পৃথিবী ও মহাকাশ বিজ্ঞান · বই 4 · স্নাতক দ্বিতীয় বর্ষ

Universitaire aard- en ruimtewetenschappen — jaar 2

বইগুলো এখনো বাংলা ভাষায় পাওয়া যায় না — Nederlands সংস্করণ দেখানো হচ্ছে।

Universitaire aard- en ruimtewetenschappen — jaar 2 · স্নাতক দ্বিতীয় বর্ষ

5Magma’s en hun intrusie

Een basaltsmelt van 1200 ∘C1200\,{}^{\circ}\mathrm{C} vloeit met een viscositeit van ongeveer 70 Pa s70\,\mathrm{Pa}\,\mathrm{s}: stroperig, maar hij laat zich gieten. Een droge rhyolietsmelt van 800 ∘C800\,{}^{\circ}\mathrm{C} heeft een viscositeit van bijna 1011 Pa s10^{11}\,\mathrm{Pa}\,\mathrm{s}, en een blok ervan zou uren nodig hebben om zichtbaar onder zijn eigen gewicht door te zakken. Daartussen liggen tien grootteordes, meer dan tussen water en het basalt, en het grootste deel van het verschil komt van twee dingen: het silica dat de smelt tot een netwerk verbindt, en de temperatuur, die in silicarijke magma’s enkele honderden graden lager is. Enkele procenten opgelost water, die een rhyolietmagma op diepte kan bevatten, verlagen zijn viscositeit met een factor 10510^{5}, en die winst gaat weer verloren als het magma opstijgt en het water als bellen vrijkomt. Deze getallen bepalen of een magma rustig het oppervlak bereikt, explodeert, of kilometers diep stolt als een gang, een sill of een pluton. Dit hoofdstuk behandelt een magma als een materiaal: zijn dichtheid, viscositeit en vluchtige bestanddelen, de fysica van zijn opstijging door spleten en als bellen, de vormen die het aanneemt wanneer het stopt, en de warmte die het aan de omringende gesteenten afgeeft.

Wat je al weet

Viskeuze stroming (natuurkunde, tweede jaar universiteit): in een newtonse vloeistof met viscositeit η\eta is de schuifspanning η\eta maal de snelheidsgradiënt; tussen twee evenwijdige wanden drijft een drukgradiënt een parabolisch profiel (vlakke Poiseuille-stroming) aan; een bol die langzaam door een viskeuze vloeistof beweegt, ondervindt de stokeswrijving 6πηav6\pi\eta a v. Warmtegeleiding (zelfde jaar): de temperatuur voldoet aan ∂T/∂t=κ ∂2T/∂x2\partial T/\partial t = \kappa\,\partial^2T/\partial x^2, met diffusiviteit κ=k/(ρc)\kappa = k/(\rho c), en een temperatuursprong spreidt zich als een foutfunctie uit over een afstand van de orde κt\sqrt{\kappa t}. Opwaartse kracht (natuurkunde, eerste jaar universiteit): een lichaam dat in een dichtere vloeistof is ondergedompeld, ondervindt een netto opwaartse kracht gelijk aan het gewicht van de verplaatste vloeistof min zijn eigen gewicht. Chemisch evenwicht (scheikunde): in evenwicht voldoen de activiteiten van producten en reactanten aan de massawerkingswet met een constante KK die van de temperatuur afhangt. Uit Boek 3 van deze reeks: de lithostatische druk p=ρgzp = \rho g z en de geotherm; uit de Boeken 1 en 2: mafische en felsische gesteenten, fenokristen en porfirische texturen.

5.1 Wat een magma is

Definitie 5.1 (Magma)

Een magma is gesmolten of gedeeltelijk gesmolten gesteente onder het oppervlak: een silicaatsmelt, de vloeistof die vooral uit silicium, zuurstof en metaalkationen bestaat, samen met de kristallen en gasbellen die ze meevoert. Een kristalbrij is een magma dat zo rijk is aan kristallen dat ze elkaar raken en een raamwerk vormen: het kan niet als een vloeistof stromen, en zijn smelt kan alleen door de poriën tussen de kristallen bewegen.

De samenstelling van de smelt wordt, zoals voor gesteenten, gegeven in gewichtsprocent oxiden. Drie smelten dienen het hele hoofdstuk door als referentie, alle drie in het laboratorium bestudeerd: een tholeïtisch basalt dat van een mid-oceanische rug is opgedregd (ongeveer 51 %51\,\% SiO2_2, 12 %12\,\% ijzeroxide, 7 %7\,\% MgO), een andesiet (63 %63\,\% SiO2_2) en een rhyoliet (78 %78\,\% SiO2_2, 8 %8\,\% Na2_2O ++ K2_2O en bijna geen ijzer of magnesium). Hun eruptietemperaturen verschillen evenveel als hun samenstellingen: basaltische magma’s komen tot uitbarsting bij 1000 tot 1200 ∘C1000\text{ tot }1200\,{}^{\circ}\mathrm{C} (lava die door een lavatunnel op Kilauea stroomde, is bij bijna 1200 ∘C1200\,{}^{\circ}\mathrm{C} gemeten), andesitische magma’s bij 800 tot 1000 ∘C800\text{ tot }1000\,{}^{\circ}\mathrm{C}, rhyolitische magma’s bij 650 tot 800 ∘C650\text{ tot }800\,{}^{\circ}\mathrm{C}. Een rhyolitisch magma is koeler omdat het het residu is van een lange kristallisatie of de eerste smelt van korstgesteenten, die allebei bij lage temperatuur plaatsvinden (Hoofdstuk 8).

Het kristalgehalte bepaalt of een magma stroomt. Veld- en geochronologische studies van grote granietlichamen concluderen dat magmatische stroming in bulk een smeltfractie van minstens 30 tot 50 %30\text{ tot }50\,\% in volume vraagt; daaronder zijn de kristallen aan hun buren vastgegroeid en vervormt het materiaal als een vaste stof met poriën vol smelt. Een groot deel van het magma dat in de korst is opgeslagen, verkeert vermoedelijk in die toestand, als een brij die weer mobiel wordt wanneer er van onderen heet magma bijkomt.

5.2 Dichtheid en viscositeit

5.2.1 De dichtheid van een smelt

Een silicaatsmelt heeft geen kristalrooster, maar zijn volume kan toch worden opgebouwd uit zijn componenten. Experimenten met veel smelten tonen dat elk oxide een bijna vast volume per mol bijdraagt, zijn partieel molair volume, dat langzaam en lineair met temperatuur en druk verandert; het volume van de smelt is de som van deze bijdragen. De tabel hieronder geeft de waarden die in dit hoofdstuk worden gebruikt.

OxideVˉi\bar V_i (cm3/mol\mathrm{cm}^{3}/\mathrm{mol})∂Vˉi/∂T\partial\bar V_i/\partial T (10−310^{-3} cm3/(mol K)\mathrm{cm}^{3}/(\mathrm{mol}\,\mathrm{K}))∂Vˉi/∂p\partial\bar V_i/\partial p (10−410^{-4} cm3/(mol bar)\mathrm{cm}^{3}/(\mathrm{mol}\,\mathrm{bar}))
SiO2_226.860−1.89-1.89
Al2_2O3_337.422.62−2.26-2.26
FeO12.683.69−0.45-0.45
MgO12.023.270.270.27
CaO16.903.740.340.34
Na2_2O29.657.68−2.40-2.40
K2_2O47.2812.08−6.75-6.75
H2_2O22.99.5−3.20-3.20
Table 5.1. Partiële molaire volumes van oxidecomponenten in silicaatsmelten bij 1 bar1\,\mathrm{bar}, met hun afgeleiden naar temperatuur en druk. De referentietemperatuur is 1773 K1773\,\mathrm{K} (FeO 1723 K1723\,\mathrm{K}, H2_2O 1273 K1273\,\mathrm{K}). Gegevens: compilatie van het programma DensityX (Iacovino en Till, 2019).

Propositie 5.2 (Dichtheid van een silicaatsmelt)

Laat een smelt oxidecomponenten ii bevatten met molfracties XiX_i, molaire massa’s MiM_i en partiële molaire volumes Vˉi(T,p)=Vˉi∘+(∂Vˉi/∂T)(T−Tref)+(∂Vˉi/∂p)(p−pref)\bar V_i(T, p) = \bar V_i^{\circ} + (\partial\bar V_i/\partial T)(T - T_{\mathrm{ref}}) + (\partial\bar V_i/\partial p)(p - p_{\mathrm{ref}}). Als de componenten ideaal mengen in volume, geldt

ρ=∑iXiMi∑iXiVˉi(T,p).\rho = \frac{\sum_i X_i M_i}{\sum_i X_i \bar V_i(T,p)}.

Bewijs. Eén mol smelt bevat XiX_i mol van component ii, met massa XiMiX_iM_i. Ideale menging in volume betekent dat elke mol van component ii het volume Vˉi\bar V_i toevoegt, wat de andere ook zijn, dus de mol smelt neemt ∑iXiVˉi\sum_i X_i\bar V_i in. De dichtheid is de verhouding van de twee. ∎

Water heeft een molaire massa van slechts 18 g/mol18\,\mathrm{g}/\mathrm{mol} maar een partieel molair volume van 22.9 cm3/mol22.9\,\mathrm{cm}^{3}/\mathrm{mol}, dicht bij dat van silica: het verlaagt de dichtheid van een smelt sterk. Toegepast op de drie referentiesmelten geeft de propositie 2730 kg/m32730\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3} voor het basalt bij 1200 ∘C1200\,{}^{\circ}\mathrm{C}, 2480 kg/m32480\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3} voor het andesiet bij 1000 ∘C1000\,{}^{\circ}\mathrm{C} en 2340 kg/m32340\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3} voor het droge rhyoliet bij 850 ∘C850\,{}^{\circ}\mathrm{C}; één procent opgelost water haalt ongeveer 70 kg/m370\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3} van het basalt af, evenveel als enkele honderden graden verwarming. Een basaltsmelt is daarom lichter dan het mantelperidotiet waaruit hij komt (ongeveer 3380 kg/m33380\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3} onder de korst in het referentiemodel van de aarde) en een beetje lichter dan de onderkorst van dat model (2900 kg/m32900\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3}), terwijl een rhyolietsmelt zelfs lichter is dan de bovenkorst ervan (2600 kg/m32600\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3}). Dit verschil drijft magma’s omhoog.

