Chemistry · Boek 4 · Bachelor Year 3

Universitaire scheikunde — jaar 3

Universitaire scheikunde — jaar 3 · Bachelor Year 3

7Elektronische spectroscopie en fotofysica

Onder de ultravioletlamp van een donkere bar gloeit een glas tonic bleekblauw, als een spook. Het kinine dat erin zit, absorbeert ultraviolet licht, dat het oog niet kan zien, en geeft een deel ervan enkele nanoseconden later terug als zichtbaar blauw licht. Absorptie, een kort leven in een aangeslagen toestand, emissie bij een langere golflengte, de energie die niet als licht terugkomt: het lot van een aangeslagen molecuul is een wedstrijd tussen processen met snelheidsconstanten, en zijn spectrum wordt gevormd door de vibraties van het molecuul en door de symmetrieregels van Hoofdstuk 5. Dit hoofdstuk bestudeert elektronische overgangen en wat er daarna gebeurt, het domein van de fotofysica; Hoofdstuk 14 voegt de gevallen toe waarin het aangeslagen molecuul reageert.

Wat je al weet

Het deel van jaar 1 mat absorbantie met de wet van Lambert-Beer, A=εℓcA = \varepsilon\ell c, definieerde de molaire absorptiecoëfficiënt, chromoforen en geconjugeerde systemen, en verbond kleur met het absorptiemaximum. Het deel van jaar 2 benoemde de grensorbitalen HOMO en LUMO. Hoofdstuk 2 definieerde singulet- en triplettoestanden; Hoofdstuk 5 de stelling over integralen die nul zijn; Hoofdstuk 6 de vibratieniveaus van een binding.

Links: tonic die blauw oplicht onder een ultravioletlamp. Rechts: fluoriet bij daglicht en fluorescerend onder ultraviolet licht; het mineraal gaf de fluorescentie haar naam. Foto Masha Milshina, CC BY 4.0. Links: tonic die blauw oplicht onder een ultravioletlamp. Rechts: fluoriet bij daglicht en fluorescerend onder ultraviolet licht; het mineraal gaf de fluorescentie haar naam. Foto Masha Milshina, CC BY 4.0.
Links: tonic die blauw oplicht onder een ultravioletlamp. Rechts: fluoriet bij daglicht en fluorescerend onder ultraviolet licht; het mineraal gaf de fluorescentie haar naam. Foto Masha Milshina, CC BY 4.0.

7.1 Elektronische overgangen en hun selectieregels

Definitie 7.1 (Overgangsdipoolmoment, oscillatorsterkte)

Het overgangsdipoolmoment tussen de toestanden Ψi\Psi_i en Ψf\Psi_f is μfi=⟨Ψf∣μ^∣Ψi⟩\boldsymbol\mu_{fi} = \langle\Psi_f|\hat{\boldsymbol\mu}|\Psi_i \rangle, met μ^=−e∑krk\hat{\boldsymbol\mu} = -e\sum_k\mathbf r_k (plus de kernladingen, die tussen orthogonale toestanden wegvallen). De oscillatorsterkte ff is de dimensieloze maat voor de intensiteit van een band, ongeveer 1 voor de sterkste overgangen.

Propositie 7.2 (Intensiteit en oscillatorsterkte)

De geïntegreerde absorptie van een band is evenredig met ∣μfi∣2|\boldsymbol\mu_{fi}|^2, en in de praktijk is

f≈4.32×10−9∫ε(ν~)  ⁣dν~,f \approx 4.32\times10^{-9}\int\varepsilon(\tilde\nu)\,\dd\tilde\nu,

met ε\varepsilon in L mol−1 cm−1\mathrm{L}\,\mathrm{mol}^{-1}\,\mathrm{cm}^{-1} en ν~\tilde\nu in cm−1\mathrm{cm}^{-1}.

Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen. ∎

De evenredigheid volgt uit de tijdsafhankelijke storingstheorie en de numerieke factor uit de klassieke oscillator; beide horen thuis in meer gevorderde cursussen. Wat hier telt, is dat ff alleen groot is als μfi\boldsymbol\mu_{fi} dat is, en dat symmetrie het tot nul kan dwingen.

Stelling 7.3 (De spinselectieregel)

Een elektrische-dipoolovergang tussen toestanden met verschillende totale spin is verboden: ΔS=0\Delta S = 0.

Bewijs. Elke toestand is een product van een ruimtelijke functie en een spinfunctie, Ψ=ϕ χ\Psi = \phi\,\chi. De dipooloperator werkt alleen op de posities in, dus ⟨ϕfχf∣μ^∣ϕiχi⟩=⟨ϕf∣μ^∣ϕi⟩⟨χf∣χi⟩\langle\phi_f\chi_f|\hat{\boldsymbol\mu}| \phi_i\chi_i\rangle = \langle\phi_f|\hat{\boldsymbol\mu}|\phi_i\rangle\langle\chi_f|\chi_i\rangle. Spinfuncties met verschillende SS zijn eigenfuncties van S^2\hat S^2 met verschillende eigenwaarden, en dus orthogonaal (Stelling 1.4): de tweede factor is nul. ∎

Stelling 7.4 (De regel van Laporte)

In een molecuul met een inversiecentrum moet een elektrische-dipoolovergang van pariteit veranderen: g↔ug \leftrightarrow u is toegestaan, g↔gg \leftrightarrow g en u↔uu \leftrightarrow u zijn verboden. Dit is de regel van Laporte.

