书籍暂未推出简体中文版——当前显示 Nederlands 版。
Universitaire aard- en ruimtewetenschappen — jaar 1 · 本科一年级
1Sferische astronomie
Op een heldere nacht ver van elke stad registreert een camera met een lange belichtingstijd, op de hemel gericht, de sterren als bogen van cirkels die allemaal om één punt staan dat niet beweegt. Een ster die vanavond om negen uur in het oosten opkwam, komt morgen om ongeveer vijf voor negen op, en elke nacht daarna iets eerder. De zon staat om twaalf uur ’s middags in juni hoger dan in december, en in het verre noorden gaat zij midden in de zomer helemaal niet onder. Dit alles is de draaiing van de aarde en haar baan om de zon, vanaf de grond gezien. Om het te beschrijven hebben de astronoom en de geowetenschapper coördinaten op een bol nodig, de trigonometrie van driehoeken op een bol en klokken die gelijke tred houden met de sterren of met de zon. Dit hoofdstuk bouwt die hulpmiddelen. Ze keren terug in de plaatkinematica (Hoofdstuk 12), waar platen over de bol draaien, en in de klimaathoofdstukken (Hoofdstuk 27), waar het zonlicht dat een breedtegraad ontvangt de winden en de stromingen aandrijft.
Wat je al weet
De aarde draait eenmaal per dag om haar as en beweegt in een jaar om de zon, op een baan die vrijwel een cirkel is. Haar as staat schuin ten opzichte van de baan, en dat veroorzaakt de seizoenen (de natuurkundeboeken, klassen 6 en 12; de wetten van Kepler komen aan bod in het eerste jaar van de natuurkundeboeken voor het hoger onderwijs). Een punt op aarde wordt bepaald door zijn breedtegraad en lengtegraad (Boek 1, klas 6). Een vector met lengte één wordt vastgelegd door twee hoeken, zoals in bolcoördinaten; het inproduct van twee eenheidsvectoren is de cosinus van de hoek ertussen, en het drievoudig product blijft gelijk bij een cyclische verwisseling van de drie vectoren.
1.1 Driehoeken op een bol
Definitie 1.1 (Grootcirkel, sferische driehoek)
Een grootcirkel van een bol is de doorsnede met een vlak door het middelpunt; elke andere vlakdoorsnede is een kleine cirkel. Door twee punten die niet tegenover elkaar liggen gaat precies één grootcirkel, en de kortste van de twee bogen daarvan is de kortste weg over de bol tussen de punten. Een sferische driehoek is de figuur die gevormd wordt door drie punten van de bol, de hoekpunten , , , verbonden door bogen van grootcirkels die kleiner zijn dan . Zijn zijden , , (tegenover , , ) worden gemeten door de hoeken die zij opspannen in het middelpunt; zijn hoeken , , zijn de hoeken tussen de vlakken van de zijden die in elk hoekpunt samenkomen.
Op de bol met straal heeft een zijde van radialen de lengte . Elke zijde en elke hoek ligt tussen en .
Stelling 1.2 (De cosinusregel)
In een sferische driehoek geldt
Bewijs. Werk op de eenheidsbol en kies de assen zo dat in de pool ligt: , en het vlak dat bevat: , want ligt op hoekafstand van . Het punt ligt op hoekafstand van , op een grootcirkel door die de hoek maakt met het vlak : . De zijde is de hoek tussen en , dus
∎
Stelling 1.3 (De sinusregel)
In een sferische driehoek geldt
Bewijs. Met de vectoren van het vorige bewijs geldt , dus het drievoudig product is . Het drievoudig product blijft gelijk bij een cyclische verwisseling van , , . Door en daarna in de pool te leggen volgt op dezelfde manier en . De drie uitdrukkingen zijn gelijk; delen door geeft de regel. ∎
Als de zijden klein zijn ten opzichte van de straal, geldt en , en worden de twee regels de cosinus- en sinusregel van vlakke driehoeken: op een voldoende klein stuk is de bol vlak. Bij een grote driehoek gebeurt dat niet: de hoeken van een sferische driehoek tellen op tot meer dan (Oefening 1.12).
