Chemistry · Boek 4 · Bachelor Year 3

Universitaire scheikunde — jaar 3

Universitaire scheikunde — jaar 3 · Bachelor Year 3

5Toegepaste groepentheorie

Koolstofdioxide maakt enkele honderden moleculen uit op elk miljoen moleculen lucht, stikstof en zuurstof vrijwel al de rest; toch is het koolstofdioxide, en niet stikstof of zuurstof, dat het infraroodlicht absorbeert dat de warme bodem naar de ruimte uitstraalt. Een molecuul absorbeert infraroodlicht alleen via een vibratie die zijn dipoolmoment verandert, en of een vibratie dat doet, wordt uitsluitend door de symmetrie bepaald: de enige vibratie van stikstof kan het niet, twee van de vier vibraties van koolstofdioxide wel. Dit hoofdstuk maakt van de karaktertabellen van Hoofdstuk 4 werktuigen: het reduceert representaties, bouwt symmetrieaangepaste orbitalen, telt en benoemt vibraties, en leidt de selectieregels van infrarood- en ramanspectroscopie af.

Wat je al weet

Hoofdstuk 4 definieerde symmetrieoperaties, puntgroepen, klassen, representaties, karakters en karaktertabellen. Het deel van jaar 2 bouwde de moleculaire orbitalen van HX2O\ce{H2O}, NHX3\ce{NH3} en CHX4\ce{CH4} op uit fragmentorbitalen en symmetrieaangepaste combinaties van de 1s1s-orbitalen van waterstof, en benoemde ze met labels die hier afgeleid worden. Het deel van jaar 1 las infraroodspectra in golfgetallen en definieerde de polariseerbaarheid van een molecuul.

5.1 Een representatie reduceren

Elke verzameling functies of vectoren die aan een molecuul vastzit, draagt een representatie van zijn puntgroep. De meeste zijn reducibel.

Definitie 5.1 (Reducibele representatie, totaalsymmetrische representatie)

Een reducibele representatie is een representatie waarvan alle matrices door één basisverandering in dezelfde blokdiagonale vorm gebracht kunnen worden; ze is dan een som van irreducibele representaties, geschreven als Γ=∑iniΓi\Gamma = \sum_in_i\Gamma_i. De irreducibele representatie waarvan alle karakters 1 zijn, is de totaalsymmetrische representatie (A1A_1, A1gA_{1g}, A1′A_1'…).

Stelling 5.2 (Grote orthogonaliteitsstelling)

Voor twee irreducibele representaties Γi\Gamma_i, Γj\Gamma_j met dimensies did_i, djd_j van een groep van orde hh, geschreven met unitaire matrices, geldt

∑RDi(R)mn∗ Dj(R)m′n′=hdi δij δmm′ δnn′.\sum_R D_i(R)_{mn}^*\,D_j(R)_{m'n'} = \frac{h}{d_i}\,\delta_{ij}\,\delta_{mm'}\,\delta_{nn'}.

Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen. ∎

Het bewijs, met de lemma’s van Schur, hoort thuis in meer gevorderde cursussen; de chemie gebruikt de gevolgen voor de karakters, en elke karaktertabel in dit boek wordt daaraan getoetst.

Gevolg 5.3 (Orthogonaliteit van de karakters)

Met gcg_c het aantal operaties in klasse cc is

∑cgc χi(c)∗χj(c)=h δij,\sum_cg_c\,\chi_i(c)^*\chi_j(c) = h\,\delta_{ij},

en het aantal irreducibele representaties is gelijk aan het aantal klassen, met ∑idi2=h\sum_id_i^2 = h.

Bewijs. Stel m=nm = n en m′=n′m' = n' in de stelling en sommeer over mm en m′m': het linkerlid wordt ∑Rχi(R)∗χj(R)\sum_R\chi_i(R)^*\chi_j(R), het rechterlid hdiδij∑mδmm=hδij\frac{h}{d_i}\delta_{ij} \sum_{m}\delta_{mm} = h\delta_{ij}; groepeer de operaties per klasse. De rijen van de tabel zijn dus orthogonale vectoren in een ruimte waarvan de dimensie het aantal klassen is, zodat er hoogstens evenveel irreducibele representaties als klassen zijn; de gelijkheid en ∑di2=h\sum d_i^2 = h volgen uit de toepassing van de stelling op de reguliere representatie (oefening 10). ∎

Stelling 5.4 (De reductieformule)

Een representatie Γ\Gamma met karakters χ(c)\chi(c) bevat de irreducibele representatie Γi\Gamma_i precies

ni=1h∑cgc χ(c) χi(c)∗n_i = \frac1h\sum_cg_c\,\chi(c)\,\chi_i(c)^*

keer. Dit is de reductieformule.

Bewijs. Omdat Γ=∑jnjΓj\Gamma = \sum_jn_j\Gamma_j, zijn haar karakters χ(c)=∑jnjχj(c)\chi(c) = \sum_jn_j\chi_j(c). Vermenigvuldig met gcχi(c)∗g_c\chi_i(c)^*, sommeer over de klassen en gebruik het gevolg: ∑cgcχ(c)χi(c)∗=∑jnjhδij=hni\sum_cg_c\chi(c)\chi_i(c)^* = \sum_jn_jh\delta_{ij} = hn_i. ∎

Voorbeeld 5.5 (De waterstoforbitalen van ammoniak)

Neem de drie 1s1s-orbitalen van de waterstofatomen van NHX3\ce{NH3} als basis. EE laat ze alle drie op hun plaats (χ=3\chi = 3), C3C_3 verplaatst ze alle drie (χ=0\chi = 0), een σv\sigma_v laat er één op zijn plaats en verwisselt er twee (χ=1\chi = 1). Met de tabel van C3vC_{3v}: nA1=16(3+0+3×1)=1n_{A_1} = \frac16(3 + 0 + 3\times1) = 1, nA2=16(3+0−3)=0n_{A_2} = \frac16(3 + 0 - 3) = 0, nE=16(6+0+0)=1n_E = \frac16(6 + 0 + 0) = 1. Dus ΓH=A1+E\Gamma_{\mathrm H} = A_1 + E: de drie waterstofatomen geven één totaalsymmetrische combinatie en een ontaard paar.

