Universitaire scheikunde — jaar 3 · Bachelor Year 3
6Rotatie- en vibratiespectroscopie
Op een hoge, droge hoogvlakte richten tientallen radioantennes zich op een donkere wolk tussen de sterren. Tussen de frequenties die ze opvangen zit er een van 115.271GHz: koolstofmonoxidemoleculen van enkele kelvin die van hun eerste rotatieniveau naar het laagste overgaan. Uit dat ene getal haalt een chemicus de lengte van de binding C–O tot op een fractie van een picometer; uit de sterkte van de volgende lijnen de temperatuur van de wolk. De rotaties en vibraties van moleculen zijn het onderwerp van dit hoofdstuk: hun niveaus, uit de rotor en de oscillator van Hoofdstuk 1; de selectieregels, uit Hoofdstuk 5; en wat spectra meten — bindingslengten, krachtconstanten, dissociatie-energieën.
Antennes van een radio-interferometer op een hoogvlakte: ze registreren onder vele andere de rotatielijnen van koolstofmonoxide uit interstellaire wolken. Foto ESO/B. Tafreshi (twanight.org), CC BY 4.0.
6.1 Rotatiespectra
Definitie 6.1(Rotatieconstante, isotopoloog)
De rotatieconstante van een lineair molecuul is B=h/(8π2cI), in cm−1 (of B=h/8π2I in hertz), zodat zijn rotatieniveaus in golfgetallen F(J)=BJ(J+1) zijn. Moleculen die alleen verschillen in de isotopen van hun atomen, zijn isotopologen (X12X2212CX16X2216O, X13X2213CX16X2216O); in de born-oppenheimerbenadering hebben ze dezelfde bindingslengten en krachtconstanten.
Definitie 6.2(Algemene en specifieke selectieregels)
Een algemene selectieregel zegt welke eigenschap een molecuul moet hebben om een bepaald soort spectrum überhaupt te vertonen; een specifieke selectieregel zegt welke veranderingen van kwantumgetal toegestaan zijn.
Propositie 6.3(Zuivere rotatiespectra)
Een molecuul heeft alleen een zuiver rotatiespectrum (microgolfspectrum) als het een permanent dipoolmoment heeft; voor een lineair molecuul is de specifieke regel ΔJ=±1. De absorptielijnen liggen bij
ν~=F(J+1)−F(J)=2B(J+1),J=0,1,2,…,
op gelijke afstanden 2B.
Bewijs. De wisselwerking met licht verloopt via het dipoolmoment: een molecuul zonder permanente dipool heeft geen oscillerende dipool wanneer het roteert. De regel ΔJ=±1 volgt uit het nul zijn van ∫YJ′M′∗cosθYJM tenzij J′=J±1 (de dipoolcomponent langs z transformeert als Y1,0), hier aangenomen. Dan is B(J+1)(J+2)−BJ(J+1)=2B(J+1). ∎
Methode 6.4(Bindingslengte uit een rotatielijn)
Leid uit de lijn J+1←J met frequentie ν af dat B=ν/2(J+1) (in hertz).
De lijn J=1←0 van X12X2212CX16X2216O ligt bij 115271.20MHz: B=57635.6MHz=1.92252cm−1, I=1.4560×10−46kgm2. Met μ=12×15.99491/27.99491=6.85621u is r0=113.09pm. Deze r0 middelt de binding over haar nulpuntsvibratie en is iets langer dan de evenwichtslengte re (Sectie 6.2).
Definitie 6.6(Centrifugale distorsieconstante)
Een roterende binding rekt uit; de niveaus worden F(J)=BJ(J+1)−DJ2(J+1)2, waarin D de centrifugale distorsieconstante is, en de lijnen 2B(J+1)−4D(J+1)3 schuiven bij hoge J langzaam naar elkaar toe.
Propositie 6.7(De sterkste lijn)
Als de lijnintensiteiten de bezetting van het lagere niveau volgen, (2J+1)e−hcBJ(J+1)/kT, ligt het sterkst bezette niveau bij ongeveer
Jmax≈2hcBkT−21.
Bewijs. Behandel J als continu en differentieer: dJd[(2J+1)e−aJ(J+1)]=[2−a(2J+1)2]e−aJ(J+1) met a=hcB/kT; dit is nul voor (2J+1)2=2/a. ∎
Het rotatieabsorptiespectrum van koolstofmonoxide, met lijnen op afstanden 2B=3.845cm−1 en intensiteiten gelijk genomen aan de bezetting van het lagere niveau, bij 30K (blauw) en 300K (rood, licht verschoven voor de zichtbaarheid), elke temperatuur geschaald op haar sterkste lijn. Bij 30K is de sterkste lijn J=3←2; bij 300KJ=8←7.