Methode 1.4 (Afstand en koers op de bol)
Om de kortste afstand te vinden tussen twee plaatsen met breedtegraden , en lengtegraden , , en de richting waarin men moet vertrekken:
- vorm de driehoek met als hoekpunten de Noordpool en de twee plaatsen; haar zijden vanaf de pool zijn de poolafstanden en , en haar hoek bij de pool is het verschil in lengte ;
- de cosinusregel geeft de hoekafstand : ; de afstand is ( in radialen);
- de beginkoers is de hoek van de driehoek bij de eerste plaats, uit de cosinusregel toegepast op de zijde er tegenover, , en wordt gemeten vanaf het noorden naar de tweede plaats.
De koers verandert langs de grootcirkel (behalve langs een meridiaan of de evenaar): een schip of vliegtuig dat dezelfde kompaskoers aanhoudt, volgt een andere, langere kromme.
1.2 Coördinaten op de bol
Definitie 1.5 (Breedtegraad en lengtegraad)
Stel dat de aarde een bol is die om haar poolas draait. De breedtegraad van een punt is de hoek tussen het evenaarsvlak en de straal door het punt, van (Zuidpool) tot (Noordpool); de lengtegraad is de hoek, gemeten in het evenaarsvlak, tussen het meridiaanvlak van het punt en dat van een referentiemeridiaan, die door Greenwich gaat, positief naar het oosten, van tot .
De aarde is in feite iets afgeplat; de breedtegraad die voor kaarten en voor de hemel gebruikt wordt, is de hoek tussen de plaatselijke verticaal en het evenaarsvlak. Die wijkt van de geocentrische hoek af met hoogstens (Hoofdstuk 11). Lijnen van gelijke breedte, de parallellen, zijn kleine cirkels; de meridianen zijn halve grootcirkels.
Definitie 1.6 (De hemelbol)
De hemelbol is een denkbeeldige bol met het middelpunt in de waarnemer, waarop elke ster in haar richting ligt; alleen richtingen tellen, niet afstanden. De verlengingen van de aardas snijden de bol in de noordelijke en zuidelijke hemelpolen; het vlak van de aardevenaar snijdt de bol langs de hemelevenaar. Het zenit is het punt recht boven de waarnemer, langs de plaatselijke verticaal; de horizon is de grootcirkel op ervan vandaan. De plaatselijke meridiaan is de grootcirkel door het zenit en de hemelpolen; hij snijdt de horizon in het noorden en het zuiden.
Terwijl de aarde van west naar oost draait, lijkt de hemelbol de andere kant op te draaien, van oost naar west, om de as van de hemelpolen, in iets minder dan een dag. De sterren behouden hun onderlinge plaatsen: ze staan zo ver weg dat een reis van een jaar om de zon hun richtingen minder dan een boogseconde verandert (Hoofdstuk 2).
Definitie 1.7 (Horizontale coördinaten)
De hoogte van een ster is haar hoek boven de horizon, van tot ; haar zenithoek is . Haar azimut is de hoek, langs de horizon, van het noorden tot de voet van de verticaalcirkel van de ster, gemeten van tot via het oosten.
Horizontale coördinaten zijn die van de waarnemer: ze veranderen met de plaats en het tijdstip. De coördinaten van de hemel zelf worden meegevoerd door haar draaiing.
Definitie 1.8 (Equatoriale coördinaten)
De declinatie van een ster is haar hoek ten opzichte van de hemelevenaar, positief naar het noorden, van tot . De grootcirkel door de ster en de hemelpolen is haar uurcirkel. De uurhoek van de ster is de hoek bij de hemelpool tussen de plaatselijke meridiaan en de uurcirkel van de ster, gemeten westwaarts, in uren van . De rechte klimming is de hoek langs de hemelevenaar van een vast punt aan de hemel, het lentepunt (Definitie 1.12), tot de uurcirkel van de ster, gemeten oostwaarts, ook in uren.
