পৃথিবী ও মহাকাশ বিজ্ঞান · বই 4 · স্নাতক দ্বিতীয় বর্ষ

Universitaire aard- en ruimtewetenschappen — jaar 2

বইগুলো এখনো বাংলা ভাষায় পাওয়া যায় না — Nederlands সংস্করণ দেখানো হচ্ছে।

Universitaire aard- en ruimtewetenschappen — jaar 2 · স্নাতক দ্বিতীয় বর্ষ

30Energiegeologie

Olie is de rest van microscopische organismen, begraven met modder en miljoenen jaren gekookt bij ongeveer 100 ∘C100\,{}^{\circ}\mathrm{C}; geothermische energie is diezelfde warmte van de aarde, rechtstreeks gewonnen. Beide worden beheerst door temperatuur en tijd: de eerste door de snelheid waarmee een chemische reactie verloopt terwijl begraven gesteenten langzaam opwarmen, de tweede door hoeveel warmte een volume gesteente opslaat en hoe snel water die naar een put kan voeren. Dit hoofdstuk kwantificeert het petroleumsysteem, gaat dan over naar de voorraden waaraan een van zijn elementen ontbreekt, naar geothermische warmte en naar uranium, en eindigt met de omgekeerde operatie: koolstofdioxide terug onder de grond brengen.

Wat je al weet

Uit de schoolboeken: brongesteente, kerogeen, rijping, olievenster, migratie, reservoirgesteente, afdekgesteente, val, dekpakket, petroleumsysteem; steenkool en inkolingsgraad; geothermische energie. Uit Boek 3: warmtestroom en de geotherm; porositeit en permeabiliteit; poriënvloeistofdruk, effectieve spanning en het criterium van Coulomb; boorstaat; sedimentair bekken en subsidentie. Uit de scheikundeboeken: de wet van Arrhenius, activeringsenergie, eerste-ordereactie. Uit de natuurkundeboeken: radioactief verval, vervalconstante, halveringstijd; het kritieke punt van een fluïdum. Uit Hoofdstuk 16: subsidentiecurve. Uit Hoofdstuk 29: ertsafzettingstype, tonnage.

30.1 Het petroleumsysteem gekwantificeerd

Een petroleumsysteem vraagt een brongesteente rijk aan kerogeen, een reservoir, een afdekgesteente, een val en genoeg dekpakket om het brongesteente te verhitten, en de gebeurtenissen moeten in de juiste volgorde komen: de val moet bestaan wanneer de olie migreert. Het kwantificeren betekent drie vragen beantwoorden: welk soort kerogeen het brongesteente bevat, hoe ver het is omgezet, en hoeveel van het product in de val zit.

Definitie 30.1 (Kerogeentype, van Krevelen-diagram)

Kerogenen vallen naar hun elementsamenstelling uiteen in drie kerogeentypen: type I, sapropelisch, het rijkst aan waterstof, dat vooral olie levert; type III, humisch of steenkoolachtig, arm aan waterstof, dat vooral methaan levert; en type II, intermediair, een bron van zowel olie als gas. Het van Krevelen-diagram zet de atomaire verhouding H/C van een kerogeen uit tegen zijn atomaire verhouding O/C; de typen nemen er verschillende gebieden in, en de rijping verplaatst een kerogeen naar lage H/C en lage O/C.

Zeven onrijpe kerogenen van bekend type, geanalyseerd in één laboratoriumstudie, hebben een atomaire H/C van 1.51 en 1.61 (type I, waaronder de Green River-olieschalie van Utah, afgezet in meren en rijk aan de resten van algen), 1.22 tot 1.28 (type II, waaronder de Kimmeridge Clay van de Noordzee), 1.13 (een gemengd type II/III) en 0.99 (type III, de Cameo-steenkool van Colorado). Het Green River-kerogeen, 77 %77\,\% koolstof in massa, heeft gemiddeld C100_{100}H150_{150}N3_3O8_8S: H/C 1.50 en O/C 0.08. In het laboratorium verhit met 10 K10\,\mathrm{K} per minuut, laat het een residu achter waarvan de H/C daalt tot 1.20 bij 460 ∘C460\,{}^{\circ}\mathrm{C} en 0.54 bij 525 ∘C525\,{}^{\circ}\mathrm{C}, terwijl de O/C daalt van 0.08 tot ongeveer 0.01: het pad links in de figuur hieronder.

Links: een van Krevelen-diagram. Het rode pad is het Green River-kerogeen van type I en zijn residuen na verhitting in het laboratorium met 10\, K per minuut tot 400–525\, C; de streepjes rechts markeren de H/C van zeven onrijpe kerogenen van type I (rood), II (oranje), II/III (grijs) en III (blauw), waarvan de O/C niet werd gerapporteerd. Gegevens: Fletcher en Pugmire (2014); Advanced Chemistry Basins Project (2004). Rechts: omzettingsgraad van het Green River-kerogeen, verhit met constante snelheden vanaf 10\, C, met zijn verdeling van activeringsenergieën (doorgetrokken) en met alleen zijn gemiddelde energie, volgens  (gestreept).
Links: een van Krevelen-diagram. Het rode pad is het Green River-kerogeen van type I en zijn residuen na verhitting in het laboratorium met 10\, K per minuut tot 400–525\, C; de streepjes rechts markeren de H/C van zeven onrijpe kerogenen van type I (rood), II (oranje), II/III (grijs) en III (blauw), waarvan de O/C niet werd gerapporteerd. Gegevens: Fletcher en Pugmire (2014); Advanced Chemistry Basins Project (2004). Rechts: omzettingsgraad van het Green River-kerogeen, verhit met constante snelheden vanaf 10\, C, met zijn verdeling van activeringsenergieën (doorgetrokken) en met alleen zijn gemiddelde energie, volgens  (gestreept).
Links: een van Krevelen-diagram. Het rode pad is het Green River-kerogeen van type I en zijn residuen na verhitting in het laboratorium met 10 K10\,\mathrm{K} per minuut tot 400–525 ∘C525\,{}^{\circ}\mathrm{C}; de streepjes rechts markeren de H/C van zeven onrijpe kerogenen van type I (rood), II (oranje), II/III (grijs) en III (blauw), waarvan de O/C niet werd gerapporteerd. Gegevens: Fletcher en Pugmire (2014); Advanced Chemistry Basins Project (2004). Rechts: omzettingsgraad van het Green River-kerogeen, verhit met constante snelheden vanaf 10 ∘C10\,{}^{\circ}\mathrm{C}, met zijn verdeling van activeringsenergieën (doorgetrokken) en met alleen zijn gemiddelde energie, volgens (30.1) (gestreept).

De omzetting van kerogeen in petroleum is een verzameling eerste-ordereacties, die elk de wet van Arrhenius volgen. In een dalend bekken stijgt de temperatuur van een brongesteente langzaam en bijna gelijkmatig, wat het volgende resultaat tot de kern van rijpingsmodellen maakt.

Propositie 30.2 (Eerste-ordereactie bij constante verhittingssnelheid)

Laat een eerste-ordereactie met snelheidsconstante k=A e−E/RTk = A\,e^{-E/RT} verlopen in een materiaal dat wordt verhit met de constante snelheid β=dT/dt\beta = \mathrm{d}T/\mathrm{d}t vanaf een temperatuur T0T_0 waarbij kk verwaarloosbaar is. De fractie die bij de temperatuur TT nog niet is omgezet, is

x(T)=exp⁡[−Aβ∫T0Te−E/RT′ dT′]≈exp⁡[−ART2βE e−E/RT],(30.1)x(T) = \exp\Bigl[-\frac{A}{\beta}\int_{T_0}^{T} e^{-E/RT'}\,\mathrm{d}T'\Bigr] \approx \exp\Bigl[-\frac{A R T^2}{\beta E}\,e^{-E/RT}\Bigr] ,\tag{30.1}

waarbij de benadering geldt wanneer E/RT≫1E/RT \gg 1; de omzettingsgraad is 1−x1 - x.

Bewijs. Eerste orde betekent dx/dt=−kx\mathrm{d}x/\mathrm{d}t = -k x. Met dt=dT/β\mathrm{d}t = \mathrm{d}T/\beta is dln⁡x=−(A/β) e−E/RT dT\mathrm{d}\ln x = -(A/\beta)\,e^{-E/RT}\,\mathrm{d}T, en integreren vanaf x=1x = 1 bij T0T_0 geeft de eerste vorm. Voor de integraal geldt ddT[RT2Ee−E/RT]=(1+2RTE)e−E/RT\frac{\mathrm{d}}{\mathrm{d}T}\bigl[\frac{RT^2}{E}e^{-E/RT}\bigr] = \bigl(1 + \frac{2RT}{E}\bigr)e^{-E/RT}, zodat de integraal gelijk is aan RT2Ee−E/RT\frac{RT^2}{E}e^{-E/RT} op een relatieve correctie van de orde 2RT/E2RT/E na, waarbij de ondergrens niets bijdraagt omdat e−E/RT0≪e−E/RTe^{-E/RT_0} \ll e^{-E/RT}. ∎

Er volgen twee gevolgen. De omzetting gebeurt in een smal temperatuurbereik, omdat e−E/RTe^{-E/RT} zo snel verandert (oefening 30.11). En tragere verhitting zet om bij een lagere temperatuur: met x=1/2x = 1/2 verhoogt een tien keer snellere verhitting de temperatuur van halve omzetting met ongeveer (RT2/E)ln⁡10(RT^2/E)\ln 10. De kinetiek van het Green River-kerogeen, aangepast aan pyrolyse in het laboratorium, is A=9.21×1013 s−1A = 9.21 \times 10^{13}\,\mathrm{s}^{-1} en E/R=26 800 KE/R = 26\,800\,\mathrm{K} (E=223 kJ/molE = 223\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}); met deze ene energie vindt de halve omzetting plaats bij 136.4 ∘C136.4\,{}^{\circ}\mathrm{C} voor 1 ∘C/Myr1\,{}^{\circ}\mathrm{C}/\mathrm{Myr} en bij 150.9 ∘C150.9\,{}^{\circ}\mathrm{C} voor 10 ∘C/Myr10\,{}^{\circ}\mathrm{C}/\mathrm{Myr}, een verschuiving van 14.5 ∘C14.5\,{}^{\circ}\mathrm{C} tegenover de voorspelde 6.26×ln⁡10=14.4 K6.26 \times \ln 10 = 14.4\,\mathrm{K}. Verhit met 10 K10\,\mathrm{K} per minuut, zet hetzelfde kerogeen om rond 450 ∘C450\,{}^{\circ}\mathrm{C} (oefening 30.6): tijd neemt de plaats in van temperatuur, en daarom wordt de kinetiek gemeten door pyrolyse bij ongeveer 250 tot 600 ∘C600\,{}^{\circ}\mathrm{C}, en daarom laat de extrapolatie ervan over twaalf ordes van grootte in verhittingssnelheid de voorspelde diepte van het olievenster onzeker.

