Physics · Boek 3 · Bachelor Year 1

Universitaire natuurkunde — jaar 1

Universitaire natuurkunde — jaar 1 · Bachelor Year 1

30Inleiding tot de kwantumfysica

Schijn ultraviolet licht op een schoon metaal en er vliegen meteen elektronen uit, met een energie die van de kleur van het licht afhangt en helemaal niet van de helderheid; schijn er rood licht op en er komt niets uit, hoe fel de lamp ook is. Stuur elektronen één voor één door twee spleten en zij landen als stippen, elk op één plaats — en die stippen bouwen zich over duizenden heen op tot de strepen van een golf. Geen van beide feiten past bij de fysica van de eerste negenentwintig hoofdstukken. Dit laatste hoofdstuk voert de denkbeelden in die er wel bij passen: licht komt in kwanta, de fotonen; materie heeft een golflengte; wat zich voortplant is een amplitude waarvan het kwadraat een kans is; plaats en impuls kunnen niet allebei scherp zijn; en een opgesloten deeltje kan alleen bepaalde energieën hebben — en daarom hebben atomen een grootte, hebben spectra lijnen, en gloeit een korreltje halfgeleider van een paar nanometer in een kleur die zijn diameter bepaalt.

30.1 Het foton

Stelling 30.1 (De betrekkingen van Planck en Einstein)

Licht met frequentie ν\nu en golflengte λ\lambda wisselt alleen in kwanta energie met materie uit, de fotonen, met energie en impuls

E=hν=hcλ,p=hλ=Ec,E = h\nu = \frac{hc}{\lambda} , \qquad p = \frac{h}{\lambda} = \frac{E}{c} ,

met de constante van Planck h=6.626×1034Jsh = 6.626 \times 10^{-34}\,\mathrm{J}\,\mathrm{s} (=h/2π=1.055×1034Js\hbar = h/2\pi = 1.055 \times 10^{-34}\,\mathrm{J}\,\mathrm{s}). Handig: hc=1240eVnmhc = 1240\,\mathrm{eV}\,\mathrm{nm} — een foton van 620nm620\,\mathrm{nm} draagt 2eV2\,\mathrm{eV}.

Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen.

Propositie 30.2 (Het foto-elektrisch effect)

Licht dat op een metaal met uittree-arbeid WW valt (de energie die zijn zwakst gebonden elektronen vasthoudt, enkele eV) maakt elektronen vrij met maximale kinetische energie

Ek,max=hνW,E_{k,\max} = h\nu - W ,

dus alleen boven de drempel ν0=W/h\nu_0 = W/h, ogenblikkelijk, met een energie die niet van de intensiteit afhangt; de intensiteit bepaalt het aantal elektronen per seconde. De remspanning VsV_s die de stroom net doet verdwijnen meet Ek,max=eVsE_{k,\max} = eV_s, en de grafiek van VsV_s tegen ν\nu is een rechte met helling h/eh/e — zo mat Millikan hh.

Bewijs. Elk foton wordt door één elektron opgenomen, dat er hoogstens hνWh\nu - W van overhoudt; een golf zou continu energie aan elk elektron leveren, de energie zou met de intensiteit groeien, en zwak licht zou uren nodig hebben om WW op één atoom te verzamelen (Probleem 30.1) — en niets daarvan wordt waargenomen. De uitleg van Einstein (1905) wordt als wet aangenomen.

Links: de foto-elektrische cel — licht maakt elektronen vrij uit de kathode; een tegenspanning V_s die net groot genoeg is om ze te stoppen meet hun maximale energie. Rechts: de remspanning tegen de frequentie is voor elk metaal een rechte met helling h/e; het snijpunt geeft de uittree-arbeid, de drempel de minimale frequentie. Links: de foto-elektrische cel — licht maakt elektronen vrij uit de kathode; een tegenspanning V_s die net groot genoeg is om ze te stoppen meet hun maximale energie. Rechts: de remspanning tegen de frequentie is voor elk metaal een rechte met helling h/e; het snijpunt geeft de uittree-arbeid, de drempel de minimale frequentie.
Links: de foto-elektrische cel — licht maakt elektronen vrij uit de kathode; een tegenspanning VsV_s die net groot genoeg is om ze te stoppen meet hun maximale energie. Rechts: de remspanning tegen de frequentie is voor elk metaal een rechte met helling h/eh/e; het snijpunt geeft de uittree-arbeid, de drempel de minimale frequentie.

Voorbeeld 30.3 (Ordes van grootte)

Een zichtbaar foton: 2eV2\,\mathrm{eV}; een röntgenfoton van 0.1nm0.1\,\mathrm{nm}: 12keV12\,\mathrm{keV}; een radiofoton bij 100MHz100\,\mathrm{MHz}: 4×107eV4 \times 10^{-7}\,\mathrm{eV}. Een rode laser van 1mW1\,\mathrm{mW} zendt 103/(3.1×1019)=3×101510^{-3}/(3.1 \times 10^{-19}) = 3 \times 10^{15} fotonen per seconde uit; een radioantenne die 1pW1\,\mathrm{pW} bij 100MHz100\,\mathrm{MHz} opvangt ontvangt er 101310^{13} per seconde — zoveel en zo klein dat de golfbeschrijving voor elk doel exact is; het oog daarentegen kan een flits van honderd fotonen registreren. Het kwantumkarakter van licht komt tevoorschijn wanneer fotonen schaars of energierijk zijn: foto-elektrische cellen, röntgendetectoren, de korrel van een zwakke foto.

Opmerking 30.4 (Comptonverstrooiing)

Een foton dat van een vrij elektron afketst draagt impuls over als een biljartbal: zijn golflengte groeit met Δλ=hmec(1cosθ)\Delta\lambda = \frac{h}{m_ec}(1 - \cos\theta), met h/mec=2.43pmh/m_ec = 2.43\,\mathrm{pm} (aangenomen — een relativistische botsing, jaar 2). Onzichtbaar voor licht (Δλ/λ105\Delta\lambda/\lambda \sim 10^{-5}), is het voor röntgenstraling een effect van 20%20\%, en het was het experiment dat de sceptici (1923) overtuigde dat het foton de impuls h/λh/\lambda draagt.

30.2 Materiegolven

Stelling 30.5 (De Broglie)

Een deeltje met impuls pp plant zich voort als een golf met golflengte

λ=hp,\lambda = \frac{h}{p} ,

en vertoont dienovereenkomstig buiging en interferentie: elektronen op een kristal (Davisson en Germer, 1927), door twee spleten (Jönsson, 1961), neutronen, atomen, en moleculen van zestig koolstofatomen. Voor een elektron dat door UU is versneld is λ=h/2meeU=1.23nm/U/V\lambda = h/\sqrt{2m_eeU} = 1.23\,\mathrm{nm}/\sqrt{U/\mathrm{V}}.

Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen.

Voorbeeld 30.6 (Waarom wij het nooit zagen)

Een elektron van 100eV100\,\mathrm{eV}: λ=0.12nm\lambda = 0.12\,\mathrm{nm}, de afstand tussen de atomen in een kristal — vandaar de buiging, en vandaar de elektronenmicroscoop. Een thermisch neutron (0.025eV0.025\,\mathrm{eV}): 0.18nm0.18\,\mathrm{nm}. Een bal van 1g1\,\mathrm{g} met 1m/s1\,\mathrm{m}/\mathrm{s}: λ=7×1031m\lambda = 7 \times 10^{-31}\,\mathrm{m}, 102010^{20} keer kleiner dan een kern: geen spleet en geen kristal zou hem ooit kunnen buigen. Het golfkarakter van materie is universeel; zijn golflengte maakt het alleen zichtbaar voor het lichte en het trage.

