Physics · Boek 3 · Bachelor Year 1

Universitaire natuurkunde — jaar 1

Universitaire natuurkunde — jaar 1 · Bachelor Year 1

11Kinematica van een punt

Het wagentje van een achtbaan gaat de looping in met 90km/h90\,\mathrm{km}/\mathrm{h}, vertraagt tijdens het klimmen, hangt een ogenblik stil bovenin en dendert er weer uit; de inzittenden voelen zich onderin in hun stoel geperst en bovenin bijna gewichtloos. Die rit beschrijven — waar het wagentje is, hoe snel het gaat, hoe zijn snelheid draait en verandert — is kinematica, en daar is meer voor nodig dan de xx, yy, zz van een rechte weg: poolcoördinaten voor alles wat draait, en een stelsel dat met het wagentje zelf meereist. Dit hoofdstuk zet dat gereedschap op, bewijst de formules voor snelheid en versnelling in elk daarvan, en past ze toe op de bewegingen waar elk later hoofdstuk een beroep op doet: de eenparige cirkelbeweging, de schroeflijn, de harmonische beweging en de beweging langs een willekeurige kromme.

11.1 Plaats, snelheid, versnelling

Definitie 11.1 (Referentiestelsel; plaats; baan)

Een referentiestelsel is een star lichaam dat als vast wordt genomen (het laboratorium, de aarde, een trein), samen met een klok. Een puntmassa MM — een lichaam waarvan de afmeting er voor de bestudeerde beweging niet toe doet — wordt op elk moment vastgelegd door haar plaatsvector OM(t)\vect{OM}(t) vanuit een oorsprong OO die aan het stelsel vastzit; de kromme die MM beschrijft is haar baan. Beweging is altijd beweging ten opzichte van een stelsel: dezelfde reiziger is in rust in de trein en in beweging in het station.

Definitie 11.2 (Snelheid en versnelling)

De snelheid en de versnelling van MM in het stelsel zijn

v= ⁣dOM ⁣dt,a= ⁣dv ⁣dt= ⁣d2OM ⁣dt2,\vect v = \frac{\dd\vect{OM}}{\dd t}, \qquad \vect a = \frac{\dd\vect v}{\dd t} = \frac{\dd^2\vect{OM}}{\dd t^2},

afgeleiden van vectorfuncties: de afgeleide van een vector krijgt men door zijn componenten af te leiden in een basis die vast ligt in het stelsel. De snelheidsvector raakt aan de baan en wijst met de beweging mee; zijn norm vv is de baansnelheid. Eenheden: m/s\mathrm{m}/\mathrm{s}, m/s2\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}.

Propositie 11.3 (Cartesische coördinaten)

Met een vaste orthonormale basis (ex,ey,ez)(\vect e_x, \vect e_y, \vect e_z) en OM=xex+yey+zez\vect{OM} = x\,\vect e_x + y\,\vect e_y + z\,\vect e_z geldt

v=x˙ex+y˙ey+z˙ez,a=x¨ex+y¨ey+z¨ez,\vect v = \dot x\,\vect e_x + \dot y\,\vect e_y + \dot z\,\vect e_z, \qquad \vect a = \ddot x\,\vect e_x + \ddot y\,\vect e_y + \ddot z\,\vect e_z,

waarin de punt  ⁣d/ ⁣dt\dd/\dd t aangeeft.

Bewijs. De basisvectoren zijn constant; alleen de componenten veranderen.

Voorbeeld 11.4 (Worp)

Vanuit OO afgeschoten met snelheid v0v_0 onder een hoek α\alpha boven de horizontaal heeft een bal de coördinaten (dynamica, volgend hoofdstuk) x=v0cosαtx = v_0\cos\alpha\,t, z=v0sinαt12gt2z = v_0\sin\alpha\,t - \tfrac12 gt^2. Dan is v=v0cosαex+(v0sinαgt)ez\vect v = v_0\cos\alpha\,\vect e_x + (v_0\sin\alpha - gt)\vect e_z, a=gez\vect a = -g\vect e_z: de versnelling is constant terwijl de snelheid draait; in het hoogste punt (z˙=0\dot z = 0, t=v0sinα/gt = v_0\sin\alpha/g) is de snelheid horizontaal en staat de versnelling er loodrecht op. tt elimineren geeft z=xtanαgx2/(2v02cos2α)z = x\tan\alpha - gx^2/(2v_0^2\cos^2\alpha), een parabool.

De parabool van een worp: de snelheid raakt aan de baan en draait, de versnelling g is constant. In het hoogste punt staan snelheid en versnelling loodrecht op elkaar: de baansnelheid is even stationair terwijl de richting nog verandert.
De parabool van een worp: de snelheid raakt aan de baan en draait, de versnelling g\vect g is constant. In het hoogste punt staan snelheid en versnelling loodrecht op elkaar: de baansnelheid is even stationair terwijl de richting nog verandert.

11.2 Cilindercoördinaten

Definitie 11.5 (Cilindercoördinaten en lokale basis)

Het punt MM wordt vastgelegd door r0r \geq 0 (de afstand tot de zz-as), de hoek θ\theta die zijn projectie op het xyxy-vlak met ex\vect e_x maakt, en zz: OM=rer+zez\vect{OM} = r\,\vect e_r + z\,\vect e_z, waarin

er=cosθex+sinθey,eθ=sinθex+cosθey,\vect e_r = \cos\theta\,\vect e_x + \sin\theta\,\vect e_y, \qquad \vect e_\theta = -\sin\theta\,\vect e_x + \cos\theta\,\vect e_y,

samen met ez\vect e_z de lokale basis (er,eθ,ez)(\vect e_r, \vect e_\theta, \vect e_z) vormen, orthonormaal en rechtsdraaiend, die met MM meebeweegt. In het vlak (zz vast) zijn dit de poolcoördinaten (r,θ)(r, \theta).