Bewijs. De componenten van μ^\hat{\boldsymbol\mu} veranderen van teken onder inversie: ze zijn uu. Het product Γf⊗Γμ⊗Γi\Gamma_f\otimes\Gamma_\mu\otimes\Gamma_i is alleen gg als Γf\Gamma_f en Γi\Gamma_i tegengestelde pariteiten hebben; anders is het uu en kan het de totaalsymmetrische representatie niet bevatten (Stelling 5.18). ∎

De twee regels zijn strikt voor de geïdealiseerde toestanden; echte moleculen versoepelen ze — spin-baankoppeling mengt singulet- en tripletkarakter, vibraties heffen het symmetriecentrum even op — en de “verboden” overgangen verschijnen, zwak. De dd–dd-banden van octaëdrische complexen, verboden volgens Laporte en zwak, danken hun kleur aan deze versoepeling (Hoofdstuk 18).

Definitie 7.5 (Ladingsoverdrachtsovergang)

Een ladingsoverdrachtsovergang brengt een elektron over van een orbitaal die vooral op één deel van een systeem gelokaliseerd is (een donor) naar een orbitaal die vooral op een ander deel gelokaliseerd is (een acceptor); haar overgangsdipool is groot, haar band intens en breed, en haar energie gevoelig voor de polariteit van het oplosmiddel.

Methode 7.6 (Een absorptieband toekennen)

  1. εmax⁡\varepsilon_{\max} boven ongeveer 104 L mol−1 cm−110^{4}\,\mathrm{L}\,\mathrm{mol}^{-1}\,\mathrm{cm}^{-1}: een toegestane overgang (π→π∗\pi\to\pi^* van een geconjugeerd systeem, of ladingsoverdracht).
  2. εmax⁡\varepsilon_{\max} van 10 tot enkele honderden: een verboden overgang (n→π∗n\to\pi^*, symmetrieverboden; dd–dd, verboden volgens Laporte).
  3. εmax⁡\varepsilon_{\max} onder 1: spinverboden.
  4. Een n→π∗n\to\pi^*-band verschuift in protische oplosmiddelen naar kortere golflengten (het vrije elektronenpaar wordt door waterstofbruggen gestabiliseerd), een π→π∗\pi\to\pi^*-band meestal naar langere.

7.2 Het franck-condonprincipe

Stelling 7.7 (Franck-condonprincipe)

Binnen de born-oppenheimerbenadering, en als de overgangsdipool weinig afhangt van de kernposities, is de intensiteit van de vibronische overgang van vibratieniveau v′′v'' van de lagere elektronische toestand naar niveau v′v' van de hogere evenredig met ∣⟨χv′∣χv′′⟩∣2|\langle\chi_{v'}|\chi_{v''}\rangle|^2, het kwadraat van de overlap van de twee vibratiegolffuncties: dit is het franck-condonprincipe. Elektronische overgangen zijn verticaal: de kernen bewegen niet terwijl de elektronen springen.

Bewijs. Met Ψ=ψel(r;R)χv(R)\Psi = \psi_{\mathrm{el}}(\mathbf r;R)\chi_v(R) is het overgangsmoment ∫χv′∗[∫ψel′∗μ^ψel′′ ⁣dr]χv′′  ⁣dR\int\chi_{v'}^*\big[\int\psi'^*_{\mathrm{el}}\hat\mu\psi''_{\mathrm{el}}\dd\mathbf r\big] \chi_{v''}\,\dd R. De uitdrukking tussen haken is het elektronische overgangsmoment μel(R)\mu_{\mathrm{el}}(R); als constant beschouwd (de condonbenadering) komt het buiten de integraal, en er blijft μel⟨χv′∣χv′′⟩\mu_{\mathrm{el}}\langle\chi_{v'}|\chi_{v''}\rangle over. ∎

Definitie 7.8 (Vibronische overgang, progressie, franck-condonfactor)

Een vibronische overgang verandert de elektronische en de vibratietoestand tegelijk; de lijnen v′←0v' \leftarrow 0 voor v′=0,1,2,…v' = 0, 1, 2, \dots vormen een vibronische progressie; de franck-condonfactor van een vibronische lijn is ∣⟨χv′∣χv′′⟩∣2|\langle\chi_{v'}|\chi_{v''}\rangle|^2.

Propositie 7.9 (Verschoven oscillatoren)

Als beide toestanden harmonisch zijn met dezelfde frequentie en het minimum van de hogere toestand verschoven is over Δ\Delta (in eenheden van ℏ/mω\sqrt{\hbar/m\omega}), vormen de franck-condonfactoren vanuit v′′=0v'' = 0 een poissonverdeling, ∣⟨v′∣0⟩∣2=e−SSv′/v′!|\langle v'|0\rangle|^2 = \eu^{-S}S^{v'}/v'!, met S=Δ2/2S = \Delta^2/2; de sterkste lijn ligt bij ongeveer v′=Sv' = S.

Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen. ∎

Het algemene bewijs gebruikt de ladderoperatoren van Hoofdstuk 1; de figuurgegevens van dit hoofdstuk toetsen de formule aan een directe integratie. Een kleine verschuiving geeft één sterke 0–0-lijn; een grote een lange progressie waarvan het sterkste lid ver van de 0–0-lijn ligt.