Propositie 30.7 (Losse deeltjes bouwen de strepen op)

Elektronen die één voor één door twee spleten worden gestuurd (Tonomura, 1989) maken elk één stip op het scherm, op een plaats die niet te voorspellen is; de stippen stapelen zich op tot het tweespletenpatroon van een golf met golflengte h/ph/p. Sluit men één spleet, dan verdwijnen de strepen — het patroon ontstaat niet doordat elektronen met elkaar interfereren, maar doordat de golf van elk elektron door beide spleten gaat. Waarnemen door welke spleet een deeltje ging wist de strepen eveneens uit.

Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen.

Elektronen één voor één door twee spleten. Elk komt als een stip ergens aan (links, boven); de stippen stapelen zich op waar de tweespletengolf sterk is (links, onder), volgens de kansdichtheid | |2 van de amplitude die door beide spleten ging (rechts). Het patroon is hetzelfde voor fotonen, neutronen en moleculen. Elektronen één voor één door twee spleten. Elk komt als een stip ergens aan (links, boven); de stippen stapelen zich op waar de tweespletengolf sterk is (links, onder), volgens de kansdichtheid | |2 van de amplitude die door beide spleten ging (rechts). Het patroon is hetzelfde voor fotonen, neutronen en moleculen.
Elektronen één voor één door twee spleten. Elk komt als een stip ergens aan (links, boven); de stippen stapelen zich op waar de tweespletengolf sterk is (links, onder), volgens de kansdichtheid ψ2|\psi|^2 van de amplitude die door beide spleten ging (rechts). Het patroon is hetzelfde voor fotonen, neutronen en moleculen.

30.3 Amplitudes, kansen en de onzekerheidsrelatie

Definitie 30.8 (Golffunctie)

De toestand van een deeltje wordt beschreven door een golffunctie ψ(x,t)\psi(x, t) (complex), zodanig dat ψ(x,t)2 ⁣dx|\psi(x, t)|^2\,\dd x de kans is om het deeltje tussen xx en x+ ⁣dxx + \dd x aan te treffen wanneer men kijkt: ψ2|\psi|^2 is een kansdichtheid, en ψ2 ⁣dx=1\int|\psi|^2\dd x = 1. Amplitudes tellen op (superpositie): leiden twee wegen naar hetzelfde punt, dan is ψ=ψ1+ψ2\psi = \psi_1 + \psi_2 en ψ2=ψ12+ψ22+2Re(ψ1ψ2)|\psi|^2 = |\psi_1|^2 + |\psi_2|^2 + 2\,\mathrm{Re}(\psi_1^\ast\psi_2) — die laatste term is de interferentie. Een meting geeft een van de mogelijke uitkomsten, willekeurig met de kansen die de amplitudes voorschrijven, en laat het deeltje achter in de gevonden toestand.

Opmerking 30.9 (Wat er golft)

ψ\psi is geen fysisch veld zoals E\vect E: zij wordt niet gemeten, alleen haar kwadraat, en zij beschrijft onze best mogelijke kennis van waar het deeltje zal worden aangetroffen. Eén elektron ligt niet uitgesmeerd over het scherm; het wordt in zijn geheel op één punt gedetecteerd; wat uitgesmeerd is, is de kans. Dat is de inhoud van de theorie, en zij is nog nooit door een proef weerlegd.

Stelling 30.10 (De onzekerheidsrelatie van Heisenberg)

De plaats en de impuls van een deeltje langs dezelfde as kunnen niet allebei scherp zijn: hun standaardafwijkingen voldoen in elke toestand aan

ΔxΔpx2.\Delta x\,\Delta p_x \geq \frac{\hbar}{2} .

Een deeltje dat in een gebied met afmeting \ell is opgesloten heeft dus een impulsspreiding van ten minste /2\hbar/2\ell, en dus een kinetische energie van de orde 2/2m2\hbar^2/2m\ell^2 die geen koeling kan wegnemen: opsluiting kost energie.

Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen.

Voorbeeld 30.11 (De grootte van het waterstofatoom)

Een elektron binnen rr van het proton heeft p/rp \gtrsim \hbar/r en energie E(r)22mer2e24πε0rE(r) \approx \dfrac{\hbar^2}{2m_er^2} - \dfrac{e^2}{4\pi\varepsilon_0r}: de eerste term explodeert als rr krimpt, de tweede als hij groeit.  ⁣dE/ ⁣dr=0\dd E/\dd r = 0 bij

a0=4πε02mee2=53pm,E(a0)=mee42(4πε0)22=13.6eV:a_0 = \frac{4\pi\varepsilon_0\hbar^2}{m_ee^2} = 53\,\mathrm{pm} , \qquad E(a_0) = -\frac{m_ee^4}{2(4\pi\varepsilon_0)^2\hbar^2} = -13.6\,\mathrm{eV} :

de bohrstraal en de ionisatie-energie van waterstof, tot op het laatste cijfer. De klassieke fysica kon niet verklaren waarom het elektron niet de kern in spiraliseert (het straalt) en evenmin waarom alle atomen van een element gelijk zijn; de onzekerheidsrelatie beantwoordt beide in één regel: het atoom is zo klein als het kan zijn zonder dat de kinetische energie de binding overtreft.

30.4 Kwantisering van de energie

Propositie 30.12 (Deeltje in een doos)

Een deeltje met massa mm dat tussen twee ondoordringbare wanden op afstand LL is opgesloten heeft, net als de snaar van Melde (Hoofdstuk 5), alleen de staande golven λn=2L/n\lambda_n = 2L/n, dus alleen de impulsen pn=nh/2Lp_n = nh/2L en de energieën

En=n2h28mL2,n=1,2,3,E_n = \frac{n^2h^2}{8mL^2} , \qquad n = 1, 2, 3, \ldots

met golffuncties ψn(x)sin(nπx/L)\psi_n(x) \propto \sin(n\pi x/L). De energie is gekwantiseerd; de laagste, de grondtoestand E1>0E_1 > 0, is de opsluitingsenergie van de onzekerheidsrelatie, nu exact; het deeltje springt tussen niveaus door een foton met energie hν=EpEnh\nu = E_p - E_n te absorberen of uit te zenden.

Bewijs. ψ\psi moet aan de wanden verdwijnen (daar kan het deeltje niet zijn), zodat de golf een geheel aantal halve golflengten in LL kwijt kan — de snaarvoorwaarde; De Broglie geeft pp, en E=p2/2mE = p^2/2m. Dat ψ\psi met deze randvoorwaarden aan een golfvergelijking voldoet wordt aangenomen (de vergelijking van Schrödinger, jaar 2).