Methode 5.6 (Een representatie reduceren)

  1. Zoek voor elke klasse het karakter: voor een verzameling functies gecentreerd op atomen is dat het aantal functies dat op zijn plaats blijft, elk geteld met het teken dat het krijgt.
  2. Pas de reductieformule toe met de rij van elke irreducibele representatie, en weeg elke klasse met haar grootte.
  3. Controleer: de resultaten zijn natuurlijke getallen, en ∑inidi\sum_in_id_i is gelijk aan het karakter onder EE (de grootte van de basis).

5.2 Symmetrieaangepaste orbitalen

Definitie 5.7 (Projectieoperator)

De projectieoperator op de irreducibele representatie Γi\Gamma_i is

P^i=dih∑Rχi(R)∗ R^,\hat P_i = \frac{d_i}{h}\sum_R\chi_i(R)^*\,\hat R,

waarin R^\hat R de operatie RR op een functie toepast.

Propositie 5.8 (Wat de projectieoperator doet)

Toegepast op een willekeurige functie ff is P^if\hat P_if ofwel nul, ofwel een functie die transformeert als Γi\Gamma_i (een symmetrieaangepaste combinatie); voor een eendimensionale Γi\Gamma_i blijft ze, op het teken χi(S)\chi_i(S) na, onveranderd onder elke operatie SS.

Gedeeltelijk bewijs. Voor di=1d_i = 1: S^P^if=1h∑Rχi(R)S^R^f\hat S\hat P_if = \frac1h\sum_R\chi_i(R)\hat S\hat Rf. Stel R′=SRR' = SR, dat de hele groep doorloopt wanneer RR dat doet; χi(R)=χi(S−1R′)=χi(S)χi(R′)\chi_i(R) = \chi_i(S^{-1}R') = \chi_i(S)\chi_i(R') voor een eendimensionale representatie (de karakters zijn de matrices zelf). Dus S^P^if=χi(S)P^if\hat S\hat P_if = \chi_i(S)\hat P_if. Het algemene geval gebruikt de grote orthogonaliteitsstelling en wordt hier aangenomen. ∎

Methode 5.9 (Symmetrieaangepaste combinaties opbouwen)

  1. Kies één functie van de verzameling, h1h_1, en zet in een tabel naar welke functie elke operatie haar stuurt.
  2. Vermenigvuldig voor elke irreducibele representatie elk beeld met het karakter van de operatie, tel op en normeer (met verwaarlozing van de overlap tussen de atoomfuncties).
  3. Projecteer voor een ontaarde representatie een tweede functie om een tweede lid te verkrijgen, en orthogonaliseer daarna.

Voorbeeld 5.10 (De combinaties van ammoniak en water)

In NHX3\ce{NH3} is P^A1h1∝h1+h2+h3\hat P_{A_1}h_1 \propto h_1 + h_2 + h_3 (alle karakters 1). Voor EE (karakters 2,−1,02, -1, 0) is P^Eh1∝2h1−h2−h3\hat P_Eh_1 \propto 2h_1 - h_2 - h_3; h2h_2 projecteren en orthogonaliseren geeft de partner h2−h3h_2 - h_3. Genormeerd: a1=13(h1+h2+h3)a_1 = \frac{1}{\sqrt3}(h_1 + h_2 + h_3), e=16(2h1−h2−h3)e = \frac{1}{\sqrt6}(2h_1 - h_2 - h_3), 12(h2−h3)\frac{1}{\sqrt2}(h_2 - h_3). In HX2O\ce{H2O}, geplaatst in het xzxz-vlak, is h1+h2h_1 + h_2 a1a_1 en h1−h2h_1 - h_2 b1b_1 (het verandert van teken onder C2C_2 en onder σv′(yz)\sigma_v'(yz), die de waterstofatomen verwisselen). Met het molecuul in het yzyz-vlak, zoals sommige boeken verkiezen, zijn de labels b1b_1 en b2b_2 overal verwisseld.

De symmetrieaangepaste combinaties van de drie 1s-orbitalen van waterstof in ammoniak, gezien langs de C_3-as (h_1 bovenaan). Blauw: positieve coëfficiënt, rood: negatieve; de grootte van elke schijf groeit met de coëfficiënt; gestippeld: nul.
De symmetrieaangepaste combinaties van de drie 1s1s-orbitalen van waterstof in ammoniak, gezien langs de C3C_3-as (h1h_1 bovenaan). Blauw: positieve coëfficiënt, rood: negatieve; de grootte van elke schijf groeit met de coëfficiënt; gestippeld: nul.

