地球与空间科学 · 第 3 册 · 本科一年级

Universitaire aard- en ruimtewetenschappen — jaar 1

书籍暂未推出简体中文版——当前显示 Nederlands 版。

Universitaire aard- en ruimtewetenschappen — jaar 1 · 本科一年级

1Sferische astronomie

Op een heldere nacht ver van elke stad registreert een camera met een lange belichtingstijd, op de hemel gericht, de sterren als bogen van cirkels die allemaal om één punt staan dat niet beweegt. Een ster die vanavond om negen uur in het oosten opkwam, komt morgen om ongeveer vijf voor negen op, en elke nacht daarna iets eerder. De zon staat om twaalf uur ’s middags in juni hoger dan in december, en in het verre noorden gaat zij midden in de zomer helemaal niet onder. Dit alles is de draaiing van de aarde en haar baan om de zon, vanaf de grond gezien. Om het te beschrijven hebben de astronoom en de geowetenschapper coördinaten op een bol nodig, de trigonometrie van driehoeken op een bol en klokken die gelijke tred houden met de sterren of met de zon. Dit hoofdstuk bouwt die hulpmiddelen. Ze keren terug in de plaatkinematica (Hoofdstuk 12), waar platen over de bol draaien, en in de klimaathoofdstukken (Hoofdstuk 27), waar het zonlicht dat een breedtegraad ontvangt de winden en de stromingen aandrijft.

Wat je al weet

De aarde draait eenmaal per dag om haar as en beweegt in een jaar om de zon, op een baan die vrijwel een cirkel is. Haar as staat schuin ten opzichte van de baan, en dat veroorzaakt de seizoenen (de natuurkundeboeken, klassen 6 en 12; de wetten van Kepler komen aan bod in het eerste jaar van de natuurkundeboeken voor het hoger onderwijs). Een punt op aarde wordt bepaald door zijn breedtegraad en lengtegraad (Boek 1, klas 6). Een vector met lengte één wordt vastgelegd door twee hoeken, zoals in bolcoördinaten; het inproduct van twee eenheidsvectoren is de cosinus van de hoek ertussen, en het drievoudig product u⃗⋅(v⃗×w⃗)\vec u\cdot(\vec v\times\vec w) blijft gelijk bij een cyclische verwisseling van de drie vectoren.

1.1 Driehoeken op een bol

Definitie 1.1 (Grootcirkel, sferische driehoek)

Een grootcirkel van een bol is de doorsnede met een vlak door het middelpunt; elke andere vlakdoorsnede is een kleine cirkel. Door twee punten die niet tegenover elkaar liggen gaat precies één grootcirkel, en de kortste van de twee bogen daarvan is de kortste weg over de bol tussen de punten. Een sferische driehoek is de figuur die gevormd wordt door drie punten van de bol, de hoekpunten AA, BB, CC, verbonden door bogen van grootcirkels die kleiner zijn dan 180∘180{}^{\circ}. Zijn zijden aa, bb, cc (tegenover AA, BB, CC) worden gemeten door de hoeken die zij opspannen in het middelpunt; zijn hoeken AA, BB, CC zijn de hoeken tussen de vlakken van de zijden die in elk hoekpunt samenkomen.

Op de bol met straal RR heeft een zijde van aa radialen de lengte RaRa. Elke zijde en elke hoek ligt tussen 00 en π\pi.

Een sferische driehoek ABC op een bol met middelpunt O. De zijden a, b, c zijn bogen van grootcirkels, gemeten door de hoeken BOC, COA, AOB; de hoek A (rood) is de hoek tussen de twee zijden die in A samenkomen. De getekende driehoek heeft a = 78.6, b = 62.6, c = 64.8 en hoeken van 89.9, 64.9 en 67.4, die samen meer dan 180 zijn.
Een sferische driehoek ABCABC op een bol met middelpunt OO. De zijden aa, bb, cc zijn bogen van grootcirkels, gemeten door de hoeken BOCBOC, COACOA, AOBAOB; de hoek AA (rood) is de hoek tussen de twee zijden die in AA samenkomen. De getekende driehoek heeft a=78.6∘a = 78.6{}^{\circ}, b=62.6∘b = 62.6{}^{\circ}, c=64.8∘c = 64.8{}^{\circ} en hoeken van 89.9∘89.9{}^{\circ}, 64.9∘64.9{}^{\circ} en 67.4∘67.4{}^{\circ}, die samen meer dan 180∘180{}^{\circ} zijn.

Stelling 1.2 (De cosinusregel)

In een sferische driehoek geldt

cos⁡a=cos⁡bcos⁡c+sin⁡bsin⁡ccos⁡A.\cos a = \cos b\cos c + \sin b\sin c\cos A .

Bewijs. Werk op de eenheidsbol en kies de assen zo dat AA in de pool ligt: A⃗=(0,0,1)\vec A = (0, 0, 1), en het vlak xzxz dat BB bevat: B⃗=(sin⁡c,0,cos⁡c)\vec B = (\sin c, 0, \cos c), want BB ligt op hoekafstand cc van AA. Het punt CC ligt op hoekafstand bb van AA, op een grootcirkel door AA die de hoek AA maakt met het vlak xzxz: C⃗=(sin⁡bcos⁡A,sin⁡bsin⁡A,cos⁡b)\vec C = (\sin b\cos A, \sin b\sin A, \cos b). De zijde aa is de hoek tussen B⃗\vec B en C⃗\vec C, dus

cos⁡a=B⃗⋅C⃗=sin⁡csin⁡bcos⁡A+cos⁡ccos⁡b.\cos a = \vec B\cdot\vec C = \sin c\sin b\cos A + \cos c\cos b. \qedhere

∎

Stelling 1.3 (De sinusregel)

In een sferische driehoek geldt

sin⁡Asin⁡a=sin⁡Bsin⁡b=sin⁡Csin⁡c.\frac{\sin A}{\sin a} = \frac{\sin B}{\sin b} = \frac{\sin C}{\sin c}.

Bewijs. Met de vectoren van het vorige bewijs geldt B⃗×C⃗=(−cos⁡csin⁡bsin⁡A, cos⁡csin⁡bcos⁡A−sin⁡ccos⁡b, sin⁡csin⁡bsin⁡A)\vec B \times \vec C = (-\cos c\sin b\sin A,\ \cos c\sin b\cos A - \sin c\cos b,\ \sin c\sin b\sin A), dus het drievoudig product is A⃗⋅(B⃗×C⃗)=sin⁡bsin⁡csin⁡A\vec A\cdot(\vec B\times\vec C) = \sin b\sin c\sin A. Het drievoudig product blijft gelijk bij een cyclische verwisseling van AA, BB, CC. Door BB en daarna CC in de pool te leggen volgt op dezelfde manier sin⁡csin⁡asin⁡B\sin c\sin a\sin B en sin⁡asin⁡bsin⁡C\sin a\sin b\sin C. De drie uitdrukkingen zijn gelijk; delen door sin⁡asin⁡bsin⁡c\sin a\sin b\sin c geeft de regel. ∎

Als de zijden klein zijn ten opzichte van de straal, geldt cos⁡a≈1−a2/2\cos a \approx 1 - a^2/2 en sin⁡a≈a\sin a \approx a, en worden de twee regels de cosinus- en sinusregel van vlakke driehoeken: op een voldoende klein stuk is de bol vlak. Bij een grote driehoek gebeurt dat niet: de hoeken van een sferische driehoek tellen op tot meer dan 180∘180{}^{\circ} (Oefening 1.12).