Links: de drie laagste toestanden van een deeltje in een doos — de golffuncties zijn de staande golven van een snaar, de energieën groeien als n2, en de grondtoestand ligt niet op nul. Rechts: de niveaus van het waterstofatoom en zijn twee eerste lijnenreeksen; elke lijn is een foton met een energie gelijk aan het gat dat het overbrugt. Links: de drie laagste toestanden van een deeltje in een doos — de golffuncties zijn de staande golven van een snaar, de energieën groeien als n2, en de grondtoestand ligt niet op nul. Rechts: de niveaus van het waterstofatoom en zijn twee eerste lijnenreeksen; elke lijn is een foton met een energie gelijk aan het gat dat het overbrugt.
Links: de drie laagste toestanden van een deeltje in een doos — de golffuncties zijn de staande golven van een snaar, de energieën groeien als n2n^2, en de grondtoestand ligt niet op nul. Rechts: de niveaus van het waterstofatoom en zijn twee eerste lijnenreeksen; elke lijn is een foton met een energie gelijk aan het gat dat het overbrugt.

Propositie 30.13 (Het waterstofatoom)

Het elektron van het waterstofatoom heeft de discrete energieën

En=13.6eVn2,n=1,2,3,,E_n = -\frac{13.6\,\mathrm{eV}}{n^2} , \qquad n = 1, 2, 3, \ldots ,

waarbij n=1n = 1 de grondtoestand is en E0E \geq 0 het geïoniseerde atoom. Zijn spectrum bestaat uit lijnen bij hν=EpEnh\nu = E_p - E_n: de lymanreeks omlaag naar n=1n = 1 (ultraviolet, 122nm122\,\mathrm{nm} voor 212 \to 1), de balmerreeks omlaag naar n=2n = 2 (zichtbaar: 656nm656\,\mathrm{nm}, 486nm486\,\mathrm{nm}, 434nm434\,\mathrm{nm}, …), enzovoort. Het model van Bohr (1913) verkrijgt deze energieën door het impulsmoment van een cirkelbaan te kwantiseren, mevr=nm_evr = n\hbar (Oefening 30.9); de volledige theorie vervangt banen door golffuncties maar houdt de energieën.

Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen.

Voorbeeld 30.14 (Kleuren uit grootte: de kwantumdot)

Een nanokristal halfgeleider van een paar nanometer sluit zijn elektronen op als een doos: hoe kleiner het kristal, hoe groter de opsluitingsenergie die bij de bandkloof van de halfgeleider komt, hoe blauwer het licht dat het uitzendt. Cadmiumselenidedots met straal 2nm2\,\mathrm{nm} gloeien blauw, 3nm3\,\mathrm{nm} geel, 4nm4\,\mathrm{nm} rood — één materiaal, kleuren gekozen met een liniaal (Probleem 30.1). Televisieschermen gebruiken ze.

Opmerking 30.15 (Wat de rest van de theorie toevoegt)

De vergelijking van Schrödinger maakt de doos, het atoom en het molecuul exact; zij voorspelt dat een deeltje een barrière kan oversteken waar het niet de energie voor heeft om eroverheen te klimmen (het tunneleffect, achter de radioactiviteit en de rastertunnelmicroscoop); dat gelijke deeltjes ofwel gezellig zijn (bosonen — vandaar de laser, waar fotonen zich in één mode ophopen) ofwel exclusief (fermionen — vandaar het periodiek systeem en de stijfheid van materie); en dat de spin van het elektron een magnetisch moment is zonder klassieke tegenhanger. Dat alles is jaar 2 en verder; het rust allemaal op de weinige denkbeelden van dit hoofdstuk.

30.5 Oefeningen

Oefening 30.1

Energie van een foton van: radio bij 100MHz100\,\mathrm{MHz}; licht bij 500nm500\,\mathrm{nm}; röntgenstraling bij 0.10nm0.10\,\mathrm{nm}; gammastraling van 1MeV1\,\mathrm{MeV} (geef haar golflengte). Aantal fotonen per seconde uit een laser van 1.0mW1.0\,\mathrm{mW} bij 633nm633\,\mathrm{nm}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 30.1.

hνh\nu: 100MHz100\,\mathrm{MHz}: 6.6×10266.6 \times 10^{-26} J =4.1×107eV= 4.1 \times 10^{-7}\,\mathrm{eV}; 500nm500\,\mathrm{nm}: 1240/500=2.5eV1240/500 = 2.5\,\mathrm{eV}; 0.10nm0.10\,\mathrm{nm}: 12.4keV12.4\,\mathrm{keV}; 1MeV1\,\mathrm{MeV}: λ=1240/106=1.2×103nm=1.2pm\lambda = 1240/10^6 = 1.2 \times 10^{-3}\,\mathrm{nm} = 1.2\,\mathrm{pm}. Laser: 1240/633=1.96eV=3.1×1019J1240/633 = 1.96\,\mathrm{eV} = 3.1 \times 10^{-19}\,\mathrm{J}, dus 103/3.1×1019=3.2×101510^{-3}/3.1 \times 10^{-19} = 3.2 \times 10^{15} fotonen per seconde.

Oefening 30.2

Natrium, W=2.3eVW = 2.3\,\mathrm{eV}: drempelgolflengte; maximale kinetische energie en remspanning bij licht van 400nm400\,\mathrm{nm}; wat verandert er als de intensiteit wordt verdubbeld? En bij licht van 600nm600\,\mathrm{nm}?

Oplossing

Oplossing van Oefening 30.2.

λ0=1240/2.3=540nm\lambda_0 = 1240/2.3 = 540\,\mathrm{nm}. Bij 400nm400\,\mathrm{nm} is hν=3.1eVh\nu = 3.1\,\mathrm{eV}: Ek,max=0.8eVE_{k,\max} = 0.8\,\mathrm{eV}, Vs=0.8VV_s = 0.8\,\mathrm{V}. De intensiteit verdubbelen verdubbelt de stroom en laat VsV_s onveranderd. Bij 600nm600\,\mathrm{nm} (2.07eV2.07\,\mathrm{eV} <W< W): niets, bij welke intensiteit ook.

Oefening 30.3

Debroglie-golflengte van een elektron van 100eV100\,\mathrm{eV} en van 1.0keV1.0\,\mathrm{keV}; van een neutron van 0.025eV0.025\,\mathrm{eV}; van een bal van 1g1\,\mathrm{g} met 1m/s1\,\mathrm{m}/\mathrm{s}. Welke daarvan kan door een kristal (afstand 0.2nm0.2\,\mathrm{nm}) worden gebogen?

Oplossing

Oplossing van Oefening 30.3.

Elektron: 1.23/100=0.12nm1.23/\sqrt{100} = 0.12\,\mathrm{nm}; bij 1keV1\,\mathrm{keV}: 0.039nm0.039\,\mathrm{nm}. Neutron: E=4.0×1021JE = 4.0 \times 10^{-21}\,\mathrm{J}, p=2mnE=3.7×1024kgm/sp = \sqrt{2m_nE} = 3.7 \times 10^{-24}\,\mathrm{kg}\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, λ=h/p=0.18nm\lambda = h/p = 0.18\,\mathrm{nm}. Bal: 6.6×1034/103=7×1031m6.6 \times 10^{-34}/10^{-3} = 7 \times 10^{-31}\,\mathrm{m}. De eerste drie hebben een λ\lambda van de orde van de atoomafstand en worden gebogen (elektronen-, neutronen- en röntgenkristallografie); de bal nooit.