Voorbeeld 5.11 (Zes liganden rond een metaal)

Voor zes σ\sigma-orbitalen van liganden die vanuit de hoekpunten van een octaëder naar een metaal wijzen, zijn de karakters op de klassen van OhO_h (EE, 8C38C_3, 6C26C_2, 6C46C_4, 3C23C_2, ii, 6S46S_4, 8S68S_6, 3σh3\sigma_h, 6σd6\sigma_d) gelijk aan 6,0,0,2,2,0,0,0,4,26, 0, 0, 2, 2, 0, 0, 0, 4, 2, en de reductie geeft Γσ=A1g+Eg+T1u\Gamma_\sigma = A_{1g} + E_g + T_{1u}. De orbitalen ss (a1ga_{1g}), dz2d_{z^2} en dx2−y2d_{x^2-y^2} (ege_g) en pp (t1ut_{1u}) van het metaal vinden partners bij de liganden; zijn dxyd_{xy}, dxzd_{xz}, dyzd_{yz} (t2gt_{2g}) vinden er geen en blijven niet-bindend voor σ\sigma — de oorsprong van de opsplitsing t2gt_{2g}/ege_g uit het deel van jaar 2, uitgewerkt in Hoofdstukken 20 en 18.

Moleculaire valentieorbitalen van water (schematische energieën, molecuul in het xz-vlak). Alleen orbitalen met dezelfde symmetrie mengen: de b_1-combinatie van waterstof met 2p_x, de a_1-combinatie met 2s en 2p_z; 2p_y (b_2) heeft geen partner en blijft een niet-bindend vrij elektronenpaar, de hoogste bezette orbitaal.
Moleculaire valentieorbitalen van water (schematische energieën, molecuul in het xzxz-vlak). Alleen orbitalen met dezelfde symmetrie mengen: de b1b_1-combinatie van waterstof met 2px2p_x, de a1a_1-combinatie met 2s2s en 2pz2p_z; 2py2p_y (b2b_2) heeft geen partner en blijft een niet-bindend vrij elektronenpaar, de hoogste bezette orbitaal.

5.3 Normaaltrillingen

Definitie 5.12 (Normaaltrilling)

Een normaaltrilling van een molecuul is een collectieve vibratie waarin alle atomen met dezelfde frequentie en in fase oscilleren, langs de eigenvector van de massagewogen hessematrix (Propositie 3.3). Elke normaaltrilling transformeert als een irreducibele representatie van de puntgroep.

Propositie 5.13 (De representatie van alle bewegingen)

Hecht aan elk atoom drie verplaatsingsvectoren xx, yy, zz. Onder een operatie RR is het karakter van deze 3N3N-dimensionale representatie

χ3N(R)=(aantal atomen dat op zijn plaats blijft)×χxyz(R),\chi_{3N}(R) = (\text{aantal atomen dat op zijn plaats blijft}) \times \chi_{xyz}(R),

met χxyz=1+2cos⁡θ\chi_{xyz} = 1 + 2\cos\theta voor een rotatie over θ\theta en −1+2cos⁡θ-1 + 2\cos\theta voor een oneigenlijke rotatie (dus 3 voor EE, −1-1 voor C2C_2, 0 voor C3C_3, 1 voor σ\sigma, −3-3 voor ii).

Bewijs. Een atoom dat naar een andere positie verplaatst wordt, neemt zijn vectoren mee buiten de diagonaal van de matrix: het draagt niets bij aan het spoor. Bij een atoom dat op zijn plaats blijft, worden de drie vectoren getransformeerd door de 3×33\times3-matrix van RR, waarvan het spoor berekend wordt in een assenstelsel met zz langs de as: cos⁡θ+cos⁡θ+1\cos\theta + \cos\theta + 1 voor een rotatie, waarbij het laatste element −1-1 wordt voor een oneigenlijke. ∎

Propositie 5.14 (Vibraties tellen)

Γvib=Γ3N−Γtrans−Γrot\Gamma_{\mathrm{vib}} = \Gamma_{3N} - \Gamma_{\mathrm{trans}} - \Gamma_{\mathrm{rot}}, waarin Γtrans\Gamma_{\mathrm{trans}} de representatie van (x,y,z)(x, y, z) is en Γrot\Gamma_{\mathrm{rot}} die van (Rx,Ry,Rz)(R_x, R_y, R_z); een niet-lineair molecuul heeft 3N−63N - 6 vibraties, een lineair 3N−53N - 5.

Bewijs. De 3N3N verplaatsingen beschrijven elke beweging: drie translaties van het massamiddelpunt, drie rotaties (twee voor een lineair molecuul, omdat een draaiing om de eigen as geen enkele kern verplaatst), en de vibraties. Deze deelruimten mengen niet onder de operaties, dus hun representaties tellen op. ∎

Voorbeeld 5.15 (Water)

HX2O\ce{H2O} in C2vC_{2v}, molecuul in het xzxz-vlak. Atomen die op hun plaats blijven: 3, 1, 3, 1; χxyz\chi_{xyz}: 3,−1,1,13, -1, 1, 1; dus χ3N=9,−1,3,1\chi_{3N} = 9, -1, 3, 1. De reductie geeft 3A1+A2+3B1+2B23A_1 + A_2 + 3B_1 + 2B_2. Na aftrek van de translaties A1+B1+B2A_1 + B_1 + B_2 en de rotaties A2+B1+B2A_2 + B_1 + B_2 blijft over: Γvib=2A1+B1\Gamma_{\mathrm{vib}} = 2A_1 + B_1. De twee a1a_1-trillingen zijn de symmetrische strekvibratie (3657 cm−13657\,\mathrm{cm}^{-1}) en de buigvibratie (1595 cm−11595\,\mathrm{cm}^{-1}); de b1b_1-trilling is de antisymmetrische strekvibratie (3756 cm−13756\,\mathrm{cm}^{-1}).

