Chemistry · Boek 4 · Bachelor Year 3

Universitaire scheikunde — jaar 3

Universitaire scheikunde — jaar 3 · Bachelor Year 3

11Toegepaste statistische thermodynamica

Vloeibare waterstof in de best geïsoleerde tank verdampt toch, en in de eerste dagen na het vloeibaar maken verdampt ze veel sneller dan de warmte die door de wanden lekt kan verklaren. De warmte komt uit de vloeistof zelf. Waterstofmoleculen bestaan in twee vormen, die alleen verschillen in de onderlinge oriëntatie van de spins van hun twee protonen en die maar heel traag in elkaar overgaan; bij 20 K20\,\mathrm{K} komt bij de omzetting van de ene vorm in de andere meer warmte vrij dan nodig is om de vloeistof te verdampen. Dit hoofdstuk past de toestandssommen van Hoofdstuk 10 toe op warmtecapaciteiten, op deze kernspinisomeren en op de entropie die sommige kristallen bij 0 K behouden, en berekent daarna evenwichtsconstanten en isotoopeffecten uitsluitend uit spectroscopische gegevens.

Wat je al weet

Hoofdstuk 10 bouwde de moleculaire toestandssom en haar vier factoren op, en leidde er UU, SS en GG uit af. Het deel van jaar 2 verbond de standaardevenwichtsconstante met de standaardreactie-gibbsenergie, ΔrG∘=−RTln⁡K∘\Delta_rG^\circ = -RT\ln K^\circ, en stelde de vergelijking van Van ’t Hoff op; Hoofdstuk 2 stelde dat een golffunctie van teken verandert wanneer twee identieke fermionen verwisseld worden; Hoofdstuk 6 vond de afwisseling 3:1 van de lijnintensiteiten in het rotatieramanspectrum van moleculen zoals HX2\ce{H2}. Boek 1 (jaar 9) definieerde isotopen.

Een bolvormige tank voor vloeibare waterstof. Bij 20\, K kan de warmte die in de vloeistof ontstaat door de trage omzetting van de ene kernspinvorm van waterstof in de andere, groter zijn dan de warmte die van buiten binnenlekt.
Een bolvormige tank voor vloeibare waterstof. Bij 20 K20\,\mathrm{K} kan de warmte die in de vloeistof ontstaat door de trage omzetting van de ene kernspinvorm van waterstof in de andere, groter zijn dan de warmte die van buiten binnenlekt.

11.1 Warmtecapaciteiten van gassen

De warmtecapaciteit bij constant volume is CV=(∂U/∂T)VC_V = (\partial U/\partial T)_V, en met Stelling 10.19 draagt elk soort beweging afzonderlijk bij. Twee limieten beheersen alles.

Stelling 11.1 (Equipartitiestelling)

Wanneer de energieniveaus van een beweging dicht bij elkaar liggen in vergelijking met kTkT, draagt elke term van haar energie die kwadratisch is in een coördinaat of een impuls 12kT\frac12kT bij tot de gemiddelde energie van een molecuul, en dus 12R\frac12R tot de molaire warmtecapaciteit. Deze uitspraak is de equipartitiestelling.

Gedeeltelijk bewijs. In de klassieke limiet wordt de som over de toestanden van een beweging een integraal, en een kwadratische term au2a u^2 draagt de factor ∫e−βau2 ⁣du=π/βa\int\eu^{-\beta au^2}\dd u = \sqrt{\pi/\beta a} bij, evenredig met β−1/2\beta^{-1/2}. Volgens Stelling 10.19 is zijn gemiddelde energie −∂ln⁡(β−1/2)/∂β=1/2β=12kT-\partial\ln(\beta^{-1/2})/\partial\beta = 1/2\beta = \frac12kT. Dat de klassieke integraal de limiet is van de kwantumsom, werd voor translatie en rotatie aangetoond in Hoofdstuk 10; voor vibratie volgt het uit de volgende propositie wanneer T≫θVT \gg \theta_{\mathrm V}. ∎

Translatie heeft drie kwadratische termen (32R\frac32R); de rotatie van een lineair molecuul twee (RR), van een niet-lineair molecuul drie (32R\frac32R); elke vibratie twee, kinetisch en potentieel (RR). Een lineair molecuul met NN atomen nadert dus bij hoge temperatuur tot CV,m=52R+(3N−5)RC_{V,\mathrm m} = \frac52R + (3N - 5)R. Voor vibraties wordt de limiet bij kamertemperatuur bijna nooit bereikt.

Propositie 11.2 (Vibratiewarmtecapaciteit)

Een harmonische vibratie met karakteristieke temperatuur θV\theta_{\mathrm V} levert, met x=θV/Tx = \theta_{\mathrm V}/T, de bijdrage

CV,mVR=x2ex(ex−1)2,\frac{C_{V,\mathrm m}^{\mathrm V}}{R} = \frac{x^2\eu^x}{(\eu^x - 1)^2},

de einsteinfunctie, die naar 1 gaat wanneer T≫θVT \gg \theta_{\mathrm V} en exponentieel daalt, als x2e−xx^2\eu^{-x}, wanneer T≪θVT \ll \theta_{\mathrm V}.

Bewijs. Uit Propositie 10.16 volgt U−U(0)=RθV/(ex−1)U - U(0) = R\theta_{\mathrm V}/(\eu^x - 1) per mol. Differentiëren naar TT, met  ⁣dx/ ⁣dT=−x/T\dd x/\dd T = -x/T, geeft RθVex(x/T)/(ex−1)2=Rx2ex/(ex−1)2R\theta_{\mathrm V}\eu^x(x/T)/(\eu^x - 1)^2 = Rx^2\eu^x/(\eu^x - 1)^2. Voor x→0x \to 0 is ex−1≈x\eu^x - 1 \approx x en gaat de verhouding naar 1; voor grote xx gedraagt ze zich als x2e−xx^2\eu^{-x}. ∎

Methode 11.3 (De warmtecapaciteit van een gas uit zijn bewegingen)

  1. Translatie: altijd 32R\frac32R.
  2. Rotatie: RR (lineair) of 32R\frac32R (niet-lineair) als T≫θRT \gg \theta_{\mathrm R}, wat voor elk gas behalve waterstof geldt boven enkele tientallen kelvin.
  3. Vibraties: één einsteinterm per normaaltrilling, met θV=hcν~/k\theta_{\mathrm V} = hc\tilde\nu/k uit de fundamentele golfgetallen; een ontaarde trilling telt zo vaak mee als haar ontaardingsgraad.
  4. Tel op, en Cp,m=CV,m+RC_{p,\mathrm m} = C_{V,\mathrm m} + R voor een ideaal gas.

Men zegt dat een beweging bevroren is wanneer kTkT klein is in vergelijking met haar eerste excitatie: ze bevat dan geen energie en draagt niets bij tot CVC_V. De vibratie van NX2\ce{N2} (θV=3352 K\theta_{\mathrm V} = 3352\,\mathrm{K}) is bij kamertemperatuur bevroren en CV,m=52RC_{V,\mathrm m} = \frac52R; die van ClX2\ce{Cl2} (θV=798 K\theta_{\mathrm V} = 798\,\mathrm{K}) is half wakker, CV,m=3.07RC_{V,\mathrm m} = 3.07R bij 300 K300\,\mathrm{K}.