Links: een verticale overgang vanuit het laagste niveau van de grondtoestand belandt waar de kromme van de aangeslagen toestand, verschoven naar een grotere bindingslengte, hoog boven haar minimum ligt (getekend voor S = 1.5). Rechts: franck-condonfactoren van de progressie voor S = 0.3 (zwart), 1.5 (blauw) en 5 (rood); elke reeks telt op tot 1.
Links: een verticale overgang vanuit het laagste niveau van de grondtoestand belandt waar de kromme van de aangeslagen toestand, verschoven naar een grotere bindingslengte, hoog boven haar minimum ligt (getekend voor S=1.5S = 1.5). Rechts: franck-condonfactoren van de progressie voor S=0.3S = 0.3 (zwart), 1.5 (blauw) en 5 (rood); elke reeks telt op tot 1.

Voorbeeld 7.10 (Jood)

Jooddamp is violet omdat zijn band B←\leftarrowX geelgroen licht absorbeert. De binding verlengt van 266.6 pm266.6\,\mathrm{pm} in de grondtoestand tot 302.5 pm302.5\,\mathrm{pm} in de toestand B. In het model van de verschoven oscillatoren met de frequentie van de toestand B (125.7 cm−1125.7\,\mathrm{cm}^{-1}) geeft ΔR=35.8 pm\Delta R = 35.8\,\mathrm{pm} de waarde S≈15S \approx 15: de absorptie is een lange progressie waarvan de sterkste lijnen eindigen op hoge vibratieniveaus van de toestand B, en waarvan het vervolg overgaat in het dissociatiecontinuüm.

7.3 Het lot van een aangeslagen toestand: het jablonskidiagram

Definitie 7.11 (Jablonskidiagram)

Een jablonskidiagram toont de elektronische toestanden van een molecuul (singuletten S0,S1,S2,…S_0, S_1, S_2, \dots in één kolom, tripletten T1,T2,…T_1, T_2, \dots in een andere), hun vibratieniveaus, en de processen die ze verbinden: stralingsprocessen als rechte pijlen, stralingsloze als golvende pijlen.

Definitie 7.12 (Stralingsloze processen)

Vibratierelaxatie brengt een aangeslagen molecuul door botsingen in enkele picoseconden naar het laagste vibratieniveau van zijn elektronische toestand. Interne conversie is een stralingsloze overgang tussen toestanden met dezelfde multipliciteit (S2→S1S_2 \to S_1, S1→S0S_1 \to S_0); intersystem crossing is er een tussen toestanden met verschillende multipliciteit (S1→T1S_1 \to T_1, T1→S0T_1 \to S_0).

Definitie 7.13 (Luminescentie, fluorescentie, fosforescentie, stokesverschuiving)

Luminescentie is de uitzending van licht door een aangeslagen molecuul. Fluorescentie is spintoegestane emissie, meestal S1→S0S_1 \to S_0, snel (nanoseconden); fosforescentie is spinverboden emissie, meestal T1→S0T_1 \to S_0, traag (milliseconden tot seconden). De stokesverschuiving is het verschil tussen het absorptie- en het emissiemaximum, in energie.

Een jablonskidiagram. Rechte pijlen: absorptie (blauw), fluorescentie (rood), fosforescentie (oranje); golvende pijlen: vibratierelaxatie en interne conversie (IC); gestreepte golvende pijlen: intersystem crossing (ISC). De emissie vertrekt vanuit het laagste vibratieniveau van S_1 of T_1 en kan eindigen op elk niveau van S_0.
Een jablonskidiagram. Rechte pijlen: absorptie (blauw), fluorescentie (rood), fosforescentie (oranje); golvende pijlen: vibratierelaxatie en interne conversie (IC); gestreepte golvende pijlen: intersystem crossing (ISC). De emissie vertrekt vanuit het laagste vibratieniveau van S1S_1 of T1T_1 en kan eindigen op elk niveau van S0S_0.

Propositie 7.14 (Regel van Kasha)

Luminescentie treedt, op zeer weinig uitzonderingen na, op vanuit de laagste aangeslagen toestand van een gegeven multipliciteit (S1S_1 of T1T_1), welke toestand er ook eerst aangeslagen werd: de regel van Kasha.

Status. Experimenteel vastgesteld; de reden is dat interne conversie tussen de hogere aangeslagen toestanden, die dicht bij elkaar liggen, veel sneller is dan emissie, terwijl de afstand S1S_1–S0S_0 groot is. ∎

Propositie 7.15 (Spiegelbeeld)

Als de aangeslagen toestand en de grondtoestand een gelijkaardige vibratiestructuur hebben, is de fluorescentieband het spiegelbeeld van de eerste absorptieband ten opzichte van hun gemeenschappelijke 0–0-lijn; de emissie ligt bij langere golflengten (stokesverschuiving).

Bewijs. Absorptie gaat van v′′=0v'' = 0 naar de niveaus v′v' van S1S_1, bij E00+v′hν′E_{00} + v'h\nu'; emissie van v′=0v' = 0 naar de niveaus v′′v'' van S0S_0, bij E00−v′′hν′′E_{00} - v''h\nu''. Met gelijke frequenties en dezelfde franck-condonfactoren (gelijke verschuiving) liggen de twee progressies symmetrisch ten opzichte van E00E_{00}. ∎

Absorptie en fluorescentie van een modelmolecuul (S = 1, vibratiekwantum 1400\, cm-1): spiegelbeelden ten opzichte van de 0–0-lijn; de maxima liggen uit elkaar volgens de stokesverschuiving.
Absorptie en fluorescentie van een modelmolecuul (S=1S = 1, vibratiekwantum 1400 cm−11400\,\mathrm{cm}^{-1}): spiegelbeelden ten opzichte van de 0–0-lijn; de maxima liggen uit elkaar volgens de stokesverschuiving.

