পৃথিবী ও মহাকাশ বিজ্ঞান · বই 4 · স্নাতক দ্বিতীয় বর্ষ

Universitaire aard- en ruimtewetenschappen — jaar 2

বইগুলো এখনো বাংলা ভাষায় পাওয়া যায় না — Nederlands সংস্করণ দেখানো হচ্ছে।

Universitaire aard- en ruimtewetenschappen — jaar 2 · স্নাতক দ্বিতীয় বর্ষ

7De mantel smelten

De mantel is vast. Seismische schuifgolven doorkruisen hem van boven tot onder, en het peridotiet dat eruit naar boven komt, is een kristallijn gesteente. Toch levert hij alleen al langs de oceanische ruggen elk jaar zo’n twintig kubieke kilometer nieuwe oceanische korst, waarvan elke kubieke meter uit een smelt is gemaakt. De paradox verdwijnt zodra men weet dat de mantel niet smelt omdat hij wordt verhit: hij smelt omdat de druk erop daalt, of omdat er water aan wordt toegevoegd. Onder een rug stijgt de mantel op, daalt zijn druk sneller dan zijn temperatuur, en overschrijdt hij zijn smeltkromme; boven een zinkende plaat verlaagt water dat uit de plaat vrijkomt die kromme onder de mantelwig. In beide gevallen smelt slechts een kleine fractie van het gesteente, en die fractie, gescheiden van haar residu, wordt het basalt van de oceaanbodem en van de vulkanische bogen. Dit hoofdstuk beschrijft eerst het mantelgesteente en de fasediagrammen die vertellen hoe zulke gesteenten smelten, en volgt daarna de mantel omhoog onder een rug tot aan de dikte van de korst die hij maakt.

Wat je al weet

Uit het scheikundeboek van het tweede jaar universiteit: binaire fasediagrammen, de solidus en de liquidus, het eutectisch punt, congruent smelten, vaste oplossingen en de hefboomregel, volgens welke de verhoudingen van twee naast elkaar bestaande fasen omgekeerd evenredig zijn met hun afstanden tot de totale samenstelling. Uit de natuurkundeboeken: de soortelijke warmte, de latente warmte, de entropie en de tweede hoofdwet, volgens welke een reversibel adiabatisch proces de entropie behoudt. Uit Boek 3: de belangrijkste gesteentevormende mineralen, olivijn, pyroxenen, granaat en spinel, hun vaste oplossingen en het Mg-getal; de manteladiabaat, dT/dz=αgT/cp\mathrm dT/\mathrm dz = \alpha gT/c_p; de oceanische korst, (7.1±0.8) km(7.1 \pm 0.8)\,\mathrm{km} dik ver van hotspots en ongeveer 20 km20\,\mathrm{km} boven de kern van een pluim; subducerende platen en het water dat ze meevoeren. Uit Hoofdstuk 3: basalt van mid-oceanische ruggen (MORB), verdelingscoëfficiënten en incompatibele elementen.

7.1 Het mantelgesteente

Mantelgesteente bereikt het oppervlak als fragmenten die door magma’s worden meegevoerd, de xenolieten, en als de basis van schollen oceanische lithosfeer die op de continenten zijn geschoven, de ofiolieten. Bijna alles ervan is peridotiet.

Definitie 7.1 (Peridotiet en zijn soorten)

Een peridotiet is een grofkorrelig ultramafisch gesteente met meer dan 40 %40\,\% olivijn, waarbij de rest uit pyroxenen en een beetje van een aluminiumhoudend mineraal (spinel of granaat) bestaat. Een duniet bevat meer dan 90 %90\,\% olivijn. Daaronder bevat een lherzoliet zowel orthopyroxeen als clinopyroxeen; een harzburgiet bevat orthopyroxeen maar bijna geen clinopyroxeen; een wehrliet bevat clinopyroxeen maar bijna geen orthopyroxeen. Gesteenten met minder dan 40 %40\,\% olivijn zijn pyroxenieten.

De indeling wordt afgelezen op een driehoek met als hoekpunten olivijn, orthopyroxeen en clinopyroxeen (de figuur hieronder): elk punt staat voor een gesteente, en zijn afstanden tot de drie zijden geven de verhoudingen van de drie mineralen. Een modelsamenstelling van de verarmde bovenmantel die onder de ruggen smelt, heeft 57 %57\,\% olivijn, 28 %28\,\% orthopyroxeen, 13 %13\,\% clinopyroxeen en 2 %2\,\% spinel: een lherzoliet.

Indeling van de peridotieten en pyroxenieten naar hun verhoudingen van olivijn, orthopyroxeen en clinopyroxeen (naar het schema van de British Geological Survey). De smalle stroken langs de twee bovenste zijden bevatten de gesteenten met bijna geen clinopyroxeen (harzburgiet) of geen orthopyroxeen (wehrliet). De rode stip is de model-bovenmantel onder de ruggen (57, 28 en 13\,\%, hergenormaliseerd zonder zijn 2\,\% spinel).
Indeling van de peridotieten en pyroxenieten naar hun verhoudingen van olivijn, orthopyroxeen en clinopyroxeen (naar het schema van de British Geological Survey). De smalle stroken langs de twee bovenste zijden bevatten de gesteenten met bijna geen clinopyroxeen (harzburgiet) of geen orthopyroxeen (wehrliet). De rode stip is de model-bovenmantel onder de ruggen (57, 28 en 13 %13\,\%, hergenormaliseerd zonder zijn 2 %2\,\% spinel).

De drie peridotieten zijn geen drie onafhankelijke gesteentesoorten: het zijn stadia van één proces. Clinopyroxeen en het aluminiumhoudende mineraal raken als eerste op wanneer peridotiet smelt (Sectie 7.4), dus een lherzoliet die een smelt heeft verloren, wordt er armer aan; na genoeg smelten is het een harzburgiet, en een gesteente dat bijna al zijn pyroxeen heeft verloren, is een duniet.

Definitie 7.2 (Fertiele en residuele mantel)

Een fertiele mantel is een peridotiet, meestal een lherzoliet, dat nog het clinopyroxeen en het aluminiumhoudende mineraal bevat waaruit basalt wordt gemaakt. Een residuele mantel is het peridotiet dat achterblijft nadat er een smelt aan is onttrokken: armer aan clinopyroxeen, aluminium, calcium en de incompatibele elementen, rijker aan olivijn en met een hoger Mg-getal.

De isotopisch verarmde mantel van Hoofdstuk 4 is een reservoir, gedefinieerd door zijn verhoudingen; een residuele mantel is een gesteente, gedefinieerd door wat het heeft verloren. De twee hangen samen, want de verarmde mantel is verarmd omdat er lang geleden smelt aan werd onttrokken, maar het ene wordt in een massaspectrometer gelezen en het andere onder de microscoop.

7.2 Fasediagrammen van gesteenten

Een gesteente is een mengsel van mineralen, en het smelt over een temperatuurbereik, niet in één punt. De diagrammen die dit beschrijven, werden eerst gemeten aan mengsels van zuivere synthetische mineralen, door een kleine lading op een bekende temperatuur te houden tot ze in evenwicht was, haar af te schrikken, en onder de microscoop te zoeken naar glas, dat vloeibaar was geweest, en kristallen.

Een binair eutecticum: diopsied en anorthiet

Een basalt bestaat in wezen uit een calciumrijk plagioklaas en een clinopyroxeen, en Bowen koos zuiver anorthiet en diopsied als zijn eenvoudigste model. Gemengd en verhit, vormen ze een gewoon eutectisch systeem (de figuur hieronder): diopsied smelt bij 1391.5 ∘C1391.5\,{}^{\circ}\mathrm{C} en anorthiet bij 1550 ∘C1550\,{}^{\circ}\mathrm{C}, maar een mengsel van 58 %58\,\% diopsied en 42 %42\,\% anorthiet in massa smelt volledig bij 1270 ∘C1270\,{}^{\circ}\mathrm{C}.

Het systeem diopsied–anorthiet bij atmosferische druk, uit de afschrikexperimenten van Bowen (1915): liquidustemperaturen (stippen, midden van de afschrikintervallen) en het eutecticum E. In het rood de afkoeling van een smelt van 20\,\% anorthiet: diopsied kristalliseert vanaf 1350\, C, de smelt daalt langs de liquidus naar E, en de rest kristalliseert daar als een mengsel van beide mineralen.
Het systeem diopsied–anorthiet bij atmosferische druk, uit de afschrikexperimenten van Bowen (1915): liquidustemperaturen (stippen, midden van de afschrikintervallen) en het eutecticum E. In het rood de afkoeling van een smelt van 20 %20\,\% anorthiet: diopsied kristalliseert vanaf 1350 ∘C1350\,{}^{\circ}\mathrm{C}, de smelt daalt langs de liquidus naar E, en de rest kristalliseert daar als een mengsel van beide mineralen.

Van boven gelezen geeft het diagram de kristallisatievolgorde. Een smelt van 20 %20\,\% anorthiet begint diopsied te kristalliseren bij 1350 ∘C1350\,{}^{\circ}\mathrm{C}; de smelt verliest diopsied, wordt rijker aan anorthiet en daalt langs de liquidus tot hij het eutecticum bereikt, waar anorthiet zich bij diopsied voegt en de temperatuur op 1270 ∘C1270\,{}^{\circ}\mathrm{C} blijft tot alle smelt verdwenen is. Van onderen gelezen geeft het hoe het gesteente smelt: wat de verhoudingen van de twee mineralen ook zijn, de eerste smelt verschijnt bij 1270 ∘C1270\,{}^{\circ}\mathrm{C} en heeft de eutectische samenstelling. Dat is de eerste les voor de mantel. De eerste smelt van een gesteente heeft niet de samenstelling van het gesteente: ze heeft de samenstelling die wordt vastgelegd door de mineralen waaruit ze smelt, en ze verschijnt bij een temperatuur ver onder de smeltpunten van al die mineralen.