Lemma 11.6 (Afgeleiden van de lokale basis)

 ⁣der ⁣dt=θ˙eθ, ⁣deθ ⁣dt=θ˙er, ⁣dez ⁣dt=0.\frac{\dd\vect e_r}{\dd t} = \dot\theta\,\vect e_\theta, \qquad \frac{\dd\vect e_\theta}{\dd t} = -\dot\theta\,\vect e_r, \qquad \frac{\dd\vect e_z}{\dd t} = \vect 0 .

Bewijs. Leid de componenten af:  ⁣der/ ⁣dt=θ˙(sinθex+cosθey)=θ˙eθ\dd\vect e_r/\dd t = \dot\theta(-\sin\theta\, \vect e_x + \cos\theta\,\vect e_y) = \dot\theta\vect e_\theta, en evenzo voor eθ\vect e_\theta. De afgeleide van een draaiende eenheidsvector staat er loodrecht op en heeft als norm de hoeksnelheid.

Stelling 11.7 (Snelheid en versnelling in cilindercoördinaten)

v=r˙er+rθ˙eθ+z˙ez,a=(r¨rθ˙2)er+(rθ¨+2r˙θ˙)eθ+z¨ez.\vect v = \dot r\,\vect e_r + r\dot\theta\,\vect e_\theta + \dot z\,\vect e_z, \qquad \vect a = \big(\ddot r - r\dot\theta^2\big)\vect e_r + \big(r\ddot\theta + 2\dot r\dot\theta\big)\vect e_\theta + \ddot z\,\vect e_z .

Bewijs. Leid OM=rer+zez\vect{OM} = r\vect e_r + z\vect e_z af met het lemma: v=r˙er+rθ˙eθ+z˙ez\vect v = \dot r\vect e_r + r\dot\theta\vect e_\theta + \dot z\vect e_z. Leid nogmaals af: r¨er+r˙θ˙eθ+r˙θ˙eθ+rθ¨eθrθ˙2er+z¨ez\ddot r\vect e_r + \dot r\dot\theta\vect e_\theta + \dot r\dot\theta\vect e_\theta + r\ddot\theta\vect e_\theta - r\dot\theta^2 \vect e_r + \ddot z\vect e_z; groepeer.

Poolcoördinaten: de lokale basis ( e_r, e_ ) draait met M mee; de snelheid heeft een radiaal deel r en een orthoradiaal deel r. Hier loopt de baan (rood) naar buiten spiralend, dus is r > 0 en helt v naar buiten ten opzichte van de raaklijn aan de cirkel.
Poolcoördinaten: de lokale basis (er,eθ)(\vect e_r, \vect e_\theta) draait met MM mee; de snelheid heeft een radiaal deel r˙\dot r en een orthoradiaal deel rθ˙r\dot\theta. Hier loopt de baan (rood) naar buiten spiralend, dus is r˙>0\dot r > 0 en helt v\vect v naar buiten ten opzichte van de raaklijn aan de cirkel.

Gevolg 11.8 (Cirkelbeweging)

Op een cirkel met straal RR (r=Rr = R, z=0z = 0), met hoeksnelheid ω=θ˙\omega = \dot\theta, geldt

v=Rωeθ,a=Rω2er+Rω˙eθ=v2Rer+ ⁣dv ⁣dteθ.\vect v = R\omega\,\vect e_\theta, \qquad \vect a = -R\omega^2\,\vect e_r + R\dot\omega\,\vect e_\theta = -\frac{v^2}{R}\,\vect e_r + \frac{\dd v}{\dd t}\,\vect e_\theta .

Bij een eenparige cirkelbeweging (ω\omega constant) is de versnelling zuiver centripetaal, met norm v2/R=Rω2v^2/R = R\omega^2, hoewel de baansnelheid constant is.

Bewijs. Stel r˙=r¨=0\dot r = \ddot r = 0 in de stelling; v=Rωv = R\omega.

Voorbeeld 11.9 (Twee cirkels)

Een auto rijdt een rotonde met straal 20m20\,\mathrm{m} rond met 36km/h36\,\mathrm{km}/\mathrm{h} (10m/s10\,\mathrm{m}/\mathrm{s}): a=v2/R=5.0m/s2a = v^2/R = 5.0\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}, een halve gg, gericht naar het middelpunt — wat de banden moeten leveren. De maan (R=3.84×108mR = 3.84 \times 10^{8}\,\mathrm{m}, T=27.3dT = 27.3\,\mathrm{d}): ω=2π/T=2.66×106rad/s\omega = 2\pi/T = 2.66 \times 10^{-6}\,\mathrm{rad}/\mathrm{s}, a=Rω2=2.7×103m/s2a = R\omega^2 = 2.7 \times 10^{-3}\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}, een 36003600ste van gg aan het aardoppervlak, op zestig aardstralen — de vergelijking die Newton maakte (Hoofdstuk 16).

