Universitaire natuurkunde — jaar 1 · Bachelor Year 1
11Kinematica van een punt
Het wagentje van een achtbaan gaat de looping in met 90km/h, vertraagt tijdens het klimmen, hangt een ogenblik stil bovenin en dendert er weer uit; de inzittenden voelen zich onderin in hun stoel geperst en bovenin bijna gewichtloos. Die rit beschrijven — waar het wagentje is, hoe snel het gaat, hoe zijn snelheid draait en verandert — is kinematica, en daar is meer voor nodig dan de x, y, z van een rechte weg: poolcoördinaten voor alles wat draait, en een stelsel dat met het wagentje zelf meereist. Dit hoofdstuk zet dat gereedschap op, bewijst de formules voor snelheid en versnelling in elk daarvan, en past ze toe op de bewegingen waar elk later hoofdstuk een beroep op doet: de eenparige cirkelbeweging, de schroeflijn, de harmonische beweging en de beweging langs een willekeurige kromme.
11.1 Plaats, snelheid, versnelling
Definitie 11.1(Referentiestelsel; plaats; baan)
Een referentiestelsel is een star lichaam dat als vast wordt genomen (het laboratorium, de aarde, een trein), samen met een klok. Een puntmassaM — een lichaam waarvan de afmeting er voor de bestudeerde beweging niet toe doet — wordt op elk moment vastgelegd door haar plaatsvectorOM(t) vanuit een oorsprong O die aan het stelsel vastzit; de kromme die M beschrijft is haar baan. Beweging is altijd beweging ten opzichte van een stelsel: dezelfde reiziger is in rust in de trein en in beweging in het station.
Definitie 11.2(Snelheid en versnelling)
De snelheid en de versnelling van M in het stelsel zijn
v=dtdOM,a=dtdv=dt2d2OM,
afgeleiden van vectorfuncties: de afgeleide van een vector krijgt men door zijn componenten af te leiden in een basis die vast ligt in het stelsel. De snelheidsvector raakt aan de baan en wijst met de beweging mee; zijn norm v is de baansnelheid. Eenheden: m/s, m/s2.
Propositie 11.3(Cartesische coördinaten)
Met een vaste orthonormale basis (ex,ey,ez) en OM=xex+yey+zez geldt
v=x˙ex+y˙ey+z˙ez,a=x¨ex+y¨ey+z¨ez,
waarin de punt d/dt aangeeft.
Bewijs. De basisvectoren zijn constant; alleen de componenten veranderen. ∎
Voorbeeld 11.4(Worp)
Vanuit O afgeschoten met snelheidv0 onder een hoek α boven de horizontaal heeft een bal de coördinaten (dynamica, volgend hoofdstuk) x=v0cosαt, z=v0sinαt−21gt2. Dan is v=v0cosαex+(v0sinα−gt)ez, a=−gez: de versnelling is constant terwijl de snelheid draait; in het hoogste punt (z˙=0, t=v0sinα/g) is de snelheid horizontaal en staat de versnelling er loodrecht op. t elimineren geeft z=xtanα−gx2/(2v02cos2α), een parabool.
De parabool van een worp: de snelheid raakt aan de baan en draait, de versnellingg is constant. In het hoogste punt staan snelheid en versnelling loodrecht op elkaar: de baansnelheid is even stationair terwijl de richting nog verandert.
11.2 Cilindercoördinaten
Definitie 11.5(Cilindercoördinaten en lokale basis)
Het punt M wordt vastgelegd door r≥0 (de afstand tot de z-as), de hoek θ die zijn projectie op het xy-vlak met ex maakt, en z: OM=rer+zez, waarin
er=cosθex+sinθey,eθ=−sinθex+cosθey,
samen met ez de lokale basis(er,eθ,ez) vormen, orthonormaal en rechtsdraaiend, die met M meebeweegt. In het vlak (z vast) zijn dit de poolcoördinaten(r,θ).
Lemma 11.6(Afgeleiden van de lokale basis)
dtder=θ˙eθ,dtdeθ=−θ˙er,dtdez=0.