Incongruent smelten: forsteriet en silica

Sommige mineralen smelten niet tot een smelt met hun eigen samenstelling.

Definitie 7.3 (Incongruent smelten, peritectisch punt)

Een mineraal vertoont incongruent smelten wanneer het bij verhitting uiteenvalt in een andere vaste stof en een smelt met een andere samenstelling, in plaats van te smelten tot een smelt met zijn eigen samenstelling. Op een binair fasediagram is het punt waar die smelt naast beide vaste stoffen bestaat een peritectisch punt: anders dan een eutecticum ligt het niet tussen de samenstellingen van de twee vaste stoffen.

Enstatiet, het magnesiumrijke orthopyroxeen MgSiOX3\ce{MgSiO3}, smelt incongruent. Bij atmosferische druk valt het bij 1557 ∘C1557\,{}^{\circ}\mathrm{C} uiteen in forsteriet, MgX2SiOX4\ce{Mg2SiO4}, en een smelt die iets rijker aan silica is dan het enstatiet zelf; pas bij 1577 ∘C1577\,{}^{\circ}\mathrm{C} is al het forsteriet opgelost (de figuur hieronder). Bowen en Andersen vonden in 1914 dat het uiteenvallen 5.5 %5.5\,\% forsteriet en 94.5 %94.5\,\% smelt geeft, zoals de hefboomregel voorspelt uit de drie samenstellingen (Oefening 7.6). Verder naar silica toe smelten enstatiet en cristobaliet samen in een eutecticum, 1543 ∘C1543\,{}^{\circ}\mathrm{C}.

Deel van het systeem MgO–SiO2 bij atmosferische druk, naar Bowen en Andersen (1914). Enstatiet (MgSiO3) smelt incongruent in het peritectisch punt P, 1557\, C, tot forsteriet en een smelt van 60.9\,\% SiO2; E is het eutecticum enstatiet–cristobaliet, 1543\, C. De liquidus van forsteriet is alleen dicht bij enstatiet gemeten: het gestreepte deel is recht doorgetrokken tot het smeltpunt van forsteriet.
Deel van het systeem MgO\ce{MgO}–SiOX2\ce{SiO2} bij atmosferische druk, naar Bowen en Andersen (1914). Enstatiet (MgSiOX3\ce{MgSiO3}) smelt incongruent in het peritectisch punt P, 1557 ∘C1557\,{}^{\circ}\mathrm{C}, tot forsteriet en een smelt van 60.9 %60.9\,\% SiOX2\ce{SiO2}; E is het eutecticum enstatiet–cristobaliet, 1543 ∘C1543\,{}^{\circ}\mathrm{C}. De liquidus van forsteriet is alleen dicht bij enstatiet gemeten: het gestreepte deel is recht doorgetrokken tot het smeltpunt van forsteriet.

Het peritectisch punt is de tweede les voor de mantel. Wanneer een peridotiet smelt, lost zijn orthopyroxeen niet gewoon op: het geeft olivijn aan het residu en silica aan de smelt. De smelt is daarom rijker aan silica dan de pyroxenen, en het residu rijker aan olivijn dan het gesteente: de weg van lherzoliet naar harzburgiet en duniet.

Drie componenten: het ternaire diagram

Echte gesteenten hebben meer dan twee mineralen. Met drie vraagt de samenstelling een driehoek, en wordt de temperatuur een derde dimensie.

Definitie 7.4 (Ternair fasediagram, cotectische lijn, ternair eutecticum)

Een ternair fasediagram stelt de evenwichten van een systeem van drie componenten bij een gegeven druk voor: elk punt van een driehoek staat voor een samenstelling, de hoekpunten voor de zuivere componenten, en het liquidusoppervlak wordt getekend als temperatuurcontouren of als de velden van de mineralen die als eerste kristalliseren. Een cotectische lijn is de lijn waarlangs de smelt tegelijk verzadigd is in twee mineralen en beide kristalliseert terwijl hij afkoelt. De cotectische lijnen dalen af van de binaire eutectica op de zijden van de driehoek en ontmoeten elkaar in het ternaire eutecticum, de laagste temperatuur waarbij smelt bestaat, waar de drie mineralen samen kristalliseren.

Methode 7.5 (Een kristallisatieweg aflezen op een ternair diagram)

Zoek de totale samenstelling XX in de driehoek en het veld waarin ze ligt: het mineraal van dat veld kristalliseert als eerste. Zolang alleen dat mineraal kristalliseert, beweegt de smelt in een rechte lijn recht weg van het hoekpunt van het mineraal, door XX, omdat het verwijderen van een zuivere component alleen het aandeel ervan verandert; volgens de hefboomregel is de massafractie kristallen de afstand van XX tot de smelt gedeeld door de afstand van het hoekpunt tot de smelt. Wanneer de smelt een cotectische lijn bereikt, voegt het tweede mineraal zich erbij en volgt de smelt de cotectische lijn omlaag naar het ternaire eutecticum, waar de laatste smelt kristalliseert. Een component die in geen van de kristallen terechtkomt, blijft in de smelt, dus zijn concentratie geeft de fractie resterende smelt: fsmelt=cX/csmeltf_{\text{smelt}} = c_X/c_{\text{smelt}}.

Een ternair eutectisch systeem (schematisch). Elk veld bevat de smelten waaruit zijn mineraal als eerste kristalliseert; de cotectische lijnen (pijlen naar dalende temperatuur) lopen van de binaire eutectica e naar het ternaire eutecticum E. Een smelt X in het veld A kristalliseert A, en beweegt weg van het hoekpunt A tot hij de cotectische lijn A–B ontmoet in L_1; A en B kristalliseren dan samen tot E, waar C zich bij hen voegt ().
Een ternair eutectisch systeem (schematisch). Elk veld bevat de smelten waaruit zijn mineraal als eerste kristalliseert; de cotectische lijnen (pijlen naar dalende temperatuur) lopen van de binaire eutectica ee naar het ternaire eutecticum E. Een smelt XX in het veld A kristalliseert A, en beweegt weg van het hoekpunt A tot hij de cotectische lijn A–B ontmoet in L1L_1; A en B kristalliseren dan samen tot E, waar C zich bij hen voegt (Oefening 7.11).

Systemen van drie gesteentevormende mineralen worden op dezelfde manier gelezen. De regels die bepalen hoeveel fasen naast elkaar kunnen bestaan, en de vrije-energieoppervlakken waaruit zulke diagrammen worden berekend, horen bij Boek 5 van deze reeks.

7.3 Solidus, adiabaat en drie manieren om te smelten

Mantelperidotiet heeft een solidus, de temperatuur waarbij zijn eerste smelt verschijnt, en een liquidus ver daarboven. Beide stijgen met de druk. Experimenten met natuurlijke peridotieten, verzameld en gefit door Katz, Spiegelman en Langmuir in 2003, geven voor de droge solidus

Ts(P)=1085.7+132.9 P−5.1 P2T_{\mathrm{s}}(P) = 1085.7 + 132.9\,P - 5.1\,P^2

(in graden Celsius, PP in gigapascal): 1086 ∘C1086\,{}^{\circ}\mathrm{C} aan het oppervlak, 1331 ∘C1331\,{}^{\circ}\mathrm{C} bij 2 GPa2\,\mathrm{GPa}. Op dezelfde diepten is de mantel heter of kouder dan dit, afhankelijk van waar hij ligt, en om mantels te vergelijken neemt men het effect van de diepte weg.

Definitie 7.6 (Potentiële manteltemperatuur)

De potentiële manteltemperatuur TpT_p is de temperatuur die een pakket convecterende mantel zou hebben als het langs de manteladiabaat naar het oppervlak werd gebracht, zonder warmte uit te wisselen en zonder te smelten.

Langs de adiabaat geldt dT/dP=αT/(ρcp)\mathrm dT/\mathrm dP = \alpha T/(\rho c_p), de vorm in druk van de hierboven herhaalde gradiënt αgT/cp\alpha gT/c_p, want dP=ρg dz\mathrm dP = \rho g\,\mathrm dz. Met α=4×10−5 K−1\alpha = 4 \times 10^{-5}\,\mathrm{K}^{-1}, ρ=3300 kg/m3\rho = 3300\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3} en cp=1000 J/(kg K)c_p = 1000\,\mathrm{J}/(\mathrm{kg}\,\mathrm{K}) is dat ongeveer 20 K20\,\mathrm{K} per gigapascal, waarbij een gigapascal overeenkomt met 30.9 km30.9\,\mathrm{km} mantel (Oefening 7.3). Boek 3 gaf de mantel een potentiële temperatuur van ongeveer 1350 ∘C1350\,{}^{\circ}\mathrm{C} uit de mineraalfysica; petrologische schattingen voor de mantel onder ruggen lopen van 1280 tot 1400 ∘C1400\,{}^{\circ}\mathrm{C}.

Propositie 7.7 (Begin van decompressiesmelten)

Mantel met potentiële temperatuur TpT_p die opstijgt langs de adiabaat T=Tp+GPT = T_p + GP (GG constant), begint te smelten bij de druk P0P_0 waar de adiabaat de solidus Ts(P)=a1+a2P+a3P2T_{\mathrm s}(P) = a_1 + a_2P + a_3P^2 snijdt, de kleinste wortel van

−a3P2+(G−a2)P+(Tp−a1)=0.-a_3P^2 + (G - a_2)P + (T_p - a_1) = 0 .

