Physics · Boek 3 · Bachelor Year 1

Universitaire natuurkunde — jaar 1

Universitaire natuurkunde — jaar 1 · Bachelor Year 1

29Elektromagnetische inductie en toepassingen

Beweeg een magneet naar een spoel toe en er loopt een stroom in de spoel; stop de magneet en de stroom stopt. Faraday vond dit in 1831, na tien jaar zoeken, en het is het feit waarop de elektrische wereld draait: elke elektriciteitscentrale, elke transformator, elke motor en luidspreker en microfoon, elke inductiekookplaat en draadloze lader zet energie om via de wet dat een veranderende magnetische flux een elektromotorische spanning aandrijft. Dit hoofdstuk formuleert de wet met haar tekens, geeft haar de twee gedaanten die zij aanneemt (een veranderend veld in een vaste kring, een kring die in een vast veld beweegt), definieert zelf- en wederzijdse inductie, en werkt daarna de elektromechanische machines uit — de schuivende staaf, de alternator, de transformator, de luidspreker — waar dezelfde wet mechanisch vermogen in elektrisch vermogen omzet en terug, nooit voor niets.

Een MRI-scanner: een supergeleidende spoel die 1.5\, T boven een patiënt aanhoudt — een megajoule aan magnetische energie in een veld met niets erin. Foto: Jan Ainali, CC BY 3.0.
Een MRI-scanner: een supergeleidende spoel die 1.5T1.5\,\mathrm{T} boven een patiënt aanhoudt — een megajoule aan magnetische energie in een veld met niets erin. Foto: Jan Ainali, CC BY 3.0.

29.1 De wet van Faraday

Definitie 29.1 (Magnetische flux door een kring)

Oriënteer een gesloten kring Γ\Gamma (een doorlooprichting); zijn oppervlak krijgt de normaal n\vect n volgens de rechterhandregel. De magnetische flux door de kring is Φ=Bn ⁣dS\Phi = \sum\vect B\cdot\vect n\,\dd S over elk oppervlak met rand Γ\Gamma (weber, 1Wb=1Tm21\,\mathrm{Wb} = 1\,\mathrm{T}\,\mathrm{m}^{2}) — “elk”, omdat de flux van B\vect B door een gesloten oppervlak nul is. Voor een homogeen veld en een vlakke spoel van NN windingen met oppervlakte SS is Φ=NBScosα\Phi = NBS\cos\alpha, met α\alpha de hoek tussen B\vect B en n\vect n.

Stelling 29.2 (De inductiewet van Faraday)

Telkens wanneer de flux door een kring verandert is de kring de zetel van een geïnduceerde elektromotorische spanning

e= ⁣dΦ ⁣dt,e = -\frac{\dd\Phi}{\dd t} ,

geteld in de oriëntatie van de kring, dat wil zeggen werkend als een ideale spanningsbron met emk ee in die zin; in een kring met weerstand RR drijft zij de stroom i=e/Ri = e/R aan. Het minteken is de wet van Lenz: de geïnduceerde stroom loopt zo dat hij de fluxverandering tegenwerkt die hem opwekt — zijn eigen veld, en de krachten die hij voelt, verzetten zich tegen de oorzaak.

Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen.

Opmerking 29.3 (Twee gedaanten van dezelfde wet)

De flux verandert ofwel omdat B\vect B in de tijd verandert door een vaste kring (neumann-inductie: transformator, inductiekookplaat) ofwel omdat de kring beweegt of vervormt in een stationair veld (lorentz-inductie: generator, luidspreker). In het tweede geval laat de emk zich ook rechtstreeks berekenen: de ladingsdragers van een geleiderelement  ⁣dl\dd\vect l dat met v\vect v beweegt voelen de kracht qvBq\vect v\wedge \vect B, gelijkwaardig aan een elektrisch veld vB\vect v\wedge\vect B, zodat e=(vB) ⁣dle = \oint(\vect v\wedge\vect B)\cdot\dd\vect l — en dit stemt altijd overeen met  ⁣dΦ/ ⁣dt-\dd\Phi/\dd t. De wet van Faraday dekt beide; het volume van jaar 2 legt uit waarom de twee mechanismen één formule geven.

Oriëntatie en de wet van Lenz. Links: de oriëntatie van de kring legt n en het teken van  vast. Midden: een magneet die een ring nadert vergroot de flux; de geïnduceerde stroom wekt een veld op dat dat van de magneet tegenwerkt en de ring stoot hem af. Rechts: een staaf die op rails schuift in een veld dat naar de lezer wijst; de flux van de kring groeit, en de geïnduceerde stroom loopt zo dat de laplacekracht op de staaf haar beweging tegenwerkt.
Oriëntatie en de wet van Lenz. Links: de oriëntatie van de kring legt n\vect n en het teken van Φ\Phi vast. Midden: een magneet die een ring nadert vergroot de flux; de geïnduceerde stroom wekt een veld op dat dat van de magneet tegenwerkt en de ring stoot hem af. Rechts: een staaf die op rails schuift in een veld dat naar de lezer wijst; de flux van de kring groeit, en de geïnduceerde stroom loopt zo dat de laplacekracht op de staaf haar beweging tegenwerkt.

Voorbeeld 29.4 (Ordes van grootte)

Een spoel van 100100 windingen en 10cm210\,\mathrm{cm}^{2} in het aardveld, in 0.1s0.1\,\mathrm{s} omgeklapt: ΔΦ=2×100×103×5×105=1×105Wb\Delta\Phi = 2 \times 100 \times 10^{-3} \times 5 \times 10^{-5} = 1 \times 10^{-5}\,\mathrm{Wb}, e0.1mVe \sim 0.1\,\mathrm{mV} — meetbaar met een gevoelige galvanometer, zoals het aardveld ooit in kaart is gebracht. Dezelfde spoel in de spleet van 1T1\,\mathrm{T} van een magneet, er in 0.1s0.1\,\mathrm{s} uit getrokken: 1V1\,\mathrm{V}. Een transformatorspoel van 10001000 windingen met 1T1\,\mathrm{T} bij 50Hz50\,\mathrm{Hz} over 10cm210\,\mathrm{cm}^{2}: emax=1000×103×314=314Ve_{\max} = 1000 \times 10^{-3} \times 314 = 314\,\mathrm{V} — de netspanning.

29.2 Zelfinductie en wederzijdse inductie

Definitie 29.5 (Inductie)

De flux van het eigen veld van een kring door zichzelf is evenredig met zijn stroom: Φeigen=Li\Phi_{\text{eigen}} = Li, met L>0L > 0 zijn zelfinductie (henry, H\mathrm{H}). De flux die kring 1 door kring 2 stuurt is Φ12=Mi1\Phi_{1 \to 2} = Mi_1, en symmetrisch Φ21=Mi2\Phi_{2 \to 1} = Mi_2, met MM hun wederzijdse inductie (het teken ligt vast door de oriëntaties). De totale flux van kring 1 is dan Φ1=L1i1+Mi2\Phi_1 = L_1i_1 + Mi_2.

