Chemistry · Boek 2 · Bachelor Year 1

Universitaire scheikunde — jaar 1

Universitaire scheikunde — jaar 1 · Bachelor Year 1

17Spectroscopie voor structuurbepaling

Een parfumeur bezorgt het laboratorium een kleurloze vloeistof die naar ananas ruikt en vraagt wat het is. Vijftig jaar geleden zou het antwoord weken van afbraakreacties gekost hebben. Vandaag kost het tien minuten: een elementanalyse geeft de formule, een infraroodspectrum benoemt de karakteristieke groep, en een spectrum van protonkernspinresonantie toont hoe de atomen verbonden zijn. Dit hoofdstuk legt uit hoe elk spectrum gelezen wordt — wat licht van elk gebied met een molecuul doet, en welke kenmerken van een spectrum welk stukje structuur dragen — en eindigt met dat ananasmolecuul.

Wat je al weet

Het schoolboek (jaar 11 en 12) mat absorbanties met een spectrofotometer en gebruikte de wet van Lambert-Beer om concentraties te bepalen, identificeerde karakteristieke groepen met tabellen van infraroodbanden, en las eenvoudige proton-NMR-spectra (aantal signalen, integratie, de n+1n + 1-regel). Enkele, dubbele en drievoudige bindingen en de π\pi-binding zijn die van Hoofdstuk 3.

17.1 UV-vis-spectroscopie: conjugatie en kleur

Definitie 17.1 (Absorbantie en de wet van Lambert-Beer)

Voor licht met intensiteit I0I_0 dat een oplossing binnenkomt en II dat haar verlaat, is de absorbantie A=log⁡(I0/I)A = \log(I_0/I). Voor een verdunde oplossing van één absorberend deeltje is A=ε ℓ cA = \varepsilon\,\ell\,c (de wet van Lambert-Beer), waarin ℓ\ell de weglengte is, cc de concentratie en ε\varepsilon de molaire absorptiecoëfficiënt, een eigenschap van het deeltje bij die golflengte.

Een molecuul absorbeert ultraviolet of zichtbaar licht wanneer de energie van een foton overeenkomt met het verschil tussen de hoogste bezette en de laagste lege elektronenniveaus van zijn bindingen. Voor σ\sigma-bindingen is dat verschil groot en ligt de absorptie ver in het ultraviolet; π\pi-bindingen absorberen dichter bij het zichtbare, en een keten van afwisselend dubbele en enkele bindingen absorbeert bij langere golflengten naarmate de keten langer is.

Definitie 17.2 (Geconjugeerd systeem, chromofoor, absorptiemaximum)

Een geconjugeerd systeem is een keten van atomen die elk een pp-orbitaal in een π\pi-systeem dragen, zoals bij afwisselend dubbele en enkele bindingen (buta-1,3-dieen, benzeen). De groep atomen die verantwoordelijk is voor een absorptie, is haar chromofoor; de golflengte waarbij de absorbantie ervan het grootst is, is het absorptiemaximum, λmax⁡\lambda_{\max}.

De niveaus van een geconjugeerd systeem spreiden zich over de hele keten uit en komen dichter bij elkaar naarmate de keten groeit, zoals de niveaus van een deeltje in een langere doos: λmax⁡\lambda_{\max} neemt toe met de conjugatie. Etheen en butadieen absorberen alleen in het ultraviolet; de elf geconjugeerde dubbele bindingen van β\beta-caroteen brengen de absorptie in het blauwe deel van het zichtbare. Een stof heeft de kleur die complementair is aan het licht dat ze absorbeert: caroteen, dat blauw en violet absorbeert, ziet er oranje uit.

Wortelen en tomaten danken hun kleuren aan lange geconjugeerde moleculen, carotenen en lycopeen, die blauw en groen licht absorberen en oranje en rood doorlaten.
Wortelen en tomaten danken hun kleuren aan lange geconjugeerde moleculen, carotenen en lycopeen, die blauw en groen licht absorberen en oranje en rood doorlaten.
Een kleurenwiel. De waargenomen kleur is het complement van de geabsorbeerde kleur: een oplossing die in het blauw absorbeert, ziet er oranje uit.
Een kleurenwiel. De waargenomen kleur is het complement van de geabsorbeerde kleur: een oplossing die in het blauw absorbeert, ziet er oranje uit.

