Chemistry · Boek 4 · Bachelor Year 3

Universitaire scheikunde — jaar 3

Universitaire scheikunde — jaar 3 · Bachelor Year 3

10Statistische thermodynamica: toestandssommen

Op het graf van Ludwig Boltzmann in Wenen staat één enkele regel, S=klog⁡WS = k\log W: de entropie van een systeem telt de manieren waarop zijn moleculen zijn energie kunnen verdelen. De thermodynamica zoals de delen van jaar 1 en jaar 2 haar opbouwden, heeft nooit moleculen nodig: ze verbindt gemeten warmten, entropieën en evenwichtsconstanten met elkaar. De statistische thermodynamica berekent ze uit de moleculen zelf. Haar centrale object is één enkele som over de energieniveaus van één molecuul, de toestandssom; de niveaus komen uit de spectroscopie, en de standaardentropie van stikstof, berekend uit zijn spectrum, stemt tot op een honderdste joule per kelvin en per mol overeen met de getabelleerde waarde. Dit hoofdstuk bouwt de toestandssom op, splitst haar in haar translatie-, rotatie-, vibratie- en elektronische delen, en zet haar om in inwendige energie, entropie en gibbsenergie; Hoofdstuk 11 past haar toe op warmtecapaciteiten en evenwichtsconstanten.

Wat je al weet

Het deel van jaar 2 definieerde de standaard molaire entropie, de gibbsenergie en de chemische potentiaal, en zette entropieën in tabellen die verkregen werden uit warmtecapaciteiten gemeten tot bij lage temperatuur. Hoofdstuk 1 gaf de energieniveaus van een deeltje in een doos, van de harmonische oscillator en van de starre rotor, EJ=hcBJ(J+1)E_J = hcBJ(J+1) met ontaardingsgraad 2J+12J + 1; Hoofdstuk 6 mat BB en ν~\tilde\nu voor diatomische moleculen en vond dat in een homonucleair molecuul zoals NX2\ce{N2} de kernspins om de beurt rotatieniveaus ongelijk maken.

10.1 Microtoestanden en de boltzmannverdeling

Beschouw NN identieke, onafhankelijke moleculen die niveaus met energie ε0=0<ε1<ε2<…\varepsilon_0 = 0 < \varepsilon_1 < \varepsilon_2 < \dots kunnen bezetten, met totale energie EE. Zeggen hoeveel moleculen zich op elk niveau bevinden, {n0,n1,… }\{n_0, n_1, \dots\}, beschrijft een verdeling; zeggen welk molecuul op welk niveau zit, beschrijft veel meer.

Definitie 10.1 (Microtoestand, statistisch gewicht)

Een microtoestand van een systeem van moleculen is een volledige specificatie van de toestand van elk molecuul. Het statistisch gewicht WW van een verdeling {ni}\{n_i\} van NN moleculen over niet-ontaarde niveaus is het aantal microtoestanden dat haar realiseert:

W=N!n0! n1! n2!⋯.W = \frac{N!}{n_0!\,n_1!\,n_2!\cdots}.

Voorbeeld 10.2 (Drie kwanta over drie oscillatoren)

Drie oscillatoren delen drie energiekwanta. De verdeling “één oscillator heeft ze alle drie” kan op 3!/(1! 2!)=33!/(1!\,2!) = 3 manieren gerealiseerd worden, “één heeft er twee, een andere één” op 3!=63! = 6 manieren en “elk heeft er één” op één manier: tien microtoestanden in totaal, en de meest gelijkmatige verdeling die de energie toch over meerdere niveaus spreidt, is de waarschijnlijkste. Met 102310^{23} moleculen worden de gewichten zo scherp gepiekt dat één verdeling, samen met de verdelingen die er verwaarloosbaar weinig van verschillen, praktisch alle microtoestanden draagt.

Opmerking 10.3

Het postulaat van de statistische thermodynamica is dat alle microtoestanden van een geïsoleerd systeem met een gegeven energie even waarschijnlijk zijn. Het systeem wordt dan overweldigend vaak aangetroffen in de verdeling met het grootste gewicht: die vinden is de taak van deze paragraaf.

Voor grote getallen geeft de benadering van Stirling ln⁡x!≈xln⁡x−x\ln x! \approx x\ln x - x

ln⁡W=Nln⁡N−∑iniln⁡ni.\ln W = N\ln N - \sum_i n_i\ln n_i .

Definitie 10.4 (Boltzmannverdeling, bezetting)

De bezetting ni/Nn_i/N van een niveau is de fractie van de moleculen die het bezetten. De boltzmannverdeling is de verdeling met het grootste gewicht van onafhankelijke moleculen in thermisch evenwicht bij temperatuur TT, gegeven door de stelling hieronder.

Stelling 10.5 (De boltzmannverdeling)

Voor onafhankelijke moleculen in evenwicht bij temperatuur TT is de bezetting van een niveau met energie εi\varepsilon_i en ontaardingsgraad gig_i

niN=gie−εi/kTq,q=∑igie−εi/kT,\frac{n_i}{N} = \frac{g_i\eu^{-\varepsilon_i/kT}}{q}, \qquad q = \sum_i g_i\eu^{-\varepsilon_i/kT},

waarin kk de boltzmannconstante is. Twee niveaus hebben bezettingen in de verhouding njni=gjgie−(εj−εi)/kT\frac{n_j}{n_i} = \frac{g_j}{g_i}\eu^{-(\varepsilon_j - \varepsilon_i)/kT}.

Gedeeltelijk bewijs. Neem eerst niet-ontaarde niveaus. Maximaliseer ln⁡W\ln W onder de twee voorwaarden ∑ini=N\sum_in_i = N en ∑iniεi=E\sum_in_i\varepsilon_i = E met lagrangemultiplicatoren α\alpha en β\beta: voor elke ii is

∂∂ni(ln⁡W+α∑jnj−β∑jnjεj)=−ln⁡ni−1+α−βεi=0,\frac{\partial}{\partial n_i}\Bigl(\ln W + \alpha\sum_jn_j - \beta\sum_jn_j\varepsilon_j\Bigr) = -\ln n_i - 1 + \alpha - \beta\varepsilon_i = 0,

dus ni=eα−1e−βεin_i = \eu^{\alpha - 1}\eu^{-\beta\varepsilon_i}, en de eerste voorwaarde legt eα−1=N/∑je−βεj\eu^{\alpha - 1} = N/\sum_j\eu^{-\beta\varepsilon_j} vast. Een niveau met ontaardingsgraad gig_i bestaat uit gig_i verschillende toestanden met dezelfde energie, elk bezet zoals hierboven: zijn bezetting wordt vermenigvuldigd met gig_i. De multiplicator β\beta wordt vastgelegd met één bekend geval: voor de translatiebeweging van een ideaal gas (Propositie 10.11 hieronder) geeft de verdeling een energie 32N/β\frac32N/\beta, en de energie van een ideaal gas is 32NkT\frac32NkT; dus β=1/kT\beta = 1/kT. Dat β\beta dezelfde grootheid is voor elk soort beweging, en dat het de thermodynamische temperatuur is, wordt hier aangenomen: twee systemen in thermisch contact delen dezelfde β\beta, wat de bepalende eigenschap van de temperatuur is. ∎

Definitie 10.6 (Moleculaire toestandssom)

De moleculaire toestandssom van een molecuul bij temperatuur TT is de som

q=∑niveausgie−εi/kT=∑toestandene−εs/kT,q = \sum_{\text{niveaus}}g_i\eu^{-\varepsilon_i/kT} = \sum_{\text{toestanden}}\eu^{-\varepsilon_s/kT},

met energieën gemeten vanaf het laagste niveau, zodat q≥1q \ge 1.

De toestandssom telt de toestanden die thermisch toegankelijk zijn: bij zeer lage temperatuur draagt alleen het laagste niveau bij en q→g0q \to g_0; bij zeer hoge temperatuur draagt elke toestand ongeveer 1 bij en groeit qq zonder grens. Daaruit volgt een vuistregel: niveaus die veel meer dan kTkT boven het laagste liggen, zijn leeg, niveaus binnen kTkT ervan zijn bezet. Bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K} komt kTkT overeen met 207.2 cm−1207.2\,\mathrm{cm}^{-1}, of RT=2.479 kJ/molRT = 2.479\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}.