Propositie 29.6 (De spoel; de solenoïde)

Een kring met zelfinductie LL die een veranderende stroom voert is de zetel van de emk e=L ⁣di/ ⁣dte = -L\,\dd i/\dd t: in de verbruikersconventie is dat de spanning u=L ⁣di/ ⁣dtu = L\,\dd i/\dd t van de spoel die sinds Hoofdstuk 7 wordt gebruikt. Zij slaat de energie W=12Li2W = \tfrac12Li^2 op. Een lange solenoïde met nn windingen per meter, lengte \ell en doorsnede SS, heeft L=μ0n2SL = \mu_0n^2S\ell; haar opgeslagen energie is 12μ0n2I2S=B22μ0S\tfrac12\mu_0n^2I^2S\ell = \dfrac{B^2}{2\mu_0}\,S\ell: magnetische energie huist in het veld met dichtheid B2/2μ0B^2/2\mu_0, precies zoals elektrische energie met ε0E2/2\varepsilon_0E^2/2.

Bewijs. Faraday met Φ=Li\Phi = Li en constante LL. Energie: het vermogen dat de spoel ontvangt is ui=Li ⁣di/ ⁣dt= ⁣d(12Li2)/ ⁣dtui = Li\,\dd i/\dd t = \dd(\tfrac12Li^2)/\dd t. Solenoïde: B=μ0nIB = \mu_0nI binnenin, flux BSBS door elk van de nn\ell windingen, dus Φ=μ0n2SI\Phi = \mu_0n^2S\ell I. De algemene dichtheid wordt aangenomen.

Voorbeeld 29.7 (Een MRI-magneet)

1.5T1.5\,\mathrm{T} over ongeveer een kubieke meter: B2/2μ0=2.25/2.5×106=0.9MJ/m3B^2/2\mu_0 = 2.25/2.5 \times 10^{-6} = 0.9\,\mathrm{MJ}/\mathrm{m}^{3} — de energie van een autoaccu, opgeslagen in lege ruimte. Bij een spoelstroom van 500A500\,\mathrm{A} is L=2W/I2=7HL = 2W/I^2 = 7\,\mathrm{H}. Wordt de supergeleider plotseling weerstandsvol (een quench), dan wordt die megajoule in seconden warmte en kookt zij honderden liters vloeibaar helium weg: de magneetkamer heeft er een afvoer voor.

Propositie 29.8 (De ideale transformator)

Twee spoelen met N1N_1 en N2N_2 windingen op dezelfde gesloten ijzeren kern, zodat dezelfde flux φ\varphi door elke winding gaat, voldoen aan

u2u1=N2N1,N1i1+N2i2=0(geen belastingverliezen, geen magnetiseringsstroom),\frac{u_2}{u_1} = \frac{N_2}{N_1} , \qquad N_1i_1 + N_2i_2 = 0 \quad\text{(geen belastingverliezen, geen magnetiseringsstroom)},

zodat u2i2=u1i1u_2i_2 = -u_1i_1: het vermogen dat de primaire opneemt wordt aan de secundaire geleverd; spanningen schalen met de windingsverhouding, stromen omgekeerd. Het werkt alleen met veranderende stromen.

Bewijs. u1=N1 ⁣dφ/ ⁣dtu_1 = N_1\,\dd\varphi/\dd t en u2=N2 ⁣dφ/ ⁣dtu_2 = N_2\,\dd\varphi/\dd t (verbruikersconventie aan beide kanten, oriëntaties langs de gemeenschappelijke flux gekozen): deel ze op elkaar. De stroombetrekking is de stelling van Ampère op de kern: haar circulatie, μ0μr\mu_0\mu_r maal het totale aantal ampèrewindingen, zou de flux moeten opwekken; voor een ideale kern (μr\mu_r \to \infty) vergt dat een verwaarloosbaar aantal ampèrewindingen, en dus N1i1+N2i2=0N_1i_1 + N_2i_2 = 0. In deze vorm aangenomen.

Links: een transformator — twee spoelen op een gesloten ijzeren kern delen dezelfde flux; de spanningen schalen met de windingen, de stromen omgekeerd. Rechts: twee gekoppelde spoelen in lucht en hun wederzijdse inductie M; de eigen flux van een spoel is Li.
Links: een transformator — twee spoelen op een gesloten ijzeren kern delen dezelfde flux; de spanningen schalen met de windingen, de stromen omgekeerd. Rechts: twee gekoppelde spoelen in lucht en hun wederzijdse inductie MM; de eigen flux van een spoel is LiLi.

29.3 Bewegende geleiders: generatoren en motoren

Propositie 29.9 (De schuivende staaf)

Een staaf met lengte \ell schuift met snelheid vv over twee rails die door een weerstand RR zijn gesloten, in een homogeen veld BB loodrecht op het vlak. Zij is de zetel van de emk e=Bve = B\ell v, drijft i=Bv/Ri = B\ell v/R aan, en ondervindt de laplacekracht F=Bi=B22v/RF = B\ell i = B^2\ell^2v/R die haar beweging tegenwerkt. Het mechanische vermogen dat men moet leveren om haar te duwen, FvFv, is gelijk aan het elektrische vermogen ei=Ri2ei = Ri^2 dat wordt gedissipeerd: de staaf is een generator. Voedt men haar in plaats daarvan met een bron EE, dan is zij een motor: de stroom (EBv)/R(E - B\ell v)/R duwt haar tot de tegen-emk BvB\ell v EE in evenwicht houdt, bij de nullastsnelheid E/BE/B\ell.

Bewijs. Flux BxB\ell x, e=Bx˙e = -B\ell\dot x in de oriëntatie waarvoor n\vect n langs B\vect B ligt; de laplacekracht iBi\vect\ell\wedge\vect B op de zo georiënteerde stroom wijst tegen v\vect v in (Stelling 29.2, Lenz). Vermenigvuldig de elektrische vergelijking e=Rie = Ri met ii en de mechanische met vv: Fv=Biv=eiFv = B\ell iv = ei. Het elektromechanische vermogen eiei en het laplacevermogen Fv-Fv zijn altijd tegengesteld — de wet van de omzetting.

Propositie 29.10 (De draaiende winding: de alternator)

Een spoel van NN windingen met oppervlakte SS die met ω\omega draait om een as loodrecht op een homogeen BB heeft Φ=NBScosωt\Phi = NBS\cos\omega t en

e=NBSωsinωt:e = NBS\omega\sin\omega t :

een sinusvormige emk met amplitude NBSωNBS\omega en de frequentie van de draaiing. In een weerstand RR levert zij het gemiddelde vermogen (NBSω)2/2R(NBS\omega)^2/2R, geleverd door het koppel dat haar draaiende houdt tegen het laplacekoppel mB-\vect m\wedge\vect B van haar eigen stroom in.