Molaire warmtecapaciteit bij constant volume, berekend uit de spectroscopische constanten (lijnen; starre rotor, harmonische vibratie), met de waarden van de thermochemische tabellen voor N2 en Cl2 (punten, C_p/R - 1). De vibratie ontwaakt rond _ V/10; boven ongeveer 1000\, K stijgen de tabellen boven het harmonische model, dat de anharmoniciteit mist. Waterstof: de rotatiebijdrage van normale waterstof (gestreept, ortho en para bevroren in de verhouding 3:1) en van waterstof in evenwicht (doorgetrokken), die boven 5/2 uitschiet omdat de omzetting van para in ortho warmte opneemt.
Molaire warmtecapaciteit bij constant volume, berekend uit de spectroscopische constanten (lijnen; starre rotor, harmonische vibratie), met de waarden van de thermochemische tabellen voor NX2\ce{N2} en ClX2\ce{Cl2} (punten, Cp/R−1C_p/R - 1). De vibratie ontwaakt rond θV/10\theta_{\mathrm V}/10; boven ongeveer 1000 K1000\,\mathrm{K} stijgen de tabellen boven het harmonische model, dat de anharmoniciteit mist. Waterstof: de rotatiebijdrage van normale waterstof (gestreept, ortho en para bevroren in de verhouding 3:1) en van waterstof in evenwicht (doorgetrokken), die boven 52\frac52 uitschiet omdat de omzetting van para in ortho warmte opneemt.

11.2 Kernspinstatistiek

De twee kernen van HX2\ce{H2} zijn identieke fermionen. Ze verwisselen verandert het teken van de totale golffunctie (Hoofdstuk 2); ze verwisselen is hetzelfde als het molecuul kop over staart draaien, wat de rotatiegolffunctie YJ,MY_{J,M} met (−1)J(-1)^J vermenigvuldigt en de kernspinfunctie met +1+1 of −1-1.

Stelling 11.4 (Kernspinstatistiek)

In een homonucleair diatomisch molecuul waarvan de kernen spin II hebben, in een elektronische grondtoestand 1Σg+{}^1\Sigma_g^+, zijn er (2I+1)(I+1)(2I+1)(I+1) symmetrische en (2I+1)I(2I+1)I antisymmetrische kernspintoestanden. Voor fermionen (halftallige II) horen de antisymmetrische bij even JJ en de symmetrische bij oneven JJ; voor bosonen (gehele II) is het omgekeerd. Voor HX2\ce{H2} (I=12I = \frac12) hebben even en oneven niveaus de spingewichten 1 en 3; voor DX2\ce{D2} (I=1I = 1) 6 en 3. Als I=0I = 0 bestaat er maar één pariteit van JJ: het lineaire COX2\ce{CO2}-molecuul, met twee X16X2216O\ce{^{16}O}-kernen en een symmetrische grondtoestand, heeft alleen even rotatieniveaus.

Gedeeltelijk bewijs. Het symmetriepostulaat (de totale golffunctie is antisymmetrisch onder verwisseling van twee identieke fermionen, symmetrisch voor bosonen) wordt aangenomen. De (2I+1)2(2I+1)^2 producten van spintoestanden van één kern ∣m1⟩∣m2⟩|m_1\rangle|m_2\rangle geven 2I+12I+1 symmetrische toestanden met m1=m2m_1 = m_2, en voor elk van de (2I+1)2I/2(2I+1)2I/2 paren m1≠m2m_1 \ne m_2 één symmetrische en één antisymmetrische combinatie: (2I+1)+(2I+1)I=(2I+1)(I+1)(2I+1) + (2I+1)I = (2I+1)(I+1) symmetrische en (2I+1)I(2I+1)I antisymmetrische toestanden. In een toestand 1Σg+{}^1\Sigma_g^+ blijven de elektronische en vibratiefuncties onveranderd bij de verwisseling, zodat het product van rotatie- en spinfuncties het vereiste totale teken moet hebben: voor fermionen is (−1)J×(spinsymmetrie)=−1(-1)^J \times(\text{spinsymmetrie}) = -1, wat even JJ koppelt aan antisymmetrische spintoestanden. Voor HX2\ce{H2}: 3 symmetrische, 1 antisymmetrische; voor DX2\ce{D2}: 6 en 3. ∎

Definitie 11.5 (Ortho- en parawaterstof)

Orthowaterstof is de vorm van HX2\ce{H2} waarin de twee protonspins zich in een symmetrische toestand (triplet) bevinden, en die alleen de oneven rotatieniveaus bezet; parawaterstof is de vorm met de antisymmetrische spintoestand (singulet), die alleen de even niveaus bezet.

De ene vorm in de andere omzetten vereist dat één kernspin ten opzichte van de andere omklapt, wat botsingen met andere waterstofmoleculen nauwelijks bewerkstelligen: in zuivere waterstof gedragen de twee vormen zich dagenlang als twee verschillende gassen. Een paramagnetisch oppervlak, waarvan het inhomogene magneetveld verschillend inwerkt op de twee protonen, katalyseert de omzetting.

Propositie 11.6 (Evenwichtsverhouding ortho-para)

In evenwicht is de fractie parawaterstof

xpara=∑J even(2J+1)e−θRJ(J+1)/T∑J even(2J+1)e−θRJ(J+1)/T+3∑J oneven(2J+1)e−θRJ(J+1)/T,x_{\mathrm{para}} = \frac{\sum_{J\,\mathrm{even}}(2J+1)\eu^{-\theta_{\mathrm R}J(J+1)/T}} {\sum_{J\,\mathrm{even}}(2J+1)\eu^{-\theta_{\mathrm R}J(J+1)/T} + 3\sum_{J\,\mathrm{oneven}}(2J+1)\eu^{-\theta_{\mathrm R}J(J+1)/T}},

die naar 1 gaat bij 0 K en naar 14\frac14 bij hoge temperatuur. Voor DX2\ce{D2} gaat de orthovorm (even JJ) naar 1 bij 0 K en naar 23\frac23 bij hoge temperatuur.

Bewijs. De boltzmannverdeling over alle toestanden, met de spingewichten van Stelling 11.4. Bij 0 K is alleen J=0J = 0, dat even is, bezet. Bij hoge temperatuur zijn de even en de oneven som elk de helft van T/θRT/\theta_{\mathrm R}, en is de verhouding 1:31 : 3; voor DX2\ce{D2} 6:36 : 3. ∎

Voor HX2\ce{H2} is θR=85.4 K\theta_{\mathrm R} = 85.4\,\mathrm{K}: het mengsel in evenwicht is voor de helft para bij 78 K78\,\mathrm{K}, voor 99.8 % para bij het kookpunt, 20.37 K20.37\,\mathrm{K}, en voor 25.07 % bij kamertemperatuur. Waterstof die bij kamertemperatuur bewaard wordt, normale waterstof genoemd, is dus een mengsel van ortho en para in de verhouding 3:1.