11.3 Bolcoördinaten

Definitie 11.10 (Bolcoördinaten)

Het punt MM wordt vastgelegd door zijn afstand r=OMr = OM, de poolafstand θ[0,π]\theta \in [0, \pi] tussen OM\vect{OM} en ez\vect e_z, en de azimut φ\varphi van zijn projectie op het xyxy-vlak: OM=rer\vect{OM} = r\,\vect e_r met

er=sinθcosφex+sinθsinφey+cosθez;\vect e_r = \sin\theta\cos\varphi\,\vect e_x + \sin\theta\sin\varphi\,\vect e_y + \cos\theta\,\vect e_z ;

eθ\vect e_\theta (rakend aan de meridiaan, naar toenemende θ\theta) en eφ\vect e_\varphi (rakend aan de parallel) maken de lokale orthonormale basis compleet. Op aarde is θ\theta gelijk aan 9090^\circ min de breedtegraad en φ\varphi de lengtegraad.

Propositie 11.11 (Snelheid in bolcoördinaten)

v=r˙er+rθ˙eθ+rsinθφ˙eφ.\vect v = \dot r\,\vect e_r + r\dot\theta\,\vect e_\theta + r\sin\theta\,\dot\varphi\,\vect e_\varphi .

Bewijs.  ⁣der/ ⁣dt=θ˙eθ+sinθφ˙eφ\dd\vect e_r/\dd t = \dot\theta\,\vect e_\theta + \sin\theta\,\dot\varphi\, \vect e_\varphi: de eerste term is de draaiing in het meridiaanvlak (zoals in het poolgeval), de tweede de draaiing om ez\vect e_z met snelheid φ˙\dot\varphi van een vector waarvan de afstand tot de as sinθ\sin\theta is. Vervolgens v= ⁣d(rer)/ ⁣dt\vect v = \dd(r\vect e_r)/\dd t. De versnelling is dit jaar niet nodig.

Bolcoördinaten (r, , ) en hun lokale basis: e_r radiaal, e_ langs de meridiaan (op een globe naar het zuiden), e_ langs de parallel (naar het oosten).
Bolcoördinaten (r,θ,φ)(r, \theta, \varphi) en hun lokale basis: er\vect e_r radiaal, eθ\vect e_\theta langs de meridiaan (op een globe naar het zuiden), eφ\vect e_\varphi langs de parallel (naar het oosten).

11.4 De frenetbasis

Definitie 11.12 (Kromlijnige abscis; frenetbasis)

Langs een baan is de kromlijnige abscis s(t)s(t) de booglengte vanaf een referentiepunt, algebraïsch geteld; v=s˙v = \dot s. In MM wijst de raakeenheidsvector T= ⁣dOM/ ⁣ds\vect T = \dd\vect{OM}/\dd s naar toenemende ss; de kromtestraal ρ>0\rho > 0 en de normaaleenheidsvector N\vect N, die naar de holle kant wijst (het kromtemiddelpunt), worden gedefinieerd door

 ⁣dT ⁣ds=1ρN.\frac{\dd\vect T}{\dd s} = \frac{1}{\rho}\,\vect N .

(T,N)(\vect T, \vect N) is de frenetbasis; ρ=\rho = \infty op een rechte lijn, ρ=R\rho = R op een cirkel met straal RR.

Stelling 11.13 (Versnelling in de frenetbasis)

v=vT,a= ⁣dv ⁣dtT+v2ρN.\vect v = v\,\vect T, \qquad \vect a = \frac{\dd v}{\dd t}\,\vect T + \frac{v^2}{\rho}\,\vect N .

De tangentiële component  ⁣dv/ ⁣dt\dd v/\dd t meet hoe snel de baansnelheid verandert; de normale component v2/ρv^2/\rho, altijd naar het kromtemiddelpunt, hoe snel de richting draait. De beweging is eenparig dan en slechts dan als av\vect a \perp \vect v; zij is rechtlijnig dan en slechts dan als av\vect a \parallel \vect v.

Bewijs. v=( ⁣dOM/ ⁣ds)( ⁣ds/ ⁣dt)=vT\vect v = (\dd\vect{OM}/\dd s)(\dd s/\dd t) = v\vect T. Dan is a=v˙T+v ⁣dT/ ⁣dt=v˙T+v( ⁣dT/ ⁣ds)s˙=v˙T+(v2/ρ)N\vect a = \dot v\vect T + v\,\dd\vect T/\dd t = \dot v\vect T + v(\dd\vect T/\dd s)\dot s = \dot v\vect T + (v^2/\rho)\vect N. Dat  ⁣dT/ ⁣dsT\dd\vect T/\dd s \perp \vect T volgt uit het afleiden van TT=1\vect T\cdot\vect T = 1.

De frenetbasis in een punt van een kromme: T met de beweging mee, N naar het kromtemiddelpunt C. De versnelling valt uiteen in een tangentieel deel v T (versnellen of remmen) en een normaal deel (v2/ ) N (draaien).
De frenetbasis in een punt van een kromme: T\vect T met de beweging mee, N\vect N naar het kromtemiddelpunt CC. De versnelling valt uiteen in een tangentieel deel v˙T\dot v\vect T (versnellen of remmen) en een normaal deel (v2/ρ)N(v^2/\rho)\vect N (draaien).

Voorbeeld 11.14 (Remmen in een bocht)

Een auto met 90km/h90\,\mathrm{km}/\mathrm{h} (25m/s25\,\mathrm{m}/\mathrm{s}) in een bocht met straal 100m100\,\mathrm{m} remt met 2.0m/s22.0\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}: aT=2.0m/s2a_T = -2.0\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}, aN=625/100=6.25m/s2a_N = 625/100 = 6.25\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}, a=4+39=6.6m/s2a = \sqrt{4 + 39} = 6.6\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}. Het normale deel overheerst: een bocht is in de eerste plaats een draaiing, en de grip van de banden (volgend hoofdstuk) begrenst aT2+aN2\sqrt{a_T^2 + a_N^2}, en daarom remt men vóór de bocht.