Bewijs. Differentieer de flux; sin2=12\langle\sin^2\rangle = \tfrac12. Het koppel is dat van Stelling 28.14 met m=NiSm = Ni S; zijn gemiddelde vermogen Γω\langle\Gamma\omega\rangle is gelijk aan ei\langle ei\rangle door dezelfde berekening als bij de staaf.

Links: de schuivende staaf als generator — emk B v, stroom door R, laplacekracht die de staaf remt; het vermogen van wie duwt is de warmte in de weerstand. Midden en rechts: de draaiende spoel van een alternator en haar sinusvormige emk. Links: de schuivende staaf als generator — emk B v, stroom door R, laplacekracht die de staaf remt; het vermogen van wie duwt is de warmte in de weerstand. Midden en rechts: de draaiende spoel van een alternator en haar sinusvormige emk.
Links: de schuivende staaf als generator — emk BvB\ell v, stroom door RR, laplacekracht die de staaf remt; het vermogen van wie duwt is de warmte in de weerstand. Midden en rechts: de draaiende spoel van een alternator en haar sinusvormige emk.

Voorbeeld 29.11 (Wervelstromen)

Een massieve geleider die in een inhomogeen veld beweegt, of die in een veranderend veld ligt, wordt langs talloze gesloten wegen door veranderende flux doorsneden: er lopen wervelstromen in rond, die hem verwarmen en — volgens Lenz — afremmen. Een magneet die door een koperen buis valt zakt traag omlaag; de remmen van vrachtwagens en achtbanen gebruiken het (geen contact, geen slijtage, geen remfalen — maar ook geen remwerking in stilstand); de inductiekookplaat verwarmt de pan met dezelfde stromen, bij 25kHz25\,\mathrm{kHz}; transformatorkernen zijn juist gelamelleerd om ze te onderbreken.

29.4 De luidspreker: een gekoppeld systeem

Propositie 29.12 (Elektromechanische koppeling van een spoel in een radiaal veld)

Een spoel met totale draadlengte \ell ligt in een radiaal veld BB zodat elk draadelement loodrecht op B\vect B staat; zij beweegt langs haar as met snelheid vv en voert ii. Dan ondervindt zij de axiale laplacekracht F=BiF = B\ell i en is zij de zetel van de tegen-emk e=Bve = -B\ell v (in de verbruikersconventie een spanning BvB\ell v). Met een massa mm, een ophanging met stijfheid kk en een mechanische demping hh, gevoed door een spanning uu via de weerstand RR en de zelfinductie LL van de spoel:

u=Ri+L ⁣di ⁣dt+Bv,m ⁣dv ⁣dt=kxhv+Bi.u = Ri + L\frac{\dd i}{\dd t} + B\ell v , \qquad m\frac{\dd v}{\dd t} = -kx - hv + B\ell i .

Vermenigvuldigen met ii en met vv en optellen: het elektrische vermogen uiui is gelijk aan het joulseverlies Ri2Ri^2 plus de toename van de opgeslagen energieën 12Li2+12mv2+12kx2\tfrac12Li^2 + \tfrac12mv^2 + \tfrac12kx^2 plus het mechanische verlies hv2hv^2 (waar het geluid in zit): de omzettingsterm BivB\ell iv valt weg tussen de twee vergelijkingen. Achterstevoren gebruikt (beweging opgelegd, uu afgelezen) is hetzelfde toestel een dynamische microfoon.

Bewijs. Laplacekracht op elk element i ⁣dlBi\,\dd\vect l\wedge\vect B, alle axiaal en met hetzelfde teken; de emk uit (vB) ⁣dl(\vect v\wedge\vect B)\cdot\dd\vect l, gesommeerd over de draad. De energiebalans is de som van de twee vergelijkingen, vermenigvuldigd zoals aangegeven.

Een luidspreker met bewegende spoel in doorsnede: de spreekspoel zit in de ringvormige spleet van een magneet waar het veld radiaal is, zodat een stroom een axiale kracht geeft, wat de stand ook is; de conus die zij aandrijft wordt door een stijve, gedempte ophanging vastgehouden; de beweging van de spoel voert een tegen-emk B v terug in de elektrische kring.
Een luidspreker met bewegende spoel in doorsnede: de spreekspoel zit in de ringvormige spleet van een magneet waar het veld radiaal is, zodat een stroom een axiale kracht geeft, wat de stand ook is; de conus die zij aandrijft wordt door een stijve, gedempte ophanging vastgehouden; de beweging van de spoel voert een tegen-emk BvB\ell v terug in de elektrische kring.

Opmerking 29.13 (Waarom de koppeling dempt)

Bij lage frequentie (LωRL\omega \ll R) is i(uBv)/Ri \approx (u - B\ell v)/R en is de kracht Bu/R(B22/R)vB\ell u/R - (B^2\ell^2/R)\,v: de elektrische kring voegt de demping B22/RB^2\ell^2/R aan de mechanische toe. Een luidspreker die op een versterker is aangesloten (lage uitgangsweerstand) is zwaar gedempt — zijn conus staat stil zodra het signaal stopt — en dezelfde koppeling laat de microfoon energie uit het geluid halen (Probleem 29.1).

29.5 Oefeningen

Oefening 29.1

Een spoel van 100100 windingen en 10cm210\,\mathrm{cm}^{2} in een homogeen veld van 0.20T0.20\,\mathrm{T} onder 3030{}^{\circ} met haar normaal. Flux; gemiddelde emk als het veld in 10ms10\,\mathrm{ms} wordt uitgeschakeld; in 1ms1\,\mathrm{ms}; zin van de geïnduceerde stroom ten opzichte van het veld (Lenz).

Oplossing

Oplossing van Oefening 29.1.

Φ=NBScos30=100×0.2×103×0.866=1.7×102Wb\Phi = NBS\cos30^\circ = 100 \times 0.2 \times 10^{-3} \times 0.866 = 1.7 \times 10^{-2}\,\mathrm{Wb}; e=ΔΦ/Δt=1.7V\langle e\rangle = \Delta\Phi/\Delta t = 1.7\,\mathrm{V} in 10ms10\,\mathrm{ms}, 17V17\,\mathrm{V} in 1ms1\,\mathrm{ms}. De stroom loopt zo dat hij de verdwijnende flux herstelt: zijn veld ligt langs de oude B\vect B.

Oefening 29.2

Een staaf van 20cm20\,\mathrm{cm} schuift met 2.0m/s2.0\,\mathrm{m}/\mathrm{s} over rails die door 0.10Ω0.10\,\Omega zijn gesloten, in 0.50T0.50\,\mathrm{T}. Emk, stroom, laplacekracht, kracht die wie duwt moet leveren, mechanisch vermogen, elektrisch vermogen.