Methode 1.4 (Afstand en koers op de bol)

Om de kortste afstand te vinden tussen twee plaatsen met breedtegraden φ1\varphi_1, φ2\varphi_2 en lengtegraden λ1\lambda_1, λ2\lambda_2, en de richting waarin men moet vertrekken:

  1. vorm de driehoek met als hoekpunten de Noordpool PP en de twee plaatsen; haar zijden vanaf de pool zijn de poolafstanden 90∘−φ190{}^{\circ} - \varphi_1 en 90∘−φ290{}^{\circ} - \varphi_2, en haar hoek bij de pool is het verschil in lengte Δλ\Delta\lambda;
  2. de cosinusregel geeft de hoekafstand Δ\Delta: cos⁡Δ=sin⁡φ1sin⁡φ2+cos⁡φ1cos⁡φ2cos⁡Δλ\cos\Delta = \sin\varphi_1\sin\varphi_2 + \cos\varphi_1\cos\varphi_2\cos\Delta\lambda; de afstand is RΔR\Delta (Δ\Delta in radialen);
  3. de beginkoers is de hoek van de driehoek bij de eerste plaats, uit de cosinusregel toegepast op de zijde er tegenover, sin⁡φ2=sin⁡φ1cos⁡Δ+cos⁡φ1sin⁡Δcos⁡Az\sin\varphi_2 = \sin\varphi_1\cos\Delta + \cos\varphi_1\sin\Delta\cos \mathrm{Az}, en wordt gemeten vanaf het noorden naar de tweede plaats.

De koers verandert langs de grootcirkel (behalve langs een meridiaan of de evenaar): een schip of vliegtuig dat dezelfde kompaskoers aanhoudt, volgt een andere, langere kromme.

1.2 Coördinaten op de bol

Definitie 1.5 (Breedtegraad en lengtegraad)

Stel dat de aarde een bol is die om haar poolas draait. De breedtegraad φ\varphi van een punt is de hoek tussen het evenaarsvlak en de straal door het punt, van −90∘-90{}^{\circ} (Zuidpool) tot +90∘+90{}^{\circ} (Noordpool); de lengtegraad λ\lambda is de hoek, gemeten in het evenaarsvlak, tussen het meridiaanvlak van het punt en dat van een referentiemeridiaan, die door Greenwich gaat, positief naar het oosten, van −180∘-180{}^{\circ} tot 180∘180{}^{\circ}.

De aarde is in feite iets afgeplat; de breedtegraad die voor kaarten en voor de hemel gebruikt wordt, is de hoek tussen de plaatselijke verticaal en het evenaarsvlak. Die wijkt van de geocentrische hoek af met hoogstens 0.2∘0.2{}^{\circ} (Hoofdstuk 11). Lijnen van gelijke breedte, de parallellen, zijn kleine cirkels; de meridianen zijn halve grootcirkels.

Definitie 1.6 (De hemelbol)

De hemelbol is een denkbeeldige bol met het middelpunt in de waarnemer, waarop elke ster in haar richting ligt; alleen richtingen tellen, niet afstanden. De verlengingen van de aardas snijden de bol in de noordelijke en zuidelijke hemelpolen; het vlak van de aardevenaar snijdt de bol langs de hemelevenaar. Het zenit is het punt recht boven de waarnemer, langs de plaatselijke verticaal; de horizon is de grootcirkel op 90∘90{}^{\circ} ervan vandaan. De plaatselijke meridiaan is de grootcirkel door het zenit en de hemelpolen; hij snijdt de horizon in het noorden en het zuiden.

Terwijl de aarde van west naar oost draait, lijkt de hemelbol de andere kant op te draaien, van oost naar west, om de as van de hemelpolen, in iets minder dan een dag. De sterren behouden hun onderlinge plaatsen: ze staan zo ver weg dat een reis van een jaar om de zon hun richtingen minder dan een boogseconde verandert (Hoofdstuk 2).

Definitie 1.7 (Horizontale coördinaten)

De hoogte hh van een ster is haar hoek boven de horizon, van −90∘-90{}^{\circ} tot 90∘90{}^{\circ}; haar zenithoek is z=90∘−hz = 90{}^{\circ} - h. Haar azimut A\mathrm{A} is de hoek, langs de horizon, van het noorden tot de voet van de verticaalcirkel van de ster, gemeten van 0∘0{}^{\circ} tot 360∘360{}^{\circ} via het oosten.

Horizontale coördinaten zijn die van de waarnemer: ze veranderen met de plaats en het tijdstip. De coördinaten van de hemel zelf worden meegevoerd door haar draaiing.

Definitie 1.8 (Equatoriale coördinaten)

De declinatie δ\delta van een ster is haar hoek ten opzichte van de hemelevenaar, positief naar het noorden, van −90∘-90{}^{\circ} tot 90∘90{}^{\circ}. De grootcirkel door de ster en de hemelpolen is haar uurcirkel. De uurhoek HH van de ster is de hoek bij de hemelpool tussen de plaatselijke meridiaan en de uurcirkel van de ster, gemeten westwaarts, in uren van 15∘15{}^{\circ}. De rechte klimming α\alpha is de hoek langs de hemelevenaar van een vast punt aan de hemel, het lentepunt (Definitie 1.12), tot de uurcirkel van de ster, gemeten oostwaarts, ook in uren.

Declinatie en rechte klimming liggen vast aan de hemel, zoals breedtegraad en lengtegraad op aarde: sterrencatalogi geven ze op. Het woord declinatie wordt hier alleen in deze astronomische betekenis gebruikt; de hoek tussen het geografische noorden en het noorden van een kompas heet altijd de magnetische declinatie (Hoofdstuk 6).

Propositie 1.9 (Van equatoriale naar horizontale coördinaten)

Op breedte φ\varphi heeft een ster met declinatie δ\delta en uurhoek HH de hoogte en het azimut

sin⁡h=sin⁡φsin⁡δ+cos⁡φcos⁡δcos⁡H,cos⁡A=sin⁡δ−sin⁡φsin⁡hcos⁡φcos⁡h,\sin h = \sin\varphi\sin\delta + \cos\varphi\cos\delta\cos H, \qquad \cos\mathrm{A} = \frac{\sin\delta - \sin\varphi\sin h}{\cos\varphi\cos h},

met A\mathrm{A} tussen 0∘0{}^{\circ} en 180∘180{}^{\circ} wanneer de ster oost van de meridiaan staat (sin⁡H<0\sin H < 0), en A=360∘−arccos⁡(… )\mathrm{A} = 360{}^{\circ} - \arccos(\dots) wanneer zij west ervan staat. In het bijzonder is de hoogte van de noordelijke hemelpool gelijk aan de breedtegraad.

Bewijs. Beschouw de driehoek gevormd door de noordelijke hemelpool PP, het zenit ZZ en de ster XX (de astronomische of positiedriehoek). De plaatselijke verticaal maakt de hoek φ\varphi met het evenaarsvlak, dus PZ=90∘−φPZ = 90{}^{\circ} - \varphi; PX=90∘−δPX = 90{}^{\circ} - \delta; ZX=90∘−hZX = 90{}^{\circ} - h. De hoek bij PP is de uurhoek HH; de hoek bij ZZ is het azimut van de ster, gemeten vanaf het noorden (oost of west van de meridiaan). De cosinusregel voor de zijde ZXZX, tegenover PP, geeft cos⁡(90∘−h)=cos⁡(90∘−φ)cos⁡(90∘−δ)+sin⁡(90∘−φ)sin⁡(90∘−δ)cos⁡H\cos(90{}^{\circ} - h) = \cos(90{}^{\circ} - \varphi)\cos(90{}^{\circ} - \delta) + \sin(90{}^{\circ} - \varphi)\sin(90{}^{\circ} - \delta)\cos H, de eerste formule. De cosinusregel voor de zijde PXPX, tegenover ZZ, geeft sin⁡δ=sin⁡φsin⁡h+cos⁡φcos⁡hcos⁡A\sin\delta = \sin\varphi\sin h + \cos\varphi\cos h\cos\mathrm{A}, de tweede. Voor de hemelpool is δ=90∘\delta = 90{}^{\circ}, en de eerste formule luidt sin⁡h=sin⁡φ\sin h = \sin\varphi. ∎