Declinatie en rechte klimming liggen vast aan de hemel, zoals breedtegraad en lengtegraad op aarde: sterrencatalogi geven ze op. Het woord declinatie wordt hier alleen in deze astronomische betekenis gebruikt; de hoek tussen het geografische noorden en het noorden van een kompas heet altijd de magnetische declinatie (Hoofdstuk 6).
Propositie 1.9 (Van equatoriale naar horizontale coördinaten)
Op breedte heeft een ster met declinatie en uurhoek de hoogte en het azimut
met tussen en wanneer de ster oost van de meridiaan staat (), en wanneer zij west ervan staat. In het bijzonder is de hoogte van de noordelijke hemelpool gelijk aan de breedtegraad.
Bewijs. Beschouw de driehoek gevormd door de noordelijke hemelpool , het zenit en de ster (de astronomische of positiedriehoek). De plaatselijke verticaal maakt de hoek met het evenaarsvlak, dus ; ; . De hoek bij is de uurhoek ; de hoek bij is het azimut van de ster, gemeten vanaf het noorden (oost of west van de meridiaan). De cosinusregel voor de zijde , tegenover , geeft , de eerste formule. De cosinusregel voor de zijde , tegenover , geeft , de tweede. Voor de hemelpool is , en de eerste formule luidt . ∎
Propositie 1.10 (Culminatie en circumpolaire sterren)
Op breedte kruist een ster met declinatie de meridiaan () op de hoogte , ten zuiden van het zenit als , ten noorden ervan als . Op het noordelijk halfrond () gaat ze nooit onder als en komt ze nooit op als .
Bewijs. Voor geldt , dus . De laagste hoogte, bij , voldoet aan ; zij is positief als . De ster blijft onder de horizon als zelfs haar hoogste hoogte negatief is, . ∎
Definitie 1.11 (Circumpolaire ster)
Een circumpolaire ster is een ster die op de breedte van de waarnemer nooit ondergaat: zij draait om de hemelpool, gaat over de meridiaan boven de pool en twaalf sterrenuren later eronder.
1.3 Sterrentijd en zonnetijd
Definitie 1.12 (De ecliptica)
De ecliptica is de grootcirkel van de hemelbol langs welke de zon in een jaar schijnbaar beweegt, het spoor van het vlak van de baan van de aarde. Zij helt over de hemelevenaar met de schuinte van de ecliptica , de kanteling van de aardas ten opzichte van haar baan. De ecliptica snijdt de evenaar in twee punten; het lentepunt is het punt waar de zon in maart de evenaar noordwaarts kruist. De ecliptische lengte van de zon is haar hoek langs de ecliptica, vanaf gemeten, naar het oosten.
De schuinte is vandaag .
Definitie 1.13 (Sterrentijd)
De plaatselijke sterrentijd is de uurhoek van het lentepunt . Een sterrendag is het tijdsinterval tussen twee passages van over de meridiaan.
Omdat de rechte klimming vanaf oostwaarts wordt geteld en de uurhoek vanaf de meridiaan westwaarts, geldt voor elke ster
waarin LST de plaatselijke sterrentijd is: een ster kruist de meridiaan wanneer de sterrentijd gelijk is aan haar rechte klimming. Een sterrenklok van een observatorium laat in één oogopslag zien welk deel van de hemel boven het hoofd staat.
Propositie 1.14 (Sterrendagen en zonnedagen)
In één tropisch jaar van gemiddelde zonnedagen draait de aarde keer ten opzichte van de sterren. De sterrendag duurt dus
en met is dat : een ster kruist de meridiaan elke dag gemiddelde zonnetijd eerder.