Oplossing

Oplossing van Oefening 29.2.

e=Bv=0.5×0.2×2=0.20Ve = B\ell v = 0.5 \times 0.2 \times 2 = 0.20\,\mathrm{V}; i=2.0Ai = 2.0\,\mathrm{A}; F=Bi=0.20NF = B\ell i = 0.20\,\mathrm{N} remmend, dus levert wie duwt 0.20N0.20\,\mathrm{N}; Fv=0.40W=Ri2Fv = 0.40\,\mathrm{W} = Ri^2.

Oefening 29.3

Solenoïde met 1000windingen/m1000\,\mathrm{windingen}/\mathrm{m}, lengte 20cm20\,\mathrm{cm}, doorsnede 4.0cm24.0\,\mathrm{cm}^{2}: zelfinductie; energie bij 5.0A5.0\,\mathrm{A}; tijdconstante met een weerstand van 1.0Ω1.0\,\Omega; veld binnenin en energiedichtheid, ter controle van B2/2μ0B^2/2\mu_0.

Oplossing

Oplossing van Oefening 29.3.

L=μ0n2S=4π×107×106×4×104×0.2=0.10mHL = \mu_0n^2S\ell = 4\pi \times 10^{-7} \times 10^6 \times 4 \times 10^{-4} \times 0.2 = 0.10\,\mathrm{mH}; W=12LI2=1.3mJW = \tfrac12LI^2 = 1.3\,\mathrm{mJ}; τ=L/R=0.1ms\tau = L/R = 0.1\,\mathrm{ms}. B=μ0nI=6.3mTB = \mu_0nI = 6.3\,\mathrm{mT}, B2/2μ0=15.7J/m3B^2/2\mu_0 = 15.7\,\mathrm{J}/\mathrm{m}^{3} over S=8×105m3S\ell = 8 \times 10^{-5}\,\mathrm{m}^{3}: 1.3mJ1.3\,\mathrm{mJ}.

Oefening 29.4

Een transformator van 230V230\,\mathrm{V} naar 12V12\,\mathrm{V}: windingsverhouding; primaire windingen bij een secundaire van 5050 windingen; primaire stroom wanneer de secundaire 2.0A2.0\,\mathrm{A} levert. Waarom werkt hij niet op een autoaccu?

Oplossing

Oplossing van Oefening 29.4.

N2/N1=12/230=0.052N_2/N_1 = 12/230 = 0.052; N1=50/0.052=960N_1 = 50/0.052 = 960 windingen; i1=2×0.052=0.10Ai_1 = 2 \times 0.052 = 0.10\,\mathrm{A}. Een gelijkstroom geeft een constante flux: geen  ⁣dφ/ ⁣dt\dd\varphi/\dd t, geen secundaire spanning — en de primaire, een kortsluiting, zou verbranden.

Oefening 29.5 ★★

De wet van Lenz: geef in elk geval de zin van de geïnduceerde stroom en de richting van de kracht — (a) een noordpool nadert een ring langs zijn as; (b) een ring ligt in een veld dat groeit; (c) een ring valt op een magneet; (d) een magneet valt door een lange koperen buis. Verklaar bij (d) met energie waarom hij met een kleine constante snelheid valt.

Oplossing

Oplossing van Oefening 29.5.

(a) De flux (langs de nadering) groeit: de stroom maakt een veld dat haar tegenwerkt — zijn eigen noordpool staat tegenover de noordpool van de magneet — en de ring wordt weggeduwd. (b) Een stroom waarvan het veld de groei tegenwerkt; de ring, een dipool die tegengesteld aan B\vect B staat, wordt naar het zwakkere veld geduwd. (c) Bij het vallen groeit de flux: dezelfde stroom als bij (a), de ring wordt afgeremd. (d) Elk stuk buis vóór de magneet ziet groeiende flux, erachter afnemende; beide geïnduceerde stromen remmen de magneet; bij de snelheid waarbij de laplacekracht het gewicht in evenwicht houdt valt de magneet gestaag en wordt zijn verloren potentiële energie joulse warmte in de buis.

Oefening 29.6 ★★

Alternator: N=200N = 200, S=20cm2S = 20\,\mathrm{cm}^{2}, B=0.10TB = 0.10\,\mathrm{T}, 50Hz50\,\mathrm{Hz}. Piek- en effectieve emk; piekstroom en piekkoppel in 10Ω10\,\Omega; gemiddeld elektrisch vermogen; vergelijk met het gemiddelde mechanische vermogen, en met het ogenblikkelijke koppel op het moment dat de emk verdwijnt.

Oplossing

Oplossing van Oefening 29.6.

Emax=NBSω=200×2×103×0.1×314=12.6VE_{\max} = NBS\omega = 200 \times 2 \times 10^{-3} \times 0.1 \times 314 = 12.6\,\mathrm{V}, effectief 8.9V8.9\,\mathrm{V}; Imax=1.26AI_{\max} = 1.26\,\mathrm{A}, Γmax=NBSImax=0.050Nm\Gamma_{\max} = NBSI_{\max} = 0.050\,\mathrm{N}\,\mathrm{m} (wanneer sinωt=1\sin\omega t = 1); P=Emax2/2R=7.9W\langle P\rangle = E_{\max}^2/2R = 7.9\,\mathrm{W} =Γω=12×0.05×314= \langle\Gamma\omega\rangle = \tfrac12 \times 0.05 \times 314; wanneer e=0e = 0 is de stroom nul en verdwijnt het koppel — het koppel pulseert met 100Hz100\,\mathrm{Hz}.

Oefening 29.7 ★★

Magnetische rem. Een vierkante winding met zijde a=10cma = 10\,\mathrm{cm} en weerstand R=1.0mΩR = 1.0\,\mathrm{m}\Omega, massa 1.0kg1.0\,\mathrm{kg}, verlaat een gebied met homogeen veld B=1.0TB = 1.0\,\mathrm{T} met snelheid vv (één zijde nog in het veld). Emk, stroom, remkracht; bewegingsvergelijking en tijdconstante; afgelegde weg voordat zij vanaf 1.0m/s1.0\,\mathrm{m}/\mathrm{s} stilstaat; waar is de kinetische energie gebleven?

Oplossing

Oplossing van Oefening 29.7.

e=Bave = Bav, i=Bav/Ri = Bav/R, F=B2a2v/R=10vF = B^2a^2v/R = 10\,v (N). m ⁣dv/ ⁣dt=B2a2v/Rm\,\dd v/\dd t = -B^2a^2v/R: v=v0et/τv = v_0\eu^{-t/\tau}, τ=mR/B2a2=0.10s\tau = mR/B^2a^2 = 0.10\,\mathrm{s}; afstand v0τ=10cmv_0\tau = 10\,\mathrm{cm} (als het veldgebied lang genoeg is). De kinetische energie, 0.5J0.5\,\mathrm{J}, wordt als Ri2Ri^2 in de winding gedissipeerd.