Methode 10.7 (Bezettingen van niveaus uit spectroscopische constanten)

  1. Maak een lijst van de niveaus met hun energieën (uit de constanten, bijvoorbeeld hcBJ(J+1)hcBJ(J+1)) en ontaardingsgraden (2J+12J + 1).
  2. Druk elke energie uit in eenheden van kTkT; deel bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K} een golfgetal door 207.2 cm−1207.2\,\mathrm{cm}^{-1}.
  3. Vorm de termen gie−εi/kTg_i\eu^{-\varepsilon_i/kT}, tel ze op om qq te krijgen, en deel. Stop de som wanneer de termen verwaarloosbaar worden.
  4. Controle: de bezettingen tellen op tot 1; de verhouding van twee ervan is gjgie−(εj−εi)/kT\frac{g_j}{g_i}\eu^{-(\varepsilon_j-\varepsilon_i)/kT}.

Voorbeeld 10.8 (De rotatieniveaus van waterstofchloride)

Voor HX35X2235Cl\ce{H^{35}Cl} is B0=Be−αe/2=10.44 cm−1B_0 = B_e - \alpha_e/2 = 10.44\,\mathrm{cm}^{-1}. Bij 300 K300\,\mathrm{K} ligt het niveau JJ bij 10.44 J(J+1)10.44\,J(J+1) cm−1\mathrm{cm}^{-1}, dus bij 0.0501 J(J+1)0.0501\,J(J+1) in eenheden van kTkT. De termen (2J+1)e−0.0501J(J+1)(2J+1)\eu^{-0.0501J(J+1)} zijn 1, 2.71, 3.70, 3.84, 3.31, 2.45, …; hun som is q=20.3q = 20.3 en de bezettingen van J=0J = 0 tot 4 zijn 0.049, 0.134, 0.182, 0.189 en 0.163: het sterkst bezette niveau is J=3J = 3, niet J=0J = 0, omdat de ontaardingsgraad 2J+12J + 1 groeit terwijl de boltzmannfactor daalt. Dit is de omhullende van de rotatie-vibratieband van Hoofdstuk 6.

Een boltzmanntrap: de rotatieniveaus J = 0 tot 3 (energieën 0, 2, 6, 12 maal hcB, ontaardingsgraden 2J + 1) en hun bezettingen, als lengten van balken, bij kT = 2hcB en kT = 10hcB (alleen de vier niveaus). Opwarmen maakt het laagste niveau leger ten voordele van de hogere; bij beide temperaturen tellen de balken op tot hetzelfde totaal, het aantal moleculen.
Een boltzmanntrap: de rotatieniveaus J=0J = 0 tot 3 (energieën 00, 22, 66, 1212 maal hcBhcB, ontaardingsgraden 2J+12J + 1) en hun bezettingen, als lengten van balken, bij kT=2hcBkT = 2hcB en kT=10hcBkT = 10hcB (alleen de vier niveaus). Opwarmen maakt het laagste niveau leger ten voordele van de hogere; bij beide temperaturen tellen de balken op tot hetzelfde totaal, het aantal moleculen.

10.2 De moleculaire toestandssom

Propositie 10.9 (Factorisatie)

Als de energie van een molecuul een som is van onafhankelijke bijdragen, ε=εT+εR+εV+εE\varepsilon = \varepsilon^{\mathrm T} + \varepsilon^{\mathrm R} + \varepsilon^{\mathrm V} + \varepsilon^{\mathrm E}, waarbij elke toestand een willekeurige combinatie is van een translatie-, een rotatie-, een vibratie- en een elektronische toestand, dan is

q=qTqRqVqE.q = q^{\mathrm T}q^{\mathrm R}q^{\mathrm V}q^{\mathrm E}.

Bewijs. De som over alle combinaties van een exponentiële van een som is het product van de afzonderlijke sommen: ∑a,be−(εa+εb)/kT=(∑ae−εa/kT)(∑be−εb/kT)\sum_{a,b}\eu^{-(\varepsilon_a+\varepsilon_b)/kT} = \bigl(\sum_a\eu^{-\varepsilon_a/kT}\bigr) \bigl(\sum_b\eu^{-\varepsilon_b/kT}\bigr), en evenzo voor vier factoren. ∎

De scheiding is een benadering: rotatie en vibratie wisselwerken (de constante αe\alpha_e), en de elektronische toestand bepaalt de rotatie- en vibratieconstanten. Voor een molecuul in zijn elektronische grondtoestand bij gewone temperaturen bedragen de fouten enkele honderdsten joule per kelvin in een entropie. De bezettingen worden dan voor elk soort beweging afzonderlijk berekend: de fractie moleculen in een vibratieniveau vv hangt niet af van hun rotatie.

10.3 De vier bijdragen

Translatie

Definitie 10.10 (Thermische golflengte)

De thermische golflengte van een molecuul met massa mm bij temperatuur TT is Λ=h2πmkT\Lambda = \dfrac{h}{\sqrt{2\pi mkT}}.

Propositie 10.11 (Translatietoestandssom)

Voor een molecuul met massa mm dat vrij kan bewegen in een volume VV is

qT=VΛ3.q^{\mathrm T} = \frac{V}{\Lambda^3}.

Bewijs. In één dimensie heeft een doos met lengte LL de niveaus εn=h2n2/8mL2\varepsilon_n = h^2n^2/8mL^2 (n=1,2,…n = 1, 2, \dots; de nulpuntsverschuiving verandert niets meetbaars). Ze liggen zo dicht bij elkaar dat de som een integraal is:

qx=∑n≥1e−h2n2/8mL2kT≈∫0∞e−h2n2/8mL2kT ⁣dn=12π 8mL2kTh2=L2πmkTh=LΛ.q_x = \sum_{n\ge1}\eu^{-h^2n^2/8mL^2kT} \approx \int_0^\infty\eu^{-h^2n^2/8mL^2kT}\dd n = \frac12\sqrt{\frac{\pi\,8mL^2kT}{h^2}} = \frac{L\sqrt{2\pi mkT}}{h} = \frac{L}{\Lambda}.

De drie richtingen zijn onafhankelijk: qT=qxqyqz=L3/Λ3q^{\mathrm T} = q_xq_yq_z = L^3/\Lambda^3. De gemiddelde energie per dimensie is −∂ln⁡qx/∂β-\partial\ln q_x/\partial\beta met qx∝β−1/2q_x \propto \beta^{-1/2}, dus 1/2β1/2\beta; drie dimensies geven 32kT\frac32kT per molecuul, zoals gebruikt in het bewijs van Stelling 10.5. ∎

Voorbeeld 10.12 (Argon in een kolf)

Voor argon (M=39.95 g/molM = 39.95\,\mathrm{g}/\mathrm{mol}) bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K} is Λ=16.0 pm\Lambda = 16.0\,\mathrm{pm}, een tiende van een atoomdiameter. In 1 dm31\,\mathrm{dm}^{3} zijn qT=10−3/(1.600×10−11)3=2.44×1029q^{\mathrm T} = 10^{-3}/(1.600\times10^{-11})^3 = 2.44 \times 10^{29} translatietoestanden thermisch toegankelijk, veel meer dan de 2.4×10222.4\times10^{22} atomen die de kolf bij 1 bar1\,\mathrm{bar} bevat: elke toestand is bijna altijd leeg, de voorwaarde waaronder de moleculen geteld kunnen worden zoals hieronder.

Rotatie

Definitie 10.13 (Karakteristieke temperaturen)

De karakteristieke rotatietemperatuur van een lineair molecuul met rotatieconstante BB is θR=hcB/k\theta_{\mathrm R} = hcB/k; de karakteristieke vibratietemperatuur van een vibratie met golfgetal ν~\tilde\nu is θV=hcν~/k\theta_{\mathrm V} = hc\tilde\nu/k.