Bewijs. Tel de omwentelingen ten opzichte van de zon en ten opzichte van de sterren over één jaar. De zon beweegt in een jaar één keer oostwaarts langs de ecliptica, in de richting van de draaiing van de aarde. Ten opzichte van de zon maakt de aarde dus één omwenteling minder dan ten opzichte van de sterren: zonnedagen en sterrendagen vullen hetzelfde jaar. De sterrendag is van een zonnedag, dat wil zeggen ; het verschil is . Dit stemt overeen met de gemeten draaiingstijd van de aarde ten opzichte van de sterren, . ∎
Definitie 1.15 (Zonnetijd)
De ware zonnetijd is de uurhoek van de zon plus twaalf uur: een zonnewijzer toont die, en het is middag wanneer de zon de meridiaan kruist. De gemiddelde zonnetijd is de uurhoek, plus twaalf uur, van een fictieve gemiddelde zon die langs de hemelevenaar met een constante snelheid beweegt en in een tropisch jaar één omwenteling maakt. Hun verschil, ware minus gemiddeld, is de tijdsvereffening.
De ware zon loopt voor en achter op de gemiddelde zon, om twee redenen. De aarde beweegt nabij het perihelium, begin januari, sneller dan nabij het aphelium, zodat de voortgang van de zon langs de ecliptica ongelijkmatig is (de tweede wet van Kepler). En de zon beweegt langs de ecliptica, die schuin op de evenaar staat, zodat zelfs een gelijkmatige beweging langs de ecliptica op de evenaar een ongelijkmatige projectie geeft (de uurhoek meet dat) — sneller nabij de zonnewendes dan nabij de equinoxen. Burgerlijke klokken houden de gemiddelde zonnetijd op een referentiemeridiaan van hun tijdzone; de plaatselijke gemiddelde tijd op lengtegraad loopt vóór op de tijd in Greenwich met uur.
1.4 Opkomst, ondergang en de zon
Propositie 1.16 (Opkomst en ondergang)
Op breedte gaat een ster met declinatie die op- en ondergaat door de horizon bij de uurhoeken , met
bij het azimut met (bij opkomst; bij ondergang is het azimut ). Zij blijft boven de horizon gedurende , omgerekend in uren van per uur.
Bewijs. Op de horizon geldt , en Propositie 1.9 geeft , en . De uurhoek neemt gelijkmatig toe, met per uur, van bij de opkomst tot bij de ondergang. ∎
Voor de zon geeft dit de lengte van de dag, als de zon als een punt wordt beschouwd en de breking van het licht door de lucht wordt genegeerd (beide voegen enkele minuten daglicht toe). Op de equinoxen geldt , : dag en nacht duren overal twaalf uur, en de zon komt recht in het oosten op.
Propositie 1.17 (De declinatie van de zon)
Wanneer de zon op de ecliptische lengte staat, voldoen haar declinatie en rechte klimming aan
Bewijs. Neem assen met naar en naar de noordelijke hemelpool. In assen , , die aan de ecliptica zijn verbonden, met naar haar pool, is de richting van de zon . De assen van de ecliptica zijn die van de evenaar, gedraaid over de hoek om ; in de evenaarsassen is de richting van de zon dus . Haar -component is ; de verhouding van haar - en -componenten is . ∎
Definitie 1.18 (Insolatie)
De insolatie op een plaats en een tijdstip is het vermogen van het zonlicht dat per oppervlakte-eenheid van een horizontaal oppervlak aan de bovenkant van de atmosfeer ontvangen wordt. Met de zonnestraling op de gemiddelde afstand van de zon, de werkelijke afstand en de zenithoek van de zon,
De factor is de kwadratenwet voor licht (de natuurkundeboeken); de factor komt doordat een bundel met een dwarsdoorsnede van één vierkante meter zich uitspreidt over vierkante meter horizontale grond. Met en een afstand tussen zon en aarde van in het perihelium en in het aphelium, varieert de factor in het jaar met . De kanteling van de as doet veel meer: zij verandert zowel de middaghoogte als de lengte van de dag, en die twee samen maken de seizoenen. De dagelijkse en jaarlijkse sommen van de insolatie, die het klimaat aandrijven, worden berekend in Hoofdstuk 27.