17.2 Infraroodspectroscopie verdiept

Definitie 17.3 (Golfgetal, transmissie, vingerafdrukgebied)

Infraroodspectra worden uitgezet tegen het golfgetal ν~=1/λ\tilde\nu = 1/\lambda, in cm−1\mathrm{cm}^{-1}, dat evenredig is met de energie van het foton. Op de verticale as staat de transmissie T=I/I0T = I/I_0, in procent, zodat de banden naar beneden wijzen. Onder ongeveer 1500 cm−11500\,\mathrm{cm}^{-1} vormen veel overlappende banden, die kenmerkend zijn voor het hele molecuul en niet voor één binding, het vingerafdrukgebied.

Een binding absorbeert infrarood licht bij de frequentie waarmee ze trilt. Zoals bij twee massa’s die door een veer verbonden zijn: hoe stijver de binding en hoe lichter de atomen, hoe hoger het golfgetal: bindingen met waterstof (O–H, C–H) boven 2800 cm−12800\,\mathrm{cm}^{-1}, drievoudige bindingen rond 2200, dubbele bindingen rond 1700–1600, enkele bindingen tussen zwaardere atomen onder 1300. De tabel geeft gemeten posities voor de moleculen van dit hoofdstuk, in de gasfase, waar de moleculen geïsoleerd zijn.

molecuulbindingν~\tilde\nu (cm−1\mathrm{cm}^{-1})
ethanolO–H3666
ethanolC–H2978
ethanolC–O1060
propanonC=O1738
ethaanzuurO–H3582
ethaanzuurC=O1788
ethylethanoaatC=O1764
ethylethanoaatC–O1238
Bandmaxima in infraroodspectra in de gasfase. In vloeistoffen verbreden waterstofbruggen de O–H-banden en verschuiven ze ze naar lagere golfgetallen, en de C=O-banden van zuren schuiven naar beneden wanneer het zuur paren vormt.
Infraroodspectra van ethanol, propanon en ethaanzuur, gesimuleerd uit de gemeten bandposities van de tabel (hoogte en breedte van de banden schematisch). De C=O-band rond 1750\, cm-1 en de O–H-band boven 3500\, cm-1 onderscheiden de drie karakteristieke groepen in één oogopslag.
Infraroodspectra van ethanol, propanon en ethaanzuur, gesimuleerd uit de gemeten bandposities van de tabel (hoogte en breedte van de banden schematisch). De C=O-band rond 1750 cm−11750\,\mathrm{cm}^{-1} en de O–H-band boven 3500 cm−13500\,\mathrm{cm}^{-1} onderscheiden de drie karakteristieke groepen in één oogopslag.

17.3 Proton-NMR: chemische verschuiving en integratie

In een sterk magnetisch veld heeft een proton twee energieniveaus; radiogolven met de juiste frequentie laten het van het ene naar het andere omklappen. Die frequentie is evenredig met het magnetische veld dat het proton werkelijk voelt, en dat wordt door de elektronen eromheen licht verminderd. Protonen in verschillende chemische omgevingen resoneren daarom bij licht verschillende frequenties.

Definitie 17.4 (Chemische verschuiving, magnetische afscherming, equivalente protonen)

De chemische verschuiving van een proton is δ=(ν−νref)/ν0×106\delta = (\nu - \nu_{\text{ref}})/\nu_0 \times 10^6, in ppm\mathrm{ppm}, waarin ν\nu zijn resonantiefrequentie is, νref\nu_{\text{ref}} die van de protonen van tetramethylsilaan en ν0\nu_0 de werkfrequentie van de spectrometer. De verlaging van het veld bij een kern door zijn elektronen is zijn magnetische afscherming: elektronenzuigende buren (O, halogenen, C=O) ontschermen een proton en verhogen zijn δ\delta. Equivalente protonen zijn protonen die door een symmetrie van het molecuul of door een snelle rotatie in elkaar overgaan; ze hebben dezelfde verschuiving.