Oefening 30.4

Een elektron in een doos van 1.0nm1.0\,\mathrm{nm}: E1E_1, E2E_2, golflengte van het foton dat bij 212 \to 1 wordt uitgezonden. Een proton in een doos van 5fm5\,\mathrm{fm} (een kern): E1E_1 in MeV\mathrm{MeV}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 30.4.

E1=h2/8meL2=4.39×1067/(8×9.11×1031×1018)=6.0×1020J=0.38eVE_1 = h^2/8m_eL^2 = 4.39 \times 10^{-67}/(8 \times 9.11 \times 10^{-31} \times 10^{-18}) = 6.0 \times 10^{-20}\,\mathrm{J} = 0.38\,\mathrm{eV}, E2=4E1=1.5eVE_2 = 4E_1 = 1.5\,\mathrm{eV}; foton 1.13eV1.13\,\mathrm{eV}, λ=1240/1.13=1.1µm\lambda = 1240/1.13 = 1.1\,\text{µ}\mathrm{m} (nabij infrarood). Proton in 5fm5\,\mathrm{fm}: 4.39×1067/(8×1.67×1027×25×1030)=1.3×1012J=8MeV4.39 \times 10^{-67}/(8 \times 1.67 \times 10^{-27} \times 25 \times 10^{-30}) = 1.3 \times 10^{-12}\,\mathrm{J} = 8\,\mathrm{MeV} — de schaal van kernenergieën, alleen uit opsluiting.

Oefening 30.5 ★★

Remspanningen die voor een metaal zijn gemeten: 0.40V0.40\,\mathrm{V} bij 6.0×1014Hz6.0 \times 10^{14}\,\mathrm{Hz}, 1.23V1.23\,\mathrm{V} bij 8.0×1014Hz8.0 \times 10^{14}\,\mathrm{Hz}, 2.05V2.05\,\mathrm{V} bij 1.0×1015Hz1.0 \times 10^{15}\,\mathrm{Hz}. Leid hh af (met ee bekend) en de uittree-arbeid; drempelgolflengte; welk metaal zou het kunnen zijn (cesium 2.1eV2.1\,\mathrm{eV}, kalium 2.3eV2.3\,\mathrm{eV}, zink 4.3eV4.3\,\mathrm{eV})?

Oplossing

Oplossing van Oefening 30.5.

Helling (2.050.40)/(4.0×1014)=4.1×1015Vs(2.05 - 0.40)/(4.0 \times 10^{14}) = 4.1 \times 10^{-15}\,\mathrm{V}\,\mathrm{s}, h=e×4.1×1015=6.6×1034Jsh = e \times 4.1 \times 10^{-15} = 6.6 \times 10^{-34}\,\mathrm{J}\,\mathrm{s}. W=hνeVs=2.480.40=2.1eVW = h\nu - eV_s = 2.48 - 0.40 = 2.1\,\mathrm{eV}, drempel λ0=1240/2.1=600nm\lambda_0 = 1240/2.1 = 600\,\mathrm{nm}: cesium.

Oefening 30.6 ★★

Compton: een röntgenfoton van 10pm10\,\mathrm{pm} verstrooit onder 9090{}^{\circ} aan een elektron. Nieuwe golflengte; energie van het foton ervoor en erna; energie die aan het elektron wordt gegeven. Relatieve verschuiving voor licht van 500nm500\,\mathrm{nm} — waarom Compton röntgenstraling nodig had.

Oplossing

Oplossing van Oefening 30.6.

Δλ=2.43pm\Delta\lambda = 2.43\,\mathrm{pm}: λ=12.4pm\lambda' = 12.4\,\mathrm{pm}. Ervoor: 1240/0.010=124keV1240/0.010 = 124\,\mathrm{keV}; erna: 1240/0.0124=100keV1240/0.0124 = 100\,\mathrm{keV}; het elektron neemt 24keV24\,\mathrm{keV}. Voor licht is Δλ/λ=2.4×1012/5×107=5×106\Delta\lambda/\lambda = 2.4 \times 10^{-12}/5 \times 10^{-7} = 5 \times 10^{-6}: in 1923 onmeetbaar — röntgenstraling maakte de verschuiving een effect van 25%25\%.

Oefening 30.7 ★★

Het experiment van Jönsson. Elektronen van 50keV50\,\mathrm{keV} (gebruik p=2meEp = \sqrt{2m_eE}), twee spleten op 2.0µm2.0\,\text{µ}\mathrm{m} van elkaar, scherm op 35cm35\,\mathrm{cm}. Golflengte; streepafstand; waarom er een vergrotende elektronenlens nodig was. In de versie van Tonomura steekt één elektron tegelijk het apparaat over: wat toont het scherm na 10 en na 10510^5 elektronen, en wat leert dat?

Oplossing

Oplossing van Oefening 30.7.

p=2×9.11×1031×5×104×1.6×1019=1.2×1022kgm/sp = \sqrt{2 \times 9.11 \times 10^{-31} \times 5 \times 10^4 \times 1.6 \times 10^{-19}} = 1.2 \times 10^{-22}\,\mathrm{kg}\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, λ=5.5pm\lambda = 5.5\,\mathrm{pm} (de relativiteit corrigeert dat tot 5.4pm5.4\,\mathrm{pm}); streepafstand λD/d=5.5×1012×0.35/2×106=1µm\lambda D/d = 5.5 \times 10^{-12} \times 0.35/2 \times 10^{-6} = 1\,\text{µ}\mathrm{m}: onzichtbaar voor het oog, vandaar de vergrotende lens. Tien elektronen: tien stippen, ogenschijnlijk willekeurig; 10510^5: de strepen. Elk elektron landt op één punt; de kans om te landen volgt de tweespletengolf — de golf van één elektron gaat door beide spleten.

Oefening 30.8 ★★

Minimale kinetische energie, uit de onzekerheidsrelatie, van: een elektron dat tot 0.1nm0.1\,\mathrm{nm} is opgesloten (een atoom); een elektron dat tot 5fm5\,\mathrm{fm} is opgesloten (een kern — gebruik EpcE \approx pc als het resultaat relativistisch is, en concludeer of kernen elektronen kunnen bevatten); een stofdeeltje van 1µg1\,\text{µ}\mathrm{g} dat tot 1µm1\,\text{µ}\mathrm{m} is gelokaliseerd (geef Δv\Delta v).

Oplossing

Oplossing van Oefening 30.8.

Atoom: Δp/2Δx=5.3×1025kgm/s\Delta p \geq \hbar/2\Delta x = 5.3 \times 10^{-25}\,\mathrm{kg}\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, EΔp2/2me=1.5×1019J1eVE \sim \Delta p^2/2m_e = 1.5 \times 10^{-19}\,\mathrm{J} \approx 1\,\mathrm{eV}: de juiste schaal. Kern: Δp1.1×1020kgm/s\Delta p \geq 1.1 \times 10^{-20}\,\mathrm{kg}\,\mathrm{m}/\mathrm{s}; Δp2/2me\Delta p^2/2m_e zou 400MeV400\,\mathrm{MeV} zijn, ver boven mec2m_ec^2, dus gebruikt men EΔpc=3×1012J=20MeVE \approx \Delta p\,c = 3 \times 10^{-12}\,\mathrm{J} = 20\,\mathrm{MeV}: geen kracht in de kern zou een elektron met zoveel energie kunnen vasthouden — kernen bevatten geen elektronen (bèta-elektronen ontstaan pas bij de emissie). Stofdeeltje: Δv/2mΔx=1.05×1034/(2×109×106)=5×1020m/s\Delta v \geq \hbar/2m\Delta x = 1.05 \times 10^{-34}/(2 \times 10^{-9} \times 10^{-6}) = 5 \times 10^{-20}\,\mathrm{m}/\mathrm{s}: irrelevant.