7.4 Kinetiek van aangeslagen toestanden

Na de excitatie neemt de bezetting van S1S_1 af via elk proces dat daarvoor openstaat, elk van de eerste orde: stralingsverval krk_r, interne conversie kICk_{\mathrm{IC}}, intersystem crossing kISCk_{\mathrm{ISC}}.

Definitie 7.16 (Levensduur van de aangeslagen toestand, stralingslevensduur)

De levensduur van de aangeslagen toestand is τ=1/∑k\tau = 1/\sum k, de tijdconstante van het exponentiële verval van de aangeslagen bezetting. De stralingslevensduur τr=1/kr\tau_r = 1/k_r is de levensduur die de toestand zou hebben als emissie zijn enige lot was.

Definitie 7.17 (Kwantumopbrengst)

De kwantumopbrengst van een proces dat volgt op de absorptie van licht, is het aantal gebeurtenissen van dat proces gedeeld door het aantal geabsorbeerde fotonen. De kwantumopbrengst van fluorescentie ΦF\Phi_F is het aantal fotonen dat als fluorescentie uitgezonden wordt per geabsorbeerd foton.

Propositie 7.18 (Kwantumopbrengst en levensduur)

ΦF=kr/(kr+kIC+kISC)=krτ=τ/τr\Phi_F = k_r/(k_r + k_{\mathrm{IC}} + k_{\mathrm{ISC}}) = k_r\tau = \tau/\tau_r; op dezelfde manier is ΦISC=kISCτ\Phi_{\mathrm{ISC}} = k_{\mathrm{ISC}}\tau, en de opbrengsten van de concurrerende processen tellen op tot 1.

Bewijs.  ⁣d[S1]/ ⁣dt=−(kr+kIC+kISC)[S1]\dd[S_1]/\dd t = -(k_r + k_{\mathrm{IC}} + k_{\mathrm{ISC}})[S_1], dus [S1]=[S1]0e−t/τ[S_1] = [S_1]_0\eu^{-t/\tau}. Het aantal uitgezonden fotonen is ∫0∞kr[S1]  ⁣dt=krτ[S1]0\int_0^\infty k_r[S_1]\,\dd t = k_r\tau[S_1]_0, op [S1]0[S_1]_0 aangeslagen moleculen. Dezelfde integraal met elke kk geeft elke opbrengst, en hun som is τ∑k=1\tau\sum k = 1. ∎

Definitie 7.19 (Fluorescentiedover, dynamische en statische uitdoving)

Een fluorescentiedover is een deeltje dat de fluorescentie vermindert. Bij dynamische uitdoving deactiveert het het aangeslagen molecuul bij een botsing, wat een snelheid kq[Q]k_q[Q] toevoegt en de levensduur verkort; bij statische uitdoving vormt het een niet-fluorescerend complex met het molecuul in de grondtoestand, wat de intensiteit vermindert zonder de levensduur te veranderen van de moleculen die nog uitzenden.

Stelling 7.20 (Vergelijking van Stern-Volmer)

Voor dynamische uitdoving geldt

I0I=τ0τ=1+kqτ0[Q]=1+KSV[Q],\frac{I_0}{I} = \frac{\tau_0}{\tau} = 1 + k_q\tau_0[Q] = 1 + K_{SV}[Q],

de vergelijking van Stern-Volmer, waarin I0I_0, τ0\tau_0 zonder dover gemeten worden en KSV=kqτ0K_{SV} = k_q\tau_0.

Bewijs. Met dover is τ=1/(k0+kq[Q])\tau = 1/(k_0 + k_q[Q]) met k0=1/τ0k_0 = 1/\tau_0, dus τ0/τ=1+kqτ0[Q]\tau_0/\tau = 1 + k_q\tau_0[Q]. De intensiteit is evenredig met ΦF=krτ\Phi_F = k_r\tau, dus I0/I=τ0/τI_0/I = \tau_0/\tau. ∎

Dynamische uitdoving van een modelfluorofoor (_0 = 10\, ns, k_q = 5 × 109\, L\, mol-1\, s-1). Links: fluorescentieverval, rechte lijnen op een logaritmische schaal, steiler naarmate er meer dover is. Rechts: de rechte van Stern-Volmer, met helling K_SV = k_q _0 = 50\, L/ mol.
Dynamische uitdoving van een modelfluorofoor (τ0=10 ns\tau_0 = 10\,\mathrm{ns}, kq=5×109 L mol−1 s−1k_q = 5 \times 10^{9}\,\mathrm{L}\,\mathrm{mol}^{-1}\,\mathrm{s}^{-1}). Links: fluorescentieverval, rechte lijnen op een logaritmische schaal, steiler naarmate er meer dover is. Rechts: de rechte van Stern-Volmer, met helling KSV=kqτ0=50 L/molK_{SV} = k_q\tau_0 = 50\,\mathrm{L}/\mathrm{mol}.

Methode 7.21 (Relatieve kwantumopbrengst van fluorescentie)

  1. Kies een standaard met bekende Φstd\Phi_{\mathrm{std}} die bij dezelfde excitatiegolflengte absorbeert.
  2. Maak verdunde oplossingen (A<0.1A < 0.1, om heropname te vermijden) en meet hun absorbanties AA en geïntegreerde emissiespectra FF onder identieke omstandigheden.
  3. Φ=Φstd FFstd AstdA n2nstd2\Phi = \Phi_{\mathrm{std}}\,\dfrac{F}{F_{\mathrm{std}}}\,\dfrac{A_{\mathrm{std}}}{A}\, \dfrac{n^2}{n_{\mathrm{std}}^2}, waarbij de laatste factor corrigeert voor de brekingsindices van de oplosmiddelen.