Oefening 29.8 ★★

Een kleine spoel (N2=50N_2 = 50 windingen, doorsnede 2.0cm22.0\,\mathrm{cm}^{2}) zit binnen een lange solenoïde (n1=2000m1n_1 = 2000\,\mathrm{m}^{-1}), met de assen uitgelijnd. Wederzijdse inductie; emk in de spoel wanneer de stroom in de solenoïde met 100A/s100\,\mathrm{A}/\mathrm{s} oploopt, en wanneer zij 1.0A1.0\,\mathrm{A} bij 10kHz10\,\mathrm{kHz} is. Hangt MM ervan af welke spoel de stroom voert?

Oplossing

Oplossing van Oefening 29.8.

Flux van het veld μ0n1i1\mu_0n_1i_1 van de solenoïde door de N2N_2 windingen: M=μ0n1N2S2=4π×107×2000×50×2×104=25µHM = \mu_0n_1N_2S_2 = 4\pi \times 10^{-7} \times 2000 \times 50 \times 2 \times 10^{-4} = 25\,\text{µ}\mathrm{H}. Oplopend: e=M ⁣di1/ ⁣dt=2.5mVe = M\,\dd i_1/\dd t = 2.5\,\mathrm{mV}; bij 10kHz10\,\mathrm{kHz} en 1A1\,\mathrm{A}: emax=MωI=25×106×6.3×104=1.6Ve_{\max} = M\omega I = 25 \times 10^{-6} \times 6.3 \times 10^4 = 1.6\,\mathrm{V}. MM is symmetrisch: hetzelfde getal geeft de flux die de kleine spoel door de solenoïde stuurt — veel lastiger rechtstreeks te berekenen.

Oefening 29.9 ★★

Energie in een veld: B=1.5TB = 1.5\,\mathrm{T} over 1.0m31.0\,\mathrm{m}^{3}, als in een MRI-magneet. Energie; zelfinductie voor I=500AI = 500\,\mathrm{A}; hoogte waarnaar die energie een auto van 1t1\,\mathrm{t} zou tillen; volume vloeibaar helium dat zij bij een quench doet koken (2.6kJ2.6\,\mathrm{kJ} per liter). Energie van het aardveld (5×105T5 \times 10^{-5}\,\mathrm{T}) in een kamer van 50m350\,\mathrm{m}^{3}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 29.9.

W=B2V/2μ0=2.25/(2.51×106)=0.90MJW = B^2V/2\mu_0 = 2.25/(2.51 \times 10^{-6}) = 0.90\,\mathrm{MJ}; L=2W/I2=7.2HL = 2W/I^2 = 7.2\,\mathrm{H}; h=W/mg=92mh = W/mg = 92\,\mathrm{m}; helium: 9×105/2600=350L9 \times 10^5/2600 = 350\,\mathrm{L}. Aardveld: (5×105)2/2μ0=1×103J/m3(5 \times 10^{-5})^2/2\mu_0 = 1 \times 10^{-3}\,\mathrm{J}/\mathrm{m}^{3}, 50mJ50\,\mathrm{mJ} in de kamer.

Oefening 29.10 ★★★

Rails als motor. De staaf uit Oefening 29.2 (massa mm, geen wrijving) is op een bron EE aangesloten via de weerstand RR. (a) Elektrische en mechanische vergelijking; toon aan dat m ⁣dv/ ⁣dt=B(EBv)/Rm\,\dd v/\dd t = B\ell(E - B\ell v)/R. (b) Eindsnelheid en tijdconstante. (c) Vermogensbalans: vermogen van de bron == joulse warmte ++ mechanisch; rendement als functie van vv. (d) Getallen: E=2.0VE = 2.0\,\mathrm{V}, m=50gm = 50\,\mathrm{g}, de rest als in Oefening 29.2. (e) Een railkanon versnelt een projectiel van 10g10\,\mathrm{g} met 1MA1\,\mathrm{MA} over 5m5\,\mathrm{m} in 1T1\,\mathrm{T}: uittreesnelheid (orde van grootte).

Oplossing

Oplossing van Oefening 29.10.

(a) EBv=RiE - B\ell v = Ri (de tegen-emk werkt de bron tegen), m ⁣dv/ ⁣dt=Bim\,\dd v/\dd t = B\ell i: m ⁣dv/ ⁣dt=B(EBv)/Rm\,\dd v/\dd t = B\ell(E - B\ell v)/R. (b) v=E/Bv_\infty = E/B\ell, τ=mR/B22\tau = mR/B^2\ell^2. (c) Vermenigvuldig de elektrische vergelijking met ii: Ei=Ri2+BviEi = Ri^2 + B\ell vi, en Bvi=FvB\ell vi = Fv is het mechanische vermogen; rendement Fv/Ei=Bv/E=v/vFv/Ei = B\ell v/E = v/v_\infty100%100\% alleen bij nullast, waar niets wordt geleverd. (d) v=2/(0.5×0.2)=20m/sv_\infty = 2/(0.5 \times 0.2) = 20\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, τ=0.05×0.1/0.01=0.5s\tau = 0.05 \times 0.1/0.01 = 0.5\,\mathrm{s}. (e) F=BI=1×0.1×106=1×105NF = B\ell I = 1 \times 0.1 \times 10^6 = 1 \times 10^{5}\,\mathrm{N} (met =10cm\ell = 10\,\mathrm{cm}), a=1×107m/s2a = 1 \times 10^{7}\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}, v=2a×5=1×104m/sv = \sqrt{2a \times 5} = 1 \times 10^{4}\,\mathrm{m}/\mathrm{s} — tien kilometer per seconde, de belofte en het probleem van railkanonnen (de rails eroderen).

Oefening 29.11 ★★★

De schijf van Faraday. Een koperen schijf met straal RR draait met ω\omega om haar as in een homogeen BB langs die as; borstels raken het middelpunt en de rand. (a) Emk tussen middelpunt en rand door (vB) ⁣dl(\vect v\wedge \vect B)\cdot\dd\vect l langs een straal te sommeren: e=12BωR2e = \tfrac12B\omega R^2. (b) Getallen: R=10cmR = 10\,\mathrm{cm}, 3000rpm3000\,\mathrm{rpm}, 1.0T1.0\,\mathrm{T}. (c) Waarom is het een machine met lage spanning en hoge stroom; stroom in 1mΩ1\,\mathrm{m}\Omega, en het remkoppel. (d) Vind ee terug met de wet van Faraday op de kring borstel–straal–rand–borstel: welke flux verandert er?

Oplossing

Oplossing van Oefening 29.11.