Propositie 17.5 (De verschuiving hangt niet af van de spectrometer)

De chemische verschuiving van een proton is dezelfde op spectrometers met verschillende velden.

Bewijs. Zowel ν\nu als νref\nu_{\text{ref}} zijn evenredig met het aangelegde veld B0B_0 (elk vermenigvuldigd met zijn eigen afschermingsfactor), en dat geldt ook voor ν0\nu_0. De verhouding (ν−νref)/ν0(\nu - \nu_{\text{ref}})/\nu_0 is dus onafhankelijk van B0B_0. Verschillen in hertz daarentegen groeien met het veld. ∎

Definitie 17.6 (Integratie)

De integratie van een signaal is zijn oppervlakte, op het spectrum afgelezen als de hoogte van een trapcurve; de oppervlakten zijn evenredig met de aantallen protonen die de signalen geven.

17.4 Spin-spinkoppeling

Definitie 17.7 (Spin-spinkoppeling, koppelingsconstante, multiplet)

Via de bindingen verandert de magnetische toestand van een proton licht het veld dat de protonen op de naburige koolstofatomen voelen: deze spin-spinkoppeling splitst elk signaal in een multiplet van lijnen die van elkaar gescheiden zijn door de koppelingsconstante JJ, in hertz. Twee protonen die met elkaar koppelen, vertonen dezelfde JJ; equivalente protonen splitsen elkaars signaal niet.

Propositie 17.8 (De n+1n + 1-regel)

Een proton (of een groep equivalente protonen) dat met dezelfde JJ gekoppeld is aan nn equivalente buren, geeft n+1n + 1 lijnen, op afstand JJ van elkaar, met als relatieve intensiteiten de binomiaalcoëfficiënten (nk)\binom{n}{k}, k=0k = 0 tot nn (de n+1n + 1-regel).

Bewijs. Elke buur bevindt zich in een van twee spintoestanden, die de waargenomen lijn verschuiven over +J/2+J/2 of −J/2-J/2. Met nn buren is de verschuiving (k−n/2)J(k - n/2)J, waarin kk het aantal buren in de eerste toestand is: n+1n + 1 waarden, op gelijke afstanden JJ. Omdat de twee toestanden bijna even sterk bezet zijn, zijn alle 2n2^n combinaties even waarschijnlijk, en kk buren in de eerste toestand komt op (nk)\binom{n}{k} manieren voor. ∎

Splitsingsbomen. Elke buur splitst elke lijn in twee, op afstand J; samenvallende lijnen tellen op en geven de binomiale intensiteiten.
Splitsingsbomen. Elke buur splitst elke lijn in twee, op afstand JJ; samenvallende lijnen tellen op en geven de binomiale intensiteiten.
Proton-NMR-spectra van ethylethanoaat (boven) en ethanol (onder) in CDCl3, gesimuleerd bij 90\, MHz uit gemeten verschuivingen en koppelingsconstanten (J = 7.2\, Hz en 7.0\, Hz). Het OCH2-kwartet wordt door de zuurstof ontschermd; in ethanol koppelt het OH-proton, dat snel tussen moleculen uitgewisseld wordt, niet, en hangt zijn verschuiving af van de concentratie.
Proton-NMR-spectra van ethylethanoaat (boven) en ethanol (onder) in CDClX3\ce{CDCl3}, gesimuleerd bij 90 MHz90\,\mathrm{MHz} uit gemeten verschuivingen en koppelingsconstanten (J=7.2 HzJ = 7.2\,\mathrm{Hz} en 7.0 Hz7.0\,\mathrm{Hz}). Het OCHX2\ce{OCH2}-kwartet wordt door de zuurstof ontschermd; in ethanol koppelt het OH-proton, dat snel tussen moleculen uitgewisseld wordt, niet, en hangt zijn verschuiving af van de concentratie.
Een NMR-spectrometer: de hoge cilinder bevat een supergeleidende magneet die door vloeibaar helium gekoeld wordt; de monsterbuis wordt in het midden ervan neergelaten.
Een NMR-spectrometer: de hoge cilinder bevat een supergeleidende magneet die door vloeibaar helium gekoeld wordt; de monsterbuis wordt in het midden ervan neergelaten.