Definitie 10.14 (Symmetriegetal)

Het symmetriegetal σ\sigma van een molecuul is het aantal verschillende oriëntaties van het starre molecuul die bereikt worden door eigenlijke rotaties en niet te onderscheiden zijn van de beginoriëntatie (de orde van de rotatieondergroep van zijn puntgroep): 1 voor HCl\ce{HCl} en CO\ce{CO}, 2 voor NX2\ce{N2}, COX2\ce{CO2} en HX2O\ce{H2O}, 3 voor NHX3\ce{NH3}, 12 voor CHX4\ce{CH4} en CX6HX6\ce{C6H6}.

Propositie 10.15 (Rotatietoestandssom)

Voor een lineair molecuul is qR=∑J(2J+1)e−θRJ(J+1)/Tq^{\mathrm R} = \sum_J(2J+1)\eu^{-\theta_{\mathrm R}J(J+1)/T}. Wanneer T≫θRT \gg \theta_{\mathrm R}, is

qR≈TσθR=kTσhcB,q^{\mathrm R} \approx \frac{T}{\sigma\theta_{\mathrm R}} = \frac{kT}{\sigma hcB},

met een relatieve fout van ongeveer θR/3T\theta_{\mathrm R}/3T voor σ=1\sigma = 1 (de exacte som ligt dicht bij T/θR+13T/\theta_{\mathrm R} + \frac13).

Gedeeltelijk bewijs. Voor T≫θRT \gg \theta_{\mathrm R} dragen veel niveaus bij en wordt de som een integraal. Met x=J(J+1)x = J(J+1),  ⁣dx=(2J+1) ⁣dJ\dd x = (2J+1)\dd J:

∫0∞(2J+1)e−θRJ(J+1)/T ⁣dJ=∫0∞e−θRx/T ⁣dx=TθR.\int_0^\infty(2J+1)\eu^{-\theta_{\mathrm R}J(J+1)/T}\dd J = \int_0^\infty\eu^{-\theta_{\mathrm R}x/T}\dd x = \frac{T}{\theta_{\mathrm R}}.

De correctie 13\frac13 komt van de volgende term van de formule van Euler-Maclaurin (Oefening 10.11). De factor 1/σ1/\sigma wordt hier aangenomen en verantwoord in Hoofdstuk 11: in een homonucleair molecuul laat de symmetrie van de golffunctie onder verwisseling van de twee identieke kernen voor elke kernspintoestand maar één pariteit van JJ toe (Hoofdstuk 6), zodat gemiddeld de helft van de rotatieniveaus ontbreekt. De rotatietoestanden op deze manier met σ\sigma tellen laat de kernspintoestanden buiten qq; de thermodynamische tabellen volgen dezelfde conventie, en de kernspinfactor valt weg in elke chemische reactie. ∎

Voor NX2\ce{N2} is B0=1.990 cm−1B_0 = 1.990\,\mathrm{cm}^{-1} en θR=2.86 K\theta_{\mathrm R} = 2.86\,\mathrm{K}: bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K} is qR=298.15/(2×2.863)=52.1q^{\mathrm R} = 298.15/(2\times2.863) = 52.1. Voor HCl\ce{HCl} is θR=15.0 K\theta_{\mathrm R} = 15.0\,\mathrm{K} en qR=19.8q^{\mathrm R} = 19.8 (exacte som 20.2). Alleen HX2\ce{H2} (θR=85 K\theta_{\mathrm R} = 85\,\mathrm{K}) en zijn isotopologen hebben bij kamertemperatuur de exacte som nodig. Een niet-lineair molecuul met rotatieconstanten AA, BB, CC heeft qR=1σ(kThc)3/2πABCq^{\mathrm R} = \frac{1}{\sigma}\bigl(\frac{kT}{hc}\bigr)^{3/2}\sqrt{\frac{\pi}{ABC}}, hier aangenomen.

Vibratie

Propositie 10.16 (Vibratietoestandssom)

Voor een harmonische vibratie met golfgetal ν~\tilde\nu, met energieën gemeten vanaf het nulpuntsniveau, is

qV=∑v≥0e−vθV/T=11−e−θV/T.q^{\mathrm V} = \sum_{v\ge0}\eu^{-v\theta_{\mathrm V}/T} = \frac{1}{1 - \eu^{-\theta_{\mathrm V}/T}} .

Ze nadert tot 1 wanneer T≪θVT \ll \theta_{\mathrm V} en tot T/θVT/\theta_{\mathrm V} wanneer T≫θVT \gg \theta_{\mathrm V}. Een molecuul met meerdere normaaltrillingen heeft het product van één zulke factor per trilling.

Bewijs. De niveaus liggen v hcν~v\,hc\tilde\nu boven het nulpuntsniveau: de som is een meetkundige reeks met reden e−θV/T<1\eu^{-\theta_{\mathrm V}/T} < 1. Wanneer T≫θVT \gg \theta_{\mathrm V}, is 1−e−θV/T≈θV/T1 - \eu^{-\theta_{\mathrm V}/T} \approx \theta_{\mathrm V}/T. De normaaltrillingen zijn onafhankelijk (Propositie 10.9). ∎

Als vibratiekwantum van een diatomisch molecuul neemt dit boek de waargenomen fundamentele overgang G(1)−G(0)=ωe−2ωexeG(1) - G(0) = \omega_e - 2\omega_ex_e (Hoofdstuk 6); bij kamertemperatuur tellen alleen de eerste niveaus mee, en hun tussenafstand is wat telt. Stijve, lichte moleculen zijn bevroren: NX2\ce{N2} heeft θV=3352 K\theta_{\mathrm V} = 3352\,\mathrm{K}, qV=1.000013q^{\mathrm V} = 1.000013 bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K}, en slechts 13 moleculen op een miljoen bevinden zich in v=1v = 1. Zware, slappe moleculen niet: IX2\ce{I2} heeft θV=307 K\theta_{\mathrm V} = 307\,\mathrm{K}, qV=1.556q^{\mathrm V} = 1.556, en meer dan een derde van zijn moleculen vibreert.

Boltzmannbezettingen berekend uit de spectroscopische constanten: rotatieniveaus van H35Cl (_ R = 15.0\, K) en van CO (_ R = 2.77\, K; punten verbonden voor de leesbaarheid) bij 100\, K (blauw), 300\, K (grijs) en 1000\, K (rood), en vibratieniveaus van I2 (_ V = 307\, K) bij 300 en 1000\, K. Rotatiebezettingen bereiken hun maximum bij J > 0; vibratiebezettingen dalen altijd met v, omdat de niveaus niet ontaard zijn.
Boltzmannbezettingen berekend uit de spectroscopische constanten: rotatieniveaus van HX35X2235Cl\ce{H^{35}Cl} (θR=15.0 K\theta_{\mathrm R} = 15.0\,\mathrm{K}) en van CO\ce{CO} (θR=2.77 K\theta_{\mathrm R} = 2.77\,\mathrm{K}; punten verbonden voor de leesbaarheid) bij 100 K100\,\mathrm{K} (blauw), 300 K300\,\mathrm{K} (grijs) en 1000 K1000\,\mathrm{K} (rood), en vibratieniveaus van IX2\ce{I2} (θV=307 K\theta_{\mathrm V} = 307\,\mathrm{K}) bij 300 en 1000 K1000\,\mathrm{K}. Rotatiebezettingen bereiken hun maximum bij J>0J > 0; vibratiebezettingen dalen altijd met vv, omdat de niveaus niet ontaard zijn.

Elektronische toestanden

Propositie 10.17 (Elektronische toestandssom)

Met de elektronische niveaus εj\varepsilon_j (ontaardingsgraad gjg_j) gemeten vanaf het grondniveau is

qE=g0+g1e−ε1/kT+⋯q^{\mathrm E} = g_0 + g_1\eu^{-\varepsilon_1/kT} + \cdots

Voor de meeste moleculen ligt het eerste aangeslagen elektronische niveau tienduizenden golfgetallen hoger en is qE=g0q^{\mathrm E} = g_0: 1 voor een molecuul met gesloten schillen, 3 voor OX2\ce{O2} (grondterm 3Σg−{}^3\Sigma_g^-), 2J+12J + 1 voor een atoom in een niveau JJ.

