পৃথিবী ও মহাকাশ বিজ্ঞান · বই 5 · স্নাতক তৃতীয় বর্ষ

Universitaire aard- en ruimtewetenschappen — jaar 3

বইগুলো এখনো বাংলা ভাষায় পাওয়া যায় না — Nederlands সংস্করণ দেখানো হচ্ছে।

Universitaire aard- en ruimtewetenschappen — jaar 3 · স্নাতক তৃতীয় বর্ষ

5Thermische modellen van de lithosfeer

Vaar weg van een middenoceanische rug en de zeebodem wordt dieper: ongeveer 2.5 km2.5\,\mathrm{km} bij de as, meer dan 5 km5\,\mathrm{km} onder de oudste oceaanbodem. Er is niets aan de plaat toegevoegd of ervan afgenomen; ze is alleen afgekoeld, gekrompen en gezonken. De oceaanbodem is een thermometer van de plaat eronder, en een warmtestroomsonde die in het sediment wordt gedrukt, meet dezelfde afkoeling van bovenaf. Dit hoofdstuk lost de afkoeling van een plaat op twee manieren op, als een halfruimte en als plaat van eindige dikte, vergelijkt beide met de diepte van de echte oceaanbodem en zijn warmtestroom, en gaat dan over naar de continenten, waarvan de warmte deels uit hun eigen korst komt.

Wat je al weet

De diffusievergelijking voor warmte, ∂T/∂t=κ∇2T\partial T/\partial t = \kappa\nabla^2T, met de warmtegeleidingscoëfficiënt kk en de thermische diffusiviteit κ=k/(ρc)\kappa = k/(\rho c), staat in de natuurkundeboeken; Fourierreeksen en de foutfunctie erf⁡x=(2/π)∫0xe−u2 du\operatorname{erf}x = (2/\sqrt\pi)\int_0^xe^{-u^2}\,\mathrm du staan in de universitaire delen van de wiskundeboeken. De warmtestroom, de radiogene warmteproductie, de geotherm, de conductieve tijdschaal L2/κL^2/\kappa, de thermische grenslaag en de thermische lithosfeer zijn gedefinieerd in Boek 3, in het hoofdstuk over de warmtehuishouding van de Aarde; isostasie in het hoofdstuk over isostasie en zwaartekrachtanomalieën; de diepte–ouderdomswet d=dr+Ctd = d_r + C\sqrt t werd bewezen in het hoofdstuk over riften, ruggen en passieve randen, waarbij het temperatuurprofiel werd aangenomen dat dit hoofdstuk afleidt. Het rekmodel van bekkens, de subsidentie na de rift en de thermische tijdconstante staan in Boek 4, in het hoofdstuk over sedimentaire bekkens.

5.1 Conductie, advectie en hun verhouding

Warmte in de lithosfeer beweegt op twee manieren: ze diffundeert langs de temperatuurgradiënt, en ze wordt meegevoerd door bewegend gesteente, de plaat die een rug verlaat, een eroderend bergmassief dat omhoog komt, een magma dat opstijgt. Welke van de twee overheerst, hangt af van één getal.

Definitie 5.1 (Thermisch Pécletgetal)

Voor gesteente dat met snelheid uu over een lengte LL beweegt, is het thermische Pécletgetal gelijk aan

Pe=uLκ,\mathrm{Pe} = \frac{uL}{\kappa},

de verhouding van de conductieve tijd L2/κL^2/\kappa tot de advectieve tijd L/uL/u. Advectie overheerst waar Pe≫1\mathrm{Pe} \gg 1, conductie waar Pe≪1\mathrm{Pe} \ll 1.

Een plaat die een rug verlaat met 25 mm/yr25\,\mathrm{mm}/\mathrm{yr} heeft over een afstand van 95 km95\,\mathrm{km}, Pe≈94\mathrm{Pe} \approx 94 met κ=0.8×10−6 m2 s−1\kappa = 0.8 \times 10^{-6}\,\mathrm{m}^{2}\,\mathrm{s}^{-1}: warmte wordt door de plaat zijwaarts veel sneller meegevoerd dan dat ze zijwaarts diffundeert. Elke verticale kolom van de plaat koelt daarom af alsof ze alleen staat, door verticale conductie naar de koude zeebodem, waarbij haar ouderdom tt staat voor de tijd sinds ze de as verliet. Zo wordt een probleem in twee dimensies er een in diepte en tijd.

5.2 De afkoelende halfruimte

Definitie 5.2 (Halfruimte-afkoelingsmodel)

Het halfruimte-afkoelingsmodel van de oceanische lithosfeer beschouwt elke kolom als een halfruimte z≥0z \ge 0 met uniforme diffusiviteit, op de uniforme temperatuur TmT_m van de mantel op het moment dat ze de rugas verlaat, waarvan het oppervlak vanaf dat moment op de temperatuur T0T_0 van de zeebodem wordt gehouden, zonder warmteproductie en zonder onderkant.

Stelling 5.3 (Foutfunctiegeotherm)

In het halfruimte-afkoelingsmodel is de temperatuur op de diepte zz onder de zeebodem met ouderdom tt gelijk aan

T(z,t)=T0+(Tm−T0)erf⁡z2κt.T(z, t) = T_0 + (T_m - T_0)\operatorname{erf}\frac{z}{2\sqrt{\kappa t}} .

Dit is de foutfunctiegeotherm.

Bewijs. Stel θ=(T−T0)/(Tm−T0)\theta = (T - T_0)/(T_m - T_0); die voldoet aan ∂θ/∂t=κ ∂2θ/∂z2\partial\theta/\partial t = \kappa\,\partial^2\theta/\partial z^2 met θ(z,0)=1\theta(z, 0) = 1 voor z>0z > 0 en θ(0,t)=0\theta(0, t) = 0 voor t>0t > 0. Het probleem heeft geen eigen lengteschaal: als θ(z,t)\theta(z, t) een oplossing is, dan is ook θ(λz,λ2t)\theta(\lambda z, \lambda^2t) voor elke λ>0\lambda > 0, met dezelfde begin- en randwaarden; omdat de oplossing uniek is, hangt θ\theta alleen van zz en tt af via η=z/(2κt)\eta = z/(2\sqrt{\kappa t}). Met θ=f(η)\theta = f(\eta), ∂η/∂t=−η/(2t)\partial\eta/\partial t = -\eta/(2t) en ∂η/∂z=1/(2κt)\partial\eta/\partial z = 1/(2\sqrt{\kappa t}) geldt

−η2tf′(η)=κ f′′(η)4κt,dusf′′+2ηf′=0.-\frac{\eta}{2t}f'(\eta) = \kappa\,\frac{f''(\eta)}{4\kappa t}, \qquad\text{dus}\qquad f'' + 2\eta f' = 0 .

Hieruit volgt f′=Ae−η2f' = Ae^{-\eta^2} en f=A∫0ηe−u2 du+Bf = A\int_0^\eta e^{-u^2}\,\mathrm du + B. De randvoorwaarde aan het oppervlak, bij η=0\eta = 0, geeft B=0B = 0; de beginvoorwaarde, die op elke diepte geldt als t→0t \to 0, dat wil zeggen als η→∞\eta \to \infty, geeft Aπ/2=1A\sqrt\pi/2 = 1. Dus f=erf⁡ηf = \operatorname{erf}\eta. ∎

De temperatuur op een gegeven diepte hangt alleen af van z/tz/\sqrt t: een isotherm zinkt evenredig met de wortel van de ouderdom, en de afgekoelde laag op 40 Myr40\,\mathrm{Myr} is twee keer zo dik als op 10 Myr10\,\mathrm{Myr}. De warmtestroom aan het oppervlak volgt door differentiëren.