6.2 Vibraties van echte bindingen
Een echte binding gehoorzaamt ver van het evenwicht niet aan de wet van Hooke: ze wordt slapper wanneer ze uitgerekt wordt, en breekt.
Definitie 6.8(Morsepotentiaal)
De morsepotentiaal is V(r)=De[1−e−β(r−re)]2: harmonisch nabij re (krachtconstante2β2De), en naderend tot de dissociatiegrens De bij grote r.
Propositie 6.9(Niveaus van de morseoscillator)
In golfgetallen zijn de vibratieniveaus van een morseoscillator
een ladder waarvan de sporten dichter bij elkaar komen en die eindigt bij vmax=⌊ω~e/2ω~exe−21⌋.
Bewijs.Op dit niveau zonder bewijs aangenomen.∎
De oplossing van de morsevergelijking hoort thuis in meer gevorderde cursussen; de niveaus worden numeriek gecontroleerd in de figuurgegevens van dit hoofdstuk.
ω~exe is de anharmoniciteitsconstante. De fundamentele overgang is v=1←0; een boventoon is v=n←0 met n≥2, zwak omdat de algemene regel Δv=±1 van de harmonische oscillator maar licht doorbroken wordt; een hete band vertrekt van een aangeslagen niveau, v=2←1, en groeit met de temperatuur.
De spectroscopische dissociatie-energie van een molecuul is de diepte van zijn potentiaal, De, gemeten vanaf het minimum, of D0=De−G(0), gemeten vanaf het laagste niveau — per molecuul bij 0K, in tegenstelling tot de bindingsdissociatie-enthalpie uit het deel van jaar 2, een molaire enthalpie bij 298K.
Gevolg 6.12(De en D0 van een morseoscillator)
De=ω~e2/4ω~exe en D0=De−(21ω~e−41ω~exe).
Bewijs. De eerste is de betrekking uit de propositie; de tweede is G(0). ∎
Propositie 6.13(Extrapolatie van Birge-Sponer)
De afstanden ΔG(v+21)=G(v+1)−G(v)=ω~e−2ω~exe(v+1) nemen lineair af met v; hun som tot ze nul worden, geeft D0, de oppervlakte onder de grafiek van ΔG tegen v.
Bewijs. Trek de twee uitdrukkingen voor G van elkaar af. D0 is de energie van v=0 tot de grens, de som van alle afstanden. ∎
Voorbeeld 6.14(Waterstofchloride)
Voor HX35X2235Cl is ω~e=2990.95cm−1 en ω~exe=52.82cm−1: de fundamentele overgang ligt bij ω~e−2ω~exe=2885.3cm−1 en de eerste boventoon bij 2ω~e−6ω~exe=5665.0cm−1, iets minder dan het dubbele van de fundamentele. Het morsemodel voorspelt De=42342cm−1 en D0=40860cm−1; de echte D0, uit de vormingsenthalpieën van H, Cl en HCl bij 0K, is 35760cm−1 (4.43eV). De echte potentiaal vlakt sneller af dan een morsekromme die op de bodem aangepast is: extrapolaties van Birge-Sponer vanuit de laagste niveaus overschatten dissociatie-energieën.
Links: de morsepotentiaal van HCl, opgebouwd uit zijn spectroscopische constanten (doorgetrokken), de harmonische parabool met dezelfde kromming (gestreept), en elk derde vibratieniveau, getekend tussen zijn keerpunten; de niveaus komen dichter bij elkaar naar De toe. Rechts: de grafiek van Birge-Sponer van de afstanden; de gearceerde oppervlakte is D0.
6.3 Rotatie-vibratiebanden
Een vibratieovergang van een gas gaat gepaard met rotatieveranderingen, ΔJ=±1 voor een diatomisch molecuul in een toestand 1Σ.
Definitie 6.15(P-, Q- en R-tak, bandoorsprong)
In een rotatie-vibratieband vormen de lijnen met ΔJ=−1 de P-tak, die met ΔJ=+1 de R-tak, en die met ΔJ=0, als ze toegestaan zijn, de Q-tak. De bandoorsprongν~0 is het vibratie-energieverschil zonder rotatie.