Een echt kerogeen bevat bindingen van vele sterkten, zodat zijn kinetiek een verdeling van activeringsenergieën is, waarbij elke fractie de propositie volgt; voor het Green River-kerogeen is de verdeling normaal, met een standaardafwijking σ/R=481 K\sigma/R = 481\,\mathrm{K}. De verdeling spreidt de omzetting, zoals rechts in de figuur te zien is: bij 150 ∘C150\,{}^{\circ}\mathrm{C} is het kerogeen dat met 1 ∘C/Myr1\,{}^{\circ}\mathrm{C}/\mathrm{Myr} wordt verhit voor 93 %93\,\% omgezet, het tien keer sneller verhitte voor 48 %48\,\%.

Definitie 30.3 (Vitrinietreflectie, tijd–temperatuurindex)

Vitrinietreflectie, RoR_o, is het percentage van het invallende licht dat wordt gereflecteerd door gepolijste korrels vitriniet, een organisch bestanddeel van steenkool en van kerogeen, gemeten onder een microscoop; ze stijgt onomkeerbaar bij verhitting en legt de hoogste thermische rijpheid vast die een gesteente heeft bereikt. De tijd–temperatuurindex (TTI) van Lopatin is de som ∑nΔtn 2n\sum_n \Delta t_n\,2^n over de intervallen van 10 ∘C10\,{}^{\circ}\mathrm{C} die een gesteente heeft doorlopen, met Δtn\Delta t_n de tijd in miljoenen jaren doorgebracht in het interval met nummer nn, met n=0n = 0 voor 100 tot 110 ∘C110\,{}^{\circ}\mathrm{C}, n=1n = 1 voor 110 tot 120 ∘C120\,{}^{\circ}\mathrm{C}, n=−1n = -1 voor 90 tot 100 ∘C100\,{}^{\circ}\mathrm{C}, enzovoort.

Op de reflectieschaal begint de olievorming uit kerogenen van type I en II rond Ro=0.60 %R_o = 0.60\,\%; boven 1.20 tot 1.30 %1.30\,\% is olie instabiel en valt ze uiteen tot methaan; type III begint methaan te leveren rond 0.73 %0.73\,\%, en de gasvorming gaat door tot ongeveer 4.8 %4.8\,\%. Modellen berekenen RoR_o zoals een kerogeen: het Easy%Ro-model behandelt vitriniet als twintig parallelle eerste-ordereacties met A=1013 s−1A = 10^{13}\,\mathrm{s}^{-1} en energieën van 34 tot 72 kcal/mol72\,\mathrm{kcal}/\mathrm{mol} (142 tot 301 kJ/mol301\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}), en beeldt hun omgezette fractie FF, hoogstens 0.85, af op Ro=exp⁡(−1.6+3.7F)R_o = \exp(-1.6 + 3.7F), dat loopt van 0.20 tot 4.7 %4.7\,\%.

De reflectie wordt op dezelfde manier berekend langs elke horizon van een bekken. In het verzonnen bekken van de figuur hieronder hoopte sediment zich op met 100 m100\,\mathrm{m} per miljoen jaar van 100 tot 70 Ma70\,\mathrm{Ma}, daarna met 35 m35\,\mathrm{m} per miljoen jaar, onder een oppervlak van 10 ∘C10\,{}^{\circ}\mathrm{C} en een constante gradiënt van 30 ∘C/km30\,{}^{\circ}\mathrm{C}/\mathrm{km}. De oudste horizon bereikte Ro=0.6 %R_o = 0.6\,\% op 67.6 Ma67.6\,\mathrm{Ma}, op 3080 m3080\,\mathrm{m} en bij 102 ∘C102\,{}^{\circ}\mathrm{C}, en 1.3 %1.3\,\% op 11.6 Ma11.6\,\mathrm{Ma}, op 5040 m5040\,\mathrm{m} en bij 161 ∘C161\,{}^{\circ}\mathrm{C}; hij ligt nu op 5450 m5450\,\mathrm{m} en 173.5 ∘C173.5\,{}^{\circ}\mathrm{C}, bij Ro=1.54 %R_o = 1.54\,\%. Omdat de geotherm constant is, lopen de reflectiefronten bijna langs isothermen, met het begin van de olievorming rond 100 ∘C100\,{}^{\circ}\mathrm{C}, binnen de 60 tot 120 ∘C120\,{}^{\circ}\mathrm{C} van de schoolboeken.

Boven: begravingsgeschiedenis van een verzonnen bekken (zwart: horizonten die elke 10 miljoen jaar zijn afgezet, de dikke is het brongesteente), isothermen (gestreept), en de diepten waar Easy%Ro 0.6\,\% (blauw) en 1.3\,\% (rood) bereikt. Onder: het gebeurtenissenschema; de olievorming loopt van R_o = 0.6\,\% tot 1.3\,\% in het brongesteente, nadat de val was gevormd.
Boven: begravingsgeschiedenis van een verzonnen bekken (zwart: horizonten die elke 10 miljoen jaar zijn afgezet, de dikke is het brongesteente), isothermen (gestreept), en de diepten waar Easy%Ro 0.6 %0.6\,\% (blauw) en 1.3 %1.3\,\% (rood) bereikt. Onder: het gebeurtenissenschema; de olievorming loopt van Ro=0.6 %R_o = 0.6\,\% tot 1.3 %1.3\,\% in het brongesteente, nadat de val was gevormd.

De TTI is ouder en ruwer. Hij neemt aan dat de rijping haar snelheid verdubbelt bij elke 10 ∘C10\,{}^{\circ}\mathrm{C}, zoals een wet van Arrhenius met E≈82 kJ/molE \approx 82\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol} doet rond 100 ∘C100\,{}^{\circ}\mathrm{C} (oefening 30.5); op zijn schaal legde Waples het begin van de olievorming bij een TTI van 15, het maximum bij 75 en het einde bij 160.

Methode 30.4 (Een tijd–temperatuurindex berekenen)

De gegevens zijn de begravingsgeschiedenis van het brongesteente en de geotherm, die constant wordt verondersteld.

  1. Temperatuurpad. Zet op elk tijdstip de diepte om in temperatuur: oppervlaktetemperatuur plus gradiënt maal diepte.
  2. Tijden in de intervallen. Bepaal de tijd Δtn\Delta t_n doorgebracht in elk interval van 10 ∘C10\,{}^{\circ}\mathrm{C}; waar de verhittingssnelheid β\beta constant is, is Δtn=10 ∘C/β\Delta t_n = 10\,{}^{\circ}\mathrm{C}/\beta.
  3. Som. Tel de producten Δtn 2n\Delta t_n\,2^n op in de volgorde van de tijd; begin, maximum en einde van de olievorming worden bereikt wanneer de lopende som 15, 75 en 160 passeert.

Bekkenmodellen drukken de omzetting uit als een omzettingsgraad: de fractie van het oorspronkelijke koolwaterstofpotentieel van een brongesteente dat al is omgezet. In één model van een Californisch bekken werd aangenomen dat de expulsie uit het brongesteente begon bij een graad van 10 %10\,\%, haar maximum bereikte bij 50 %50\,\% en eindigde bij 95 %95\,\%. De uitgedreven olie, lichter dan water, migreert omhoog naar doorlatende reservoirgesteenten, en wordt vastgehouden waar een afdekgesteente een val afsluit.

Propositie 30.5 (Aanwezige olie)

Laat een val een oppervlakte AA hebben en een reservoir met netto dikte hh, porositeit ϕ\phi en waterverzadiging SwS_w, en zij BoB_o de formatievolumefactor van de olie, de verhouding tussen het volume dat een hoeveelheid olie in het reservoir inneemt en haar volume aan het oppervlak. De oorspronkelijk aanwezige olie in tankcondities, het olievolume gemeten aan het oppervlak, is

STOIIP=A h ϕ (1−Sw)Bo.(30.2)\mathrm{STOIIP} = \frac{A\,h\,\phi\,(1 - S_w)}{B_o} .\tag{30.2}

Bewijs. Het bulkvolume van het reservoir is AhAh en zijn poriënvolume AhϕAh\phi; een fractie 1−Sw1 - S_w van de poriën bevat olie, zodat de olie in het reservoir Ahϕ(1−Sw)Ah\phi(1 - S_w) inneemt, en aan het oppervlak 1/Bo1/B_o maal dat. ∎

Definitie 30.6 (Winningsfactor)

De winningsfactor van een reservoir is de fractie van de oorspronkelijk aanwezige olie (of het gas) die tijdens de levensduur ervan wordt geproduceerd.