Propositie 5.4 (Warmtestroom–ouderdomsrelatie)

In het halfruimte-afkoelingsmodel is de warmtestroom door de zeebodem met ouderdom tt gelijk aan

q(t)=k ∂T∂z∣z=0=k(Tm−T0)πκt=Cqt.q(t) = k\,\frac{\partial T}{\partial z}\Big|_{z=0} = \frac{k(T_m - T_0)}{\sqrt{\pi\kappa t}} = \frac{C_q}{\sqrt t} .

Bewijs. ∂erf⁡(z/2κt)/∂z=(2/π)e−z2/4κt/(2κt)\partial\operatorname{erf}(z/2\sqrt{\kappa t})/\partial z = (2/\sqrt\pi) e^{-z^2/4\kappa t}/(2\sqrt{\kappa t}), die bij z=0z = 0 gelijk is aan 1/πκt1/\sqrt{\pi\kappa t}. ∎

Met de waarden van het plaatmodel hieronder (k=3.1 W m−1 K−1k = 3.1\,\mathrm{W}\,\mathrm{m}^{-1}\,\mathrm{K}^{-1}, Tm−T0=1450 KT_m - T_0 = 1450\,\mathrm{K}, κ=0.8×10−6 m2 s−1\kappa = 0.8 \times 10^{-6}\,\mathrm{m}^{2}\,\mathrm{s}^{-1}), Cq=505 mW m−2 Myr1/2C_q = 505\,\mathrm{mW}\,\mathrm{m}^{-2}\,\mathrm{Myr}^{1/2}, dicht bij de waarden van 430 tot 510 mW m−2 Myr1/2510\,\mathrm{mW}\,\mathrm{m}^{-2}\,\mathrm{Myr}^{1/2} die verschillende studies op de mondiale metingen hebben aangepast; studies; een recente compilatie geeft de voorkeur aan 490490. Gemeten warmtestroom op jonge oceanische korst onderschat echter sterk de warmte die de korst verlaat: zeewater dat door de gebarsten korst circuleert, voert een deel van de warmte weg in hete bronnen, buiten bereik van de sondes. Op oude korst volgen de metingen 1/t1/\sqrt t, en schattingen van het warmteverlies van de Aarde vervangen de metingen op korst jonger dan 66.5 Myr66.5\,\mathrm{Myr} door Cq/tC_q/\sqrt t.

Boek 3 integreert hetzelfde profiel via isostasie over de diepte, om de diepte–ouderdomswet te verkrijgen, d=dr+Ctd = d_r + C\sqrt t met C=2ρmα(Tm−T0)κ/(π(ρm−ρw))C = 2\rho_m\alpha(T_m - T_0)\sqrt\kappa/\bigl(\sqrt\pi(\rho_m - \rho_w)\bigr) (figuur hieronder). Met ρm=3300 kg m−3\rho_m = 3300\,\mathrm{kg}\,\mathrm{m}^{-3}, ρw=1030 kg m−3\rho_w = 1030\,\mathrm{kg}\,\mathrm{m}^{-3} en α=3.1×10−5 K−1\alpha = 3.1 \times 10^{-5}\,\mathrm{K}^{-1}, C=370 m Myr−1/2C = 370\,\mathrm{m}\,\mathrm{Myr}^{-1/2}, tegenover de 350 m Myr−1/2350\,\mathrm{m}\,\mathrm{Myr}^{-1/2} gefit op de zeebodems van de Noord-Pacific en de Noord-Atlantische Oceaan jonger dan 70 Myr70\,\mathrm{Myr}.

Isostasie van de afkoelende plaat: de kolom bij de rug en de kolom van ouderdom t hebben dezelfde massa boven de compensatiediepte. De afgekoelde, dichtere plaat zinkt en water vult de ruimte erboven.
Isostasie van de afkoelende plaat: de kolom bij de rug en de kolom van ouderdom tt hebben dezelfde massa boven de compensatiediepte. De afgekoelde, dichtere plaat zinkt en water vult de ruimte erboven.

5.3 Het plaatmodel

Oude oceaanbodem wordt niet langer dieper: in de Noord-Pacific en de Noord-Atlantische Oceaan de diepte wijkt tussen 60 en 80 Myr80\,\mathrm{Myr} af van t\sqrt t, en de warmtestroom vlakt af. De halfruimte blijft voor altijd afkoelen; iets moet de basis van de plaat warm houden.

Definitie 5.5 (Plaatafkoelingsmodel)

Het plaatafkoelingsmodel van de oceanische lithosfeer beschouwt elke kolom als een laag 0≤z≤L0 \le z \le L met uniforme diffusiviteit, op de uniforme temperatuur TmT_m wanneer ze de rug verlaat, waarvan het oppervlak op T0T_0 wordt gehouden en waarvan de basis vanaf dat moment op TmT_m wordt gehouden.

Stelling 5.6 (Temperatuurreeks van het plaatmodel)

In het plaatafkoelingsmodel, met T0=0T_0 = 0,

T(z,t)=Tm[zL+2π∑n=1∞1nsin⁡nπzL e−n2t/τ],τ=L2π2κ.T(z, t) = T_m\Bigl[\frac zL + \frac2\pi\sum_{n=1}^\infty\frac1n \sin\frac{n\pi z}{L}\,e^{-n^2t/\tau}\Bigr],\qquad \tau = \frac{L^2}{\pi^2\kappa} .

Dit is de temperatuurreeks van het plaatmodel.

Bewijs. De stationaire toestand, bereikt bij t→∞t \to \infty, is het lineaire profiel Tmz/LT_mz/L. De afwijking u=T−Tmz/Lu = T - T_mz/L voldoet aan de diffusievergelijking met u=0u = 0 bij z=0z = 0 en z=Lz = L, en begint als u(z,0)=Tm(1−z/L)u(z, 0) = T_m(1 - z/L). Door scheiding van de variabelen, u=Z(z)Θ(t)u = Z(z)\Theta(t) levert Z′′/Z=Θ′/(κΘ)=−μ2Z''/Z = \Theta'/(\kappa\Theta) = -\mu^2; de randvoorwaarden laten Z=sin⁡(nπz/L)Z = \sin(n\pi z/L), μ=nπ/L\mu = n\pi/L, en Θ=e−n2π2κt/L2=e−n2t/τ\Theta = e^{-n^2\pi^2\kappa t/L^2} = e^{-n^2t/\tau}. De beginwaarden bepalen de coëfficiënten bnb_n van de sinusreeks van Tm(1−z/L)T_m(1 - z/L) op [0,L][0, L]:

bn=2L∫0LTm(1−zL)sin⁡nπzL dz=2Tmnπ,b_n = \frac2L\int_0^LT_m\Bigl(1 - \frac zL\Bigr)\sin\frac{n\pi z}{L}\,\mathrm dz = \frac{2T_m}{n\pi},

door partiële integratie. Het optellen van de modi levert de reeks op. ∎

Elke modus vervalt met zijn eigen tijd, τ/n2\tau/n^2: de hogere harmonischen, de fijne structuur van de beginsprong, verdwijnen het eerst, en na een tijd van de orde τ\tau blijft alleen de eerste over. Dezelfde scheiding van variabelen levert de warmtestroom en, via het isostatische evenwicht van de figuur hierboven, de diepte.

Propositie 5.7 (Diepte en warmtestroom van het plaatmodel)

In het plaatafkoelingsmodel, met de dichtheden en de uitzettingscoëfficiënt van de diepte–ouderdomswet,

q(t)=kTmL[1+2∑n=1∞e−n2t/τ],d(t)=dr+ρmαTmL2(ρm−ρw)[1−8π2∑n onevene−n2t/τn2].q(t) = \frac{kT_m}{L}\Bigl[1 + 2\sum_{n=1}^\infty e^{-n^2t/\tau}\Bigr],\qquad d(t) = d_r + \frac{\rho_m\alpha T_mL}{2(\rho_m - \rho_w)} \Bigl[1 - \frac{8}{\pi^2}\sum_{n\ \text{oneven}}\frac{e^{-n^2t/\tau}}{n^2}\Bigr].