De hemel op breedte 45 N, gezien vanuit het westen, het noorden links. De noordelijke hemelpool P staat op een hoogte boven het noordpunt die gelijk is aan de breedtegraad (rood: de as van de hemelpolen); de hemelevenaar (blauw) snijdt de horizon in het oostpunt en het westpunt. Een ster X met declinatie 25, drie uur twintig minuten na haar passage over de meridiaan (uurhoek 50), staat op de hoogte h = 45.3 (groen: haar verticaalcirkel, van het zenit Z tot de horizon) en het azimut 261; haar uurcirkel (stip-streep) loopt van de pool via de ster naar de evenaar. Berekend met .
De hemel op breedte 45∘45{}^{\circ} N, gezien vanuit het westen, het noorden links. De noordelijke hemelpool PP staat op een hoogte boven het noordpunt die gelijk is aan de breedtegraad (rood: de as van de hemelpolen); de hemelevenaar (blauw) snijdt de horizon in het oostpunt en het westpunt. Een ster XX met declinatie 25∘25{}^{\circ}, drie uur twintig minuten na haar passage over de meridiaan (uurhoek 50∘50{}^{\circ}), staat op de hoogte h=45.3∘h = 45.3{}^{\circ} (groen: haar verticaalcirkel, van het zenit ZZ tot de horizon) en het azimut 261∘261{}^{\circ}; haar uurcirkel (stip-streep) loopt van de pool via de ster naar de evenaar. Berekend met Propositie 1.9.

Propositie 1.10 (Culminatie en circumpolaire sterren)

Op breedte φ\varphi kruist een ster met declinatie δ\delta de meridiaan (H=0H = 0) op de hoogte 90∘−∣φ−δ∣90{}^{\circ} - |\varphi - \delta|, ten zuiden van het zenit als δ<φ\delta < \varphi, ten noorden ervan als δ>φ\delta > \varphi. Op het noordelijk halfrond (φ>0\varphi > 0) gaat ze nooit onder als δ>90∘−φ\delta > 90{}^{\circ} - \varphi en komt ze nooit op als δ<−(90∘−φ)\delta < -(90{}^{\circ} - \varphi).

Bewijs. Voor H=0H = 0 geldt sin⁡h=sin⁡φsin⁡δ+cos⁡φcos⁡δ=cos⁡(φ−δ)\sin h = \sin\varphi\sin\delta + \cos\varphi\cos\delta = \cos(\varphi - \delta), dus h=90∘−∣φ−δ∣h = 90{}^{\circ} - |\varphi - \delta|. De laagste hoogte, bij H=180∘H = 180{}^{\circ}, voldoet aan sin⁡h=−cos⁡(φ+δ)\sin h = -\cos(\varphi + \delta); zij is positief als φ+δ>90∘\varphi + \delta > 90{}^{\circ}. De ster blijft onder de horizon als zelfs haar hoogste hoogte negatief is, ∣φ−δ∣>90∘|\varphi - \delta| > 90{}^{\circ}. ∎

Definitie 1.11 (Circumpolaire ster)

Een circumpolaire ster is een ster die op de breedte van de waarnemer nooit ondergaat: zij draait om de hemelpool, gaat over de meridiaan boven de pool en twaalf sterrenuren later eronder.

Sterrensporen boven het observatorium van Paranal, in de Atacamawoestijn, op breedte 24.6 Z: een lange belichting legt de boog van elke ster rond de zuidelijke hemelpool vast, die 24.6 boven de zuidelijke horizon staat. Foto R. Wesson/ESO, CC BY 4.0.
Sterrensporen boven het observatorium van Paranal, in de Atacamawoestijn, op breedte 24.6∘24.6{}^{\circ} Z: een lange belichting legt de boog van elke ster rond de zuidelijke hemelpool vast, die 24.6∘24.6{}^{\circ} boven de zuidelijke horizon staat. Foto R. Wesson/ESO, CC BY 4.0.

1.3 Sterrentijd en zonnetijd

Definitie 1.12 (De ecliptica)

De ecliptica is de grootcirkel van de hemelbol langs welke de zon in een jaar schijnbaar beweegt, het spoor van het vlak van de baan van de aarde. Zij helt over de hemelevenaar met de schuinte van de ecliptica ε\varepsilon, de kanteling van de aardas ten opzichte van haar baan. De ecliptica snijdt de evenaar in twee punten; het lentepunt γ\gamma is het punt waar de zon in maart de evenaar noordwaarts kruist. De ecliptische lengte λ⊙\lambda_\odot van de zon is haar hoek langs de ecliptica, vanaf γ\gamma gemeten, naar het oosten.

De schuinte is vandaag ε=23.44∘\varepsilon = 23.44{}^{\circ}.

Definitie 1.13 (Sterrentijd)

De plaatselijke sterrentijd is de uurhoek van het lentepunt γ\gamma. Een sterrendag is het tijdsinterval tussen twee passages van γ\gamma over de meridiaan.

Omdat de rechte klimming vanaf γ\gamma oostwaarts wordt geteld en de uurhoek vanaf de meridiaan westwaarts, geldt voor elke ster

H=LST−α,H = \mathrm{LST} - \alpha ,

waarin LST de plaatselijke sterrentijd is: een ster kruist de meridiaan wanneer de sterrentijd gelijk is aan haar rechte klimming. Een sterrenklok van een observatorium laat in één oogopslag zien welk deel van de hemel boven het hoofd staat.

Propositie 1.14 (Sterrendagen en zonnedagen)

In één tropisch jaar van NN gemiddelde zonnedagen draait de aarde N+1N + 1 keer ten opzichte van de sterren. De sterrendag duurt dus

NN+1×24 h,\frac{N}{N + 1}\times24\,\mathrm{h},

en met N=365.2422N = 365.2422 is dat 23 h23\,\mathrm{h} 56 min56\,\mathrm{min} 4.09 s4.09\,\mathrm{s}: een ster kruist de meridiaan elke dag 3 min3\,\mathrm{min} 56 s56\,\mathrm{s} gemiddelde zonnetijd eerder.

Bewijs. Tel de omwentelingen ten opzichte van de zon en ten opzichte van de sterren over één jaar. De zon beweegt in een jaar één keer oostwaarts langs de ecliptica, in de richting van de draaiing van de aarde. Ten opzichte van de zon maakt de aarde dus één omwenteling minder dan ten opzichte van de sterren: NN zonnedagen en N+1N + 1 sterrendagen vullen hetzelfde jaar. De sterrendag is N/(N+1)N/(N+1) van een zonnedag, dat wil zeggen 86 400 s×365.2422/366.2422=86 164.09 s86\,400\,\mathrm{s}\times 365.2422/366.2422 = 86\,164.09\,\mathrm{s}; het verschil is 235.9 s235.9\,\mathrm{s}. Dit stemt overeen met de gemeten draaiingstijd van de aarde ten opzichte van de sterren, 23.9345 h23.9345\,\mathrm{h}. ∎

Definitie 1.15 (Zonnetijd)

De ware zonnetijd is de uurhoek van de zon plus twaalf uur: een zonnewijzer toont die, en het is middag wanneer de zon de meridiaan kruist. De gemiddelde zonnetijd is de uurhoek, plus twaalf uur, van een fictieve gemiddelde zon die langs de hemelevenaar met een constante snelheid beweegt en in een tropisch jaar één omwenteling maakt. Hun verschil, ware minus gemiddeld, is de tijdsvereffening.