Primaire productie en secundaire winning door waterinjectie halen samen doorgaans 30 tot 40 %40\,\% van de aanwezige olie op; het injecteren van koolstofdioxide wint er 10 tot 15 %15\,\% meer. Een val van 10 km210\,\mathrm{km}^{2} met 30 m30\,\mathrm{m} netto reservoir, porositeit 0.20, olieverzadiging 0.70 en Bo=1.2B_o = 1.2 bevat 3.5×107 m33.5 \times 10^{7}\,\mathrm{m}^{3} olie in tankcondities, waarvan 1.05 tot 1.4×107 m31.4 \times 10^{7}\,\mathrm{m}^{3} zou worden geproduceerd.

30.2 Onconventionele voorraden

Definitie 30.7 (Onconventioneel reservoir)

Een onconventioneel reservoir is een gesteente met zo’n lage permeabiliteit dat de olie of het gas in zijn microscopische poriën zonder kunstmatige stimulatie niet met een economisch debiet naar een put kan stromen; het wordt geproduceerd via putten die er horizontaal in worden geboord en die hydraulisch worden gefractureerd. Schalieolie en schaliegas zitten in het brongesteente zelf, tight gas in zandstenen en carbonaten met een lage permeabiliteit.

Een onconventioneel prospectiegebied is dus een brongesteente, of een gesteente ernaast, dat een deel heeft behouden van wat het heeft gevormd. Welk product het bevat, volgt uit zijn rijpheid: een schalie in het olievenster bevat olie, een schalie voorbij Ro≈1.3 %R_o \approx 1.3\,\% gas. De grootschalige productie van schaliegas begon rond 2000 in de Barnett Shale van Texas, en het grootste deel van de groei van de gasproductie van de Verenigde Staten sinds 2005 komt van horizontaal boren en hydraulisch fractureren in schalie, zandsteen, carbonaat en andere dichte formaties; gas wordt ook geproduceerd uit steenkoollagen.

30.3 Geothermische energie

Definitie 30.8 (Geothermisch systeem, aanwezige warmte, enthalpieklassen, EGS)

Een geothermisch systeem is een volume van de korst waar warmte, permeabiliteit en water samenkomen, zodat heet water of stoom uit putten kan worden geproduceerd. De aanwezige warmte van een reservoir is de warmte die het zou afgeven bij afkoeling van zijn temperatuur tot een referentietemperatuur. Een hoge-enthalpiebron is een geothermisch systeem boven ongeveer 150 ∘C150\,{}^{\circ}\mathrm{C}; een lage-enthalpiebron een systeem onder ongeveer 90 ∘C90\,{}^{\circ}\mathrm{C}; daartussen heet de bron middelhoog. Alle drie lenen zich voor rechtstreeks gebruik van de warmte, maar doorgaans kunnen alleen de middelhoge en de hoge klasse elektriciteit opwekken. Een verbeterd geothermisch systeem (EGS) is een lichaam van heet gesteente met een lage natuurlijke permeabiliteit waarin permeabiliteit kunstmatig wordt gecreëerd, zodat water erdoorheen kan circuleren en de warmte ervan kan worden gewonnen.

Propositie 30.9 (Aanwezige warmte en winbaar vermogen)

Een reservoir met volume VV, gemiddelde temperatuur TRT_R en volumetrische warmtecapaciteit CC (gesteente en poriënvloeistof samen) bevat, boven de referentietemperatuur T0T_0, de warmte

qR=C V (TR−T0).(30.3)q_R = C\,V\,(T_R - T_0) .\tag{30.3}

Als een fractie RgR_g daarvan in een productietijd τ\tau de putmonden bereikt, is het gemiddelde geproduceerde thermische vermogen P=Rg qR/τP = R_g\,q_R/\tau.

Bewijs. Een volume dV\mathrm{d}V bij temperatuur TT geeft C dV (T−T0)C\,\mathrm{d}V\,(T - T_0) af bij afkoeling tot T0T_0; sommeren over het reservoir met uniforme CC geeft C V (TR−T0)C\,V\,(T_R - T_0) met TRT_R de gemiddelde temperatuur. Het vermogen is de gewonnen warmte gedeeld door de tijd. ∎

Beoordelingen van voorraden gebruiken deze volumemethode met een referentie van 15 ∘C15\,{}^{\circ}\mathrm{C}. De winningsfactor RgR_g is het onzekere deel: vroege beoordelingen namen 0.25, tussen 0 en 0.5; de productie uit gebroken reservoirs wijst op ongeveer 0.1, tussen 0.05 en 0.2. Met C=2.5 MJ m−3 K−1C = 2.5\,\mathrm{MJ}\,\mathrm{m}^{-3}\,\mathrm{K}^{-1} (gesteentematrices houden 2 tot 3 MJ m−3 K−13\,\mathrm{MJ}\,\mathrm{m}^{-3}\,\mathrm{K}^{-1}) bevat een reservoir van 3×4×1 km3 \times 4 \times 1\,\mathrm{km} bij 220 ∘C220\,{}^{\circ}\mathrm{C} 6.15×1018 J6.15 \times 10^{18}\,\mathrm{J}; met Rg=0.1R_g = 0.1 over 30 jaar levert het een gemiddeld thermisch vermogen van 650 MW650\,\mathrm{MW}. Conventionele velden wekken 10 tot 20 MW20\,\mathrm{MW} elektriciteit op per vierkante kilometer veld.

Natuurlijke geothermische systemen hebben permeabiliteit even hard nodig als warmte. De meeste grote liggen dicht bij de randen van de tektonische platen, tussen vulkanen, fumarolen, warmwaterbronnen en geisers, en hun permeabiliteit is doorgaans die van spleten die door actieve breukbewegingen zijn geopend: grondwater dat op diepte wordt verwarmd, stijgt erdoor op, en putten tappen het gebroken reservoir aan, zoals in de doorsnede hieronder. Een EGS heeft geen natuurlijk reservoir nodig: zijn putten, geboord tot ongeveer 5 km5\,\mathrm{km}, bereiken heet gesteente waarvan de permeabiliteit kunstmatig wordt gemaakt, en een beoordeling van de Verenigde Staten uit 2008 schatte het voorlopige potentieel ervan op 517 800 MW517\,800\,\mathrm{MW} elektriciteit, tegenover 9057 MW9057\,\mathrm{MW} uit geïdentificeerde conventionele systemen.

Links: een geothermisch systeem met hoge enthalpie (schematisch, niet op schaal): water dat aan de randen wordt aangevuld (blauw), wordt boven een intrusie verwarmd en stijgt door een gebroken reservoir (rood) op naar een warmwaterbron; putten tappen het reservoir aan. Rechts: een geothermische centrale bij Geyserville, Californië, in 1982, met stoomleidingen op de helling. Foto U.S. Department of Defense (publiek domein).
Links: een geothermisch systeem met hoge enthalpie (schematisch, niet op schaal): water dat aan de randen wordt aangevuld (blauw), wordt boven een intrusie verwarmd en stijgt door een gebroken reservoir (rood) op naar een warmwaterbron; putten tappen het reservoir aan. Rechts: een geothermische centrale bij Geyserville, Californië, in 1982, met stoomleidingen op de helling. Foto U.S. Department of Defense (publiek domein).
Links: een geothermisch systeem met hoge enthalpie (schematisch, niet op schaal): water dat aan de randen wordt aangevuld (blauw), wordt boven een intrusie verwarmd en stijgt door een gebroken reservoir (rood) op naar een warmwaterbron; putten tappen het reservoir aan. Rechts: een geothermische centrale bij Geyserville, Californië, in 1982, met stoomleidingen op de helling. Foto U.S. Department of Defense (publiek domein).

Definitie 30.10 (Geïnduceerde seismiciteit)

Geïnduceerde seismiciteit is aardbevingsactiviteit veroorzaakt door menselijke activiteiten die de spanning of de poriënvloeistofdruk in de korst veranderen, meestal de injectie van vloeistof in de ondergrond.

Het mechanisme is het criterium van Coulomb met poriënvloeistofdruk: een breuk glijdt wanneer de schuifspanning μ(σn−p)\mu(\sigma_n - p) bereikt, zodat een stijging van pp een breuk die al onder spanning staat naar bezwijken brengt zonder enige verandering van de tektonische belasting. In de jaren 1960 veroorzaakte afvalvloeistof, geïnjecteerd in gebroken precambrische sokkel onder het Rocky Mountain Arsenal bij Denver, op diepten van 3.7 tot 7.0 km7.0\,\mathrm{km}, aardbevingen; ze bleven beperkt tot het deel van het reservoir waar de druk met meer dan 32 bar32\,\mathrm{bar} (3.2 MPa3.2\,\mathrm{MPa}) was gestegen. De steile toename van de aardbevingen in Oklahoma is toegeschreven aan de lozing van afvalwater: vier putten met een groot volume zouden een vijfde van de seismiciteit van het centrum van de Verenigde Staten kunnen verklaren, en aardbevingen op meer dan 30 km30\,\mathrm{km} afstand uitlokken. Het stimuleren van een EGS-reservoir verhoogt de poriëndruk op dezelfde manier, met opzet.

30.4 Uranium

Twee ertsafzettingstypen illustreren hoe uranium wordt geconcentreerd: het ene bij een oude discordantie, het andere in zandsteen.

Definitie 30.11 (Discordantiegebonden uraniumafzetting en roll-front-uraniumafzetting)

Een discordantiegebonden uraniumafzetting is een lichaam van pekblende en uraniniet dat spleten en breccies opvult in gemetamorfoseerde koolstofhoudende pelieten en in de kwartsarenieten erboven, onder, boven of over een discordantie tussen gesteenten uit het Vroeg- en Midden-Proterozoïcum in een intracratonisch bekken. Een roll-front-uraniumafzetting is een sikkelvormig lichaam van uraniummineralen dat de gelaagdheid doorsnijdt van een veldspaatrijke of tufhoudende zandsteen op de grens tussen geoxideerde en gereduceerde grond, waar uranium werd afgezet in een plaatselijk reducerend milieu, tussen pyriet.