1.5 Kalenders
Definitie 1.19 (Tropisch jaar)
Het tropisch jaar is het gemiddelde tijdsinterval tussen twee passages van de zon door het lentepunt. Het bepaalt de seizoenen; het duurt 365.2422 gemiddelde zonnedagen.
Het tropisch jaar is ongeveer twintig minuten korter dan het siderische jaar, de tijd die de aarde nodig heeft om terug te keren naar dezelfde plaats tussen de sterren (365.256 dagen), omdat de aardas langzaam draait — zij presedeert — en het lentepunt langs de ecliptica terugvoert (Boek 4). Een kalender moet een geheel aantal dagen passen op het tropisch jaar, zodat de seizoenen op dezelfde datums terugkomen.
Propositie 1.20 (Het Gregoriaanse jaar)
In de Gregoriaanse kalender is een jaar een schrikkeljaar van 366 dagen als zijn getal deelbaar is door 4, behalve de eeuwjaren, die alleen schrikkeljaar zijn als zij deelbaar zijn door 400. Het gemiddelde jaar is
en het loopt met de seizoenen één dag achter in ongeveer 3300 jaar.
Bewijs. In 400 jaar zijn er 100 jaren die deelbaar zijn door 4; daarvan zijn er vier eeuwjaren, waarvan er drie niet deelbaar zijn door 400. Er zijn dus 97 schrikkeljaren en dagen, dat wil zeggen 365.2425 dagen per jaar. Ten opzichte van een tropisch jaar van 365.2422 dagen is het overschot 0.0003 dagen per jaar: één dag in jaar. ∎
Geschiedenis — De kalenderhervorming van 1582
De Juliaanse kalender, van Romeinse oorsprong, voegde elk vierde jaar een schrikkeldag toe: haar jaar van 365.25 dagen is langer dan het tropisch jaar met 0.0078 dagen, één dag in 128 jaar. Na verloop van tijd verschoof de datum van het lentepunt weg van 21 maart, de datum waarop de berekening van Pasen steunde. In 1582 voerde paus Gregorius XIII de kalender in die zijn naam draagt. Deze kalender schrapte de opgehoopte dagen in één keer en verving de Juliaanse regel door die van Propositie 1.20. Zij is intussen de internationaal aanvaarde burgerlijke kalender.
In het veld — Een positie bepalen met de sterren
Vóór de satellietnavigatie bepaalden zeevaarders hun breedte- en lengtegraad met de hemel. Met een sextant mat men de hoogte van de zon om het middaguur, of van twee of drie sterren bij de schemering, en las men de tijd af op een chronometer die de tijd van de Greenwichmeridiaan bijhield. Elke hoogte geeft, samen met de declinatie van de ster en haar uurhoek te Greenwich uit een almanak, een kleine cirkel op de aarde waarop het schip ligt: de verzameling punten waar de ster op die hoogte staat. Twee of drie van zulke cirkels snijden elkaar in de positie van het schip — bolvormige trigonometrie die elke dag op zee werd opgelost. De middaghoogte van de zon alleen geeft de breedtegraad (Propositie 1.10); de kloktijd van het plaatselijke middaguur geeft de lengtegraad, tegen vier minuten tijd per graad.
1.6 Oefeningen
Oefening 1.1 ★
Een waarnemer bevindt zich op breedte N. Op welke hoogte staat de noordelijke hemelpool? Welke sterren gaan er door hun declinatie nooit onder, en welke komen er nooit op?
Oplossing
Oplossing van Oefening 1.1.
De hoogte van de pool is gelijk aan de breedtegraad: . Een ster gaat nooit onder als , en komt nooit op als .
Oefening 1.2 ★
Reken een rechte klimming van om in graden. Wat is bij een plaatselijke sterrentijd van de uurhoek van een ster met die rechte klimming? Staat de ster oost of west van de meridiaan?