Methode 7.22 (Uitdovingsgegevens analyseren)

  1. Zet I0/II_0/I uit tegen [Q][Q]; een rechte door 1 geeft KSVK_{SV}.
  2. Meet ook levensduren: als τ0/τ\tau_0/\tau dezelfde rechte volgt, is de uitdoving dynamisch, en kq=KSV/τ0k_q = K_{SV}/\tau_0; als τ\tau niet verandert, is ze statisch.
  3. Vergelijk kqk_q met de diffusiegrens, ongeveer 1010 L mol−1 s−110^{10}\,\mathrm{L}\,\mathrm{mol}^{-1}\,\mathrm{s}^{-1} in water (Hoofdstuk 12): een kqk_q die er dicht bij ligt, betekent dat vrijwel elke ontmoeting uitdooft.

Voorbeeld 7.23 (Kinine en antraceen)

Kininesulfaat in 0.5 M0.5\,\mathrm{M} zwavelzuur absorbeert bij 349 nm349\,\mathrm{nm} met ε=5700 L mol−1 cm−1\varepsilon = 5700\,\mathrm{L}\,\mathrm{mol}^{-1}\,\mathrm{cm}^{-1} en fluoresceert met ΦF=0.546\Phi_F = 0.546, wat er de klassieke standaard voor relatieve kwantumopbrengsten van maakt. Antraceen in cyclohexaan absorbeert bij 356 nm356\,\mathrm{nm} en heeft ΦF=0.36\Phi_F = 0.36; de meeste overige aangeslagen moleculen gaan over naar de triplet.

7.5 Toepassingen

Fluorescentie wordt gedetecteerd tegen een donkere achtergrond, wat fluorimetrie honderd tot duizend keer gevoeliger maakt dan absorptiespectroscopie: nanomolaire concentraties van een fluorescerende verbinding worden routinematig gemeten. Fluorescente probes rapporteren over hun omgeving via hun golflengte, opbrengst of levensduur (polariteit, pH, de binding van een ion); energieoverdracht tussen twee fluoroforen, alleen efficiënt over enkele nanometer, meet afstanden in eiwitten. Fosforescerende complexen van zware metalen, waarin spin-baankoppeling intersystem crossing efficiënt maakt, oogsten tripletten in de lichtgevende diodes van beeldschermen.

In het laboratorium — Tijdgecorreleerde enkelvoudige-fotontelling

Om een levensduur van enkele nanoseconden te meten, wordt het monster aangeslagen door een gepulste laserdiode met een herhalingsfrequentie in het megahertzbereik, en wordt bij elke puls de vertraging van het eerste gedetecteerde fluorescentiefoton geregistreerd. Na miljoenen pulsen is het histogram van de vertragingen de vervalkromme, waaruit τ\tau aangepast wordt, met de instrumentrespons gemeten op een verstrooiende oplossing. De ultravioletbron is afgeschermd; de gebruiker werkt met een bril die haar golflengte tegenhoudt.

Geschiedenis — Stokes, 1852

George Gabriel Stokes stuurde zonlicht door een violet glas en een prisma in een kinineoplossing, en zag blauw licht opkomen uit het gebied dat door onzichtbare ultraviolette stralen belicht werd: het uitgezonden licht had altijd een langere golflengte dan het geabsorbeerde. Hij noemde het verschijnsel fluorescentie, naar het mineraal fluoriet, dat op dezelfde manier oplicht.

7.6 Oefeningen

Oefening 7.1 ★

Toegestaan of verboden, en volgens welke regel: (a) S0→T1S_0 \to T_1 in benzeen; (b) een dd–dd-overgang van een octaëdrisch complex; (c) de overgang π→π∗\pi\to\pi^* van etheen (B1u←AgB_{1u} \leftarrow A_g in D2hD_{2h}); (d) de overgang n→π∗n\to\pi^* van methanal (A2A_2)?

Oplossing

Oplossing van Oefening 7.1.

(a) Verboden volgens de spinregel (ΔS=1\Delta S = 1). (b) Verboden volgens de regel van Laporte (g→gg \to g); zwak zichtbaar via vibronische koppeling. (c) Toegestaan: B1uB_{1u} is de representatie van zz in D2hD_{2h}. (d) Verboden door de symmetrie: A2A_2 is geen van xx, yy, zz in C2vC_{2v}; de band is zwak.

Oefening 7.2 ★

Een verbinding absorbeert bij 349 nm349\,\mathrm{nm} en fluoresceert met een maximum bij 450 nm450\,\mathrm{nm} (gegevens van de oefening). Bereken de stokesverschuiving in cm−1\mathrm{cm}^{-1} en in eV.

Oplossing

Oplossing van Oefening 7.2.

107/349−107/450=28653−22222=6431 cm−110^7/349 - 10^7/450 = 28653 - 22222 = 6431\,\mathrm{cm}^{-1}, 0.80 eV0.80\,\mathrm{eV}.

Oefening 7.3 ★

Bereken de absorbantie bij 349 nm349\,\mathrm{nm} van een oplossing van kininesulfaat van 1.0×10−5 mol/L1.0 \times 10^{-5}\,\mathrm{mol}/\mathrm{L} in een cuvet van 1 cm1\,\mathrm{cm}, en de fractie van het licht die ze absorbeert.