Oefening 30.9 ★★

Het model van Bohr. Een elektron op een cirkelbaan met straal rr om een proton: (a) snelheid en energie als functie van rr (coulombdynamica, Hoofdstuk 16); (b) leg mevr=nm_evr = n\hbar op en leid rn=n2a0r_n = n^2a_0, En=E1/n2E_n = E_1/n^2 af met a0a_0 en E1E_1 als in Voorbeeld 30.11; (c) v1v_1 en v1/cv_1/c; (d) golflengten van Lyman α\alpha (212 \to 1) en van Hα\alpha (323 \to 2); (e) toon aan dat baan nn precies nn debroglie-golflengten bevat.

Oplossing

Oplossing van Oefening 30.9.

(a) mev2/r=e2/4πε0r2m_ev^2/r = e^2/4\pi\varepsilon_0r^2: v=e2/4πε0merv = \sqrt{e^2/4\pi\varepsilon_0m_er}, E=12mev2e2/4πε0r=e2/8πε0rE = \tfrac12m_ev^2 - e^2/4\pi\varepsilon_0r = -e^2/8\pi\varepsilon_0r. (b) mevr=nm_evr = n\hbar en mev2r=e2/4πε0m_ev^2r = e^2/4\pi\varepsilon_0: deel het kwadraat van de eerste door de tweede: mer=n224πε0/e2m_er = n^2\hbar^2 \cdot 4\pi\varepsilon_0/e^2, rn=n2a0r_n = n^2a_0, en En=e2/8πε0n2a0=E1/n2E_n = -e^2/8\pi\varepsilon_0n^2a_0 = E_1/n^2 met a0=52.9pma_0 = 52.9\,\mathrm{pm}, E1=13.6eVE_1 = -13.6\,\mathrm{eV}. (c) v1=/mea0=2.19×106m/sv_1 = \hbar/m_ea_0 = 2.19 \times 10^{6}\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, v1/c=1/137v_1/c = 1/137. (d) 212 \to 1: 34×13.6=10.2eV\tfrac34 \times 13.6 = 10.2\,\mathrm{eV}, 122nm122\,\mathrm{nm}; 323 \to 2: (1419)×13.6=1.89eV(\tfrac14 - \tfrac19) \times 13.6 = 1.89\,\mathrm{eV}, 656nm656\,\mathrm{nm}. (e) λn=h/mevn=nh/mev1=2πna0\lambda_n = h/m_ev_n = nh/m_ev_1 = 2\pi na_0 (want mev1a0=m_ev_1a_0 = \hbar), en 2πrn=2πn2a0=nλn2\pi r_n = 2\pi n^2a_0 = n\lambda_n.

Oefening 30.10 ★★★

Waterstofachtige systemen. (a) Toon voor een kern met lading ZeZe aan dat En=Z2×13.6eV/n2E_n = -Z^2 \times 13.6\,\mathrm{eV}/n^2 en rn=n2a0/Zr_n = n^2a_0/Z: bepaal de ionisatie-energie van He+^+ en van het laatste elektron van uranium (Z=92Z = 92; becommentarieer). (b) Muonisch waterstof: het muon heeft 207207 keer de massa van het elektron: straal en grondenergie; golflengte van zijn Lyman-α\alpha-lijn; waarom het wordt gebruikt om de grootte van het proton te meten (straal 0.84fm0.84\,\mathrm{fm}). (c) Positronium (elektron en positron, gelijke massa’s): toon aan dat de gereduceerde massa de energieën halveert: zijn Lyman α\alpha.

Oplossing

Oplossing van Oefening 30.10.

(a) Vervang e2e^2 door Ze2Ze^2: a0a0/Za_0 \to a_0/Z, E1Z2E1E_1 \to Z^2E_1. He+^+: 54.4eV54.4\,\mathrm{eV}. U91+^{91+}: 922×13.6=115keV92^2 \times 13.6 = 115\,\mathrm{keV} — maar v1=Zαc=0.67cv_1 = Z\alpha c = 0.67c: het niet-relativistische model is daar alleen indicatief. (b) a0/207=256fma_0/207 = 256\,\mathrm{fm}, E1=207×13.6=2.8keVE_1 = 207 \times 13.6 = 2.8\,\mathrm{keV}; Lyman α\alpha: 2.1keV2.1\,\mathrm{keV}, λ=0.59nm\lambda = 0.59\,\mathrm{nm} (röntgenstraling). De baan van het muon is maar 300300 protonstralen groot: zijn niveaus verschuiven meetbaar met de grootte van het proton, en zo is de protonstraal opnieuw gemeten (2010). (c) De twee deeltjes draaien om hun gemeenschappelijke middelpunt: de gereduceerde massa me/2m_e/2 halveert elke energie: E1=6.8eVE_1 = -6.8\,\mathrm{eV}, Lyman α\alpha bij 5.1eV5.1\,\mathrm{eV}, 243nm243\,\mathrm{nm}.

Oefening 30.11 ★★★

Kwantumdots. In een bolvormig nanokristal met straal RR is de opsluitingsenergie van een deeltje met effectieve massa mm^\ast gelijk aan h2/8mR2h^2/8m^\ast R^2 (aangenomen). CdSe: bandkloof Eg=1.74eVE_g = 1.74\,\mathrm{eV}, me=0.13mem_e^\ast = 0.13\,m_e, mh=0.45mem_h^\ast = 0.45\,m_e (het “gat” dat het aangeslagen elektron achterlaat wordt ook opgesloten). (a) Energie Eg+Ee+EhE_g + E_e + E_h van het uitgezonden foton en de golflengte voor R=2.0nmR = 2.0\,\mathrm{nm}, 3.0nm3.0\,\mathrm{nm}, 4.0nm4.0\,\mathrm{nm}; kleuren. (b) Straal voor emissie bij 520nm520\,\mathrm{nm} (groen). (c) Waarom zendt massief CdSe alleen bij 713nm713\,\mathrm{nm} uit? (d) Een spreiding van 10%10\,\% in de straal binnen een partij: spreiding in golflengte bij 3nm3\,\mathrm{nm}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 30.11.

(a) h2/8me=6.02×1038Jm2h^2/8m_e = 6.02 \times 10^{-38}\,\mathrm{J}\,\mathrm{m}^{2}. R=2nmR = 2\,\mathrm{nm}: Ee=6.02×1038/(0.13×4×1018)=0.72eVE_e = 6.02 \times 10^{-38}/ (0.13 \times 4 \times 10^{-18}) = 0.72\,\mathrm{eV}, Eh=0.21eVE_h = 0.21\,\mathrm{eV}, totaal 1.74+0.93=2.67eV1.74 + 0.93 = 2.67\,\mathrm{eV}, 464nm464\,\mathrm{nm}: blauw. 3nm3\,\mathrm{nm}: opsluiting ×4/9\times4/9, 2.15eV2.15\,\mathrm{eV}, 577nm577\,\mathrm{nm}: geel. 4nm4\,\mathrm{nm}: ×1/4\times1/4, 1.97eV1.97\,\mathrm{eV}, 629nm629\,\mathrm{nm}: rood. (b) 520nm520\,\mathrm{nm} is 2.38eV2.38\,\mathrm{eV}: opsluiting 0.65eV0.65\,\mathrm{eV} =0.93×(2/R)2= 0.93 \times (2/R)^2, R=2.4nmR = 2.4\,\mathrm{nm}. (c) Geen opsluiting: EgE_g alleen, 713nm713\,\mathrm{nm}. (d) δE=2×0.1×0.41=0.08eV\delta E = -2 \times 0.1 \times 0.41 = -0.08\,\mathrm{eV}, 4%4\% van 2.15eV2.15\,\mathrm{eV}: ongeveer 20nm20\,\mathrm{nm} spreiding — zuivere kleuren vergen partijen met één maat.