De ware zon loopt voor en achter op de gemiddelde zon, om twee redenen. De aarde beweegt nabij het perihelium, begin januari, sneller dan nabij het aphelium, zodat de voortgang van de zon langs de ecliptica ongelijkmatig is (de tweede wet van Kepler). En de zon beweegt langs de ecliptica, die schuin op de evenaar staat, zodat zelfs een gelijkmatige beweging langs de ecliptica op de evenaar een ongelijkmatige projectie geeft (de uurhoek meet dat) — sneller nabij de zonnewendes dan nabij de equinoxen. Burgerlijke klokken houden de gemiddelde zonnetijd op een referentiemeridiaan van hun tijdzone; de plaatselijke gemiddelde tijd op lengtegraad λ\lambda loopt vóór op de tijd in Greenwich met λ/15∘\lambda/15{}^{\circ} uur.

De tijdsvereffening over het jaar (ware minus gemiddelde zonnetijd): een zonnewijzer loopt tot 16.4\, min voor begin november en tot 14.2\, min achter half februari. Berekend uit een Kepler-baan met de excentriciteit 0.0167, de schuinte 23.44, de lengte van het perihelium en de datum van de lentenachtevening van 2026.
De tijdsvereffening over het jaar (ware minus gemiddelde zonnetijd): een zonnewijzer loopt tot 16.4 min16.4\,\mathrm{min} voor begin november en tot 14.2 min14.2\,\mathrm{min} achter half februari. Berekend uit een Kepler-baan met de excentriciteit 0.0167, de schuinte 23.44∘23.44{}^{\circ}, de lengte van het perihelium en de datum van de lentenachtevening van 2026.

1.4 Opkomst, ondergang en de zon

Propositie 1.16 (Opkomst en ondergang)

Op breedte φ\varphi gaat een ster met declinatie δ\delta die op- en ondergaat door de horizon bij de uurhoeken ±H0\pm H_0, met

cos⁡H0=−tan⁡φtan⁡δ,\cos H_0 = -\tan\varphi\tan\delta ,

bij het azimut A0\mathrm{A}_0 met cos⁡A0=sin⁡δ/cos⁡φ\cos\mathrm{A}_0 = \sin\delta/\cos\varphi (bij opkomst; bij ondergang is het azimut 360∘−A0360{}^{\circ} - \mathrm{A}_0). Zij blijft boven de horizon gedurende 2H02H_0, omgerekend in uren van 15∘15{}^{\circ} per uur.

Bewijs. Op de horizon geldt h=0h = 0, en Propositie 1.9 geeft 0=sin⁡φsin⁡δ+cos⁡φcos⁡δcos⁡H00 = \sin\varphi\sin\delta + \cos\varphi\cos\delta\cos H_0, en cos⁡A0=sin⁡δ/cos⁡φ\cos\mathrm{A}_0 = \sin\delta/\cos\varphi. De uurhoek neemt gelijkmatig toe, met 15∘15{}^{\circ} per uur, van −H0-H_0 bij de opkomst tot +H0+H_0 bij de ondergang. ∎

Voor de zon geeft dit de lengte van de dag, als de zon als een punt wordt beschouwd en de breking van het licht door de lucht wordt genegeerd (beide voegen enkele minuten daglicht toe). Op de equinoxen geldt δ=0\delta = 0, H0=90∘H_0 = 90{}^{\circ}: dag en nacht duren overal twaalf uur, en de zon komt recht in het oosten op.

De baan van de zon over de hemel op breedte 45 N op de zomerzonnewende van juni (rood), de equinoxen (zwart) en de winterzonnewende van december (blauw), met de middaghoogten 90 - + _. Op de equinoxen komt de zon recht in het oosten op en gaat zij recht in het westen onder; in juni komt zij op in het noordoosten.
De baan van de zon over de hemel op breedte 45∘45{}^{\circ} N op de zomerzonnewende van juni (rood), de equinoxen (zwart) en de winterzonnewende van december (blauw), met de middaghoogten 90∘−φ+δ⊙90{}^{\circ} - \varphi + \delta_\odot. Op de equinoxen komt de zon recht in het oosten op en gaat zij recht in het westen onder; in juni komt zij op in het noordoosten.

Propositie 1.17 (De declinatie van de zon)

Wanneer de zon op de ecliptische lengte λ⊙\lambda_\odot staat, voldoen haar declinatie en rechte klimming aan

sin⁡δ⊙=sin⁡εsin⁡λ⊙,tan⁡α⊙=cos⁡εtan⁡λ⊙.\sin\delta_\odot = \sin\varepsilon\sin\lambda_\odot, \qquad \tan\alpha_\odot = \cos\varepsilon\tan\lambda_\odot .

Bewijs. Neem assen met xx naar γ\gamma en zz naar de noordelijke hemelpool. In assen xx, y′y', z′z' die aan de ecliptica zijn verbonden, met z′z' naar haar pool, is de richting van de zon (cos⁡λ⊙,sin⁡λ⊙,0)(\cos\lambda_\odot, \sin\lambda_\odot, 0). De assen van de ecliptica zijn die van de evenaar, gedraaid over de hoek ε\varepsilon om xx; in de evenaarsassen is de richting van de zon dus (cos⁡λ⊙, sin⁡λ⊙cos⁡ε, sin⁡λ⊙sin⁡ε)(\cos\lambda_\odot,\ \sin\lambda_\odot\cos\varepsilon,\ \sin\lambda_\odot\sin\varepsilon). Haar zz-component is sin⁡δ⊙\sin\delta_\odot; de verhouding van haar yy- en xx-componenten is tan⁡α⊙\tan\alpha_\odot. ∎

Lengte van de dag (middelpunt van de zon boven de geometrische horizon) gedurende het jaar op vijf noordelijke breedten, volgens . Op 70 N blijft de zon weken lang boven de horizon rond de zomerzonnewende van juni en blijft zij beneden de horizon rond de winterzonnewende van december. Op het zuidelijk halfrond zijn de krommen met een half jaar verschoven.
Lengte van de dag (middelpunt van de zon boven de geometrische horizon) gedurende het jaar op vijf noordelijke breedten, volgens Proposities 1.16 en 1.17. Op 70∘70{}^{\circ} N blijft de zon weken lang boven de horizon rond de zomerzonnewende van juni en blijft zij beneden de horizon rond de winterzonnewende van december. Op het zuidelijk halfrond zijn de krommen met een half jaar verschoven.

Definitie 1.18 (Insolatie)

De insolatie op een plaats en een tijdstip is het vermogen van het zonlicht dat per oppervlakte-eenheid van een horizontaal oppervlak aan de bovenkant van de atmosfeer ontvangen wordt. Met S0S_0 de zonnestraling op de gemiddelde afstand aa van de zon, rr de werkelijke afstand en θz\theta_z de zenithoek van de zon,

I=S0(ar)2cos⁡θz=S0(ar)2sin⁡h⊙(h⊙>0),I=0 ’s nachts.I = S_0\left(\frac{a}{r}\right)^{2}\cos\theta_z = S_0\left(\frac{a}{r}\right)^{2}\sin h_\odot \quad (h_\odot > 0), \qquad I = 0 \text{ 's nachts}.