Stelling 6.16(Combinatieverschillen)
Met de rotatieconstantenB0 en B1 in het lagere en het hogere vibratieniveau is R(J)=ν~0+B1(J+1)(J+2)−B0J(J+1) en P(J)=ν~0+B1(J−1)J−B0J(J+1), en
R(J−1)−P(J+1)=4B0(J+21),R(J)−P(J)=4B1(J+21).
Bewijs. De eerste twee volgen uit E=G(v)+BvJ(J+1) voor beide niveaus. R(J−1) en P(J+1) eindigen op hetzelfde hogere niveau J, vanuit de lagere niveaus J−1 en J+1: hun verschil is B0[(J+1)(J+2)−(J−1)J]=B0(4J+2). Op dezelfde manier vertrekken R(J) en P(J) vanuit hetzelfde lagere niveau en eindigen ze op J+1 en J−1. ∎
Methode 6.17(Een rotatie-vibratieband analyseren)
Zoek de opening: voor een diatomisch molecuul 1Σ is er geen Q-tak, en ν~0 ligt in de opening, tussen R(0) en P(1).
Nummer de lijnen vanaf de opening naar buiten: R(0),R(1),… en P(1),P(2),….
Gebruik de combinatieverschillen om B0 en B1 afzonderlijk te vinden, en daarna αe=B0−B1 en Be=B0+21αe.
De fundamentele band van gasvormig HCl bij 300K, berekend uit zijn spectroscopische constanten: P- en R-tak aan weerszijden van de opening bij de bandoorsprong. Elke lijn is een doublet, HX35X2235Cl en het zwakkere, iets lager liggende HX37X2237Cl (natuurlijke abundanties 76 % en 24 %). De R-lijnen komen dichter bij elkaar, de P-lijnen spreiden uit, omdat B1<B0.
Voorbeeld 6.18(De constanten van HCl uit zijn band)
Met R(0)=2905.58cm−1 en P(2)=2842.94cm−1 vindt men 6B0=62.64cm−1, dus B0=10.440cm−1. Met R(1)=2925.23 en P(1)=2864.43cm−1 is B1=10.133cm−1. Dus αe=0.307cm−1 en Be=10.593cm−1, de waarden waaruit de band werd opgebouwd: de methode vindt ze exact terug.
6.4 Ramanspectroscopie
Definitie 6.19(Raman- en rayleighverstrooiing)
Wanneer licht met frequentie ν0 door een monster gaat, behoudt het meeste verstrooide licht de frequentie ν0: rayleighverstrooiing. Een kleine fractie is verschoven met de rotatie- of vibratiefrequenties van de moleculen: ramanverstrooiing. Lijnen bij lagere frequentie zijn stokeslijnen (het molecuul heeft energie gewonnen), lijnen bij hogere frequentie anti-stokeslijnen (het heeft energie verloren).
Propositie 6.20(Klassieke oorsprong van het ramaneffect)
Als de polariseerbaarheid van een molecuul dat met νvib trilt, varieert als α=α0+α1cos(2πνvibt), dan oscilleert de dipool die geïnduceerd wordt door een veld E0cos(2πν0t) met ν0 en met ν0±νvib. Een vibratie is alleen Raman-actief als ze de polariseerbaarheid verandert.
Bewijs.μ=αE=α0E0cos(2πν0t)+21α1E0[cos2π(ν0+νvib)t+cos2π(ν0−νvib)t], want cosacosb=21[cos(a+b)+cos(a−b)]. Elke oscillerende dipool straalt uit met zijn eigen frequentie; zonder α1 blijft alleen de rayleighterm over. ∎
Propositie 6.21(Rotatieramanlijnen)
Een lineair molecuul met een anisotrope polariseerbaarheid vertoont rotatieramanlijnen met ΔJ=±2, verschoven ten opzichte van de excitatielijn met
∣Δν~∣=F(J+2)−F(J)=4B(J+23)=6B,10B,14B,…
— de eerste lijn bij 6B, daarna een tussenafstand van 4B.