Oefening 30.12 ★★★

Nulpuntsenergie. (a) Neem voor een harmonische oscillator E=p2/2m+12mω2x2E = p^2/2m + \tfrac12m\omega^2x^2 aan dat ΔxΔp=/2\Delta x\,\Delta p = \hbar/2 en minimaliseer EΔp2/2m+12mω2Δx2E \approx \Delta p^2/2m + \tfrac12m\omega^2\Delta x^2 over Δx\Delta x: toon aan dat Emin=ω/2E_{\min} = \hbar\omega/2 (de exacte grondenergie). (b) Het H2_2-molecuul trilt met ω=8.3×1014rad/s\omega = 8.3 \times 10^{14}\,\mathrm{rad}/\mathrm{s}: nulpuntsenergie in eV, en de laagste temperatuur waarbij zijn trilling “thermisch” is (kBTωk_BT \sim \hbar\omega). (c) Vloeibaar helium bevriest bij atmosferische druk nooit: schat de nulpuntsenergie van een heliumatoom dat in een kristal tot Δx=0.05nm\Delta x = 0.05\,\mathrm{nm} is gelokaliseerd (een deel van de afstand tussen de atomen), en vergelijk met zijn bindingsenergie in de vaste stof, ongeveer 1meV1\,\mathrm{meV}. (d) Vergelijk de doosformule E1=h2/8mL2E_1 = h^2/8mL^2 met de grens uit de onzekerheidsrelatie voor Δx=L/2\Delta x = L/2: welke is groter, en waarom moet dat zo zijn?

Oplossing

Oplossing van Oefening 30.12.

(a) E(Δx)=2/8mΔx2+12mω2Δx2E(\Delta x) = \hbar^2/8m\Delta x^2 + \tfrac12m\omega^2\Delta x^2; de afgeleide is nul bij Δx2=/2mω\Delta x^2 = \hbar/2m\omega, waar beide termen gelijk zijn aan ω/4\hbar\omega/4: Emin=ω/2E_{\min} = \hbar\omega/2. (b) 12×1.055×1034×8.3×1014=4.4×1020J=0.27eV\tfrac12 \times 1.055 \times 10^{-34} \times 8.3 \times 10^{14} = 4.4 \times 10^{-20}\,\mathrm{J} = 0.27\,\mathrm{eV}; Tω/kB=6300KT \sim \hbar\omega/k_B = 6300\,\mathrm{K} — bij kamertemperatuur zit de trilling bevroren in haar grondtoestand. (c) Δp=/2Δx=1.05×1024kgm/s\Delta p = \hbar/2\Delta x = 1.05 \times 10^{-24}\,\mathrm{kg}\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, E=Δp2/2mHe=1.1×1048/1.33×1026=8×1023J=0.5meVE = \Delta p^2/2m_{\mathrm{He}} = 1.1 \times 10^{-48}/1.33 \times 10^{-26} = 8 \times 10^{-23}\,\mathrm{J} = 0.5\,\mathrm{meV}: de helft van de binding — de atomen kunnen niet stil genoeg zitten om te kristalliseren; helium blijft tot het absolute nulpunt vloeibaar tenzij men het samendrukt (25bar25\,\mathrm{bar}). (d) E1=π22/2mL2E_1 = \pi^2\hbar^2/2mL^2 tegen 2/2mL2\hbar^2/2mL^2: tien keer groter, zoals het moet — de grens is een ondergrens, en de doostoestand heeft Δx0.18L\Delta x \approx 0.18L, geen L/2L/2.

Het zichtbare emissiespectrum van waterstof: de balmerlijnen bij 656\, nm, 486\, nm, 434\, nm en 410\, nm, elk een sprong omlaag naar n = 2.
Het zichtbare emissiespectrum van waterstof: de balmerlijnen bij 656nm656\,\mathrm{nm}, 486nm486\,\mathrm{nm}, 434nm434\,\mathrm{nm} en 410nm410\,\mathrm{nm}, elk een sprong omlaag naar n=2n = 2.
Kwantumdots van één materiaal in flesjes: hoe kleiner het nanokristal, hoe groter de opsluitingsenergie en hoe blauwer het licht — kleur gekozen met de grootte.
Kwantumdots van één materiaal in flesjes: hoe kleiner het nanokristal, hoe groter de opsluitingsenergie en hoe blauwer het licht — kleur gekozen met de grootte.

30.6 Probleem: Het waterstofspectrum en een kwantumdot

Probleem 30.1

Weekendopgave — hh meten met licht en een voltmeter, het waterstofatoom uit drie constanten opbouwen, en de kleur van een kristal met zijn grootte kiezen

Constanten: h=6.626×1034Jsh = 6.626 \times 10^{-34}\,\mathrm{J}\,\mathrm{s}, =1.055×1034Js\hbar = 1.055 \times 10^{-34}\,\mathrm{J}\,\mathrm{s}, c=3.00×108m/sc = 3.00 \times 10^{8}\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, e=1.602×1019Ce = 1.602 \times 10^{-19}\,\mathrm{C}, me=9.11×1031kgm_e = 9.11 \times 10^{-31}\,\mathrm{kg}, 1/4πε0=8.99×109SI1/4\pi\varepsilon_0 = 8.99 \times 10^{9}\,\mathrm{SI}, hc=1240eVnmhc = 1240\,\mathrm{eV}\,\mathrm{nm}.

Deel I — De constante van Planck meten. Een kaliumfotokathode wordt met monochromatisch licht beschenen; de remspanning wordt gemeten: 0.30V0.30\,\mathrm{V} bij 6.0×1014Hz6.0 \times 10^{14}\,\mathrm{Hz}, 0.69V0.69\,\mathrm{V} bij 7.0×1014Hz7.0 \times 10^{14}\,\mathrm{Hz}, 1.13V1.13\,\mathrm{V} bij 8.0×1014Hz8.0 \times 10^{14}\,\mathrm{Hz}, 1.50V1.50\,\mathrm{V} bij 9.0×1014Hz9.0 \times 10^{14}\,\mathrm{Hz}, 2.36V2.36\,\mathrm{V} bij 1.1×1015Hz1.1 \times 10^{15}\,\mathrm{Hz}.