17.5 Een structuur oplossen

Definitie 17.9 (Onverzadigingsgraad)

De onverzadigingsgraad van een formule is het aantal ringen plus het aantal π\pi-bindingen in het molecuul.

Propositie 17.10 (Onverzadigingsgraad uit de formule)

Voor een molecuul CcHhNnOoXx\mathrm{C}_c\mathrm{H}_h\mathrm{N}_n\mathrm{O}_o\mathrm{X}_x (X een halogeen) is de onverzadigingsgraad

D=2c+2+n−h−x2.D = \frac{2c + 2 + n - h - x}{2} .

Bewijs. Een open keten van cc koolstofatomen met alleen enkele bindingen draagt 2c+22c + 2 waterstofatomen. Elke ring of π\pi-binding neemt er twee weg. Een tweewaardig zuurstofatoom dat in een keten ingevoegd wordt, verandert niets; een driewaardig stikstofatoom brengt één waterstofatoom extra mee; een halogeen neemt de plaats in van één waterstofatoom. De ontbrekende waterstofatomen tellen en door twee delen geeft DD. ∎

Methode 17.11 (Een structuur oplossen)

  1. Bereken DD uit de formule.
  2. Bepaal uit het IR-spectrum de karakteristieke groepen (C=O, O–H, N–H, C–O) en de afwezigheid van andere.
  3. Uit het NMR-spectrum: aantal signalen (groepen equivalente protonen), integraties (protonen per groep), verschuivingen (naburige groepen), multipliciteiten (aantal buren volgens de n+1n + 1-regel), koppelingsconstanten (welke signalen buren zijn).
  4. Bouw fragmenten, verbind ze, en controleer elke piek aan de voorgestelde structuur; verwerp de isomeren die niet kloppen.

17.6 Oefeningen

Oefening 17.1 ★

Een oplossing van een kleurstof van 2.0×10−5 mol/L2.0 \times 10^{-5}\,\mathrm{mol}/\mathrm{L} in een cuvet van 1.00 cm1.00\,\mathrm{cm} heeft bij haar absorptiemaximum een absorbantie van 0.64. Bereken ε\varepsilon, en de absorbantie van een oplossing die drie keer zo geconcentreerd is.

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.1.

ε=A/(ℓc)=0.64/(1.00×2.0×10−5)=3.2×104 L/(mol cm)\varepsilon = A/(\ell c) = 0.64/(1.00 \times 2.0 \times 10^{-5}) = 3.2 \times 10^{4}\,\mathrm{L}/(\mathrm{mol}\,\mathrm{cm}). Drie keer de concentratie: A=1.92A = 1.92, als de wet bij die absorbantie nog geldt.

Oefening 17.2 ★

Bereken de onverzadigingsgraad van CX6HX6\ce{C6H6}, CX4HX8OX2\ce{C4H8O2}, CX3HX7NO\ce{C3H7NO}, CX2HX3Cl\ce{C2H3Cl} en CX10HX14O\ce{C10H14O} (carvon). Stel voor elk één structuur voor.

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.2.

CX6HX6\ce{C6H6}: D=(12+2−6)/2=4D = (12 + 2 - 6)/2 = 4, benzeen (een ring en drie π\pi-bindingen). CX4HX8OX2\ce{C4H8O2}: 1, ethylethanoaat of butaanzuur. CX3HX7NO\ce{C3H7NO}: (6+2+1−7)/2=1(6 + 2 + 1 - 7)/2 = 1, propaanamide. CX2HX3Cl\ce{C2H3Cl}: 1, chlooretheen. CX10HX14O\ce{C10H14O}: (20+2−14)/2=4(20 + 2 - 14)/2 = 4: carvon heeft één ring, twee C=C en één C=O.