Evenwichtssamenstelling van de kernspinisomeren als functie van de temperatuur, uit de rotatieniveaus en de spingewichten (H2: 1 en 3; D2: 6 en 3). Bij lage temperatuur krijgen beide vormen met even J de overhand.
Evenwichtssamenstelling van de kernspinisomeren als functie van de temperatuur, uit de rotatieniveaus en de spingewichten (HX2\ce{H2}: 1 en 3; DX2\ce{D2}: 6 en 3). Bij lage temperatuur krijgen beide vormen met even JJ de overhand.

De warmtecapaciteit van waterstof toont de gevolgen. In normale waterstof zijn de ortho- en paramoleculen twee gassen die in vaste verhoudingen gemengd zijn; elk heeft zijn eigen ladder van niveaus, die begint bij J=1J = 1 en bij J=0J = 0, en zijn rotatie bevriest afzonderlijk. In waterstof in evenwicht zet het opwarmen ook para om in ortho, wat energie opneemt en de piek van de figuur hierboven geeft. De eerste metingen, zonder katalysator uitgevoerd, volgden de kromme van normale waterstof, en het was de interpretatie van die kromme als een bevroren mengsel 3:1 die de twee vormen voor het eerst aan het licht bracht.

Opmerking 11.7

Het symmetriegetal van Propositie 10.15 is nu verantwoord. Bij hoge temperatuur vindt elke spintoestand ongeveer de helft van de rotatieniveaus toegestaan, zodat ∑(spingewicht)(2J+1)e…≈(2I+1)2 T/2θR\sum(\text{spingewicht})(2J+1)\eu^{\dots} \approx (2I+1)^2\,T/2\theta_{\mathrm R}: de totale spinfactor (2I+1)2(2I+1)^2 wordt volgens afspraak weggelaten, en σ=2\sigma = 2 blijft over.

Definitie 11.8 (Restentropie)

De restentropie van een kristal is de entropie die het behoudt wanneer T→0T \to 0, omdat zijn moleculen bevroren blijven in een van vele schikkingen met dezelfde of bijna dezelfde energie.

Propositie 11.9 (Restentropie van koolstofmonoxide en van ijs)

Een kristal van NN moleculen dat bevroren is in W0W_0 even waarschijnlijke schikkingen heeft S0=kln⁡W0S_0 = k\ln W_0. Vast CO\ce{CO}, waarin elk molecuul in twee richtingen kan wijzen, heeft S0,m=Rln⁡2=5.76 J K−1 mol−1S_{0,\mathrm m} = R\ln2 = 5.76\,\mathrm{J}\,\mathrm{K}^{-1}\,\mathrm{mol}^{-1}. IJs, waarin elk zuurstofatoom aan twee waterstofatomen gebonden is en via waterstofbruggen aan twee andere, heeft W0=(3/2)NW_0 = (3/2)^N en S0,m=Rln⁡32=3.37 J K−1 mol−1S_{0,\mathrm m} = R\ln\frac32 = 3.37\,\mathrm{J}\,\mathrm{K}^{-1}\,\mathrm{mol}^{-1}.

Bewijs. Definitie 10.22 toegepast bij T→0T \to 0. CO\ce{CO}: de dipool van het molecuul is zo klein dat de oriëntaties CO en OC bijna dezelfde energie hebben, en elk van de NN moleculen heeft er twee: W0=2NW_0 = 2^N, S0=Nkln⁡2S_0 = Nk\ln2. IJs (de telling van Pauling): elk van de 2N2N waterstofatomen zit op een lijn O⋯\cdotsO, dicht bij het ene of het andere uiteinde: 22N2^{2N} schikkingen. Van de 16 manieren om de vier waterstofatomen rond één zuurstofatoom te plaatsen, geven er 6 precies twee nabije waterstofatomen (een watermolecuul); als de zuurstofatomen als onafhankelijk behandeld worden, voldoet een fractie 6/166/16 van de schikkingen aan elk ervan: W0=22N(6/16)N=(3/2)NW_0 = 2^{2N}(6/16)^N = (3/2)^N. ∎

De tabellen vermelden voor CO\ce{CO} de statistische entropie (Hoofdstuk 10); de calorimetrische waarde ligt lager, met een verschil van de orde van Rln⁡2R\ln2, iets kleiner omdat de oriëntaties niet helemaal willekeurig zijn. Voor ijs stemde het verschil tussen de calorimetrische entropie van waterdamp en haar statistische waarde overeen met de telling van Pauling toen hij die in 1935 maakte, wat bevestigde dat de protonen van ijs wanordelijk zijn. De derde hoofdwet, in de vorm “de entropie van een perfect kristal is nul bij 0 K”, geldt voor de kristallen die wel één enkele schikking bereiken.

Protonenwanorde in ijs, getekend als een vlak vierkant netwerk (het echte netwerk is tetraëdrisch): elk zuurstofatoom (rood) heeft vier buren OO, één waterstofatoom (wit) op elke lijn, en precies twee waterstofatomen dicht bij zich (de ijsregels). Dit is een van de (3/2)N schikkingen van de telling van Pauling; ze hebben alle bijna dezelfde energie, en bevriezen kiest er willekeurig één uit.
Protonenwanorde in ijs, getekend als een vlak vierkant netwerk (het echte netwerk is tetraëdrisch): elk zuurstofatoom (rood) heeft vier buren O⋯\cdotsO, één waterstofatoom (wit) op elke lijn, en precies twee waterstofatomen dicht bij zich (de ijsregels). Dit is een van de (3/2)N(3/2)^N schikkingen van de telling van Pauling; ze hebben alle bijna dezelfde energie, en bevriezen kiest er willekeurig één uit.

11.3 Evenwichtsconstanten uit toestandssommen

Stelling 11.10 (Evenwichtsconstante uit toestandssommen)

Voor een reactie 0=∑JνJJ0 = \sum_J\nu_J\mathrm J tussen ideale gassen is

K∘=∏J(qJ,m∘NA)νJe−ΔrE0/RT,K^\circ = \prod_J\Bigl(\frac{q^\circ_{J,\mathrm m}}{N_A}\Bigr)^{\nu_J}\eu^{-\Delta_rE_0/RT},

waarin qJ,m∘q^\circ_{J,\mathrm m} de toestandssom van J\mathrm J is in het standaard molair volume Vm∘=RT/p∘V^\circ_{\mathrm m} = RT/p^\circ, elk geteld vanaf zijn eigen grondtoestand, en ΔrE0=∑νJE0,J\Delta_rE_0 = \sum\nu_JE_{0,J} de molaire reactie-energie bij 0 K is, van de grondtoestand van de beginstoffen naar die van de producten.