De discordantieafzettingen zitten in gesteenten van 1800 tot 1200 Ma1200\,\mathrm{Ma}, de gemetamorfoseerde pelieten onder de discordantie en de niet-gemetamorfoseerde zandstenen erboven; hun gastgesteenten zijn gechloritiseerd, en de grafietschisten die veel ervan begeleiden, zijn sterke elektrische geleiders, een doelwit voor elektromagnetische metingen. Key Lake, Cluff Lake en Rabbit Lake in Saskatchewan en Jabiluka en Ranger in het noorden van Australië zijn voorbeelden. De roll-fronts zijn jonger, meestal tertiair: in zandstenen gevoed door felsische vulkanische as of graniet liggen geoxideerde ijzermineralen hellingopwaarts van het front en gereduceerde hellingafwaarts, zoals in de bekkens van Wyoming en de Golfkust van Texas.

Propositie 30.12 (Uranium-235 in het verleden)

Zij r0r_0 de huidige atomaire verhouding 235^{235}U/238^{238}U en λ5\lambda_5, λ8\lambda_8 de vervalconstanten van de twee isotopen. Een tijd tt geleden was de verhouding

r(t)=r0 e(λ5−λ8) t,(30.4)r(t) = r_0\,e^{(\lambda_5 - \lambda_8)\,t} ,\tag{30.4}

en vormde 235^{235}U een fractie r/(1+r)r/(1 + r) van de uraniumatomen, als het spoor 234^{234}U wordt verwaarloosd.

Bewijs. Elke isotoop vervalt exponentieel: N5(nu)=N5(t) e−λ5tN_5(\text{nu}) = N_5(t)\,e^{-\lambda_5 t} en N8(nu)=N8(t) e−λ8tN_8(\text{nu}) = N_8(t)\,e^{-\lambda_8 t}. Delen geeft r0=r(t) e−(λ5−λ8)tr_0 = r(t)\,e^{-(\lambda_5 - \lambda_8)t}. ∎

Met λ5=9.8485×10−10 yr−1\lambda_5 = 9.8485 \times 10^{-10}\,\mathrm{yr}^{-1}, λ8=1.551 25×10−10 yr−1\lambda_8 = 1.551\,25 \times 10^{-10}\,\mathrm{yr}^{-1} en de huidige abundanties 0.7204 %0.7204\,\% en 99.2742 %99.2742\,\% is r0=0.0072567r_0 = 0.0072567; 2.0 Ga2.0\,\mathrm{Ga} geleden was r=0.0381r = 0.0381 en bevatte natuurlijk uranium 3.67 %3.67\,\% 235^{235}U, vijf keer het huidige aandeel.

Geschiedenis — Een reactor van twee miljard jaar oud

In 1972 vonden Franse wetenschappers bij metingen aan uraniumerts kleine maar significante tekorten aan 235^{235}U, die ze herleidden tot de Oklo-mijn in Gabon. Daar bevatten lenzen gesteente tot 65 %65\,\% uranium met soms maar de helft van het normale aandeel 235^{235}U, en neodymium dat verarmd was in zijn primordiale isotoop 142^{142}Nd maar verrijkt in de isotopen 143 tot 150 die splijting oplevert: er waren ongeveer twee miljard jaar geleden kettingreacties in het erts verlopen, bij ongeveer 300 bar300\,\mathrm{bar} en 400 tot 500 ∘C500\,{}^{\circ}\mathrm{C}. Er zijn zestien zulke natuurlijke reactoren bekend in Oklo en het nabije Bangombé, de enige twee afzettingen ter wereld waar ze zijn gevonden; organisch materiaal had geholpen het uranium te concentreren, en het uraniumoxide heeft sindsdien het grootste deel van de actiniden en van de niet-vluchtige splijtingsproducten op hun plaats gehouden.

30.5 Geologische opslag van koolstofdioxide

Definitie 30.13 (Geologische opslag van COX2\ce{CO2}, vangmechanismen, opslagefficiëntiefactor)

Geologische opslag van COX2\ce{CO2} is de injectie van koolstofdioxide in poreuze gesteenteformaties diep onder de grond, uitgeputte olie- en gasreservoirs, diepe zoute formaties of steenkoollagen, om het daar lang vast te houden. De vangmechanismen van COX2\ce{CO2} die het vasthouden, zijn structurele (en stratigrafische) vangst onder een afdekgesteente; residuele vangst, als een onbeweeglijke fase die door capillaire krachten in de poriën wordt vastgehouden; oplosvangst, door oplossing in het formatiewater; minerale vangst, door reactie met mineralen tot carbonaten; en, in steenkool en schalie, adsorptie aan organisch materiaal. De opslagefficiëntiefactor EE van een formatie is de fractie van haar poriënvolume die de geïnjecteerde COX2\ce{CO2} naar verwachting kan vullen.

Koolstofdioxide is een gas aan het oppervlak, maar zijn kritieke punt ligt bij 31.0 ∘C31.0\,{}^{\circ}\mathrm{C} en 7.38 MPa7.38\,\mathrm{MPa}. Langs een geotherm van 25 ∘C/km25\,{}^{\circ}\mathrm{C}/\mathrm{km} vanaf 15 ∘C15\,{}^{\circ}\mathrm{C} onder hydrostatische druk passeert de temperatuur de kritieke waarde op 641 m641\,\mathrm{m} en de druk op 742 m742\,\mathrm{m}; de dichtheid van zuivere COX2\ce{CO2} springt van 234 kg m−3234\,\mathrm{kg}\,\mathrm{m}^{-3} op 700 m700\,\mathrm{m} naar 583 kg m−3583\,\mathrm{kg}\,\mathrm{m}^{-3} op 900 m900\,\mathrm{m}, en vlakt daarna af rond 670 tot 700 kg m−3700\,\mathrm{kg}\,\mathrm{m}^{-3} onder 1.5 km1.5\,\mathrm{km}. Een ton neemt 534 m3534\,\mathrm{m}^{3} in aan het oppervlak en 1.6 m31.6\,\mathrm{m}^{3} op 1000 m1000\,\mathrm{m}, 330 keer minder; daarom beschouwen beoordelingen van de opslag alleen formaties dieper dan 800 m800\,\mathrm{m}.

Links: dichtheid van zuivere CO2 met de diepte langs een geotherm van 25\, C/ km vanaf 15\, C, onder hydrostatische druk. Gegevens: NIST Chemistry WebBook (toestandsvergelijking van Span–Wagner), bij de omstandigheden van het IPCC Special Report on Carbon Dioxide Capture and Storage (2005). Rechts: hoe de vangmechanismen de opgeslagen CO2 onderling verdelen in de tijd (schematisch, naar hetzelfde rapport): de vangst door het afdekgesteente maakt plaats voor de residuele, opgeloste en minerale vormen, die minder beweeglijk zijn.
Links: dichtheid van zuivere CO2 met de diepte langs een geotherm van 25\, C/ km vanaf 15\, C, onder hydrostatische druk. Gegevens: NIST Chemistry WebBook (toestandsvergelijking van Span–Wagner), bij de omstandigheden van het IPCC Special Report on Carbon Dioxide Capture and Storage (2005). Rechts: hoe de vangmechanismen de opgeslagen CO2 onderling verdelen in de tijd (schematisch, naar hetzelfde rapport): de vangst door het afdekgesteente maakt plaats voor de residuele, opgeloste en minerale vormen, die minder beweeglijk zijn.
Links: dichtheid van zuivere COX2\ce{CO2} met de diepte langs een geotherm van 25 ∘C/km25\,{}^{\circ}\mathrm{C}/\mathrm{km} vanaf 15 ∘C15\,{}^{\circ}\mathrm{C}, onder hydrostatische druk. Gegevens: NIST Chemistry WebBook (toestandsvergelijking van Span–Wagner), bij de omstandigheden van het IPCC Special Report on Carbon Dioxide Capture and Storage (2005). Rechts: hoe de vangmechanismen de opgeslagen COX2\ce{CO2} onderling verdelen in de tijd (schematisch, naar hetzelfde rapport): de vangst door het afdekgesteente maakt plaats voor de residuele, opgeloste en minerale vormen, die minder beweeglijk zijn.

Propositie 30.14 (Opslagcapaciteit van een formatie)

Een formatie met oppervlakte AA, dikte hh en porositeit ϕ\phi, waarin COX2\ce{CO2} de dichtheid ρ\rho heeft en de opslagefficiëntiefactor EE is, kan de massa

M=A h ϕ ρ E.(30.5)M = A\,h\,\phi\,\rho\,E .\tag{30.5}

opslaan. Voor een uitgeput olieveld dat een volume NpN_p in tankcondities heeft geproduceerd, geeft het vervangen van de geproduceerde olie, volume voor volume, M=ρ Np BoM = \rho\,N_p\,B_o.

Bewijs. Het poriënvolume is AhϕAh\phi, waarvan de COX2\ce{CO2} een fractie EE vult, met dichtheid ρ\rho. In het olieveld nam de geproduceerde olie NpBoN_pB_o in het reservoir in, het volume dat de COX2\ce{CO2} overneemt. ∎

Voor diepe zoute formaties geven simulaties een EE tussen 1 en 4 %4\,\% van het poriënvolume over een betrouwbaarheidsbereik van 15 tot 85 procent, met een mediaan rond 2 %2\,\%: het grootste deel van de poriënruimte wordt nooit bereikt, of houdt zijn water. Een formatie van 1000 km21000\,\mathrm{km}^{2}, 50 m50\,\mathrm{m} dik en met porositeit 0.20 op 2000 m2000\,\mathrm{m} (ρ=686 kg m−3\rho = 686\,\mathrm{kg}\,\mathrm{m}^{-3}) slaat 137 Mt137\,\mathrm{Mt} op bij E=2 %E = 2\,\%.