Bewijs. Leid de componenten af: der/dt=θ˙(−sinθex+cosθey)=θ˙eθ, en evenzo voor eθ. De afgeleide van een draaiende eenheidsvector staat er loodrecht op en heeft als norm de hoeksnelheid. ∎
Stelling 11.7(Snelheid en versnelling in cilindercoördinaten)
Bewijs. Leid OM=rer+zez af met het lemma: v=r˙er+rθ˙eθ+z˙ez. Leid nogmaals af: r¨er+r˙θ˙eθ+r˙θ˙eθ+rθ¨eθ−rθ˙2er+z¨ez; groepeer. ∎
Poolcoördinaten: de lokale basis(er,eθ) draait met M mee; de snelheid heeft een radiaal deel r˙ en een orthoradiaal deel rθ˙. Hier loopt de baan (rood) naar buiten spiralend, dus is r˙>0 en helt v naar buiten ten opzichte van de raaklijn aan de cirkel.
Gevolg 11.8(Cirkelbeweging)
Op een cirkel met straal R (r=R, z=0), met hoeksnelheidω=θ˙, geldt
v=Rωeθ,a=−Rω2er+Rω˙eθ=−Rv2er+dtdveθ.
Bij een eenparige cirkelbeweging (ω constant) is de versnelling zuiver centripetaal, met norm v2/R=Rω2, hoewel de baansnelheid constant is.
Bewijs. Stel r˙=r¨=0 in de stelling; v=Rω. ∎
Voorbeeld 11.9(Twee cirkels)
Een auto rijdt een rotonde met straal 20m rond met 36km/h (10m/s): a=v2/R=5.0m/s2, een halve g, gericht naar het middelpunt — wat de banden moeten leveren. De maan (R=3.84×108m, T=27.3d): ω=2π/T=2.66×10−6rad/s, a=Rω2=2.7×10−3m/s2, een 3600ste van g aan het aardoppervlak, op zestig aardstralen — de vergelijking die Newton maakte (Hoofdstuk 16).
11.3 Bolcoördinaten
Definitie 11.10(Bolcoördinaten)
Het punt M wordt vastgelegd door zijn afstand r=OM, de poolafstandθ∈[0,π] tussen OM en ez, en de azimutφ van zijn projectie op het xy-vlak: OM=rer met
er=sinθcosφex+sinθsinφey+cosθez;
eθ (rakend aan de meridiaan, naar toenemende θ) en eφ (rakend aan de parallel) maken de lokale orthonormale basis compleet. Op aarde is θ gelijk aan 90∘ min de breedtegraad en φ de lengtegraad.
Propositie 11.11(Snelheid in bolcoördinaten)
v=r˙er+rθ˙eθ+rsinθφ˙eφ.
Bewijs.der/dt=θ˙eθ+sinθφ˙eφ: de eerste term is de draaiing in het meridiaanvlak (zoals in het poolgeval), de tweede de draaiing om ez met snelheidφ˙ van een vector waarvan de afstand tot de as sinθ is. Vervolgens v=d(rer)/dt. De versnelling is dit jaar niet nodig. ∎
Bolcoördinaten(r,θ,φ) en hun lokale basis: er radiaal, eθ langs de meridiaan (op een globe naar het zuiden), eφ langs de parallel (naar het oosten).
11.4 De frenetbasis
Definitie 11.12(Kromlijnige abscis; frenetbasis)
Langs een baan is de kromlijnige absciss(t) de booglengte vanaf een referentiepunt, algebraïsch geteld; v=s˙. In M wijst de raakeenheidsvector T=dOM/ds naar toenemende s; de kromtestraalρ>0 en de normaaleenheidsvector N, die naar de holle kant wijst (het kromtemiddelpunt), worden gedefinieerd door
dsdT=ρ1N.
(T,N) is de frenetbasis; ρ=∞ op een rechte lijn, ρ=R op een cirkel met straal R.
Stelling 11.13(Versnelling in de frenetbasis)
v=vT,a=dtdvT+ρv2N.
De tangentiële component dv/dt meet hoe snel de baansnelheid verandert; de normale component v2/ρ, altijd naar het kromtemiddelpunt, hoe snel de richting draait. De beweging is eenparig dan en slechts dan als a⊥v; zij is rechtlijnig dan en slechts dan als a∥v.