Bewijs. Volgens Stelling 10.23 heeft een mol ideaal gas J\mathrm J bij p∘p^\circ Gm∘−Gm(0)=−RTln⁡(qJ,m∘/NA)G^\circ_{\mathrm m} - G_{\mathrm m}(0) = -RT\ln(q^\circ_{J,\mathrm m}/N_A), en Gm(0)G_{\mathrm m}(0) is de energie E0,JE_{0,J} van zijn grondtoestand op een schaal die alle deeltjes gemeen hebben. Dus is ΔrG∘=ΔrE0−RT∑JνJln⁡(qJ,m∘/NA)\Delta_rG^\circ = \Delta_rE_0 - RT\sum_J\nu_J\ln(q^\circ_{J,\mathrm m}/N_A), en ΔrG∘=−RTln⁡K∘\Delta_rG^\circ = -RT\ln K^\circ geeft het resultaat. ∎

Methode 11.11 (Een evenwichtsconstante berekenen uit spectroscopische gegevens)

  1. Voor elk deeltje: qm∘/NA=(kT/p∘)Λ−3×qRqVqEq^\circ_{\mathrm m}/N_A = (kT/p^\circ)\Lambda^{-3}\times q^{\mathrm R}q^{\mathrm V}q^{\mathrm E}, met symmetriegetallen en elektronische ontaardingsgraden.
  2. ΔrE0\Delta_rE_0 uit dissociatie-energieën D0D_0 (gemeten vanaf het laagste vibratieniveau, zodat de nulpuntsenergieën inbegrepen zijn) of uit vormingsenthalpieën bij 0 K.
  3. Vermenigvuldig, en controleer de eenheden: K∘K^\circ is een zuiver getal, waarbij de standaarddruk binnenkomt via kT/p∘kT/p^\circ.

Voorbeeld 11.12 (De dissociatie van jood)

Voor IX2(g)⇌2 I(g)\ce{I2(g) <=> 2 I(g)} is ΔrE0=D0(IX2)=2×107.164−65.504=148.824 kJ/mol\Delta_rE_0 = D_0(\ce{I2}) = 2 \times 107.164 - 65.504 = 148.824\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}, uit de vormingsenthalpieën bij 0 K van de thermochemische tabellen. Bij 1000 K1000\,\mathrm{K}: voor I is Λ=4.90 pm\Lambda = 4.90\,\mathrm{pm}, kT/p∘=1.381×10−25 m3kT/p^\circ = 1.381 \times 10^{-25}\,\mathrm{m}^{3}, qE=4+2e−10.94=4.0000q^{\mathrm E} = 4 + 2\eu^{-10.94} = 4.0000 (het niveau 2P1/2{}^2P_{1/2} ligt 7603 cm−17603\,\mathrm{cm}^{-1} hoger), dus qm∘/NA=4.69×109q^\circ_{\mathrm m}/N_A = 4.69 \times 10^{9}; voor IX2\ce{I2} is Λ=3.47 pm\Lambda = 3.47\,\mathrm{pm}, qR=1000/(2×0.05369)=9313q^{\mathrm R} = 1000/(2 \times 0.05369) = 9313 en qV=3.784q^{\mathrm V} = 3.784, dus qm∘/NA=1.17×1014q^\circ_{\mathrm m}/N_A = 1.17 \times 10^{14}. Dan is K∘=(4.69×109)2/(1.17×1014)×e−17.90=3.17×10−3K^\circ = (4.69\times10^9)^2/(1.17\times10^{14}) \times \eu^{-17.90} = 3.17 \times 10^{-3}, log⁡K∘=−2.50\log K^\circ = -2.50; de tabellen geven −2.51-2.51.

Evenwichtsconstanten berekend uit toestandssommen. Links: de dissociatie van jood, een rechte van Van ’t Hoff met helling - _rH /(R 10), met de waarden van de thermochemische tabellen (punten). Rechts: de uitwisseling H2 + D2 <=> 2 HD, die bij hoge temperatuur nadert tot de verhouding van de symmetriegetallen, 4, en bij lage temperatuur daaronder zakt door de nulpuntsenergieën en de kernspinbeperkingen.
Evenwichtsconstanten berekend uit toestandssommen. Links: de dissociatie van jood, een rechte van Van ’t Hoff met helling −ΔrH∘/(Rln⁡10)-\Delta_rH^\circ/(R\ln10), met de waarden van de thermochemische tabellen (punten). Rechts: de uitwisseling HX2+DX2⇌2 HD\ce{H2 + D2 <=> 2 HD}, die bij hoge temperatuur nadert tot de verhouding van de symmetriegetallen, 4, en bij lage temperatuur daaronder zakt door de nulpuntsenergieën en de kernspinbeperkingen.

Propositie 11.13 (De uitwisseling H2_2 + D2_2)

Voor HX2+DX2⇌2 HD\ce{H2 + D2 <=> 2 HD} gaat K∘→4K^\circ \to 4 bij hoge temperatuur.

Bewijs. Bij hoge temperatuur zijn de translatie-, rotatie- en vibratiefactoren m3/2m^{3/2}, T/σθR∝μ/σT/\sigma\theta_{\mathrm R} \propto \mu/\sigma en T/θV∝μT/\theta_{\mathrm V} \propto \sqrt\mu (de krachtconstante, een elektronische eigenschap, is dezelfde voor de drie moleculen), en ΔrE0/RT→0\Delta_rE_0/RT \to 0. Met mHX2=2m_{\ce{H2}} = 2, mDX2=4m_{\ce{D2}} = 4, mHD=3m_{\ce{HD}} = 3 en μ=1/2\mu = 1/2, 1, 2/32/3 (in eenheden van de protonmassa, met verwaarlozing van het kleine verschil tussen D en 2H):

K∘→(98)3/2×(2/3)2/12(1/2)(1)/(2×2)×2/31/21=27162×329×223=4.K^\circ \to \Bigl(\frac{9}{8}\Bigr)^{3/2} \times \frac{(2/3)^2/1^2}{(1/2)(1)/(2 \times 2)} \times \frac{2/3}{\sqrt{1/2}\sqrt1} = \frac{27}{16\sqrt2} \times \frac{32}{9} \times \frac{2\sqrt2}{3} = 4 .

Alle massafactoren vallen precies weg: alleen de symmetriegetallen blijven over, σHX2σDX2/σHD2=4\sigma_{\ce{H2}} \sigma_{\ce{D2}}/\sigma_{\ce{HD}}^2 = 4. ∎

Bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K} bedraagt de statistische constante 3.26; de nulpuntsenergieën van HX2\ce{H2}, DX2\ce{D2} en HD (2170.3 cm−12170.3\,\mathrm{cm}^{-1}, 1542.3 cm−11542.3\,\mathrm{cm}^{-1} en 1883.7 cm−11883.7\,\mathrm{cm}^{-1}) geven ΔrE0=54.8 cm−1\Delta_rE_0 = 54.8\,\mathrm{cm}^{-1}, een factor e−54.8/207.2=0.77\eu^{-54.8/207.2} = 0.77; de rotatie, die voor deze lichte moleculen nog gedeeltelijk gekwantiseerd is, speelt ook mee.