De drie normaaltrillingen van water (pijlen: verplaatsingen, niet op schaal). Beide a_1-trillingen behouden de volledige symmetrie van het molecuul; de b_1-trilling verandert van teken onder C_2.
De drie normaaltrillingen van water (pijlen: verplaatsingen, niet op schaal). Beide a1a_1-trillingen behouden de volledige symmetrie van het molecuul; de b1b_1-trilling verandert van teken onder C2C_2.

Voorbeeld 5.16 (Nog vier moleculen)

Dezelfde procedure (berekend en gecontroleerd in de figuurgegevens van dit hoofdstuk) geeft:

molecuulgroepΓvib\Gamma_{\mathrm{vib}}trillingen
NHX3\ce{NH3}C3vC_{3v}2A1+2E2A_1 + 2E6
CHX4\ce{CH4}TdT_dA1+E+2T2A_1 + E + 2T_29
COX2\ce{CO2}D∞hD_{\infty h} (via D2hD_{2h})Σg++Σu++Πu\Sigma_g^+ + \Sigma_u^+ + \Pi_u (Ag+B1u+B2u+B3uA_g + B_{1u} + B_{2u} + B_{3u})4
BFX3\ce{BF3}D3hD_{3h}A1′+2E′+A2′′A_1' + 2E' + A_2''6
XeFX4\ce{XeF4}D4hD_{4h}A1g+B1g+B2g+A2u+B2u+2EuA_{1g} + B_{1g} + B_{2g} + A_{2u} + B_{2u} + 2E_u9
SFX6\ce{SF6}OhO_hA1g+Eg+T2g+2T1u+T2uA_{1g} + E_g + T_{2g} + 2T_{1u} + T_{2u}15

Voor een lineair molecuul wordt de oneindige groep vervangen door haar ondergroep D2hD_{2h}, waarin de ontaarde buigvibratie Πu\Pi_u opsplitst in B2u+B3uB_{2u} + B_{3u}.

5.4 Selectieregels

Definitie 5.17 (Direct product van representaties)

Het direct product Γi⊗Γj\Gamma_i\otimes\Gamma_j van twee representaties is de representatie die gedragen wordt door de producten van hun basisfuncties; haar karakters zijn de producten χi(R)χj(R)\chi_i(R)\chi_j(R).

Stelling 5.18 (Integralen die nul zijn)

Een integraal ∫f1f2f3  ⁣dτ\int f_1f_2f_3\,\dd\tau over de hele ruimte kan alleen verschillen van nul als het direct product Γ1⊗Γ2⊗Γ3\Gamma_1\otimes\Gamma_2\otimes\Gamma_3 de totaalsymmetrische representatie bevat.

Bewijs. Een symmetrieoperatie hernummert alleen de punten van de ruimte, zodat de waarde van de integraal onveranderd blijft wanneer de integrand door een willekeurige RR getransformeerd wordt. Neem het gemiddelde van de getransformeerde integrand over de groep: het gemiddelde van de componenten van de integrand die bij elke irreducibele representatie horen, is 1h∑RR^(⋅)\frac1h\sum_R\hat R(\cdot), de projectie op de totaalsymmetrische representatie (Definitie 5.7 met alle χ=1\chi = 1). Elke andere component heeft gemiddelde nul; als het product geen totaalsymmetrisch deel bevat, is de integraal nul. ∎

Definitie 5.19 (IR-actief, Raman-actief)

Een fundamentele vibratie is IR-actief als ze infraroodlicht kan absorberen, en Raman-actief als ze in het ramanspectrum verschijnt (Hoofdstuk 6).

Gevolg 5.20 (Selectieregels voor infrarood en Raman)

Een fundamentele overgang (van het grondniveau, totaalsymmetrisch, naar één kwantum van een trilling met symmetrie Γ\Gamma) is alleen IR-actief als Γ\Gamma de representatie van xx, yy of zz is, en alleen Raman-actief als Γ\Gamma de representatie van een kwadratische functie (x2x^2, xyxy, …) is.

Bewijs. De absorptie-intensiteit hangt af van ∫ψ0 μk ψ1 ⁣dτ\int\psi_0\,\mu_k\,\psi_1\dd\tau met de dipoolcomponenten μk\mu_k, die transformeren als xx, yy, zz; ψ0\psi_0 is totaalsymmetrisch en ψ1\psi_1 transformeert als Γ\Gamma. Volgens de stelling kan de integraal alleen verschillen van nul als Γ⊗Γμk\Gamma\otimes\Gamma_{\mu_k} A1A_1 bevat, en dat gebeurt alleen als Γ=Γμk\Gamma = \Gamma_{\mu_k} (het product van twee irreducibele representaties bevat de totaalsymmetrische alleen als ze gelijk zijn, voor reële karakters). Ramanverstrooiing hangt af van de componenten αkl\alpha_{kl} van de polariseerbaarheid, die transformeren als de producten klkl. ∎

Propositie 5.21 (Regel van wederzijdse uitsluiting)

In een molecuul met een inversiecentrum is geen enkele fundamentele overgang tegelijk IR- en Raman-actief: de regel van wederzijdse uitsluiting.