Dit is de definitie toegepast op de elektronische niveaus; de gevallen waarin lage niveaus meetellen, zijn atomen en radicalen met een fijnstructuur.

Voorbeeld 10.18 (Stikstofmonoxide en het chlooratoom)

NO\ce{NO} heeft een grondterm 2Π{}^2\Pi die door spin-baankoppeling opgesplitst is in 2Π1/2{}^2\Pi_{1/2} (lager) en 2Π3/2{}^2\Pi_{3/2}, 119.73 cm−1119.73\,\mathrm{cm}^{-1} hoger, elk tweevoudig ontaard. Bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K} is qE=2+2e−119.73/207.22=2+2×0.561=3.12q^{\mathrm E} = 2 + 2\eu^{-119.73/207.22} = 2 + 2\times0.561 = 3.12: 36 % van de moleculen bevindt zich in de hogere component. Het chlooratoom heeft zijn niveau 2P1/2{}^2P_{1/2} 882.35 cm−1882.35\,\mathrm{cm}^{-1} boven het grondniveau 2P3/2{}^2P_{3/2}: qE=4+2e−4.258=4.03q^{\mathrm E} = 4 + 2\eu^{-4.258} = 4.03.

Links: de rotatietoestandssom van HCl (_ R = 15.0\, K), exacte som tegenover de hogetemperatuurvorm; de vorm met de correctie 1/3 is boven ongeveer 30\, K niet van de som te onderscheiden. Rechts: de vibratietoestandssom van drie diatomische moleculen (karakteristieke temperaturen tussen haakjes), 1 zolang T _ V, daarna dicht bij T/ _ V.
Links: de rotatietoestandssom van HCl\ce{HCl} (θR=15.0 K\theta_{\mathrm R} = 15.0\,\mathrm{K}), exacte som tegenover de hogetemperatuurvorm; de vorm met de correctie 13\frac13 is boven ongeveer 30 K30\,\mathrm{K} niet van de som te onderscheiden. Rechts: de vibratietoestandssom van drie diatomische moleculen (karakteristieke temperaturen tussen haakjes), 1 zolang T≪θVT \ll \theta_{\mathrm V}, daarna dicht bij T/θVT/\theta_{\mathrm V}.

10.4 Van toestandssommen naar thermodynamica

Stelling 10.19 (Inwendige energie)

Voor NN onafhankelijke moleculen is de inwendige energie, gemeten vanaf haar waarde bij T=0T = 0,

U−U(0)=NkT2(∂ln⁡q∂T)V=−N(∂ln⁡q∂β)V.U - U(0) = NkT^2\Bigl(\frac{\partial\ln q}{\partial T}\Bigr)_V = -N\Bigl(\frac{\partial\ln q}{\partial\beta}\Bigr)_V .

De bijdragen van de vier soorten beweging tellen op.

Bewijs. U−U(0)=∑iniεi=Nq∑igiεie−βεi=−Nq∂q∂βU - U(0) = \sum_in_i\varepsilon_i = \frac Nq\sum_ig_i\varepsilon_i\eu^{-\beta\varepsilon_i} = -\frac Nq\frac{\partial q}{\partial\beta}; en  ⁣dβ=− ⁣dT/kT2\dd\beta = -\dd T/kT^2. Het volume wordt constant gehouden omdat de translatieniveaus ervan afhangen. Volgens Propositie 10.9 is ln⁡q\ln q een som van vier termen. ∎

Voor translatie geeft qT∝T3/2q^{\mathrm T} \propto T^{3/2} de waarde 32NkT\frac32NkT; voor de rotatie van een lineair molecuul bij hoge temperatuur geeft qR∝Tq^{\mathrm R} \propto T de waarde NkTNkT; een vibratie geeft NkθV/(eθV/T−1)Nk\theta_{\mathrm V}/(\eu^{\theta_{\mathrm V}/T} - 1), wat alleen NkTNkT is wanneer T≫θVT \gg \theta_{\mathrm V}. De klassieke equipartitie van de energie, 12kT\frac12kT per kwadratische term, is de hogetemperatuurlimiet van deze resultaten; Hoofdstuk 11 volgt de warmtecapaciteiten terwijl elke beweging bevriest.

Definitie 10.20 (Canonieke toestandssom)

De canonieke toestandssom van een systeem bij temperatuur TT en volume VV is de som Q=∑se−Es/kTQ = \sum_s\eu^{-E_s/kT} over alle toestanden ss van het hele systeem, met energieën EsE_s.

Propositie 10.21 (Canonieke toestandssom van een ideaal gas)

Voor NN onafhankelijke moleculen is Q=qNQ = q^N als ze onderscheidbaar zijn (gelokaliseerd in een kristal), en Q=qN/N!Q = q^N/N! voor een ideaal gas van identieke moleculen.

Gedeeltelijk bewijs. Een toestand van het systeem is een keuze van een toestand voor elk molecuul, en de energieën tellen op: de som van de producten is het product van de sommen, qNq^N. In een gas zijn de moleculen ononderscheidbaar: ze permuteren geeft dezelfde toestand van het systeem. Wanneer de moleculaire toestanden veel talrijker zijn dan de moleculen (Voorbeeld 10.12), heeft vrijwel elke term van qNq^N zijn NN moleculen in verschillende toestanden en wordt hij N!N! keer geteld. De gevallen waarin twee moleculen een toestand delen, die deze telling verkeerd doet, zijn verwaarloosbaar, behalve bij zeer lage temperatuur of zeer hoge dichtheid, waar de kwantumstatistiek het overneemt (hier aangenomen). ∎

Definitie 10.22 (Statistische entropie)

De statistische entropie van een geïsoleerd systeem is S=kln⁡WS = k\ln W, waarin WW het aantal microtoestanden is; voor een systeem bij temperatuur TT is WW het gewicht van de dominante verdeling.

Stelling 10.23 (Entropie en de andere functies)

Voor een systeem bij temperatuur TT met canonieke toestandssom QQ is

S=U−U(0)T+kln⁡Q,A−A(0)=−kTln⁡Q,p=kT(∂ln⁡Q∂V)T.S = \frac{U - U(0)}{T} + k\ln Q, \qquad A - A(0) = -kT\ln Q, \qquad p = kT\Bigl(\frac{\partial\ln Q}{\partial V}\Bigr)_T .

Voor een ideaal gas geeft dit pV=NkTpV = NkT en G−G(0)=−NkTln⁡(q/N)G - G(0) = -NkT\ln(q/N).

Gedeeltelijk bewijs. Voor onderscheidbare moleculen in de boltzmannverdeling, met ni=Ngie−βεi/qn_i = Ng_i\eu^{-\beta\varepsilon_i}/q en de formule van Stirling, geeft het gewicht W=N!∏igini/ni!W = N!\prod_ig_i^{n_i}/n_i!

ln⁡W=Nln⁡N−∑iniln⁡nigi=Nln⁡N−∑ini(ln⁡Nq−βεi)=Nln⁡q+β (U−U(0)),\ln W = N\ln N - \sum_in_i\ln\frac{n_i}{g_i} = N\ln N - \sum_in_i\Bigl(\ln\frac Nq - \beta\varepsilon_i\Bigr) = N\ln q + \beta\,(U - U(0)),

dus kln⁡W=kln⁡qN+(U−U(0))/Tk\ln W = k\ln q^N + (U - U(0))/T; voor een gas wordt qNq^N vervangen door qN/N!q^N/N!. De identificatie van kln⁡Wk\ln W met de thermodynamische entropie wordt aangenomen: ze is additief, maximaal in evenwicht voor een geïsoleerd systeem, en geeft de betrekkingen van het ideale gas terug. Dan geeft A=U−TSA = U - TS de tweede formule, en p=−(∂A/∂V)Tp = -(\partial A/\partial V)_T de derde: met Q=qN/N!Q = q^N/N! en q∝Vq \propto V is p=NkT/Vp = NkT/V. Ten slotte is G=A+pV=−kTln⁡(qN/N!)+NkT=−NkTln⁡(q/N)G = A + pV = -kT\ln(q^N/N!) + NkT = -NkT\ln(q/N), met ln⁡N!=Nln⁡N−N\ln N! = N\ln N - N. ∎

Stelling 10.24 (Vergelijking van Sackur-Tetrode)

De molaire entropie van een monoatomisch ideaal gas met molaire massa MM bij temperatuur TT en druk pp is

Sm=R[ln⁡(kTpΛ3)+52],Λ=h2πmkT, m=MNA.S_{\mathrm m} = R\Bigl[\ln\Bigl(\frac{kT}{p\Lambda^3}\Bigr) + \frac52\Bigr], \qquad \Lambda = \frac{h}{\sqrt{2\pi mkT}},\ m = \frac{M}{N_A}.