Propositie 11.14 (De vergelijking van Van ’t Hoff teruggevonden)

De statistische evenwichtsconstante voldoet aan  ⁣dln⁡K∘ ⁣dT=ΔrH∘RT2\dfrac{\dd\ln K^\circ}{\dd T} = \dfrac{\Delta_rH^\circ}{RT^2}.

Bewijs. Elke qJ,m∘q^\circ_{J,\mathrm m} hangt van TT af via zijn niveaus en via Vm∘=RT/p∘V^\circ_{\mathrm m} = RT/p^\circ:  ⁣dln⁡qJ,m∘/ ⁣dT=(UJ−UJ(0))/RT2+1/T\dd\ln q^\circ_{J,\mathrm m}/\dd T = (U_J - U_J(0))/RT^2 + 1/T per mol, volgens Stelling 10.19. Dus is  ⁣dln⁡K∘/ ⁣dT=[ΔrE0+∑νJ(UJ−UJ(0))+∑νJRT]/RT2=(ΔrU+ΔνgRT)/RT2=ΔrH∘/RT2\dd\ln K^\circ/\dd T = [\Delta_rE_0 + \sum\nu_J(U_J - U_J(0)) + \sum\nu_JRT]/RT^2 = (\Delta_rU + \Delta\nu_{\mathrm g}RT)/RT^2 = \Delta_rH^\circ/RT^2 voor ideale gassen. ∎

Uit de helling van het linkerdeel van de figuur is de dissociatie-enthalpie van jood rond 1000 K1000\,\mathrm{K} gelijk aan 154 kJ/mol154\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}: D0D_0 plus de extra translatie-energie van twee atomen ten opzichte van één molecuul, min zijn rotatie- en vibratie-energie.

11.4 Isotoopeffecten

Isotopologen hebben dezelfde elektronenstructuur, en dus dezelfde potentiële-energiekromme en dezelfde krachtconstanten, maar verschillende massa’s: hun vibratiegolfgetallen, nulpuntsenergieën en toestandssommen verschillen, en dus ook hun evenwichtsconstanten.

Definitie 11.15 (Evenwichtsisotoopeffect, fractioneringsfactor, δ\delta-waarde)

Het evenwichtsisotoopeffect van een reactie is de verhouding Klicht/KzwaarK_{\mathrm{licht}}/K_{\mathrm{zwaar}} van haar evenwichtsconstanten met het lichte en het zware isotoop. De fractioneringsfactor tussen twee fasen of verbindingen A en B is αA/B=RA/RB\alpha_{\mathrm{A/B}} = R_{\mathrm A}/R_{\mathrm B}, waarin RR de verhouding is van het zware tot het lichte isotoop (bijvoorbeeld X18X2218O/X16X2216O\ce{^{18}O}/\ce{^{16}O}). De δ\delta-waarde van een monster is δ=(Rmonster/Rstandaard−1)×1000\delta = (R_{\mathrm{monster}}/R_{\mathrm{standaard}} - 1) \times 1000, in promille (‰).

Propositie 11.16 (Isotoopeffecten uit nulpuntsenergieën)

Voor een uitwisseling XH+YD⇌XD+YH\ce{XH + YD <=> XD + YH} bij temperaturen waarbij de strekvibraties bevroren zijn, is de dominante factor van de evenwichtsconstante

K≈exp⁡(−ΔZPEkT),ΔZPE=12hc[ν~XD+ν~YH−ν~XH−ν~YD],K \approx \exp\Bigl(-\frac{\Delta\mathrm{ZPE}}{kT}\Bigr), \qquad \Delta\mathrm{ZPE} = \tfrac12hc\bigl[\tilde\nu_{\mathrm{XD}} + \tilde\nu_{\mathrm{YH}} - \tilde\nu_{\mathrm{XH}} - \tilde\nu_{\mathrm{YD}}\bigr],

en ν~D≈ν~H/2\tilde\nu_{\mathrm D} \approx \tilde\nu_{\mathrm H}/\sqrt2 voor een waterstofatoom gebonden aan een zwaar atoom. Het zware isotoop hoopt zich op in de stijvere binding.

Bewijs. Stelling 11.10 met de energieën gemeten vanaf de bodem van de gemeenschappelijke potentiaalkrommen: ΔrE0\Delta_rE_0 is de verandering van de nulpuntsenergie. De translatie- en rotatiefactoren vallen nagenoeg weg tussen twee uitwisselingen van dezelfde isotopen op zware partners, en de vibratietoestandssommen zijn 1 wanneer ze bevroren zijn. Met ν~∝μ−1/2\tilde\nu \propto \mu^{-1/2} en μXD≈2μXH\mu_{\mathrm{XD}} \approx 2\mu_{\mathrm{XH}} voor een zware X is ν~XD=ν~XH/2\tilde\nu_{\mathrm{XD}} = \tilde\nu_{\mathrm{XH}}/\sqrt2, en ΔZPE=12hc(1−1/2)(ν~YH−ν~XH)\Delta\mathrm{ZPE} = \frac12hc(1 - 1/\sqrt2)(\tilde\nu_{\mathrm{YH}} - \tilde\nu_{\mathrm{XH}}): negatief, dus K>1K > 1, wanneer X–H de stijvere binding is. ∎

Dezelfde redenering verklaart de fractionering van zuurstofisotopen tussen water en zijn damp, tussen water en het carbonaat van een schelp, of tussen twee mineralen: de fractioneringsfactor nadert tot 1 bij hoge temperatuur (zoals KHDK_{\mathrm{HD}} tot zijn symmetrielimiet nadert) en wijkt van 1 af naarmate de temperatuur daalt. Gemeten als δ\delta-waarden is hij een thermometer: de δ18\delta^{18}O van het carbonaat van fossiele schelpen registreert de temperatuur van het water waarin ze groeiden, en die van het ijs van poolkernen de temperatuur van de wolken die de sneeuw ervan vormden.

In het laboratorium — Een ortho-paraconvertor

Een waterstofliquefactor koelt het gas in trappen af en voert het tussen de trappen door bedden van een paramagnetische katalysator, gewoonlijk gehydrateerd ijzer(III)oxide. De omzettingswarmte wordt dan bij elke temperatuur door de koelmachine afgevoerd, en de vloeistof die de tank bereikt, ligt dicht bij haar evenwichtssamenstelling, vrijwel helemaal para. Zonder katalysator zou de omzettingswarmte in de tank vrijkomen.

Veiligheid

Waterstof: een zeer licht ontvlambaar gas, opgeslagen onder druk of als cryogene vloeistof. Het vormt explosieve mengsels met lucht over een zeer breed gebied en brandt met een bijna onzichtbare vlam; de vloeistof veroorzaakt koudebrandwonden en de damp verdringt de lucht.