Een mantel die ΔTp\Delta T_p heter is, begint dieper te smelten, met ΔP0≈ΔTp/(Ts′(P0)−G)\Delta P_0 \approx \Delta T_p/(T_{\mathrm s}'(P_0) - G).

Bewijs. Op diepte is de adiabaat kouder dan de solidus, omdat de solidus steiler stijgt (Ts′≈110 K/GPaT_{\mathrm s}' \approx 110\,\mathrm{K}/\mathrm{GPa} tegen G≈20G \approx 20). De twee krommen snijden elkaar waar Tp+GP=a1+a2P+a3P2T_p + GP = a_1 + a_2P + a_3P^2, wat tot de vierkantsvergelijking herschikt. Differentiëren van Tp+GP0=Ts(P0)T_p + GP_0 = T_{\mathrm s}(P_0) geeft dTp=(Ts′(P0)−G) dP0\mathrm dT_p = (T_{\mathrm s}'(P_0) - G)\,\mathrm dP_0. ∎

Voor Tp=1350 ∘CT_p = 1350\,{}^{\circ}\mathrm{C} ligt het begin bij 2.66 GPa2.66\,\mathrm{GPa}, ongeveer 82 km82\,\mathrm{km} diep, bij 1403 ∘C1403\,{}^{\circ}\mathrm{C}; elke 10 ∘C10\,{}^{\circ}\mathrm{C} potentiële temperatuur verschuift het met ongeveer 0.12 GPa0.12\,\mathrm{GPa}, of 3.6 km3.6\,\mathrm{km}. De figuur hieronder toont de solidus en de adiabaten.

Smeltkrommen van droog peridotiet en de watergezadigde solidus volgens de parametrisering van Katz en anderen (2003), met doorgetrokken adiabaten voor drie potentiële temperaturen; de stippen markeren het begin van het smelten, 2.08\, GPa voor 1300\, C, 2.66\, GPa voor 1350\, C en 4.00\, GPa voor 1450\, C. Tussen de solidus en de liquidus van lherzoliet smelt het gesteente terwijl het zijn clinopyroxeen behoudt. Diepteschaal voor een mantel van 3300\, kg/ m3.
Smeltkrommen van droog peridotiet en de watergezadigde solidus volgens de parametrisering van Katz en anderen (2003), met doorgetrokken adiabaten voor drie potentiële temperaturen; de stippen markeren het begin van het smelten, 2.08 GPa2.08\,\mathrm{GPa} voor 1300 ∘C1300\,{}^{\circ}\mathrm{C}, 2.66 GPa2.66\,\mathrm{GPa} voor 1350 ∘C1350\,{}^{\circ}\mathrm{C} en 4.00 GPa4.00\,\mathrm{GPa} voor 1450 ∘C1450\,{}^{\circ}\mathrm{C}. Tussen de solidus en de liquidus van lherzoliet smelt het gesteente terwijl het zijn clinopyroxeen behoudt. Diepteschaal voor een mantel van 3300 kg/m33300\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3}.

Het diagram toont de drie manieren om een gesteente boven zijn solidus te brengen.

Definitie 7.8 (Partieel smelten, decompressiesmelten en fluxsmelten)

Partieel smelten is het smelten van een fractie van een gesteente, tussen zijn solidus en zijn liquidus. Decompressiesmelten is het partieel smelten van gesteente dat opstijgt, en dus druk verliest, sneller dan het afkoelt, tot het zijn solidus overschrijdt. Fluxsmelten, of waterhoudend smelten, is het partieel smelten dat wordt veroorzaakt door de toevoeging van een vluchtig bestanddeel, vooral water, dat de solidus onder de temperatuur van het gesteente verlaagt. De derde manier, een gesteente bij constante druk boven zijn solidus verhitten, vraagt een externe warmtebron, zoals een heet magma.

Verhitting is het minst doeltreffend in de mantel, die warmte traag geleidt; in de korst kan de warmte van basaltmagma de omringende gesteenten doen smelten (Hoofdstuk 12). Decompressie voedt de ruggen en de hotspots; fluxsmelten voedt de vulkanische bogen.

7.4 Decompressiesmelten onder een rug

Zodra de opstijgende mantel zijn solidus overschrijdt, blijft hij stijgen, en wordt de vraag hoeveel smelt hij maakt.

Definitie 7.9 (Smeltfractie)

De smeltfractie FF van een gedeeltelijk gesmolten gesteente is de massa smelt die het heeft geproduceerd, gedeeld door zijn beginmassa. Tussen de solidus (F=0F = 0) en de liquidus (F=1F = 1) is de temperatuur op het smeltoppervlak een functie T(P,F)T(P, F).

Smelten kost warmte: de latente warmte, TΔST\Delta S per kilogram smelt, waarbij ΔS\Delta S de smeltentropie is. Een opstijgend pakket wisselt geen warmte uit met zijn omgeving, dus de latente warmte komt uit zijn eigen temperatuur, en het stijgt langs een weg van constante entropie die tussen de solidus en de liquidus ligt.

Propositie 7.10 (Isentrope smeltproductiviteit)

Voor mantel die opstijgt zonder warmte uit te wisselen, met soortelijke warmte cpc_p, thermische uitzettingscoëfficiënt α\alpha, dichtheid ρ\rho en smeltentropie ΔS\Delta S, is de smeltproductiviteit, de smelt die per eenheid drukdaling wordt gemaakt,

−dFdP=cpT(∂T∂P)F−αρΔS+cpT(∂T∂F)P ,-\frac{\mathrm dF}{\mathrm dP} = \frac{\dfrac{c_p}{T}\Big(\dfrac{\partial T}{\partial P}\Big)_F - \dfrac{\alpha}{\rho}} {\Delta S + \dfrac{c_p}{T}\Big(\dfrac{\partial T}{\partial F}\Big)_P}\,,

met TT in kelvin.

Bewijs. De specifieke entropie van het gedeeltelijk gesmolten gesteente verandert met ds=cp dT/T−(α/ρ) dP+ΔS dF\mathrm ds = c_p\, \mathrm dT/T - (\alpha/\rho)\,\mathrm dP + \Delta S\,\mathrm dF: de eerste twee termen zijn die van een vaste stof (de tweede is een maxwellrelatie, bekend uit de natuurkunde), de derde is de entropie die de massa dF\mathrm dF wint die smelt. Een reversibele adiabatische opstijging houdt ds=0\mathrm ds = 0. Op het smeltoppervlak geldt dT=(∂T/∂P)F dP+(∂T/∂F)P dF\mathrm dT = (\partial T/\partial P)_F\,\mathrm dP + (\partial T/\partial F)_P\,\mathrm dF. Substitutie geeft

[cpT(∂T∂P)F−αρ]dP+[ΔS+cpT(∂T∂F)P]dF=0,\Big[\frac{c_p}{T}\Big(\frac{\partial T}{\partial P}\Big)_F - \frac{\alpha}{\rho}\Big]\mathrm dP + \Big[\Delta S + \frac{c_p}{T}\Big(\frac{\partial T}{\partial F}\Big)_P\Big]\mathrm dF = 0,

wat het resultaat is. ∎

De teller is het overschot van de helling van de smeltkrommen boven die van de adiabaat, de aandrijving; de noemer bevat de latente warmte en de warmte die nodig is om de temperatuur van het smeltende gesteente langs het smeltinterval te verhogen, de remmen. Met de parameters van Katz en anderen, ΔS=300 J/(kg K)\Delta S = 300\,\mathrm{J}/(\mathrm{kg}\,\mathrm{K}), en een smeltfractie die lineair stijgt tussen de solidus en de liquidus van lherzoliet, is de productiviteit bij 2 GPa2\,\mathrm{GPa} ongeveer 11 %11\,\% per gigapascal (Oefening 7.8): elke kilometer opstijging smelt ongeveer een derde procent van het gesteente. Hun gefitte smeltfunctie, die de eerste procent smelt traag laat komen, geeft gemiddeld iets minder, ongeveer 9 %9\,\% per gigapascal van het begin tot het oppervlak voor Tp=1350 ∘CT_p = 1350\,{}^{\circ}\mathrm{C}. De productiviteit daalt wanneer het clinopyroxeen op is, na smeltfracties van Mcpx/(0.50+0.08P)M_{\mathrm{cpx}}/(0.50 + 0.08P) in hun model, zo’n 25 tot 30 %30\,\% voor een mantel met 13 tot 15 %15\,\% clinopyroxeen: een harzburgietresidu smelt met tegenzin.

Smeltfractie van een kolom droog peridotiet die opstijgt zonder warmte uit te wisselen, van het begin van het smelten tot het oppervlak, berekend door behoud van entropie met de smeltfunctie van Katz en anderen (2003), voor een gesteente met 15\,\% clinopyroxeen. Bij 1450\, C raakt het clinopyroxeen op rond 25\, km en wordt de kromme steiler.
Smeltfractie van een kolom droog peridotiet die opstijgt zonder warmte uit te wisselen, van het begin van het smelten tot het oppervlak, berekend door behoud van entropie met de smeltfunctie van Katz en anderen (2003), voor een gesteente met 15 %15\,\% clinopyroxeen. Bij 1450 ∘C1450\,{}^{\circ}\mathrm{C} raakt het clinopyroxeen op rond 25 km25\,\mathrm{km} en wordt de kromme steiler.

De smelt blijft niet waar hij ontstaat. Met ongeveer 2900 kg/m32900\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3} is hij lichter dan het vaste peridotiet, 3300 kg/m33300\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3}, dus hij scheidt zich van zijn residu en stijgt erdoorheen op; onder een rug wordt hij naar de as toe verzameld. De korst wordt opgebouwd uit de smelten van een hele mantelregio.