De factor (a/r)2(a/r)^2 is de kwadratenwet voor licht (de natuurkundeboeken); de factor cos⁡θz\cos\theta_z komt doordat een bundel met een dwarsdoorsnede van één vierkante meter zich uitspreidt over 1/cos⁡θz1/\cos\theta_z vierkante meter horizontale grond. Met S0=1361 W m−2S_0 = 1361\,\mathrm{W}\,\mathrm{m}^{-2} en een afstand tussen zon en aarde van 147.1×106 km147.1 \times 10^{6}\,\mathrm{km} in het perihelium en 152.1×106 km152.1 \times 10^{6}\,\mathrm{km} in het aphelium, varieert de factor (a/r)2(a/r)^2 in het jaar met ±3.4 %\pm3.4\,\%. De kanteling van de as doet veel meer: zij verandert zowel de middaghoogte als de lengte van de dag, en die twee samen maken de seizoenen. De dagelijkse en jaarlijkse sommen van de insolatie, die het klimaat aandrijven, worden berekend in Hoofdstuk 27.

1.5 Kalenders

Definitie 1.19 (Tropisch jaar)

Het tropisch jaar is het gemiddelde tijdsinterval tussen twee passages van de zon door het lentepunt. Het bepaalt de seizoenen; het duurt 365.2422 gemiddelde zonnedagen.

Het tropisch jaar is ongeveer twintig minuten korter dan het siderische jaar, de tijd die de aarde nodig heeft om terug te keren naar dezelfde plaats tussen de sterren (365.256 dagen), omdat de aardas langzaam draait — zij presedeert — en het lentepunt langs de ecliptica terugvoert (Boek 4). Een kalender moet een geheel aantal dagen passen op het tropisch jaar, zodat de seizoenen op dezelfde datums terugkomen.

Propositie 1.20 (Het Gregoriaanse jaar)

In de Gregoriaanse kalender is een jaar een schrikkeljaar van 366 dagen als zijn getal deelbaar is door 4, behalve de eeuwjaren, die alleen schrikkeljaar zijn als zij deelbaar zijn door 400. Het gemiddelde jaar is

365+14−1100+1400=365.2425 dagen,365 + \frac14 - \frac1{100} + \frac1{400} = 365.2425\text{ dagen},

en het loopt met de seizoenen één dag achter in ongeveer 3300 jaar.

Bewijs. In 400 jaar zijn er 100 jaren die deelbaar zijn door 4; daarvan zijn er vier eeuwjaren, waarvan er drie niet deelbaar zijn door 400. Er zijn dus 97 schrikkeljaren en 400×365+97=146 097400\times 365 + 97 = 146\,097 dagen, dat wil zeggen 365.2425 dagen per jaar. Ten opzichte van een tropisch jaar van 365.2422 dagen is het overschot 0.0003 dagen per jaar: één dag in 1/0.0003≈33001/0.0003 \approx 3300 jaar. ∎

Geschiedenis — De kalenderhervorming van 1582

De Juliaanse kalender, van Romeinse oorsprong, voegde elk vierde jaar een schrikkeldag toe: haar jaar van 365.25 dagen is langer dan het tropisch jaar met 0.0078 dagen, één dag in 128 jaar. Na verloop van tijd verschoof de datum van het lentepunt weg van 21 maart, de datum waarop de berekening van Pasen steunde. In 1582 voerde paus Gregorius XIII de kalender in die zijn naam draagt. Deze kalender schrapte de opgehoopte dagen in één keer en verving de Juliaanse regel door die van Propositie 1.20. Zij is intussen de internationaal aanvaarde burgerlijke kalender.

In het veld — Een positie bepalen met de sterren

Vóór de satellietnavigatie bepaalden zeevaarders hun breedte- en lengtegraad met de hemel. Met een sextant mat men de hoogte van de zon om het middaguur, of van twee of drie sterren bij de schemering, en las men de tijd af op een chronometer die de tijd van de Greenwichmeridiaan bijhield. Elke hoogte geeft, samen met de declinatie van de ster en haar uurhoek te Greenwich uit een almanak, een kleine cirkel op de aarde waarop het schip ligt: de verzameling punten waar de ster op die hoogte staat. Twee of drie van zulke cirkels snijden elkaar in de positie van het schip — bolvormige trigonometrie die elke dag op zee werd opgelost. De middaghoogte van de zon alleen geeft de breedtegraad (Propositie 1.10); de kloktijd van het plaatselijke middaguur geeft de lengtegraad, tegen vier minuten tijd per graad.

1.6 Oefeningen

Oefening 1.1 ★

Een waarnemer bevindt zich op breedte 52∘52{}^{\circ} N. Op welke hoogte staat de noordelijke hemelpool? Welke sterren gaan er door hun declinatie nooit onder, en welke komen er nooit op?

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.1.

De hoogte van de pool is gelijk aan de breedtegraad: 52∘52{}^{\circ}. Een ster gaat nooit onder als δ>90∘−52∘=38∘\delta > 90{}^{\circ} - 52{}^{\circ} = 38{}^{\circ}, en komt nooit op als δ<−38∘\delta < -38{}^{\circ}.

Oefening 1.2 ★

Reken een rechte klimming van 6 h6\,\mathrm{h} 45 min45\,\mathrm{min} om in graden. Wat is bij een plaatselijke sterrentijd van 10 h10\,\mathrm{h} 0 min0\,\mathrm{min} de uurhoek van een ster met die rechte klimming? Staat de ster oost of west van de meridiaan?

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.2.

6.75 h×15∘=101.25∘6.75\,\mathrm{h}\times15{}^{\circ} = 101.25{}^{\circ}. H=LST−α=10 h−6 h 45 min=3 h 15 minH = \mathrm{LST} - \alpha = 10\,\mathrm{h} - 6\,\mathrm{h}\,45\,\mathrm{min} = 3\,\mathrm{h}\,15\,\mathrm{min}, dat is 48.75∘48.75{}^{\circ}. De uurhoek is positief: de ster staat west van de meridiaan, die zij drie en een kwart sterrenuur geleden passeerde.

Oefening 1.3 ★

Bereken op breedte 40∘40{}^{\circ} N de middaghoogte van de zon op de twee zonnewendes en op de equinoxen (ε=23.44∘\varepsilon = 23.44{}^{\circ}).

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.3.

h=90∘−φ+δ⊙h = 90{}^{\circ} - \varphi + \delta_\odot: 73.44∘73.44{}^{\circ} op de zomerzonnewende, 50∘50{}^{\circ} op de equinoxen, 26.56∘26.56{}^{\circ} op de winterzonnewende.

Oefening 1.4 ★

Was 1900 een schrikkeljaar? Was 2000 dat? Wordt 2100 dat? Met hoeveel dagen per eeuw loopt de Juliaanse kalender achter op een tropisch jaar van 365.2422 dagen, en met hoeveel de Gregoriaanse?

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.4.

1900: deelbaar door 100 maar niet door 400, dus geen schrikkeljaar. 2000: deelbaar door 400, dus een schrikkeljaar. 2100: geen schrikkeljaar. Het Juliaanse jaar overschrijdt het tropisch jaar met 365.25−365.2422=0.0078365.25 - 365.2422 = 0.0078 dagen, 0.780.78 dagen per eeuw; het Gregoriaanse jaar met 0.00030.0003 dagen, 0.030.03 dagen per eeuw.

Oefening 1.5 ★★

Twee punten liggen op breedte 45∘45{}^{\circ} N, op lengtegraden 0∘0{}^{\circ} en 90∘90{}^{\circ} O. Bereken de afstand over de grootcirkel tussen hen (R=6371 kmR = 6371\,\mathrm{km}) en de afstand langs hun parallel. Welke is korter, en met hoeveel?

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.5.

cos⁡Δ=sin⁡245∘+cos⁡245∘cos⁡90∘=0.5\cos\Delta = \sin^245{}^{\circ} + \cos^245{}^{\circ}\cos90{}^{\circ} = 0.5, dus Δ=60∘\Delta = 60{}^{\circ} en de afstand is 6371×π/3=6672 km6371\times\pi/3 = 6672\,\mathrm{km}. Langs de parallel, een kleine cirkel met straal Rcos⁡45∘R\cos45{}^{\circ}, is de afstand 6371×cos⁡45∘×π/2=7076 km6371\times\cos45{}^{\circ}\times\pi/2 = 7076\,\mathrm{km}. De grootcirkel is ongeveer 404 km404\,\mathrm{km} korter.