Oplossing
Oplossing van Oefening 1.2.
. , dat is . De uurhoek is positief: de ster staat west van de meridiaan, die zij drie en een kwart sterrenuur geleden passeerde.
Oefening 1.3 ★
Bereken op breedte N de middaghoogte van de zon op de twee zonnewendes en op de equinoxen ().
Oplossing
Oplossing van Oefening 1.3.
: op de zomerzonnewende, op de equinoxen, op de winterzonnewende.
Oefening 1.4 ★
Was 1900 een schrikkeljaar? Was 2000 dat? Wordt 2100 dat? Met hoeveel dagen per eeuw loopt de Juliaanse kalender achter op een tropisch jaar van 365.2422 dagen, en met hoeveel de Gregoriaanse?
Oplossing
Oplossing van Oefening 1.4.
1900: deelbaar door 100 maar niet door 400, dus geen schrikkeljaar. 2000: deelbaar door 400, dus een schrikkeljaar. 2100: geen schrikkeljaar. Het Juliaanse jaar overschrijdt het tropisch jaar met dagen, dagen per eeuw; het Gregoriaanse jaar met dagen, dagen per eeuw.
Oefening 1.5 ★★
Twee punten liggen op breedte N, op lengtegraden en O. Bereken de afstand over de grootcirkel tussen hen () en de afstand langs hun parallel. Welke is korter, en met hoeveel?
Oplossing
Oplossing van Oefening 1.5.
, dus en de afstand is . Langs de parallel, een kleine cirkel met straal , is de afstand . De grootcirkel is ongeveer korter.
Oefening 1.6 ★★
Op breedte N heeft een ster met declinatie de uurhoek . Bereken haar hoogte en haar azimut. In welke richting moet de waarnemer kijken?
Oplossing
Oplossing van Oefening 1.6.
, . , ; de ster staat west van de meridiaan (), dus : naar het zuidwesten, boven de horizon.
Oefening 1.7 ★★
Bereken de lengte van de dag op breedte N op de zomerzonnewende van juni, waarbij de zon als een punt op een geometrische horizon wordt beschouwd. Controleer het antwoord met de figuur van de dagslengte.
Oplossing
Oplossing van Oefening 1.7.
, , daglengte , ongeveer , zoals de kromme voor N op de zomerzonnewende laat zien.
Oefening 1.8 ★★
Een ster kruist vanavond om 22:00 uur plaatselijke gemiddelde tijd de meridiaan. Wanneer kruist zij de meridiaan over dertig dagen? Na hoeveel dagen kruist zij de meridiaan op het middaguur, onzichtbaar in het daglicht?
Oplossing
Oplossing van Oefening 1.8.
De doorgang schuift elke dag vroeger, dus in 30 dagen : de ster kruist om ongeveer 20:02 uur. Om op het middaguur te kruisen moet zij = vroeger verschuiven, wat dagen kost.
Oefening 1.9 ★★
Bereken de insolatie aan de bovenkant van de atmosfeer om het middaguur op breedte N (a) op een equinox, met ; (b) op de zomerzonnewende van juni, met voor de afstand in het aphelium. Gegevens: , , aphelium .
Oplossing
Oplossing van Oefening 1.9.
(a) Op een equinox is de middaghoogte : . (b) Op de zomerzonnewende van juni is en : . De hogere zon compenseert ruimschoots de grotere afstand.
Oefening 1.10 ★★★
Bereken met Propositie 1.17 de declinatie en de rechte klimming van de zon wanneer haar ecliptische lengte is. Met hoeveel graden blijft de rechte klimming achter op de lengte? Leg met dit resultaat uit waarom de helling van de ecliptica bijdraagt aan de tijdsvereffening.
Oplossing
Oplossing van Oefening 1.10.