Oplossing

Oplossing van Oefening 7.3.

A=5700×1×1.0×10−5=0.057A = 5700 \times 1 \times 1.0\times10^{-5} = 0.057; geabsorbeerde fractie 1−10−0.057=0.121 - 10^{-0.057} = 0.12.

Oefening 7.4 ★

Een fluorofoor heeft ΦF=0.60\Phi_F = 0.60 en τ=4.0 ns\tau = 4.0\,\mathrm{ns}. Bereken krk_r, de stralingslevensduur en de som van de niet-stralende snelheidsconstanten.

Oplossing

Oplossing van Oefening 7.4.

kr=ΦF/τ=1.5×108 s−1k_r = \Phi_F/\tau = 1.5 \times 10^{8}\,\mathrm{s}^{-1}, τr=6.7 ns\tau_r = 6.7\,\mathrm{ns}; knr=(1−ΦF)/τ=1.0×108 s−1k_{nr} = (1 - \Phi_F)/\tau = 1.0 \times 10^{8}\,\mathrm{s}^{-1}.

Oefening 7.5 ★★

Een band is gaussvormig met εmax⁡=5700 L mol−1 cm−1\varepsilon_{\max} = 5700\,\mathrm{L}\,\mathrm{mol}^{-1}\,\mathrm{cm}^{-1} en een volle breedte op halve hoogte van 5000 cm−15000\,\mathrm{cm}^{-1}. Schat haar oscillatorsterkte (de integraal van een gausskromme is 1.0645 εmax⁡×1.0645\,\varepsilon_{\max}\timesFWHM).

Oplossing

Oplossing van Oefening 7.5.

∫ε  ⁣dν~=1.0645×5700×5000=3.03×107\int\varepsilon\,\dd\tilde\nu = 1.0645 \times 5700 \times 5000 = 3.03 \times 10^{7}, dus f≈4.32×10−9×3.03×107=0.13f \approx 4.32\times10^{-9} \times 3.03\times10^7 = 0.13: een toegestane overgang van gemiddelde sterkte.

Oefening 7.6 ★★

Bepaal voor verschoven oscillatoren de sterkste lijn van de progressie voor S=0.3S = 0.3, 1.5 en 5, en de verhouding van haar factor tot die van de 0–0-lijn.

Oplossing

Oplossing van Oefening 7.6.

De poissonfactor e−SSv/v!\eu^{-S}S^v/v! is maximaal bij v=⌊S⌋v = \lfloor S\rfloor. S=0.3S = 0.3: de 0–0-lijn zelf. S=1.5S = 1.5: v′=1v' = 1, 1.5 keer de 0–0-lijn. S=5S = 5: v′=4v' = 4 en 5 even sterk, 26 keer de 0–0-lijn.

Oefening 7.7 ★★

Vanuit S1S_1 is kr=1.0×108 s−1k_r = 1.0 \times 10^{8}\,\mathrm{s}^{-1}, kIC=2.0×107 s−1k_{\mathrm{IC}} = 2.0 \times 10^{7}\,\mathrm{s}^{-1} en kISC=3.0×108 s−1k_{\mathrm{ISC}} = 3.0 \times 10^{8}\,\mathrm{s}^{-1}. Bereken τ\tau, ΦF\Phi_F en ΦISC\Phi_{\mathrm{ISC}}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 7.7.

∑k=4.2×108 s−1\sum k = 4.2 \times 10^{8}\,\mathrm{s}^{-1}: τ=2.4 ns\tau = 2.4\,\mathrm{ns}, ΦF=0.24\Phi_F = 0.24, ΦISC=0.71\Phi_{\mathrm{ISC}} = 0.71 (en ΦIC=0.05\Phi_{\mathrm{IC}} = 0.05).

Oefening 7.8 ★★

De fluorescentie van antraceen in cyclohexaan (A=0.040A = 0.040) heeft een integraal die 0.46 keer die van kininesulfaat in verdund zwavelzuur is (A=0.050A = 0.050, Φ=0.546\Phi = 0.546). Bereken met de brekingsindices 1.4266 (cyclohexaan) en 1.333 (water, voor het verdunde zuur) de ΦF\Phi_F van antraceen.

Oplossing

Oplossing van Oefening 7.8.

Φ=0.546×0.46×(0.050/0.040)×(1.4266/1.333)2=0.36\Phi = 0.546 \times 0.46 \times (0.050/0.040) \times (1.4266/1.333)^2 = 0.36.

Oefening 7.9 ★★

De levensduur van een fluorofoor is 8.0, 5.6 en 4.3 ns4.3\,\mathrm{ns} bij doverconcentraties van 0, 0.010 en 0.020 mol/L0.020\,\mathrm{mol}/\mathrm{L}. Is de uitdoving dynamisch? Bepaal KSVK_{SV} en kqk_q.

Oplossing

Oplossing van Oefening 7.9.

τ0/τ=1.429\tau_0/\tau = 1.429 en 1.860: lineair in [Q][Q], dus de levensduur zelf wordt verkort: dynamische uitdoving. KSV=43K_{SV} = 43 L/mol (beide punten), kq=43/8.0×10−9=5.4×109 L mol−1 s−1k_q = 43/8.0 \times 10^{-9} = 5.4 \times 10^{9}\,\mathrm{L}\,\mathrm{mol}^{-1}\,\mathrm{s}^{-1}.