Bewijs. Met een inversiecentrum is elke irreducibele representatie gg of uu. De coördinaten xx, yy, zz veranderen van teken onder ii (ze zijn uu); kwadratische functies niet (gg). Een trilling is alleen IR-actief als ze uu is, en alleen Raman-actief als ze gg is. ∎

Voorbeeld 5.22 (Koolstofdioxide en het broeikaseffect)

COX2\ce{CO2} heeft een inversiecentrum. Zijn symmetrische strekvibratie (Σg+\Sigma_g^+, 1333 cm−11333\,\mathrm{cm}^{-1}) is alleen Raman-actief; de antisymmetrische strekvibratie (Σu+\Sigma_u^+, 2349 cm−12349\,\mathrm{cm}^{-1}) en de buigvibratie (Πu\Pi_u, 667 cm−1667\,\mathrm{cm}^{-1}) zijn alleen IR-actief. De buigvibratie absorbeert rond 15 µm15\,\text{µ}\mathrm{m}, dicht bij het maximum van de thermische straling van de aarde: daarom is koolstofdioxide een broeikasgas. NX2\ce{N2} en OX2\ce{O2} hebben één enkele vibratie, Σg+\Sigma_g^+: IR-inactief.

Synthetische spectra van gasvormig CO2 (bandposities en relatieve infraroodintensiteiten uit de gemeten waarden; vormen schematisch, zonder rotatiestructuur). Wederzijdse uitsluiting: geen enkele band komt in beide voor.
Synthetische spectra van gasvormig COX2\ce{CO2} (bandposities en relatieve infraroodintensiteiten uit de gemeten waarden; vormen schematisch, zonder rotatiestructuur). Wederzijdse uitsluiting: geen enkele band komt in beide voor.

Methode 5.23 (Een vibratiespectrum voorspellen)

  1. Zoek de puntgroep; bereken χ3N\chi_{3N} uit de atomen die op hun plaats blijven.
  2. Reduceer, trek translaties en rotaties af: Γvib\Gamma_{\mathrm{vib}}.
  3. Markeer met de kolommen rechts in de tabel elke trilling als IR-actief (xx, yy, zz) en/of Raman-actief (kwadratisch); een trilling die geen van beide is, is stil.
  4. Tel de banden: één per actieve trilling, waarbij een ontaarde trilling één band geeft.

Methode 5.24 (CO-strekvibraties tellen)

Neem in een metaalcarbonyl de nn bindingsvectoren C–O als basis (een atoom dat op zijn plaats blijft telt 1, al de rest niets): reduceer om ΓCO\Gamma_{\mathrm{CO}} te verkrijgen, en pas daarna de regels voor IR en Raman toe. Het aantal sterke banden rond 1850 tot 2150 cm−11850\text{ tot }2150\,\mathrm{cm}^{-1} identificeert het isomeer.

Voorbeeld 5.25 (Cis en trans)

cis-MLX4(CO)X2\ce{ML4(CO)2}, C2vC_{2v}: karakters 2,0,2,02, 0, 2, 0, ΓCO=A1+B1\Gamma_{\mathrm{CO}} = A_1 + B_1, twee IR-banden. trans-MLX4(CO)X2\ce{ML4(CO)2}, D4hD_{4h}: ΓCO=A1g+A2u\Gamma_{\mathrm{CO}} = A_{1g} + A_{2u}, één IR-band (A2uA_{2u}) en één ramanband (A1gA_{1g}). Eén enkele CO-band in het infrarood betekent trans.

5.5 Toepassingen op elektronische overgangen

Dezelfde stelling geldt voor elektronische overgangen: een elektronische overgang tussen de toestanden Ψ1\Psi_1 en Ψ2\Psi_2 is alleen toegestaan als Γ1⊗Γ2\Gamma_1\otimes\Gamma_2 de representatie van xx, yy of zz bevat, en het licht ervan is gepolariseerd langs die as.

Voorbeeld 5.26 (Overgangen van water en formaldehyde)

In water (C2vC_{2v}, xzxz-vlak) geeft de promotie van een elektron van 1b21b_2 (het vrije elektronenpaar) naar 4a14a_1 een aangeslagen toestand met symmetrie B2⊗A1=B2B_2\otimes A_1 = B_2, die yy is: toegestaan, gepolariseerd loodrecht op het molecuulvlak. In formaldehyde (C2vC_{2v}) gaat de overgang n→π∗n\to\pi^* van een vrij elektronenpaar van zuurstof in het vlak (b1b_1) naar de π∗\pi^*-orbitaal, opgebouwd uit pp-orbitalen loodrecht op het vlak (b2b_2; molecuul in het xzxz-vlak, C=O langs zz): B1⊗B2=A2B_1\otimes B_2 = A_2, dat geen van xx, yy, zz is: symmetrieverboden, en daarom is de band ervan (Hoofdstuk 7) zo zwak.

Geschiedenis — Wigner, Bethe en de symmetrie van moleculen

De groepentheorie deed haar intrede in de kwantummechanica met het werk van Eugene Wigner over atoomspectra (1927–31) en het artikel van Hans Bethe over de opsplitsing van atoomtermen in kristallen (1929). E. Bright Wilson paste haar in 1934 toe op moleculaire vibraties; Robert Mulliken gaf de labels die nog steeds voor orbitalen en toestanden gebruikt worden.

In het laboratorium — Infrarood en Raman naast elkaar

Een infraroodspectrometer meet het licht dat een monster absorbeert; een ramanspectrometer belicht het met een laser en analyseert het zwakke verstrooide licht bij verschoven golflengten. Beide spectra van dezelfde verbinding opnemen is de klassieke test op een symmetriecentrum: als geen enkele band samenvalt, is het molecuul waarschijnlijk centrosymmetrisch. Ramanlasers zijn van klasse 3B of 4: de bundel wordt afgeschermd en de gebruikers dragen een veiligheidsbril die geschikt is voor de golflengte.