Oefening 17.3 ★

Hoeveel protonsignalen, met welke integraties, geven propanon, ethaanzuur, 2-methylpropaan en 1,2-dichloorethaan?

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.3.

Propanon: één signaal (6H). Ethaanzuur: twee (3H, 1H). 2-Methylpropaan: twee (9H, 1H). 1,2-Dichloorethaan: één (4H).

Oefening 17.4 ★

Een signaal ligt op een spectrometer van 400 MHz400\,\mathrm{MHz} 1460 Hz1460\,\mathrm{Hz} van tetramethylsilaan. Wat is zijn verschuiving? Hoe ver, in hertz, zou het bij 90 MHz90\,\mathrm{MHz} liggen? Waarom scheiden hoge velden multipletten beter?

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.4.

δ=1460/400=3.65 ppm\delta = 1460/400 = 3.65\,\mathrm{ppm}; bij 90 MHz90\,\mathrm{MHz} ligt het signaal 3.65×90=329 Hz3.65 \times 90 = 329\,\mathrm{Hz} van de referentie. Koppelingsconstanten blijven in hertz dezelfde, terwijl verschillen in verschuiving met het veld groeien: multipletten die bij een laag veld overlappen, raken bij een hoog veld gescheiden.

Oefening 17.5 ★★

Voorspel de multipliciteit van elk signaal van 1-broompropaan, CHX3CHX2CHX2Br\ce{CH3CH2CH2Br}, in de veronderstelling dat de koppelingsconstanten gelijk zijn, en de relatieve intensiteiten van de lijnen van het middelste signaal.

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.5.

CHX3\ce{CH3}: triplet (3H); middelste CHX2\ce{CH2}: vijf buren, sextet 1 : 5 : 10 : 10 : 5 : 1 (2H); CHX2Br\ce{CH2Br}: triplet (2H), het sterkst ontschermd.

Oefening 17.6 ★★

Hoe verschillen de IR-spectra van ethanol, propanon en ethaanzuur tussen 1700 en 3700 cm−13700\,\mathrm{cm}^{-1}? Welke verbinding geeft zowel een C=O- als een O–H-band?

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.6.

Ethanol: O–H (3666) en geen C=O; propanon: C=O (1738) en geen O–H; ethaanzuur: beide, O–H (3582) en C=O (1788).

Oefening 17.7 ★★

Twee isomeren CX4HX8OX2\ce{C4H8O2}: ethylethanoaat en methylpropanoaat. Voorspel hun NMR-spectra (verschuivingen bij benadering, multipliciteiten, integraties) en zeg hoe je ze van elkaar onderscheidt.

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.7.

Ethylethanoaat: kwartet (2H) rond 4.1, singlet (3H) rond 2.0, triplet (3H) rond 1.3 ppm. Methylpropanoaat: singlet (3H) van OCHX3\ce{OCH3}, ontschermd door de zuurstof (rond 3.7 ppm), kwartet (2H) van CHX2C=O\ce{CH2C=O} (rond 2.3), triplet (3H) rond 1.1. Het kwartet is in het eerste het sterkst ontschermde signaal en in het tweede niet: een kwartet rond 4 ppm betekent O−CHX2CHX3\ce{O-CH2CH3}.

Oefening 17.8 ★★

Lees op het gesimuleerde spectrum van ethylethanoaat de afstand tussen twee lijnen van het kwartet af in ppm en reken die om naar hertz (het spectrum is gesimuleerd bij 90 MHz90\,\mathrm{MHz}). Vergelijk met het triplet.

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.8.

Lijnen op 0.080 ppm0.080\,\mathrm{ppm} van elkaar, dat is 0.080×90=7.2 Hz0.080 \times 90 = 7.2\,\mathrm{Hz}: de koppelingsconstante. Het triplet heeft dezelfde afstand: de CHX2\ce{CH2} en de CHX3\ce{CH3} zijn met elkaar gekoppeld.