5.2.2 Viscositeit

De viscositeit van een silicaatsmelt wordt bepaald door het netwerk van SiO4_4-tetraëders die via gedeelde zuurstofatomen verbonden zijn: om te stromen moet de smelt silicium–zuurstofbindingen verbreken en opnieuw vormen. Silica en alumina bouwen het netwerk; de kationen van magnesium, ijzer, calcium en de alkalimetalen breken het, en water ook, dat brugvormende zuurstofatomen in hydroxylgroepen omzet. Laboratoriummetingen aan natuurlijke smelten beslaan meer dan vijftien grootteordes, van 0.1 Pa s0.1\,\mathrm{Pa}\,\mathrm{s} tot 1014 Pa s10^{14}\,\mathrm{Pa}\,\mathrm{s}, en ze volgen geen eenvoudige arrheniuswet: de viscositeit stijgt sneller dan exponentieel in 1/T1/T naarmate de smelt afkoelt naar zijn glasovergang.

Propositie 5.3 (Wet van Vogel–Fulcher–Tammann)

De viscositeit van een silicaatsmelt met vaste samenstelling volgt, binnen enkele tienden van een logaritmische eenheid,

log⁡10η=A+BT−C,\log_{10}\eta = A + \frac{B}{T - C},

met η\eta in pascalseconde en TT in kelvin. Voor natuurlijke smelten ligt AA dicht bij −4.55-4.55, wat de samenstelling ook is; BB en CC (in kelvin) zijn lineaire combinaties van de molpercentages van de oxiden, met enkele producten ervan, gefit op ongeveer 18001800 metingen.

Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen. ∎

De figuur hieronder toont de wet voor de drie referentiesmelten en voor het rhyoliet met opgelost water. Bij 1200 ∘C1200\,{}^{\circ}\mathrm{C} heeft het basalt η≈70 Pa s\eta \approx 70\,\mathrm{Pa}\,\mathrm{s}; het andesiet bij 1000 ∘C1000\,{}^{\circ}\mathrm{C} ongeveer 106 Pa s10^{6}\,\mathrm{Pa}\,\mathrm{s}; het droge rhyoliet bij 800 ∘C800\,{}^{\circ}\mathrm{C} ongeveer 1010.910^{10.9} Pa s\mathrm{Pa}\,\mathrm{s}. Vier procent water brengt hetzelfde rhyoliet terug tot 105.510^{5.5} Pa s\mathrm{Pa}\,\mathrm{s}, zes procent tot 104.610^{4.6} Pa s\mathrm{Pa}\,\mathrm{s}. Een onafhankelijke vergelijking, alleen gefit op waterhoudende granitische smelten, geeft dezelfde waarden binnen een halve logaritmische eenheid (Oefening 5.1). Het effect van water is het grootst bij lage temperatuur, waar enkele tienden van een procent de viscositeit met grootteordes veranderen.

Viscositeit van silicaatsmelten tegen de temperatuur, volgens de wet van Vogel–Fulcher–Tammann met de van de samenstelling afhankelijke parameters van Giordano, Russell en Dingwell (2008). Basalt: een tholeïet van een mid-oceanische rug; andesiet en rhyoliet: referentiesmelten uit het laboratorium (Moore en anderen, 1998). Elke kromme is getekend over de temperaturen waarbij zo’n magma gesmolten kan zijn.
Viscositeit van silicaatsmelten tegen de temperatuur, volgens de wet van Vogel–Fulcher–Tammann met de van de samenstelling afhankelijke parameters van Giordano, Russell en Dingwell (2008). Basalt: een tholeïet van een mid-oceanische rug; andesiet en rhyoliet: referentiesmelten uit het laboratorium (Moore en anderen, 1998). Elke kromme is getekend over de temperaturen waarbij zo’n magma gesmolten kan zijn.

Kristallen maken een magma nog stijver. Een suspensie van starre deeltjes verzet zich sterker tegen afschuiving dan haar vloeistof alleen, omdat de vloeistof om de deeltjes heen moet stromen, en wanneer de deeltjes dicht genoeg opeengepakt zijn om elkaar te raken, vergrendelen ze tot een raamwerk.

Propositie 5.4 (Relatie van Einstein–Roscoe)

Een suspensie van een volumefractie ϕ\phi starre bollen in een newtonse vloeistof met viscositeit ηℓ\eta_{\ell} heeft de viscositeit

η=ηℓ (1−Rϕ)−2.5,R=1/ϕm≈1.35,\eta = \eta_{\ell}\,(1 - R\phi)^{-2.5}, \qquad R = 1/\phi_m \approx 1.35,

waarbij ϕm\phi_m de maximale pakkingsfractie is, waarbij de suspensie vastloopt. Voor kleine ϕ\phi wordt dit de relatie van Einstein, η=ηℓ(1+2.5ϕ)\eta = \eta_{\ell}(1 + 2.5\phi).

Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen. ∎

Twintig procent kristallen verdubbelt de viscositeit, veertig procent vermenigvuldigt haar met zeven, zestig procent met meer dan zestig (Oefening 5.5); in echte magma’s, waar de kristallen langwerpig en van veel groottes zijn, komt de vergrendeling eerder, rond de 50 tot 70 %50\text{ tot }70\,\% kristallen waarbij de veldgegevens het einde van de stroming in bulk plaatsen.

5.3 Vluchtige bestanddelen

Definitie 5.5 (Magmatische vluchtige bestanddelen)

Een magmatisch vluchtig bestanddeel is een component van een magma dat op diepte in de smelt is opgelost en bij lage druk een aparte gasfase vormt: vooral water, dan koolstofdioxide, dan zwavelverbindingen. Ontmenging van vluchtige bestanddelen is de scheiding van een vluchtig bestanddeel uit de smelt in gasbellen. De verzadigingsdruk van vluchtige bestanddelen van een smelt is de druk waaronder zijn opgeloste vluchtige bestanddelen hun oplosbaarheid overschrijden, zodat zich een gasfase moet vormen.

Mafische magma’s bevatten gewoonlijk 1 tot 3 %1\text{ tot }3\,\% vluchtige bestanddelen in massa, intermediaire magma’s 3 tot 4 %3\text{ tot }4\,\%, felsische magma’s 4 tot 7 %4\text{ tot }7\,\%, en de ontmenging van 4 tot 6 %4\text{ tot }6\,\% water drijft de meeste explosieve erupties aan. Hoeveel water een smelt kan bevatten, hangt vooral van de druk af. De figuur hieronder toont metingen aan basaltische en rhyolitische smelten die bij een bekende waterdruk werden gehouden tot ze verzadigd waren, daarna tot glas afgeschrikt en geanalyseerd: de oplosbaarheid stijgt steil bij lage druk en trager bij hoge druk.

Propositie 5.6 (Wortelwet voor water)

Veronderstel dat water in een silicaatsmelt vooral als hydroxylgroepen oplost, via de reactie H2O (gas)+O2− (melt)⇌2 OH− (melt)\mathrm{H_2O\,(gas)} + \mathrm{O^{2-}\,(melt)} \rightleftharpoons 2\,\mathrm{OH^-\,(melt)}, met de zuurstof van de smelt in grote overmaat. Dan is, bij lage watergehalten, het opgeloste water evenredig met de vierkantswortel van de waterdruk: w≈spw \approx s\sqrt{p}, met ss een constante die afhangt van de smelt en de temperatuur.

Bewijs. De massawerkingswet geeft xOH2=K xO fx_{\mathrm{OH}}^2 = K\,x_{\mathrm{O}}\,f, waarbij ff de fugaciteit van water is (bij matige drukken dicht bij zijn druk) en de xx molfracties zijn. De zuurstof van de smelt is in grote overmaat, dus xOx_{\mathrm{O}} blijft bijna constant, en xOH=KxO fx_{\mathrm{OH}} = \sqrt{Kx_{\mathrm{O}}}\, \sqrt f. Elke opgeloste watermolecule vormt twee hydroxylgroepen, dus het opgeloste water is xOH/2x_{\mathrm{OH}}/2, evenredig met f\sqrt f. Bij hogere gehalten lost een deel van het water op als moleculen, evenredig met ff zelf, en stijgt de oplosbaarheid sneller dan de vierkantswortel (Oefening 5.10). ∎

Met de kleinste kwadraten op de metingen gefit, geeft w=spw = s\sqrt p s=0.34s = 0.34 gewichtsprocent per MPa\sqrt{\mathrm{MPa}} voor de basalten en s=0.44s = 0.44 voor de rhyolieten; elke meting ligt binnen één procent water van haar kromme. De verzadigingsdruk van een smelt met ww procent water is dan ps=(w/s)2p_s = (w/s)^2: 129 MPa129\,\mathrm{MPa} voor een rhyoliet met 5 %5\,\% water, ongeveer 5 km5\,\mathrm{km} diep in de korst, maar slechts 2 MPa2\,\mathrm{MPa} voor een basalt met 0.5 %0.5\,\%, honderd meter of minder.

Oplosbaarheid van water in basaltische en rhyolitische smelten bij 800 to 1200\, C tegen de waterdruk: metingen verzameld door Moore en anderen (1998), en wortelwetten gefit met de kleinste kwadraten. Bij 100\, MPa, ongeveer 4\, km diep in de korst, kan een rhyoliet 4.4\,\% water bevatten, een basalt 3.4\,\%.
Oplosbaarheid van water in basaltische en rhyolitische smelten bij 800 tot 1200 ∘C800\text{ tot }1200\,{}^{\circ}\mathrm{C} tegen de waterdruk: metingen verzameld door Moore en anderen (1998), en wortelwetten gefit met de kleinste kwadraten. Bij 100 MPa100\,\mathrm{MPa}, ongeveer 4 km4\,\mathrm{km} diep in de korst, kan een rhyoliet 4.4 %4.4\,\% water bevatten, een basalt 3.4 %3.4\,\%.