, . , (zelfde kwadrant als ). De rechte klimming blijft achter met , dat is tijd. Een zon die gelijkmatig langs de ecliptica beweegt, zou toch ongelijkmatig bewegen in rechte klimming, de grootheid die de uurhoek en dus de zonnewijzer bepaalt: achter de gemiddelde zon tussen een equinox en de volgende zonnewende, voor haar tussen een zonnewende en de volgende equinox. Dit is de schuinte-term van de tijdsvereffening.
Oefening 1.11 ★★★
Toon aan dat op de zomerzonnewende de zon opkomt op het azimut met . Op welke breedte komt zij precies in het noordoosten op? Wat gebeurt er met de formule op breedten boven ?
Oplossing
Oplossing van Oefening 1.11.
Bij de opkomst geldt , dus Propositie 1.9 geeft ; op de zomerzonnewende geldt , dus . Voor : , N. Boven is : er is dan geen azimut van opkomst, omdat de zon die dag niet ondergaat (middernachtzon).
Oefening 1.12 ★★★
Een bolvormige tweehoek is het deel van een bol tussen twee halve grootcirkels die twee tegenoverliggende punten verbinden, onder de hoek ten opzichte van elkaar. (a) Toon aan dat haar oppervlakte is. (b) Elke zijde van een sferische driehoek , tot een volledige grootcirkel doorgetrokken, geeft met de andere twee drie paren van tegenoverliggende tweehoeken met hoeken , , die de bol bedekken; de driehoek en haar tegenoverliggende worden drie keer bedekt. Leid hieruit de stelling van Girard af: de oppervlakte van de driehoek is . (c) Pas die toe op de driehoek met drie rechte hoeken en op de driehoek uit dit hoofdstuk (hoeken , , ).
Oplossing
Oplossing van Oefening 1.12.
(a) Een tweehoek met hoek is het deel van de bol: . (b) De drie paren tweehoeken hebben samen oppervlakte ; zij bedekken de bol één keer, behalve de driehoek en haar tegenoverliggende, die elk drie keer worden bedekt, dus dubbel zoveel als nodig: , waarin de oppervlakte van de driehoek is. Daaruit volgt . (c) Drie rechte hoeken: , een achtste van de bol (een octant). De driehoek uit de figuur: , dat is radialen: , van de bol.
1.7 Probleem: Een nacht op een bergobservatorium
Probleem 1.1
Weekendprobleem — waar het Paranal-observatorium staat, wat de hemel er toont en hoe lang de langste nacht duurt
Het Paranal-observatorium staat in de Atacamawoestijn op breedte Z, lengtegraad W. Het Royal Observatory te Greenwich, waarvandaan de lengtegraden worden geteld, ligt op N, . Twee heldere sterren van de zuidelijke hemel hebben de coördinaten
| ster | rechte klimming | declinatie |
|---|---|---|
| Sirius | ||
| Canopus |
Neem , , een tropisch jaar van 365.2422 dagen, en beschouw de zon als een punt op een geometrische horizon.
Deel I — Paranal op de bol.
- Geef de poolafstanden van Paranal en Greenwich, en hun verschil in lengtegraad.
- Schrijf de cosinusregel op voor de driehoek noordpool–Paranal–Greenwich en bereken de cosinus van de hoekafstand tussen de twee observatoria.
- Leid hieruit in graden af en de afstand over de grootcirkel in kilometers.
- Bereken de beginkoers vanaf Paranal naar Greenwich (Methode 1.4).
- Controleer de koers met de sinusregel.
- Zou een vliegtuig dat deze koers de hele weg aanhoudt Greenwich bereiken? Leg uit.
Deel II — De hemel van Paranal.
- Op welke hoogte staat de zuidelijke hemelpool boven de zuidelijke horizon van Paranal?
- Op welke hoogte kruist Sirius de meridiaan, en aan welke kant van het zenit?
- Beneden welke declinatie is een ster op Paranal circumpolair? Is Canopus circumpolair?
- Welke hoogste hoogte bereikt Canopus?