Oefening 1.6 ★★

Op breedte 48∘48{}^{\circ} N heeft een ster met declinatie 20∘20{}^{\circ} de uurhoek 30∘30{}^{\circ}. Bereken haar hoogte en haar azimut. In welke richting moet de waarnemer kijken?

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.6.

sin⁡h=sin⁡48∘sin⁡20∘+cos⁡48∘cos⁡20∘cos⁡30∘=0.2542+0.5446=0.7987\sin h = \sin48{}^{\circ}\sin20{}^{\circ} + \cos48{}^{\circ}\cos20{}^{\circ}\cos30{}^{\circ} = 0.2542 + 0.5446 = 0.7987, h=53.0∘h = 53.0{}^{\circ}. cos⁡A=(sin⁡20∘−sin⁡48∘sin⁡53.0∘)/(cos⁡48∘cos⁡53.0∘)=(0.3420−0.5935)/0.4027=−0.6246\cos\mathrm{A} = (\sin20{}^{\circ} - \sin48{}^{\circ}\sin53.0{}^{\circ})/(\cos48{}^{\circ} \cos53.0{}^{\circ}) = (0.3420 - 0.5935)/0.4027 = -0.6246, arccos⁡=128.7∘\arccos = 128.7{}^{\circ}; de ster staat west van de meridiaan (H>0H > 0), dus A=360∘−128.7∘=231.3∘\mathrm{A} = 360{}^{\circ} - 128.7{}^{\circ} = 231.3{}^{\circ}: naar het zuidwesten, 53∘53{}^{\circ} boven de horizon.

Oefening 1.7 ★★

Bereken de lengte van de dag op breedte 60∘60{}^{\circ} N op de zomerzonnewende van juni, waarbij de zon als een punt op een geometrische horizon wordt beschouwd. Controleer het antwoord met de figuur van de dagslengte.

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.7.

cos⁡H0=−tan⁡60∘tan⁡23.44∘=−1.7321×0.4335=−0.7510\cos H_0 = -\tan60{}^{\circ}\tan23.44{}^{\circ} = -1.7321\times0.4335 = -0.7510, H0=138.67∘H_0 = 138.67{}^{\circ}, daglengte 2×138.67/15=18.49 h2\times138.67/15 = 18.49\,\mathrm{h}, ongeveer 18 h18\,\mathrm{h} 29 min29\,\mathrm{min}, zoals de kromme voor 60∘60{}^{\circ} N op de zomerzonnewende laat zien.

Oefening 1.8 ★★

Een ster kruist vanavond om 22:00 uur plaatselijke gemiddelde tijd de meridiaan. Wanneer kruist zij de meridiaan over dertig dagen? Na hoeveel dagen kruist zij de meridiaan op het middaguur, onzichtbaar in het daglicht?

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.8.

De doorgang schuift elke dag 3.93 min3.93\,\mathrm{min} vroeger, dus in 30 dagen 30×3.93=118 min30\times3.93 = 118\,\mathrm{min}: de ster kruist om ongeveer 20:02 uur. Om op het middaguur te kruisen moet zij 10 h10\,\mathrm{h} = 600 min600\,\mathrm{min} vroeger verschuiven, wat 600/3.93≈153600/3.93 \approx 153 dagen kost.

Oefening 1.9 ★★

Bereken de insolatie aan de bovenkant van de atmosfeer om het middaguur op breedte 45∘45{}^{\circ} N (a) op een equinox, met r=ar = a; (b) op de zomerzonnewende van juni, met voor rr de afstand in het aphelium. Gegevens: S0=1361 W m−2S_0 = 1361\,\mathrm{W}\,\mathrm{m}^{-2}, a=149.598×106 kma = 149.598 \times 10^{6}\,\mathrm{km}, aphelium 152.100×106 km152.100 \times 10^{6}\,\mathrm{km}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.9.

(a) Op een equinox is de middaghoogte 45∘45{}^{\circ}: I=1361×sin⁡45∘=962 W m−2I = 1361\times\sin45{}^{\circ} = 962\,\mathrm{W}\,\mathrm{m}^{-2}. (b) Op de zomerzonnewende van juni is h=68.44∘h = 68.44{}^{\circ} en (a/r)2=(149.598/152.100)2=0.9674(a/r)^2 = (149.598/152.100)^2 = 0.9674: I=1361×0.9674×sin⁡68.44∘=1224 W m−2I = 1361\times0.9674\times\sin68.44{}^{\circ} = 1224\,\mathrm{W}\,\mathrm{m}^{-2}. De hogere zon compenseert ruimschoots de grotere afstand.

Oefening 1.10 ★★★

Bereken met Propositie 1.17 de declinatie en de rechte klimming van de zon wanneer haar ecliptische lengte 60∘60{}^{\circ} is. Met hoeveel graden blijft de rechte klimming achter op de lengte? Leg met dit resultaat uit waarom de helling van de ecliptica bijdraagt aan de tijdsvereffening.

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.10.

sin⁡δ⊙=sin⁡23.44∘sin⁡60∘=0.3445\sin\delta_\odot = \sin23.44{}^{\circ}\sin60{}^{\circ} = 0.3445, δ⊙=20.15∘\delta_\odot = 20.15{}^{\circ}. tan⁡α⊙=cos⁡23.44∘tan⁡60∘=1.5890\tan\alpha_\odot = \cos23.44{}^{\circ}\tan60{}^{\circ} = 1.5890, α⊙=57.82∘\alpha_\odot = 57.82{}^{\circ} (zelfde kwadrant als λ⊙\lambda_\odot). De rechte klimming blijft achter met 2.18∘2.18{}^{\circ}, dat is 2.18×4≈8.7 min2.18\times4 \approx 8.7\,\mathrm{min} tijd. Een zon die gelijkmatig langs de ecliptica beweegt, zou toch ongelijkmatig bewegen in rechte klimming, de grootheid die de uurhoek en dus de zonnewijzer bepaalt: achter de gemiddelde zon tussen een equinox en de volgende zonnewende, voor haar tussen een zonnewende en de volgende equinox. Dit is de schuinte-term van de tijdsvereffening.

Oefening 1.11 ★★★

Toon aan dat op de zomerzonnewende de zon opkomt op het azimut A0\mathrm{A}_0 met cos⁡A0=sin⁡ε/cos⁡φ\cos\mathrm{A}_0 = \sin\varepsilon/\cos\varphi. Op welke breedte komt zij precies in het noordoosten op? Wat gebeurt er met de formule op breedten boven 90∘−ε90{}^{\circ} - \varepsilon?

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.11.

Bij de opkomst geldt h=0h = 0, dus Propositie 1.9 geeft sin⁡δ=cos⁡φcos⁡A0\sin\delta = \cos\varphi\cos\mathrm{A}_0; op de zomerzonnewende geldt δ=ε\delta = \varepsilon, dus cos⁡A0=sin⁡ε/cos⁡φ\cos\mathrm{A}_0 = \sin\varepsilon/\cos\varphi. Voor A0=45∘\mathrm{A}_0 = 45{}^{\circ}: cos⁡φ=sin⁡23.44∘/cos⁡45∘=0.5626\cos\varphi = \sin23.44{}^{\circ}/\cos45{}^{\circ} = 0.5626, φ=55.8∘\varphi = 55.8{}^{\circ} N. Boven 90∘−ε=66.56∘90{}^{\circ} - \varepsilon = 66.56{}^{\circ} is sin⁡ε/cos⁡φ>1\sin\varepsilon/\cos\varphi > 1: er is dan geen azimut van opkomst, omdat de zon die dag niet ondergaat (middernachtzon).