(a) Op straal rr beweegt het metaal met v=ωrv = \omega r; vB\vect v\wedge\vect B is radiaal, met grootte ωrB\omega rB: e=0RωBr ⁣dr=12BωR2e = \int_0^R\omega Br\,\dd r = \tfrac12B\omega R^2. (b) ω=314\omega = 314: e=0.5×1×314×0.01=1.6Ve = 0.5 \times 1 \times 314 \times 0.01 = 1.6\,\mathrm{V}. (c) Slechts één “winding”, dus hooguit volts; in 1mΩ1\,\mathrm{m}\Omega: 1.6kA1.6\,\mathrm{kA}, koppel =P/ω=ei/ω=2500/314=8Nm= P/\omega = ei/\omega = 2500/314 = 8\,\mathrm{N}\,\mathrm{m}. (d) De kring borstel–straal– rand–borstel bestrijkt het oppervlak 12R2ω ⁣dt\tfrac12R^2\omega\,\dd t per  ⁣dt\dd t:  ⁣dΦ/ ⁣dt=12BR2ω\dd\Phi/\dd t = \tfrac12BR^2\omega — de flux door de bewegende, vervormende kring.

Oefening 29.12 ★★★

Inductiekookplaat. De spoel onder het glas voert i1=I1cosωti_1 = I_1\cos\omega t met I1=30AI_1 = 30\,\mathrm{A} bij 25kHz25\,\mathrm{kHz}; de bodem van de pan werkt als één winding met weerstand Rp=10mΩR_p = 10\,\mathrm{m}\Omega, gekoppeld door M=1.0µHM = 1.0\,\text{µ}\mathrm{H} (de zelfinductie van de panwinding wordt verwaarloosd). (a) Emk die in de pan wordt geïnduceerd, piekwaarde. (b) Stroom en gemiddeld vermogen dat in de pan wordt gedissipeerd. (c) Waarom een hoge frequentie, en waarom komt de warmte in de pan en niet in het glas? (d) De stroom in de pan werkt terug op de spoel: emk die hij daar induceert (piek), en het extra vermogen dat de generator moet leveren — ga na dat dit gelijk is aan (b).

Oplossing

Oplossing van Oefening 29.12.

(a) e2=M ⁣di1/ ⁣dte_2 = -M\,\dd i_1/\dd t, piek MωI1=106×1.57×105×30=4.7VM\omega I_1 = 10^{-6} \times 1.57 \times 10^5 \times 30 = 4.7\,\mathrm{V}. (b) I2=4.7/0.01=470AI_2 = 4.7/0.01 = 470\,\mathrm{A} piek; P=RpI22/2=1.1kW\langle P\rangle = R_pI_2^2/2 = 1.1\,\mathrm{kW}. (c) De emk is ω\propto\omega: een hoge frequentie geeft een bruikbare emk bij een bescheiden MM; het glas is een isolator, er loopt niets in — de warmte ontstaat in het metaal zelf. (d) De stroom in de pan induceert in de spoel MωI2=106×1.57×105×470=74VM\omega I_2 = 10^{-6} \times 1.57 \times 10^5 \times 470 = 74\,\mathrm{V} piek, in fase met i1i_1 (de panstroom loopt niet achter op e2e_2, want hij is resistief, en e2e_2 loopt 9090{}^{\circ}… achter op i1i_1, zodat de teruggekoppelde emk M ⁣di2/ ⁣dt-M\,\dd i_2/\dd t is, in tegenfase met de aandrijvende spanning van i1i_1): de generator levert 12×74×30=1.1kW\tfrac12 \times 74 \times 30 = 1.1\,\mathrm{kW} meer — precies wat de pan dissipeert.

Een fietsdynamo: het wiel draait een magneet in een spoel, de flux door de spoel verandert, en de lamp gaat branden — de wet van Faraday op de fiets.
Een fietsdynamo: het wiel draait een magneet in een spoel, de flux door de spoel verandert, en de lamp gaat branden — de wet van Faraday op de fiets.

29.6 Probleem: De fietsdynamo en de luidspreker

Probleem 29.1

Weekendopgave — twee elektromechanische omzetters uit elkaar gehaald: een dynamo die zichzelf regelt, en een luidspreker waarvan de versterker tegelijk zijn rem is

Deel I — De fietsdynamo. Een spoel van N=300N = 300 windingen met oppervlakte S=3.0cm2S = 3.0\,\mathrm{cm}^{2} draait in een homogeen veld B=0.30TB = 0.30\,\mathrm{T}; haar as draagt een rolletje met straal r=1.0cmr = 1.0\,\mathrm{cm} dat tegen de band wordt gedrukt, zodat de spoel met ω=v/r\omega = v/r draait bij een fietssnelheid vv. Weerstand van de spoel rc=4.0Ωr_c = 4.0\,\Omega, zelfinductie L=20mHL = 20\,\mathrm{mH}; de lamp is een weerstand R=12ΩR = 12\,\Omega.

  1. Flux door de spoel en geïnduceerde emk als functie van de tijd; amplitude en frequentie bij v=18km/hv = 18\,\mathrm{km}/\mathrm{h}.
  2. Verwaarloos eerst LL: effectieve stroom en vermogen in de lamp bij 18km/h18\,\mathrm{km}/\mathrm{h}; is een lamp van “6V6\,\mathrm{V}, 3W3\,\mathrm{W}” comfortabel?
  3. Gemiddeld mechanisch vermogen dat de fietser aan de dynamo levert, en de bijbehorende kracht op de band (vergelijk met de rolweerstand, ongeveer 2N2\,\mathrm{N}).
  4. Verklaar met de wet van Lenz waarom de dynamo tegenwerkt, en waarom een lamp die “gratis” brandt niet met het energiebehoud in strijd is.
  5. Neem nu LL mee: complexe impedantie van de kring; toon aan dat de stroomamplitude I=NBSω/(R+rc)2+L2ω2I = NBS\omega/\sqrt{(R + r_c)^2 + L^2\omega^2} is en dat zij bij hoge snelheid verzadigt; geef die limiet en de snelheid waarbij zij 70%70\% ervan bereikt.
  6. Wat zou de lamp zonder de zelfinductie bij 54km/h54\,\mathrm{km}/\mathrm{h} bergaf ontvangen? En met?
  7. Stroom en lampvermogen bij 9km/h9\,\mathrm{km}/\mathrm{h} en bij 36km/h36\,\mathrm{km}/\mathrm{h}; becommentarieer de zelfregeling.
  8. Echte dynamo’s laten een magneet in een vaste spoel draaien. Verandert de analyse daardoor? Welk praktisch probleem lost dat op?
  9. Wat doet de lamp wanneer de fiets bij een rood licht stopt, en hoe verhelpen moderne lampen dat?

Deel II — De luidspreker. Spreekspoel: draadlengte =5.0m\ell = 5.0\,\mathrm{m} in een radiaal veld B=1.0TB = 1.0\,\mathrm{T}, weerstand R=8.0ΩR = 8.0\,\Omega, zelfinductie L=0.50mHL = 0.50\,\mathrm{mH}; bewegende massa (spoel en conus) m=10gm = 10\,\mathrm{g}; stijfheid van de ophanging k=1000N/mk = 1000\,\mathrm{N}/\mathrm{m}, mechanische demping h=1.0Ns/mh = 1.0\,\mathrm{N}\,\mathrm{s}/\mathrm{m}. Sinusvormig regime, complexe amplitudes.