11.5 Standaardbewegingen

Propositie 11.15 (Eenparig versnelde rechtlijnige beweging)

Op een as, met x¨=a\ddot x = a constant, vanaf x0x_0 en v0v_0: v=v0+atv = v_0 + at, x=x0+v0t+12at2x = x_0 + v_0t + \tfrac12 at^2, en v2v02=2a(xx0)v^2 - v_0^2 = 2a(x - x_0).

Bewijs. Twee keer integreren; elimineer tt tussen de eerste twee betrekkingen.

Propositie 11.16 (Schroeflijnbeweging)

r=Rr = R, θ=ωt\theta = \omega t, z=vztz = v_zt (constanten RR, ω\omega, vzv_z): de baansnelheid v=R2ω2+vz2v = \sqrt{R^2\omega^2 + v_z^2} is constant, de versnelling a=Rω2er\vect a = -R\omega^2\vect e_r is centripetaal met constante norm, en de kromtestraal is ρ=v2/a=R(1+vz2/R2ω2)>R\rho = v^2/a = R(1 + v_z^2/R^2\omega^2) > R.

Bewijs. Stelling 11.7 met r˙=0\dot r = 0, θ¨=0\ddot\theta = 0, z¨=0\ddot z = 0; eenparige beweging, dus is a\vect a zuiver normaal en v2/ρ=Rω2v^2/\rho = R\omega^2.

Propositie 11.17 (Harmonische beweging)

x=Acos(ωt+φ)x = A\cos(\omega t + \varphi): x˙=Aωsin(ωt+φ)\dot x = -A\omega\sin(\omega t + \varphi), x¨=ω2x\ddot x = -\omega^2 x. De snelheid loopt een kwart periode voor op de plaats en de versnelling is tegengesteld aan de plaats; vmax=Aωv_{\max} = A\omega, amax=Aω2a_{\max} = A\omega^2. Dit is de projectie op een middellijn van een eenparige cirkelbeweging met straal AA en hoeksnelheid ω\omega.

Bewijs. Afleiden; neem voor de projectie x=Acosθx = A\cos\theta met θ=ωt+φ\theta = \omega t + \varphi.

Methode 11.18 (Coördinaten kiezen)

  • Rechtlijnige of parabolische beweging, constante versnelling: cartesisch.
  • Beweging om een as of een punt (cirkels, spiralen, banen, draaischijven): cilinder- of poolcoördinaten; de basis beweegt mee, dus gebruik Stelling 11.7 en nooit naïef de componenten afleiden.
  • Een gegeven kromme (spoor, bocht, looping) wanneer de snelheidswet bekend is: de frenetbasis, die “hoe snel” van “welke kant op” scheidt.

Wat de keuze ook is, v\vect v en a\vect a zijn stelselafhankelijke vectoren, en een resultaat is pas volledig wanneer het stelsel erbij genoemd is.

11.6 Oefeningen

Oefening 11.1

Een auto vertrekt uit rust met x(t)=2.0t2x(t) = 2.0\,t^2 (SI-eenheden). Snelheid en versnelling op t=3.0st = 3.0\,\mathrm{s}; afgelegde weg in de eerste 5s5\,\mathrm{s}; tijd om 100km/h100\,\mathrm{km}/\mathrm{h} te bereiken.

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.1.

v=4.0tv = 4.0t: 12m/s12\,\mathrm{m}/\mathrm{s} op 3.0s3.0\,\mathrm{s}; a=4.0m/s2a = 4.0\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}; x(5)=50mx(5) = 50\,\mathrm{m}; 100km/h=27.8m/s100\,\mathrm{km}/\mathrm{h} = 27.8\,\mathrm{m}/\mathrm{s} op t=27.8/4.0=6.9st = 27.8/4.0 = 6.9\,\mathrm{s}.

Oefening 11.2

Een punt beweegt in een vlak met r=2.0mr = 2.0\,\mathrm{m} en θ=3.0t\theta = 3.0\,t (rad, SI). Geef v\vect v en a\vect a in de poolbasis, hun normen en de aard van de beweging.

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.2.

r˙=0\dot r = 0, θ˙=3.0rad/s\dot\theta = 3.0\,\mathrm{rad}/\mathrm{s}: v=rθ˙eθ=6.0eθ\vect v = r\dot\theta\,\vect e_\theta = 6.0\,\vect e_\theta (m/s\mathrm{m}/\mathrm{s}); a=rθ˙2er=18er\vect a = -r\dot\theta^2\vect e_r = -18\,\vect e_r (m/s2\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}). Eenparige cirkelbeweging: constante baansnelheid, centripetale versnelling.

Oefening 11.3

Een punt op de evenaar (R=6.37×106mR = 6.37 \times 10^{6}\,\mathrm{m}, sterrendag 86164s86\,164\,\mathrm{s}): snelheid en versnelling in het geocentrische stelsel. Vergelijk de versnelling met gg.

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.3.

v=2πR/T=2π×6.37×106/86164=465m/sv = 2\pi R/T = 2\pi \times 6.37\times10^6/86164 = 465\,\mathrm{m}/\mathrm{s}; a=v2/R=0.034m/s2a = v^2/R = 0.034\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}, oftewel g/290g/290.

Oefening 11.4

Een bal wordt geworpen met v0=12m/sv_0 = 12\,\mathrm{m}/\mathrm{s} onder α=40\alpha = 40^\circ; zijn coördinaten zijn die van Voorbeeld 11.4. Bepaal de tijd tot het hoogste punt, de maximale hoogte, de dracht en de snelheid bij de landing.