Koolstofdioxide is veel minder oplosbaar dan water. Het lost op als moleculen in rhyolieten en als carbonaatgroepen in basalten, meer in alkalische smelten dan in tholeïeten, en ook zijn oplosbaarheid stijgt met de druk. Een magma met beide gassen begint daarom al diep te ontmengen, met een gas dat zeer rijk is aan CO2_2, en het gas wordt rijker aan water naarmate het magma opstijgt. Basalten die op de diepe zeebodem zijn uitgevloeid, bevatten blaasjes met meer dan 95 %95\,\% CO2_2, wat verzadiging met CO2_2 vereiste, zelfs onder 5 km5\,\mathrm{km} water. Schattingen van het oorspronkelijke CO2_2-gehalte van de moederbasalten van Kilauea lopen van 0.2 tot 0.6 %0.2\text{ tot }0.6\,\%, en smeltinsluitsels die in hun olivijnkristallen zijn opgesloten, leggen verzadigingsdrukken tot 500 MPa500\,\mathrm{MPa} vast.

Ontmengd gas neemt een groot volume in. Eén procent water in een magma van 900 ∘C900\,{}^{\circ}\mathrm{C} neemt, als ideaal gas, ongeveer 12 %12\,\% van het volume in bij 100 MPa100\,\mathrm{MPa}, 57 %57\,\% bij 10 MPa10\,\mathrm{MPa} en meer dan 99 %99\,\% bij atmosferische druk (Oefening 5.7). De bellen verlagen de dichtheid van het magma nog meer en drijven het sneller omhoog; in een viskeus magma kunnen ze niet ontsnappen, en Hoofdstuk 6 laat zien hoe ze het fragmenteren.

5.4 Opstijging

Een magmalichaam dat minder dicht is dan zijn omgeving, ondervindt een opwaartse kracht van Δρ g\Delta\rho\,g per volume-eenheid, waarbij Δρ\Delta\rho het dichtheidsverschil is. Het kan op twee manieren opstijgen: door een spleet die het voor zich uit opent, of als een hete, zachte bel die het omringende gesteente opzij duwt.

5.4.1 Gangen

Op diepte staat het gesteente onder een grote lithostatische druk, maar een spleet gevuld met magma onder een iets hogere druk dan de kleinste hoofdspanning kan opengaan en aan haar top langer worden. Magma vult de spleet terwijl die groeit, en het resultaat is een dunne plaat magma, meters breed en kilometers lang, die zich een weg omhoog snijdt: een gang in wording. Het magma stroomt dan tussen twee bijna evenwijdige wanden.

Propositie 5.7 (Stroming van magma in een gang)

Een newtons magma met viscositeit η\eta dat door een drukgradiënt GG omhoog wordt gedreven (voor stroming door opwaartse kracht G=Δρ gG = \Delta\rho\,g) tussen twee evenwijdige wanden op een afstand ww van elkaar, stroomt met de gemiddelde snelheid

uˉ=Gw212 η,\bar u = \frac{G w^2}{12\,\eta},

en het volumedebiet per lengte-eenheid van de gang is q=uˉw=Gw3/(12η)q = \bar u w = G w^3/(12\eta).

Bewijs. Bij stationaire laminaire stroming is het snelheidsprofiel over de gang de vlakke poiseuilleparabool u(x)=G2η(w24−x2)u(x) = \frac{G}{2\eta}\left(\frac{w^2}{4} - x^2\right), voor −w/2≤x≤w/2-w/2 \le x \le w/2, die op beide wanden nul is. Haar gemiddelde is uˉ=1w∫−w/2w/2u dx=G2η(w24−w212)=Gw212η\bar u = \frac1w\int_{-w/2}^{w/2}u\,dx = \frac{G}{2\eta}\left(\frac{w^2}{4} - \frac{w^2}{12}\right) = \frac{Gw^2}{12\eta}. ∎

De derde macht van de breedte maakt brede gangen veel efficiënter dan smalle. Een basalt van 100 Pa s100\,\mathrm{Pa}\,\mathrm{s} in een gang van 1 m1\,\mathrm{m} breed, met Δρ=300 kg/m3\Delta\rho = 300\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3}, stijgt met ongeveer 2.5 m/s2.5\,\mathrm{m}/\mathrm{s} en doorkruist 10 km10\,\mathrm{km} korst in een uur; een rhyoliet van 106 Pa s10^{6}\,\mathrm{Pa}\,\mathrm{s} in dezelfde gang zou er meer dan een jaar over doen, en onderweg stollen, dus silicarijke magma’s hebben veel bredere gangen nodig (Oefening 5.6). Het reynoldsgetal ρuˉw/η\rho\bar u w/\eta van deze stromingen is klein genoeg om ze laminair te houden. Opstijgsnelheden die voor magma’s tijdens erupties zijn geschat, scheiden effusieve erupties, onder ongeveer 0.1 m/s0.1\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, van explosieve erupties erboven, met een overgangsgebied van 0.005 tot 0.25 m/s0.005\text{ tot }0.25\,\mathrm{m}/\mathrm{s} waarin beide stijlen voorkomen; kimberlieten, die van diepten van meer dan 150 km150\,\mathrm{km} komen, zijn geschat op 0.1 tot 30 m/s0.1\text{ tot }30\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, en een diffusiestudie van een ervan geeft 0.02 tot 0.23 m/s0.02\text{ tot }0.23\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, gemiddeld over de laatste 80 tot 110 km80\text{ tot }110\,\mathrm{km}, een reis van 5 tot 745\text{ tot }74 dagen.

5.4.2 Diapieren

Definitie 5.8 (Diapier, niveau van neutraal drijfvermogen, stoping)

Een diapier is een lichaam van licht materiaal, magma of gedeeltelijk gesmolten gesteente, dat door zijn omgeving opstijgt door die opzij te laten vloeien. Het niveau van neutraal drijfvermogen van een magma is de diepte waarop zijn dichtheid gelijk is aan die van het omringende gesteente: daaronder is het magma lichter, daarboven is het dichter dan zijn omgeving. Magmatische stoping is het loskomen van blokken van het wand- of dakgesteente, die in het magma zinken; blokken die in het gestolde gesteente ingesloten blijven, zijn xenolieten.

Propositie 5.9 (Opstijging volgens Stokes)

Een bol met straal aa en dichtheidstekort Δρ\Delta\rho die langzaam opstijgt door een newtons medium met viscositeit η\eta, bereikt de eindsnelheid

v=2 Δρ g a29 ηv = \frac{2\,\Delta\rho\,g\,a^2}{9\,\eta}

als hij star is, en 1.51.5 keer deze waarde als hij een vloeistof met verwaarloosbare viscositeit is.

Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen. ∎

Het gesteente rond een diapier is geen vloeistof van 100 Pa s100\,\mathrm{Pa}\,\mathrm{s} maar een hete vaste stof, waarvan de viscositeit vele grootteordes hoger is dan die van welke smelt ook: in de korst stijgt een magmabol van een kilometer doorsnede maar millimeters per jaar, en verliest hij zijn warmte lang voordat hij ver is gestegen (Oefening 5.9). Diapieren werken waar de omgeving heet en zacht is, in de mantel en in de diepe wortels van gebergten, en waar het lichte materiaal een gedeeltelijk gesmolten massa van kilometers doorsnede is; de ondiepe korst wordt door gangen doorkruist.

5.5 Intrusie

Het meeste magma bereikt nooit het oppervlak. Het stopt waar het niet langer lichter is, of waar een sterkere laag het tegenhoudt, en spreidt zich uit tot een lichaam waarvan de vorm vastlegt hoe het ruimte voor zichzelf maakte.

Definitie 5.10 (Intrusieve lichamen)

Een pluton is elk magmalichaam dat binnen de korst is gestold. Een gang is een plaatvormig pluton dat de gelaagdheid van zijn gastgesteente doorsnijdt (of elke plaat als het gastgesteente geen gelaagdheid heeft); een sill is een plaatvormig pluton evenwijdig aan de gelaagdheid. Een laccoliet is een sill die dikker is geworden door de bovenliggende lagen tot een koepel op te duwen. Een batholiet is een groot pluton, of een verzameling plutonen, met een dagzomend oppervlak van meer dan 100 km2100\,\mathrm{km}^{2}.

Vormen van intrusieve lichamen in een gelaagd gastgesteente (schematisch, niet op schaal): een toevoergang die de lagen doorsnijdt, een sill langs een laagvlak, een laccoliet die de lagen erboven opbolt, een gang die tot aan het oppervlak snijdt, en een batholiet met blokken die van zijn dak zijn losgekomen en een contacthof.
Vormen van intrusieve lichamen in een gelaagd gastgesteente (schematisch, niet op schaal): een toevoergang die de lagen doorsnijdt, een sill langs een laagvlak, een laccoliet die de lagen erboven opbolt, een gang die tot aan het oppervlak snijdt, en een batholiet met blokken die van zijn dak zijn losgekomen en een contacthof.

Waar een magma stopt, hangt eerst af van zijn dichtheid. In een korst waarvan de dichtheid met de diepte toeneemt, stijgt een magma tot zijn niveau van neutraal drijfvermogen en spreidt het zich daar zijwaarts uit, als een sill of een lens; lichte sedimenten dicht bij het oppervlak zijn bijzonder doeltreffende vallen voor dicht basaltmagma. Een sterke, stijve laag kan ook een gang tegenhouden en langs haar basis omleiden. De figuur hieronder toont het principe.

Het niveau van neutraal drijfvermogen (schematisch). De dichtheid van de korst neemt toe met de diepte, door compactie van sedimenten en door de overgang naar dichtere gesteenten; een magma met vaste dichtheid stijgt zolang het lichter is dan zijn omgeving (gearceerd) en spreidt zich uit waar de twee dichtheden elkaar ontmoeten.
Het niveau van neutraal drijfvermogen (schematisch). De dichtheid van de korst neemt toe met de diepte, door compactie van sedimenten en door de overgang naar dichtere gesteenten; een magma met vaste dichtheid stijgt zolang het lichter is dan zijn omgeving (gearceerd) en spreidt zich uit waar de twee dichtheden elkaar ontmoeten.