Bewijs. Met Q=qN/N!Q = q^N/N!, q=V/Λ3q = V/\Lambda^3 en U−U(0)=32NkTU - U(0) = \frac32NkT geeft Stelling 10.23 S=32Nk+Nkln⁡q−k(Nln⁡N−N)=Nk[ln⁡VNΛ3+52]S = \frac32Nk + Nk\ln q - k(N\ln N - N) = Nk\bigl[\ln\frac{V}{N\Lambda^3} + \frac52\bigr]. Voor één mol is Nk=RNk = R en V/N=kT/pV/N = kT/p. ∎

Voor argon bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K} en 1 bar1\,\mathrm{bar} is kT/p=4.116×10−26 m3kT/p = 4.116 \times 10^{-26}\,\mathrm{m}^{3} en Λ=1.600×10−11 m\Lambda = 1.600 \times 10^{-11}\,\mathrm{m}: Sm=R(ln⁡1.005×107+2.5)=154.85 J K−1 mol−1S_{\mathrm m} = R(\ln1.005 \times 10^{7} + 2.5) = 154.85\,\mathrm{J}\,\mathrm{K}^{-1}\,\mathrm{mol}^{-1}. De getabelleerde standaardentropie, verkregen uit warmtecapaciteiten gemeten tot enkele kelvin, is 154.846±0.003154.846 \pm 0.003: de formule heeft geen enkele aanpasbare parameter, en ze bevat de constante van Planck. Een zwaarder atoom heeft een grotere entropie (meer translatietoestanden bij dezelfde energie), en een gas bij lagere druk ook (meer volume per atoom).

Propositie 10.25 (Molaire rotatie- en vibratie-entropie)

Voor een lineair molecuul met T≫θRT \gg \theta_{\mathrm R}, en een vibratie met x=θV/Tx = \theta_{\mathrm V}/T, is

SmR=R[ln⁡TσθR+1],SmV=R[xex−1−ln⁡(1−e−x)],S^{\mathrm R}_{\mathrm m} = R\Bigl[\ln\frac{T}{\sigma\theta_{\mathrm R}} + 1\Bigr], \qquad S^{\mathrm V}_{\mathrm m} = R\Bigl[\frac{x}{\eu^x - 1} - \ln\bigl(1 - \eu^{-x}\bigr)\Bigr],

en een elektronisch grondniveau met ontaardingsgraad g0g_0, als enige bezet, voegt Rln⁡g0R\ln g_0 toe.

Bewijs. Voor inwendige bewegingen hoort de factor 1/N!1/N! alleen bij de translatie, zodat elke inwendige beweging S=U−U(0)T+Nkln⁡qS = \frac{U - U(0)}{T} + Nk\ln q bijdraagt. Rotatie: q=T/σθRq = T/\sigma\theta_{\mathrm R} en U−U(0)=NkTU - U(0) = NkT. Vibratie: ln⁡q=−ln⁡(1−e−x)\ln q = -\ln(1 - \eu^{-x}) en (U−U(0))/T=Nkx/(ex−1)(U - U(0))/T = Nkx/(\eu^x - 1). Elektronisch: q=g0q = g_0, U−U(0)=0U - U(0) = 0. ∎

Methode 10.26 (De standaardentropie van een gas uit zijn constanten)

  1. Translatie: Sackur-Tetrode met de molaire massa, T=298.15 KT = 298.15\,\mathrm{K} en p∘=1 barp^\circ = 1\,\mathrm{bar}.
  2. Rotatie: B0=Be−αe/2B_0 = B_e - \alpha_e/2, θR=hcB0/k\theta_{\mathrm R} = hcB_0/k, het symmetriegetal, en R[ln⁡(T/σθR)+1]R[\ln(T/\sigma\theta_{\mathrm R}) + 1] (of de exacte som als T<30 θRT < 30\,\theta_{\mathrm R}).
  3. Vibratie: één term per normaaltrilling, met de fundamentele golfgetallen.
  4. Elektronisch: Rln⁡g0R\ln g_0, of R[ln⁡qE+⟨ε⟩/kT]R[\ln q^{\mathrm E} + \langle\varepsilon\rangle/kT] als er lage niveaus bestaan.
  5. Tel op; vergelijk met de tabel, waarin de kernspin op dezelfde manier weggelaten wordt.
gasSTS^{\mathrm T}SRS^{\mathrm R}SVS^{\mathrm V}SES^{\mathrm E}somtabel
Ar\ce{Ar}154.850.000.000.00154.85154.85
NX2\ce{N2}150.4241.180.000.00191.60191.61
CO\ce{CO}150.4247.230.000.00197.65197.66
HCl\ce{HCl}153.7133.160.000.00186.87186.90
ClX2\ce{Cl2}162.0058.652.240.00222.89223.08
IX2\ce{I2}177.9174.248.430.00260.58260.69
Cl\ce{Cl}153.360.000.0011.83165.19165.19
Statistische standaard molaire entropieën bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K} en 1 bar1\,\mathrm{bar}, in J K−1 mol−1\mathrm{J}\,\mathrm{K}^{-1}\,\mathrm{mol}^{-1}, uit de spectroscopische constanten, tegenover de getabelleerde waarden.

De sommen stemmen tot op minder dan 0.2 J K−1 mol−1\mathrm{J}\,\mathrm{K}^{-1}\,\mathrm{mol}^{-1} overeen met de tabellen, en tot op enkele honderdsten voor de lichte moleculen. De kleine resten van ClX2\ce{Cl2} en IX2\ce{I2} komen van benaderingen die dit hoofdstuk maakte: de constanten van de belangrijkste isotopoloog, de harmonische oscillator voor een molecuul met veel bezette vibratieniveaus. De getabelleerde entropie van CO\ce{CO} is zelf de statistische waarde: calorimetrisch gemeten komt ze enkele J K−1 mol−1\mathrm{J}\,\mathrm{K}^{-1}\,\mathrm{mol}^{-1} lager uit, een verschil dat verklaard wordt in Hoofdstuk 11.

In het laboratorium — Een entropie volgens de derde hoofdwet meten

De calorimetrische weg verwarmt een monster van enkele kelvin tot 298.15 K298.15\,\mathrm{K} in een adiabatische calorimeter en meet zijn warmtecapaciteit in kleine stappen. De entropie is de som van ∫Cp ⁣dT/T\int C_p\dd T/T over elke fase, plus ΔH/T\Delta H/T bij elke overgang (vast-vast, smelten, verdampen), plus een kleine correctie voor het niet-ideale gedrag van het echte gas; onder de laagste gemeten temperatuur wordt CpC_p van een niet-metallische vaste stof geëxtrapoleerd als aT3aT^3. De derde hoofdwet legt de entropie van het perfecte kristal bij 0 K op nul vast. Overeenstemming met de statistische waarde, binnen de meetonzekerheid, toetst de derde hoofdwet en verraadt de kristallen die bij 0 K niet perfect zijn.

Geschiedenis — Boltzmann, 1877

Het graf van Boltzmann.

Ludwig Boltzmann toonde in 1877 aan dat de entropie van een gas evenredig is met de logaritme van het aantal manieren waarop zijn moleculen de energie kunnen verdelen, en leidde de verdeling die zijn naam draagt af door die manieren te tellen. De interpretatie werd fel bestreden door natuurkundigen die aan het bestaan van atomen twijfelden. De formule in de vorm S=klog⁡WS = k\log W, met de constante kk, werd opgeschreven door Max Planck, die dezelfde telling in 1900 gebruikte voor de straling van een heet lichaam; ze staat gebeiteld op het graf van Boltzmann op het Zentralfriedhof in Wenen.