Geschiedenis — De twee waterstoffen, 1927–1929

Werner Heisenberg en Friedrich Hund voorspelden in 1927 dat waterstofmoleculen in twee vormen moesten bestaan die verschillen door hun kernspins, en David Dennison toonde datzelfde jaar aan dat de raadselachtige warmtecapaciteit van waterstof, gemeten onder kamertemperatuur, die was van een mengsel 3:1 van beide, bevroren in zijn samenstelling bij kamertemperatuur. In 1929 adsorbeerden Karl Friedrich Bonhoeffer en Paul Harteck waterstof op houtskool bij de temperatuur van vloeibare lucht, desorbeerden ze bijna zuivere parawaterstof, herkenbaar aan haar andere warmtegeleidbaarheid, en stelden ze vast dat die maar heel traag terug overging in het normale mengsel.

11.5 Oefeningen

Oefening 11.1 ★

Geef de hogetemperatuurlimiet van CV,mC_{V,\mathrm m} van COX2\ce{CO2} (lineair, 3 atomen), en zeg welke bijdragen bij kamertemperatuur nog bevroren zijn.

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.1.

32R+R+(3×3−5)R=6.5R=54.0 J K−1 mol−1\frac32R + R + (3 \times 3 - 5)R = 6.5R = 54.0\,\mathrm{J}\,\mathrm{K}^{-1}\,\mathrm{mol}^{-1}. Bij kamertemperatuur zijn translatie en rotatie klassiek, zijn de twee strekvibraties bevroren en is de tweevoudig ontaarde buigvibratie, de laagste vibratie, gedeeltelijk aangeslagen.

Oefening 11.2 ★

Bereken de einsteinfunctie bij T=θVT = \theta_{\mathrm V} en bij T=θV/10T = \theta_{\mathrm V}/10.

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.2.

x=1x = 1: e/(e−1)2=0.921\eu/(\eu - 1)^2 = 0.921. x=10x = 10: 100e10/(e10−1)2≈100e−10=4.5×10−3100\eu^{10}/(\eu^{10} - 1)^2 \approx 100\eu^{-10} = 4.5 \times 10^{-3}.

Oefening 11.3 ★

Bereken met θR=85.35 K\theta_{\mathrm R} = 85.35\,\mathrm{K} voor HX2\ce{H2} de fractie para in evenwicht bij 20 K20\,\mathrm{K} (alleen J=0J = 0 en J=1J = 1 tellen mee) en bij 77 K77\,\mathrm{K} (J≤3J \le 3).

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.3.

20 K20\,\mathrm{K}: xpara=1/(1+3×3e−2×85.35/20)=1/(1+9×1.96×10−4)=0.998x_{\mathrm{para}} = 1/(1 + 3 \times 3\eu^{-2 \times 85.35/20}) = 1/(1 + 9 \times 1.96 \times 10^{-4}) = 0.998. 77 K77\,\mathrm{K}: even som 1+5e−6.651=1.00651 + 5\eu^{-6.651} = 1.0065; oneven som 3(3e−2.217+7e−13.30)=0.98063(3\eu^{-2.217} + 7\eu^{-13.30}) = 0.9806; xpara=1.0065/1.9871=0.51x_{\mathrm{para}} = 1.0065/1.9871 = 0.51.

Oefening 11.4 ★

Leg uit waarom deuterium (kernspin 1) de gewichten ortho:para 6:36 : 3 geeft, welke vorm stabiel is bij 0 K, en hoe groot de verhouding is bij kamertemperatuur.

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.4.

Voor I=1I = 1 zijn er 3×2=63 \times 2 = 6 symmetrische en 3×1=33 \times 1 = 3 antisymmetrische spintoestanden; deuteronen zijn bosonen, dus de totale golffunctie is symmetrisch: symmetrische spintoestanden bij even JJ (ortho, gewicht 6), antisymmetrische bij oneven JJ (para, gewicht 3). Orthodeuterium, dat J=0J = 0 bevat, is stabiel bij 0 K; bij kamertemperatuur is ortho:para = 2:1.

Oefening 11.5 ★★

De nulpuntsenergieën van HX2\ce{H2}, DX2\ce{D2} en HD zijn 2170.3, 1542.3 en 1883.7 cm−11883.7\,\mathrm{cm}^{-1}. Bereken ΔrE0\Delta_rE_0 voor HX2+DX2⇌2 HD\ce{H2 + D2 <=> 2 HD} en de factor e−ΔrE0/RT\eu^{-\Delta_rE_0/RT} bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K}. Vergelijk 4e−ΔrE0/RT4\eu^{-\Delta_rE_0/RT} met de volledige statistische waarde, 3.26.

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.5.

ΔrE0=2×1883.7−2170.3−1542.3=54.8 cm−1\Delta_rE_0 = 2 \times 1883.7 - 2170.3 - 1542.3 = 54.8\,\mathrm{cm}^{-1}; e−54.8/207.2=0.768\eu^{-54.8/207.2} = 0.768, en 4×0.768=3.074 \times 0.768 = 3.07. De volledige waarde, 3.26, is 6 % hoger: de translatie-, rotatie- en vibratiefactoren vallen alleen in de klassieke limiet precies weg, en de rotatie van deze lichte moleculen is bij 298 K298\,\mathrm{K} nog gedeeltelijk gekwantiseerd.

Oefening 11.6 ★★

Schat de restentropie van een kristal van NX2O\ce{N2O} (lineair NNO, dat in twee richtingen kan wijzen) en van CHX3D\ce{CH3D} (dat zijn D op elk van vier posities kan plaatsen).

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.6.

NX2O\ce{N2O}: twee oriëntaties, Rln⁡2=5.76 J K−1 mol−1R\ln2 = 5.76\,\mathrm{J}\,\mathrm{K}^{-1}\,\mathrm{mol}^{-1}. CHX3D\ce{CH3D}: vier, Rln⁡4=11.53 J K−1 mol−1R\ln4 = 11.53\,\mathrm{J}\,\mathrm{K}^{-1}\,\mathrm{mol}^{-1} (bovengrenzen, bereikt als de schikkingen willekeurig zijn).

Oefening 11.7 ★★

Bereken Cp,mC_{p,\mathrm m} van ClX2\ce{Cl2} bij 300 K300\,\mathrm{K} uit θV=797.6 K\theta_{\mathrm V} = 797.6\,\mathrm{K} en vergelijk met de getabelleerde 33.981 J K−1 mol−133.981\,\mathrm{J}\,\mathrm{K}^{-1}\,\mathrm{mol}^{-1}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.7.

x=797.6/300=2.659x = 797.6/300 = 2.659: einsteinfunctie x2e−x/(1−e−x)2=0.572x^2\eu^{-x}/(1 - \eu^{-x})^2 = 0.572; CV/R=3.072C_V/R = 3.072, Cp=4.072R=33.86 J K−1 mol−1C_p = 4.072R = 33.86\,\mathrm{J}\,\mathrm{K}^{-1}\,\mathrm{mol}^{-1}, 0.4 % onder de tabel (anharmoniciteit).

Oefening 11.8 ★★

Bereken de vibratiewarmtecapaciteit van IX2\ce{I2} (θV=306.9 K\theta_{\mathrm V} = 306.9\,\mathrm{K}) bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K}, als fractie van haar equipartitiewaarde.

