathrm{K}. Bereken de dichtheid van de lucht.
  2. De druk op zeeniveau neemt naar het noorden af met 4 hPa4\,\mathrm{hPa} per 300 km300\,\mathrm{km}. Bereken de geostrofische wind en geef zijn richting.
  3. Dezelfde gradiënt omringt een depressie waarvan de isobaren een straal van 600 km600\,\mathrm{km} hebben. Bereken het Rossby-getal van de isobaren en de gradiëntwind.
  4. Dezelfde gradiënt omringt een anticycloon met dezelfde straal. Bereken de gradiëntwind en de grootste drukgradiënt, in hPa\mathrm{hPa} per 300 km300\,\mathrm{km}, die de anticycloon kan handhaven.

Deel III — Stratificatie.

  1. De temperatuur van de troposfeer daalt met 6.49 K/km6.49\,\mathrm{K}/\mathrm{km}. Bereken de droogadiabatische gradiënt g/cpg/c_p, en NN en de periode van de drijfvermogensoscillatie op 5 km5\,\mathrm{km}, waar de temperatuur 255.7 K255.7\,\mathrm{K} is.
  2. Boven 11 km11\,\mathrm{km} is de lucht isotherm bij 216.6 K216.6\,\mathrm{K}. Toon aan dat N2=g2/(cpT)N^2 = g^2/(c_pT) daar, en bereken NN en de verhouding ervan tot de waarde van vraag 11.
  3. Bereken de Rossby-deformatiestraal van de troposfeer van Orrin, met de NN van vraag 11 en H=10 kmH = 10\,\mathrm{km}, en vergelijk die met de grootte van de depressie uit Deel I.
  4. In de zomer zijn de bovenste 20 m20\,\mathrm{m} van Lake Orrin lichter dan het diepe water met 1.5 kg/m31.5\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3} (ρ0=1000 kg/m3\rho_0 = 1000\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3}). Bereken de gereduceerde zwaartekracht g′=g Δρ/ρ0g' = g\,\Delta\rho/\rho_0, de snelheid g′h\sqrt{g'h} van de trage interne golven van de bovenste laag, en de Rossby-deformatiestraal g′h/f\sqrt{g'h}/f.
  5. Zal de rotatie van de Aarde de interne bewegingen van het meer vormgeven?

Deel IV — De thermische wind.

  1. Twee radiosondestations staan 600 km600\,\mathrm{km} van elkaar op dezelfde meridiaan. De gemiddelde temperatuur van de laag vanaf de grond, 1013 hPa1013\,\mathrm{hPa} tot 265 hPa265\,\mathrm{hPa}, ongeveer 10 km10\,\mathrm{km}, is 253.0 K253.0\,\mathrm{K} bij het zuidelijke station en 249.4 K249.4\,\mathrm{K} bij het noordelijke. Bereken de meridionale temperatuurgradiënt in K\mathrm{K} per 1000 km1000\,\mathrm{km}.
  2. De dikte van een laag tussen twee drukken is Δz=(RTˉ/g)ln⁡(pb/pt)\Delta z = (R\bar T/g)\ln(p_b/p_t). Bereken haar bij beide stations, en de helling van het oppervlak van 265 hPa265\,\mathrm{hPa} ten opzichte van dat op grondniveau.
  3. Leid af hoe de geostrofische wind van de grond tot 265 hPa265\,\mathrm{hPa} toeneemt, uit die helling.
  4. Bereken dezelfde toename met de stelling van de thermische wind in drukcoördinaten.
  5. Is de lucht van de steppe barotroop of baroklien? Wat zou de wind op 265 hPa265\,\mathrm{hPa} zijn als de lucht barotroop zou zijn?
  6. Bereken de toename uit de eerste term van de thermische wind in hoogte, met de gemiddelde temperatuur van de standaardtroposfeer tussen 0 en 10 km10\,\mathrm{km}, 255.7 K255.7\,\mathrm{K}, en vergelijk het resultaat.
  7. Bereken de wind op 541 hPa541\,\mathrm{hPa}, ongeveer 5 km5\,\mathrm{km}, ervan uitgaande dat de temperatuurgradiënt op elk niveau dezelfde is.
  8. Het Richardson-getal N2/(∂u/∂z)2N^2/(\partial u/\partial z)^2 moet onder 0.25 dalen om de schering turbulentie aan te drijven. Bereken het voor de troposfeer van Orrin.
  9. In januari bedraagt het zonaal gemiddelde van de westenwind op 250 hPa250\,\mathrm{hPa} 23.2 m/s23.2\,\mathrm{m}/\mathrm{s} bij 45∘45{}^{\circ} NB en 40.4 m/s40.4\,\mathrm{m}/\mathrm{s} bij 30∘30{}^{\circ} NB. Vergelijk dat met de wind van Orrin, en verklaar waarom een lokale wind het zonaal gemiddelde kan overtreffen.
  10. Geef de geostrofische wind op 10 km10\,\mathrm{km} boven de Steppe van Orrin.
Oplossing

Oplossing van Probleem 19.1.