Propositie 7.11 (Korst van een driehoekig smeltgebied)

Laat onder een rug die met de halve snelheid UU spreidt, de mantel verticaal opstijgen met de snelheid UU door een driehoekig smeltgebied met hoogte HH, de top bovenaan onder de as en de zijden onder 45∘45{}^{\circ}, en het horizontaal met de snelheid UU via zijn zijden verlaten; laat de smeltfractie lineair groeien van 00 aan de basis tot Fmax⁡F_{\max} aan de top, alle smelt naar de korst worden afgevoerd, en mantel en korst dezelfde dichtheid hebben. Dan is de korst

hc=∫0HF(z) dz=12Fmax⁡Hh_c = \int_0^H F(z)\,\mathrm dz = \tfrac12 F_{\max}H

dik, en heeft de samengevoegde smelt de gemiddelde smeltfractie Fmax⁡/2F_{\max}/2.

Bewijs. Meet xx vanaf de as en de hoogte yy boven de basis. Mantel komt de basis binnen bij ∣x∣≤H|x| \le H en stijgt tot hij een zijde ontmoet, bij y=H−∣x∣y = H - |x|, en is dan gesmolten tot F=Fmax⁡(H−∣x∣)/HF = F_{\max}(H - |x|)/H. Per lengte-eenheid rug en per tijdseenheid is de gemaakte smelt ∫−HHUF dx=2UFmax⁡∫0H(1−x/H) dx=UFmax⁡H\int_{-H}^{H} U F\,\mathrm dx = 2UF_{\max}\int_0^H (1 - x/H)\,\mathrm dx = UF_{\max}H. De korst vertrekt aan beide zijden met de snelheid UU: 2Uhc=UFmax⁡H2Uh_c = UF_{\max}H. De verwerkte mantel is 2UH2UH, dus de gemiddelde smeltfractie is UFmax⁡H/(2UH)=Fmax⁡/2UF_{\max}H/(2UH) = F_{\max}/2. Ten slotte ∫0HFmax⁡ y/H dy=Fmax⁡H/2\int_0^H F_{\max}\,y/H\,\mathrm dy = F_{\max}H/2. ∎

Het resultaat hangt niet af van de spreidingssnelheid, zoals waargenomen (Boek 3). Voor Tp=1350 ∘CT_p = 1350\,{}^{\circ}\mathrm{C} geeft de kolom van de figuur hierboven, met haar trage begin, ∫F dz=9.0 km\int F\,\mathrm dz = 9.0\,\mathrm{km} korst, iets meer dan de gemeten 7.1 km7.1\,\mathrm{km}; een mantel die 50 ∘C50\,{}^{\circ}\mathrm{C} kouder is, geeft 5.5 km5.5\,\mathrm{km}, en een die 100 ∘C100\,{}^{\circ}\mathrm{C} heter is 19 km19\,\mathrm{km}, dicht bij de 20 km20\,\mathrm{km} boven de kern van een pluim (de figuur hieronder). De korstdikte is een thermometer, en een gevoelige: omdat hc∝P02h_c \propto P_0^2 wanneer de productiviteit constant is, veranderen tien graden haar met ongeveer een tiende (weekendprobleem).

Een driehoekig smeltgebied onder een rug (schematisch, niet op schaal; in werkelijkheid is z_0 tien keer de korstdikte). Mantel die onder de as opstijgt, overschrijdt zijn solidus bij z_0, smelt terwijl hij stijgt, en stopt met smelten wanneer zijn stroming onder de bewegende platen horizontaal wordt; de smelt percoleert omhoog en naar de as toe en bouwt de korst op.
Een driehoekig smeltgebied onder een rug (schematisch, niet op schaal; in werkelijkheid is z0z_0 tien keer de korstdikte). Mantel die onder de as opstijgt, overschrijdt zijn solidus bij z0z_0, smelt terwijl hij stijgt, en stopt met smelten wanneer zijn stroming onder de bewegende platen horizontaal wordt; de smelt percoleert omhoog en naar de as toe en bouwt de korst op.
Dikte van de korst die een driehoekig smeltgebied maakt, ∈t F\, dz langs de as, tegen de potentiële temperatuur van de mantel (kolommen zoals in de figuur hierboven), vergeleken met de seismische dikte van normale oceanische korst en van korst boven de kern van een pluim (banden).
Dikte van de korst die een driehoekig smeltgebied maakt, ∫F dz\int F\,\mathrm dz langs de as, tegen de potentiële temperatuur van de mantel (kolommen zoals in de figuur hierboven), vergeleken met de seismische dikte van normale oceanische korst en van korst boven de kern van een pluim (banden).

7.5 Fluxsmelten boven een plaat

Bij een subductiezone stijgt de mantelwig niet op; hij wordt langs de plaat omlaag gesleept. Wat hem doet smelten, is water. De plaat voert water mee omlaag in haar mineralen en geeft het af wanneer die onder druk en temperatuur uiteenvallen (Boek 3); het water stijgt op in de hete wig erboven. Water lost op in silicaatsmelt, en een smelt die water bevat, is stabiel bij een lagere temperatuur. In de parametrisering van Katz en anderen verlaagt XX procent water opgelost in de smelt de solidus met

ΔT=43 X0.75(∘C),\Delta T = 43\,X^{0.75} \quad ({}^{\circ}\mathrm{C}),

43 ∘C43\,{}^{\circ}\mathrm{C} voor 1 %1\,\%, 144 ∘C144\,{}^{\circ}\mathrm{C} voor 5 %5\,\%, tot de hoeveelheid die de smelt verzadigt, die nul is bij atmosferische druk, ongeveer 13 %13\,\% bij 1 GPa1\,\mathrm{GPa}, en met de druk groeit. De watergezadigde solidus is de blauwe kromme van de solidusfiguur: rond 920 ∘C920\,{}^{\circ}\mathrm{C} tussen 1 en 2 GPa2\,\mathrm{GPa}, zo’n 300 ∘C300\,{}^{\circ}\mathrm{C} tot 400 ∘C400\,{}^{\circ}\mathrm{C} onder de droge (Oefening 7.12).

Water is incompatibel: het gaat veel gemakkelijker in de smelt dan in de mineralen, met een verdelingscoëfficiënt van ongeveer 0.01. Zelfs een mantel met een honderdtal ppm water maakt daarom een eerste smelt met ongeveer een procent water, wat zijn solidus met zo’n 50 ∘C50\,{}^{\circ}\mathrm{C} verlaagt, zodat het smelten dieper begint dan in droge mantel en er een lange staart van kleine smeltfracties ontstaat (Oefening 7.9). Boven een plaat is de wateraanvoer veel groter, en de wig smelt waar zijn temperatuur de natte solidus overschrijdt: de smelten van de bogen worden nat geboren.

7.6 Smeltgraad en primaire magma’s

Definitie 7.12 (Primair magma)

Een primair magma is een smelt waarvan de samenstelling niet is veranderd sinds hij zijn bron verliet: hij is in evenwicht met de residuele mantel, en heeft geen mineralen gekristalliseerd en niet gereageerd met de gesteenten op zijn weg omhoog.

Een magma dat onderweg mineralen kristalliseert, of zich met andere mengt, is niet langer primair; hoe het dan verandert, is het onderwerp van Hoofdstuk 8. Een primair magma legt zijn bron vast: zijn smeltfractie, want een lage smeltgraad concentreert de incompatibele elementen in de smelt (Hoofdstuk 3), en de druk waarbij het voor het laatst in evenwicht was met het residu. Hoe sporenelementen tussen smelt en residu worden verdeeld bij batch- en fractioneel smelten, wordt in Boek 5 gemodelleerd. Het residu is op zijn beurt het harzburgiet en peridotiet dat aan de basis van ofiolieten wordt gevonden.

In het veld — De mantel aan het oppervlak lezen

Een duniet, bijna volledig olivijn, met kleine zwarte korrels chromiet; het monster is 8.5 cm8.5\,\mathrm{cm} breed (Mike Davis, CC0).

Geologen ontmoeten de mantel in twee vormen. Mantelxenolieten, knollen van groen peridotiet in basalten en kimberlieten, werden van de wanden van het kanaal losgerukt en binnen dagen tot weken naar boven gebracht, te snel om de mineralen te verliezen die ze op diepte hadden. Ofiolieten ontsluiten de mantel onder een doorsnede van oceanische korst, met zijn harzburgiet en andere peridotieten aan de basis van de opeenvolging. Daar karteren geologen de peridotieten en het duniet ertussen, nemen ze monsters langs traverses, en meten ze in het laboratorium de verhoudingen van de mineralen, hun samenstellingen en de sporenelementen van de residuen; elk monster wordt op de indelingsdriehoek en op de smeltwegen van dit hoofdstuk geplaatst.

7.7 Oefeningen

Oefening 7.1 ★

Benoem elk gesteente naar zijn verhoudingen van olivijn, orthopyroxeen en clinopyroxeen (procent): (a) 93, 5, 2; (b) 75, 25, 0; (c) 60, 27, 13; (d) 30, 45, 25. (e) Geef de naam van de model-bovenmantel (57, 28, 13 en 2 %2\,\% spinel) nadat zijn drie silicaten tot 100 %100\,\% zijn hergenormaliseerd.

Oplossing

Oplossing van Oefening 7.1.