- Bereken de uurhoek waarbij Sirius opkomt, en hoe lang zij boven de horizon blijft, in sterrenuren.
- Op welk azimut komt Sirius op?
Deel III — Klokken.
- Wat is de plaatselijke sterrentijd wanneer Sirius de meridiaan kruist?
- Bereken de lengte van de sterrendag, en met hoeveel minuten de meridiaanpassage van een ster elke nacht vroeger komt.
- Neem de plaatselijke sterrentijd om middernacht van de plaatselijke gemiddelde tijd op bij de lentenachtevening van maart (20 maart 2026), wanneer de zon nabij het lentepunt staat; zij neemt dan dagelijks uur toe. Hoeveel dagen na de equinox kruist Sirius de meridiaan om middernacht van de plaatselijke gemiddelde tijd? Op welke datum?
- Hoeveel verschilt de plaatselijke gemiddelde tijd van Paranal in die nacht van de tijd in Greenwich?
- De tijdsvereffening is dan ongeveer . Welke tijd toont een zonnewijzer op het observatorium (ware zonnetijd) wanneer Sirius de meridiaan kruist?
- Hoeveel eerder kruist zij de meridiaan een week later?
Deel IV — De langste nacht.
- Wat is de declinatie van de zon bij elke zonnewende?
- Bereken de middaghoogte van de zon op Paranal bij de zonnewendes van juni en december. Aan welke kant van het zenit staat zij in december?
- Bij de winterzonnewende van december is de afstand tussen zon en aarde 0.9837 keer de gemiddelde afstand. Bereken de insolatie om het middaguur aan de bovenkant van de atmosfeer boven Paranal ().
- Bij welke zonnewende is de nacht op Paranal het langst? Bereken de uurhoek van de zonsondergang op die datum.
- Op welk azimut komt de zon op die datum op?
- Leid hieruit de lengte af van de langste nacht van het jaar op Paranal, in uren en minuten.
Oplossing
Oplossing van Probleem 1.1.
1. Poolafstanden en ; lengteverschil .
2. .
3. ; afstand , ongeveer .
4.
, naar het noordoosten.
5. , wat of oplevert; de positieve cosinus van vraag 4 kiest .
6. Nee. Een constante koers snijdt elke meridiaan onder dezelfde hoek en spiraalt naar een pool; de koers langs de grootcirkel verandert voortdurend (zij is alleen aan het begin ). Het vliegtuig zou een langere weg afleggen en elders aankomen, tenzij het zijn koers corrigeert.
7. De hoogte van de zuidelijke hemelpool is gelijk aan de absolute waarde van de breedtegraad: .
8. ; , dus Sirius gaat ten noorden van het zenit door.
9. Een ster gaat nooit onder als . Canopus, op , is niet circumpolair: zij gaat onder.
10. , ten zuiden van het zenit.
11. ; . Sirius blijft sterrentijd boven de horizon, ongeveer .
12. : Sirius komt op bij het azimut , ten zuiden van het oosten.
13. Wanneer , is .
14. ; de passage schuift elke nacht , dus , vroeger.
15. Nodig is , dus dagen. 285 dagen na 20 maart is 30 december: Sirius kruist de meridiaan om middernacht van de plaatselijke gemiddelde tijd in de nacht van 30 op 31 december 2026.
16. Paranal ligt west van Greenwich: de plaatselijke gemiddelde tijd loopt achter, .
17. Ware zonnetijd = gemiddelde zonnetijd + tijdsvereffening = : de zonnewijzer wijst ongeveer 23:57.
18. eerder.
19. op de zomerzonnewende van juni, op de winterzonnewende van december.
20. Juni: . December: ; omdat , gaat de zon ten noorden van het zenit door.
21. .
22. In juni, de zuidelijke winter. : de zon gaat onder bij de uurhoek .
23. : , ten noorden van het oosten.
24. De daglengte is ; de langste nacht van het jaar op Paranal duurt , dat is .