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.8.

x=1.029x = 1.029: x2e−x/(1−e−x)2=0.916x^2\eu^{-x}/(1 - \eu^{-x})^2 = 0.916, dus 7.62 J K−1 mol−17.62\,\mathrm{J}\,\mathrm{K}^{-1}\,\mathrm{mol}^{-1}, 92 % van RR: de vibratie van jood is bij kamertemperatuur bijna klassiek.

Oefening 11.9 ★★

Een watermonster A heeft δ18O=−10.0\delta^{18}\mathrm O = -10.0 ‰ en een monster B +2.0+2.0 ‰ op dezelfde schaal. Welk is rijker aan X18X2218O\ce{^{18}O}? Bereken de fractioneringsfactor αA/B\alpha_{\mathrm{A/B}}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.9.

B is rijker aan X18X2218O\ce{^{18}O}. αA/B=(1−0.0100)/(1+0.0020)=0.98802\alpha_{\mathrm{A/B}} = (1 - 0.0100)/(1 + 0.0020) = 0.98802.

Oefening 11.10 ★★★

In de uitwisseling XH+YD⇌XD+YH\ce{XH + YD <=> XD + YH} (gegevens van de oefening) is ν~XH=3000 cm−1\tilde\nu_{\mathrm{XH}} = 3000\,\mathrm{cm}^{-1} en ν~YH=2000 cm−1\tilde\nu_{\mathrm{YH}} = 2000\,\mathrm{cm}^{-1}, met X en Y zwaar. Schat KK bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K} en zeg waar het deuterium naartoe gaat.

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.10.

ΔZPE=12(1−1/2)(2000−3000)=−146 cm−1\Delta\mathrm{ZPE} = \frac12(1 - 1/\sqrt2)(2000 - 3000) = -146\,\mathrm{cm}^{-1}; K=e146.4/207.2=2.0K = \eu^{146.4/207.2} = 2.0. Het deuterium gaat bij voorkeur naar X, de stijvere binding, waar zijn besparing aan nulpuntsenergie het grootst is.

Oefening 11.11 ★★★

De statistische constanten van IX2⇌2 I\ce{I2 <=> 2 I} zijn log⁡K∘=−3.392\log K^\circ = -3.392 bij 900 K900\,\mathrm{K} en −1.766-1.766 bij 1100 K1100\,\mathrm{K}. Leid de gemiddelde ΔrH∘\Delta_rH^\circ over het interval af en verklaar waarom ze groter is dan D0=148.8 kJ/molD_0 = 148.8\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.11.

ΔrH∘=Rln⁡10 (−1.766+3.392)/(1/900−1/1100)=19.145×1.626/2.020×10−4=154 kJ/mol\Delta_rH^\circ = R\ln10\,(-1.766 + 3.392)/(1/900 - 1/1100) = 19.145 \times 1.626/2.020 \times 10^{-4} = 154\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}. De twee atomen dragen 2×52RT2 \times \frac52RT aan enthalpie; het molecuul 52RT+RT\frac52RT + RT (rotatie) plus zijn vibratie-energie RθV/(eθV/T−1)R\theta_{\mathrm V}/(\eu^{\theta_{\mathrm V}/T} - 1), iets minder dan RTRT: het verschil, ongeveer 5 kJ/mol5\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol} bij 1000 K1000\,\mathrm{K}, komt bij D0D_0.

Oefening 11.12 ★★★

Voor parawaterstof bij lage temperatuur tellen alleen J=0J = 0 en J=2J = 2 mee. Toon aan dat haar rotatiewarmtecapaciteit C/R=5x2e−x/(1+5e−x)2C/R = 5x^2\eu^{-x}/(1 + 5\eu^{-x})^2 is met x=6θR/Tx = 6\theta_{\mathrm R}/T, en bereken ze bij 100 K100\,\mathrm{K} (θR=85.35 K\theta_{\mathrm R} = 85.35\,\mathrm{K}).

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.12.

Niveaus 0 (g=1g = 1) en 6hcB6hcB (g=5g = 5): q=1+5e−xq = 1 + 5\eu^{-x}, ⟨ε⟩/kT=5xe−x/q\langle\varepsilon\rangle/kT = 5x\eu^{-x}/q, ⟨ε2⟩/(kT)2=5x2e−x/q\langle\varepsilon^2\rangle/(kT)^2 = 5x^2\eu^{-x}/q, en C/R=⟨ε2⟩/(kT)2−(⟨ε⟩/kT)2=5x2e−x/(1+5e−x)2C/R = \langle\varepsilon^2\rangle/(kT)^2 - (\langle\varepsilon\rangle/kT)^2 = 5x^2\eu^{-x}/(1 + 5\eu^{-x})^2. Bij 100 K100\,\mathrm{K} is x=5.121x = 5.121: C/R=0.783/1.061=0.738C/R = 0.783/1.061 = 0.738.

11.6 Probleem: vloeibare waterstof opslaan

Probleem 11.1

Weekendprobleem — vloeibare waterstof opslaan: de twee kernspinvormen, de warmte van hun omzetting, de verdamping die ze veroorzaakt en de katalysator die ze voorkomt

Waterstof wordt vloeibaar gemaakt bij zijn kookpunt, 20.37 K20.37\,\mathrm{K} onder 1.013 25 bar1.013\,25\,\mathrm{bar}, waar zijn verdampingsenthalpie 0.905 kJ/mol0.905\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol} is. Rotatieniveaus: F(J)=B0J(J+1)−DJ2(J+1)2F(J) = B_0J(J+1) - D J^2(J+1)^2 met B0=59.322 cm−1B_0 = 59.322\,\mathrm{cm}^{-1} en D=0.0471 cm−1D = 0.0471\,\mathrm{cm}^{-1} (θR=85.35 K\theta_{\mathrm R} = 85.35\,\mathrm{K}). Molaire massa 2.016 g/mol2.016\,\mathrm{g}/\mathrm{mol}. De niet-gekatalyseerde omzetting ortho →\to para in de vloeistof wordt beschouwd als een eersteordereactie, k=0.0114 h−1k = 0.0114\,\mathrm{h}^{-1} (gegevens van het probleem).

Deel I — De twee vormen.

  1. Hoeveel kernspintoestanden heeft een paar protonen? Hoeveel zijn er symmetrisch onder verwisseling, hoeveel antisymmetrisch?
  2. Welke spintoestanden horen bij even JJ, welke bij oneven JJ, en waarom?
  3. Geef de spingewichten van de even en de oneven niveaus.
  4. Toon aan dat de verhouding ortho:para van waterstof bij kamertemperatuur 3:1 is.
  5. Bereken de energie van J=1J = 1 boven J=0J = 0, in cm−1\mathrm{cm}^{-1} en in kJ/mol\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}.
  6. Bereken de fractie para in evenwicht bij 20.37 K20.37\,\mathrm{K}.
  7. Het mengsel in evenwicht is voor de helft para bij ongeveer 78 K78\,\mathrm{K}. Waarom ligt deze temperatuur dicht bij θR\theta_{\mathrm R}?