Oefening 1.12 ★★★

Een bolvormige tweehoek is het deel van een bol tussen twee halve grootcirkels die twee tegenoverliggende punten verbinden, onder de hoek θ\theta ten opzichte van elkaar. (a) Toon aan dat haar oppervlakte 2θR22\theta R^2 is. (b) Elke zijde van een sferische driehoek ABCABC, tot een volledige grootcirkel doorgetrokken, geeft met de andere twee drie paren van tegenoverliggende tweehoeken met hoeken AA, BB, CC die de bol bedekken; de driehoek en haar tegenoverliggende worden drie keer bedekt. Leid hieruit de stelling van Girard af: de oppervlakte van de driehoek is R2(A+B+C−π)R^2(A + B + C - \pi). (c) Pas die toe op de driehoek met drie rechte hoeken en op de driehoek uit dit hoofdstuk (hoeken 89.9∘89.9{}^{\circ}, 64.9∘64.9{}^{\circ}, 67.4∘67.4{}^{\circ}).

Oplossing

Oplossing van Oefening 1.12.

(a) Een tweehoek met hoek θ\theta is het deel θ/2π\theta/2\pi van de bol: θ2π×4πR2=2θR2\frac{\theta}{2\pi}\times4\pi R^2 = 2\theta R^2. (b) De drie paren tweehoeken hebben samen oppervlakte 2×(2A+2B+2C)R22\times(2A + 2B + 2C)R^2; zij bedekken de bol één keer, behalve de driehoek en haar tegenoverliggende, die elk drie keer worden bedekt, dus dubbel zoveel als nodig: 4(A+B+C)R2=4πR2+4S4(A + B + C)R^2 = 4\pi R^2 + 4S, waarin SS de oppervlakte van de driehoek is. Daaruit volgt S=R2(A+B+C−π)S = R^2(A + B + C - \pi). (c) Drie rechte hoeken: S=R2(3π/2−π)=πR2/2S = R^2(3\pi/2 - \pi) = \pi R^2/2, een achtste van de bol (een octant). De driehoek uit de figuur: 89.9+64.9+67.4−180=42.2∘89.9 + 64.9 + 67.4 - 180 = 42.2{}^{\circ}, dat is 0.7360.736 radialen: S=0.736 R2S = 0.736\,R^2, 5.9 %5.9\,\% van de bol.

1.7 Probleem: Een nacht op een bergobservatorium

Probleem 1.1

Weekendprobleem — waar het Paranal-observatorium staat, wat de hemel er toont en hoe lang de langste nacht duurt

Het Paranal-observatorium staat in de Atacamawoestijn op breedte 24.63∘24.63{}^{\circ} Z, lengtegraad 70.40∘70.40{}^{\circ} W. Het Royal Observatory te Greenwich, waarvandaan de lengtegraden worden geteld, ligt op 51.48∘51.48{}^{\circ} N, 0.00∘0.00{}^{\circ}. Twee heldere sterren van de zuidelijke hemel hebben de coördinaten

sterrechte klimmingdeclinatie
Sirius6 h6\,\mathrm{h} 45 min45\,\mathrm{min} 9 s9\,\mathrm{s}−16.72∘-16.72{}^{\circ}
Canopus6 h6\,\mathrm{h} 23 min23\,\mathrm{min} 57 s57\,\mathrm{s}−52.70∘-52.70{}^{\circ}

Neem R=6371 kmR = 6371\,\mathrm{km}, ε=23.44∘\varepsilon = 23.44{}^{\circ}, een tropisch jaar van 365.2422 dagen, en beschouw de zon als een punt op een geometrische horizon.

Deel I — Paranal op de bol.

  1. Geef de poolafstanden van Paranal en Greenwich, en hun verschil in lengtegraad.
  2. Schrijf de cosinusregel op voor de driehoek noordpool–Paranal–Greenwich en bereken de cosinus van de hoekafstand Δ\Delta tussen de twee observatoria.
  3. Leid hieruit Δ\Delta in graden af en de afstand over de grootcirkel in kilometers.
  4. Bereken de beginkoers vanaf Paranal naar Greenwich (Methode 1.4).
  5. Controleer de koers met de sinusregel.
  6. Zou een vliegtuig dat deze koers de hele weg aanhoudt Greenwich bereiken? Leg uit.

Deel II — De hemel van Paranal.

  1. Op welke hoogte staat de zuidelijke hemelpool boven de zuidelijke horizon van Paranal?
  2. Op welke hoogte kruist Sirius de meridiaan, en aan welke kant van het zenit?
  3. Beneden welke declinatie is een ster op Paranal circumpolair? Is Canopus circumpolair?
  4. Welke hoogste hoogte bereikt Canopus?
  5. Bereken de uurhoek waarbij Sirius opkomt, en hoe lang zij boven de horizon blijft, in sterrenuren.
  6. Op welk azimut komt Sirius op?

Deel III — Klokken.

  1. Wat is de plaatselijke sterrentijd wanneer Sirius de meridiaan kruist?
  2. Bereken de lengte van de sterrendag, en met hoeveel minuten de meridiaanpassage van een ster elke nacht vroeger komt.
  3. Neem de plaatselijke sterrentijd om middernacht van de plaatselijke gemiddelde tijd op 12 h12\,\mathrm{h} bij de lentenachtevening van maart (20 maart 2026), wanneer de zon nabij het lentepunt staat; zij neemt dan dagelijks 24/365.242224/365.2422 uur toe. Hoeveel dagen na de equinox kruist Sirius de meridiaan om middernacht van de plaatselijke gemiddelde tijd? Op welke datum?
  4. Hoeveel verschilt de plaatselijke gemiddelde tijd van Paranal in die nacht van de tijd in Greenwich?
  5. De tijdsvereffening is dan ongeveer −3 min-3\,\mathrm{min}. Welke tijd toont een zonnewijzer op het observatorium (ware zonnetijd) wanneer Sirius de meridiaan kruist?
  6. Hoeveel eerder kruist zij de meridiaan een week later?

Deel IV — De langste nacht.

  1. Wat is de declinatie van de zon bij elke zonnewende?
  2. Bereken de middaghoogte van de zon op Paranal bij de zonnewendes van juni en december. Aan welke kant van het zenit staat zij in december?
  3. Bij de winterzonnewende van december is de afstand tussen zon en aarde 0.9837 keer de gemiddelde afstand. Bereken de insolatie om het middaguur aan de bovenkant van de atmosfeer boven Paranal (S0=1361 W m−2S_0 = 1361\,\mathrm{W}\,\mathrm{m}^{-2}).
  4. Bij welke zonnewende is de nacht op Paranal het langst? Bereken de uurhoek van de zonsondergang op die datum.
  5. Op welk azimut komt de zon op die datum op?
  6. Leid hieruit de lengte af van de langste nacht van het jaar op Paranal, in uren en minuten.
Oplossing

Oplossing van Probleem 1.1.

1. Poolafstanden 90∘−(−24.63∘)=114.63∘90{}^{\circ} - (-24.63{}^{\circ}) = 114.63{}^{\circ} en 90∘−51.48∘=38.52∘90{}^{\circ} - 51.48{}^{\circ} = 38.52{}^{\circ}; lengteverschil 70.40∘70.40{}^{\circ}.

2. cos⁡Δ=cos⁡114.63∘cos⁡38.52∘+sin⁡114.63∘sin⁡38.52∘cos⁡70.40∘=−0.3260+0.1899=−0.1362\cos\Delta = \cos114.63{}^{\circ}\cos38.52{}^{\circ} + \sin114.63{}^{\circ}\sin38.52{}^{\circ}\cos70.40{}^{\circ} = -0.3260 + 0.1899 = -0.1362.