Bewijs.v=(dOM/ds)(ds/dt)=vT. Dan is a=v˙T+vdT/dt=v˙T+v(dT/ds)s˙=v˙T+(v2/ρ)N. Dat dT/ds⊥T volgt uit het afleiden van T⋅T=1. ∎
De frenetbasis in een punt van een kromme: T met de beweging mee, N naar het kromtemiddelpunt C. De versnelling valt uiteen in een tangentieel deel v˙T (versnellen of remmen) en een normaal deel (v2/ρ)N (draaien).
Voorbeeld 11.14(Remmen in een bocht)
Een auto met 90km/h (25m/s) in een bocht met straal 100m remt met 2.0m/s2: aT=−2.0m/s2, aN=625/100=6.25m/s2, a=4+39=6.6m/s2. Het normale deel overheerst: een bocht is in de eerste plaats een draaiing, en de grip van de banden (volgend hoofdstuk) begrenst aT2+aN2, en daarom remt men vóór de bocht.
Op een as, met x¨=a constant, vanaf x0 en v0: v=v0+at, x=x0+v0t+21at2, en v2−v02=2a(x−x0).
Bewijs. Twee keer integreren; elimineer t tussen de eerste twee betrekkingen. ∎
Propositie 11.16(Schroeflijnbeweging)
r=R, θ=ωt, z=vzt (constanten R, ω, vz): de baansnelheid v=R2ω2+vz2 is constant, de versnellinga=−Rω2er is centripetaal met constante norm, en de kromtestraal is ρ=v2/a=R(1+vz2/R2ω2)>R.
Bewijs.Stelling 11.7 met r˙=0, θ¨=0, z¨=0; eenparige beweging, dus is a zuiver normaal en v2/ρ=Rω2. ∎
Propositie 11.17(Harmonische beweging)
x=Acos(ωt+φ): x˙=−Aωsin(ωt+φ), x¨=−ω2x. De snelheid loopt een kwart periode voor op de plaats en de versnelling is tegengesteld aan de plaats; vmax=Aω, amax=Aω2. Dit is de projectie op een middellijn van een eenparige cirkelbeweging met straal A en hoeksnelheid ω.
Bewijs. Afleiden; neem voor de projectie x=Acosθ met θ=ωt+φ. ∎
Methode 11.18(Coördinaten kiezen)
Rechtlijnige of parabolische beweging, constante versnelling: cartesisch.
Beweging om een as of een punt (cirkels, spiralen, banen, draaischijven): cilinder- of poolcoördinaten; de basis beweegt mee, dus gebruik Stelling 11.7 en nooit naïef de componenten afleiden.
Een gegeven kromme (spoor, bocht, looping) wanneer de snelheidswet bekend is: de frenetbasis, die “hoe snel” van “welke kant op” scheidt.
Wat de keuze ook is, v en a zijn stelselafhankelijke vectoren, en een resultaat is pas volledig wanneer het stelsel erbij genoemd is.
11.6 Oefeningen
Oefening 11.1★
Een auto vertrekt uit rust met x(t)=2.0t2 (SI-eenheden). Snelheid en versnelling op t=3.0s; afgelegde weg in de eerste 5s; tijd om 100km/h te bereiken.
Oplossing
Oplossing van Oefening 11.1.
v=4.0t: 12m/s op 3.0s; a=4.0m/s2; x(5)=50m; 100km/h=27.8m/s op t=27.8/4.0=6.9s.
Oefening 11.2★
Een punt beweegt in een vlak met r=2.0m en θ=3.0t (rad, SI). Geef v en a in de poolbasis, hun normen en de aard van de beweging.
Een bal wordt geworpen met v0=12m/s onder α=40∘; zijn coördinaten zijn die van Voorbeeld 11.4. Bepaal de tijd tot het hoogste punt, de maximale hoogte, de dracht en de snelheid bij de landing.
Oplossing
Oplossing van Oefening 11.4.
v0sinα=7.71m/s, v0cosα=9.19m/s. Hoogste punt op t=7.71/9.81=0.79s, hoogte 7.712/(2×9.81)=3.0m. Dracht 2×9.19×0.786=14.5m. Landing: (9.19,−7.71), 12m/s onder 40∘ met de horizontaal.
Oefening 11.5★★
Een fietser met 10m/s rijdt een bocht met straal 25m in en versnelt met 1.0m/s2. Geef a in de frenetbasis en zijn norm; en na 5s met dezelfde versnelling in dezelfde bocht?