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.4.

v0sinα=7.71m/sv_0\sin\alpha = 7.71\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, v0cosα=9.19m/sv_0\cos\alpha = 9.19\,\mathrm{m}/\mathrm{s}. Hoogste punt op t=7.71/9.81=0.79st = 7.71/9.81 = 0.79\,\mathrm{s}, hoogte 7.712/(2×9.81)=3.0m7.71^2/(2 \times 9.81) = 3.0\,\mathrm{m}. Dracht 2×9.19×0.786=14.5m2 \times 9.19 \times 0.786 = 14.5\,\mathrm{m}. Landing: (9.19,7.71)(9.19, -7.71), 12m/s12\,\mathrm{m}/\mathrm{s} onder 4040^\circ met de horizontaal.

Oefening 11.5 ★★

Een fietser met 10m/s10\,\mathrm{m}/\mathrm{s} rijdt een bocht met straal 25m25\,\mathrm{m} in en versnelt met 1.0m/s21.0\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}. Geef a\vect a in de frenetbasis en zijn norm; en na 5s5\,\mathrm{s} met dezelfde versnelling in dezelfde bocht?

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.5.

aT=1.0m/s2a_T = 1.0\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}, aN=102/25=4.0m/s2a_N = 10^2/25 = 4.0\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}, a=4.1m/s2a = 4.1\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}. Na 5s5\,\mathrm{s}: v=15m/sv = 15\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, aN=225/25=9.0m/s2a_N = 225/25 = 9.0\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}, a=9.1m/s2a = 9.1\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}.

Oefening 11.6 ★★

Een punt volgt de spiraal r=bθr = b\theta, θ=ωt\theta = \omega t (bb, ω\omega constant). Bereken v\vect v, de baansnelheid en a\vect a in de poolbasis. Waar komt de term 2r˙θ˙2\dot r\dot\theta vandaan?

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.6.

r=bωtr = b\omega t, r˙=bω\dot r = b\omega, r¨=0\ddot r = 0, θ˙=ω\dot\theta = \omega: v=bωer+bω2teθ\vect v = b\omega\,\vect e_r + b\omega^2 t\,\vect e_\theta, v=bω1+ω2t2v = b\omega \sqrt{1 + \omega^2t^2}; a=bω3ter+2bω2eθ\vect a = -b\omega^3 t\,\vect e_r + 2b\omega^2\, \vect e_\theta. De term 2r˙θ˙2\dot r\dot\theta bestaat uit twee gelijke helften: de richting van de radiale snelheid draait met snelheid θ˙\dot\theta (wat r˙θ˙eθ\dot r\dot\theta\,\vect e_\theta geeft), en naar buiten bewegen vergroot de orthoradiale snelheid rθ˙r\dot\theta (nog eens r˙θ˙\dot r\dot\theta).

Oefening 11.7 ★★

Schroeflijn: R=2.0mR = 2.0\,\mathrm{m}, ω=1.0rad/s\omega = 1.0\,\mathrm{rad}/\mathrm{s}, vz=0.50m/sv_z = 0.50\,\mathrm{m}/\mathrm{s}. Baansnelheid, versnelling, spoed van de schroeflijn, kromtestraal.

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.7.

v=(2.0×1.0)2+0.52=2.1m/sv = \sqrt{(2.0 \times 1.0)^2 + 0.5^2} = 2.1\,\mathrm{m}/\mathrm{s}; a=Rω2=2.0m/s2a = R\omega^2 = 2.0\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2} naar de as toe; spoed vz×2π/ω=3.1mv_z \times 2\pi/\omega = 3.1\,\mathrm{m}; ρ=v2/a=4.25/2.0=2.1m>R\rho = v^2/a = 4.25/2.0 = 2.1\,\mathrm{m} > R.

Oefening 11.8 ★★

Een zuiger beweegt als x=0.10cos(10t)x = 0.10\cos(10t) (SI). Geef vmaxv_{\max}, amaxa_{\max}, de faserelaties tussen xx, vv, aa, en de plaatsen waar v\abs v en a\abs a het grootst zijn.

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.8.

vmax=Aω=1.0m/sv_{\max} = A\omega = 1.0\,\mathrm{m}/\mathrm{s}; amax=Aω2=10m/s2a_{\max} = A\omega^2 = 10\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}; vv loopt een kwart periode voor op xx, en a=ω2xa = -\omega^2x is tegengesteld aan xx. v\abs v is het grootst in x=0x = 0, a\abs a in de uitersten x=±Ax = \pm A.

Oefening 11.9 ★★

Leid, uitgaand van er=cosθex+sinθey\vect e_r = \cos\theta\,\vect e_x + \sin\theta\,\vect e_y, de uitdrukkingen  ⁣der/ ⁣dt\dd\vect e_r/\dd t en  ⁣deθ/ ⁣dt\dd\vect e_\theta/\dd t af, en daarna de poolvorm van snelheid en versnelling uit Stelling 11.7.

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.9.

e˙r=θ˙(sinθex+cosθey)=θ˙eθ\dot{\vect e}_r = \dot\theta(-\sin\theta\,\vect e_x + \cos\theta\,\vect e_y) = \dot\theta\,\vect e_\theta; e˙θ=θ˙(cosθexsinθey)=θ˙er\dot{\vect e}_\theta = \dot\theta(-\cos\theta\, \vect e_x - \sin\theta\,\vect e_y) = -\dot\theta\,\vect e_r. Vervolgens is v=r˙er+rθ˙eθ\vect v = \dot r\vect e_r + r\dot\theta\vect e_\theta, en nog een keer afleiden met de productregel geeft de versnelling uit Stelling 11.7.