(a) Meer dan 90 %90\,\% olivijn: duniet. (b) Olivijn en orthopyroxeen zonder clinopyroxeen: harzburgiet. (c) Meer dan 40 %40\,\% olivijn met beide pyroxenen: lherzoliet. (d) Minder dan 40 %40\,\% olivijn: een pyroxeniet (een olivijnwebsteriet, met beide pyroxenen). (e) 57/98=58.2 %57/98 = 58.2\,\%, 28/98=28.6 %28/98 = 28.6\,\%, 13/98=13.3 %13/98 = 13.3\,\%: een lherzoliet.

Oefening 7.2 ★

Op het diagram diopsied–anorthiet koelt een smelt van 60 %60\,\% anorthiet af. (a) Bij welke temperatuur begint hij te kristalliseren, en welk mineraal vormt zich? (b) Bij welke temperatuur verschijnt het tweede mineraal, en wat is dan de samenstelling van de smelt? (c) Wat is de samenstelling van de eerste smelt wanneer een gesteente van 80 %80\,\% diopsied en 20 %20\,\% anorthiet wordt verhit, en bij welke temperatuur verschijnt die?

Oplossing

Oplossing van Oefening 7.2.

(a) De liquidus bij 60 %60\,\% anorthiet ligt op 1390 ∘C1390\,{}^{\circ}\mathrm{C}, in het anorthietveld: anorthiet kristalliseert als eerste. (b) Diopsied verschijnt in het eutecticum, 1270 ∘C1270\,{}^{\circ}\mathrm{C}, wanneer de smelt 42 %42\,\% anorthiet bevat. (c) De eerste smelt van elk mengsel van de twee mineralen is de eutectische smelt, 42 %42\,\% anorthiet, bij 1270 ∘C1270\,{}^{\circ}\mathrm{C}.

Oefening 7.3 ★

(a) Bereken de adiabatische gradiënt αT/(ρcp)\alpha T/(\rho c_p) in kelvin per gigapascal voor Tp=1350 ∘CT_p = 1350\,{}^{\circ}\mathrm{C}, α=4.0×10−5 K−1\alpha = 4.0 \times 10^{-5}\,\mathrm{K}^{-1}, ρ=3300 kg/m3\rho = 3300\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3}, cp=1000 J/(kg K)c_p = 1000\,\mathrm{J}/(\mathrm{kg}\,\mathrm{K}). (b) Hoeveel kilometer mantel komt overeen met een gigapascal (g=9.81 m/s2g = 9.81\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2})? Reken de gradiënt om naar kelvin per kilometer en vergelijk met een typische geothermische gradiënt dicht bij het oppervlak, ongeveer 30 K/km30\,\mathrm{K}/\mathrm{km}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 7.3.

(a) 4.0×10−5×1623/(3300×1000)=1.97×10−8 K/Pa=19.7 K/GPa4.0 \times 10^{-5}\times1623/(3300\times1000) = 1.97 \times 10^{-8}\,\mathrm{K}/\mathrm{Pa} = 19.7\,\mathrm{K}/\mathrm{GPa}. (b) 109/(3300×9.81)=3.09×104 m10^{9}/(3300\times9.81) = 3.09 \times 10^{4}\,\mathrm{m}, of 30.9 km30.9\,\mathrm{km} per gigapascal; 19.7/30.9=0.64 K/km19.7/30.9 = 0.64\,\mathrm{K}/\mathrm{km}, ongeveer vijftig keer minder dan de 30 K/km30\,\mathrm{K}/\mathrm{km} dicht bij het oppervlak, waar warmte wordt geleid, niet meegevoerd.

Oefening 7.4 ★

(a) Bereken de droge solidus van peridotiet bij 0, 1, 2 en 3 GPa3\,\mathrm{GPa}. (b) Met hoeveel graden stijgt hij per gigapascal rond 2 GPa2\,\mathrm{GPa}? (c) Leg in één zin uit waarom een mantel van 1400 ∘C1400\,{}^{\circ}\mathrm{C} bij 3 GPa3\,\mathrm{GPa} vast is, en dezelfde mantel, zonder warmte-uitwisseling naar 2 GPa2\,\mathrm{GPa} gebracht, gedeeltelijk gesmolten is.

Oplossing

Oplossing van Oefening 7.4.

(a) Ts(0)=1085.7 ∘CT_{\mathrm s}(0) = 1085.7\,{}^{\circ}\mathrm{C}; Ts(1)=1085.7+132.9−5.1=1213.5 ∘CT_{\mathrm s}(1) = 1085.7 + 132.9 - 5.1 = 1213.5\,{}^{\circ}\mathrm{C}; Ts(2)=1085.7+265.8−20.4=1331.1 ∘CT_{\mathrm s}(2) = 1085.7 + 265.8 - 20.4 = 1331.1\,{}^{\circ}\mathrm{C}; Ts(3)=1085.7+398.7−45.9=1438.5 ∘CT_{\mathrm s}(3) = 1085.7 + 398.7 - 45.9 = 1438.5\,{}^{\circ}\mathrm{C}. (b) 132.9−2×5.1×2=112.5 K/GPa132.9 - 2\times5.1\times2 = 112.5\,\mathrm{K}/\mathrm{GPa}. (c) Bij 3 GPa3\,\mathrm{GPa} ligt 1400 ∘C1400\,{}^{\circ}\mathrm{C} onder de solidus, 1438.5 ∘C1438.5\,{}^{\circ}\mathrm{C}; bij het opstijgen tot 2 GPa2\,\mathrm{GPa} langs de adiabaat koelt de mantel maar ongeveer 20 ∘C20\,{}^{\circ}\mathrm{C} af, tot zo’n 1380 ∘C1380\,{}^{\circ}\mathrm{C}, terwijl de solidus daalt tot 1331.1 ∘C1331.1\,{}^{\circ}\mathrm{C}: het gesteente ligt nu boven zijn solidus en een deel ervan smelt.

Oefening 7.5 ★★

Een smelt van 70 %70\,\% diopsied en 30 %30\,\% anorthiet koelt af. (a) Schat zijn liquidustemperatuur door te interpoleren tussen de liquidus bij 20 %20\,\% anorthiet (1350 ∘C1350\,{}^{\circ}\mathrm{C}) en bij 40 %40\,\% (1277.5 ∘C1277.5\,{}^{\circ}\mathrm{C}). (b) Welk mineraal kristalliseert als eerste? (c) Welke massafractie van het systeem is gekristalliseerd wanneer de smelt het eutecticum bereikt? (d) Wat zijn de verhoudingen van diopsied en anorthiet in het uiteindelijke gesteente?

Oplossing

Oplossing van Oefening 7.5.

(a) 1350+(1277.5−1350)×(30−20)/(40−20)=1314 ∘C1350 + (1277.5 - 1350)\times(30 - 20)/(40 - 20) = 1314\,{}^{\circ}\mathrm{C}. (b) De samenstelling ligt aan de diopsiedkant van het eutecticum: diopsied. (c) De smelt bereikt het eutecticum met 42 %42\,\% anorthiet; anorthiet blijft in de smelt, dus de smeltfractie is 30/42=0.71430/42 = 0.714 en 1−0.714=29 %1 - 0.714 = 29\,\% van het systeem is als diopsied gekristalliseerd. (d) Alles kristalliseert: 70 %70\,\% diopsied en 30 %30\,\% anorthiet, de totale samenstelling.

Oefening 7.6 ★★

(a) Bereken het massapercentage SiOX2\ce{SiO2} in forsteriet MgX2SiOX4\ce{Mg2SiO4} en in enstatiet MgSiOX3\ce{MgSiO3} (MMgO=40.30 g/molM_{\ce{MgO}} = 40.30\,\mathrm{g}/\mathrm{mol}, MSiOX2=60.08 g/molM_{\ce{SiO2}} = 60.08\,\mathrm{g}/\mathrm{mol}). (b) Bowen en Andersen vonden dat de peritectische smelt 97.5 %97.5\,\% MgSiOX3\ce{MgSiO3} en 2.5 %2.5\,\% SiOX2\ce{SiO2} bevat: wat is haar silicagehalte? (c) Bereken met de hefboomregel de massafractie forsteriet die ontstaat wanneer enstatiet in het peritectisch punt smelt, en vergelijk met hun 5.5 %5.5\,\%. (d) Wat betekent dit voor het silicagehalte van een smelt van peridotiet vergeleken met dat van zijn orthopyroxeen?

Oplossing

Oplossing van Oefening 7.6.

(a) Forsteriet: 60.08/(2×40.30+60.08)=60.08/140.68=42.71 %60.08/(2\times40.30 + 60.08) = 60.08/140.68 = 42.71\,\% SiOX2\ce{SiO2}; enstatiet: 60.08/100.38=59.85 %60.08/100.38 = 59.85\,\%. (b) 0.975×59.85+2.5=60.85 %0.975\times59.85 + 2.5 = 60.85\,\%. (c) Enstatiet ligt tussen forsteriet en de smelt: de fractie forsteriet is (60.85−59.85)/(60.85−42.71)=1.00/18.14=5.5 %(60.85 - 59.85)/(60.85 - 42.71) = 1.00/18.14 = 5.5\,\%, de waarde van Bowen en Andersen. (d) De smelt is rijker aan silica dan het orthopyroxeen waaruit hij komt, en het residu wint olivijn.

Oefening 7.7 ★★

Bereken met de adiabaat T=Tp+20PT = T_p + 20P en de droge solidus uit de tekst de druk en de diepte (30.9 km30.9\,\mathrm{km} per gigapascal) waarop het smelten begint voor (a) Tp=1300 ∘CT_p = 1300\,{}^{\circ}\mathrm{C} en (b) Tp=1450 ∘CT_p = 1450\,{}^{\circ}\mathrm{C}. (c) Met hoeveel kilometer per 10 ∘C10\,{}^{\circ}\mathrm{C} verdiept het begin zich rond Tp=1300 ∘CT_p = 1300\,{}^{\circ}\mathrm{C}? Gebruik Propositie 7.7.