  1. Beschrijf de cel en leg uit waarom een tegenspanning de stroom kan stoppen, en wat eVseV_s meet.
  2. Schrijf de betrekking van Einstein op en zeg wat de helling en het snijpunt van Vs(ν)V_s(\nu) geven.
  3. Leid hh uit de gegevens af (met een lineaire fit of met de twee uiterste punten); vergelijk met de aanvaarde waarde.
  4. Uittree-arbeid van kalium in eV; drempelfrequentie en -golflengte; zou een rode laserpen elektronen kunnen vrijmaken?
  5. De intensiteit van de lamp wordt verdubbeld: wat gebeurt er met VsV_s en met de stroom? Waarom is dat onverenigbaar met een zuiver golfbeeld?
  6. Klassieke schatting: er valt licht van 1µW/m21\,\text{µ}\mathrm{W}/\mathrm{m}^{2} op het metaal; een atoom biedt een oppervlak van ongeveer 1×1020m21 \times 10^{-20}\,\mathrm{m}^{2}: hoe lang zou het duren om 2.2eV2.2\,\mathrm{eV} op één atoom te verzamelen? Wat wordt er in plaats daarvan waargenomen?

Deel II — Het waterstofatoom van Bohr.

  1. Een elektron op een cirkelbaan met straal rr om een vast proton: snelheid v(r)v(r) en mechanische energie E(r)E(r).
  2. De voorwaarde van Bohr mevr=nm_evr = n\hbar: toon aan dat rn=n2a0r_n = n^2a_0 en geef a0=4πε02/mee2a_0 = 4\pi\varepsilon_0\hbar^2/m_ee^2 als getal.
  3. En=E1/n2E_n = E_1/n^2 met E1=mee4/[2(4πε0)22]E_1 = -m_ee^4/[2(4\pi\varepsilon_0)^2\hbar^2]; getalwaarde in eV.
  4. Snelheid op de eerste baan en de verhouding v1/cv_1/c (de fijnstructuurconstante α1/137\alpha \approx 1/137).
  5. Golflengten van de lijnen 212 \to 1 (Lyman α\alpha), 323 \to 2 en 424 \to 2 (Balmer Hα\alpha, Hβ\beta): welke zijn zichtbaar?
  6. Toon aan dat 1/λ=RH(1/n21/p2)1/\lambda = R_H(1/n^2 - 1/p^2) en bereken de rydbergconstante RHR_H; de kortste balmergolflengte.
  7. Ionisatie-energie van waterstof vanuit de grondtoestand; golflengte van het foton dat het net ioniseert.
  8. De Broglie: toon aan dat de omtrek van baan nn gelijk is aan nn golflengten — de voorwaarde van Bohr is een staandegolfvoorwaarde.
  9. Twee dingen die het model fout heeft, één ding dat het precies goed heeft, en wat in de volledige theorie de baan vervangt.

Deel III — De kwantumdot. Een CdSe-nanokristal met straal RR sluit een aangeslagen elektron op (effectieve massa me=0.13mem_e^\ast = 0.13\,m_e) en het gat dat het achterlaat (mh=0.45mem_h^\ast = 0.45\,m_e); de opsluitingsenergie van elk in een bol met straal RR is h2/8mR2h^2/8m^\ast R^2 (aangenomen); de bandkloof van massief CdSe is Eg=1.74eVE_g = 1.74\,\mathrm{eV}.

  1. Leid de energieën En=n2h2/8mL2E_n = n^2h^2/8mL^2 van een deeltje in een eendimensionale doos af uit de staandegolfvoorwaarde, en becommentarieer de analogie met de formule voor de bol.
  2. Opsluitingsenergieën van het elektron en van het gat voor R=2.0nmR = 2.0\,\mathrm{nm}.
  3. Energie en golflengte van het uitgezonden foton voor R=2.0nmR = 2.0\,\mathrm{nm}, 3.0nm3.0\,\mathrm{nm} en 4.0nm4.0\,\mathrm{nm}; kleuren.
  4. Leg in één zin uit waarom kleinere dots blauwer zijn.
  5. Controleer de orde van grootte met de onzekerheidsrelatie: Δp/R\Delta p \sim \hbar/R voor het elektron bij R=2nmR = 2\,\mathrm{nm}, en de kinetische energie die daaruit volgt.
  6. Een dot zendt 1.0nW1.0\,\mathrm{nW} uit bij 577nm577\,\mathrm{nm}: fotonen per seconde.

Deel IV — Kwanta tellen.

  1. Fotonen per seconde uit een laser van 1.0mW1.0\,\mathrm{mW} bij 633nm633\,\mathrm{nm}.
  2. Het donkeraangepaste oog neemt een flits van ongeveer 100100 fotonen bij 500nm500\,\mathrm{nm} waar die binnen 0.1s0.1\,\mathrm{s} aankomt: het bijbehorende vermogen.
  3. Een FM-antenne ontvangt 1.0pW1.0\,\mathrm{pW} bij 100MHz100\,\mathrm{MHz}: fotonen per seconde; is er enige hoop ze één voor één waar te nemen?
  4. Vat samen: welke drie grootheden van de atomaire wereld heeft deze opgave alleen uit hh, ee en mem_e opgeleverd, en met welke ordes van grootte?
Oplossing

Oplossing van Probleem 30.1.

1. Licht maakt elektronen met uiteenlopende energieën vrij uit de kathode; op Vs-V_s gehouden stoot de anode ze af en komen alleen die met Ek>eVsE_k > eV_s aan. De stroom verdwijnt wanneer eVs=Ek,maxeV_s = E_{k,\max}.

2. eVs=hνWeV_s = h\nu - W: helling h/eh/e, snijpunt W/e-W/e; Vs=0V_s = 0 bij de drempel ν0=W/h\nu_0 = W/h.

3. Uiterste punten: (2.360.30)/(5.0×1014)=4.12×1015Vs(2.36 - 0.30)/(5.0 \times 10^{14}) = 4.12 \times 10^{-15}\,\mathrm{V}\,\mathrm{s}, h=1.602×1019×4.12×1015=6.60×1034Jsh = 1.602 \times 10^{-19} \times 4.12 \times 10^{-15} = 6.60 \times 10^{-34}\,\mathrm{J}\,\mathrm{s} (een fit op alle vijf geeft 6.626.62): tot op 0.5%0.5\% van 6.626×10346.626 \times 10^{-34}.

4. W=hνeVs=2.470.30=2.2eVW = h\nu - eV_s = 2.47 - 0.30 = 2.2\,\mathrm{eV}; ν0=W/h=5.3×1014Hz\nu_0 = W/h = 5.3 \times 10^{14}\,\mathrm{Hz}, λ0=1240/2.2=560nm\lambda_0 = 1240/2.2 = 560\,\mathrm{nm}. Een rode laserpen (650nm650\,\mathrm{nm}, 1.9eV1.9\,\mathrm{eV}) maakt niets vrij.

5. VsV_s onveranderd, stroom verdubbeld: twee keer zoveel fotonen, elk met dezelfde energie. Een golf zou elk elektron bij meer intensiteit meer energie geven, en een drempel in intensiteit opleveren in plaats van in frequentie.

6. 106×1020=1×1026W10^{-6} \times 10^{-20} = 1 \times 10^{-26}\,\mathrm{W} op het atoom; 2.2eV2.2\,\mathrm{eV} =3.5×1019J= 3.5 \times 10^{-19}\,\mathrm{J} vergt 3.5×1073.5 \times 10^7 s — een jaar. De emissie wordt binnen nanoseconden waargenomen: de energie komt in hele kwanta binnen.