Oefening 11.10 ★★★

Bepaal voor de worp van Voorbeeld 11.4 de kromtestraal van de baan in het hoogste punt en in het vertrekpunt (gebruik de normale component van g\vect g). Welke is kleiner, en waarom?

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.10.

Hoogste punt: v=v0cosαv = v_0\cos\alpha, aN=ga_N = g: ρ=v02cos2α/g\rho = v_0^2\cos^2\alpha/g. Vertrekpunt: v=v0v = v_0, aN=gcosαa_N = g\cos\alpha: ρ=v02/(gcosα)\rho = v_0^2/(g\cos\alpha). De straal in het hoogste punt is een factor cos3α\cos^3\alpha kleiner: de parabool buigt het sterkst waar zij het traagst is en waar g\vect g volledig normaal staat.

Oefening 11.11 ★★★

Een wiel met straal RR rolt zonder slippen met snelheid vv; een punt van zijn velg heeft coördinaten x=vtRsin(vt/R)x = vt - R\sin(vt/R), y=RRcos(vt/R)y = R - R\cos(vt/R) (een cycloïde). Bereken zijn snelheid en versnelling; toon aan dat zijn snelheid nul is op het moment dat het de grond raakt en zijn versnelling dan v2/Rv^2/R omhoog bedraagt; bepaal zijn snelheid bovenin.

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.11.

x˙=vvcos(vt/R)\dot x = v - v\cos(vt/R), y˙=vsin(vt/R)\dot y = v\sin(vt/R); x¨=(v2/R)sin(vt/R)\ddot x = (v^2/R) \sin(vt/R), y¨=(v2/R)cos(vt/R)\ddot y = (v^2/R)\cos(vt/R). Aan de grond (vt/R=2πnvt/R = 2\pi n): x˙=y˙=0\dot x = \dot y = 0 en a=(0,v2/R)\vect a = (0, v^2/R), omhoog. Bovenin (vt/R=πvt/R = \pi): x˙=2v\dot x = 2v, y˙=0\dot y = 0: snelheid 2v2v.

Oefening 11.12 ★★★

Iemand loopt naar buiten langs een straal van een draaischijf die met constante ω\omega draait, met constante snelheid uu ten opzichte van de schijf: r=utr = ut, θ=ωt\theta = \omega t. Bereken a\vect a in de poolbasis, benoem de twee termen en werk ze uit voor u=1.0m/su = 1.0\,\mathrm{m}/\mathrm{s}, ω=1.0rad/s\omega = 1.0\,\mathrm{rad}/\mathrm{s} op t=2.0st = 2.0\,\mathrm{s}. Welke term heeft geen tegenhanger voor iemand die over de grond loopt?

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.12.

r¨=0\ddot r = 0, r˙=u\dot r = u, θ˙=ω\dot\theta = \omega: a=utω2er+2uωeθ\vect a = -ut\omega^2\, \vect e_r + 2u\omega\,\vect e_\theta. Op t=2.0st = 2.0\,\mathrm{s}: 2.0er+2.0eθ-2.0\,\vect e_r + 2.0\,\vect e_\theta (m/s2\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}). De eerste is de centripetale term van de draaiing; de tweede, 2r˙θ˙2\dot r\dot\theta, bestaat alleen omdat de radiale richting zelf draait — op de grond geeft rechtuit lopen met constante snelheid helemaal geen versnelling.

Een verticale looping (Yomiuriland, Tokio): een druppelvorm in plaats van een cirkel, zodat de kromming het grootst is bovenin, waar de snelheid het kleinst is — de meetkunde van de weekendopgave. Foto: Jeremy Thompson, CC BY 2.0.
Een verticale looping (Yomiuriland, Tokio): een druppelvorm in plaats van een cirkel, zodat de kromming het grootst is bovenin, waar de snelheid het kleinst is — de meetkunde van de weekendopgave. Foto: Jeremy Thompson, CC BY 2.0.

11.7 Probleem: De looping van de achtbaan

Probleem 11.1

Weekendopgave — een wagentje gaat met negentig kilometer per uur een verticale looping in: waar het vertraagt, waarheen zijn versnelling wijst, hoeveel gg de inzittenden voelen, en waarom moderne loopings geen cirkels zijn

Een wagentje, opgevat als een punt MM, rijdt op een verticale cirkelvormige looping met straal R=10mR = 10\,\mathrm{m} en middelpunt CC. Zijn plaats wordt gegeven door de hoek θ\theta tussen CM\vect{CM} en de neerwaartse verticaal (θ=0\theta = 0 onderin, π\pi bovenin). Wrijving wordt verwaarloosd, en de snelheidswet (afgeleid in Hoofdstuk 13) luidt

v2=v022gR(1cosθ),v^2 = v_0^2 - 2gR(1 - \cos\theta),

met v0=25m/sv_0 = 25\,\mathrm{m}/\mathrm{s} de snelheid onderin; g=9.81m/s2g = 9.81\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}.

Deel I — Kinematica op de cirkel.

  1. Schrijf in poolcoördinaten met middelpunt CC (met er\vect e_r van CC naar MM) v\vect v en a\vect a op voor beweging op de cirkel.
  2. Benoem de frenetvectoren T\vect T en N\vect N in termen van er\vect e_r en eθ\vect e_\theta, en de kromtestraal.
  3. Bereken de snelheid bovenin en in de zijpunten θ=π/2\theta = \pi/2 en 3π/23\pi/2.
  4. Leid de snelheidswet naar de tijd af om aan te tonen dat de tangentiële versnelling aT=gsinθa_T = -g\sin\theta is. Duid haar teken op de weg omhoog en op de weg omlaag.
  5. Druk de normale versnelling aN(θ)a_N(\theta) uit en bereken haar onderin, in de zijpunten en bovenin.
  6. Geef de norm van a\vect a in de vier punten en de hoek die zij bovenin met de verticaal maakt.
  7. In welke punten staat a\vect a loodrecht op v\vect v? Evenwijdig?