Oplossing
Oplossing van Oefening 11.5.
aT=1.0m/s2, aN=102/25=4.0m/s2, a=4.1m/s2. Na 5s: v=15m/s, aN=225/25=9.0m/s2, a=9.1m/s2.
Oefening 11.6★★
Een punt volgt de spiraal r=bθ, θ=ωt (b, ω constant). Bereken v, de baansnelheid en a in de poolbasis. Waar komt de term 2r˙θ˙ vandaan?
Oplossing
Oplossing van Oefening 11.6.
r=bωt, r˙=bω, r¨=0, θ˙=ω: v=bωer+bω2teθ, v=bω1+ω2t2; a=−bω3ter+2bω2eθ. De term 2r˙θ˙ bestaat uit twee gelijke helften: de richting van de radiale snelheid draait met snelheidθ˙ (wat r˙θ˙eθ geeft), en naar buiten bewegen vergroot de orthoradiale snelheidrθ˙ (nog eens r˙θ˙).
Oefening 11.7★★
Schroeflijn: R=2.0m, ω=1.0rad/s, vz=0.50m/s. Baansnelheid, versnelling, spoed van de schroeflijn, kromtestraal.
Oplossing
Oplossing van Oefening 11.7.
v=(2.0×1.0)2+0.52=2.1m/s; a=Rω2=2.0m/s2 naar de as toe; spoed vz×2π/ω=3.1m; ρ=v2/a=4.25/2.0=2.1m>R.
Oefening 11.8★★
Een zuiger beweegt als x=0.10cos(10t) (SI). Geef vmax, amax, de faserelaties tussen x, v, a, en de plaatsen waar ∣v∣ en ∣a∣ het grootst zijn.
Oplossing
Oplossing van Oefening 11.8.
vmax=Aω=1.0m/s; amax=Aω2=10m/s2; v loopt een kwart periode voor op x, en a=−ω2x is tegengesteld aan x. ∣v∣ is het grootst in x=0, ∣a∣ in de uitersten x=±A.
Oefening 11.9★★
Leid, uitgaand van er=cosθex+sinθey, de uitdrukkingen der/dt en deθ/dt af, en daarna de poolvorm van snelheid en versnelling uit Stelling 11.7.
Oplossing
Oplossing van Oefening 11.9.
e˙r=θ˙(−sinθex+cosθey)=θ˙eθ; e˙θ=θ˙(−cosθex−sinθey)=−θ˙er. Vervolgens is v=r˙er+rθ˙eθ, en nog een keer afleiden met de productregel geeft de versnelling uit Stelling 11.7.
Oefening 11.10★★★
Bepaal voor de worp van Voorbeeld 11.4 de kromtestraal van de baan in het hoogste punt en in het vertrekpunt (gebruik de normale component van g). Welke is kleiner, en waarom?
Oplossing
Oplossing van Oefening 11.10.
Hoogste punt: v=v0cosα, aN=g: ρ=v02cos2α/g. Vertrekpunt: v=v0, aN=gcosα: ρ=v02/(gcosα). De straal in het hoogste punt is een factor cos3α kleiner: de parabool buigt het sterkst waar zij het traagst is en waar g volledig normaal staat.
Oefening 11.11★★★
Een wiel met straal R rolt zonder slippen met snelheidv; een punt van zijn velg heeft coördinaten x=vt−Rsin(vt/R), y=R−Rcos(vt/R) (een cycloïde). Bereken zijn snelheid en versnelling; toon aan dat zijn snelheid nul is op het moment dat het de grond raakt en zijn versnelling dan v2/R omhoog bedraagt; bepaal zijn snelheid bovenin.
Oplossing
Oplossing van Oefening 11.11.
x˙=v−vcos(vt/R), y˙=vsin(vt/R); x¨=(v2/R)sin(vt/R), y¨=(v2/R)cos(vt/R). Aan de grond (vt/R=2πn): x˙=y˙=0 en a=(0,v2/R), omhoog. Bovenin (vt/R=π): x˙=2v, y˙=0: snelheid2v.