Een pluton moet ruimte voor zichzelf maken. Het kan zijn dak optillen, zoals een laccoliet doet; het kan zijn wanden opzij duwen waar die zacht zijn; het kan ruimte vullen die door breuken is geopend; en het kan zijn dak blok voor blok laten afbreken. Grote plutonen werden lang voorgesteld als enorme magmatanks die in één keer werden geplaatst. Datering heeft dat beeld veranderd. De zirkonen van de Tuolumne Intrusive Suite, een granietbatholiet in Californië, tonen dat ze werd geplaatst tussen 9595 en 85 Ma85\,\mathrm{Ma}, het oudst aan de randen en het jongst in het centrum, en een van haar eenheden alleen al over meer dan 3 Myr3\,\mathrm{Myr}, tussen 92.8 Ma92.8\,\mathrm{Ma} en 88.8 Ma88.8\,\mathrm{Ma}. Eén enkel magmalichaam van 5 km5\,\mathrm{km} dik en 20 km20\,\mathrm{km} breed, geplaatst op 15 km15\,\mathrm{km} diepte, zou onder 750 ∘C750\,{}^{\circ}\mathrm{C}, waar het ongeveer half gekristalliseerd is, zijn afgekoeld in ongeveer 500 000500\,000 jaar. Zulke plutonen moeten stapsgewijs zijn opgebouwd, uit veel kleinere intrusies zoals platen en gangen, over miljoenen jaren (Oefening 5.11).

Een gang bij Shiprock, in het Navajo Volcanic Field (New Mexico): het ganggesteente weerstond de erosie beter dan de zandsteen en schalie die het doorsneed, en staat nu als een muur; in de verte de vulkanische schoorsteen waaruit meerdere zulke gangen uitstralen. Foto: Dexter Perkins (CC0).
Een gang bij Shiprock, in het Navajo Volcanic Field (New Mexico): het ganggesteente weerstond de erosie beter dan de zandsteen en schalie die het doorsneed, en staat nu als een muur; in de verte de vulkanische schoorsteen waaruit meerdere zulke gangen uitstralen. Foto: Dexter Perkins (CC0).

5.6 Afkoeling en contactmetamorfose

Een intrusie verliest haar warmte door geleiding naar haar gastgesteenten. Het eenvoudigste model behandelt de intrusie en haar gastgesteente als één geleidend medium met uniforme diffusiviteit κ\kappa: op tijdstip nul heeft een plaat met dikte bb de intrusietemperatuur TmT_m en het gastgesteente T0T_0. De oplossing van de warmtevergelijking, met xx gemeten vanaf het midden van de plaat, is

T(x,t)=T0+Tm−T02[erf⁡b/2−x2κt+erf⁡b/2+x2κt].T(x,t) = T_0 + \frac{T_m - T_0}{2}\left[\operatorname{erf}\frac{b/2 - x}{2\sqrt{\kappa t}} + \operatorname{erf}\frac{b/2 + x}{2\sqrt{\kappa t}}\right].

De figuur hieronder toont ze voor een sill van 100 m100\,\mathrm{m} dik.

Propositie 5.11 (Contacttemperatuur)

In dit model blijft, zolang κt\sqrt{\kappa t} klein is ten opzichte van bb, de temperatuur aan het contact van de intrusie op het gemiddelde (Tm+T0)/2(T_m + T_0)/2 van de temperaturen van intrusie en gastgesteente.

Bewijs. Aan het contact x=b/2x = b/2 is de eerste foutfunctie erf⁡0=0\operatorname{erf}0 = 0 en de tweede erf⁡(b/(2κt))\operatorname{erf}(b/(2\sqrt{\kappa t})), die dicht bij 11 ligt zolang b≫2κtb \gg 2\sqrt{\kappa t}. Dan is T=T0+(Tm−T0)/2T = T_0 + (T_m - T_0)/2. ∎

Een basaltgang van 1150 ∘C1150\,{}^{\circ}\mathrm{C} in gesteenten van 50 ∘C50\,{}^{\circ}\mathrm{C} verhit zo zijn contact tot 600 ∘C600\,{}^{\circ}\mathrm{C}. De kristallisatiewarmte, gewoonlijk 700 tot 1000 MJ/m3700\text{ tot }1000\,\mathrm{MJ}/\mathrm{m}^{3}, houdt het magma langer heet en verhoogt deze waarde: met 900 MJ/m3900\,\mathrm{MJ}/\mathrm{m}^{3} die vrijkomt tussen 11501150 en 950 ∘C950\,{}^{\circ}\mathrm{C}, geeft hetzelfde model 690 ∘C690\,{}^{\circ}\mathrm{C}, terwijl temperatuurafhankelijke geleidbaarheden en natte gastgesteenten beide schattingen met 50 tot 75 ∘C75\,{}^{\circ}\mathrm{C} verlagen.

Conductieve afkoeling van een sill van 100\, m dik (gearceerd), geïntrudeerd bij 1150\, C in gesteente van 100\, C, met = 0.7 × 10-6\, m2/ s en zonder latente warmte. Het contact blijft decennialang rond 625\, C terwijl de warmte zich in het gastgesteente verspreidt; na twee eeuwen vormen de sill en zijn omgeving één brede warme zone.
Conductieve afkoeling van een sill van 100 m100\,\mathrm{m} dik (gearceerd), geïntrudeerd bij 1150 ∘C1150\,{}^{\circ}\mathrm{C} in gesteente van 100 ∘C100\,{}^{\circ}\mathrm{C}, met κ=0.7×10−6 m2/s\kappa = 0.7 \times 10^{-6}\,\mathrm{m}^{2}/\mathrm{s} en zonder latente warmte. Het contact blijft decennialang rond 625 ∘C625\,{}^{\circ}\mathrm{C} terwijl de warmte zich in het gastgesteente verspreidt; na twee eeuwen vormen de sill en zijn omgeving één brede warme zone.

De tijdschaal van de afkoeling is de tijd die warmte nodig heeft om door de intrusie te diffunderen, van de orde (b/2)2/κ(b/2)^2/\kappa: ongeveer 1616 dagen voor een gang van 2 m2\,\mathrm{m} breed, een eeuw voor een sill van 100 m100\,\mathrm{m} dik, honderdduizend jaar voor een pluton van enkele kilometers. De latente warmte verlengt ze, en ook de noodzaak om het magma te laten stollen in plaats van het alleen af te koelen.

Propositie 5.12 (Stolling van een intrusie)

Laat magma op zijn stollingstemperatuur TmT_m, met latente warmte LL per volume-eenheid, de ruimte y>0y > 0 vullen naast een gastgesteente op T0T_0 dat y<0y < 0 inneemt, beide met warmtecapaciteit ρc\rho c per volume-eenheid en diffusiviteit κ\kappa. Het stollingsfront schuift op als ys=2λκty_s = 2\lambda\sqrt{\kappa t}, waarbij λ\lambda de wortel is van

Lπρc (Tm−T0)=e−λ2λ (1+erf⁡λ),\frac{L\sqrt\pi}{\rho c\,(T_m - T_0)} = \frac{e^{-\lambda^2}}{\lambda\,(1 + \operatorname{erf}\lambda)},

en het contact blijft op T0+(Tm−T0)/(1+erf⁡λ)T_0 + (T_m - T_0)/(1 + \operatorname{erf}\lambda). Een sill met dikte bb, die vanaf beide wanden stolt, is vast na t=b2/(16λ2κ)t = b^2/(16\lambda^2\kappa).

Bewijs. Het magma voor het front blijft op TmT_m, dus warmte stroomt alleen in de vaste stof en het gastgesteente, waar de vorm T=T0+(Tm−T0)(1+erf⁡ξ)/(1+erf⁡λ)T = T_0 + (T_m - T_0)(1 + \operatorname{erf}\xi)/(1 + \operatorname{erf}\lambda) met ξ=y/(2κt)\xi = y/(2\sqrt{\kappa t}) wordt geprobeerd. Elke functie van ξ\xi van de vorm α+βerf⁡ξ\alpha + \beta\operatorname{erf}\xi lost de warmtevergelijking op; deze nadert T0T_0 ver in het gastgesteente (ξ→−∞\xi \to -\infty) en is gelijk aan TmT_m op het front ξ=λ\xi = \lambda. Bij y=0y = 0 geeft ze de genoemde contacttemperatuur. Op het front moet de latente warmte die de oprukkende vaste stof vrijmaakt, L dys/dt=Lλκ/tL\,dy_s/dt = L\lambda\sqrt{\kappa/t} per oppervlakte- en tijdseenheid, worden afgevoerd, k ∂T/∂y=k(Tm−T0) e−λ2/[(1+erf⁡λ)πκt]k\,\partial T/\partial y = k(T_m - T_0)\,e^{-\lambda^2}/[(1 + \operatorname{erf}\lambda)\sqrt{\pi\kappa t}]. Gelijkstellen van de twee en gebruik van k=ρcκk = \rho c\kappa geeft de vergelijking voor λ\lambda. Elke wand van de sill laat zijn eigen front groeien, onafhankelijk zolang de kern op TmT_m blijft; de twee fronten ontmoeten elkaar als 2λκt=b/22\lambda\sqrt{\kappa t} = b/2. ∎

Met de latente warmte van een basalt en een gastgesteente van ongeveer 100 ∘C100\,{}^{\circ}\mathrm{C} is λ\lambda ongeveer 0.650.65: een sill van 100 m100\,\mathrm{m} dik stolt in ongeveer zeventig jaar, en zijn contact blijft intussen rond 740 ∘C740\,{}^{\circ}\mathrm{C} in plaats van 625 ∘C625\,{}^{\circ}\mathrm{C}. Het weekendprobleem werkt dit geval uit. Omdat de tijd groeit met het kwadraat van de dikte, doet een tien keer dikkere sill er honderd keer langer over.

Definitie 5.13 (Contacthof en zijn gesteenten)

Een afschrikrand is de fijnkorrelige of glasachtige rand van een intrusie, waar het magma snel afkoelde tegen kouder gastgesteente. Een contacthof is de zone van gastgesteente rond een intrusie die door haar warmte werd gemetamorfoseerd. Hoornrots is het harde, fijnkorrelige, niet-gefolieerde gesteente waarin moddersteen en vulkanische gesteenten veranderen in een contacthof. Skarn is het gesteente dat ontstaat waar hete magmatische fluïda reageren met carbonaatgastgesteente en calcium–ijzer–magnesiumsilicaten zoals granaat en pyroxeen afzetten, vaak met magnetiet en metaalsulfiden.