Oefening 7.10 ★★★

Een dover halveert de fluorescentie-intensiteit terwijl de gemeten levensduur op 6.0 ns6.0\,\mathrm{ns} blijft. Om welk soort uitdoving gaat het, en wat betekent dat voor de grondtoestand? Schrijf de bijbehorende betrekking tussen I0/II_0/I en de associatieconstante van het complex.

Oplossing

Oplossing van Oefening 7.10.

Statische uitdoving: de moleculen die nog uitzenden, leven even lang als voordien; de helft ervan is in de grondtoestand gebonden in een niet-fluorescerend complex. Met een associatieconstante KaK_a is de vrije fractie 1/(1+Ka[Q])1/(1 + K_a[Q]) en I0/I=1+Ka[Q]I_0/I = 1 + K_a[Q], dezelfde vorm als bij Stern-Volmer, maar met onveranderde τ\tau.

Oefening 7.11 ★★★

Antraceen in cyclohexaan heeft ΦF=0.36\Phi_F = 0.36 en, onder de omstandigheden van een meting, τ=5.0 ns\tau = 5.0\,\mathrm{ns} (gegevens van de oefening). Bereken τr\tau_r, en de opbrengst van de triplet als interne conversie verwaarloosbaar is. Waarom is de stralingslevensduur langer dan de gemeten levensduur?

Oplossing

Oplossing van Oefening 7.11.

τr=τ/ΦF=14 ns\tau_r = \tau/\Phi_F = 14\,\mathrm{ns}; ΦT=1−0.36=0.64\Phi_T = 1 - 0.36 = 0.64. De gemeten levensduur wordt verkort door de concurrerende intersystem crossing; τr\tau_r is wat emissie alleen zou geven.

Oefening 7.12 ★★★

Voor twee elektronen is de singuletspinfunctie 12[αβ−βα]\frac{1}{\sqrt2}[\alpha\beta - \beta\alpha] en de tripletfunctie met MS=0M_S = 0 12[αβ+βα]\frac{1}{\sqrt2}[\alpha\beta + \beta\alpha]. Toon aan dat ze orthogonaal zijn, en trek een besluit over de intensiteit van T1←S0T_1 \leftarrow S_0 zonder spin-baankoppeling.

Oplossing

Oplossing van Oefening 7.12.

12⟨αβ−βα∣αβ+βα⟩=12(1+0−0−1)=0\frac12\langle\alpha\beta - \beta\alpha|\alpha\beta + \beta\alpha\rangle = \frac12(1 + 0 - 0 - 1) = 0, met ⟨α∣α⟩=⟨β∣β⟩=1\langle\alpha|\alpha\rangle = \langle\beta|\beta\rangle = 1, ⟨α∣β⟩=0\langle\alpha|\beta\rangle = 0 voor elk elektron. De dipooloperator raakt de spin niet, zodat het overgangsmoment deze factor nul bevat: T1←S0T_1 \leftarrow S_0 heeft geen intensiteit, tenzij spin-baankoppeling de toestanden mengt.

7.7 Probleem: waarom tonic oplicht

Probleem 7.1

Weekendprobleem — de absorptie door kinine, het lot van zijn aangeslagen toestand, de uitdoving door chloride-ionen, en de vraag of elke ontmoeting uitdooft

Kininesulfaat in 0.5 M0.5\,\mathrm{M} zwavelzuur: absorptiemaximum 349 nm349\,\mathrm{nm}, ε=5700 L mol−1 cm−1\varepsilon = 5700\,\mathrm{L}\,\mathrm{mol}^{-1}\,\mathrm{cm}^{-1}, ΦF=0.546\Phi_F = 0.546. Gegevens van het probleem: de fluorescentielevensduur zonder dover is τ0=19 ns\tau_0 = 19\,\mathrm{ns}; het emissiemaximum ligt rond 450 nm450\,\mathrm{nm}; toevoegen van natriumchloride geeft de intensiteitsverhoudingen

[ClX−][\ce{Cl-}] / mol L−1^{-1}00.0100.0200.0400.080
I0/II_0/I1.0001.5942.1883.3765.752

Water bij 25 ∘C25\,{}^{\circ}\mathrm{C} heeft een viscositeit van 0.890 mPa s0.890\,\mathrm{mPa}\,\mathrm{s}; R=8.314 J K−1 mol−1R = 8.314\,\mathrm{J}\,\mathrm{K}^{-1}\,\mathrm{mol}^{-1}.

Deel I — Absorptie.

  1. Bereken de absorbantie bij 349 nm349\,\mathrm{nm} van een oplossing van 1.0×10−4 mol/L1.0 \times 10^{-4}\,\mathrm{mol}/\mathrm{L} in een cuvet van 1 cm1\,\mathrm{cm}.
  2. Welke fractie van het invallende licht wordt geabsorbeerd?
  3. Is de overgang toegestaan? Gebruik ε\varepsilon.
  4. Geef de energie van het geabsorbeerde foton in eV.
  5. Waarom ziet het oog geen absorptiekleur in tonic?
  6. Waarom houdt men een oplossing voor fluorescentiewerk onder A=0.1A = 0.1?

Deel II — De aangeslagen toestand.

  1. Teken het jablonskidiagram van de processen vanuit S1S_1.
  2. Bereken de stralingssnelheidsconstante krk_r en de stralingslevensduur.
  3. Bereken de totale niet-stralende snelheidsconstante.
  4. Bereken de stokesverschuiving in cm−1\mathrm{cm}^{-1}.
  5. Waarom is de emissie blauw, hoewel de absorptie in het ultraviolet ligt?
  6. Welke fractie van de geabsorbeerde energie vertrekt als fluorescentie, rekening houdend met de energie van elk foton?