Bewijs. De polariseerbaarheidsellipsoïde van een roterend lineair molecuul keert twee keer per omwenteling terug naar dezelfde oriëntatie, zodat ze de verstrooiing moduleert met het dubbele van de rotatiefrequentie: ΔJ=±2 (de kwantumregel, hier aangenomen). Dan is B(J+2)(J+3)−BJ(J+1)=B(4J+6). ∎
Voorbeeld 6.22(Stikstof, gezien door Raman)
NX2 heeft geen dipool en geen infrarood- of microgolfspectrum, maar zijn polariseerbaarheid is anisotroop: zijn rotatieramanlijnen beginnen op 6B0=11.94cm−1 van de excitatielijn en liggen 7.96cm−1 uit elkaar. Hun intensiteiten wisselen 2:1 af tussen even en oneven J: de twee X14X2214N-kernen zijn identiek, en de kernspinstatistiek (Hoofdstuk 11) geeft niveaus met even J het dubbele gewicht van oneven niveaus.
Links: het rotatieramanspectrum van stikstof, berekend bij 300K: stokeslijnen bij positieve verschuivingen (rechts), anti-stokeslijnen bij negatieve verschuivingen (links, iets zwakker), met de afwisseling 2:1 van de intensiteiten; de grijze lijn bij nul geeft de veel sterkere rayleighlijn aan. Rechts: energieschema van rayleigh- en stokesverstrooiing via een virtueel niveau (geen echte toestand van het molecuul).
6.5 Meeratomige moleculen
Definitie 6.23(Soorten rotoren)
Een molecuul met drie gelijke hoofdtraagheidsmomenten is een sferische tol (CHX4, SFX6); met twee gelijke een symmetrische tol (NHX3, CHClX3, CX6HX6); met alle drie verschillend een asymmetrische tol (HX2O, de meeste moleculen); lineaire moleculen hebben één moment nul.
Een sferische tol heeft geen dipool en geen rotatiespectrum; een symmetrische tol heeft de niveaus BJ(J+1)+(A−B)K2, waarin K het impulsmoment om zijn as telt, en lijnen die nog steeds bij 2B(J+1) vallen, omdat ΔK=0; een asymmetrische tol heeft een onregelmatig spectrum, dat met de computer aangepast wordt. De vibraties van meeratomige moleculen zijn hun normaaltrillingen, benoemd en geselecteerd volgens Hoofdstuk 5: het infraroodspectrum toont de trillingen die transformeren als x, y, z, elk met zijn eigen rotatiestructuur.
In het laboratorium— Een gascel in een infraroodspectrometer
Gasvormig HCl wordt binnengelaten in een cel van 10cm met vensters die doorzichtig zijn in het infrarood, in een fouriertransformatiespectrometer. Bij een resolutie van 1cm−1 verschijnen de P- en R-takken als enkelvoudige lijnen; bij 0.25cm−1 splitst elke lijn op in haar doublet HX35X2235Cl/HX37X2237Cl, met 2cm−1 tussenafstand. Waterstofchloride is giftig en corrosief: de cel wordt gevuld aan een vacuümlijn in een zuurkast.
Veiligheid
Waterstofchloridegas: een gas onder druk, corrosief voor huid, ogen en luchtwegen, giftig bij inademing. Alleen te hanteren in een gesloten opstelling of in een zuurkast.
Geschiedenis— Raman, 1928
In 1928 namen C. V. Raman en K. S. Krishnan, in zonlicht dat door een violet filter gefilterd en door vloeistoffen verstrooid werd, een zwak licht van een andere kleur waar, dat met een gekruist groen filter geïsoleerd kon worden. Raman ontving de Nobelprijs voor de Natuurkunde van 1930; laserbronnen maakten vijftig jaar later van zijn effect een routinematige analysetechniek.
6.6 Oefeningen
Oefening 6.1★
Bereken uit B0=1.9225cm−1 voor X12X2212CX16X2216O het traagheidsmoment en de bindingslengte r0.
Oplossing
Oplossing van Oefening 6.1.
I=h/(8π2cB)=6.62607×10−34/(8π2×2.99792×1010×1.9225)=1.4561×10−46kgm2. μ=6.85621u=1.13850×10−26kg, dus r0=I/μ=113.09pm.
Oefening 6.2★
Geef met B0=10.440cm−1 de posities van de eerste vier lijnen van het rotatiespectrum van HX35X2235Cl, en de J van de sterkste lijn bij 300K.
Oplossing
Oplossing van Oefening 6.2.
2B0(J+1): 20.88, 41.76, 62.64, 83.52cm−1. Jmax=kT/2hcB−21=208.5/20.88−0.5=2.7: het niveau J=3 is het sterkst bezet, en de sterkste lijn is 4←3 bij 83.5cm−1.
Oefening 6.3★
Welke van HX2, HCl, NX2, COX2, CHX4, SFX6 en HX2O vertonen een zuiver rotatieabsorptiespectrum? Een rotatieramanspectrum?