Contacthoven variëren van enkele centimeters rond kleine gangen en sills tot enkele tientallen meters rond een grote stock, en contactmetamorfose beslaat ongeveer 300 ∘C300\,{}^{\circ}\mathrm{C} tot meer dan 800 ∘C800\,{}^{\circ}\mathrm{C}. Een moddersteen wordt een hoornrots, een kalksteen een marmer, een zandsteen een kwartsiet. Een magma dat diep wordt geplaatst in gesteenten die al heet zijn, vormt bijna geen contacthof: de breedte hangt af van de grootte en temperatuur van de intrusie en van de temperatuur van haar gastgesteente, zoals het afkoelingsmodel voorspelt (Oefening 5.12). De mineralen die in een contacthof groeien, en wat ze over de temperatuur zeggen, horen bij Hoofdstuk 10; de metalen die skarns concentreren, bij Hoofdstuk 29.

In het veld — De contacten van een gang lezen

Een geoloog onderzoekt het contact van een donkere gang met licht gastgesteente (door AI gegenereerde illustratie).

Waar een gang dagzoomt, volgt een geoloog eerst zijn contacten met het gastgesteente. Een rand die fijnkorreliger of glasachtiger is dan het centrum van de gang, toont dat het magma tegen koud gesteente werd afgeschrikt; een gang van 25 cm25\,\mathrm{cm} breed die aan de kust van Brits-Columbia werd bestudeerd, heeft afschrikranden van 2 cm2\,\mathrm{cm} dik. Het gastgesteente naast het contact wordt onderzocht op verhitting: een kleurverandering, een verharding, nieuwe mineralen die van de gang weg vervagen. De breedte van de verhitte zone en van de afschrikrand, gemeten ten opzichte van de breedte van de gang, geeft aan hoe heet het gastgesteente was toen de gang aankwam; een gang zonder afschrikrand en zonder contacthof drong binnen in gesteenten die al heet waren. Er worden monsters genomen dwars over de gang, van rand tot centrum, voor de geochemie van zijn smelt en voor de grootte van zijn kristallen.

5.7 Oefeningen

Oefening 5.1 ★

Voor waterhoudende granitische smelten geeft een op metingen gefitte vergelijking log⁡10η=[−3.545+0.833ln⁡w]+[9601−2368ln⁡w]/{T−[195.7+32.25ln⁡w]}\log_{10}\eta = [-3.545 + 0.833\ln w] + [9601 - 2368\ln w]/\{T - [195.7 + 32.25\ln w]\}, met η\eta in Pa s\mathrm{Pa}\,\mathrm{s}, ww het watergehalte in gewichtsprocent en TT in kelvin. Bereken log⁡10η\log_{10}\eta bij 800 ∘C800\,{}^{\circ}\mathrm{C} voor w=1w = 1 en w=4w = 4, en de factor waarmee de drie extra procent water de viscositeit verlagen.

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.1.

T=1073 KT = 1073\,\mathrm{K}. Voor w=1w = 1 is ln⁡w=0\ln w = 0: log⁡10η=−3.545+9601/(1073−195.7)=−3.545+10.94=7.40\log_{10}\eta = -3.545 + 9601/(1073 - 195.7) = -3.545 + 10.94 = 7.40. Voor w=4w = 4 is ln⁡4=1.386\ln 4 = 1.386: A=−3.545+1.155=−2.390A = -3.545 + 1.155 = -2.390, B=9601−3283=6318B = 9601 - 3283 = 6318, C=195.7+44.7=240.4C = 195.7 + 44.7 = 240.4, en log⁡10η=−2.390+6318/832.6=−2.390+7.588=5.20\log_{10}\eta = -2.390 + 6318/832.6 = -2.390 + 7.588 = 5.20. De viscositeit daalt met een factor 107.40−5.20=102.20≈16010^{7.40 - 5.20} = 10^{2.20} \approx 160.

Oefening 5.2 ★

Bereken met de wortelwet, s=0.44s = 0.44 voor een rhyoliet en s=0.34s = 0.34 voor een basalt (gewichtsprocent per MPa\sqrt{\mathrm{MPa}}), de verzadigingsdruk van een rhyoliet met 6 %6\,\% water en van een basalt met 0.5 %0.5\,\%, en de overeenkomstige diepten in een korst met dichtheid 2600 kg/m32600\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3} (g=9.81 m/s2g = 9.81\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}).

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.2.

Rhyoliet: ps=(6/0.44)2=186 MPap_s = (6/0.44)^2 = 186\,\mathrm{MPa}, op een diepte van 186×106/(2600×9.81)=7.3 km186 \times 10^{6}/(2600\times9.81) = 7.3\,\mathrm{km}. Basalt: ps=(0.5/0.34)2=2.16 MPap_s = (0.5/0.34)^2 = 2.16\,\mathrm{MPa}, op 2.16×106/(2600×9.81)=85 m2.16 \times 10^{6}/(2600\times9.81) = 85\,\mathrm{m}. Het rhyoliet begint diep in de korst bellen te vormen, het basalt pas dicht bij het oppervlak (als het geen CO2_2 bevat).

Oefening 5.3 ★

Bereken de contacttemperatuur van een basaltgang van 1150 ∘C1150\,{}^{\circ}\mathrm{C} die in gesteenten van 50 ∘C50\,{}^{\circ}\mathrm{C} is geïntrudeerd, en daarna in gesteenten van 400 ∘C400\,{}^{\circ}\mathrm{C}. Welke van de twee gangen krijgt de bredere afschrikrand?

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.3.

(1150+50)/2=600 ∘C(1150 + 50)/2 = 600\,{}^{\circ}\mathrm{C} en (1150+400)/2=775 ∘C(1150 + 400)/2 = 775\,{}^{\circ}\mathrm{C}. De gang in het koude gesteente wordt aan zijn contact sterker afgeschrikt, en krijgt de bredere afschrikrand.

Oefening 5.4 ★

Benoem elk lichaam. (a) Een plaat doleriet van 30 m30\,\mathrm{m} dik die tussen twee lagen zandsteen ligt over 20 km20\,\mathrm{km}. (b) Een verticale plaat basalt van 2 m2\,\mathrm{m} breed die horizontale kalkstenen doorsnijdt. (c) Een graniet die over 2000 km22000\,\mathrm{km}^{2} dagzoomt, opgebouwd uit een twaalftal eenheden van verschillende ouderdom. (d) Een lens porfier van 1 km1\,\mathrm{km} doorsnede, vlak aan de basis, waarboven de lagen opgebold zijn. (e) Een horizontale plaat basalt in een graniet.

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.4.

(a) Een sill, evenwijdig aan de gelaagdheid. (b) Een gang, die de gelaagdheid doorsnijdt. (c) Een batholiet, meer dan 100 km2100\,\mathrm{km}^{2} en opgebouwd uit veel intrusies. (d) Een laccoliet, die zijn dak heeft opgebold. (e) Een gang: graniet heeft geen gelaagdheid, dus elke plaat erin is een gang, wat haar oriëntatie ook is.

Oefening 5.5 ★★

Een basaltsmelt heeft ηℓ=100 Pa s\eta_{\ell} = 100\,\mathrm{Pa}\,\mathrm{s}. Bereken met de relatie van Einstein–Roscoe (R=1.35R = 1.35) de viscositeit van het magma met 5 %5\,\%, 20 %20\,\%, 40 %40\,\% en 60 %60\,\% kristallen, en vergelijk de eerste met de verdunde formule van Einstein. Bij welke kristalfractie voorspelt de relatie vastlopen?

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.5.

(1−1.35ϕ)−2.5(1 - 1.35\phi)^{-2.5}: voor ϕ=0.05\phi = 0.05 is 0.9325−2.5=1.190.9325^{-2.5} = 1.19, dus 119 Pa s119\,\mathrm{Pa}\,\mathrm{s}, tegen 1+2.5×0.05=1.1251 + 2.5\times0.05 = 1.125, 113 Pa s113\,\mathrm{Pa}\,\mathrm{s}, met de formule van Einstein (dichtbij, zoals het hoort in de verdunde limiet). Voor 0.200.20: 0.73−2.5=2.200.73^{-2.5} = 2.20, 220 Pa s220\,\mathrm{Pa}\,\mathrm{s}; voor 0.400.40: 0.46−2.5=6.970.46^{-2.5} = 6.97, 697 Pa s697\,\mathrm{Pa}\,\mathrm{s}; voor 0.600.60: 0.19−2.5=63.60.19^{-2.5} = 63.6, ongeveer 6360 Pa s6360\,\mathrm{Pa}\,\mathrm{s}. Vastlopen bij ϕ=1/1.35=0.74\phi = 1/1.35 = 0.74.

Oefening 5.6 ★★

Magma met een dichtheid die 300 kg/m3300\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3} lager is dan die van zijn wanden, stijgt door een gang op. (a) Bereken voor een basalt (η=100 Pa s\eta = 100\,\mathrm{Pa}\,\mathrm{s}, ρ=2700 kg/m3\rho = 2700\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3}) in een gang van 1 m1\,\mathrm{m} breed de gemiddelde snelheid, het debiet per meter gang, het reynoldsgetal en de tijd om 10 km10\,\mathrm{km} te stijgen. (b) Dezelfde tijd voor een rhyoliet van 106 Pa s10^{6}\,\mathrm{Pa}\,\mathrm{s} in een gang van 1 m1\,\mathrm{m} breed, daarna van 10 m10\,\mathrm{m} breed. (c) Een gang van 1 m1\,\mathrm{m} breed verliest zijn warmte in een tijd van de orde (w/2)2/κ(w/2)^2/\kappa, met κ=1×10−6 m2/s\kappa = 1 \times 10^{-6}\,\mathrm{m}^{2}/\mathrm{s}: welke van de drie opstijgingen kan slagen?

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.6.