5.6 Oefeningen

Oefening 5.1 ★

Reduceer de representatie van C2vC_{2v} met karakters (5,−1,3,1)(5, -1, 3, 1) op (E,C2,σv(xz),σv′(yz))(E, C_2, \sigma_v(xz), \sigma_v'(yz)). Controleer de dimensie.

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.1.

nA1=14(5−1+3+1)=2n_{A_1} = \frac14(5 - 1 + 3 + 1) = 2, nA2=14(5−1−3−1)=0n_{A_2} = \frac14(5 - 1 - 3 - 1) = 0, nB1=14(5+1+3−1)=2n_{B_1} = \frac14(5 + 1 + 3 - 1) = 2, nB2=14(5+1−3+1)=1n_{B_2} = \frac14(5 + 1 - 3 + 1) = 1: Γ=2A1+2B1+B2\Gamma = 2A_1 + 2B_1 + B_2, van dimensie 5.

Oefening 5.2 ★

SOX2\ce{SO2} is gebogen, zoals water. Geef Γvib\Gamma_{\mathrm{vib}} en zeg welke trillingen IR- en Raman-actief zijn.

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.2.

Dezelfde telling van atomen op hun plaats als bij water: Γvib=2A1+B1\Gamma_{\mathrm{vib}} = 2A_1 + B_1. A1A_1 (zz) en B1B_1 (xx) zijn IR-actief, en beide zijn ook Raman-actief (x2x^2, xzxz): drie banden in elk spectrum.

Oefening 5.3 ★

Bereken in C2vC_{2v} de directe producten B1⊗B2B_1\otimes B_2, A2⊗B1A_2\otimes B_1, en E⊗EE\otimes E in C3vC_{3v} (reduceer dat laatste).

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.3.

B1⊗B2B_1\otimes B_2: karakters (1,1,−1,−1)(1, 1, -1, -1) =A2= A_2. A2⊗B1A_2\otimes B_1: (1,−1,−1,1)=B2(1, -1, -1, 1) = B_2. In C3vC_{3v} heeft E⊗EE\otimes E de karakters (4,1,0)(4, 1, 0); reductie: A1+A2+EA_1 + A_2 + E.

Oefening 5.4 ★

CHX4\ce{CH4} heeft fundamentele banden bij 2917 (a1a_1), 1534 (ee), 3019 en 1306 (beide t2t_2) cm−1\mathrm{cm}^{-1}. Welke verschijnen in het infraroodspectrum, welke in het ramanspectrum?

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.4.

Infrarood: de twee t2t_2-trillingen, 3019 en 1306 cm−11306\,\mathrm{cm}^{-1}. Raman: alle vier (a1a_1, ee, t2t_2 transformeren alle als kwadratische functies). Geen inversiecentrum, dus samenvallende banden zijn toegestaan.

Oefening 5.5 ★★

Leid voor BFX3\ce{BF3} Γvib=A1′+2E′+A2′′\Gamma_{\mathrm{vib}} = A_1' + 2E' + A_2'' af uit de atomen die op hun plaats blijven, en tel daarna de IR- en ramanbanden. Welke trilling ziet men in slechts één van de twee spectra, en welke in beide?

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.5.

Atomen op hun plaats (4,1,2,4,1,2)(4, 1, 2, 4, 1, 2) maal χxyz=(3,0,−1,1,−2,1)\chi_{xyz} = (3, 0, -1, 1, -2, 1) geeft χ3N=(12,0,−2,4,−2,2)\chi_{3N} = (12, 0, -2, 4, -2, 2), wat reduceert tot A1′+A2′+3E′+2A2′′+E′′A_1' + A_2' + 3E' + 2A_2'' + E''. Trek E′+A2′′E' + A_2'' (translaties) en A2′+E′′A_2' + E'' (rotaties) af: A1′+2E′+A2′′A_1' + 2E' + A_2''. IR: 2E′+A2′′2E' + A_2'', drie banden; Raman: A1′+2E′A_1' + 2E', drie banden. A2′′A_2'' (buigvibratie uit het vlak) is alleen IR-actief, A1′A_1' (symmetrische strekvibratie) alleen Raman-actief, de E′E'-trillingen verschijnen in beide.

Oefening 5.6 ★★

Hoeveel IR- en ramanbanden vertoont SFX6\ce{SF6}? Welke trilling is stil? Waarom verschijnt geen enkele band in beide spectra?

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.6.

IR: de twee T1uT_{1u}-trillingen, twee banden. Raman: A1gA_{1g}, EgE_g, T2gT_{2g}, drie banden. T2uT_{2u} is stil. SFX6\ce{SF6} heeft een inversiecentrum: wederzijdse uitsluiting.

Oefening 5.7 ★★

Pas de projectieoperator toe op h2h_2 voor de representatie EE van C3vC_{3v} en toon aan dat het resultaat, orthogonaal gemaakt ten opzichte van 2h1−h2−h32h_1 - h_2 - h_3, h2−h3h_2 - h_3 geeft.

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.7.