Oplossing
Oplossing van Oefening 6.3.
Microgolfabsorptie vereist een permanente dipool: alleen HCl en HX2O. Rotatieraman vereist een anisotrope polariseerbaarheid: HX2, HCl, NX2, COX2, HX2O; niet de sferische tollen CHX4 en SFX6.
Oefening 6.4★
Welke fractie van de HCl-moleculen bevindt zich in v=1 bij 300 en 1000K (fundamentele overgang bij 2885.3cm−1)? Wanneer wordt de hete band zichtbaar?
Oplossing
Oplossing van Oefening 6.4.
N1/N0=e−hcν~/kT: bij 300Ke−13.84=9.8×10−7; bij 1000Ke−4.15=0.016. De hete band wordt pas merkbaar (een procent van de fundamentele) rond 1000K.
Oefening 6.5★★
De fundamentele overgang en de eerste boventoon van HX35X2235Cl liggen bij 2885.3 en 5665.0cm−1. Leid ω~e en ω~exe af.
Oplossing
Oplossing van Oefening 6.5.
ω~e−2ω~exe=2885.3 en 2ω~e−6ω~exe=5665.0: twee keer de eerste van de tweede aftrekken geeft −2ω~exe=−105.6, dus ω~exe=52.8cm−1 en ω~e=2990.9cm−1.
Oefening 6.6★★
Bereken met de constanten van de vorige oefening De en D0 van het morsemodel, en vergelijk met de echte D0=35760cm−1. Zet beide waarden van D0 om in kJ/mol.
Oplossing
Oplossing van Oefening 6.6.
De=2990.952/(4×52.82)=42341cm−1; G(0)=1495.47−13.20=1482.3cm−1; D0=40859cm−1=488.8kJ/mol, tegenover de echte 35760cm−1=427.8kJ/mol: het morsemodel overschat met 14 %.
Oefening 6.7★★
Vier lijnen van de fundamentele band van HX35X2235Cl zijn R(0)=2905.58, R(1)=2925.23, P(1)=2864.43 en P(2)=2842.94cm−1. Bepaal B0, B1, αe en de bandoorsprong.
Voor NX2 is B0=1.9896cm−1. Geef de verschuivingen van de eerste drie stokesrotatieramanlijnen, en verklaar de afwisseling van hun intensiteiten.
Oplossing
Oplossing van Oefening 6.9.
Verschuivingen 4B0(J+23): 11.94, 19.90, 27.85cm−1 (vanuit J=0, 1, 2). De twee X14X2214N-kernen zijn identieke bosonen met spin 1: de niveaus met even J hebben zes kernspintoestanden, die met oneven J drie, zodat lijnen vanuit even J twee keer zo sterk zijn als hun buren.
Oefening 6.10★★★
De eerste drie rotatielijnen van X12X2212CX16X2216O liggen bij 115271.2018, 230538.0000 en 345795.9899MHz. Toon aan dat een starre rotor er niet bij past, en bepaal B en de centrifugale distorsieconstanteD.
Oplossing
Oplossing van Oefening 6.10.
Een starre rotor zou de lijnen bij ν1, 2ν1, 3ν1 leggen: 230542.40 en 345813.61MHz, boven de gemeten waarden met 4.4 en 17.6MHz. Met νJ+1←J=2B(J+1)−4D(J+1)3: ν1=2B−4D, ν3=6B−108D, dus 3ν1−ν3=96D: D=0.1835MHz en B=(ν1+4D)/2=57635.97MHz. Controle: ν2=4B−32D=230538.0MHz.
Oefening 6.11★★★
Toon aan dat de som van Birge-Sponer van de afstanden ΔG(v+21) van een morseoscillator, van v=0 tot het laatste gebonden niveau, dicht bij De−G(0) ligt, en bereken de som voor HCl.
Oplossing
Oplossing van Oefening 6.11.
ΔG(v+21)=ω~e−2ω~exe(v+1) wordt nul nabij v=ω~e/2ω~exe−1; de som van een rekenkundige rij van n termen van ω~e−2ω~exe tot bijna 0 is ongeveer nω~e/2≈ω~e2/4ω~exe−ω~e/2≈De−G(0). Voor HCl tellen de 28 afstanden (v=0 tot 27) op tot 40857cm−1, tegenover De−G(0)=40859cm−1.