G=300×9.81=2943 Pa/mG = 300\times9.81 = 2943\,\mathrm{Pa}/\mathrm{m}. (a) uˉ=2943×12/(12×100)=2.45 m/s\bar u = 2943\times1^2/(12\times100) = 2.45\,\mathrm{m}/\mathrm{s}; q=2.45 m2/sq = 2.45\,\mathrm{m}^{2}/\mathrm{s}; Re=2700×2.45×1/100=66Re = 2700\times2.45\times1/100 = 66, laminair; t=10000/2.45=4080 st = 10000/2.45 = 4080\,\mathrm{s}, ongeveer 1.1 h1.1\,\mathrm{h}. (b) uˉ=2943/(12×106)=2.45×10−4 m/s\bar u = 2943/(12\times10^{6}) = 2.45 \times 10^{-4}\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, t=4.08×107 s=472t = 4.08 \times 10^{7}\,\mathrm{s} = 472 dagen; met w=10 mw = 10\,\mathrm{m} is uˉ\bar u honderd keer groter, 0.0245 m/s0.0245\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, en t=4.08×105 s=4.7t = 4.08 \times 10^{5}\,\mathrm{s} = 4.7 dagen. (c) De gang van 1 m1\,\mathrm{m} koelt af in ongeveer 0.52/10−6=2.5×105 s0.5^2/10^{-6} = 2.5 \times 10^{5}\,\mathrm{s}, 2.9 dagen; de gang van 10 m10\,\mathrm{m} in 52/10−6=2.5×107 s5^2/10^{-6} = 2.5 \times 10^{7}\,\mathrm{s}, 289 dagen. Het basalt (1.1 h1.1\,\mathrm{h}) en het rhyoliet in de brede gang (4.7 dagen) komen aan voordat hun gangen stollen; het rhyoliet in de gang van 1 m1\,\mathrm{m} (472 dagen) niet.

Oefening 5.7 ★★

Een magma met dichtheid 2400 kg/m32400\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3} bij 900 ∘C900\,{}^{\circ}\mathrm{C} geeft 1 %1\,\% van zijn massa af als waterdamp. Bereken, met de damp als ideaal gas (R=8.314 J/(mol K)R = 8.314\,\mathrm{J}/(\mathrm{mol}\,\mathrm{K}), 18.015 g/mol18.015\,\mathrm{g}/\mathrm{mol}), de volumefractie gas in het magma bij 100 MPa100\,\mathrm{MPa}, 10 MPa10\,\mathrm{MPa} en 0.1 MPa0.1\,\mathrm{MPa}. Welke van de drie waarden is het minst betrouwbaar, en waarom?

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.7.

Per kilogram magma is n=10/18.015=0.555 moln = 10/18.015 = 0.555\,\mathrm{mol} water en nRT=0.555×8.314×1173=5414 JnRT = 0.555\times8.314\times1173 = 5414\,\mathrm{J}; de resterende smelt neemt 0.99/2400=4.13×10−4 m30.99/2400 = 4.13 \times 10^{-4}\,\mathrm{m}^{3} in. Bij 100 MPa100\,\mathrm{MPa}: V=5.41×10−5 m3V = 5.41 \times 10^{-5}\,\mathrm{m}^{3}, fractie 5.41/(5.41+41.3)=0.125.41/(5.41 + 41.3) = 0.12. Bij 10 MPa10\,\mathrm{MPa}: V=5.41×10−4 m3V = 5.41 \times 10^{-4}\,\mathrm{m}^{3}, fractie 0.570.57. Bij 0.1 MPa0.1\,\mathrm{MPa}: V=0.0541 m3V = 0.0541\,\mathrm{m}^{3}, fractie 0.9920.992. De waarde bij 100 MPa100\,\mathrm{MPa} is het minst betrouwbaar: waterdamp bij zo’n druk is dicht en verre van ideaal (en veel van het water zou in feite nog opgelost zijn).

Oefening 5.8 ★★

In een bekken neemt de dichtheid van de gesteenten toe met de diepte zz als ρ(z)=2300+60 z\rho(z) = 2300 + 60\,z (kg/m3\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3}, zz in km\mathrm{km}) tot 10 km10\,\mathrm{km}. (a) Waar ligt het niveau van neutraal drijfvermogen van een basaltsmelt van 2650 kg/m32650\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3}? (b) Het dichtheidsmodel van dit hoofdstuk toont dat één procent opgelost water de dichtheid van een basaltsmelt met ongeveer 70 kg/m370\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3} verlaagt. Waar stopt een smelt met één procent water meer? (c) Wat is de opwaartse kracht per kubieke meter van de droge smelt 2 km2\,\mathrm{km} onder zijn niveau van neutraal drijfvermogen?

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.8.

(a) 2300+60z=26502300 + 60z = 2650 geeft z=5.8 kmz = 5.8\,\mathrm{km}. (b) De smelt heeft 2580 kg/m32580\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3}: z=280/60=4.7 kmz = 280/60 = 4.7\,\mathrm{km}, ongeveer 1.2 km1.2\,\mathrm{km} hoger. (c) Bij z=7.8 kmz = 7.8\,\mathrm{km} heeft het gesteente 2300+60×7.8=2770 kg/m32300 + 60\times7.8 = 2770\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3}; de kracht is (2770−2650)×9.81=1.2 kN(2770 - 2650)\times9.81 = 1.2\,\mathrm{kN} per kubieke meter, omhoog.

Oefening 5.9 ★★

Veronderstel dat een granietdiapier met straal 1 km1\,\mathrm{km} en dichtheidstekort 300 kg/m3300\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3} opstijgt door onderkorst met viscositeit 1019 Pa s10^{19}\,\mathrm{Pa}\,\mathrm{s}. Bereken zijn stokessnelheid (starre bol) in millimeter per jaar en de tijd om 10 km10\,\mathrm{km} te stijgen. Vergelijk met de tijdschaal a2/κa^2/\kappa van zijn afkoeling, met κ=1×10−6 m2/s\kappa = 1 \times 10^{-6}\,\mathrm{m}^{2}/\mathrm{s}. Wat volgt daaruit?

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.9.

v=2×300×9.81×(1000)2/(9×1019)=6.5×10−11 m/sv = 2\times300\times9.81\times(1000)^2/(9\times10^{19}) = 6.5 \times 10^{-11}\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, of 6.5×10−11×3.156×107=2.1×10−3 m6.5 \times 10^{-11}\times3.156 \times 10^{7} = 2.1 \times 10^{-3}\,\mathrm{m} per jaar, 2.1 mm/yr2.1\,\mathrm{mm}/\mathrm{yr}. Een stijging van 10 km10\,\mathrm{km} duurt 104/2.1×10−3=4.8 Myr10^{4}/2.1 \times 10^{-3} = 4.8\,\mathrm{Myr}. De tijdschaal van de afkoeling is (1000)2/10−6=1012 s=32 kyr(1000)^2/10^{-6} = 10^{12}\,\mathrm{s} = 32\,\mathrm{kyr}: het lichaam stolt na een stijging van ongeveer 32000×0.0021≈70 m32000\times0.0021 \approx 70\,\mathrm{m}. Een magmatische diapier kan zo’n korst niet doorkruisen; hij heeft een hetere, zachtere omgeving nodig.

Oefening 5.10 ★★★

Water lost in een smelt op als moleculen, xm=K1fx_m = K_1 f, en als hydroxylgroepen, xOH2=K2xmx_{\mathrm{OH}}^2 = K_2 x_m (de zuurstof van de smelt in grote overmaat), zodat het totale opgeloste water x=xm+xOH/2x = x_m + x_{\mathrm{OH}}/2 is. (a) Druk xx uit als functie van ff en toon aan dat het zich gedraagt als f\sqrt f bij lage ff en als ff bij hoge ff. (b) Bij welke fugaciteit zijn de twee vormen van water even overvloedig? (c) Bereken met K1=1×10−4 MPa−1K_1 = 1 \times 10^{-4}\,\mathrm{MPa}^{-1} en K2=0.2K_2 = 0.2 die fugaciteit, en het aandeel water dat als hydroxyl is opgelost bij 100 MPa100\,\mathrm{MPa}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.10.

(a) xOH=K2xm=K1K2fx_{\mathrm{OH}} = \sqrt{K_2x_m} = \sqrt{K_1K_2f}, dus x=K1f+12K1K2fx = K_1f + \frac12\sqrt{K_1K_2f}. De verhouding van de eerste term tot de tweede is 2K1f/K22\sqrt{K_1f/K_2}: ze gaat naar nul als f→0f \to 0 (de vierkantswortel overheerst) en groeit onbegrensd met ff (de lineaire term overheerst). (b) K1f=12K1K2fK_1 f = \frac12\sqrt{K_1K_2 f} geeft K12f2=K1K2f/4K_1^2f^2 = K_1K_2f/4, dus f=K2/(4K1)f = K_2/(4K_1). (c) f=0.2/(4×10−4)=500 MPaf = 0.2/(4 \times 10^{-4}) = 500\,\mathrm{MPa}. Bij 100 MPa100\,\mathrm{MPa}: xm=0.0100x_m = 0.0100, 1210−4×0.2×100=12×0.0447=0.0224\frac12\sqrt{10^{-4}\times0.2\times100} = \frac12\times0.0447 = 0.0224, dus x=0.0324x = 0.0324 en het aandeel hydroxyl is 0.0224/0.0324=69 %0.0224/0.0324 = 69\,\%.

Oefening 5.11 ★★★

Een granietpluton van 1000 km31000\,\mathrm{km}^{3} wordt opgebouwd over 4 Myr4\,\mathrm{Myr}. (a) Bereken zijn gemiddelde magma-aanvoer in km3\mathrm{km}^{3} per jaar en in m3\mathrm{m}^{3} per seconde. (b) Eén enkele gang van 1 km1\,\mathrm{km} lang en 2 m2\,\mathrm{m} breed, met een gemiddelde snelheid van 0.8 m/s0.8\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, voedt hem: hoe lang zou de gang erover doen om het hele pluton aan te voeren? Welke fractie van de 4 Myr4\,\mathrm{Myr} is dat? (c) Als het pluton is opgebouwd uit platen van 20 m20\,\mathrm{m} dik en 10 km10\,\mathrm{km} bij 10 km10\,\mathrm{km} breed, hoeveel platen zijn er nodig, en hoeveel tijd ligt er gemiddeld tussen twee ervan? (d) Hoe lang doet een plaat er, met λ=0.65\lambda = 0.65 en κ=0.7×10−6 m2/s\kappa = 0.7 \times 10^{-6}\,\mathrm{m}^{2}/\mathrm{s}, over om te stollen? Is het pluton ooit één groot magmalichaam?