Oplossing

Oplossing van Oefening 7.7.

(a) 5.1P2−112.9P+214.3=05.1P^2 - 112.9P + 214.3 = 0: P0=(112.9−12746.4−4371.7)/10.2=(112.9−91.51)/10.2=2.10 GPaP_0 = (112.9 - \sqrt{12746.4 - 4371.7})/10.2 = (112.9 - 91.51)/10.2 = 2.10\,\mathrm{GPa}, op 2.097×30.9=64.8 km2.097\times30.9 = 64.8\,\mathrm{km}. (b) 5.1P2−112.9P+364.3=05.1P^2 - 112.9P + 364.3 = 0: P0=(112.9−72.90)/10.2=3.92 GPaP_0 = (112.9 - 72.90)/10.2 = 3.92\,\mathrm{GPa}, op 121 km121\,\mathrm{km}. (c) Ts′(2.10)=132.9−21.4=111.5 K/GPaT_{\mathrm s}'(2.10) = 132.9 - 21.4 = 111.5\,\mathrm{K}/\mathrm{GPa}, dus ΔP0=10/(111.5−20)=0.109 GPa\Delta P_0 = 10/(111.5 - 20) = 0.109\,\mathrm{GPa} per 10 ∘C10\,{}^{\circ}\mathrm{C}, of 3.4 km3.4\,\mathrm{km}.

Oefening 7.8 ★★

Neem bij 2.0 GPa2.0\,\mathrm{GPa} aan dat de smeltfractie lineair stijgt van de droge solidus tot de liquidus van lherzoliet Tl=1475.0+80.0P−3.2P2T_{\mathrm l} = 1475.0 + 80.0P - 3.2P^2. Voor F=0.10F = 0.10: (a) bereken de temperatuur van het smeltende gesteente; (b) bereken (∂T/∂P)F(\partial T/\partial P)_F en (∂T/∂F)P(\partial T/\partial F)_P; (c) bereken de productiviteit met cp=1000 J/(kg K)c_p = 1000\,\mathrm{J}/(\mathrm{kg}\,\mathrm{K}), α/ρ=1.21×10−8 m3/(kg K)\alpha/\rho = 1.21 \times 10^{-8}\,\mathrm{m}^{3}/(\mathrm{kg}\,\mathrm{K}) en ΔS=300 J/(kg K)\Delta S = 300\,\mathrm{J}/(\mathrm{kg}\,\mathrm{K}). (d) Hoeveel zou ze zijn zonder latente warmte?

Oplossing

Oplossing van Oefening 7.8.

(a) Ts=1331.1 ∘CT_{\mathrm s} = 1331.1\,{}^{\circ}\mathrm{C}, Tl=1475.0+160.0−12.8=1622.2 ∘CT_{\mathrm l} = 1475.0 + 160.0 - 12.8 = 1622.2\,{}^{\circ}\mathrm{C}; T=1331.1+0.10×291.1=1360.2 ∘CT = 1331.1 + 0.10\times291.1 = 1360.2\,{}^{\circ}\mathrm{C}, of 1633 K1633\,\mathrm{K}. (b) (∂T/∂P)F=112.5+0.10×(67.2−112.5)=108.0 K/GPa(\partial T/\partial P)_F = 112.5 + 0.10\times(67.2 - 112.5) = 108.0\,\mathrm{K}/\mathrm{GPa}; (∂T/∂F)P=Tl−Ts=291.1 K(\partial T/\partial F)_P = T_{\mathrm l} - T_{\mathrm s} = 291.1\,\mathrm{K}. (c) cp/T=0.612c_p/T = 0.612; met α/ρ=12.1 J/(kg K)\alpha/\rho = 12.1\,\mathrm{J}/(\mathrm{kg}\,\mathrm{K}) per gigapascal is de teller 0.612×108.0−12.1=54.00.612\times108.0 - 12.1 = 54.0 en de noemer 300+0.612×291.1=478.2300 + 0.612\times291.1 = 478.2: −dF/dP=0.113-\mathrm dF/\mathrm dP = 0.113, 11.3 %11.3\,\% per gigapascal. (d) 54.0/178.2=0.30354.0/178.2 = 0.303, 30 %30\,\% per gigapascal: de latente warmte verlaagt de productiviteit met een factor 2.7.

Oefening 7.9 ★★

(a) Met hoeveel verlagen 1, 5 en 13 %13\,\% water opgelost in de smelt de solidus? (b) Wat is de watergezadigde solidus bij 1 GPa1\,\mathrm{GPa}? (c) Een mantel bevat 125 ppm125\,\mathrm{ppm} water in massa, en de verdelingscoëfficiënt van water tussen mineralen en smelt is 0.01. Bij het allereerste smelten bevat de smelt X=Xtotaal/DX = X_{\text{totaal}}/D: bereken die waarde en de verlaging van de solidus die ze veroorzaakt.

Oplossing

Oplossing van Oefening 7.9.

(a) 43×1=43 ∘C43\times1 = 43\,{}^{\circ}\mathrm{C}; 43×50.75=43×3.34=144 ∘C43\times5^{0.75} = 43\times3.34 = 144\,{}^{\circ}\mathrm{C}; 43×130.75=43×6.85=294 ∘C43\times13^{0.75} = 43\times6.85 = 294\,{}^{\circ}\mathrm{C}. (b) 1213.5−294=919 ∘C1213.5 - 294 = 919\,{}^{\circ}\mathrm{C}. (c) 125 ppm125\,\mathrm{ppm} is 0.0125 %0.0125\,\%, dus X=0.0125/0.01=1.25 %X = 0.0125/0.01 = 1.25\,\% en ΔT=43×1.250.75=43×1.18=51 ∘C\Delta T = 43\times1.25^{0.75} = 43\times1.18 = 51\,{}^{\circ}\mathrm{C}.

Oefening 7.10 ★★★

(a) Controleer in Propositie 7.11 dat de mantel die elk jaar de basis van de driehoek binnenkomt, gelijk is aan de mantel die via zijn zijden vertrekt. Waarom moeten de zijden onder 45∘45{}^{\circ} staan voor een mantel die met UU opstijgt en met UU vertrekt? (b) Toon aan dat bij constante productiviteit Π\Pi per gigapascal hc=Π ρg z02/2h_c = \Pi\,\rho g\,z_0^2/2 (met P0=ρgz0P_0 = \rho g z_0), zodat de korst groeit als het kwadraat van de diepte van het begin. (c) Een rug spreidt met een volle snelheid van 50 mm/yr50\,\mathrm{mm}/\mathrm{yr} en maakt 7.1 km7.1\,\mathrm{km} korst: welk volume korst maakt elke kilometer rug per jaar, en welk volume mantel smelt hij als de gemiddelde smeltfractie 12 %12\,\% is?

Oplossing

Oplossing van Oefening 7.10.

(a) De basis is 2H2H breed en de mantel doorkruist ze met UU: 2UH2UH per lengte-eenheid rug en per tijdseenheid. Elke zijde overspant de hoogte HH en wordt horizontaal doorkruist met UU: UHUH elk, 2UH2UH in totaal. Met zijden onder θ\theta zou de basis 2H/tan⁡θ2H/\tan\theta breed zijn en de instroom 2UH/tan⁡θ2UH/\tan\theta, alleen gelijk aan de uitstroom als tan⁡θ=1\tan\theta = 1: in dit model wordt de hoek door massabehoud vastgelegd. (b) Met constante productiviteit is de smeltfractie aan de top Fmax⁡=ΠP0=Πρgz0F_{\max} = \Pi P_0 = \Pi\rho g z_0, en H=z0H = z_0: hc=Fmax⁡z0/2=Πρgz02/2h_c = F_{\max}z_0/2 = \Pi\rho g z_0^2/2. (c) Elk jaar 50 mm50\,\mathrm{mm} nieuwe plaat, 0.05 m×1000 m×7100 m=3.6×105 m30.05\,\mathrm{m}\times1000\,\mathrm{m}\times7100\,\mathrm{m} = 3.6 \times 10^{5}\,\mathrm{m}^{3} korst per kilometer rug; bij een gemiddelde smeltfractie van 12 %12\,\% komt die uit 3.6×105/0.12=3.0×106 m33.6 \times 10^{5}/0.12 = 3.0 \times 10^{6}\,\mathrm{m}^{3} mantel.

Oefening 7.11 ★★★

In het ternaire systeem van de schematische figuur heeft de smelt XX 60 %60\,\% A, 20 %20\,\% B en 20 %20\,\% C; het binaire eutecticum eABe_{AB} ligt bij A 40, B 60 (procent), en het ternaire eutecticum E bij A 25, B 30, C 45. (a) Schrijf de samenstelling van de smelt wanneer een massafractie tt zuiver A is gekristalliseerd, en toon aan dat de verhouding van B tot C op 1 blijft. (b) De cotectische lijn van eABe_{AB} naar E is de lijn van de punten eAB+s(E−eAB)e_{AB} + s(E - e_{AB}): zoek waar de smelt haar ontmoet, en de fractie A die dan is gekristalliseerd. (c) Welke fractie van het systeem is nog vloeibaar wanneer de smelt E bereikt? (C komt vóór E in geen enkel kristal terecht.) (d) Hoeveel A en hoeveel B zijn er tegen dan gekristalliseerd?

Oplossing

Oplossing van Oefening 7.11.