10.5 Oefeningen

Oefening 10.1 ★

Vier oscillatoren delen vier kwanta. Geef de verdelingen en het gewicht van elke verdeling, en controleer dat ze optellen tot het aantal manieren om vier ononderscheidbare kwanta over vier oscillatoren te plaatsen, (73)\binom{7}{3}. Welke verdelingen zijn de waarschijnlijkste?

Oplossing

Oplossing van Oefening 10.1.

Schrijf elke verdeling als de aantallen kwanta van de vier oscillatoren, de grootste eerst. “4, 0, 0, 0”: 4!/(3! 1!)=44!/(3!\,1!) = 4; “3, 1, 0, 0”: 4!/(2! 1! 1!)=124!/(2!\,1!\,1!) = 12; “2, 2, 0, 0”: 4!/(2! 2!)=64!/(2!\,2!) = 6; “2, 1, 1, 0”: 4!/(1! 2! 1!)=124!/(1!\,2!\,1!) = 12; “1, 1, 1, 1”: 1. Totaal 35 =(73)= \binom73. De waarschijnlijkste zijn “3, 1, 0, 0” en “2, 1, 1, 0” (elk 12); de tweede, met bezettingen 1, 2, 1 voor 0, 1, 2 kwanta, daalt al met de energie, zoals de boltzmannverdeling voor grote aantallen.

Oefening 10.2 ★

Twee niet-ontaarde niveaus liggen 2.5 kJ/mol2.5\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol} uit elkaar. Bereken de verhouding van hun bezettingen bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K} en bij 1000 K1000\,\mathrm{K}. Wat is de limiet bij zeer hoge temperatuur?

Oplossing

Oplossing van Oefening 10.2.

e−2500/(8.314×298.15)=e−1.009=0.365\eu^{-2500/(8.314 \times 298.15)} = \eu^{-1.009} = 0.365; bij 1000 K1000\,\mathrm{K} e−0.301=0.740\eu^{-0.301} = 0.740. Bij zeer hoge temperatuur nadert de verhouding tot 1 (gelijke bezettingen, nooit een inversie).

Oefening 10.3 ★

Bereken de thermische golflengte van een argonatoom bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K} en zijn translatietoestandssom in een volume van 1 dm31\,\mathrm{dm}^{3}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 10.3.

m=39.95×10−3/6.022×1023=6.634×10−26 kgm = 39.95\times10^{-3}/6.022\times10^{23} = 6.634 \times 10^{-26}\,\mathrm{kg}; Λ=h/2πmkT=1.600×10−11 m=16.0 pm\Lambda = h/\sqrt{2\pi mkT} = 1.600 \times 10^{-11}\,\mathrm{m} = 16.0\,\mathrm{pm}; qT=10−3/(1.600×10−11)3=2.44×1029q^{\mathrm T} = 10^{-3}/(1.600\times10^{-11})^3 = 2.44 \times 10^{29}.

Oefening 10.4 ★

Bereken met B0=1.990 cm−1B_0 = 1.990\,\mathrm{cm}^{-1} (NX2\ce{N2}) en 10.440 cm−110.440\,\mathrm{cm}^{-1} (HX35X2235Cl\ce{H^{35}Cl}) voor elk molecuul θR\theta_{\mathrm R} en de rotatietoestandssom bij hoge temperatuur, bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 10.4.

hc/k=1.4388 cm Khc/k = 1.4388\,\mathrm{cm}\,\mathrm{K}. NX2\ce{N2}: θR=2.863 K\theta_{\mathrm R} = 2.863\,\mathrm{K}, qR=298.15/(2×2.863)=52.1q^{\mathrm R} = 298.15/(2 \times 2.863) = 52.1. HCl\ce{HCl}: θR=15.02 K\theta_{\mathrm R} = 15.02\,\mathrm{K}, qR=298.15/15.02=19.85q^{\mathrm R} = 298.15/15.02 = 19.85 (exacte som 20.19).

Oefening 10.5 ★★

De fundamentele golfgetallen van IX2\ce{I2} en NX2\ce{N2} zijn 213.27 cm−1213.27\,\mathrm{cm}^{-1} en 2329.92 cm−12329.92\,\mathrm{cm}^{-1}. Bereken θV\theta_{\mathrm V}, qVq^{\mathrm V} bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K}, en de fractie moleculen die zich niet in v=0v = 0 bevinden.

Oplossing

Oplossing van Oefening 10.5.

IX2\ce{I2}: θV=1.4388×213.27=306.9 K\theta_{\mathrm V} = 1.4388 \times 213.27 = 306.9\,\mathrm{K}, qV=1/(1−e−1.029)=1.556q^{\mathrm V} = 1/(1 - \eu^{-1.029}) = 1.556; aangeslagen fractie 1−1/qV=0.3571 - 1/q^{\mathrm V} = 0.357. NX2\ce{N2}: θV=3352 K\theta_{\mathrm V} = 3352\,\mathrm{K}, qV=1.000013q^{\mathrm V} = 1.000013, aangeslagen fractie 1.3×10−51.3 \times 10^{-5}.

Oefening 10.6 ★★

Bereken bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K} de elektronische toestandssom van NO\ce{NO} (twee tweevoudig ontaarde niveaus die 119.73 cm−1119.73\,\mathrm{cm}^{-1} uit elkaar liggen) en van het chlooratoom (grondniveau 2P3/2{}^2P_{3/2}, 2P1/2{}^2P_{1/2} bij 882.35 cm−1882.35\,\mathrm{cm}^{-1}). Welke fractie van de NO\ce{NO}-moleculen bevindt zich in het hogere niveau? Waarnaar nadert qE(NO)q^{\mathrm E}(\ce{NO}) bij hoge temperatuur?

Oplossing

Oplossing van Oefening 10.6.

NO\ce{NO}: qE=2+2e−119.73/207.22=2+2×0.561=3.12q^{\mathrm E} = 2 + 2\eu^{-119.73/207.22} = 2 + 2 \times 0.561 = 3.12; fractie in het hogere niveau 1.12/3.12=0.361.12/3.12 = 0.36. Bij hoge temperatuur gaat qE→4q^{\mathrm E} \to 4 (twee niveaus even sterk bezet). Cl\ce{Cl}: qE=4+2e−882.35/207.22=4+2×0.0142=4.03q^{\mathrm E} = 4 + 2\eu^{-882.35/207.22} = 4 + 2 \times 0.0142 = 4.03.

Oefening 10.7 ★★

Leid uit qT=V/Λ3q^{\mathrm T} = V/\Lambda^3 de inwendige energie en de warmtecapaciteit bij constant volume af van één mol van een monoatomisch ideaal gas, en bereken U−U(0)U - U(0) bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 10.7.

ln⁡q=ln⁡V+32ln⁡T+constante\ln q = \ln V + \frac32\ln T + \text{constante}, dus U−U(0)=NkT2×32T=32NkTU - U(0) = NkT^2 \times \frac{3}{2T} = \frac32NkT; voor één mol 32RT=3.72 kJ/mol\frac32RT = 3.72\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol} bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K}, en CV=32R=12.47 J K−1 mol−1C_V = \frac32R = 12.47\,\mathrm{J}\,\mathrm{K}^{-1}\,\mathrm{mol}^{-1}.

Oefening 10.8 ★★

Bereken met de vergelijking van Sackur-Tetrode de standaard molaire entropie van argon bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K}; vergelijk met de getabelleerde 154.846 J K−1 mol−1154.846\,\mathrm{J}\,\mathrm{K}^{-1}\,\mathrm{mol}^{-1}. Hoeveel verandert ze als de druk door 10 gedeeld wordt?