Voor t→∞t \to \infty nadert de diepte tot dr+ρmαTmL/(2(ρm−ρw))d_r + \rho_m\alpha T_mL/\bigl(2(\rho_m - \rho_w)\bigr) en de warmtestroom naar kTm/LkT_m/L, beide exponentieel, met de tijdconstante τ\tau.

Bewijs. Door de reeks in z=0z = 0 te differentiëren volgt ∂T/∂z=(Tm/L)[1+2∑e−n2t/τ]\partial T/\partial z = (T_m/L)[1 + 2\sum e^{-n^2t/\tau}]. Voor de diepte geeft het isostatische evenwicht (ρm−ρw)(d−dr)=ρmα∫0L(Tm−T) dz(\rho_m - \rho_w)(d - d_r) = \rho_m\alpha\int_0^L(T_m - T)\,\mathrm dz. Het lineaire deel levert TmL/2T_mL/2 op; elke modus levert −(2Tm/nπ)e−n2t/τ∫0Lsin⁡(nπz/L) dz=−(2Tm/nπ)(L/nπ)(1−cos⁡nπ)e−n2t/τ-(2T_m/n\pi)e^{-n^2t/\tau} \int_0^L\sin(n\pi z/L)\,\mathrm dz = -(2T_m/n\pi)(L/n\pi)(1 - \cos n\pi) e^{-n^2t/\tau}, wat nul is voor even nn en −(4TmL/n2π2)e−n2t/τ-(4T_mL/n^2\pi^2) e^{-n^2t/\tau} voor oneven nn. Het afzonderen van TmL/2T_mL/2 levert de haakjesterm op. Voor t=0t = 0 verdwijnt die, omdat ∑n oneven1/n2=π2/8\sum_{n\ \text{oneven}}1/n^2 = \pi^2/8. ∎

Het plaatmodel dat de wereldwijde dieptes en warmtestromen het best beschrijft, heeft een plaat van 95 km95\,\mathrm{km} dik met een basis op 1450 ∘C1450\,{}^{\circ}\mathrm{C}, α=3.1×10−5 K−1\alpha = 3.1 \times 10^{-5}\,\mathrm{K}^{-1} en k=3.1 W m−1 K−1k = 3.1\,\mathrm{W}\,\mathrm{m}^{-1}\,\mathrm{K}^{-1}, dunner en heter dan de eerdere 125 km125\,\mathrm{km} en 1350 ∘C1350\,{}^{\circ}\mathrm{C}. Met κ=0.8×10−6 m2 s−1\kappa = 0.8 \times 10^{-6}\,\mathrm{m}^{2}\,\mathrm{s}^{-1} is τ=36.2 Myr\tau = 36.2\,\mathrm{Myr}; de diepte vlakt af op 2500+3104=5604 m2500 + 3104 = 5604\,\mathrm{m} en de warmtestroom op 47 mW m−247\,\mathrm{mW}\,\mathrm{m}^{-2}. Jonge oceaanbodem kan de twee modellen niet van elkaar onderscheiden: ze verschillen minder dan een meter bij 2 Myr2\,\mathrm{Myr} en met 100 m100\,\mathrm{m} bij 44 Myr44\,\mathrm{Myr}. Seismologie geeft een vergelijkbaar antwoord: Rayleighgolven uit de Stille Oceaan worden het best beschreven door afkoelende platen waarvan de asymptotische dikte van 85 tot 95 km95\,\mathrm{km} is.

De twee afkoelingsmodellen met de parameters van de tekst. (a) Diepte van de isothermen van 200\, C (boven) tot 1400\, C (onder): die van de halfruimte blijven zakken als √ t, die van de plaat stoppen zodra het profiel lineair wordt. (b) Oppervlaktewarmtestroom: het plaatmodel vlakt af op 47\, mW\, m-2, die van de halfruimte daalt als 1/√ t.
De twee afkoelingsmodellen met de parameters van de tekst. (a) Diepte van de isothermen van 200 ∘C200\,{}^{\circ}\mathrm{C} (boven) tot 1400 ∘C1400\,{}^{\circ}\mathrm{C} (onder): die van de halfruimte blijven zakken als t\sqrt t, die van de plaat stoppen zodra het profiel lineair wordt. (b) Oppervlaktewarmtestroom: het plaatmodel vlakt af op 47 mW m−247\,\mathrm{mW}\,\mathrm{m}^{-2}, die van de halfruimte daalt als 1/t1/\sqrt t.

De echte oceaanbodem kan in dezelfde grafiek worden gezet (figuur hieronder). Elke cel van één graad in breedte en lengte waarvan de ouderdom bekend is, wordt geplaatst op zijn ouderdom en zijn diepte; de mediaan van elke bin van vijf miljoen jaar stijgt met de ouderdom, zoals de modellen dat voor de eerste 40 Myr40\,\mathrm{Myr} aangeven, maar de waargenomen bodem ligt ondieper dan beide modellen, en naarmate de ouderdom toeneemt steeds meer. Er is niets gecorrigeerd: oude bodem draagt een dikkere laag sediment, in de oudere Noord-Atlantische Oceaan meer dan een kilometer, die hem belast en zijn bovenkant doet stijgen, en oude bodem heeft tijd gehad om zeebergen, vulkanische plateaus en de welvingen van hotspots te verzamelen. De gepubliceerde aanpassingen verwijderen eerst de sedimentbelasting en de duidelijke welvingen; de diepte–ouderdomswet van Boek 3 en de plaatmodellen hierboven komen uit zulke gecorrigeerde dieptes.

Diepte van de oceaanbodem tegen zijn ouderdom: de mediaan en de kwartielen van de dieptes van de cellen van één graad in elke bin van vijf miljoen jaar (zeebodem dieper dan 1000\, m, ouderdommen uit een wereldwijd ouderdomsraster, dieptes uit een wereldwijd reliëfmodel, geen correctie voor sediment, zeebergen of welvingen), met de twee afkoelingsmodellen van de tekst.
Diepte van de oceaanbodem tegen zijn ouderdom: de mediaan en de kwartielen van de dieptes van de cellen van één graad in elke bin van vijf miljoen jaar (zeebodem dieper dan 1000 m1000\,\mathrm{m}, ouderdommen uit een wereldwijd ouderdomsraster, dieptes uit een wereldwijd reliëfmodel, geen correctie voor sediment, zeebergen of welvingen), met de twee afkoelingsmodellen van de tekst.

Definitie 5.8 (Thermische subsidentie)

Thermische subsidentie is het dalen van het oppervlak van de lithosfeer als die afkoelt en krimpt naar thermisch evenwicht, waarbij de ruimte erboven wordt gevuld door water of sediment; isostasie zet de door een kolom afgegeven warmte om in haar daling.

De oceaanbodem is het zuivere geval. Een uitgerekt continentaal bekken is een ander: een lithosfeer die met een factor β\beta is uitgedund, brengt heet asthenosfeer omhoog, en de post-rift-subsidentie uit Boek 4 is dezelfde plaatafkoeling, startend vanuit een ander profiel, met dezelfde modi en dezelfde vervaltijden τ/n2\tau/n^2. Alleen de eerste modus houden is daarom een goede benadering zodra de hogere modi zijn uitgedoofd, en een slechte ervoor: voor de oceaanbodem van het plaatmodel hierboven geeft de eerste term alleen de diepte tot binnen twee meter na 20 Myr20\,\mathrm{Myr}, maar is hij op 5 Myr5\,\mathrm{Myr} 84 m84\,\mathrm{m} te diep.

5.4 Continentale geotermen

Continentale korst maakt warmte: graniet bevat uranium, thorium en kalium in concentraties waardoor de in de bovenste korst geproduceerde warmte een groot deel vormt van de warmtestroom aan het oppervlak. Hoe de productie met de diepte verdeeld is, bepaalt de temperatuur op diepte.