(a) Nadat een massa tt aan A een eenheidsmassa smelt heeft verlaten, bevat de smelt 0.6−t0.6 - t aan A, 0.2 aan B en 0.2 aan C in een massa 1−t1 - t: ((0.6−t),0.2,0.2)/(1−t)\big((0.6 - t), 0.2, 0.2\big)/(1 - t), en B/C blijft 1. (b) Op de cotectische lijn geldt (0.40−0.15s,0.60−0.30s,0.45s)(0.40 - 0.15s, 0.60 - 0.30s, 0.45s); B = C geeft 0.60−0.30s=0.45s0.60 - 0.30s = 0.45s, s=0.8s = 0.8: L1L_1 heeft A 28, B 36, C 36. Dan 0.2/(1−t)=0.360.2/(1 - t) = 0.36, t=0.44t = 0.44: 44 %44\,\% van het systeem is als A gekristalliseerd. (c) C zit volledig in de smelt: f=20/45=0.44f = 20/45 = 0.44, 44 %44\,\% nog vloeibaar. (d) A: 0.60−0.444×0.25=0.490.60 - 0.444\times0.25 = 0.49; B: 0.20−0.444×0.30=0.070.20 - 0.444\times0.30 = 0.07; met de smelt erbij 49+7+44=100 %49 + 7 + 44 = 100\,\%.

Oefening 7.12 ★★★

Het watergehalte van een verzadigde smelt is Xsat=12P0.6+PX_{\mathrm{sat}} = 12P^{0.6} + P (procent, PP in gigapascal). (a) Bereken het bij 1 en 2 GPa2\,\mathrm{GPa}, de verlaging van de solidus die het geeft, en de watergezadigde solidus bij beide drukken. (b) Waarom verandert de verzadigde solidus nauwelijks tussen 1 en 2 GPa2\,\mathrm{GPa}, terwijl de droge meer dan 100 ∘C100\,{}^{\circ}\mathrm{C} stijgt? (c) Hoeveel water moet de smelt in een mantelwig bij 2 GPa2\,\mathrm{GPa} en 1100 ∘C1100\,{}^{\circ}\mathrm{C} bevatten opdat het gesteente smelt?

Oplossing

Oplossing van Oefening 7.12.

(a) Xsat(1)=12+1=13 %X_{\mathrm{sat}}(1) = 12 + 1 = 13\,\%, ΔT=294 ∘C\Delta T = 294\,{}^{\circ}\mathrm{C}, verzadigde solidus 1213.5−294=919 ∘C1213.5 - 294 = 919\,{}^{\circ}\mathrm{C}; Xsat(2)=12×1.516+2=20.2 %X_{\mathrm{sat}}(2) = 12\times1.516 + 2 = 20.2\,\%, ΔT=43×20.20.75=43×9.53=410 ∘C\Delta T = 43\times20.2^{0.75} = 43\times9.53 = 410\,{}^{\circ}\mathrm{C}, verzadigde solidus 1331.1−410=921 ∘C1331.1 - 410 = 921\,{}^{\circ}\mathrm{C}. (b) De smelt lost bij hogere druk meer water op, en de grotere verlaging heft de stijging van 118 ∘C118\,{}^{\circ}\mathrm{C} van de droge solidus op. (c) De solidus moet dalen met 1331.1−1100=231 ∘C1331.1 - 1100 = 231\,{}^{\circ}\mathrm{C}: X=(231/43)1/0.75=5.371.333=9.4 %X = (231/43)^{1/0.75} = 5.37^{1.333} = 9.4\,\% water, minder dan de 20.2 %20.2\,\% bij verzadiging, dus de wig kan smelten.

7.8 Probleem: Onder de rug

Probleem 7.1

Weekendprobleem — van de manteladiabaat naar de dikte van de oceanische korst, en terug naar de temperatuur van de mantel

Mantel stijgt onder een rug op langs de adiabaat en smelt. Gegevens: thermische uitzettingscoëfficiënt α=4.0×10−5 K−1\alpha = 4.0 \times 10^{-5}\,\mathrm{K}^{-1}; dichtheid ρ=3300 kg/m3\rho = 3300\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{3}; soortelijke warmte cp=1000 J/(kg K)c_p = 1000\,\mathrm{J}/(\mathrm{kg}\,\mathrm{K}); smeltentropie ΔS=300 J/(kg K)\Delta S = 300\,\mathrm{J}/(\mathrm{kg}\,\mathrm{K}); g=9.81 m/s2g = 9.81\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}; droge solidus Ts=1085.7+132.9P−5.1P2T_{\mathrm s} = 1085.7 + 132.9P - 5.1P^2 en liquidus van lherzoliet Tl=1475.0+80.0P−3.2P2T_{\mathrm l} = 1475.0 + 80.0P - 3.2P^2 (∘C{}^{\circ}\mathrm{C}, PP in GPa\mathrm{GPa}); gemiddelde productiviteit van het gefitte smeltmodel, Π=9 %\Pi = 9\,\% per gigapascal; reactiecoëfficiënt van clinopyroxeen dicht bij het oppervlak 0.50; waargenomen korst (7.1±0.8) km(7.1 \pm 0.8)\,\mathrm{km} bij normale ruggen en 20 km20\,\mathrm{km} boven de kern van de IJslandpluim. Neem voor mantel en korst dezelfde dichtheid.

Deel I — Waar het smelten begint.

  1. Reken Tp=1350 ∘CT_p = 1350\,{}^{\circ}\mathrm{C} om naar kelvin.
  2. Bereken de adiabatische gradiënt αTp/(ρcp)\alpha T_p/(\rho c_p) in kelvin per gigapascal, en rond hem af op het dichtstbijzijnde tiental.
  3. Hoeveel kilometer mantel komt overeen met één gigapascal? Geef de gradiënt in kelvin per kilometer.
  4. Schrijf met de adiabaat T=1350+20PT = 1350 + 20P de vierkantsvergelijking voor de begindruk P0P_0 op en los ze op.
  5. Geef de diepte en de temperatuur waarop het smelten begint.
  6. Controleer dat de solidus bij P0P_0 dezelfde temperatuur geeft.

Deel II — Hoeveel smelt.

  1. Bereken bij 1.5 GPa1.5\,\mathrm{GPa} de solidus, de liquidus van lherzoliet en hun verschil.
  2. Geef, met een smeltfractie die lineair tussen beide stijgt, de temperatuur van het gesteente bij F=0.10F = 0.10, in graden Celsius en in kelvin.
  3. Bereken daar (∂T/∂P)F(\partial T/\partial P)_F en (∂T/∂F)P(\partial T/\partial F)_P.
  4. Bereken de productiviteit van Propositie 7.10, in procent per gigapascal.
  5. Het gefitte model geeft gemiddeld Π=9 %\Pi = 9\,\% per gigapascal. Waarom is dat lager? Welke smeltfractie bereikt de mantel met Π\Pi aan het oppervlak (Fmax⁡F_{\max})?
  6. De modelmantel bevat 13 %13\,\% clinopyroxeen. Bij welke smeltfractie raakt het dicht bij het oppervlak op? Is het residu onder de as een lherzoliet of een harzburgiet?

Deel III — De korst.

  1. Gebruik Propositie 7.11 met H=z0H = z_0 om de dikte van de korst te berekenen.
  2. Wat is de gemiddelde smeltfractie van de samengevoegde smelt?
  3. Vergelijk met de waargenomen dikte.
  4. Het volledige model van de figuur geeft 9.0 km9.0\,\mathrm{km}. Waarom is dat dunner dan de schatting hierboven?
  5. Toon aan dat hc=kP02h_c = k P_0^2 en bereken kk in kilometer per vierkante gigapascal.

Deel IV — De temperatuur van de mantel.

  1. Bereken de begindruk P0P_0 die 7.1 km7.1\,\mathrm{km} korst maakt.
  2. Geef de overeenkomstige diepte van het begin.
  3. Bereken met de adiabaat T=Tp+20PT = T_p + 20P de potentiële temperatuur die het begin bij die druk legt.
  4. Herhaal de berekening voor 6.3 en 7.9 km7.9\,\mathrm{km}: welk bereik van TpT_p laat de spreiding van de korst toe?
  5. De korst is 20 km20\,\mathrm{km} dik boven de kern van de IJslandpluim. Bereken de potentiële temperatuur daar, en het overschot ervan boven die van vraag 20.
  6. Lava’s van oceaaneilanden wijzen op pluimen die 200 tot 300 ∘C300\,{}^{\circ}\mathrm{C} heter zijn dan de omringende mantel. Geef een reden waarom de korst een kleiner overschot geeft.
  7. Met hoeveel procent wordt de korst dikker voor een mantel die 10 ∘C10\,{}^{\circ}\mathrm{C} heter is, dicht bij de normale rug?
  8. Zeer trage ruggen maken dunnere korst. Verklaar dit met de driehoek.
  9. Geef de potentiële temperatuur van de mantel onder een normale rug die de dikte van de korst oplevert, het kerngetal van dit probleem, en vergelijk ze met de 1350 ∘C1350\,{}^{\circ}\mathrm{C} uit de mineraalfysica en het bereik 1280 tot 1400 ∘C1400\,{}^{\circ}\mathrm{C} uit lava’s.
Oplossing

Oplossing van Probleem 7.1.