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.11.

(a) 1000/4×106=2.5×10−4 km31000/4 \times 10^{6} = 2.5 \times 10^{-4}\,\mathrm{km}^{3} per jaar, dat is 2.5×105 m32.5 \times 10^{5}\,\mathrm{m}^{3} per jaar, of 2.5×105/3.156×107=0.0079 m3/s2.5 \times 10^{5}/3.156 \times 10^{7} = 0.0079\,\mathrm{m}^{3}/\mathrm{s}, ongeveer acht liter per seconde. (b) De gang voert 1000×2×0.8=1600 m3/s1000\times2\times0.8 = 1600\,\mathrm{m}^{3}/\mathrm{s} aan, en levert 1012 m310^{12}\,\mathrm{m}^{3} in 6.25×108 s6.25 \times 10^{8}\,\mathrm{s}, ongeveer 20 jaar: 5×10−65 \times 10^{-6} van de 4 Myr4\,\mathrm{Myr}. (c) Elke plaat bevat 20×104×104=2×109 m3=2 km320\times10^{4}\times10^{4} = 2 \times 10^{9}\,\mathrm{m}^{3} = 2\,\mathrm{km}^{3}, dus 500 platen, gemiddeld één om de 4×106/500=80004 \times 10^{6}/500 = 8000 jaar. (d) t=(10)2/(4×0.652×0.7×10−6)=8.5×107 st = (10)^2/(4\times0.65^2\times0.7 \times 10^{-6}) = 8.5 \times 10^{7}\,\mathrm{s}, 2.7 jaar. Elke plaat stolt duizenden jaren voordat de volgende aankomt: tenzij de aanvoer in snelle stoten komt, is het pluton nooit één groot magmalichaam, zoals de datering van grote plutonen doet vermoeden.

Oefening 5.12 ★★★

Ver van een dunne gang met breedte bb (op afstanden x≫bx \gg b) werkt zijn warmte als een ogenblikkelijke vlakke bron: T−T0=(Tm−T0) b e−x2/(4κt)/4πκtT - T_0 = (T_m - T_0)\,b\,e^{-x^2/(4\kappa t)}/\sqrt{4\pi\kappa t}. (a) Toon aan dat de temperatuur op afstand xx het hoogst is op t∗=x2/(2κ)t^* = x^2/(2\kappa), en dat deze hoogste stijging ΔTmax⁡=(Tm−T0) b/(x2πe)\Delta T_{\max} = (T_m - T_0)\,b/(x\sqrt{2\pi e}) is. (b) Op welke afstand warmt het gesteente voor een gang van 2 m2\,\mathrm{m} breed met Tm−T0=1100 KT_m - T_0 = 1100\,\mathrm{K} hoogstens 100 K100\,\mathrm{K} op, en wanneer (κ=0.7×10−6 m2/s\kappa = 0.7 \times 10^{-6}\,\mathrm{m}^{2}/\mathrm{s})? (c) Waarom zijn de contacthoven van dunne gangen zo smal?

Oplossing

Oplossing van Oefening 5.12.

(a) Bij vaste xx is ln⁡(T−T0)=const−12ln⁡t−x2/(4κt)\ln(T - T_0) = \text{const} - \frac12\ln t - x^2/(4\kappa t), waarvan de afgeleide −1/(2t)+x2/(4κt2)-1/(2t) + x^2/(4\kappa t^2) nul wordt bij t∗=x2/(2κ)t^* = x^2/(2\kappa). Dan is e−x2/(4κt∗)=e−1/2e^{-x^2/(4\kappa t^*)} = e^{-1/2} en 4πκt∗=x2π\sqrt{4\pi\kappa t^*} = x\sqrt{2\pi}, dus ΔTmax⁡=(Tm−T0) b e−1/2/(x2π)=(Tm−T0) b/(x2πe)\Delta T_{\max} = (T_m - T_0)\,b\,e^{-1/2}/(x\sqrt{2\pi}) = (T_m - T_0)\,b/(x\sqrt{2\pi e}). (b) 2πe=4.13\sqrt{2\pi e} = 4.13: x=1100×2/(100×4.13)=5.3 mx = 1100\times2/(100\times4.13) = 5.3\,\mathrm{m}, bereikt na t∗=5.32/(2×0.7×10−6)=2.0×107 st^* = 5.3^2/(2\times0.7 \times 10^{-6}) = 2.0 \times 10^{7}\,\mathrm{s}, ongeveer 230 dagen (op slechts 2.7 gangbreedten is de benadering met een vlakke bron grof). (c) De verwarming neemt af als b/xb/x: een dunne gang draagt weinig warmte, en het gesteente wordt alleen binnen enkele gangbreedten merkbaar opgewarmd.

5.8 Probleem: De sill onder het plateau

Probleem 5.1

Weekendprobleem — een basaltmagma volgen van zijn toevoergang tot een sill, zijn water, en de tijd die de sill nodig heeft om te stollen

Onder een denkbeeldig plateau rusten sedimenten (schalie en zandsteen) met een gemiddelde dichtheid van 2450 kg/m32450\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3} op 3.0 km3.0\,\mathrm{km} diepte op een kristallijn basement met een dichtheid van 2800 kg/m32800\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3}. Een basaltmagma steeg op van 15 km15\,\mathrm{km} door een gang van 2.0 m2.0\,\mathrm{m} breed en spreidde zich langs de basis van de sedimenten uit als een doleriet-sill van 100 m100\,\mathrm{m} dik. Gegevens: intrusietemperatuur 1150 ∘C1150\,{}^{\circ}\mathrm{C}; viscositeitswet van de smelt log⁡10η=−4.55+5510/(T−611)\log_{10}\eta = -4.55 + 5510/(T - 611) (TT in kelvin); dichtheid van de smelt met zijn water 2710 kg/m32710\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3}; 20 %20\,\% kristallen in volume (Einstein–Roscoe, R=1.35R = 1.35); opgelost water 0.40 %0.40\,\%, oplosbaarheid s=0.34s = 0.34 procent per MPa\sqrt{\mathrm{MPa}}; temperatuur van het gastgesteente bij de sill 100 ∘C100\,{}^{\circ}\mathrm{C}; κ=0.7×10−6 m2/s\kappa = 0.7 \times 10^{-6}\,\mathrm{m}^{2}/\mathrm{s}, ρc=2.5 MJ/(m3 K)\rho c = 2.5\,\mathrm{MJ}/(\mathrm{m}^{3}\,\mathrm{K}), latente warmte 900 MJ/m3900\,\mathrm{MJ}/\mathrm{m}^{3}, waarbij het magma wordt behandeld alsof het stolt op zijn intrusietemperatuur; g=9.81 m/s2g = 9.81\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}; één jaar is 3.156×107 s3.156 \times 10^{7}\,\mathrm{s}.

Deel I — Het magma.

  1. Bereken log⁡10η\log_{10}\eta en η\eta van de smelt bij 1150 ∘C1150\,{}^{\circ}\mathrm{C} (1423 K1423\,\mathrm{K}).
  2. Hetzelfde bij 1100 ∘C1100\,{}^{\circ}\mathrm{C}. Met welke factor verandert de viscositeit over deze 50 K50\,\mathrm{K}?
  3. Bereken de viscositeit van het magma met zijn kristallen bij 1150 ∘C1150\,{}^{\circ}\mathrm{C}.
  4. Bij welke kristalfractie zou de relatie van Einstein–Roscoe het magma doen vastlopen? Vergelijk met de veldschatting van het einde van de stroming in bulk.
  5. Bereken het dichtheidsverschil tussen het magma en het basement, en tussen het magma en de sedimenten.
  6. Bereken de lithostatische druk op het niveau van de sill.

Deel II — Omhoog door de gang.

  1. Bereken de drukgradiënt van de opwaartse kracht, Δρ g\Delta\rho\,g, die het magma door het basement drijft.
  2. Bereken de gemiddelde snelheid van het magma in de gang.
  3. Bereken het debiet per meter gang, en het totale debiet als de gang 1.0 km1.0\,\mathrm{km} lang is.
  4. Bereken het reynoldsgetal van de stroming. Is ze laminair?
  5. Hoe lang doet het magma erover om van 15 km15\,\mathrm{km} tot 3.0 km3.0\,\mathrm{km} te stijgen?
  6. Vergelijk met de tijdschaal (w/2)2/κ(w/2)^2/\kappa waarover de gang zijn warmte verliest. Kan hij open blijven?
  7. Leg uit waarom het magma op 3.0 km3.0\,\mathrm{km} stopte en zich zijwaarts uitspreidde, met de woordenschat van het hoofdstuk.

Deel III — Het water.

  1. Bereken de verzadigingsdruk van het water van de smelt, en de diepte in de sedimenten waar ze wordt bereikt.
  2. Hoeveel water zou de smelt op het niveau van de sill kunnen bevatten? Ontmengt het magma van de sill water?
  3. Blaasjes in de afschrikrand van de sill bevatten vooral CO2_2. Verklaar.
  4. Als alle 0.40 %0.40\,\% water aan het oppervlak vrijkwam, bij 1150 ∘C1150\,{}^{\circ}\mathrm{C} en 0.1 MPa0.1\,\mathrm{MPa}, welke volumefractie van het magma zou de damp dan innemen (ideaal gas)?

Deel IV — Afkoeling en stolling.