1. f=2×7.292 115×10−5sin⁡48∘=1.084×10−4 s−1f = 2\times7.292\,115 \times 10^{-5}\sin48{}^{\circ} = 1.084 \times 10^{-4}\,\mathrm{s}^{-1}; 2π/f=16.1 h2\pi/f = 16.1\,\mathrm{h}.

2. Badkuip 3.1×1033.1 \times 10^{3}; tank (f=4π/10=1.257 s−1f = 4\pi/10 = 1.257\,\mathrm{s}^{-1}) 0.020; bries 2.3; depressie 0.14; gyre 2.3×10−42.3 \times 10^{-4}.

3. De badkuip voelt niets van de rotatie van de Aarde; de bries voelt het pas na enkele uren. De tank, de depressie en de gyre hebben kleine Rossby-getallen en zijn dicht bij geostrofisch.

4. Tank 10−6/(1.257×0.04)=2.0×10−510^{-6}/(1.257\times0.04) = 2.0 \times 10^{-5}; depressie 10/(1.084×10−4×108)=9.2×10−410/(1.084 \times 10^{-4}\times10^8) = 9.2 \times 10^{-4}; gyre 10−3/(1.084×10−4×106)=9.2×10−610^{-3}/(1.084 \times 10^{-4}\times10^6) = 9.2 \times 10^{-6}.

5. δ/H=2ν/(fH2)=2 Ek\delta/H = \sqrt{2\nu/(fH^2)} = \sqrt{2\,\mathrm{Ek}}. Tank 2×10−6/1.257=1.3 mm\sqrt{2\times10^{-6}/1.257} = 1.3\,\mathrm{mm}; lucht 20/1.084×10−4=430 m\sqrt{20/1.084 \times 10^{-4}} = 430\,\mathrm{m}.

6. Wrijving werkt in lagen van enkele duizendsten van de diepte in de tank en de oceaan, enkele honderdsten in de atmosfeer; daarboven verloopt de stroming vrijwel wrijvingsloos.

7. ρ=p/(RT)=101 290/(286.9×288.1)=1.225 kg/m3\rho = p/(RT) = 101\,290/(286.9\times288.1) = 1.225\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3}.

8. ug=(1/ρf) ∣∂p/∂y∣=(400/300 000)/(1.225×1.084×10−4)=10.0 m/su_g = (1/\rho f)\,|\partial p/\partial y| = (400/300\,000)/(1.225 \times1.084 \times 10^{-4}) = 10.0\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, uit het westen, met de lage druk in het noorden links.

9. Rog=10.04/(1.084×10−4×600 000)=0.154\mathrm{Ro}_g = 10.04/(1.084 \times 10^{-4}\times600\,000) = 0.154; V=2×10.04/(1+1.618)=8.84 m/sV = 2\times10.04/(1 + \sqrt{1.618}) = 8.84\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, 12 %12\,\% langzamer.

10. V=2×10.04/(1+0.382)=12.4 m/sV = 2\times10.04/(1 + \sqrt{0.382}) = 12.4\,\mathrm{m}/\mathrm{s}. De grootste VgV_g is fr/4=16.3 m/sfr/4 = 16.3\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, een gradiënt ρfVg=2.16×10−3 Pa/m\rho fV_g = 2.16 \times 10^{-3}\,\mathrm{Pa}/\mathrm{m}, 6.5 hPa6.5\,\mathrm{hPa} per 300 km300\,\mathrm{km}.

11. g/cp=9.77 K/kmg/c_p = 9.77\,\mathrm{K}/\mathrm{km}. N2=(9.81/255.7)×(9.77−6.49)×10−3=1.26×10−4 s−2N^2 = (9.81/255.7)\times(9.77 - 6.49)\times10^{-3} = 1.26 \times 10^{-4}\,\mathrm{s}^{-2}, N=0.0112 s−1N = 0.0112\,\mathrm{s}^{-1}, een periode van 9.3 min9.3\,\mathrm{min}.