1. 1350+273=1623 K1350 + 273 = 1623\,\mathrm{K}. 2. 4.0×10−5×1623/(3300×1000)=1.97×10−8 K/Pa=19.7 K/GPa4.0 \times 10^{-5}\times1623/(3300\times1000) = 1.97 \times 10^{-8}\,\mathrm{K}/\mathrm{Pa} = 19.7\,\mathrm{K}/\mathrm{GPa}, afgerond tot 20 K/GPa20\,\mathrm{K}/\mathrm{GPa}. 3. 109/(3300×9.81)=30.9 km10^{9}/(3300\times9.81) = 30.9\,\mathrm{km}; 20/30.9=0.65 K/km20/30.9 = 0.65\,\mathrm{K}/\mathrm{km}. 4. 1350+20P=1085.7+132.9P−5.1P21350 + 20P = 1085.7 + 132.9P - 5.1P^2, dat wil zeggen 5.1P2−112.9P+264.3=05.1P^2 - 112.9P + 264.3 = 0: P0=(112.9−12746.4−5391.7)/10.2=(112.9−85.76)/10.2=2.66 GPaP_0 = (112.9 - \sqrt{12746.4 - 5391.7})/10.2 = (112.9 - 85.76)/10.2 = 2.66\,\mathrm{GPa}. 5. 2.66×30.9=82 km2.66\times30.9 = 82\,\mathrm{km}; T=1350+20×2.66=1403 ∘CT = 1350 + 20\times2.66 = 1403\,{}^{\circ}\mathrm{C}. 6. 1085.7+132.9×2.66−5.1×2.662=1085.7+353.5−36.1=1403 ∘C1085.7 + 132.9\times2.66 - 5.1\times2.66^2 = 1085.7 + 353.5 - 36.1 = 1403\,{}^{\circ}\mathrm{C}. 7. Ts=1085.7+199.4−11.5=1273.6 ∘CT_{\mathrm s} = 1085.7 + 199.4 - 11.5 = 1273.6\,{}^{\circ}\mathrm{C}; Tl=1475.0+120.0−7.2=1587.8 ∘CT_{\mathrm l} = 1475.0 + 120.0 - 7.2 = 1587.8\,{}^{\circ}\mathrm{C}; verschil 314.2 K314.2\,\mathrm{K}. 8. 1273.6+0.10×314.2=1305.0 ∘C1273.6 + 0.10\times314.2 = 1305.0\,{}^{\circ}\mathrm{C}, 1578 K1578\,\mathrm{K}. 9. Ts′=132.9−15.3=117.6 K/GPaT_{\mathrm s}' = 132.9 - 15.3 = 117.6\,\mathrm{K}/\mathrm{GPa}, Tl′=80.0−9.6=70.4 K/GPaT_{\mathrm l}' = 80.0 - 9.6 = 70.4\,\mathrm{K}/\mathrm{GPa}: (∂T/∂P)F=117.6+0.10×(70.4−117.6)=112.9 K/GPa(\partial T/\partial P)_F = 117.6 + 0.10\times(70.4 - 117.6) = 112.9\,\mathrm{K}/\mathrm{GPa}; (∂T/∂F)P=314.2 K(\partial T/\partial F)_P = 314.2\,\mathrm{K}. 10. cp/T=1000/1578=0.634c_p/T = 1000/1578 = 0.634; teller 0.634×112.9−12.1=71.6−12.1=59.50.634\times112.9 - 12.1 = 71.6 - 12.1 = 59.5; noemer 300+0.634×314.2=499.2300 + 0.634\times314.2 = 499.2: 0.1190.119, of 11.9 %11.9\,\% per gigapascal. 11. Met de gefitte functie F=T′1.5F = T'^{1.5}, waarbij T′T' het deel van de weg van solidus naar liquidus is, moet de temperatuur steil stijgen met FF om de eerste procent smelt te maken, dus (∂T/∂F)P(\partial T/\partial F)_P is groot dicht bij de solidus en het smelten begint traag. Fmax⁡=0.09×2.66=0.24F_{\max} = 0.09\times2.66 = 0.24, 24 %24\,\%. 12. 0.13/0.50=0.260.13/0.50 = 0.26: het clinopyroxeen raakt op bij 26 %26\,\% smelten. Bij 24 %24\,\% bevat het residu onder de as er nog een beetje van: een lherzoliet arm aan clinopyroxeen, op de grens met harzburgiet. 13. hc=0.24×82/2=9.8 kmh_c = 0.24\times82/2 = 9.8\,\mathrm{km}. 14. Fmax⁡/2=12 %F_{\max}/2 = 12\,\%. 15. 9.8 km9.8\,\mathrm{km} is 38 %38\,\% meer dan 7.1 km7.1\,\mathrm{km}, boven het bereik van normale korst. 16. Constante productiviteit geeft de diepste mantel te veel smelt; het gefitte model maakt de eerste smelt traag, F(z)F(z) blijft lager dicht bij het begin, en ∫F dz\int F\,\mathrm dz is kleiner. 17. Fmax⁡=ΠP0F_{\max} = \Pi P_0 en H=30.9P0H = 30.9P_0 (km): hc=ΠP0×30.9P0/2=kP02h_c = \Pi P_0\times30.9P_0/2 = kP_0^2 met k=0.09×30.9/2=1.39 km/GPa2k = 0.09\times30.9/2 = 1.39\,\mathrm{km}/\mathrm{GPa}^{2}. 18. P0=7.1/1.39=5.11=2.26 GPaP_0 = \sqrt{7.1/1.39} = \sqrt{5.11} = 2.26\,\mathrm{GPa}. 19. 2.26×30.9=70 km2.26\times30.9 = 70\,\mathrm{km}. 20. Ts(2.26)=1085.7+300.4−26.0=1360.0 ∘CT_{\mathrm s}(2.26) = 1085.7 + 300.4 - 26.0 = 1360.0\,{}^{\circ}\mathrm{C}, en Tp=1360.0−20×2.26=1360.0−45.2=1315 ∘CT_p = 1360.0 - 20\times2.26 = 1360.0 - 45.2 = 1315\,{}^{\circ}\mathrm{C}. 21. Voor 6.3 km6.3\,\mathrm{km}: P0=4.53=2.13 GPaP_0 = \sqrt{4.53} = 2.13\,\mathrm{GPa}, Ts=1345.6 ∘CT_{\mathrm s} = 1345.6\,{}^{\circ}\mathrm{C}, Tp=1303 ∘CT_p = 1303\,{}^{\circ}\mathrm{C}. Voor 7.9 km7.9\,\mathrm{km}: P0=5.68=2.38 GPaP_0 = \sqrt{5.68} = 2.38\,\mathrm{GPa}, Ts=1373.1 ∘CT_{\mathrm s} = 1373.1\,{}^{\circ}\mathrm{C}, Tp=1326 ∘CT_p = 1326\,{}^{\circ}\mathrm{C}. De spreiding van de korst laat 1315±12 ∘C1315 \pm 12\,{}^{\circ}\mathrm{C} toe. 22. P0=20/1.39=14.39=3.79 GPaP_0 = \sqrt{20/1.39} = \sqrt{14.39} = 3.79\,\mathrm{GPa}; Ts=1085.7+503.7−73.3=1516.1 ∘CT_{\mathrm s} = 1085.7 + 503.7 - 73.3 = 1516.1\,{}^{\circ}\mathrm{C}; Tp=1516.1−75.8=1440 ∘CT_p = 1516.1 - 75.8 = 1440\,{}^{\circ}\mathrm{C}, een overschot van 1440−1315=125 ∘C1440 - 1315 = 125\,{}^{\circ}\mathrm{C}. 23. De twee gebruiken verschillende gegevens. De lava’s leggen de heetste mantel vast, in het centrum van de pluim; de korst middelt de smelten van alle mantel die door het smeltgebied gaat, waarvan veel koeler is. Het eenvoudige model houdt ook de productiviteit constant, hoewel het clinopyroxeen opraakt bij 26 %26\,\%, terwijl hier ΠP0=0.09×3.79=0.34\Pi P_0 = 0.09\times3.79 = 0.34: echte hete mantel smelt minder, en heeft een hogere temperatuur nodig om dezelfde korst te maken. 24. Ts′(2.26)=132.9−23.1=109.8 K/GPaT_{\mathrm s}'(2.26) = 132.9 - 23.1 = 109.8\,\mathrm{K}/\mathrm{GPa}; ΔP0=10/(109.8−20)=0.111 GPa\Delta P_0 = 10/(109.8 - 20) = 0.111\,\mathrm{GPa}; omdat hc∝P02h_c \propto P_0^2, is Δhc/hc=2×0.111/2.26=9.8 %\Delta h_c/h_c = 2\times0.111/2.26 = 9.8\,\%, ongeveer een tiende per 10 ∘C10\,{}^{\circ}\mathrm{C}. 25. Bij een zeer trage rug stijgt de mantel zo langzaam op dat hij warmte verliest door geleiding naar het koude oppervlak; hij verlaat de adiabaat, zijn smelten stopt dieper, en de top van de driehoek, waar FF het grootst is, wordt afgesneden: de korst is dunner. 26. De korst van normale ruggen geeft een potentiële manteltemperatuur van 1315 ∘C1315\,{}^{\circ}\mathrm{C}, binnen ongeveer 12 ∘C12\,{}^{\circ}\mathrm{C}: 35 ∘C35\,{}^{\circ}\mathrm{C} onder de 1350 ∘C1350\,{}^{\circ}\mathrm{C} uit de mineraalfysica, die met ongeveer evenveel onzeker is, en ruim binnen het bereik 1280 tot 1400 ∘C1400\,{}^{\circ}\mathrm{C} uit lava’s. Drie onafhankelijke thermometers zijn het eens over een mantel rond 1300 ∘C1300\,{}^{\circ}\mathrm{C} tot 1350 ∘C1350\,{}^{\circ}\mathrm{C}.

এই অধ্যায়ে সংজ্ঞায়িত পরিভাষা-শব্দ

পরিভাষায় সব 957 টি শব্দ দেখো