Deel II — De omzettingswarmte.

  1. Wat is de orthofractie van pas vloeibaar gemaakte waterstof zonder katalysator? Waarom verandert ze niet tijdens het vloeibaar maken?
  2. Bereken de warmte die vrijkomt wanneer een mol ervan bij 20.37 K20.37\,\mathrm{K} het evenwicht bereikt.
  3. Druk ze uit per kilogram.
  4. Druk de verdampingsenthalpie uit per kilogram.
  5. Vergelijk de twee.
  6. Waarom kan een betere isolatie van de tank deze warmte niet wegnemen?

Deel III — Verdamping.

  1. Geef de orthofractie na een tijd tt in de tank.
  2. Bereken ze na 24 h24\,\mathrm{h}.
  3. Bereken de warmte die per mol vloeistof vrijkomt in de eerste 24 h24\,\mathrm{h}.
  4. Welke fractie van de vloeistof zou deze warmte doen verdampen?
  5. Herhaal voor een week. Waarom overschat deze eenvoudige schatting het verlies?
  6. Bereken de halveringstijd van de omzetting.

Deel IV — De katalysator en de warmtecapaciteit.

  1. Waar in een liquefactor moet de omzetting plaatsvinden, en waarom?
  2. Is normale waterstof bij 300 K300\,\mathrm{K} in ortho-paraevenwicht?
  3. Waarom hebben normale waterstof en waterstof in evenwicht tussen ongeveer 30 en 200 K200\,\mathrm{K} verschillende warmtecapaciteiten?
  4. Lees op de figuur van de warmtecapaciteit het maximum van CV,m/RC_{V,\mathrm m}/R van waterstof in evenwicht af, en leg uit waarom het groter is dan 52\frac52.
  5. Hoe groot is CV,m/RC_{V,\mathrm m}/R van normale waterstof bij 50 K50\,\mathrm{K}?
  6. Formuleer het resultaat: de verhouding van de omzettingswarmte van normale waterstof tot haar verdampingsenthalpie, en wat dat betekent voor de tank.
Oplossing

Oplossing van Probleem 11.1.

1. 2×2=42 \times 2 = 4: drie symmetrische (het triplet), één antisymmetrische (het singulet). 2. Protonen zijn fermionen, dus de totale golffunctie verandert van teken bij verwisseling; de rotatiefunctie geeft (−1)J(-1)^J: even JJ hoort bij het antisymmetrische singulet (para), oneven JJ bij het symmetrische triplet (ortho). 3. Even niveaus 1, oneven niveaus 3. 4. Bij 300 K300\,\mathrm{K} (T=3.5 θRT = 3.5\,\theta_{\mathrm R}) zijn de even en de oneven rotatiesom bijna gelijk; gewogen met 1 en 3 geven ze 1:3 (parafractie 0.2507). 5. F(1)=2×59.322−4×0.0471=118.46 cm−1=1.417 kJ/molF(1) = 2 \times 59.322 - 4 \times 0.0471 = 118.46\,\mathrm{cm}^{-1} = 1.417\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}. 6. 1/(1+9e−170.4/20.37)=1/(1+9×2.3×10−4)=0.9981/(1 + 9\eu^{-170.4/20.37}) = 1/(1 + 9 \times 2.3 \times 10^{-4}) = 0.998. 7. Met alleen J=0J = 0 en 1 betekent half para 9e−2θR/T=19\eu^{-2\theta_{\mathrm R}/T} = 1, T=2θR/ln⁡9=0.91 θR=78 KT = 2\theta_{\mathrm R}/\ln9 = 0.91\,\theta_{\mathrm R} = 78\,\mathrm{K}: het is een wedstrijd tussen het gewicht 9 van J=1J = 1 en zijn boltzmannfactor. 8. 0.75. Zonder katalysator vraagt de omzetting dagen, het vloeibaar maken uren. 9. (0.75−0.002)×1.417=1.060 kJ/mol(0.75 - 0.002) \times 1.417 = 1.060\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}. 10. 1.060/2.016×10−3=526 kJ/kg1.060/2.016 \times 10^{-3} = 526\,\mathrm{kJ}/\mathrm{kg}. 11. 0.905/2.016×10−3=449 kJ/kg0.905/2.016 \times 10^{-3} = 449\,\mathrm{kJ}/\mathrm{kg}. 12. De omzettingswarmte is 1.17 keer de verdampingsenthalpie. 13. Ze ontstaat in de vloeistof zelf en komt niet via de wanden binnen. 14. xo(t)=xeq+(0.75−xeq)e−ktx_{\mathrm o}(t) = x_{\mathrm{eq}} + (0.75 - x_{\mathrm{eq}})\eu^{-kt}, met xeq=0.002x_{\mathrm{eq}} = 0.002. 15. 0.002+0.748e−0.274=0.5710.002 + 0.748\eu^{-0.274} = 0.571. 16. (0.75−0.571)×1.417=0.254 kJ/mol(0.75 - 0.571) \times 1.417 = 0.254\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}. 17. 0.254/0.905=0.280.254/0.905 = 0.28: 28 % van de tank op één dag. 18. Na 168 h168\,\mathrm{h} is xo=0.112x_{\mathrm o} = 0.112, warmte 0.904 kJ/mol0.904\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}, gelijk aan de verdampingsenthalpie: in dit model is de tank leeg. De schatting overschat het verlies omdat de verdampte moleculen hun niet-omgezette orthowaterstof meenemen; het werkelijke verlies is kleiner, maar nog steeds groot. 19. t1/2=ln⁡2/0.0114=61 ht_{1/2} = \ln2/0.0114 = 61\,\mathrm{h}. 20. In de liquefactor, op katalysatorbedden bij opeenvolgende temperaturen, zodat de koelmachine de omzettingswarmte afvoert voordat de vloeistof opgeslagen wordt. 21. Ja: de parafractie in evenwicht bij 300 K300\,\mathrm{K} is 0.2507. 22. In normale waterstof kunnen de twee vormen niet in elkaar overgaan, zodat de rotatie van elk ervan bevriest op haar eigen ladder van niveaus; in waterstof in evenwicht zet een deel van de toegevoerde warmte para om in ortho. 23. Ongeveer 3.57 rond 50 K50\,\mathrm{K}: naast het aanslaan van de rotatie zet de warmte moleculen om van J=0J = 0 naar J=1J = 1, 118 cm−1118\,\mathrm{cm}^{-1} hoger, een reactie met een positieve enthalpie. 24. 1.50: de rotatie is in beide vormen bevroren (para in J=0J = 0, ortho in J=1J = 1). 25. Omzettingswarmte / verdampingsenthalpie ≈1.2\approx 1.2 voor normale waterstof: de omzetting alleen al zou de hele tank kunnen doen verdampen, en daarom wordt waterstof vóór de opslag naar para omgezet.

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 852 begrippen in de begrippenlijst