Oefening 17.9 ★★

Een verbinding CX3HX6O\ce{C3H6O} vertoont een sterke IR-band bij 1738 cm−11738\,\mathrm{cm}^{-1} en één enkel NMR-signaal. Identificeer ze. Welk isomeer zou een band rond 2720 cm−12720\,\mathrm{cm}^{-1} en een signaal rond 9.8 ppm9.8\,\mathrm{ppm} vertonen?

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.9.

Een C=O-band en één enkel signaal: propanon, CHX3COCHX3\ce{CH3COCH3}. Het aldehydische isomeer, propanal CHX3CHX2CHO\ce{CH3CH2CHO}, vertoont de C–H-strekvibratie van de CHO\ce{CHO}-groep en zijn zeer sterk ontschermde proton.

Oefening 17.10 ★★★

Bewijs de n+1n + 1-regel in de vorm: een proton dat gekoppeld is aan twee verschillende groepen buren, n1n_1 met J1J_1 en n2n_2 met J2J_2, geeft (n1+1)(n2+1)(n_1 + 1)(n_2 + 1) lijnen. Hoeveel verschillende lijnen blijven er over als J1=J2J_1 = J_2? Pas toe op de middelste CHX2\ce{CH2} van 1-broompropaan.

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.10.

De eerste groep splitst de lijn in n1+1n_1 + 1 lijnen; elk daarvan wordt door de tweede groep gesplitst in n2+1n_2 + 1: (n1+1)(n2+1)(n_1 + 1)(n_2 + 1) lijnen. Als J1=J2J_1 = J_2, hangt de positie van een lijn alleen af van k1+k2k_1 + k_2, dat n1+n2+1n_1 + n_2 + 1 waarden aanneemt: de n+1n + 1-regel met n=n1+n2n = n_1 + n_2. Middelste CHX2\ce{CH2} van 1-broompropaan: in het algemeen 4×3=124 \times 3 = 12 lijnen, zes (een sextet) wanneer de twee constanten gelijk zijn.

Oefening 17.11 ★★★

Een verbinding CX4HX10O\ce{C4H10O} geeft geen IR-band bij 1700–1800 maar wel een brede band rond 3350 cm−13350\,\mathrm{cm}^{-1} in de vloeistof, en een NMR-spectrum met een doublet (6H), een multiplet (1H), een doublet (2H) en een brede singlet (1H). Bepaal de structuur.

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.11.

D=0D = 0; een alcohol (O–H-band, geen C=O). Doublet (6H): twee equivalente CHX3\ce{CH3} op één CH; multiplet (1H): die CH; doublet (2H): een CHX2\ce{CH2} naast de CH die de OH draagt; brede singlet: OH. 2-Methylpropaan-1-ol, (CHX3)X2CH−CHX2−OH\ce{(CH3)2CH-CH2-OH}.

Oefening 17.12 ★★★

Toon aan dat de absorbantie van een mengsel van twee deeltjes gehoorzaamt aan A=ℓ(ε1c1+ε2c2)A = \ell(\varepsilon_1c_1 + \varepsilon_2c_2), en leg uit hoe metingen bij twee golflengten beide concentraties opleveren.

Oplossing

Oplossing van Oefening 17.12.

Elk deeltje absorbeert onafhankelijk: A=A1+A2=ℓ(ε1c1+ε2c2)A = A_1 + A_2 = \ell(\varepsilon_1c_1 + \varepsilon_2c_2). Bij twee golflengten, met de vier coëfficiënten bekend, geven twee lineaire vergelijkingen c1c_1 en c2c_2.

17.7 Probleem: het ananasmolecuul

Probleem 17.1

Weekendprobleem — verbrandingsanalyse en dampdichtheid, het infraroodspectrum, het proton-NMR-spectrum, en de structuur en molaire massa van de naar ananas ruikende ester