  1. Bereken, zonder latente warmte, de contacttemperatuur van de sill.
  2. Bereken, zonder latente warmte, de temperatuur 10 m10\,\mathrm{m} boven het bovenste contact 1010 jaar na de intrusie.
  3. Hetzelfde model: bereken de temperatuur in het midden van de sill na 1010 jaar en 5050 jaar.
  4. Hetzelfde model: bereken 80 m80\,\mathrm{m} boven het bovenste contact de temperatuur na 300300, 363363 en 420420 jaar. Bereikt het gesteente daar ooit 300 ∘C300\,{}^{\circ}\mathrm{C}?
  5. Bereken Lπ/(ρc (Tm−T0))L\sqrt\pi/(\rho c\,(T_m - T_0)) voor de sill.
  6. Bereken e−λ2/(λ(1+erf⁡λ))e^{-\lambda^2}/(\lambda(1 + \operatorname{erf}\lambda)) voor λ=0.64\lambda = 0.64, 0.650.65 en 0.660.66 (erf⁡0.64=0.6346\operatorname{erf}0.64 = 0.6346, erf⁡0.65=0.6420\operatorname{erf}0.65 = 0.6420, erf⁡0.66=0.6494\operatorname{erf}0.66 = 0.6494), en geef λ\lambda tot op twee decimalen.
  7. Bereken, met latente warmte, de contacttemperatuur terwijl de sill stolt. Waarom is ze hoger dan in vraag 18?
  8. Bereken de tijdschaal (b/2)2/κ(b/2)^2/\kappa in jaren.
  9. Bereken de tijd die de sill nodig heeft om te stollen, in jaren, het kerngetal van dit probleem, en leg uit waarom die korter is dan de tijdschaal van de vorige vraag, hoewel er latente warmte moet worden afgevoerd.
Oplossing

Oplossing van Probleem 5.1.

1. log⁡10η=−4.55+5510/(1423−611)=−4.55+6.786=2.24\log_{10}\eta = -4.55 + 5510/(1423 - 611) = -4.55 + 6.786 = 2.24; η=172 Pa s\eta = 172\,\mathrm{Pa}\,\mathrm{s}.

2. −4.55+5510/762=−4.55+7.231=2.68-4.55 + 5510/762 = -4.55 + 7.231 = 2.68, η=480 Pa s\eta = 480\,\mathrm{Pa}\,\mathrm{s}: een factor 480/172=2.8480/172 = 2.8 voor 50 K50\,\mathrm{K}.

3. 172×(1−1.35×0.20)−2.5=172×0.73−2.5=172×2.20=378 Pa s172\times(1 - 1.35\times0.20)^{-2.5} = 172\times0.73^{-2.5} = 172\times2.20 = 378\,\mathrm{Pa}\,\mathrm{s}.

4. ϕ=1/1.35=0.74\phi = 1/1.35 = 0.74. De veldgegevens plaatsen het einde van de stroming in bulk bij een smeltfractie van 30 tot 50 %30\text{ tot }50\,\%, dat is 50 tot 70 %50\text{ tot }70\,\% kristallen: eerder, omdat echte kristallen geen bollen van één grootte zijn.

5. Basement: 2800−2710=90 kg/m32800 - 2710 = 90\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3}, het magma is lichter. Sedimenten: 2450−2710=−260 kg/m32450 - 2710 = -260\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3}, het magma is dichter.

6. p=2450×9.81×3000=72.1 MPap = 2450\times9.81\times3000 = 72.1\,\mathrm{MPa}.

7. 90×9.81=883 Pa/m90\times9.81 = 883\,\mathrm{Pa}/\mathrm{m}.

8. uˉ=883×2.02/(12×378)=3532/4536=0.78 m/s\bar u = 883\times2.0^2/(12\times378) = 3532/4536 = 0.78\,\mathrm{m}/\mathrm{s}.

9. q=0.78×2.0=1.56 m2/sq = 0.78\times2.0 = 1.56\,\mathrm{m}^{2}/\mathrm{s}; over 1.0 km1.0\,\mathrm{km} ongeveer 1560 m3/s1560\,\mathrm{m}^{3}/\mathrm{s}.

10. Re=2710×0.78×2.0/378=11Re = 2710\times0.78\times2.0/378 = 11: laminair.

11. 12000/0.78=15 400 s12000/0.78 = 15\,400\,\mathrm{s}, ongeveer 4.3 h4.3\,\mathrm{h}.

12. (1.0)2/0.7×10−6=1.43×106 s(1.0)^2/0.7 \times 10^{-6} = 1.43 \times 10^{6}\,\mathrm{s}, 16.5 dagen, veel langer dan 4.3 h4.3\,\mathrm{h}: de gang blijft open zolang het magma stroomt.

13. Op 3.0 km3.0\,\mathrm{km} ontmoet het magma sedimenten die lichter zijn dan het magma zelf: de basis van de sedimenten is zijn niveau van neutraal drijfvermogen. Daarboven zou het magma dichter zijn dan zijn omgeving, dus spreidt het zich zijwaarts langs het contact uit als een sill.

14. ps=(0.40/0.34)2=1.38 MPap_s = (0.40/0.34)^2 = 1.38\,\mathrm{MPa}, bereikt op 1.38×106/(2450×9.81)=58 m1.38 \times 10^{6}/(2450\times9.81) = 58\,\mathrm{m} onder het oppervlak.

15. 0.34×72.1=0.34×8.49=2.9 %0.34\times\sqrt{72.1} = 0.34\times8.49 = 2.9\,\%, veel meer dan de aanwezige 0.40 %0.40\,\%: het magma van de sill ontmengt geen water.

16. CO2_2 is veel minder oplosbaar dan water: het raakt verzadigd en vormt al diep tijdens de opstijging bellen, dus het eerste gas van een basalt is vooral CO2_2.

17. Per kilogram is n=4.0/18.015=0.222 moln = 4.0/18.015 = 0.222\,\mathrm{mol}, V=0.222×8.314×1423/105=0.0263 m3V = 0.222\times8.314\times1423/ 10^{5} = 0.0263\,\mathrm{m}^{3}; de smelt neemt 0.996/2710=3.68×10−4 m30.996/2710 = 3.68 \times 10^{-4}\,\mathrm{m}^{3} in; de fractie is 0.0263/(0.0263+0.000368)=0.9860.0263/(0.0263 + 0.000368) = 0.986, 98.6 %98.6\,\%.

18. (1150+100)/2=625 ∘C(1150 + 100)/2 = 625\,{}^{\circ}\mathrm{C}.

19. Na 10 jaar is 2κt=20.7×10−6×3.156×108=29.7 m2\sqrt{\kappa t} = 2\sqrt{0.7 \times 10^{-6}\times3.156 \times 10^{8}} = 29.7\,\mathrm{m}. Het punt ligt op x=60 mx = 60\,\mathrm{m} van het midden: T=100+525 [erf⁡(−10/29.7)+erf⁡(110/29.7)]=100+525 (−0.365+1.000)=433 ∘CT = 100 + 525\,[\operatorname{erf}(-10/29.7) + \operatorname{erf}(110/29.7)] = 100 + 525\,(-0.365 + 1.000) = 433\,{}^{\circ}\mathrm{C}.

20. In het midden is T=100+1050erf⁡(50/2κt)T = 100 + 1050\operatorname{erf}(50/2\sqrt{\kappa t}): na 10 jaar 1050erf⁡(1.68)=1050×0.9831050\operatorname{erf}(1.68) = 1050\times0.983, T=1132 ∘CT = 1132\,{}^{\circ}\mathrm{C}; na 50 jaar is 2κt=66.5 m2\sqrt{\kappa t} = 66.5\,\mathrm{m}, 1050erf⁡(0.752)=1050×0.7131050\operatorname{erf}(0.752) = 1050\times0.713, T=848 ∘CT = 848\,{}^{\circ}\mathrm{C}.

21. Bij x=130 mx = 130\,\mathrm{m}: 294 ∘C294\,{}^{\circ}\mathrm{C} na 300 jaar, 295 ∘C295\,{}^{\circ}\mathrm{C} na 363 jaar (het maximum), 295 ∘C295\,{}^{\circ}\mathrm{C} na 420 jaar. Zonder latente warmte bereikt het gesteente 80 m80\,\mathrm{m} boven de sill nooit helemaal 300 ∘C300\,{}^{\circ}\mathrm{C}.

22. 9×108×1.772/(2.5×106×1050)=0.6089 \times 10^{8}\times1.772/(2.5 \times 10^{6}\times1050) = 0.608.

23. λ=0.64\lambda = 0.64: e−0.4096/(0.64×1.6346)=0.6639/1.0461=0.635e^{-0.4096}/(0.64\times1.6346) = 0.6639/1.0461 = 0.635; 0.650.65: 0.6554/1.0673=0.6140.6554/1.0673 = 0.614; 0.660.66: 0.6469/1.0886=0.5940.6469/1.0886 = 0.594. De waarde 0.6080.608 ligt tussen 0.650.65 en 0.660.66, dicht bij 0.650.65: λ=0.65\lambda = 0.65.

24. 100+1050/(1+0.642)=100+640=740 ∘C100 + 1050/(1 + 0.642) = 100 + 640 = 740\,{}^{\circ}\mathrm{C}. De latente warmte die aan het stollingsfront vrijkomt, houdt de kant van het magma langer op 1150 ∘C1150\,{}^{\circ}\mathrm{C}, dus het contact ontvangt meer warmte.

25. (50)2/0.7×10−6=3.57×109 s(50)^2/0.7 \times 10^{-6} = 3.57 \times 10^{9}\,\mathrm{s}, 113 jaar.

26. t=(100)2/(16×0.652×0.7×10−6)=104/4.73×10−6=2.11×109 st = (100)^2/(16\times0.65^2\times0.7 \times 10^{-6}) = 10^{4}/4.73 \times 10^{-6} = 2.11 \times 10^{9}\,\mathrm{s}, dus 2.11×109/3.156×1072.11 \times 10^{9}/3.156 \times 10^{7}: de sill is vast na 67 67\, jaar. Dat is korter dan (b/2)2/κ(b/2)^2/\kappa met de factor 1/(4λ2)=0.591/(4\lambda^2) = 0.59: die tijdschaal geeft alleen de grootteorde, en beide wanden van de sill voeren tegelijk warmte af naar een koud gastgesteente, snel genoeg om ook de latente warmte af te voeren.

এই অধ্যায়ে সংজ্ঞায়িত পরিভাষা-শব্দ

পরিভাষায় সব 957 টি শব্দ দেখো