7. mev2/r=e2/4πε0r2m_ev^2/r = e^2/4\pi\varepsilon_0r^2: v=e2/4πε0merv = \sqrt{e^2/4\pi\varepsilon_0m_er}; E=12mev2e2/4πε0r=e2/8πε0rE = \tfrac12m_ev^2 - e^2/4\pi\varepsilon_0r = -e^2/8\pi\varepsilon_0r.

8. (mevr)2=n22(m_evr)^2 = n^2\hbar^2 and mev2r=e2/4πε0m_ev^2r = e^2/4\pi\varepsilon_0: rn=n24πε02/mee2=n2a0r_n = n^2 \cdot 4\pi\varepsilon_0\hbar^2/m_ee^2 = n^2a_0, a0=(1.055×1034)2/(8.99×109×9.11×1031×2.57×1038)=52.9pma_0 = (1.055 \times 10^{-34})^2/(8.99 \times 10^9 \times 9.11 \times 10^{-31} \times 2.57 \times 10^{-38}) = 52.9\,\mathrm{pm}.

9. En=e2/8πε0rn=mee4/2(4πε0)22n2E_n = -e^2/8\pi\varepsilon_0r_n = -m_ee^4/2(4\pi\varepsilon_0)^2\hbar^2n^2; E1=2.31×1028/(2×5.29×1011)=2.18×1018J=13.6eVE_1 = -2.31 \times 10^{-28}/(2 \times 5.29 \times 10^{-11}) = -2.18 \times 10^{-18}\,\mathrm{J} = -13.6\,\mathrm{eV}.

10. v1=/mea0=2.19×106m/sv_1 = \hbar/m_ea_0 = 2.19 \times 10^{6}\,\mathrm{m}/\mathrm{s}; v1/c=7.3×103=1/137v_1/c = 7.3 \times 10^{-3} = 1/137.

11. 212 \to 1: 10.2eV10.2\,\mathrm{eV}, 122nm122\,\mathrm{nm} (ultraviolet); 323 \to 2: 1.89eV1.89\,\mathrm{eV}, 656nm656\,\mathrm{nm} (rood); 424 \to 2: 2.55eV2.55\,\mathrm{eV}, 486nm486\,\mathrm{nm} (blauwgroen): de balmerlijnen zijn de zichtbare.

12. hc/λ=E1(1/n21/p2)hc/\lambda = |E_1|(1/n^2 - 1/p^2): RH=E1/hc=13.6/1240=1.097×102nm1=1.097×107m1R_H = |E_1|/hc = 13.6/1240 = 1.097 \times 10^{-2}\,\mathrm{nm}^{-1} = 1.097 \times 10^{7}\,\mathrm{m}^{-1}. Balmergrens (pp \to \infty): λ=4/RH=365nm\lambda = 4/R_H = 365\,\mathrm{nm}.

13. 13.6eV13.6\,\mathrm{eV}; λ=1240/13.6=91nm\lambda = 1240/13.6 = 91\,\mathrm{nm}.

14. vn=v1/nv_n = v_1/n, λn=h/mevn=nh/mev1=2πna0\lambda_n = h/m_ev_n = nh/m_ev_1 = 2\pi na_0 (want mev1a0=m_ev_1a_0 = \hbar); 2πrn=2πn2a0=nλn2\pi r_n = 2\pi n^2a_0 = n\lambda_n: de baan draagt nn hele golven — de regel van Bohr is een staandegolfregel.

15. Fout: het elektron heeft geen baan (het zou stralen; de grondtoestand heeft impulsmoment nul) en het model faalt voor elk atoom met twee elektronen. Goed: de waterstofniveaus, en dus elke lijn van zijn spectrum. De baan wordt vervangen door een golffunctie, een kanswolk met afmeting n2a0\sim n^2a_0.

16. Staande golven: L=nλ/2L = n\lambda/2, pn=h/λn=nh/2Lp_n = h/\lambda_n = nh/2L, En=pn2/2m=n2h2/8mL2E_n = p_n^2/2m = n^2h^2/8mL^2. De formule voor de bol is dezelfde met LRL \to R: de grondtoestand krijgt een halve golflengte in de straal kwijt.

17. Ee=6.02×1038/(0.13×4×1018)=0.72eVE_e = 6.02 \times 10^{-38}/(0.13 \times 4 \times 10^{-18}) = 0.72\,\mathrm{eV}; Eh=0.13/0.45×0.72=0.21eVE_h = 0.13/0.45 \times 0.72 = 0.21\,\mathrm{eV}.

18. R=2nmR = 2\,\mathrm{nm}: 1.74+0.93=2.67eV1.74 + 0.93 = 2.67\,\mathrm{eV}, 464nm464\,\mathrm{nm}, blauw; 3nm3\,\mathrm{nm}: 2.15eV2.15\,\mathrm{eV}, 577nm577\,\mathrm{nm}, geel; 4nm4\,\mathrm{nm}: 1.97eV1.97\,\mathrm{eV}, 629nm629\,\mathrm{nm}, rood.

19. De opsluitingsenergie groeit als 1/R21/R^2: een kleinere doos tilt de niveaus op, het foton is energierijker, het licht blauwer.

20. Δp/R=5.3×1026kgm/s\Delta p \sim \hbar/R = 5.3 \times 10^{-26}\,\mathrm{kg}\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, EΔp2/2me=1.2×1020J=0.07eVE \sim \Delta p^2/2m_e^\ast = 1.2 \times 10^{-20}\,\mathrm{J} = 0.07\,\mathrm{eV}: de juiste orde (de exacte coëfficiënt π2/2\pi^2/2 en de grovere Δp\Delta p verklaren de factor tien).

21. 1240/577=2.15eV=3.4×1019J1240/577 = 2.15\,\mathrm{eV} = 3.4 \times 10^{-19}\,\mathrm{J}: 109/3.4×1019=2.9×10910^{-9}/3.4 \times 10^{-19} = 2.9 \times 10^9 fotonen per seconde.

22. 103/(1.96×1.6×1019)=3.2×101510^{-3}/(1.96 \times 1.6 \times 10^{-19}) = 3.2 \times 10^{15} per seconde.

23. 100×2.48×1.6×1019=4×1017J100 \times 2.48 \times 1.6 \times 10^{-19} = 4 \times 10^{-17}\,\mathrm{J} in 0.1s0.1\,\mathrm{s}: 4×1016W4 \times 10^{-16}\,\mathrm{W}.

24. hν=6.6×1026Jh\nu = 6.6 \times 10^{-26}\,\mathrm{J}: 1.5×10131.5 \times 10^{13} fotonen per seconde — en elk is 10510^5 keer kleiner dan de thermische energie kBTk_BT van de antenne: geen hoop, en geen behoefte; het golfbeeld is daar exact.

25. De grootte van atomen, a0=53pma_0 = 53\,\mathrm{pm}; hun energieschaal, 13.6eV13.6\,\mathrm{eV} (vandaar fotonen van enkele eV, de chemie, het zichtbare spectrum); en de snelheid van hun elektronen, αc2×106m/s\alpha c \approx 2 \times 10^{6}\,\mathrm{m}/\mathrm{s} — alle drie uit hh, ee en mem_e (en ε0\varepsilon_0), zonder dat er iets is bijgesteld.

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 393 begrippen in de begrippenlijst