Eenmaal geïnjecteerd stijgt de COX2\ce{CO2} onder het afdekgesteente en spreidt ze zich uit. Achter de migrerende pluim houden capillaire krachten residuele verzadigingen vast die 15 tot 25 %25\,\% van de poriënruimte kunnen bereiken; oplossing neemt 20 tot 60 kg60\,\mathrm{kg} COX2\ce{CO2} op per kubieke meter formatiewater, en in langzaam stromende formaties lost tot 30 %30\,\% van de geïnjecteerde COX2\ce{CO2} op binnen enkele tientallen jaren. Oplosvangst overheerst over tientallen tot honderden jaren, ionische vormen over honderden tot duizenden, minerale vangst over duizenden tot miljoenen: reacties met carbonaatmineralen duren dagen, met silicaten honderden tot duizenden jaren. De opslag wordt veiliger naarmate ze ouder wordt, en op goed gekozen en goed beheerde locaties werd het waarschijnlijk geacht dat 99 %99\,\% of meer van de COX2\ce{CO2} over 1000 jaar wordt vastgehouden.

Cijfers van 2005

In Sleipner, in de Noordzee ongeveer 250 km250\,\mathrm{km} uit de kust van Noorwegen, wordt de COX2\ce{CO2} die wordt afgescheiden uit het aardgas van het veld, ongeveer 9 %9\,\% ervan, sinds oktober 1996 geïnjecteerd in de Utsira-formatie, een ongeconsolideerde zoute zandsteen 800 tot 1000 m1000\,\mathrm{m} onder de zeebodem, met ongeveer 1 Mt1\,\mathrm{Mt} per jaar. Begin 2005 was meer dan 7 Mt7\,\mathrm{Mt} opgeslagen, van de 20 Mt20\,\mathrm{Mt} die over de levensduur van het project gepland was. Herhaalde seismische opnamen brengen de pluim in beeld, waarvan de voetafdruk toen ongeveer 5 km25\,\mathrm{km}^{2} was, en tonen dat het afdekgesteente erboven hem afsluit.

In het veld — Een put lezen terwijl hij wordt geboord

Een booreiland op het land bij nacht (door AI gegenereerde illustratie).
Een booreiland op het land bij nacht (door AI gegenereerde illustratie).

Wanneer een sectie van een put klaar is, laten geofysici instrumenten aan een kabel zakken en registreren ze tegen de diepte de eigenschappen van de gesteenten rond het gat. Eén instrument registreert hun natuurlijke radioactiviteit, laag in zandsteen en hoger in schalie; een ander hun bulkdichtheid, waaruit de porositeit volgt als (korreldichtheid −- bulkdichtheid)/(korreldichtheid −- vloeistofdichtheid), met 2.65 g/cm32.65\,\mathrm{g}/\mathrm{cm}^{3} voor kwartskorrels en ongeveer 1 g/cm31\,\mathrm{g}/\mathrm{cm}^{3} voor het water. Samen gelezen geven deze boorgatmetingen de netto reservoirdikte en de porositeit die in de volumetrische formules van dit hoofdstuk worden gebruikt.

Oefeningen

Gegevens voor de oefeningen, tenzij anders vermeld: R=8.314 J mol−1 K−1R = 8.314\,\mathrm{J}\,\mathrm{mol}^{-1}\,\mathrm{K}^{-1}; één miljoen jaar is 3.156×1013 s3.156 \times 10^{13}\,\mathrm{s}; Green River-kerogeen A=9.21×1013 s−1A = 9.21 \times 10^{13}\,\mathrm{s}^{-1}, E/R=26 800 KE/R = 26\,800\,\mathrm{K}; atoommassa’s C 12.011, H 1.008, O 15.999; dichtheid van COX2\ce{CO2} langs het profiel van de figuur: 1.872 kg m−31.872\,\mathrm{kg}\,\mathrm{m}^{-3} aan het oppervlak, 583 op 900 m900\,\mathrm{m}, 621 op 1000 m1000\,\mathrm{m}, 686 op 2000 m2000\,\mathrm{m}. Rond af op drie beduidende cijfers.

Oefening 30.1 ★

(a) Vier onrijpe kerogenen hebben een atomaire H/C van 1.58, 0.95, 1.24 en 1.12. Ken elk een type toe en zeg welke vooral gas zou leveren. (b) Controleer de verhoudingen H/C en O/C van de formule C100_{100}H150_{150}N3_3O8_8S. (c) Bepaal ze uit de massasamenstelling C 77.4 %77.4\,\%, H 9.8 %9.8\,\%, O 8.2 %8.2\,\%.

Oplossing

Oplossing van Oefening 30.1.

(a) 1.58: type I; 0.95: type III; 1.24: type II; 1.12: gemengd type II/III. Het kerogeen van type III, met 0.95, levert vooral gas. (b) H/C =150/100=1.50= 150/100 = 1.50, O/C =8/100=0.08= 8/100 = 0.08. (c) Per 100 g100\,\mathrm{g}: 77.4/12.011=6.444 mol77.4/12.011 = 6.444\,\mathrm{mol} C, 9.8/1.008=9.722 mol9.8/1.008 = 9.722\,\mathrm{mol} H, 8.2/15.999=0.513 mol8.2/15.999 = 0.513\,\mathrm{mol} O; H/C =1.51= 1.51 en O/C =0.0795= 0.0795, in overeenstemming met de formule.

Oefening 30.2 ★

(a) Vijf monsters van een brongesteente van type II hebben RoR_o = 0.45, 0.68, 1.1, 1.6 en 2.5 %2.5\,\%. Beschrijf de toestand van elk wat olie en gas betreft. (b) Levert een kerogeen van type III bij Ro=0.68 %R_o = 0.68\,\% methaan? (c) Welke omgezette fractie FF van Easy%Ro komt overeen met Ro=0.6R_o = 0.6 en 1.3 %1.3\,\%?

Oplossing

Oplossing van Oefening 30.2.

(a) 0.45: onrijp, onder het begin bij 0.60 %0.60\,\%; 0.68: levert olie; 1.1: nog in het olievenster, dicht bij het einde ervan; 1.6: voorbij 1.20–1.30 %1.30\,\%, dus olie valt uiteen tot methaan en het gesteente levert gas; 2.5: alleen gas, waarbij de vorming doorgaat tot ongeveer 4.8 %4.8\,\%. (b) Nee: de methaanvorming uit type III begint rond 0.73 %0.73\,\%. (c) F=(ln⁡Ro+1.6)/3.7F = (\ln R_o + 1.6)/3.7: (−0.511+1.6)/3.7=0.294(-0.511 + 1.6)/3.7 = 0.294 en (0.262+1.6)/3.7=0.503(0.262 + 1.6)/3.7 = 0.503.

Oefening 30.3 ★

Een val beslaat 6 km26\,\mathrm{km}^{2}; het reservoir heeft 25 m25\,\mathrm{m} netto dikte, porositeit 0.18 en waterverzadiging 0.30, en Bo=1.25B_o = 1.25. (a) Bepaal het olievolume in het reservoir en de STOIIP. (b) Bepaal het geproduceerde volume voor winningsfactoren van 0.30 en 0.40.

Oplossing

Oplossing van Oefening 30.3.

(a) In het reservoir 6×106×25×0.18×0.70=1.89×107 m36 \times 10^6 \times 25 \times 0.18 \times 0.70 = 1.89 \times 10^{7}\,\mathrm{m}^{3}; STOIIP=1.89×107/1.25=1.51×107 m3\mathrm{STOIIP} = 1.89 \times 10^7/1.25 = 1.51 \times 10^{7}\,\mathrm{m}^{3}. (b) 0.30×1.512×107=4.54×106 m30.30 \times 1.512 \times 10^7 = 4.54 \times 10^{6}\,\mathrm{m}^{3} en 0.40×1.512×107=6.05×106 m30.40 \times 1.512 \times 10^7 = 6.05 \times 10^{6}\,\mathrm{m}^{3}.

Oefening 30.4 ★

Een zandsteenaquifer van 200 m200\,\mathrm{m} dik onder 10 km210\,\mathrm{km}^{2} heeft een temperatuur van 75 ∘C75\,{}^{\circ}\mathrm{C}. (a) Bepaal de aanwezige warmte boven 15 ∘C15\,{}^{\circ}\mathrm{C}, met C=2.5 MJ m−3 K−1C = 2.5\,\mathrm{MJ}\,\mathrm{m}^{-3}\,\mathrm{K}^{-1}. (b) Tot welke enthalpieklasse behoort hij? (c) Bepaal het gemiddelde thermische vermogen over 30 jaar voor Rg=0.25R_g = 0.25.

Oplossing

Oplossing van Oefening 30.4.

(a) V=107×200=2×109 m3V = 10^7 \times 200 = 2 \times 10^{9}\,\mathrm{m}^{3} en qR=2.5×106×2×109×60=3.0×1017 Jq_R = 2.5 \times 10^6 \times 2 \times 10^9 \times 60 = 3.0 \times 10^{17}\,\mathrm{J}. (b) Onder 90 ∘C90\,{}^{\circ}\mathrm{C}: een lage-enthalpiebron, voor rechtstreeks gebruik van de warmte. (c) P=0.25×3.0×1017/(30×3.156×107 s)=79.2 MWP = 0.25 \times 3.0 \times 10^{17}/(30 \times 3.156 \times 10^{7}\,\mathrm{s}) = 79.2\,\mathrm{MW} warmte.

Oefening 30.5 ★★

(a) Bepaal de activeringsenergie waarbij een Arrhenius-snelheid verdubbelt tussen 100 en 110 ∘C110\,{}^{\circ}\mathrm{C}. (b) Met welke factor groeit de snelheid van de Green River-reactie over hetzelfde interval? (c) Welke van de twee regels geeft meer gewicht aan de tijd die een gesteente bij lage temperatuur doorbracht, en wat betekent dit voor een TTI die voor een brongesteente van type I wordt berekend?

Oplossing

Oplossing van Oefening 30.5.