  1. Kracht op de spoel bij een stroom ii; tegen-emk bij een snelheid vv (leid beide af, met tekens).
  2. Schrijf de elektrische en de mechanische vergelijking op.
  3. Elimineer ii en toon aan dat v=Bu(R+jLω)(jmω+h+k/jω)+B22\underline v = \dfrac{B\ell\,\underline u}{(R + jL\omega)(jm\omega + h + k/j\omega) + B^2\ell^2}.
  4. Toon aan dat de koppeling bij frequenties waar LωRL\omega \ll R werkt als een extra mechanische demping B22/RB^2\ell^2/R; waarde; resonantie- frequentie van de conus en haar kwaliteitsfactor met en zonder de elektrische demping.
  5. De versterker levert een ii met amplitude 1.0A1.0\,\mathrm{A} bij 1kHz1\,\mathrm{kHz}: amplitude van kracht, versnelling, uitwijking en snelheid van de conus (massagestuurd regime); amplitude van de tegen-emk vergeleken met RiRi.
  6. Dezelfde stroom bij de resonantiefrequentie: snelheidsamplitude (dempingsgestuurd) en tegen-emk; becommentarieer.
  7. Elektrisch vermogen bij 1kHz1\,\mathrm{kHz}; mechanisch vermogen dat in hh wordt gedissipeerd (opgevat als het geluid en de verliezen in de ophanging); rendement.
  8. Waarom is het feit dat de geluidsdruk evenredig is met de versnelling van de conus (neem dat aan) de reden dat een massagestuurde conus boven de resonantie een vlakke respons geeft?
  9. Waarom moet het veld radiaal zijn, en waarom is een tweeter klein?
  10. Schets de modulus van de impedantie u/i\underline u/\underline i die de versterker ziet van 10Hz10\,\mathrm{Hz} tot 10kHz10\,\mathrm{kHz}: waarde bij lage frequentie, bij resonantie (gebruik de dempingsgestuurde snelheid), en bij 10kHz10\,\mathrm{kHz}.

Deel III — Achterstevoren, en de boekhouding.

  1. Hetzelfde toestel als microfoon: geluid beweegt de conus met v=1.0mm/sv = 1.0\,\mathrm{mm}/\mathrm{s}; nullastspanning.
  2. Belast met RL=600ΩR_L = 600\,\Omega: stroom, en de remkracht op de conus; toon aan dat de microfoon vermogen uit het geluid haalt via een effectieve demping B22/(R+RL)B^2\ell^2/(R + R_L).
  3. De spoel is op een aluminium cilindertje gewikkeld (de spoeldrager), een gesloten winding met lengte 0.10m0.10\,\mathrm{m} en weerstand 1.0mΩ1.0\,\mathrm{m}\Omega: de demping die zij toevoegt; waarom spoeldragers een spleet krijgen.
  4. Tik tegen de conus van een luidspreker waarvan de klemmen open staan, en daarna van een waarvan de klemmen zijn kortgesloten: welke van de twee natrilt langer, en waarom?
  5. Schrijf de energiebalans van de luidspreker over één periode in stationair regime op, en benoem elke term.
  6. Vat samen: voor elk toestel de gebruikte wet en de twee getallen die het onthouden waard zijn.
Oplossing

Oplossing van Probleem 29.1.

1. Φ=NBScosωt\Phi = NBS\cos\omega t, e=NBSωsinωte = NBS\omega\sin\omega t; NBS=300×0.3×3×104=0.027WbNBS = 300 \times 0.3 \times 3 \times 10^{-4} = 0.027\,\mathrm{Wb}; ω=v/r=5/0.01=500rad/s\omega = v/r = 5/0.01 = 500\,\mathrm{rad}/\mathrm{s}: amplitude 13.5V13.5\,\mathrm{V}, frequentie ω/2π=80Hz\omega/2\pi = 80\,\mathrm{Hz}.

2. Irms=13.5/2/16=0.60AI_{\text{rms}} = 13.5/\sqrt2/16 = 0.60\,\mathrm{A}; lamp RI2=4.3WRI^2 = 4.3\,\mathrm{W} bij 7.2V7.2\,\mathrm{V}: een lamp van 6V6\,\mathrm{V}, 3W3\,\mathrm{W} wordt overbelast en gaat niet lang mee.

3. Mechanisch == elektrisch: (R+rc)Irms2=16×0.36=5.7W(R + r_c)I_{\text{rms}}^2 = 16 \times 0.36 = 5.7\,\mathrm{W}; F=P/v=5.7/5=1.1NF = P/v = 5.7/5 = 1.1\,\mathrm{N} — de helft van de rolweerstand; de fietser voelt het.

4. Het laplacekoppel van de geïnduceerde stroom werkt de draaiing tegen (Lenz); de energie van de lamp komt uit de benen van de fietser, 5.7W5.7\,\mathrm{W} ervan.

5. Z=R+rc+jLω\underline Z = R + r_c + jL\omega; I=NBSω/(R+rc)2+L2ω2I = NBS\omega/\sqrt{(R + r_c)^2 + L^2\omega^2}; voor LωR+rcL\omega \gg R + r_c gaat INBS/L=0.027/0.02=1.35AI \to NBS/L = 0.027/0.02 = 1.35\,\mathrm{A}. 70%70\%: Lω=0.7(R+rc)/10.49=15.7L\omega = 0.7(R + r_c)/\sqrt{1 - 0.49} = 15.7, ω=784rad/s\omega = 784\,\mathrm{rad}/\mathrm{s}, v=7.8m/s=28km/hv = 7.8\,\mathrm{m}/\mathrm{s} = 28\,\mathrm{km}/\mathrm{h}.

6. Zonder LL: emax=3×13.5=40.5Ve_{\max} = 3 \times 13.5 = 40.5\,\mathrm{V}, Irms=1.8AI_{\text{rms}} = 1.8\,\mathrm{A}, 39W39\,\mathrm{W} in de lamp — die knapt. Met LL: I=40.5/256+900=1.2AI = 40.5/\sqrt{256 + 900} = 1.2\,\mathrm{A} piek, 8.5W8.5\,\mathrm{W}: heet, maar tien keer minder.

7. 9km/h9\,\mathrm{km}/\mathrm{h}: emax=6.75e_{\max} = 6.75, Z=256+25=16.8|Z| = \sqrt{256 + 25} = 16.8, I=0.40I = 0.40, P=12×0.16×12=1.0WP = \tfrac12 \times 0.16 \times 12 = 1.0\,\mathrm{W}: zwak. 36km/h36\,\mathrm{km}/\mathrm{h}: emax=27e_{\max} = 27, Z=25.6|Z| = 25.6, I=1.05I = 1.05, P=6.6WP = 6.6\,\mathrm{W}. Vier keer de snelheid, 2.62.6 keer de stroom: de zelfinductie regelt.