Definitie 5.9 (Diepteschaal van de warmteproductie; gereduceerde warmtestroom)

Wanneer de radiogene warmteproductie van de korst met de diepte afneemt als A(z)=A0e−z/hrA(z) = A_0e^{-z/h_r}, is hrh_r de diepteschaal van de warmteproductie. De gereduceerde warmtestroom qmq_m van een provincie is de warmtestroom die aan het oppervlak zou overblijven als de korst geen warmte zou produceren: de warmtestroom van onder de radiogene laag.

Propositie 5.10 (Exponentiële warmteproductie)

In stationaire geleiding met uniforme geleidbaarheid kk, oppervlaktetemperatuur 00, warmteproductie A0e−z/hrA_0e^{-z/h_r} en warmtestroom qmq_m vanuit grote diepte, is de warmtestroom aan het oppervlak

q0=qm+A0hr,q_0 = q_m + A_0h_r,

en de geoterm is

T(z)=qmzk+A0hr2k(1−e−z/hr).T(z) = \frac{q_mz}{k} + \frac{A_0h_r^2}{k}\bigl(1 - e^{-z/h_r}\bigr).

Als de plutons van een provincie dezelfde hrh_r en dezelfde qmq_m delen, liggen hun warmtestromen aan het oppervlak en hun warmteproducties aan het oppervlak op de rechte lijn q0=qm+hrA0q_0 = q_m + h_rA_0.

Bewijs. In stationaire toestand neemt de opwaartse warmtestroom q(z)=k dT/dzq(z) = k\,\mathrm dT/\mathrm dz naar boven af met de geproduceerde warmte: dq/dz=−A(z)\mathrm dq/\mathrm dz = -A(z). Met q→qmq \to q_m op diepte, q(z)=qm+A0hre−z/hrq(z) = q_m + A_0h_re^{-z/h_r}, dus q0=qm+A0hrq_0 = q_m + A_0h_r. Integreren van dT/dz=q(z)/k\mathrm dT/\mathrm dz = q(z)/k vanaf T(0)=0T(0) = 0 geeft de geoterm. De laatste bewering is de eerste, gelezen voor elke pluton afzonderlijk. ∎

De lijn is waargenomen: in verschillende provincies liggen de warmtestromen en de warmteproducties aan het oppervlak van plutons op rechte lijnen, met diepteschalen van 7.5 tot 10 km10\,\mathrm{km} en een gereduceerde warmtestroom van 0.8 HFU0.8\,\mathrm{HFU} (ongeveer 33.5 mW m−233.5\,\mathrm{mW}\,\mathrm{m}^{-2}) ten oosten van de Rocky Mountains. De exponentiële vorm is niet de enige die een lijn geeft, maar hij houdt de lijn intact bij erosie: het verwijderen van een plak met dikte ee van bovenaf vermenigvuldigt A0A_0 en het radiogene deel van q0q_0 met dezelfde factor e−e/hre^{-e/h_r}.

Onderstaande figuur toont geotermen voor oppervlaktewarmtestromen van 40, 60 en 80 mW m−280\,\mathrm{mW}\,\mathrm{m}^{-2}, de eerste typisch voor cratons en de laatste voor achterboogregio’s, met k=2.5 W m−1 K−1k = 2.5\,\mathrm{W}\,\mathrm{m}^{-1}\,\mathrm{K}^{-1}, hr=10 kmh_r = 10\,\mathrm{km} en een korstaandeel A0hr=0.4 q0A_0h_r = 0.4\,q_0. De isotherm van 1300 ∘C1300\,{}^{\circ}\mathrm{C}, genomen als basis van de thermische lithosfeer, ligt op 129, 84 en 61 km61\,\mathrm{km}. Seismologie vindt cratonisch mantelgesteente snel tot ongeveer 250 km250\,\mathrm{km}, en de lithosfeer van achterboogregio’s 50 tot 60 km60\,\mathrm{km} dik: de koude, dikke wortels van cratons hebben een kleinere gereduceerde warmtestroom nodig dan dit eenvoudige model hen geeft, en hun geleidbaarheid verandert met de temperatuur, maar de orde van het contrast klopt.

Stationaire continentale geotermen met exponentieel afnemende warmteproductie (h_r = 10\, km, A_0h_r = 0.4\,q_0, k = 2.5\, W\, m-1\, K-1) voor drie oppervlaktewarmtestromen. De kromming nabij het oppervlak komt van de eigen warmte van de korst; onder enkele diepteschalen is elke geoterm een rechte lijn met helling q_m/k.
Stationaire continentale geotermen met exponentieel afnemende warmteproductie (hr=10 kmh_r = 10\,\mathrm{km}, A0hr=0.4 q0A_0h_r = 0.4\,q_0, k=2.5 W m−1 K−1k = 2.5\,\mathrm{W}\,\mathrm{m}^{-1}\,\mathrm{K}^{-1}) voor drie oppervlaktewarmtestromen. De kromming nabij het oppervlak komt van de eigen warmte van de korst; onder enkele diepteschalen is elke geoterm een rechte lijn met helling qm/kq_m/k.

In het veld — Warmtestroom op zee meten

Een warmtestroomlans die op het punt staat te worden neergelaten vanaf het achterschip van een onderzoeksschip (Door AI gegenereerde illustratie.)

Een marien warmtestroomsensor is een lange stalen lans met een zwaar gewicht bovenop en een slanke buis met temperatuursensoren langs zijn zijde. Vanaf het achterschip van een onderzoeksschip wordt hij aan de lierkabel naar de zeebodem gelaten en laat hij zich met sensoren en al in het zachte sediment vallen. Hij blijft enkele minuten stil terwijl de wrijvingswarmte van de indringing wegebt en de sensoren zich instellen op de temperatuur van het slib eromheen; hun metingen, op meters afstand van elkaar, geven de temperatuurgradiënt. Vervolgens wordt een korte warmtepuls door de buis gestuurd, en de snelheid waarmee die afneemt geeft de geleidbaarheid van het omringende sediment ; het product van beide is de warmtestroom. De lans wordt eruit getrokken en weer neergezet, een paar honderd meter verderop langs de lijn, zonder terug aan dek te komen.

5.5 Oefeningen

Oefening 5.1 ★

Met κ=10−6 m2 s−1\kappa = 10^{-6}\,\mathrm{m}^{2}\,\mathrm{s}^{-1} bereken de conductieve tijd L2/κL^2/\kappa voor L=1L = 1, 10 en 100 km100\,\mathrm{km}, in miljoen jaar.

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.1.

L2/κ=1012 sL^2/\kappa = 10^{12}\,\mathrm{s}, 1014 s10^{14}\,\mathrm{s} en 1016 s10^{16}\,\mathrm{s}: 0.032, 3.2 en 317 Myr317\,\mathrm{Myr}. Een kilometer vergeet zijn temperatuur in tienduizenden jaren, honderd kilometer in honderden miljoenen jaren.

Oefening 5.2 ★

Een gebergte wordt geërodeerd met 1 mm/yr1\,\mathrm{mm}/\mathrm{yr}, en gesteente stijgt door de bovenste 30 km30\,\mathrm{km} van de korst om het te vervangen. Met κ=10−6 m2 s−1\kappa = 10^{-6}\,\mathrm{m}^{2}\,\mathrm{s}^{-1}, bereken het Pécletgetal. Kan de geotherm van het gebergte worden berekend met uitsluitend geleiding?

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.2.

u=10−3 m/3.156×107 s=3.17×10−11 m s−1u = 10^{-3}\,\mathrm{m}/3.156 \times 10^{7}\,\mathrm{s} = 3.17 \times 10^{-11}\,\mathrm{m}\,\mathrm{s}^{-1}, dus Pe=3.17×10−11×3×104/10−6=0.95\mathrm{Pe} = 3.17\times10^{-11}\times3 \times 10^{4}/10^{-6} = 0.95. Advectie en conductie zijn even belangrijk: het opstijgende gesteente voert warmte omhoog en maakt de geotherm nabij het oppervlak steiler, en conductie alleen zou de gradiënt onderschatten.