Onder EE, C3C_3, C32C_3^2 gaat de functie h2h_2 naar h2h_2, h3h_3, h1h_1 (karakters 2, −1-1, −1-1); spiegelingen dragen 0 bij. P^Eh2∝2h2−h3−h1\hat P_Eh_2 \propto 2h_2 - h_3 - h_1. De overlap ervan met 2h1−h2−h32h_1 - h_2 - h_3 (atomaire overlappen verwaarloosd) is −3-3, en deze laatste heeft norm 6\sqrt6; na aftrek van de projectie: (2h2−h1−h3)+12(2h1−h2−h3)=32(h2−h3)(2h_2 - h_1 - h_3) + \frac12(2h_1 - h_2 - h_3) = \frac32(h_2 - h_3).

Oefening 5.8 ★★

Voorspel het aantal CO-banden in het IR-spectrum van fac- en mer-MLX3(CO)X3\ce{ML3(CO)3}, en van M(CO)X6\ce{M(CO)6}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.8.

fac (C3vC_{3v}, karakters 3,0,13, 0, 1): A1+EA_1 + E, twee IR-banden. mer (C2vC_{2v}, karakters 3,1,3,13, 1, 3, 1): 2A1+B12A_1 + B_1, drie banden. M(CO)X6\ce{M(CO)6} (OhO_h): A1g+Eg+T1uA_{1g} + E_g + T_{1u}, één IR-band (T1uT_{1u}).

Oefening 5.9 ★★

Toon aan dat de zes σ\sigma-orbitalen van de liganden van een octaëdrisch complex A1g+Eg+T1uA_{1g} + E_g + T_{1u} overspannen, en zeg met welke metaalorbitalen elk ervan kan combineren.

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.9.

Karakters 6,0,0,2,2,0,0,0,4,26, 0, 0, 2, 2, 0, 0, 0, 4, 2: alleen EE, de C4C_4 en C2C_2 langs de assen (twee liganden op hun plaats), de drie σh\sigma_h (vier) en de zes σd\sigma_d (twee) laten liganden op hun plaats. De reductie geeft A1g+Eg+T1uA_{1g} + E_g + T_{1u}. De metaalorbitalen ss (a1ga_{1g}), dz2d_{z^2} en dx2−y2d_{x^2-y^2} (ege_g), en pxp_x, pyp_y, pzp_z (t1ut_{1u}) combineren; t2gt_{2g} blijft niet-bindend.

Oefening 5.10 ★★★

De reguliere representatie heeft χ(E)=h\chi(E) = h en χ(R)=0\chi(R) = 0 voor R≠ER \ne E. Toon met de reductieformule aan dat ze elke irreducibele representatie Γi\Gamma_i precies did_i keer bevat, en leid ∑idi2=h\sum_id_i^2 = h af.

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.10.

ni=1h(1⋅h⋅χi(E))=din_i = \frac1h(1\cdot h\cdot\chi_i(E)) = d_i. De dimensie van de reguliere representatie is hh, en ook ∑inidi=∑idi2\sum_in_id_i = \sum_id_i^2.

Oefening 5.11 ★★★

Acetyleen HC≡CH\ce{HC#CH} is lineair. Werk in D2hD_{2h}, bepaal Γvib\Gamma_{\mathrm{vib}}, hergroepeer het in labels van D∞hD_{\infty h}, en voorspel de IR- en ramanspectra.

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.11.

In D2hD_{2h} (molecuul langs zz): atomen op hun plaats (4,4,0,0,0,0,4,4)(4, 4, 0, 0, 0, 0, 4, 4), χ3N=(12,−4,0,0,0,0,4,4)\chi_{3N} = (12, -4, 0, 0, 0, 0, 4, 4), wat reduceert tot 2Ag+2B2g+2B3g+2B1u+2B2u+2B3u2A_g + 2B_{2g} + 2B_{3g} + 2B_{1u} + 2B_{2u} + 2B_{3u}. Trek de translaties B1u+B2u+B3uB_{1u} + B_{2u} + B_{3u} en de twee rotaties B2g+B3gB_{2g} + B_{3g} af: 2Ag+B2g+B3g+B1u+B2u+B3u2A_g + B_{2g} + B_{3g} + B_{1u} + B_{2u} + B_{3u}, zeven trillingen. In D∞hD_{\infty h}: 2Σg++Πg+Σu++Πu2\Sigma_g^+ + \Pi_g + \Sigma_u^+ + \Pi_u. IR: Σu+\Sigma_u^+ en Πu\Pi_u (twee banden); Raman: 2Σg+2\Sigma_g^+ en Πg\Pi_g (drie banden); geen samenvallende banden.

Oefening 5.12 ★★★

Welke van deze promoties van één elektron in water (xzxz-vlak) geven toegestane overgangen, en met welke polarisatie: 1b2→4a11b_2 \to 4a_1, 3a1→4a13a_1 \to 4a_1, 1b2→2b11b_2 \to 2b_1, 1b1→4a11b_1 \to 4a_1?

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.12.

1b2→4a11b_2 \to 4a_1: B2B_2, yy, toegestaan, loodrecht op het vlak. 3a1→4a13a_1 \to 4a_1: A1A_1, zz, toegestaan, langs de C2C_2-as. 1b2→2b11b_2 \to 2b_1: A2A_2, verboden. 1b1→4a11b_1 \to 4a_1: B1B_1, xx, toegestaan, in het vlak, loodrecht op de as.