8. Alleen de onderlinge beweging telt: de flux door de vaste spoel verandert net zo, dezelfde emk. Er zijn geen sleepcontacten (borstels) nodig om de stroom uit een draaiende spoel te halen.

9. Geen beweging, geen fluxverandering, geen licht — vandaar de condensator of kleine accu (“standlicht”) die tijdens het rijden wordt geladen.

10. Elk draadelement staat loodrecht op het radiale B\vect B: F=BiF = B\ell i, axiaal. Bewegend met vv ziet elk element vB\vect v\wedge\vect B langs de draad: e=Bve = -B\ell v, tegengesteld aan de stroom die de beweging veroorzaakt (verbruikersconventie: een spanning BvB\ell v).

11. u=Ri+L ⁣di/ ⁣dt+Bvu = Ri + L\,\dd i/\dd t + B\ell v; m ⁣dv/ ⁣dt=kxhv+Bim\,\dd v/\dd t = -kx - hv + B\ell i.

12. i=(uBv)/(R+jLω)\underline i = (\underline u - B\ell\underline v)/(R + jL\omega); v(jmω+h+k/jω)=Bi\underline v\,(jm\omega + h + k/j\omega) = B\ell\,\underline i; vul in en los op naar v\underline v.

13. i(uBv)/Ri \approx (u - B\ell v)/R geeft mv˙+(h+B22/R)v+kx=Bu/Rm\dot v + (h + B^2\ell^2/R)v + kx = B\ell u/R: extra demping 25/8=3.1Ns/m25/8 = 3.1\,\mathrm{N}\,\mathrm{s}/\mathrm{m}. f0=12πk/m=50Hzf_0 = \tfrac1{2\pi}\sqrt{k/m} = 50\,\mathrm{Hz}; Q=km/htotQ = \sqrt{km}/h_{\text{tot}}: 3.23.2 open, 0.770.77 met de versterker.

14. F=5.0NF = 5.0\,\mathrm{N}, a=F/m=500m/s2a = F/m = 500\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}, x=a/ω2=13µmx = a/\omega^2 = 13\,\text{µ}\mathrm{m}, v=a/ω=0.080m/sv = a/\omega = 0.080\,\mathrm{m}/\mathrm{s}; Bv=0.40VB\ell v = 0.40\,\mathrm{V} tegen Ri=8VRi = 8\,\mathrm{V}: 5%5\%.

15. Met opgelegde stroom is v=F/h=5m/sv = F/h = 5\,\mathrm{m}/\mathrm{s} (een amplitude van 16mm16\,\mathrm{mm} — een grote slag voor 1A1\,\mathrm{A}); Bv=25VB\ell v = 25\,\mathrm{V}, drie keer RiRi: de versterker moet 33V33\,\mathrm{V} leveren om 1A1\,\mathrm{A} bij resonantie door te drukken — de impedantiepiek. Een versterker als spanningsbron zou de elektrische demping de conus laten vasthouden.

16. 12RI2=4.0W\tfrac12RI^2 = 4.0\,\mathrm{W}; 12hv2=12×0.0064=3.2mW\tfrac12hv^2 = \tfrac12 \times 0.0064 = 3.2\,\mathrm{mW}: rendement 0.08%0.08\% — luidsprekers zijn kachels die fluisteren.

17. Boven de resonantie is a=F/m=Bi/ma = F/m = B\ell i/m bij gegeven stroom onafhankelijk van de frequentie, zodat de druk, a\propto a, vlak is: de massagestuurde band is de werkband.

18. Radiaal veld: de kracht is axiaal en overal in de spleet even groot, waar de spoel ook staat. Een tweeter moet tot 20kHz20\,\mathrm{kHz} massagestuurd blijven met een minuscule slag: lichte spoel en conus; en een kleine conus straalt hoge tonen naar alle kanten uit.

19. Lage frequentie: vv klein, ZR=8Ω|Z| \approx R = 8\,\Omega; bij 50Hz50\,\mathrm{Hz}: u=Ri+Bvu = Ri + B\ell v met v=Bi/hv = B\ell i/h: Z=R+B22/h=8+25=33ΩZ = R + B^2\ell^2/h = 8 + 25 = 33\,\Omega; bij 10kHz10\,\mathrm{kHz}: R+jLω=8+31j=32Ω|R + jL\omega| = |8 + 31j| = 32\,\Omega. Een piek bij resonantie, een vlakke bodem van 8Ω8\,\Omega, en een stijging met LωL\omega.

20. e=Bv=5×103=5mVe = B\ell v = 5 \times 10^{-3} = 5\,\mathrm{mV}.

21. i=5×103/608=8.2µAi = 5 \times 10^{-3}/608 = 8.2\,\text{µ}\mathrm{A}; F=Bi=41µNF = B\ell i = 41\,\text{µ}\mathrm{N}, tegengesteld aan vv: F=[B22/(R+RL)]vF = [B^2\ell^2/(R + R_L)]\,v, een demping van 0.041Ns/m0.041\,\mathrm{N}\,\mathrm{s}/\mathrm{m}; het vermogen Fv=4×108WFv = 4 \times 10^{-8}\,\mathrm{W} komt uit het geluid en belandt in de twee weerstanden.

22. Spoeldrager: B2f2/Rf=1×0.01/103=10Ns/mB^2\ell_f^2/R_f = 1 \times 0.01/10^{-3} = 10\,\mathrm{N}\,\mathrm{s}/\mathrm{m}, tien keer hh: hij zou de conus verdoven en vermogen als warmte verspillen; een spleet onderbreekt de gesloten winding.

23. Open: alleen hh dempt, Q=3.2Q = 3.2, hij natrilt. Kortgesloten: de tegen-emk drijft een stroom door RR, de demping B22/RB^2\ell^2/R komt erbij, Q=0.77Q = 0.77: hij stopt meteen. (Probeer het.)

24. Over een periode keren de opgeslagen energieën naar hun waarde terug: ui=Ri2+hv2\langle ui\rangle = \langle Ri^2\rangle + \langle hv^2\rangle — elektrische toevoer == joulse warmte in de spoel ++ mechanische verliezen (uitgestraald geluid en wrijving in de ophanging); de koppelterm BivB\ell iv komt in beide vergelijkingen met tegengesteld teken voor en valt weg.

25. Dynamo: Faraday op een draaiende spoel — 13.5V13.5\,\mathrm{V} bij 18km/h18\,\mathrm{km}/\mathrm{h}, met de stroom door haar eigen zelfinductie afgetopt op 1.35A1.35\,\mathrm{A}. Luidspreker: laplacekracht en tegen-emk — 3.1Ns/m3.1\,\mathrm{N}\,\mathrm{s}/\mathrm{m} elektrische demping, 0.08%0.08\% rendement. Microfoon: dezelfde spoel achterstevoren — 5mV5\,\mathrm{mV} per millimeter per seconde.

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 393 begrippen in de begrippenlijst