Deel III — Uitdoving door chloride.

  1. Zet I0/II_0/I uit tegen [ClX−][\ce{Cl-}] en controleer dat het verband lineair is.
  2. Bepaal KSVK_{SV} met de kleinstekwadratenmethode door de vijf punten.
  3. Bereken kqk_q, aannemend dat de uitdoving dynamisch is.
  4. Welke levensduur zou je meten bij 0.040 mol/L0.040\,\mathrm{mol}/\mathrm{L}?
  5. Hoe zou je experimenteel bewijzen dat de uitdoving dynamisch is?
  6. Waarom is tonic, dat geen chloride bevat, een goede plaats om kinine te laten oplichten?

Deel IV — Elke ontmoeting?

  1. De snelheidsconstante van diffusiegecontroleerde ontmoetingen in een oplosmiddel met viscositeit η\eta is kd≈8RT/3ηk_d \approx 8RT/3\eta. Bereken ze in L mol−1 s−1\mathrm{L}\,\mathrm{mol}^{-1}\,\mathrm{s}^{-1}.
  2. Vergelijk kqk_q en kdk_d.
  3. Welke fractie van de ontmoetingen leidt tot uitdoving?
  4. Zou de uitdoving sneller of trager zijn in een viskeuzer oplosmiddel?
  5. Formuleer het resultaat: de verhouding kq/kdk_q/k_d voor de uitdoving van kinine door chloride.
Oplossing

Oplossing van Probleem 7.1.

1. A=5700×1×1.0×10−4=0.57A = 5700 \times 1 \times 1.0\times10^{-4} = 0.57. 2. 1−10−0.57=0.731 - 10^{-0.57} = 0.73. 3. Een ε\varepsilon van enkele duizenden: een toegestane overgang π→π∗\pi\to\pi^*, van gemiddelde sterkte. 4. 1239.8/349=3.55 eV1239.8/349 = 3.55\,\mathrm{eV}. 5. Het absorbeert alleen in het ultraviolet; het zichtbare licht gaat erdoor. 6. Om het geabsorbeerde licht evenredig te houden met de concentratie en heropname van het uitgezonden licht te vermijden (binnenfiltereffecten). 7. S0→S1S_0 \to S_1 (absorptie, daarna vibratierelaxatie); vanuit S1S_1: fluorescentie, interne conversie, intersystem crossing naar T1T_1. 8. kr=0.546/19×10−9=2.87×107 s−1k_r = 0.546/19 \times 10^{-9} = 2.87 \times 10^{7}\,\mathrm{s}^{-1}; τr=35 ns\tau_r = 35\,\mathrm{ns}. 9. (1−0.546)/τ0=2.39×107 s−1(1 - 0.546)/\tau_0 = 2.39 \times 10^{7}\,\mathrm{s}^{-1}. 10. 28653−22222=6431 cm−128653 - 22222 = 6431\,\mathrm{cm}^{-1}. 11. De emissie vertrekt vanuit de gerelaxeerde S1S_1 en eindigt op vibrationeel aangeslagen niveaus van S0S_0, nadat molecuul en oplosmiddel gerelaxeerd zijn: het foton heeft minder energie, hier genoeg om in het zichtbare gebied te vallen. 12. ΦF×(349/450)=0.42\Phi_F \times (349/450) = 0.42: 42 % van de geabsorbeerde energie. 13. De punten stijgen met 0.594 per 0.010 mol/L0.010\,\mathrm{mol}/\mathrm{L}: een rechte door 1. 14. Kleinste kwadraten door de vijf punten: helling KSV=59.4 L/molK_{SV} = 59.4\,\mathrm{L}/\mathrm{mol}, afsnijding 1.000. 15. kq=KSV/τ0=3.1×109 L mol−1 s−1k_q = K_{SV}/\tau_0 = 3.1 \times 10^{9}\,\mathrm{L}\,\mathrm{mol}^{-1}\,\mathrm{s}^{-1}. 16. τ=τ0/(1+59.4×0.040)=5.6 ns\tau = \tau_0/(1 + 59.4 \times 0.040) = 5.6\,\mathrm{ns}. 17. Levensduren meten: bij dynamische uitdoving ligt τ0/τ\tau_0/\tau op dezelfde rechte als I0/II_0/I. 18. Tonic bevat geen chloride dat het fluoresceren uitdooft, en is zuur genoeg om kinine geprotoneerd te houden, zijn fluorescerende vorm. 19. kd=8×8.314×298/(3×0.890×10−3)=7.4×106 m3 mol−1 s−1=7.4×109 L mol−1 s−1k_d = 8 \times 8.314 \times 298/(3 \times 0.890\times10^{-3}) = 7.4 \times 10^{6}\,\mathrm{m}^{3}\,\mathrm{mol}^{-1}\,\mathrm{s}^{-1} = 7.4 \times 10^{9}\,\mathrm{L}\,\mathrm{mol}^{-1}\,\mathrm{s}^{-1}. 20. kqk_q is iets minder dan de helft van kdk_d. 21. Ongeveer 42 %. 22. Trager: kd∝1/ηk_d \propto 1/\eta, en kqk_q kan alleen mee dalen. 23. kq/kd=0.42k_q/k_d = 0.42: chloride dooft kinine uit met bijna de helft van de snelheid van diffusiegecontroleerde ontmoetingen.

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 852 begrippen in de begrippenlijst