Oplossing

Oplossing van Oefening 10.8.

kT/p∘=4.116×10−26 m3kT/p^\circ = 4.116 \times 10^{-26}\,\mathrm{m}^{3}, Λ3=4.093×10−33 m3\Lambda^3 = 4.093 \times 10^{-33}\,\mathrm{m}^{3}, verhouding 1.006×1071.006 \times 10^{7}: Sm=8.3145×(16.124+2.5)=154.85 J K−1 mol−1S_{\mathrm m} = 8.3145 \times (16.124 + 2.5) = 154.85\,\mathrm{J}\,\mathrm{K}^{-1}\,\mathrm{mol}^{-1}, de getabelleerde waarde tot op het laatste cijfer. Delen van pp door 10 voegt Rln⁡10=19.14 J K−1 mol−1R\ln10 = 19.14\,\mathrm{J}\,\mathrm{K}^{-1}\,\mathrm{mol}^{-1} toe.

Oefening 10.9 ★★

Bereken de rotatiebijdrage tot de standaard molaire entropie van HX35X2235Cl\ce{H^{35}Cl} bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K} (θR=15.02 K\theta_{\mathrm R} = 15.02\,\mathrm{K}).

Oplossing

Oplossing van Oefening 10.9.

SmR=R[ln⁡(298.15/15.02)+1]=8.3145×(2.988+1)=33.16 J K−1 mol−1S^{\mathrm R}_{\mathrm m} = R[\ln(298.15/15.02) + 1] = 8.3145 \times (2.988 + 1) = 33.16\,\mathrm{J}\,\mathrm{K}^{-1}\,\mathrm{mol}^{-1}.

Oefening 10.10 ★★★

Toon aan, met JJ behandeld als continu, dat het sterkst bezette rotatieniveau van een lineair molecuul bij ongeveer Jmax⁡=T/2θR−12J_{\max} = \sqrt{T/2\theta_{\mathrm R}} - \frac12 ligt. Bereken het voor HCl\ce{HCl} (θR=15.02 K\theta_{\mathrm R} = 15.02\,\mathrm{K}) en CO\ce{CO} (θR=2.766 K\theta_{\mathrm R} = 2.766\,\mathrm{K}) bij 300 K300\,\mathrm{K}. Waarom zijn de twee takken van een infraroodband het sterkst enkele lijnen van het midden?

Oplossing

Oplossing van Oefening 10.10.

 ⁣d ⁣dJ[(2J+1)e−θJ(J+1)/T]=[2−(2J+1)2θ/T]e−θJ(J+1)/T=0\frac{\dd}{\dd J}\bigl[(2J+1)\eu^{-\theta J(J+1)/T}\bigr] = \bigl[2 - (2J+1)^2\theta/T\bigr]\eu^{-\theta J(J+1)/T} = 0 geeft 2J+1=2T/θ2J + 1 = \sqrt{2T/\theta}, dus Jmax⁡=T/2θ−12J_{\max} = \sqrt{T/2\theta} - \frac12. HCl\ce{HCl}: 2.66, dus J=3J = 3; CO\ce{CO}: 6.86, dus J=7J = 7. De intensiteit van een lijn van de P- of R-tak volgt de bezetting van haar lagere niveau, die een maximum bereikt bij Jmax⁡J_{\max}, enkele lijnen van de opening in het midden van de band.

Oefening 10.11 ★★★

De formule van Euler-Maclaurin geeft ∑J≥0f(J)≈∫0∞f(J) ⁣dJ+12f(0)−112f′(0)\sum_{J\ge0}f(J) \approx \int_0^\infty f(J)\dd J + \frac12f(0) - \frac1{12}f'(0). Pas haar toe op f(J)=(2J+1)e−θJ(J+1)/Tf(J) = (2J+1)\eu^{-\theta J(J+1)/T} en toon aan dat qR≈T/θ+13q^{\mathrm R} \approx T/\theta + \frac13. Voor welke temperaturen is T/θT/\theta correct tot op 1 %? Is het aanvaardbaar voor HX2\ce{H2} (B0=59.32 cm−1B_0 = 59.32\,\mathrm{cm}^{-1}) bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K}?

Oplossing

Oplossing van Oefening 10.11.

∫0∞f ⁣dJ=T/θ\int_0^\infty f\dd J = T/\theta, f(0)=1f(0) = 1, f′(0)=2−θ/Tf'(0) = 2 - \theta/T. Dus qR≈T/θ+12−16+θ12T≈T/θ+13q^{\mathrm R} \approx T/\theta + \frac12 - \frac16 + \frac{\theta}{12T} \approx T/\theta + \frac13. De relatieve fout van T/θT/\theta is ongeveer θ/3T\theta/3T: onder 1 % wanneer T>33 θT > 33\,\theta. Voor HX2\ce{H2} is θ=1.4388×59.32=85.3 K\theta = 1.4388 \times 59.32 = 85.3\,\mathrm{K}: bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K} is de fout 10 %, niet aanvaardbaar (en ook de beperking van JJ door de kernspin moet exact behandeld worden, Hoofdstuk 11).

Oefening 10.12 ★★★

Toon aan dat de molaire vibratie-entropie naar nul gaat wanneer T≪θVT \ll \theta_{\mathrm V} en naar R[1+ln⁡(T/θV)]R[1 + \ln(T/\theta_{\mathrm V})] wanneer T≫θVT \gg \theta_{\mathrm V}. Bereken zowel de exacte uitdrukking als deze limiet voor IX2\ce{I2} (θV=306.9 K\theta_{\mathrm V} = 306.9\,\mathrm{K}) bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K}, en becommentarieer.

Oplossing

Oplossing van Oefening 10.12.

Voor x=θV/T→∞x = \theta_{\mathrm V}/T \to \infty gaat x/(ex−1)→0x/(\eu^x - 1) \to 0 en ln⁡(1−e−x)→0\ln(1 - \eu^{-x}) \to 0: S→0S \to 0. Voor x→0x \to 0 is x/(ex−1)≈1−x/2x/(\eu^x - 1) \approx 1 - x/2 en −ln⁡(1−e−x)≈−ln⁡x+x/2-\ln(1 - \eu^{-x}) \approx -\ln x + x/2: S→R(1−ln⁡x)=R[1+ln⁡(T/θV)]S \to R(1 - \ln x) = R[1 + \ln(T/\theta_{\mathrm V})]. IX2\ce{I2}, x=1.029x = 1.029: exact R(0.5721+0.4420)=8.43 J K−1 mol−1R(0.5721 + 0.4420) = 8.43\,\mathrm{J}\,\mathrm{K}^{-1}\,\mathrm{mol}^{-1}; limiet R(1−0.0289)=8.07 J K−1 mol−1R(1 - 0.0289) = 8.07\,\mathrm{J}\,\mathrm{K}^{-1}\,\mathrm{mol}^{-1}. Zelfs bij T≈θVT \approx \theta_{\mathrm V} ligt de klassieke limiet maar 4 % te laag.

10.6 Probleem: de entropie van stikstof tellen

Probleem 10.1

Weekendprobleem — de entropie van stikstof tellen: de translatie-, rotatie-, vibratie- en elektronische bijdragen tot zijn standaardentropie, berekend uit zijn spectrum en vergeleken met de tabel

Stikstof is het belangrijkste gas van de lucht. Zijn standaard molaire entropie bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K} wordt hier berekend uit zijn molaire massa, 28.014 g/mol28.014\,\mathrm{g}/\mathrm{mol}, en uit zijn spectroscopische constanten: Be=1.998 241 cm−1B_e = 1.998\,241\,\mathrm{cm}^{-1}, αe=0.017 318 cm−1\alpha_e = 0.017\,318\,\mathrm{cm}^{-1}, ωe=2358.57 cm−1\omega_e = 2358.57\,\mathrm{cm}^{-1}, ωexe=14.324 cm−1\omega_ex_e = 14.324\,\mathrm{cm}^{-1}; zijn elektronische grondterm is 1Σg+{}^1\Sigma_g^+. Standaarddruk p∘=1 barp^\circ = 1\,\mathrm{bar}; k=1.380 649×10−23 J/Kk = 1.380\,649 \times 10^{-23}\,\mathrm{J}/\mathrm{K}, h=6.626 070 15×10−34 J sh = 6.626\,070\,15 \times 10^{-34}\,\mathrm{J}\,\mathrm{s}.