3. Δ=97.83∘\Delta = 97.83{}^{\circ}; afstand 6371×1.7074=10 878 km6371\times1.7074 = 10\,878\,\mathrm{km}, ongeveer 10 900 km10\,900\,\mathrm{km}.

4.

cos⁡Az=cos⁡38.52∘−cos⁡114.63∘cos⁡97.83∘sin⁡114.63∘sin⁡97.83∘=0.7823−0.05680.9006=0.8056,\cos\mathrm{Az} = \frac{\cos38.52{}^{\circ} - \cos114.63{}^{\circ}\cos97.83{}^{\circ}} {\sin114.63{}^{\circ}\sin97.83{}^{\circ}} = \frac{0.7823 - 0.0568}{0.9006} = 0.8056 ,

Az=36.3∘\mathrm{Az} = 36.3{}^{\circ}, naar het noordoosten.

5. sin⁡Az=sin⁡70.40∘sin⁡38.52∘/sin⁡97.83∘=0.5922\sin\mathrm{Az} = \sin70.40{}^{\circ}\sin38.52{}^{\circ}/\sin97.83{}^{\circ} = 0.5922, wat 36.3∘36.3{}^{\circ} of 143.7∘143.7{}^{\circ} oplevert; de positieve cosinus van vraag 4 kiest 36.3∘36.3{}^{\circ}.

6. Nee. Een constante koers snijdt elke meridiaan onder dezelfde hoek en spiraalt naar een pool; de koers langs de grootcirkel verandert voortdurend (zij is alleen aan het begin 36.3∘36.3{}^{\circ}). Het vliegtuig zou een langere weg afleggen en elders aankomen, tenzij het zijn koers corrigeert.

7. De hoogte van de zuidelijke hemelpool is gelijk aan de absolute waarde van de breedtegraad: 24.63∘24.63{}^{\circ}.

8. h=90∘−∣−24.63∘−(−16.72∘)∣=82.09∘h = 90{}^{\circ} - |-24.63{}^{\circ} - (-16.72{}^{\circ})| = 82.09{}^{\circ}; δ>φ\delta > \varphi, dus Sirius gaat 7.91∘7.91{}^{\circ} ten noorden van het zenit door.

9. Een ster gaat nooit onder als δ<−(90∘−24.63∘)=−65.37∘\delta < -(90{}^{\circ} - 24.63{}^{\circ}) = -65.37{}^{\circ}. Canopus, op −52.70∘-52.70{}^{\circ}, is niet circumpolair: zij gaat onder.

10. 90∘−∣−24.63∘+52.70∘∣=61.93∘90{}^{\circ} - |-24.63{}^{\circ} + 52.70{}^{\circ}| = 61.93{}^{\circ}, ten zuiden van het zenit.

11. cos⁡H0=−tan⁡(−24.63∘)tan⁡(−16.72∘)=−(0.4584)(0.3004)=−0.1377\cos H_0 = -\tan(-24.63{}^{\circ})\tan(-16.72{}^{\circ}) = -(0.4584)(0.3004) = -0.1377; H0=97.92∘H_0 = 97.92{}^{\circ}. Sirius blijft 2×97.92/15=13.06 h2\times97.92/15 = 13.06\,\mathrm{h} sterrentijd boven de horizon, ongeveer 13 h13\,\mathrm{h}.

12. cos⁡A0=sin⁡(−16.72∘)/cos⁡24.63∘=−0.3165\cos\mathrm{A}_0 = \sin(-16.72{}^{\circ})/\cos24.63{}^{\circ} = -0.3165: Sirius komt op bij het azimut 108.5∘108.5{}^{\circ}, ten zuiden van het oosten.

13. Wanneer H=0H = 0, is LST=α=6 h 45 min 9 s\mathrm{LST} = \alpha = 6\,\mathrm{h}~45\,\mathrm{min}~9\,\mathrm{s}.

14. 86 400 s×365.2422/366.2422=86 164.09 s=23 h 56 min 4 s86\,400\,\mathrm{s}\times365.2422/366.2422 = 86\,164.09\,\mathrm{s} = 23\,\mathrm{h}~56\,\mathrm{min}~4\,\mathrm{s}; de passage schuift elke nacht 235.9 s235.9\,\mathrm{s}, dus 3 min3\,\mathrm{min} 56 s56\,\mathrm{s}, vroeger.

15. Nodig is 12+n×24/365.2422=6.7525+2412 + n\times24/365.2422 = 6.7525 + 24, dus n=18.7525/0.065710=285.4n = 18.7525/0.065710 = 285.4 dagen. 285 dagen na 20 maart is 30 december: Sirius kruist de meridiaan om middernacht van de plaatselijke gemiddelde tijd in de nacht van 30 op 31 december 2026.

16. Paranal ligt 70.40∘70.40{}^{\circ} west van Greenwich: de plaatselijke gemiddelde tijd loopt 70.40/15=4.693 h70.40/15 = 4.693\,\mathrm{h} achter, 4 h4\,\mathrm{h} 41.6 min41.6\,\mathrm{min}.

17. Ware zonnetijd = gemiddelde zonnetijd + tijdsvereffening = 0 h−3 min0\,\mathrm{h} - 3\,\mathrm{min}: de zonnewijzer wijst ongeveer 23:57.

18. 7×3.93 min≈27.5 min7\times3.93\,\mathrm{min} \approx 27.5\,\mathrm{min} eerder.

19. +23.44∘+23.44{}^{\circ} op de zomerzonnewende van juni, −23.44∘-23.44{}^{\circ} op de winterzonnewende van december.

20. Juni: 90∘−∣−24.63∘−23.44∘∣=41.93∘90{}^{\circ} - |-24.63{}^{\circ} - 23.44{}^{\circ}| = 41.93{}^{\circ}. December: 90∘−∣−24.63∘+23.44∘∣=88.81∘90{}^{\circ} - |-24.63{}^{\circ} + 23.44{}^{\circ}| = 88.81{}^{\circ}; omdat δ⊙=−23.44∘>φ\delta_\odot = -23.44{}^{\circ} > \varphi, gaat de zon 1.19∘1.19{}^{\circ} ten noorden van het zenit door.

21. I=1361×(1/0.9837)2×sin⁡88.81∘=1361×1.0334×0.9998=1406 W m−2I = 1361\times(1/0.9837)^2\times\sin88.81{}^{\circ} = 1361\times 1.0334\times0.9998 = 1406\,\mathrm{W}\,\mathrm{m}^{-2}.

22. In juni, de zuidelijke winter. cos⁡H0=−tan⁡(−24.63∘)tan⁡23.44∘=0.4584×0.4335=0.1988\cos H_0 = -\tan(-24.63{}^{\circ}) \tan23.44{}^{\circ} = 0.4584\times0.4335 = 0.1988: de zon gaat onder bij de uurhoek H0=78.53∘H_0 = 78.53{}^{\circ}.

23. cos⁡A0=sin⁡23.44∘/cos⁡24.63∘=0.4376\cos\mathrm{A}_0 = \sin23.44{}^{\circ}/\cos24.63{}^{\circ} = 0.4376: A0=64.0∘\mathrm{A}_0 = 64.0{}^{\circ}, ten noorden van het oosten.

24. De daglengte is 2×78.53/15=10.47 h2\times78.53/15 = 10.47\,\mathrm{h}; de langste nacht van het jaar op Paranal duurt 24−10.47=13.53 h24 - 10.47 = 13.53\,\mathrm{h}, dat is 13 h13\,\mathrm{h} 32 min32\,\mathrm{min}.

本章定义的术语

在术语表中查看全部 957 个术语