Oefening 5.3 ★

In het halfruimtemodel (T0=0T_0 = 0, Tm=1450 ∘CT_m = 1450\,{}^{\circ}\mathrm{C}, κ=0.8×10−6 m2 s−1\kappa = 0.8 \times 10^{-6}\,\mathrm{m}^{2}\,\mathrm{s}^{-1}), bereken de temperatuur 10 km10\,\mathrm{km} onder de zeebodem van 5 Myr5\,\mathrm{Myr} oud (1 Myr1\,\mathrm{Myr} =3.156×1013 s= 3.156 \times 10^{13}\,\mathrm{s}; erf⁡0.445=0.471\operatorname{erf} 0.445 = 0.471).

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.3.

κt=0.8×10−6×5×3.156×1013=11 236 m\sqrt{\kappa t} = \sqrt{0.8 \times 10^{-6}\times5\times3.156 \times 10^{13}} = 11\,236\,\mathrm{m}, η=10000/(2×11236)=0.445\eta = 10000/(2\times11236) = 0.445, en T=1450×0.471=683 ∘CT = 1450\times0.471 = 683\,{}^{\circ}\mathrm{C}.

Oefening 5.4 ★

Met Cq=490 mW m−2 Myr1/2C_q = 490\,\mathrm{mW}\,\mathrm{m}^{-2}\,\mathrm{Myr}^{1/2} bereken de warmtestroom door de zeebodem van 1, 25 en 100 Myr100\,\mathrm{Myr} oud. Welke van de drie zou een sonde waarschijnlijk het sterkst onderschatten?

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.4.

490/1=490490/\sqrt1 = 490, 490/5=98490/5 = 98 en 490/10=49 mW m−2490/10 = 49\,\mathrm{mW}\,\mathrm{m}^{-2}. De sonde zou waarschijnlijk de eerste onderschatten: jonge korst is gebarsten en open voor circulerend zeewater, dat via hete bronnen een deel van de warmte afvoert.

Oefening 5.5 ★★

In het halfruimtemodel bereikt de temperatuur 90 %90\,\% van TmT_m waar erf⁡η=0.9\operatorname{erf}\eta = 0.9, η=1.163\eta = 1.163. Met κ=0.8×10−6 m2 s−1\kappa = 0.8 \times 10^{-6}\,\mathrm{m}^{2}\,\mathrm{s}^{-1} bereken die diepte bij 10, 40 en 100 Myr100\,\mathrm{Myr}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.5.

z=2×1.163κtz = 2\times1.163\sqrt{\kappa t}: met κt=15.89\sqrt{\kappa t} = 15.89, 31.78 en 50.25 km50.25\,\mathrm{km}, z=37.0z = 37.0, 73.9 en 116.9 km116.9\,\mathrm{km}. De afgekoelde laag verdubbelt van 10 tot 40 Myr40\,\mathrm{Myr}; tegen 100 Myr100\,\mathrm{Myr} ligt hij al dieper dan een 95 km95\,\mathrm{km} plaat.

Oefening 5.6 ★★

Met de waarden uit de tekst levert het halfruimtemodel C=370.5 m Myr−1/2C = 370.5\,\mathrm{m}\,\mathrm{Myr}^{-1/2}. Houd alle andere waarden gelijk; welke thermische uitzettingscoëfficiënt geeft de aangepaste 350 m Myr−1/2350\,\mathrm{m}\,\mathrm{Myr}^{-1/2}? Welke andere parameter zou in plaats daarvan veranderd kunnen worden?

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.6.

CC is evenredig met α\alpha: α=3.1×10−5×350/370.5=2.93×10−5 K−1\alpha = 3.1 \times 10^{-5}\times350/370.5 = 2.93 \times 10^{-5}\,\mathrm{K}^{-1}. CC is eveneens evenredig met Tm−T0T_m - T_0 (een mantel bij 1450×350/370.5=1370 ∘C1450\times350/370.5 = 1370\,{}^{\circ}\mathrm{C}) en met κ\sqrt\kappa (een diffusiviteit 0.8×(350/370.5)2=0.71×10−6 m2 s−10.8\times(350/370.5)^2 = 0.71 \times 10^{-6}\,\mathrm{m}^{2}\,\mathrm{s}^{-1}): diepte alleen kan ze niet scheiden, daarom wordt ook de warmtestroom gebruikt.

Oefening 5.7 ★★

Bereken de asymptotische warmtestroom kTm/LkT_m/L van het plaatmodel voor L=95 kmL = 95\,\mathrm{km}, Tm=1450 ∘CT_m = 1450\,{}^{\circ}\mathrm{C}, en voor L=125 kmL = 125\,\mathrm{km}, Tm=1350 ∘CT_m = 1350\,{}^{\circ}\mathrm{C}, met k=3.1 W m−1 K−1k = 3.1\,\mathrm{W}\,\mathrm{m}^{-1}\,\mathrm{K}^{-1} in beide gevallen. Welke ligt dichter bij de warmtestroom van oude oceaanbodem, berekend uit Cq/tC_q/\sqrt t bij 150 Myr150\,\mathrm{Myr} met Cq=490 mW m−2 Myr1/2C_q = 490\,\mathrm{mW}\,\mathrm{m}^{-2}\,\mathrm{Myr}^{1/2}?

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.7.

3.1×1450/95×103=47.3 mW m−23.1\times1450/95 \times 10^{3} = 47.3\,\mathrm{mW}\,\mathrm{m}^{-2} en 3.1×1350/125×103=33.5 mW m−23.1\times1350/125 \times 10^{3} = 33.5\,\mathrm{mW}\,\mathrm{m}^{-2}. De halfruimte bereikt ze bij (490/47.3)2=107 Myr(490/47.3)^2 = 107\,\mathrm{Myr} en (490/33.5)2=214 Myr(490/33.5)^2 = 214\,\mathrm{Myr}: de dunne, hete plaat houdt de warmtestroom van oude oceaanbodem op 47 mW m−247\,\mathrm{mW}\,\mathrm{m}^{-2} vanaf ongeveer 100 Myr100\,\mathrm{Myr} aan, terwijl de dikkere, koudere plaat hem zou laten zakken tot onder 40 mW m−240\,\mathrm{mW}\,\mathrm{m}^{-2}, de halfruimtewaarde bij 150 Myr150\,\mathrm{Myr}.

Oefening 5.8 ★★

Een geologische provincie heeft q0=60 mW m−2q_0 = 60\,\mathrm{mW}\,\mathrm{m}^{-2}, hr=10 kmh_r = 10\,\mathrm{km} en A0hr=0.4 q0A_0h_r = 0.4\,q_0. Bereken A0A_0, qmq_m en de temperatuur bij de Moho, 35 km35\,\mathrm{km} diep, met k=2.5 W m−1 K−1k = 2.5\,\mathrm{W}\,\mathrm{m}^{-1}\,\mathrm{K}^{-1}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.8.

A0hr=0.4×60=24 mW m−2A_0h_r = 0.4\times60 = 24\,\mathrm{mW}\,\mathrm{m}^{-2}, dus A0=24×10−3/104=2.4 µW m−3A_0 = 24 \times 10^{-3}/10^{4} = 2.4\,\text{µ}\mathrm{W}\,\mathrm{m}^{-3} en qm=60−24=36 mW m−2q_m = 60 - 24 = 36\,\mathrm{mW}\,\mathrm{m}^{-2}. Op 35 km35\,\mathrm{km} diepte, T=36×10−3×35×103/2.5+2.4×10−6×108/2.5×(1−e−3.5)=504+96×0.970=597 ∘CT = 36 \times 10^{-3}\times35 \times 10^{3}/2.5 + 2.4 \times 10^{-6}\times10^{8}/2.5\times(1 - e^{-3.5}) = 504 + 96\times0.970 = 597\,{}^{\circ}\mathrm{C}.