Deel I — Translatie.

  1. Bereken de massa van één molecuul.
  2. Bereken zijn thermische golflengte bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K}.
  3. Bereken het beschikbare volume per molecuul, kT/p∘kT/p^\circ.
  4. Leid qT/Nq^{\mathrm T}/N af, en becommentarieer de grootte ervan.
  5. Bereken de molaire translatie-entropie.
  6. Hoeveel zou ze veranderen bij de halve druk?

Deel II — Rotatie.

  1. Bereken B0B_0.
  2. Bereken θR\theta_{\mathrm R}.
  3. Geef het symmetriegetal en zeg waarmee het rekening houdt.
  4. Bereken qRq^{\mathrm R} bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K}.
  5. Is de hogetemperatuurvorm gerechtvaardigd?
  6. Bereken de molaire rotatie-entropie.
  7. Welk rotatieniveau is het sterkst bezet, als je de gewichten van de kernspin verwaarloost?

Deel III — Vibratie en elektronische toestanden.

  1. Bereken het vibratiekwantum G(1)−G(0)G(1) - G(0).
  2. Bereken θV\theta_{\mathrm V}.
  3. Bereken qVq^{\mathrm V} bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K}.
  4. Welke fractie van de moleculen bevindt zich in v=1v = 1?
  5. Bereken de molaire vibratie-entropie.
  6. Wat is de elektronische bijdrage? Waarom mogen aangeslagen elektronische toestanden verwaarloosd worden?

Deel IV — Som en vergelijking.

  1. Tel de bijdragen op.
  2. Vergelijk met de getabelleerde 191.609 J K−1 mol−1191.609\,\mathrm{J}\,\mathrm{K}^{-1}\,\mathrm{mol}^{-1}.
  3. Op welke metingen berust de calorimetrische waarde van een tabel?
  4. Waarom mogen de tabellen de kernspin weglaten?
  5. Formuleer het resultaat: de standaard molaire entropie van stikstof bij 298.15 K298.15\,\mathrm{K}, berekend uit zijn spectroscopische constanten.
Oplossing

Oplossing van Probleem 10.1.

1. m=28.014×10−3/6.02214×1023=4.652×10−26 kgm = 28.014\times10^{-3}/6.02214\times10^{23} = 4.652 \times 10^{-26}\,\mathrm{kg}. 2. Λ=h/2πmkT=1.910×10−11 m\Lambda = h/\sqrt{2\pi mkT} = 1.910 \times 10^{-11}\,\mathrm{m} (19.1 pm19.1\,\mathrm{pm}). 3. kT/p∘=1.380649×10−23×298.15/105=4.116×10−26 m3kT/p^\circ = 1.380649\times10^{-23} \times 298.15/10^5 = 4.116 \times 10^{-26}\,\mathrm{m}^{3}. 4. qT/N=4.116×10−26/(1.910×10−11)3=5.905×106q^{\mathrm T}/N = 4.116\times10^{-26}/(1.910\times10^{-11})^3 = 5.905 \times 10^{6}: ongeveer zes miljoen translatietoestanden per molecuul, zodat twee moleculen er bijna nooit een delen en Q=qN/N!Q = q^N/N! geldt. 5. SmT=R(ln⁡5.905×106+52)=8.3145×18.091=150.42 J K−1 mol−1S^{\mathrm T}_{\mathrm m} = R(\ln5.905 \times 10^{6} + \frac52) = 8.3145 \times 18.091 = 150.42\,\mathrm{J}\,\mathrm{K}^{-1}\,\mathrm{mol}^{-1}. 6. +Rln⁡2=5.76 J K−1 mol−1+R\ln2 = 5.76\,\mathrm{J}\,\mathrm{K}^{-1}\,\mathrm{mol}^{-1}, dus 156.18156.18. 7. B0=1.998241−0.008659=1.989 582 cm−1B_0 = 1.998241 - 0.008659 = 1.989\,582\,\mathrm{cm}^{-1}. 8. θR=1.438777×1.989582=2.8626 K\theta_{\mathrm R} = 1.438777 \times 1.989582 = 2.8626\,\mathrm{K}. 9. σ=2\sigma = 2: de twee kernen zijn identiek; het molecuul kop over staart draaien geeft een niet te onderscheiden oriëntatie, en de verwisselingssymmetrie van de kernen laat voor elke kernspintoestand slechts de helft van de rotatieniveaus toe. 10. qR=298.15/(2×2.8626)=52.08q^{\mathrm R} = 298.15/(2 \times 2.8626) = 52.08. 11. Ja: T/θR=104T/\theta_{\mathrm R} = 104, een fout van ongeveer 0.3 % op qRq^{\mathrm R} en veel minder op de entropie. 12. SmR=R(ln⁡52.08+1)=8.3145×4.9527=41.18 J K−1 mol−1S^{\mathrm R}_{\mathrm m} = R(\ln52.08 + 1) = 8.3145 \times 4.9527 = 41.18\,\mathrm{J}\,\mathrm{K}^{-1}\,\mathrm{mol}^{-1}. 13. Jmax⁡=298.15/5.725−0.5=6.72J_{\max} = \sqrt{298.15/5.725} - 0.5 = 6.72: J=7J = 7 (bezetting 0.0839, net boven 0.0831 voor J=6J = 6). 14. 2358.57−2×14.324=2329.92 cm−12358.57 - 2 \times 14.324 = 2329.92\,\mathrm{cm}^{-1}. 15. θV=1.438777×2329.92=3352 K\theta_{\mathrm V} = 1.438777 \times 2329.92 = 3352\,\mathrm{K}. 16. x=3352.2/298.15=11.24x = 3352.2/298.15 = 11.24; qV=1/(1−e−11.24)=1.000013q^{\mathrm V} = 1/(1 - \eu^{-11.24}) = 1.000013. 17. e−11.24/qV=1.3×10−5\eu^{-11.24}/q^{\mathrm V} = 1.3 \times 10^{-5}. 18. SmV=R[11.24e−11.24+e−11.24]=0.0013 J K−1 mol−1S^{\mathrm V}_{\mathrm m} = R[11.24\eu^{-11.24} + \eu^{-11.24}] = 0.0013\,\mathrm{J}\,\mathrm{K}^{-1}\,\mathrm{mol}^{-1}, verwaarloosbaar. 19. g0=1g_0 = 1 (1Σ{}^1\Sigma): Rln⁡1=0R\ln1 = 0. De aangeslagen elektronische toestanden liggen enkele elektronvolt hoger, meer dan honderd keer kTkT: hun boltzmannfactoren zijn volkomen verwaarloosbaar. 20. 150.42+41.18+0.00+0=191.60 J K−1 mol−1150.42 + 41.18 + 0.00 + 0 = 191.60\,\mathrm{J}\,\mathrm{K}^{-1}\,\mathrm{mol}^{-1}. 21. Het verschil is 0.01 J K−1 mol−10.01\,\mathrm{J}\,\mathrm{K}^{-1}\,\mathrm{mol}^{-1}, van de orde van de gemaakte benaderingen (starre rotor, scheiding van de bewegingen). 22. Warmtecapaciteiten van de vaste stof gemeten vanaf enkele kelvin (daaronder geëxtrapoleerd als T3T^3), de enthalpieën van de vast-vastovergang, van het smelten en van het verdampen gedeeld door hun temperaturen, de warmtecapaciteit van het gas, en een correctie voor het niet-ideale gedrag. 23. De kernen blijven bij elke reactie behouden, zodat hun spinentropie aan beide kanten dezelfde is en wegvalt; de calorimetrie ziet haar evenmin, omdat de kernspins in het kristal tot bij de laagste gemeten temperaturen wanordelijk blijven. 24. S∘(NX2,298.15 K)=191.6 J K−1 mol−1S^\circ(\ce{N2}, 298.15\,\mathrm{K}) = 191.6\,\mathrm{J}\,\mathrm{K}^{-1}\,\mathrm{mol}^{-1} uit de spectroscopische constanten, waarvan 150.4 van de translatie en 41.2 van de rotatie.

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 852 begrippen in de begrippenlijst