(a) k2/k1=exp⁡[(E/R)(1/T1−1/T2)]=2k_2/k_1 = \exp[(E/R)(1/T_1 - 1/T_2)] = 2 met 1/373.15−1/383.15=6.994×10−5 K−11/373.15 - 1/383.15 = 6.994 \times 10^{-5}\,\mathrm{K}^{-1} geeft E=8.314×ln⁡2/(6.994×10−5)=82.4 kJ/molE = 8.314 \times \ln 2/(6.994 \times 10^{-5}) = 82.4\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol}. (b) exp⁡(26800×6.994×10−5)=6.52\exp(26800 \times 6.994 \times 10^{-5}) = 6.52. (c) De verdubbelingsregel, met een lagere effectieve energie, geeft relatief meer gewicht aan de lange tijden bij lage temperatuur; voor een kerogeen van type I met een hoge activeringsenergie kondigt de TTI de olievorming te vroeg aan.

Oefening 30.6 ★★

(a) Toon uit (30.1) aan dat de temperatuur van halve omzetting voldoet aan T=(E/R)/ln⁡[AT2/(β (E/R)ln⁡2)]T = (E/R)\big/\ln\bigl[A T^2/(\beta\,(E/R)\ln 2)\bigr], en los dit iteratief op voor het Green River-kerogeen verhit met 1 ∘C/Myr1\,{}^{\circ}\mathrm{C}/\mathrm{Myr} en met 10 K10\,\mathrm{K} per minuut. (b) Vergelijk het verschil met de schatting (RT2/E)ln⁡(β2/β1)(RT^2/E)\ln(\beta_2/\beta_1) genomen bij de laagste temperatuur, en verklaar de afwijking.

Oplossing

Oplossing van Oefening 30.6.

(a) x=1/2x = 1/2 in de benadering geeft (ART2/βE) e−E/RT=ln⁡2(ART^2/\beta E)\,e^{-E/RT} = \ln 2; logaritmen nemen geeft E/RT=ln⁡[AT2/(β(E/R)ln⁡2)]E/RT = \ln[AT^2/(\beta(E/R)\ln 2)], en de gegeven vorm volgt. Vanaf een willekeurige schatting rond 400 K400\,\mathrm{K} en iterend met β\beta in kelvin per seconde: bij 1 ∘C/Myr1\,{}^{\circ}\mathrm{C}/\mathrm{Myr} (β=3.169×10−14 K/s\beta = 3.169 \times 10^{-14}\,\mathrm{K}/\mathrm{s}) is T=409.6 KT = 409.6\,\mathrm{K}, 136.4 ∘C136.4\,{}^{\circ}\mathrm{C}; bij 10 K10\,\mathrm{K} per minuut (β=0.1667 K/s\beta = 0.1667\,\mathrm{K}/\mathrm{s}, 5.26×10125.26 \times 10^{12} keer sneller) is T=719.0 KT = 719.0\,\mathrm{K}, 445.9 ∘C445.9\,{}^{\circ}\mathrm{C}. (b) Het verschil is 309.5 K309.5\,\mathrm{K}; de schatting 6.259×ln⁡(5.26×1012)=6.259×29.29=183 K6.259 \times \ln(5.26 \times 10^{12}) = 6.259 \times 29.29 = 183\,\mathrm{K} is veel te klein, omdat RT2/ERT^2/E zelf groeit met TT (tot 19.3 K19.3\,\mathrm{K} bij 719 K719\,\mathrm{K}): de lineaire verschuiving geldt alleen voor kleine veranderingen van de snelheid.

Oefening 30.7 ★★

Gebruik (30.4) en de gegevens van de tekst: (a) bepaal het aandeel 235^{235}U in natuurlijk uranium 2.0 Ga2.0\,\mathrm{Ga} en 1.8 Ga1.8\,\mathrm{Ga} geleden; (b) wanneer was het 3.00 %3.00\,\%? (c) Erts van Oklo bevat soms maar de helft van het huidige normale aandeel 235^{235}U. Verwaarloos het 238^{238}U dat werd verbruikt: welke fractie van het 235^{235}U dat ten tijde van de reacties aanwezig was, werd gespleten, en waarom verandert het latere verval het antwoord niet?

Oplossing

Oplossing van Oefening 30.7.

λ5−λ8=8.297 25×10−10 yr−1\lambda_5 - \lambda_8 = 8.297\,25 \times 10^{-10}\,\mathrm{yr}^{-1} en r0=0.7204/99.2742=0.0072567r_0 = 0.7204/99.2742 = 0.0072567. (a) Op 2.0 Ga2.0\,\mathrm{Ga} is r=0.0072567 e1.6595=0.03814r = 0.0072567\,e^{1.6595} = 0.03814, aandeel 0.03814/1.03814=3.67 %0.03814/1.03814 = 3.67\,\%; op 1.8 Ga1.8\,\mathrm{Ga} is r=0.03231r = 0.03231, aandeel 3.13 %3.13\,\%. (b) r=3/97=0.030928r = 3/97 = 0.030928 en t=ln⁡(0.030928/0.0072567)/(8.29725×10−10)=1.75 Gat = \ln(0.030928/0.0072567)/(8.29725 \times 10^{-10}) = 1.75\,\mathrm{Ga}. (c) Het verarmde erts en normaal uranium zijn sindsdien met dezelfde factoren vervallen, zodat de verhouding van hun aandelen 235^{235}U vandaag dezelfde is als vlak na de reacties: het erts bevatte toen de helft van het normale aandeel, dus ongeveer de helft van zijn 235^{235}U was gespleten.

Oefening 30.8 ★★

(a) Bepaal het volume van 1 Mt1\,\mathrm{Mt} COX2\ce{CO2} aan het oppervlak, op 1000 m1000\,\mathrm{m} en op 2000 m2000\,\mathrm{m}. (b) In Sleipner was tegen 2005 meer dan 7 Mt7\,\mathrm{Mt} geïnjecteerd, op ongeveer 900 m900\,\mathrm{m}, in een pluim met een voetafdruk van 5 km25\,\mathrm{km}^{2}. Neem een porositeit van 0.35 en een COX2\ce{CO2}-verzadiging van 0.30 in de pluim, en bepaal het volume gesteente dat hij inneemt en zijn gemiddelde dikte.

Oplossing

Oplossing van Oefening 30.8.

(a) 109/1.872=5.34×108 m310^9/1.872 = 5.34 \times 10^{8}\,\mathrm{m}^{3}; 109/621.4=1.61×106 m310^9/621.4 = 1.61 \times 10^{6}\,\mathrm{m}^{3}; 109/686.4=1.46×106 m310^9/686.4 = 1.46 \times 10^{6}\,\mathrm{m}^{3}. (b) 7×109/583=1.20×107 m37 \times 10^9/583 = 1.20 \times 10^{7}\,\mathrm{m}^{3} COX2\ce{CO2}, die 0.35×0.30=0.1050.35 \times 0.30 = 0.105 van het gesteentevolume vult: 1.20×107/0.105=1.14×108 m31.20 \times 10^7/0.105 = 1.14 \times 10^{8}\,\mathrm{m}^{3} gesteente, een gemiddelde dikte van 1.143×108/(5×106)=22.9 m1.143 \times 10^8/(5 \times 10^6) = 22.9\,\mathrm{m}.

Oefening 30.9 ★★

Een hoge-enthalpiereservoir meet 3×2×1.5 km3 \times 2 \times 1.5\,\mathrm{km} bij 250 ∘C250\,{}^{\circ}\mathrm{C}, met C=2.6 MJ m−3 K−1C = 2.6\,\mathrm{MJ}\,\mathrm{m}^{-3}\,\mathrm{K}^{-1}. (a) Bepaal de aanwezige warmte boven 15 ∘C15\,{}^{\circ}\mathrm{C}. (b) Bepaal het gemiddelde thermische vermogen over 30 jaar voor Rg=0.1R_g = 0.1 en 0.250.25. (c) Het veld beslaat 6 km26\,\mathrm{km}^{2}; bij 10 tot 20 MW20\,\mathrm{MW} elektriciteit per vierkante kilometer, welke fractie van het thermische vermogen bij Rg=0.1R_g = 0.1 wordt elektriciteit?

Oplossing

Oplossing van Oefening 30.9.

(a) V=9×109 m3V = 9 \times 10^{9}\,\mathrm{m}^{3} en qR=2.6×106×9×109×235=5.50×1018 Jq_R = 2.6 \times 10^6 \times 9 \times 10^9 \times 235 = 5.50 \times 10^{18}\,\mathrm{J}. (b) Over 30×3.156×107 s=9.47×108 s30 \times 3.156 \times 10^{7}\,\mathrm{s} = 9.47 \times 10^{8}\,\mathrm{s}: Rg=0.1R_g = 0.1 geeft 581 MW581\,\mathrm{MW} en 0.250.25 geeft 1450 MW1450\,\mathrm{MW} warmte. (c) 6×(10 tot 20)=606 \times (10 \text{ tot } 20) = 60 tot 120 MW120\,\mathrm{MW} elektriciteit, 60/581=0.1060/581 = 0.10 tot 120/581=0.21120/581 = 0.21 van het thermische vermogen: de meeste warmte wordt afgevoerd, zoals in elke centrale die met een bescheiden temperatuurverschil werkt.

Oefening 30.10 ★★★

Een breuk op ongeveer 4 km4\,\mathrm{km} draagt een normaalspanning van 80 MPa80\,\mathrm{MPa} en een schuifspanning van 22 MPa22\,\mathrm{MPa}; de wrijvingscoëfficiënt is 0.6 en de poriëndruk is hydrostatisch, 39 MPa39\,\mathrm{MPa}. (a) Is de breuk stabiel? Bepaal de stijging van de poriëndruk die haar tot bezwijken brengt, in megapascal en in bar, en vergelijk met de drempel van Denver. (b) Hetzelfde als de schuifspanning 24 MPa24\,\mathrm{MPa} is. (c) Leg uit waarom aardbevingen kilometers van een injectieput kunnen worden uitgelokt, en jaren nadat de injectie begon.