De onbekende stof is een vloeistof die alleen C, H en O bevat. De verbranding van 0.2500 g0.2500\,\mathrm{g} geeft 0.5690 g0.5690\,\mathrm{g} koolstofdioxide en 0.2328 g0.2328\,\mathrm{g} water. Haar damp heeft een dichtheid van 3.74 g/L3.74\,\mathrm{g}/\mathrm{L} bij 100 ∘C100\,{}^{\circ}\mathrm{C} en 1.000 bar1.000\,\mathrm{bar}. IR-banden in de gasfase: 2982, 1754, 1182 cm−11182\,\mathrm{cm}^{-1} (sterk), geen boven 3100 cm−13100\,\mathrm{cm}^{-1}. Proton-NMR (CDClX3\ce{CDCl3}): 4.13 (q, 2H, J=7.2 HzJ = 7.2\,\mathrm{Hz}), 2.28 (t, 2H), 1.66 (sextet, 2H), 1.25 (t, 3H, J=7.2 HzJ = 7.2\,\mathrm{Hz}), 0.95 (t, 3H) ppm. MM: C 12.0, H 1.0, O 16.0 g/mol16.0\,\mathrm{g}/\mathrm{mol}; R=8.314 J/(K mol)R = 8.314\,\mathrm{J}/(\mathrm{K}\,\mathrm{mol}).

Deel I — De formule.

  1. Bereken de massa koolstof in het monster.
  2. Bereken de massa waterstof.
  3. Leid de massa zuurstof af.
  4. Bereken de massapercentages van C, H en O.
  5. Bepaal de verhoudingsformule.
  6. Bereken uit de dampdichtheid de molaire massa (ideaal gas).
  7. Geef de molecuulformule en haar onverzadigingsgraad.

Deel II — Het infraroodspectrum.

  1. Wijs de band bij 1754 cm−11754\,\mathrm{cm}^{-1} toe.
  2. Wat sluit de afwezigheid van banden boven 3100 cm−13100\,\mathrm{cm}^{-1} uit?
  3. Wijs de sterke band bij 1182 cm−11182\,\mathrm{cm}^{-1} toe.
  4. Wijs de band bij 2982 cm−12982\,\mathrm{cm}^{-1} toe.
  5. Welke familie van verbindingen blijft over, met de onverzadigingsgraad erbij? Waarom geen carbonzuur, geen keton met een ether, en geen cyclisch diol?

Deel III — Het NMR-spectrum.

  1. Hoeveel groepen equivalente protonen zijn er? Controleer de totale integratie.
  2. Interpreteer het kwartet bij 4.13 ppm: buren en omgeving.
  3. Interpreteer het triplet bij 1.25 ppm. Waarom hebben de twee dezelfde JJ?
  4. Interpreteer het triplet bij 2.28 ppm.
  5. Interpreteer het sextet bij 1.66 ppm.
  6. Interpreteer het triplet bij 0.95 ppm.
  7. Bouw de twee fragmenten die deze signalen beschrijven.
  8. Waarom zijn de signalen bij 4.13 en 2.28 ppm het sterkst ontschermd?

Deel IV — De structuur.

  1. Verbind de fragmenten via de estergroep: twee mogelijkheden. Welke is in overeenstemming met de verschuivingen?
  2. Leg uit waarom propylpropanoaat niet past.
  3. Leg uit waarom butylethanoaat niet past.
  4. Benoem de verbinding en teken haar structuur.
  5. Controleer elke IR-band en elk NMR-signaal aan de structuur.
  6. Geef de molaire massa van het ananasmolecuul.
Oplossing

Oplossing van Probleem 17.1.