Deel II — Hoeksnelheden en tijdsduur.

  1. Druk θ˙\dot\theta uit als functie van θ\theta en bereken haar onderin en bovenin.
  2. Toon aan dat θ¨=(g/R)sinθ\ddot\theta = -(g/R)\sin\theta (de vergelijking van een slinger) en becommentarieer dat.
  3. Bereken ter vergelijking de periode van kleine trillingen van een wiskundige slinger met lengte RR (Voorbeeld 1.8 gaf de vorm; k=2πk = 2\pi).
  4. Schat de tijd om de looping rond te gaan met het gemiddelde van de snelheden in de vier referentiepunten.
  5. De kleinste snelheid bovenin waarbij het wagentje op de baan blijft (volgend hoofdstuk) is gR\sqrt{gR}. Wordt daaraan voldaan? Welke minimale v0v_0 zou nodig zijn?

Deel III — Wat de inzittenden voelen. Het schijnbare gewicht per massa-eenheid dat een inzittende voelt is ag\vect a - \vect g (hier aangenomen, afgeleid in Hoofdstuk 12); de norm daarvan in eenheden van gg is de “gg-belasting”.

  1. Bereken de gg-belasting onderin.
  2. Bereken haar bovenin en zeg welke kant de inzittende op wordt gedrukt (stoel of beugel).
  3. Bereken haar in de zijpunten.
  4. Inzittenden verdragen kortstondig ongeveer 4g4g. Haalt deze looping dat? Waar zit het probleem?
  5. Toon aan dat voor een cirkelvormige looping die net snel genoeg wordt ingereden om bovenin rond te komen (daar schijnbare gewichtloosheid), de gg-belasting onderin noodzakelijk 6g6g is, wat RR ook is.

Deel IV — De clothoïdelooping. Moderne loopings zijn “druppels”: de kromtestraal is groot onderin en klein bovenin.

  1. Leg met de frenetvorm van a\vect a uit waarom het variëren van ρ\rho langs de baan aNa_N verandert zonder de snelheidswet te veranderen (die alleen van de hoogte afhangt).
  2. Kies ρonder\rho_{\text{onder}} zo dat de gg-belasting onderin 3g3g is bij v0=25m/sv_0 = 25\,\mathrm{m}/\mathrm{s}.
  3. Bovenin is de hoogte nog altijd 2R=20m2R = 20\,\mathrm{m} boven de onderkant. Kies ρboven\rho_{\text{boven}} zo dat de gg-belasting daar 1.5g1.5g is.
  4. Een clothoïde heeft een kromming die evenredig is met de booglengte, 1/ρ=s/A21/\rho = s/A^2. Hoe groeit aNa_N met de tijd langs zo’n inloop bij vrijwel constante snelheid, en waarom is dat zachter voor de nek dan een cirkel (waar aNa_N bij het inrijden springt)?
  5. Schets de resulterende vorm van de looping kwalitatief en vat in twee zinnen samen waarom zij de cirkel heeft vervangen.

Deel V — Gezien vanaf de grond. Een camera op grondniveau, 50m50\,\mathrm{m} van het middelpunt van de looping in haar vlak, volgt het wagentje.

  1. Met welke hoeksnelheid (rad/s) moet de camera draaien wanneer het wagentje bovenin is en horizontaal met 15m/s15\,\mathrm{m}/\mathrm{s} beweegt? (Poolcoördinaten vanuit de camera.)
  2. Waarom volgt een camera die met constante snelheid draait een eenparige cirkelbeweging slecht?
  3. Vat de les van dit hoofdstuk uit de looping samen: welk coördinatenstelsel welke vraag beantwoordde.
Oplossing

Oplossing van Probleem 11.1.

1. v=Rθ˙eθ\vect v = R\dot\theta\,\vect e_\theta; a=Rθ˙2er+Rθ¨eθ\vect a = -R\dot\theta^2 \,\vect e_r + R\ddot\theta\,\vect e_\theta.

2. T=eθ\vect T = \vect e_\theta (beweging met toenemende θ\theta), N=er\vect N = -\vect e_r (naar CC), ρ=R\rho = R.

3. Bovenin: v2=625392=233v^2 = 625 - 392 = 233, v=15.3m/sv = 15.3\,\mathrm{m}/\mathrm{s}. Zijkanten: 625196=429625 - 196 = 429, v=20.7m/sv = 20.7\,\mathrm{m}/\mathrm{s}.

4. 2vv˙=2gRsinθθ˙2v\dot v = -2gR\sin\theta\,\dot\theta en v=Rθ˙v = R\dot\theta: v˙=gsinθ\dot v = -g\sin\theta. Negatief voor 0<θ<π0 < \theta < \pi (vertragen op de weg omhoog), positief op de weg omlaag.

5. aN=v2/R=v02/R2g(1cosθ)a_N = v^2/R = v_0^2/R - 2g(1 - \cos\theta): onderin 62.5m/s262.5\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}; zijkanten 62.519.6=42.9m/s262.5 - 19.6 = 42.9\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}; bovenin 62.539.2=23.3m/s262.5 - 39.2 = 23.3\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}.