Oplossing

Oplossing van Oefening 30.10.

(a) De sterkte is 0.6×(80−39)=24.6 MPa>22 MPa0.6 \times (80 - 39) = 24.6\,\mathrm{MPa} > 22\,\mathrm{MPa}: stabiel. Bezwijken vraagt 0.6 Δp=24.6−220.6\,\Delta p = 24.6 - 22, Δp=4.33 MPa=43 bar\Delta p = 4.33\,\mathrm{MPa} = 43\,\mathrm{bar}, van dezelfde orde als de 32 bar32\,\mathrm{bar} die de aardbevingen van Denver begrensde. (b) (24.6−24)/0.6=1.0 MPa=10 bar(24.6 - 24)/0.6 = 1.0\,\mathrm{MPa} = 10\,\mathrm{bar}: een breuk die al dicht bij bezwijken is, heeft maar een kleine stijging nodig. (c) Geïnjecteerde vloeistof verhoogt de druk in een zone die zich door diffusie uitbreidt via doorlatend gesteente en breukzones, kilometers ver over jaren; overal waar ze een breuk ontmoet die al dicht bij bezwijken is, volstaat een bescheiden stijging.

Oefening 30.11 ★★★

(a) Toon uit de benadering in (30.1) aan dat bij een constante verhittingssnelheid de omzettingsgraad stijgt van 10 %10\,\% tot 90 %90\,\% over een temperatuurinterval ΔT≈[ln⁡ln⁡10−ln⁡ln⁡(10/9)] RT2/E\Delta T \approx \bigl[\ln\ln 10 - \ln\ln(10/9)\bigr]\,RT^2/E. (b) Bereken het voor het Green River-kerogeen bij 1 ∘C/Myr1\,{}^{\circ}\mathrm{C}/\mathrm{Myr}. (c) Vergelijk met de doorgetrokken curve van de figuur en verklaar het verschil.

Oplossing

Oplossing van Oefening 30.11.

(a) Schrijf x=e−ux = e^{-u} met u=(ART2/βE) e−E/RTu = (ART^2/\beta E)\,e^{-E/RT}. Een omzettingsgraad van 10 %10\,\% betekent x=0.9x = 0.9, u=ln⁡(10/9)u = \ln(10/9); 90 %90\,\% betekent u=ln⁡10u = \ln 10. Omdat dln⁡u/dT=E/RT2+2/T≈E/RT2\mathrm{d}\ln u/\mathrm{d}T = E/RT^2 + 2/T \approx E/RT^2, is Δ(ln⁡u)≈(E/RT2) ΔT\Delta(\ln u) \approx (E/RT^2)\,\Delta T, wat de formule geeft, met ln⁡ln⁡10−ln⁡ln⁡(10/9)=0.834+2.250=3.084\ln\ln 10 - \ln\ln(10/9) = 0.834 + 2.250 = 3.084. (b) Met T=409.6 KT = 409.6\,\mathrm{K} is RT2/E=6.26 KRT^2/E = 6.26\,\mathrm{K} en ΔT=19.3 K\Delta T = 19.3\,\mathrm{K}; de exacte curve met één energie geeft 18.6 K18.6\,\mathrm{K}, van 125.3 tot 143.8 ∘C143.8\,{}^{\circ}\mathrm{C}. (c) De doorgetrokken curve stijgt van 10 %10\,\% rond 122 ∘C122\,{}^{\circ}\mathrm{C} tot 90 %90\,\% rond 148 ∘C148\,{}^{\circ}\mathrm{C}, over ongeveer 26 K26\,\mathrm{K}: de spreiding van de activeringsenergieën verbreedt het omzettingsinterval.

Oefening 30.12 ★★★

Sleipner moet 20 Mt20\,\mathrm{Mt} COX2\ce{CO2} opslaan. (a) Bepaal het volume formatiewater dat nodig is om alles op te lossen, bij 20 en bij 60 kg m−360\,\mathrm{kg}\,\mathrm{m}^{-3}. (b) Bepaal het volume als vrije fase op 1000 m1000\,\mathrm{m}. (c) Bepaal met E=2 %E = 2\,\% het vereiste poriënvolume van de formatie, en de oppervlakte van een formatie van 50 m50\,\mathrm{m} dik met porositeit 0.30.

Oplossing

Oplossing van Oefening 30.12.

(a) 2×1010/20=1.0×109 m32 \times 10^{10}/20 = 1.0 \times 10^{9}\,\mathrm{m}^{3} (1.0 km31.0\,\mathrm{km}^{3}) en 2×1010/60=3.3×108 m32 \times 10^{10}/60 = 3.3 \times 10^{8}\,\mathrm{m}^{3}. (b) 2×1010/621.4=3.22×107 m32 \times 10^{10}/621.4 = 3.22 \times 10^{7}\,\mathrm{m}^{3}. (c) 3.22×107/0.02=1.61×109 m33.22 \times 10^7/0.02 = 1.61 \times 10^{9}\,\mathrm{m}^{3} poriën, wat met 50×0.30=15 m50 \times 0.30 = 15\,\mathrm{m} poriënruimte per vierkante meter 1.61×109/15=1.07×108 m21.61 \times 10^9/15 = 1.07 \times 10^{8}\,\mathrm{m}^{2} vraagt, ongeveer 107 km2107\,\mathrm{km}^{2}.

Probleem 30.1

Weekendprobleem — Eén bekken, twee toepassingen

In een verzonnen bekken werd een brongesteente van type I op 120 Ma120\,\mathrm{Ma} aan het oppervlak afgezet. Daarna hoopte sediment zich op met 60 m60\,\mathrm{m} per miljoen jaar tot 70 Ma70\,\mathrm{Ma}, en met 30 m30\,\mathrm{m} per miljoen jaar sindsdien. Het oppervlak heeft 15 ∘C15\,{}^{\circ}\mathrm{C} en de geotherm is constant, 25 ∘C/km25\,{}^{\circ}\mathrm{C}/\mathrm{km}. Het kerogeen heeft de Green River-kinetiek uit de tekst (één energie). De keuken ervan, het rijpe deel van het brongesteente, beslaat 400 km2400\,\mathrm{km}^{2}, is 50 m50\,\mathrm{m} dik, heeft een dichtheid van 2400 kg m−32400\,\mathrm{kg}\,\mathrm{m}^{-3}, en kan bij volledige omzetting 30 kg30\,\mathrm{kg} olie per ton gesteente leveren; de olie heeft aan het oppervlak een dichtheid van 850 kg m−3850\,\mathrm{kg}\,\mathrm{m}^{-3}. De olie vult een val van 12 km212\,\mathrm{km}^{2} waarvan het reservoir, gecentreerd op 2000 m2000\,\mathrm{m}, een netto dikte van 40 m40\,\mathrm{m} heeft, porositeit 0.22 en waterverzadiging 0.25, met Bo=1.30B_o = 1.30. Gebruik de gegevens van de oefeningen; rond af op drie beduidende cijfers.

Deel I — Begraving en de tijd–temperatuurindex.

  1. Bepaal de diepte en de temperatuur van het brongesteente op 70 Ma70\,\mathrm{Ma} en vandaag.
  2. Bepaal de verhittingssnelheid in elke fase.
  3. Bepaal de tijd die het in elk interval van 10 ∘C10\,{}^{\circ}\mathrm{C} doorbracht, van 15 ∘C15\,{}^{\circ}\mathrm{C} tot zijn huidige temperatuur.
  4. Bereken de huidige TTI (methode uit de tekst).
  5. Wanneer, bij welke temperatuur en op welke diepte passeerde het een TTI van 15?
  6. Hetzelfde voor 75 en 160.
  7. Levert het brongesteente volgens de TTI nog olie?

Deel II — Omzetting volgens de kinetiek.

  1. Bepaal de snelheidsconstante bij 90 ∘C90\,{}^{\circ}\mathrm{C} en toon aan dat minder dan 0.2 %0.2\,\% van het kerogeen vóór 70 Ma70\,\mathrm{Ma} kan zijn omgezet.
  2. Bepaal met (30.1) en de verhittingssnelheid van de tweede fase de niet-omgezette fractie en de omzettingsgraad vandaag.
  3. Bepaal de temperatuur van halve omzetting bij deze verhittingssnelheid (oefening 30.6).
  4. Wanneer werd die bereikt?
  5. Vergelijk met het tijdstip van maximale olievorming volgens de TTI, en verklaar het verschil.
  6. Zou een kerogeen van type II met een lagere gemiddelde activeringsenergie eerder of later zijn omgezet?

Deel III — Gevormde, aanwezige en winbare olie.

  1. Bepaal, met een omzettingsgraad van 0.92, de massa olie die in de keuken is gevormd.
  2. Bepaal het volume ervan aan het oppervlak.
  3. Bepaal de STOIIP van de val.
  4. Welke fractie van de gevormde olie bevat de val? Houd 1.56×109 m31.56 \times 10^{9}\,\mathrm{m}^{3} aan voor (15).
  5. Bepaal de geproduceerde olie voor een winningsfactor van 0.35.
  6. Waarom is de winningsfactor veel kleiner dan één, en wat zou het injecteren van COX2\ce{CO2} veranderen?

Deel IV — Het uitgeputte veld als opslag voor COX2\ce{CO2}.