Oefening 6.12★★★
De X16X2216O-kern heeft spin nul, zodat de niveaus van X16X2216OX12X2212CX16X2216O met oneven J niet bestaan. Wat is de tussenafstand van zijn rotatieramanlijnen, en de verschuiving van de eerste, uitgedrukt in B? Waarom heeft COX2 geen microgolfspectrum?
Oplossing
Oplossing van Oefening 6.12.
Met alleen even J vertrekken de overgangen J→J+2 vanuit J=0,2,4,…: verschuivingen 6B,14B,22B,…, tussenafstand 8B. COX2 heeft een symmetriecentrum en geen permanente dipool: geen microgolfspectrum.
6.7 Probleem: luisteren naar een koude wolk
Probleem 6.1
Weekendprobleem — de bindingslengte van koolstofmonoxide uit zijn eerste rotatielijn, de temperatuur van een interstellaire wolk, de koolstof-13-isotopoloog, en de infraroodband
Gegevens: lijnen van X12X2212CX16X2216O: J=1←0 bij 115.2712GHz en 2←1 bij 230.5380GHz; lijn van X13X2213CX16X2216O: 1←0 bij 110.2014GHz; massa’s X12X2212C 12 (exact), X13X2213C 13.00335, X16X2216O15.99491u; natuurlijke abundantie van X13X2213C 1.1 %; voor X12X2212CX16X2216Oω~e=2169.81cm−1, ω~exe=13.288cm−1, en de evenwichtslengte re=112.83pm. h=6.62607×10−34Js, u=1.66054×10−27kg, c=2.99792×1010cm/s, hc/k=1.43878cmK.
Welk molecuul, X12X2212CX16X2216O of X13X2213CX16X2216O, heeft de laagste bandoorsprong?
Formuleer het resultaat: de bindingslengte r0 van koolstofmonoxide, verkregen uit één enkele radiolijn.
Oplossing
Oplossing van Probleem 6.1.
1.B0=ν/2=57.6356GHz; B0/c=1.92252cm−1. 2.μ=12×15.99491/27.99491=6.85621u=1.13850×10−26kg. 3.I=h/8π2B0=1.4560×10−46kgm2. 4.r0=I/μ=113.09pm. 5.r0 is 0.26pm groter dan re=112.83pm: B0 middelt 1/r2 over de nulpuntsvibratie in een anharmonische put, waarin het molecuul meer tijd doorbrengt op grote afstanden. 6.2ν1←0=230.5424GHz; de gemeten lijn ligt 4.4MHz lager: centrifugale distorsie. 7.0, 3.845 en 11.535cm−1, dus E/k=0, 5.53 en 16.60K. 8.N2/N1=35exp[−(16.60−5.53)K/T]. 9.ln(35/0.85)=0.673=11.06/T: T=16K. 10.Jmax=16.4/(2×1.43878×1.9225)−0.5=1.2: J=1. 11. Een vibratiekwantum komt overeen met hcν~/k≈3080K: bij 16K is geen enkel molecuul vibrationeel aangeslagen, zodat de wolk geen vibratielicht uitzendt. 12. Ze vereist slechts 5.5K excitatie, wordt zelfs in het koudste gas aangeslagen, en CO is overvloedig en heeft een dipoolmoment. 13.μ=13.00335×15.99491/28.99826=7.17241u. 14.B∝1/μ: 115.2712×6.85621/7.17241=110.1893GHz. 15. De voorspelling ligt 12MHz (0.011 %) onder de gemeten lijn: B0=Be−21αe, en de vibratie-rotatieterm αe schaalt met een andere macht van μ; de evenwichtsstructuur is dezelfde, het nulpuntsgemiddelde niet. 16.98.9/1.1=90. 17. De lijn van X12X2212CX16X2216O is verzadigd (optisch dik): ze groeit niet meer met de hoeveelheid gas. 18. De zeldzame lijn van X13X2213CX16X2216O blijft evenredig met de hoeveelheid gas, de lijn van X12X2212CX16X2216O geeft de temperatuur: samen meten ze beide. 19.ν~0=2169.81−2×13.288=2143.24cm−1, 4.666µm. 20.2ω~e−6ω~exe=4259.89cm−1. 21.G(0)=21ω~e−41ω~exe=1081.58cm−1. 22.R(0)−P(1)=2(B0+B1)≈4B≈7.7cm−1. 23.X13X2213CX16X2216O: grotere gereduceerde massa, lagere frequentie. 24.r0(CO)=113.1pm, uit één enkele radiofrequentie.