Oefening 5.9 ★★

Twee granietplutons van één provincie geven q0=66 mW m−2q_0 = 66\,\mathrm{mW}\,\mathrm{m}^{-2} met A0=3.0 µW m−3A_0 = 3.0\,\text{µ}\mathrm{W}\,\mathrm{m}^{-3}, en q0=48 mW m−2q_0 = 48\,\mathrm{mW}\,\mathrm{m}^{-2} met A0=1.2 µW m−3A_0 = 1.2\,\text{µ}\mathrm{W}\,\mathrm{m}^{-3}. Neem aan dat ze op de lijn van Propositie 5.10 liggen; bereken hrh_r en qmq_m.

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.9.

hr=Δq0/ΔA0=18×10−3/1.8×10−6=10 kmh_r = \Delta q_0/\Delta A_0 = 18 \times 10^{-3}/1.8 \times 10^{-6} = 10\,\mathrm{km}, en qm=q0−hrA0=66−30=36 mW m−2q_m = q_0 - h_rA_0 = 66 - 30 = 36\,\mathrm{mW}\,\mathrm{m}^{-2}, omdat hrA0=104×3.0×10−6 W m−3=30 mW m−2h_rA_0 = 10^{4}\times3.0 \times 10^{-6}\,\mathrm{W}\,\mathrm{m}^{-3} = 30\,\mathrm{mW}\,\mathrm{m}^{-2}.

Oefening 5.10 ★★★

(a) Toon aan dat de warmte die per oppervlakte-eenheid tussen ouderdom 0 en tt via de zeebodem verloren gaat, bedraagt Q(t)=2k(Tm−T0)t/(πκ)Q(t) = 2k(T_m - T_0)\sqrt{t/(\pi\kappa)} in het halfruimtemodel. (b) Toon aan dat de subsidentie gelijk is aan d−dr=αQ/(c(ρm−ρw))d - d_r = \alpha Q/\bigl(c(\rho_m - \rho_w)\bigr), waarin c=k/(ρmκ)c = k/(\rho_m\kappa) de soortelijke warmte is. (c) Controleer het numeriek bij 40 Myr40\,\mathrm{Myr} met de waarden uit de tekst.

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.10.

(a) Q(t)=∫0tk(Tm−T0)/πκt′ dt′=2k(Tm−T0)t/(πκ)Q(t) = \int_0^tk(T_m - T_0)/\sqrt{\pi\kappa t'}\,\mathrm dt' = 2k(T_m - T_0)\sqrt{t/(\pi\kappa)}. (b) De verloren warmte is de warmteinhoud die uit de kolom wordt verwijderd, Q=ρmc∫0∞(Tm−T) dzQ = \rho_mc\int_0^\infty(T_m - T)\,\mathrm dz, en isostasie geeft (ρm−ρw)(d−dr)=ρmα∫0∞(Tm−T) dz=αQ/c(\rho_m - \rho_w)(d - d_r) = \rho_m\alpha\int_0^\infty(T_m - T)\,\mathrm dz = \alpha Q/c. (c) c=3.1/(3300×0.8×10−6)=1174 J kg−1 K−1c = 3.1/(3300\times0.8 \times 10^{-6}) = 1174\,\mathrm{J}\,\mathrm{kg}^{-1}\,\mathrm{K}^{-1}; bij 40 Myr40\,\mathrm{Myr}, t=1.262×1015 st = 1.262 \times 10^{15}\,\mathrm{s} en Q=2×3.1×1450×1.262×1015/(π×0.8×10−6)=2.015×1014 J m−2Q = 2\times3.1\times1450\times\sqrt{1.262 \times 10^{15}/(\pi\times0.8 \times 10^{-6})} = 2.015 \times 10^{14}\,\mathrm{J}\,\mathrm{m}^{-2}; d−dr=3.1×10−5×2.015×1014/(1174×2270)=2343 md - d_r = 3.1 \times 10^{-5}\times2.015 \times 10^{14}/ (1174\times2270) = 2343\,\mathrm{m}, wat gelijk is aan 370.540370.5\sqrt{40}.

Oefening 5.11 ★★★

In het plaatmodel uit de tekst (τ=36.2 Myr\tau = 36.2\,\mathrm{Myr}, ρmαTmL/(2(ρm−ρw))=3104 m\rho_m\alpha T_mL/ \bigl(2(\rho_m - \rho_w)\bigr) = 3104\,\mathrm{m}), de diepte berekend met de eerste Fourierterm alleen overschrijdt de volledige reeks vooral door de term met n=3n = 3. Bereken de grootte van die term bij 1, 10 en 20 Myr20\,\mathrm{Myr}, en de ouderdom waarna de eerste term alleen binnen 10 m10\,\mathrm{m} van de reeks ligt.

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.11.

De term voor n=3n = 3 is 3104×(8/π2)×19e−9t/36.2=280 e−9t/36.23104\times(8/\pi^2)\times\tfrac19e^{-9t/36.2} = 280\,e^{-9t/36.2} meter: 218 m218\,\mathrm{m} bij 1 Myr1\,\mathrm{Myr}, 23 m23\,\mathrm{m} bij 10 Myr10\,\mathrm{Myr} en 1.9 m1.9\,\mathrm{m} bij 20 Myr20\,\mathrm{Myr}. Hij daalt tot 10 m10\,\mathrm{m} wanneer e−9t/36.2=10/280e^{-9t/36.2} = 10/280, bij t=(36.2/9)ln⁡28=13.4 Myrt = (36.2/9)\ln28 = 13.4\,\mathrm{Myr}.

Oefening 5.12 ★★★

(a) Toon aan dat in de geotherm van Propositie 5.10, T(z)≈qmz/k+A0hr2/kT(z) \approx q_mz/k + A_0h_r^2/k voor z≫hrz \gg h_r. (b) Leid de diepte af van de isotherm van 1300 ∘C1300\,{}^{\circ}\mathrm{C} voor q0=40 mW m−2q_0 = 40\,\mathrm{mW}\,\mathrm{m}^{-2}, met de waarden van oefening 8. (c) Met hoeveel moet qmq_m dalen opdat die diepte 250 km250\,\mathrm{km} bereikt, de diepte van de snelle wortels van cratons?

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.12.

(a) Voor z≫hrz \gg h_r, e−z/hr→0e^{-z/h_r} \to 0. (b) qm=24 mW m−2q_m = 24\,\mathrm{mW}\,\mathrm{m}^{-2}, A0hr2/k=16×10−3×104/2.5=64 KA_0h_r^2/k = 16 \times 10^{-3}\times10^{4}/2.5 = 64\,\mathrm{K}, en z=(1300−64)×2.5/24×10−3=128.8 kmz = (1300 - 64)\times2.5/24 \times 10^{-3} = 128.8\,\mathrm{km}. (c) qm=2.5×1236/250×103=12.4 mW m−2q_m = 2.5\times1236/250 \times 10^{3} = 12.4\,\mathrm{mW}\,\mathrm{m}^{-2}: de gereduceerde warmtestroom moet ongeveer gehalveerd worden, net als onder een craton waarvan de dikke, koude wortel weinig warmte van onderen binnenlaat.

5.6 Probleem: Veertig miljoen jaar weg van de rug

Probleem 5.1

Weekendprobleem — het halfruimtemodel en het plaatmodel, de diepte van een verzonnen oceaan, en de dikte van de plaat ervan

Neem T0=0T_0 = 0, Tm=1450 ∘CT_m = 1450\,{}^{\circ}\mathrm{C}, κ=0.8×10−6 m2 s−1\kappa = 0.8 \times 10^{-6}\,\mathrm{m}^{2}\,\mathrm{s}^{-1}, k=3.1 W m−1 K−1k = 3.1\,\mathrm{W}\,\mathrm{m}^{-1}\,\mathrm{K}^{-1}, α=3.1×10−5 K−1\alpha = 3.1 \times 10^{-5}\,\mathrm{K}^{-1}, ρm=3300 kg m−3\rho_m = 3300\,\mathrm{kg}\,\mathrm{m}^{-3}, ρw=1030 kg m−3\rho_w = 1030\,\mathrm{kg}\,\mathrm{m}^{-3}, een rug die 2500 m2500\,\mathrm{m} diep ligt, en 1 Myr1\,\mathrm{Myr} =3.156×1013 s= 3.156 \times 10^{13}\,\mathrm{s}.