  1. Bepaal de temperatuur en de hydrostatische druk van het reservoir. Is geïnjecteerde COX2\ce{CO2} daar superkritisch? Lees de dichtheid ervan af op de figuur.
  2. Bepaal, met Np=2.13×107 m3N_p = 2.13 \times 10^{7}\,\mathrm{m}^{3}, het reservoirvolume dat door de productie is vrijgekomen.
  3. Druk het uit als een opslagefficiëntiefactor van het poriënvolume van de val, en vergelijk met zoute formaties.
  4. Een zoute formatie onder het veld beslaat 600 km2600\,\mathrm{km}^{2}, is 80 m80\,\mathrm{m} dik, heeft porositeit 0.20, met COX2\ce{CO2} bij 691 kg m−3691\,\mathrm{kg}\,\mathrm{m}^{-3}. Bepaal haar capaciteit bij E=2 %E = 2\,\%.
  5. Hoeveel jaar injectie aan het tempo van Sleipner zou haar vullen?
  6. Bepaal, met ρ=686 kg m−3\rho = 686\,\mathrm{kg}\,\mathrm{m}^{-3} en het vrijgekomen volume afgerond op 2.77×107 m32.77 \times 10^{7}\,\mathrm{m}^{3}, de opslagcapaciteit voor COX2\ce{CO2} van het uitgeputte reservoir, in megaton.
Oplossing

Oplossing van Probleem 30.1.

Deel I. 1. Op 70 Ma70\,\mathrm{Ma}: 50×60=3000 m50 \times 60 = 3000\,\mathrm{m}, 15+25×3.0=90 ∘C15 + 25 \times 3.0 = 90\,{}^{\circ}\mathrm{C}. Vandaag: 3000+70×30=5100 m3000 + 70 \times 30 = 5100\,\mathrm{m}, 142.5 ∘C142.5\,{}^{\circ}\mathrm{C}. 2. 60×0.025=1.5 ∘C/Myr60 \times 0.025 = 1.5\,{}^{\circ}\mathrm{C}/\mathrm{Myr}, daarna 30×0.025=0.75 ∘C/Myr30 \times 0.025 = 0.75\,{}^{\circ}\mathrm{C}/\mathrm{Myr}. 3. 15–20 ∘C20\,{}^{\circ}\mathrm{C}: 3.33 Myr3.33\,\mathrm{Myr}; elk interval van 20 tot 90 ∘C90\,{}^{\circ}\mathrm{C}: 10/1.5=6.67 Myr10/1.5 = 6.67\,\mathrm{Myr}; elk van 90 tot 140 ∘C140\,{}^{\circ}\mathrm{C}: 10/0.75=13.3 Myr10/0.75 = 13.3\,\mathrm{Myr}; 140–142.5 ∘C142.5\,{}^{\circ}\mathrm{C}: 3.33 Myr3.33\,\mathrm{Myr}. 4. Waarden per interval Δtn2n\Delta t_n 2^n, met lopende sommen: 15–20 (n=−9n = -9) 0.0065; 20–30 0.026 (0.033); 30–40 0.052 (0.085); 40–50 0.104 (0.189); 50–60 0.208 (0.397); 60–70 0.417 (0.814); 70–80 0.833 (1.65); 80–90 1.67 (3.31); 90–100 6.67 (9.98); 100–110 13.3 (23.3); 110–120 26.7 (50.0); 120–130 53.3 (103); 130–140 107 (210); 140–142.5 (n=4n = 4) 53.3: TTI vandaag 263. 5. 15 wordt gepasseerd in het interval 100–110 ∘C110\,{}^{\circ}\mathrm{C}, bij 100+10×(15−9.98)/13.33=103.8 ∘C100 + 10 \times (15 - 9.98)/13.33 = 103.8\,{}^{\circ}\mathrm{C}, bereikt (103.8−90)/0.75=18.4 Myr(103.8 - 90)/0.75 = 18.4\,\mathrm{Myr} na 70 Ma70\,\mathrm{Ma}: op 51.6 Ma51.6\,\mathrm{Ma} en (103.8−15)/0.025=3550 m(103.8 - 15)/0.025 = 3550\,\mathrm{m}. 6. 75: 124.7 ∘C124.7\,{}^{\circ}\mathrm{C}, 23.7 Ma23.7\,\mathrm{Ma}, 4390 m4390\,\mathrm{m}. 160: 135.3 ∘C135.3\,{}^{\circ}\mathrm{C}, 9.6 Ma9.6\,\mathrm{Ma}, 4810 m4810\,\mathrm{m}. 7. Nee: met 263 is het voorbij het einde van de olievorming (160), sinds ongeveer 10 Ma10\,\mathrm{Ma}.

Deel II. 8. k=9.21×1013 e−26800/363.15=8.20×10−19 s−1k = 9.21 \times 10^{13}\,e^{-26800/363.15} = 8.20 \times 10^{-19}\,\mathrm{s}^{-1}. Het gesteente was kouder dan 90 ∘C90\,{}^{\circ}\mathrm{C} gedurende de 50 Myr50\,\mathrm{Myr} vóór 70 Ma70\,\mathrm{Ma}, zodat de omgezette fractie kleiner is dan k t=8.20×10−19×50×3.156×1013=1.29×10−3k\,t = 8.20 \times 10^{-19} \times 50 \times 3.156 \times 10^{13} = 1.29 \times 10^{-3}. 9. β=0.75/(3.156×1013)=2.376×10−14 K/s\beta = 0.75/(3.156 \times 10^{13}) = 2.376 \times 10^{-14}\,\mathrm{K}/\mathrm{s}, T=415.65 KT = 415.65\,\mathrm{K}: ART2/(βE)=2.498×1028ART^2/(\beta E) = 2.498 \times 10^{28} en e−E/RT=9.95×10−29e^{-E/RT} = 9.95 \times 10^{-29}, dus u=2.486u = 2.486, x=0.0833x = 0.0833 en de omzettingsgraad is 0.917. 10. 134.7 ∘C134.7\,{}^{\circ}\mathrm{C}. 11. 70−(134.7−90)/0.75=10.4 Ma70 - (134.7 - 90)/0.75 = 10.4\,\mathrm{Ma}. 12. De TTI plaatst de maximale olievorming op 23.7 Ma23.7\,\mathrm{Ma}, de kinetiek 13 Myr13\,\mathrm{Myr} later, omdat de verdubbelingsregel overeenkomt met E≈82 kJ/molE \approx 82\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol} en de lage temperaturen te zwaar weegt voor een kerogeen van 223 kJ/mol223\,\mathrm{kJ}/\mathrm{mol} (oefening 30.5). 13. Eerder: een lagere energie verlaagt de temperatuur van halve omzetting.

Deel III. 14. Gesteente: 4×108×50×2400=4.8×1013 kg4 \times 10^8 \times 50 \times 2400 = 4.8 \times 10^{13}\,\mathrm{kg}; potentieel 0.030×4.8×1013=1.44×1012 kg0.030 \times 4.8 \times 10^{13} = 1.44 \times 10^{12}\,\mathrm{kg}; gevormd 0.92×1.44×1012=1.32×1012 kg0.92 \times 1.44 \times 10^{12} = 1.32 \times 10^{12}\,\mathrm{kg}. 15. 1.3248×1012/850=1.56×109 m31.3248 \times 10^{12}/850 = 1.56 \times 10^{9}\,\mathrm{m}^{3}. 16. 1.2×107×40×0.22×0.75/1.30=6.09×107 m31.2 \times 10^7 \times 40 \times 0.22 \times 0.75/1.30 = 6.09 \times 10^{7}\,\mathrm{m}^{3}. 17. 6.09×107/1.56×109=0.0396.09 \times 10^7/1.56 \times 10^9 = 0.039, 3.9 %3.9\,\%: de meeste gevormde olie blijft in het brongesteente, gaat verloren langs de migratiewegen of ontsnapt naar het oppervlak. 18. 0.35×6.09×107=2.13×107 m30.35 \times 6.09 \times 10^7 = 2.13 \times 10^{7}\,\mathrm{m}^{3}. 19. Ongeveer twee derde van de olie blijft na primaire en secundaire winning in het reservoir; injectie van COX2\ce{CO2} zou nog eens 10 tot 15 %15\,\% van de aanwezige olie kunnen winnen.

Deel IV. 20. 15+25×2=65 ∘C15 + 25 \times 2 = 65\,{}^{\circ}\mathrm{C} en 0.101+1000×9.807×2000/106=19.7 MPa0.101 + 1000 \times 9.807 \times 2000/10^6 = 19.7\,\mathrm{MPa}: beide boven het kritieke punt (31.0 ∘C31.0\,{}^{\circ}\mathrm{C}, 7.38 MPa7.38\,\mathrm{MPa}), dus de COX2\ce{CO2} is superkritisch, met ongeveer 686 kg m−3686\,\mathrm{kg}\,\mathrm{m}^{-3}. 21. 2.13×107×1.30=2.77×107 m32.13 \times 10^7 \times 1.30 = 2.77 \times 10^{7}\,\mathrm{m}^{3}. 22. Poriënvolume 1.2×107×40×0.22=1.056×108 m31.2 \times 10^7 \times 40 \times 0.22 = 1.056 \times 10^{8}\,\mathrm{m}^{3}, en E=2.77×107/1.056×108=0.262E = 2.77 \times 10^7/1.056 \times 10^8 = 0.262, ver boven de 1 tot 4 %4\,\% van zoute formaties: de geproduceerde olie heeft een bekende, afgesloten ruimte vrijgemaakt. 23. 6×108×80×0.20×691×0.02=1.33×1011 kg6 \times 10^8 \times 80 \times 0.20 \times 691 \times 0.02 = 1.33 \times 10^{11}\,\mathrm{kg}, 133 Mt133\,\mathrm{Mt}. 24. Met 1 Mt1\,\mathrm{Mt} per jaar ongeveer 133 jaar. 25. M=ρ Np Bo=686×2.77×107=1.90×1010 kgM = \rho\,N_p\,B_o = 686 \times 2.77 \times 10^7 = 1.90 \times 10^{10}\,\mathrm{kg}: het uitgeputte reservoir kan 19.0 Mt19.0\,\mathrm{Mt} COX2\ce{CO2} opslaan.

এই অধ্যায়ে সংজ্ঞায়িত পরিভাষা-শব্দ

পরিভাষায় সব 957 টি শব্দ দেখো