12. Met Γ=0\Gamma = 0, N2=(g/T)(g/cp)=g2/(cpT)=4.43×10−4 s−2N^2 = (g/T)(g/c_p) = g^2/(c_pT) = 4.43 \times 10^{-4}\,\mathrm{s}^{-2}, N=0.0210 s−1N = 0.0210\,\mathrm{s}^{-1}, 1.9 keer de troposferische waarde.

13. LR=0.0112×104/1.084×10−4=1035 kmL_R = 0.0112\times10^4/1.084 \times 10^{-4} = 1035\,\mathrm{km}, de grootte van de depressie.

14. g′=0.0147 m/s2g' = 0.0147\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}; g′h=0.54 m/s\sqrt{g'h} = 0.54\,\mathrm{m}/\mathrm{s}; LR=0.542/1.084×10−4=5.0 kmL_R = 0.542/1.084 \times 10^{-4} = 5.0\,\mathrm{km}.

15. Ja: het meer, 12 km12\,\mathrm{km} breed, is meer dan twee keer zijn Rossby-deformatiestraal, dus interne golven en stromingen worden door de corioliskracht.

16. (249.4−253.0)/600=−6.0 K(249.4 - 253.0)/600 = -6.0\,\mathrm{K} per 1000 km1000\,\mathrm{km}.

17. ln⁡(1013/265)=1.3409\ln(1013/265) = 1.3409. Zuid: 286.9×253.0×1.3409/9.81=9922 m286.9\times253.0\times1.3409/9.81 = 9922\,\mathrm{m}; noord 9781 m9781\,\mathrm{m}. Het oppervlak van 265 hPa265\,\mathrm{hPa} ligt 141 m141\,\mathrm{m} lager in het noorden, een helling van 2.35×10−42.35 \times 10^{-4} ten opzichte van het onderste oppervlak.

18. Δu=(g/f)×helling=9.81×2.35×10−4/1.084×10−4=21.3 m/s\Delta u = (g/f)\times\text{helling} = 9.81\times2.35 \times 10^{-4}/ 1.084 \times 10^{-4} = 21.3\,\mathrm{m}/\mathrm{s}.

19. (R/f)ln⁡(pb/pt) ∣∂Tˉ/∂y∣=(286.9/1.084×10−4)×1.3409×6.0×10−6=21.3 m/s(R/f)\ln(p_b/p_t)\,|\partial\bar T/\partial y| = (286.9/1.084 \times 10^{-4})\times1.3409\times6.0 \times 10^{-6} = 21.3\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, de hetzelfde: de twee berekeningen zijn één.

20. Baroklien: de temperatuur, en dus de dichtheid, verandert langs de drukvlakken. Barotroop zou de wind niet met de hoogte veranderen: 10.0 m/s10.0\,\mathrm{m}/\mathrm{s}.

21. (g/fTˉ) ∣∂T/∂y∣ Δz=9.81×6.0×10−6×104/(1.084×10−4×255.7)=21.2 m/s(g/f\bar T)\,|\partial T/\partial y|\,\Delta z = 9.81\times 6.0 \times 10^{-6}\times10^4/(1.084 \times 10^{-4}\times255.7) = 21.2\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, binnen 0.3 %0.3\,\%.

22. 10.04+(286.9/1.084×10−4)×6.0×10−6×ln⁡(1013/541)=10.04+9.96=20.0 m/s10.04 + (286.9/1.084 \times 10^{-4})\times6.0 \times 10^{-6}\times \ln(1013/541) = 10.04 + 9.96 = 20.0\,\mathrm{m}/\mathrm{s}.

23. ∂u/∂z=21.3/104=2.13×10−3 s−1\partial u/\partial z = 21.3/10^4 = 2.13 \times 10^{-3}\,\mathrm{s}^{-1}; Ri=1.26×10−4/4.54×10−6=28\mathrm{Ri} = 1.26 \times 10^{-4}/4.54 \times 10^{-6} = 28, ruim boven 0.25: de windschuiving maakt de vrije troposfeer niet turbulent.

24. De wind van Orrin, 31 m/s31\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, is sterker dan het zonaal gemiddelde op 45∘45{}^{\circ} NB en zwakker dan op 30∘30{}^{\circ} NB. De straalstroom van het polaire front verschuift noord- en zuidwaarts; op elk moment is de gradiënt ervan, en daarmee de wind, geconcentreerd over een band, en middelen over een breedtecirkel smeert dat uit.

25. 10.0+21.310.0 + 21.3: de geostrofische wind op 10 km10\,\mathrm{km} boven de steppe is 31 m/s31\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, uit het westen (31.3 m/s31.3\,\mathrm{m}/\mathrm{s} volgens de berekening).

本章定义的术语

在术语表中查看全部 957 个术语