Deel I — Het halfruimtemodel.

  1. Bereken κt\sqrt{\kappa t} bij 10 en 40 Myr40\,\mathrm{Myr}.
  2. Bereken de temperatuur 20 km20\,\mathrm{km} onder de zeebodem op beide ouderdommen (erf⁡0.6294=0.6266\operatorname{erf}0.6294 = 0.6266, erf⁡0.3147=0.3437\operatorname{erf}0.3147 = 0.3437).
  3. De isotherm van 1000 ∘C1000\,{}^{\circ}\mathrm{C} ligt waar erf⁡η=0.6897\operatorname{erf}\eta = 0.6897, η=0.7174\eta = 0.7174. Bereken de diepte ervan op beide ouderdommen, en de ouderdom waarop ze 60 km60\,\mathrm{km} bereikt.
  4. Bereken de warmtestroom op beide ouderdommen, en CqC_q.
  5. Een rug spreidt zich met 25 mm/yr25\,\mathrm{mm}/\mathrm{yr} aan elke kant. Bereken het Pécletgetal van de plaat over 95 km95\,\mathrm{km}. Waarom mag elke kolom alleen worden afgekoeld?
  6. Bereken de conductieve tijd over 95 km95\,\mathrm{km}. Wat zegt die over een halfruimtemodel van een zeebodem van 150 Myr150\,\mathrm{Myr} oud?

Deel II — Subsidentie.

  1. Herhaal het isostatisch evenwicht dat het temperatuurtekort van een kolom omzet in subsidentie, en waarom de integraal tot oneindig mag worden genomen in de halfruimte.
  2. Bereken CC van de diepte–ouderdomswet, en de diepten op 10 en 40 Myr40\,\mathrm{Myr}.
  3. De mediane diepte van de echte oceaanbodem tussen 40 en 45 Myr45\,\mathrm{Myr} is 4475 m4475\,\mathrm{m}, ongecorrigeerd. Vergelijk met het model op 42.5 Myr42.5\,\mathrm{Myr}, en noem op wat de mediaan bevat dat het model weglaat.
  4. Hoeveel zou CC veranderen als TmT_m 1350 ∘C1350\,{}^{\circ}\mathrm{C} zou zijn? Vergelijk met de gefitte 350 m Myr−1/2350\,\mathrm{m}\,\mathrm{Myr}^{-1/2}.
  5. Waarom vallen gemeten warmtestromen op jonge bodem lager uit dan Cq/tC_q/\sqrt t?

Deel III — De plaat. Neem L=95 kmL = 95\,\mathrm{km}.

  1. Bereken τ\tau en de amplitude ρmαTmL/(2(ρm−ρw))\rho_m\alpha T_mL/\bigl(2(\rho_m - \rho_w)\bigr).
  2. Bereken de diepte op 40 Myr40\,\mathrm{Myr} met de termen n=1n = 1, 3 en 5.
  3. Hoeveel verschilt de eerste term alleen daarvan, en waarom zo weinig?
  4. Bereken het verschil tussen de halfruimte en de plaat op 40 en 50 Myr50\,\mathrm{Myr}, en schat door lineaire interpolatie de ouderdom waarop het 100 m100\,\mathrm{m} bereikt.
  5. Bereken de warmtestroom van de plaat op 40 Myr40\,\mathrm{Myr}, met de termen n=1n = 1 tot 3, en vergelijk met de halfruimte.
  6. Geef de asymptotische diepte en warmtestroom.

Deel IV — Een verzonnen oceaan. In een verzonnen oceaan waarvan de rug 2500 m2500\,\mathrm{m} diep is, is de bodem, na correctie voor sediment en weg van zeebergen en drempels, is 5700 m5700\,\mathrm{m} diep op 120 Myr120\,\mathrm{Myr} en 4800 m4800\,\mathrm{m} op 40 Myr40\,\mathrm{Myr}. De LL van de plaat is onbekend; alle andere waarden zijn als hierboven.

  1. Houd alleen de eerste Fourierterm aan en schrijf de diepte op 120 Myr120\,\mathrm{Myr} als functie van LL, waarbij τ\tau zelf van LL afhangt.
  2. Los het op naar LL door iteratie, startend bij L=100 kmL = 100\,\mathrm{km}: bereken τ\tau, dan de LL die 5700 m5700\,\mathrm{m} geeft bij die τ\tau, en herhaal.
  3. Bereken met de gevonden LL de diepte op 40 Myr40\,\mathrm{Myr} en vergelijk met de halfruimte en met de gemeten 4800 m4800\,\mathrm{m}.
  4. Bereken τ\tau voor die LL en de asymptotische diepte van deze oceaan.
  5. Na welke ouderdom ligt de bodem binnen 100 m100\,\mathrm{m} van zijn asymptotische diepte?
  6. Geef de dikte LL van de plaat die bij de oude bodem van de verzonnen oceaan past.
Oplossing

Oplossing van Probleem 5.1.

1. 0.8×10−6×3.156×1014=15 889 m\sqrt{0.8 \times 10^{-6}\times3.156 \times 10^{14}} = 15\,889\,\mathrm{m} en 0.8×10−6×1.2624×1015=31 778 m\sqrt{0.8 \times 10^{-6}\times1.2624 \times 10^{15}} = 31\,778\,\mathrm{m}.

2. η=20000/31778=0.6294\eta = 20000/31778 = 0.6294 en 20000/63556=0.314720000/63556 = 0.3147: T=1450×0.6266=909 ∘CT = 1450\times0.6266 = 909\,{}^{\circ}\mathrm{C} bij 10 Myr10\,\mathrm{Myr} en 1450×0.3437=498 ∘C1450\times0.3437 = 498\,{}^{\circ}\mathrm{C} bij 40 Myr40\,\mathrm{Myr}.

3. z=2×0.7174κtz = 2\times0.7174\sqrt{\kappa t}: 22.8 km22.8\,\mathrm{km} en 45.6 km45.6\,\mathrm{km}. Hij bereikt 60 km60\,\mathrm{km} wanneer κt=60/1.4348=41.82 km\sqrt{\kappa t} = 60/1.4348 = 41.82\,\mathrm{km}, bij t=(41.82×103)2/0.8×10−6=2.186×1015 st = (41.82 \times 10^{3})^2/0.8 \times 10^{-6} = 2.186 \times 10^{15}\,\mathrm{s}, 69.3 Myr69.3\,\mathrm{Myr}.

4. q=3.1×1450/(π×15889)=159.6 mW m−2q = 3.1\times1450/(\sqrt\pi\times15889) = 159.6\,\mathrm{mW}\,\mathrm{m}^{-2} bij 10 Myr10\,\mathrm{Myr} en 79.8 mW m−279.8\,\mathrm{mW}\,\mathrm{m}^{-2} bij 40 Myr40\,\mathrm{Myr}; Cq=159.610=505 mW m−2 Myr1/2C_q = 159.6\sqrt{10} = 505\,\mathrm{mW}\,\mathrm{m}^{-2}\,\mathrm{Myr}^{1/2}.

5. u=7.92×10−10 m s−1u = 7.92 \times 10^{-10}\,\mathrm{m}\,\mathrm{s}^{-1}, Pe=7.92×10−10×95×103/0.8×10−6=94\mathrm{Pe} = 7.92\times10^{-10} \times95 \times 10^{3}/0.8 \times 10^{-6} = 94. Warmte reist met de plaat zijdelings honderd keer sneller dan ze zijdelings diffundeert, dus koelt elke kolom alleen door verticale geleiding af.