5.7 Probleem: cis of trans? Een carbonylcomplex gelezen aan zijn spectrum

Probleem 5.1

Weekendprobleem — puntgroepen en representaties van de CO-strekvibraties van vier isomeren, hun infrarood- en ramanbanden, en de identificatie van een product aan de hand van zijn gemeten spectrum

Een octaëdrisch metaal M draagt carbonylliganden en andere liganden L (elk L geteld als een punt). Vier isomeren worden bekeken: cis- en trans-MLX4(CO)X2\ce{ML4(CO)2}, en fac- en mer-MLX3(CO)X3\ce{ML3(CO)3}. Neem aan dat de liganden L de symmetrie niet verder verlagen dan hun posities opleggen. Een synthese van MLX3(CO)X3\ce{ML3(CO)3} levert een product waarvan het infraroodspectrum drie sterke banden vertoont bij 2048, 1965 en 1938 cm−11938\,\mathrm{cm}^{-1} (gegevens van het probleem); zijn ramanspectrum vertoont drie banden op vrijwel dezelfde posities.

Deel I — Puntgroepen.

  1. Teken de vier isomeren op een octaëder.
  2. Geef de puntgroep van cis-MLX4(CO)X2\ce{ML4(CO)2}.
  3. Van trans-MLX4(CO)X2\ce{ML4(CO)2}.
  4. Van fac-MLX3(CO)X3\ce{ML3(CO)3}.
  5. Van mer-MLX3(CO)X3\ce{ML3(CO)3}.
  6. Welke van de vier hebben een inversiecentrum?

Deel II — De CO-strekvibraties.

  1. Leg uit waarom de bindingsvectoren C–O een representatie dragen waarin een operatie 1 bijdraagt per CO dat op zijn plaats blijft.
  2. Bepaal ΓCO\Gamma_{\mathrm{CO}} van het cis-isomeer.
  3. Van het trans-isomeer.
  4. Van het fac-isomeer.
  5. Van het mer-isomeer.
  6. Controleer elke dimensie aan de hand van het aantal CO-liganden.

Deel III — Activiteit.

  1. Tel de IR-actieve CO-strekvibraties van elk isomeer.
  2. Tel de Raman-actieve.
  3. Welk isomeer volgt de regel van wederzijdse uitsluiting?
  4. Beschrijf in het trans-isomeer de IR-actieve trilling: strekken de twee CO in fase of in tegenfase?
  5. Waarom geven de drie CO in het fac-isomeer maar twee banden?
  6. Wat zou één enkele band (IR) je vertellen?

Deel IV — Het product.

  1. Op welk isomeer wijst het infraroodspectrum van het product?
  2. Is het ramanspectrum daarmee in overeenstemming?
  3. De hoogste band is de strekvibratie in fase van de CO-groepen. Tot welke irreducibele representatie behoort ze in dat isomeer?
  4. Zou het spectrum van een mengsel van de twee isomeren kunnen komen? Welke bijkomende meting zou de knoop doorhakken?
  5. Formuleer het resultaat: het aantal IR-actieve CO-strekvibraties van het mer-isomeer, tegenover dat van het fac-isomeer.
Oplossing

Oplossing van Probleem 5.1.

1. cis: de twee CO op naburige hoekpunten; trans: tegenover elkaar; fac: drie CO op één zijvlak; mer: drie CO op een meridiaan (twee in trans, één ertussen). 2. C2vC_{2v}. 3. D4hD_{4h}. 4. C3vC_{3v}. 5. C2vC_{2v}. 6. Alleen trans-MLX4(CO)X2\ce{ML4(CO)2}. 7. Een operatie die een CO op een ander brengt, plaatst zijn vector buiten de diagonaal (bijdrage 0); een operatie die een CO op zijn plaats laat, beeldt zijn bindingsvector op zichzelf af (+1); geen enkele keert een vector C–O om. 8. Karakters (2,0,2,0)(2, 0, 2, 0), met σv(xz)\sigma_v(xz) het vlak van beide CO: A1+B1A_1 + B_1. 9. Karakters 2 onder EE, C4C_4, C2C_2, σv\sigma_v, σd\sigma_d, elders 0: A1g+A2uA_{1g} + A_{2u}. 10. (3,0,1)(3, 0, 1): A1+EA_1 + E. 11. (3,1,3,1)(3, 1, 3, 1): 2A1+B12A_1 + B_1. 12. 2, 2, 3, 3: één dimensie per CO. 13. IR-actief: cis 2, trans 1, fac 2, mer 3. 14. Raman-actief: cis 2, trans 1, fac 2, mer 3. 15. trans: zijn IR-band (A2uA_{2u}) en zijn ramanband (A1gA_{1g}) horen bij verschillende trillingen. 16. A2uA_{2u} verandert van teken onder ii: het ene CO wordt langer terwijl het andere korter wordt, in tegenfase. 17. EE is een ontaard paar: twee trillingen met dezelfde frequentie geven één band, naast de band van A1A_1. 18. Een trans-gedisubstitueerd, centrosymmetrisch isomeer. 19. Drie IR-banden: mer (fac zou er twee geven). 20. Ja: mer heeft drie Raman-actieve CO-trillingen bij dezelfde frequenties, omdat het niet centrosymmetrisch is; fac zou er twee vertonen. 21. A1A_1: de strekvibratie in fase is totaalsymmetrisch. 22. Een mengsel fac/mer zou tot vijf IR-banden vertonen, met de banden van fac op andere posities; drie zuivere banden passen bij één enkel isomeer. Een 13{}^{13}C-NMR-spectrum zou de knoop doorhakken: twee carbonylsignalen in de verhouding 2:1 voor mer, één signaal voor fac. 23. Het mer-isomeer heeft drie IR-actieve CO-strekvibraties, het fac-isomeer twee: het product is mer.

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 852 begrippen in de begrippenlijst