6. Onderin: 62.5m/s262.5\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2} (geen tangentieel deel); zijkanten: 42.92+9.812=44.0m/s2\sqrt{42.9^2 + 9.81^2} = 44.0\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}; bovenin: 23.3m/s223.3\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}, recht omlaag naar CC gericht: hoek 00 met de verticaal.

7. Loodrecht onderin en bovenin (aT=0a_T = 0); nooit evenwijdig (aN>0a_N > 0 overal).

8. θ˙=v/R=v022gR(1cosθ)/R\dot\theta = v/R = \sqrt{v_0^2 - 2gR(1 - \cos\theta)}/R: onderin 2.50rad/s2.50\,\mathrm{rad}/\mathrm{s}, bovenin 1.53rad/s1.53\,\mathrm{rad}/\mathrm{s}.

9. θ¨=v˙/R=(g/R)sinθ\ddot\theta = \dot v/R = -(g/R)\sin\theta: de vergelijking van een wiskundige slinger met lengte RR — het wagentje op zijn baan is een slingerbol die over de top gaat.

10. 2πR/g=2π10/9.81=6.3s2\pi\sqrt{R/g} = 2\pi\sqrt{10/9.81} = 6.3\,\mathrm{s}.

11. Gemiddelde van 2525, 20.720.7, 15.315.3, 20.720.7: ongeveer 20m/s20\,\mathrm{m}/\mathrm{s}; lengte 2πR=63m2\pi R = 63\,\mathrm{m}: ruwweg 3s3\,\mathrm{s}.

12. gR=9.9m/s<15.3\sqrt{gR} = 9.9\,\mathrm{m}/\mathrm{s} < 15.3: ja. Minimaal: v02gR+4gR=5gR=490v_0^2 \geq gR + 4gR = 5gR = 490, v022.1m/sv_0 \geq 22.1\,\mathrm{m}/\mathrm{s}.

13. Onderin: a=62.5\vect a = 62.5 omhoog, g\vect g omlaag: ag=62.5+9.8=72.3m/s2=7.4g\abs{\vect a - \vect g} = 62.5 + 9.8 = 72.3\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2} = 7.4g.

14. Bovenin: beide omlaag, 23.39.8=13.5m/s2=1.4g23.3 - 9.8 = 13.5\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2} = 1.4g, wat de inzittende in de stoel drukt (naar het middelpunt toe, dus omhoog voor de ondersteboven hangende inzittende).

15. Zijkanten: a=42.9\vect a = 42.9 horizontaal naar CC plus 9.89.8 omlaag (tangentieel); ag\vect a - \vect g is 42.942.9 horizontaal: 4.4g4.4g zijwaarts, naar het middelpunt toe.

16. Niet gehaald: 7.4g7.4g onderin (bovenin en opzij is het in orde).

17. Schijnbare gewichtloosheid bovenin: vboven2=gRv_{\text{boven}}^2 = gR; dan is v02=gR+4gR=5gRv_0^2 = gR + 4gR = 5gR, aN=5ga_N = 5g onderin en is de belasting 5g+g=6g5g + g = 6g, onafhankelijk van RR.

18. aN=v2/ρa_N = v^2/\rho: vv ligt vast door de hoogte (energie), ρ\rho door de meetkunde van de baan; een andere ρ\rho op dezelfde hoogte verandert alleen aNa_N.

19. aN+g=3ga_N + g = 3g: aN=2ga_N = 2g, ρ=v02/2g=625/19.6=32m\rho = v_0^2/2g = 625/19.6 = 32\,\mathrm{m}.

20. vboven=15.3m/sv_{\text{boven}} = 15.3\,\mathrm{m}/\mathrm{s}; aNg=1.5ga_N - g = 1.5g: aN=24.5m/s2a_N = 24.5\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}, ρ=233/24.5=9.5m\rho = 233/24.5 = 9.5\,\mathrm{m}.

21. aN=v2/ρ=v2s/A2=v3t/A2a_N = v^2/\rho = v^2s/A^2 = v^3t/A^2: zij groeit lineair vanaf nul — een constante verandering van de versnelling — in plaats van te springen van 00 naar v2/Rv^2/R bij het inrijden van een cirkel, wat de nek als een klap voelt.

22. Een druppel: wijd en flauw gekromd onderin waar het wagentje snel gaat, krap bovenin waar het traag gaat. Zij houdt de belasting rond 3g3g over het hele traject en brengt haar geleidelijk op.

23. Kijklijn: horizontale afstand 50m50\,\mathrm{m}, hoogte 20m20\,\mathrm{m}: r=53.9mr = 53.9\,\mathrm{m}, elevatie β=21.8\beta = 21.8^\circ. De transversale component van de horizontale snelheid is vsinβ=15×0.371=5.6m/sv\sin\beta = 15 \times 0.371 = 5.6\,\mathrm{m}/\mathrm{s}; θ˙=5.6/53.9=0.10rad/s\dot\theta = 5.6/53.9 = 0.10\,\mathrm{rad}/\mathrm{s}.

24. Vanuit een punt buiten het middelpunt is de hoeksnelheid van de kijklijn niet constant (snel als het wagentje dichtbij is, traag als het ver is): een camera met constante draaisnelheid loopt van het wagentje af.

25. Poolcoördinaten in CC voor snelheid en versnelling op de cirkel; de frenetsplitsing voor “versnellen” tegenover “draaien” en voor de clothoïde; poolcoördinaten bij de camera voor de volgsnelheid; energie (volgende hoofdstukken) voor de snelheidswet.

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 393 begrippen in de begrippenlijst