6. (95×103)2/0.8×10−6=1.13×1016 s(95 \times 10^{3})^2/0.8 \times 10^{-6} = 1.13 \times 10^{16}\,\mathrm{s}, 357 Myr357\,\mathrm{Myr}. Na 150 Myr150\,\mathrm{Myr} is κt=61.5 km\sqrt{\kappa t} = 61.5\,\mathrm{km} en de afgekoelde laag, een paar keer zoveel, reikt ver onder 95 km95\,\mathrm{km}: een halfruimtemodel van zo’n oude bodem veronderstelt dat de kou diepten heeft bereikt waar de mantel convecteert.

7. (ρm−ρw)(d−dr)=ρmα∫(Tm−T) dz(\rho_m - \rho_w)(d - d_r) = \rho_m\alpha\int(T_m - T)\,\mathrm dz, waarbij de massa’s van de ruggenkolom en van de oude kolom boven een compensatiediepte gelijk zijn. Tm−T=Tmerfc⁡ηT_m - T = T_m\operatorname{erfc}\eta zakt onder 0.5 %0.5\,\% van TmT_m voor η>2\eta > 2, dus het diepe deel draagt niets bij.

8. C=2×3300×3.1×10−5×1450/2270×0.8×10−6×3.156×1013/π=0.13069×2834.8=370.5 m Myr−1/2C = 2\times3300\times3.1 \times 10^{-5}\times1450/2270\times \sqrt{0.8 \times 10^{-6}\times3.156 \times 10^{13}/\pi} = 0.13069\times2834.8 = 370.5\,\mathrm{m}\,\mathrm{Myr}^{-1/2}; d=2500+370.510=3672 md = 2500 + 370.5\sqrt{10} = 3672\,\mathrm{m} en 2500+370.540=4843 m2500 + 370.5\sqrt{40} = 4843\,\mathrm{m}.

9. Het model geeft 2500+370.542.5=4915 m2500 + 370.5\sqrt{42.5} = 4915\,\mathrm{m}, 440 m440\,\mathrm{m} dieper dan de mediaan. De mediaan omvat de belasting van het sediment, de zeebergen en vulkanische plateaus, de welvingen van hotspots en cellen aan de flanken van breukzones en randen, die alle de bodem ondieper maken.

10. CC is evenredig met TmT_m: 370.5×1350/1450=344.9 m Myr−1/2370.5\times1350/1450 = 344.9\,\mathrm{m}\,\mathrm{Myr}^{-1/2}, dicht bij de gefitte 350.

11. Zeewater dat door de gebarsten jonge korst circuleert, voert een deel van de warmte af via hete bronnen, tussen de sondes.

12. τ=(95×103)2/(π2×0.8×10−6)=1.143×1015 s=36.2 Myr\tau = (95 \times 10^{3})^2/(\pi^2\times0.8 \times 10^{-6}) = 1.143 \times 10^{15}\,\mathrm{s} = 36.2\,\mathrm{Myr}; de amplitude is 3300×3.1×10−5×1450×95×103/4540=3104 m3300\times 3.1 \times 10^{-5}\times1450\times95 \times 10^{3}/4540 = 3104\,\mathrm{m}.

13. e−40/36.2=0.33124e^{-40/36.2} = 0.33124, e−360/36.2/9=5.3×10−6e^{-360/36.2}/9 = 5.3 \times 10^{-6} en de n=5n = 5-term is nog kleiner; de haakjesterm is 1−0.81057×0.33125=0.731501 - 0.81057\times0.33125 = 0.73150, en d=2500+3104×0.73150=4771 md = 2500 + 3104\times0.73150 = 4771\,\mathrm{m}.

14. Uit de n=3n = 3-term volgt 3104×0.81057×5.3×10−6=0.013 m3104\times0.81057\times5.3 \times 10^{-6} = 0.013\,\mathrm{m}: bij 40 Myr40\,\mathrm{Myr} is e−9t/τe^{-9t/\tau} gelijk aan 10−410^{-4} van e−t/τe^{-t/\tau}, en alleen de eerste mode blijft over.

15. Bij 40 Myr40\,\mathrm{Myr} is 4843−4771=73 m4843 - 4771 = 73\,\mathrm{m}; bij 50 Myr50\,\mathrm{Myr}, 2500+370.550=51202500 + 370.5\sqrt{50} = 5120 tegenover 2500+3104×(1−0.81057×0.25127)=49722500 + 3104\times(1 - 0.81057\times0.25127) = 4972: 148 m148\,\mathrm{m}. Interpolerend volgt 40+10×(100−73)/(148−73)=43.6 Myr40 + 10\times (100 - 73)/(148 - 73) = 43.6\,\mathrm{Myr}, ongeveer 44 Myr44\,\mathrm{Myr} (de volledige reeks geeft 44.0).

16. q=(3.1×1450/95×103)[1+2(0.33124+0.01204+0.00005)]=47.32×1.68666=79.8 mW m−2q = (3.1\times1450/95 \times 10^{3})[1 + 2(0.33124 + 0.01204 + 0.00005)] = 47.32\times1.68666 = 79.8\,\mathrm{mW}\,\mathrm{m}^{-2}, hetzelfde als bij de halfruimte: bij 40 Myr40\,\mathrm{Myr} heeft de basis zich aan het oppervlak nog niet laten voelen.

17. 2500+3104=5604 m2500 + 3104 = 5604\,\mathrm{m} en kTm/L=47.3 mW m−2kT_m/L = 47.3\,\mathrm{mW}\,\mathrm{m}^{-2}.

18. d(120)=2500+aL[1−(8/π2)e−120/τ]d(120) = 2500 + aL\bigl[1 - (8/\pi^2)e^{-120/\tau}\bigr], met a=ρmαTm/(2(ρm−ρw))=32.673 m/kma = \rho_m\alpha T_m/\bigl(2(\rho_m - \rho_w)\bigr) = 32.673\,\mathrm{m}/\mathrm{km} en τ=L2/(π2κ)\tau = L^2/(\pi^2\kappa).

19. L=3200/(32.673 [1−0.81057e−120/τ])L = 3200/\bigl(32.673\,[1 - 0.81057e^{-120/\tau}]\bigr). Uit L=100 kmL = 100\,\mathrm{km} volgt τ=40.13 Myr\tau = 40.13\,\mathrm{Myr}, haakjesterm 0.95925, L=102.10 kmL = 102.10\,\mathrm{km}; dan τ=41.83\tau = 41.83, L=102.67L = 102.67; τ=42.30\tau = 42.30, L=102.82L = 102.82; τ=42.43\tau = 42.43, L=102.87L = 102.87; het stabiliseert op L=102.9 kmL = 102.9\,\mathrm{km}.

20. τ=42.48 Myr\tau = 42.48\,\mathrm{Myr}, aL=3362 maL = 3362\,\mathrm{m}: d(40)=2500+3362×(1−0.81057e−40/42.48)=4799 md(40) = 2500 + 3362\times(1 - 0.81057e^{-40/42.48}) = 4799\,\mathrm{m}, tegenover 4843 m4843\,\mathrm{m} voor de halfruimte en 4800 m4800\,\mathrm{m} gemeten: de plaat past op beide ouderdommen.

21. τ=42.5 Myr\tau = 42.5\,\mathrm{Myr}; asymptotische diepte 2500+3362=5862 m2500 + 3362 = 5862\,\mathrm{m}.

22. 3362×0.81057 e−t/42.48=1003362\times0.81057\,e^{-t/42.48} = 100 geeft t=42.48ln⁡27.25=140 Myrt = 42.48\ln27.25 = 140\,\mathrm{Myr}.

23. De plaat die past op de oude bodem van de verzonnen oceaan is 102.9 km102.9\,\mathrm{km} dik.

এই অধ্যায়ে সংজ্ঞায়িত পরিভাষা-শব্দ

পরিভাষায় সব 957 টি শব্দ দেখো