1. 0.5690×12.0/44.0=0.1552 g0.5690 \times 12.0/44.0 = 0.1552\,\mathrm{g}. 2. 0.2328×2.0/18.0=0.025 87 g0.2328 \times 2.0/18.0 = 0.025\,87\,\mathrm{g}. 3. 0.2500−0.1552−0.0259=0.0689 g0.2500 - 0.1552 - 0.0259 = 0.0689\,\mathrm{g}. 4. C 62.1 %62.1\,\%, H 10.3 %10.3\,\%, O 27.6 %27.6\,\%. 5. C 0.1552/12.0=0.012930.1552/12.0 = 0.01293, H 0.025870.02587, O 0.0689/16.0=0.004310.0689/16.0 = 0.00431 mol: verhouding 3.00:6.00:13.00 : 6.00 : 1, CX3HX6O\ce{C3H6O}. 6. M=ρRT/p=3740×8.314×373.15/(1.000×105)=116 g/molM = \rho RT/p = 3740 \times 8.314 \times 373.15/(1.000 \times 10^5) = 116\,\mathrm{g}/\mathrm{mol} (dichtheid in g/m3\mathrm{g}/\mathrm{m}^{3}). 7. 116/58=2116/58 = 2: CX6HX12OX2\ce{C6H12O2}, D=(12+2−12)/2=1D = (12 + 2 - 12)/2 = 1. 8. Een C=O-strekvibratie. 9. Elke O–H: geen zuur, geen alcohol. 10. Een C–O-strekvibratie, sterk: de C–O van een ester. 11. C–H-strekvibraties van CHX2\ce{CH2}- en CHX3\ce{CH3}-groepen. 12. Eén π\pi-binding, gebruikt door de C=O; met een sterke C–O en geen O–H een ester. Een zuur heeft een O–H nodig; een diol heeft geen C=O. Een keton met een ethergroep zou zijn C=O rond de 1738 cm−11738\,\mathrm{cm}^{-1} van propanon hebben, terwijl de waargenomen 1754 cm−11754\,\mathrm{cm}^{-1} dicht bij de 1764 cm−11764\,\mathrm{cm}^{-1} van ethylethanoaat ligt; de NMR van Deel III bevestigt de ester. 13. Vijf; 2+2+2+3+3=122 + 2 + 2 + 3 + 3 = 12, de twaalf waterstofatomen. 14. Een CHX2\ce{CH2} met drie buren (een CHX3\ce{CH3}), gebonden aan de zuurstof (ontschermd): −O−CHX2−CHX3\ce{-O-CH2-CH3}. 15. De CHX3\ce{CH3} van die ethylgroep, met twee buren; de twee signalen zijn met elkaar gekoppeld, vandaar één JJ. 16. Een CHX2\ce{CH2} met twee buren, naast de C=O. 17. Een CHX2\ce{CH2} met vijf buren: tussen een CHX2\ce{CH2} en een CHX3\ce{CH3}. 18. Een CHX3\ce{CH3} met twee buren, ver van de karakteristieke groep. 19. CHX3CHX2OX−\ce{CH3CH2O-} en −CHX2CHX2CHX3\ce{-CH2CH2CH3}. 20. De protonen bij 4.13 ppm zitten op het koolstofatoom dat aan zuurstof gebonden is, die bij 2.28 ppm naast de C=O: beide groepen zijn elektronenzuigend. 21. CHX3CHX2−O−CO−CHX2CHX2CHX3\ce{CH3CH2-O-CO-CH2CH2CH3} of CHX3CHX2−CO−O−CHX2CHX2CHX3\ce{CH3CH2-CO-O-CH2CH2CH3}. Alleen de eerste plaatst de CHX2\ce{CH2} met drie buren op de zuurstof (het kwartet bij 4.13 ppm). 22. Propylpropanoaat is de tweede: zijn OCHX2\ce{OCH2} zou een triplet zijn en het kwartet zou rond 2.3 ppm liggen. 23. Butylethanoaat, CHX3CO−O−CX4HX9\ce{CH3CO-O-C4H9}, zou een singlet (3H) rond 2.0 ppm vertonen en geen kwartet. 24. Ethylbutanoaat, CHX3CHX2CHX2−CO−O−CHX2CHX3\ce{CH3CH2CH2-CO-O-CH2CH3}. 25. IR: C=O 1754, C–O 1182, C–H 2982, geen O–H. NMR: OCHX2\ce{OCH2} 4.13 (q), CHX2CO\ce{CH2CO} 2.28 (t), middelste CHX2\ce{CH2} 1.66 (sextet), CHX3\ce{CH3} van de ester 1.25 (t), CHX3\ce{CH3} van de keten 0.95 (t), integraties 2, 2, 2, 3, 3. 26. 116 g/mol116\,\mathrm{g}/\mathrm{mol}: ethylbutanoaat, CX6HX12OX2\ce{C6H12O2}.

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 852 begrippen in de begrippenlijst