Oefening 11.12★★★
Iemand loopt naar buiten langs een straal van een draaischijf die met constante ω draait, met constante snelheidu ten opzichte van de schijf: r=ut, θ=ωt. Bereken a in de poolbasis, benoem de twee termen en werk ze uit voor u=1.0m/s, ω=1.0rad/s op t=2.0s. Welke term heeft geen tegenhanger voor iemand die over de grond loopt?
Oplossing
Oplossing van Oefening 11.12.
r¨=0, r˙=u, θ˙=ω: a=−utω2er+2uωeθ. Op t=2.0s: −2.0er+2.0eθ (m/s2). De eerste is de centripetale term van de draaiing; de tweede, 2r˙θ˙, bestaat alleen omdat de radiale richting zelf draait — op de grond geeft rechtuit lopen met constante snelheid helemaal geen versnelling.
Een verticale looping (Yomiuriland, Tokio): een druppelvorm in plaats van een cirkel, zodat de kromming het grootst is bovenin, waar de snelheid het kleinst is — de meetkunde van de weekendopgave. Foto: Jeremy Thompson, CC BY 2.0.
11.7 Probleem: De looping van de achtbaan
Probleem 11.1
Weekendopgave — een wagentje gaat met negentig kilometer per uur een verticale looping in: waar het vertraagt, waarheen zijn versnelling wijst, hoeveel g de inzittenden voelen, en waarom moderne loopings geen cirkels zijn
Een wagentje, opgevat als een punt M, rijdt op een verticale cirkelvormige looping met straal R=10m en middelpunt C. Zijn plaats wordt gegeven door de hoek θ tussen CM en de neerwaartse verticaal (θ=0 onderin, π bovenin). Wrijving wordt verwaarloosd, en de snelheidswet (afgeleid in Hoofdstuk 13) luidt
Schrijf in poolcoördinaten met middelpunt C (met er van C naar M) v en a op voor beweging op de cirkel.
Benoem de frenetvectoren T en N in termen van er en eθ, en de kromtestraal.
Bereken de snelheid bovenin en in de zijpunten θ=π/2 en 3π/2.
Leid de snelheidswet naar de tijd af om aan te tonen dat de tangentiële versnellingaT=−gsinθ is. Duid haar teken op de weg omhoog en op de weg omlaag.
Druk de normale versnellingaN(θ) uit en bereken haar onderin, in de zijpunten en bovenin.
Geef de norm van a in de vier punten en de hoek die zij bovenin met de verticaal maakt.
In welke punten staat a loodrecht op v? Evenwijdig?
Deel II — Hoeksnelheden en tijdsduur.
Druk θ˙ uit als functie van θ en bereken haar onderin en bovenin.
Toon aan dat θ¨=−(g/R)sinθ (de vergelijking van een slinger) en becommentarieer dat.
Bereken ter vergelijking de periode van kleine trillingen van een wiskundige slinger met lengte R (Voorbeeld 1.8 gaf de vorm; k=2π).
Schat de tijd om de looping rond te gaan met het gemiddelde van de snelheden in de vier referentiepunten.
De kleinste snelheid bovenin waarbij het wagentje op de baan blijft (volgend hoofdstuk) is gR. Wordt daaraan voldaan? Welke minimale v0 zou nodig zijn?
Deel III — Wat de inzittenden voelen. Het schijnbare gewicht per massa-eenheid dat een inzittende voelt is a−g (hier aangenomen, afgeleid in Hoofdstuk 12); de norm daarvan in eenheden van g is de “g-belasting”.
Bereken de g-belasting onderin.
Bereken haar bovenin en zeg welke kant de inzittende op wordt gedrukt (stoel of beugel).
Bereken haar in de zijpunten.
Inzittenden verdragen kortstondig ongeveer 4g. Haalt deze looping dat? Waar zit het probleem?
Toon aan dat voor een cirkelvormige looping die net snel genoeg wordt ingereden om bovenin rond te komen (daar schijnbare gewichtloosheid), de g-belasting onderin noodzakelijk 6g is, wat R ook is.
Deel IV — De clothoïdelooping. Moderne loopings zijn “druppels”: de kromtestraal is groot onderin en klein bovenin.
Leg met de frenetvorm van a uit waarom het variëren van ρ langs de baanaN verandert zonder de snelheidswet te veranderen (die alleen van de hoogte afhangt).
Kies ρonder zo dat de g-belasting onderin 3g is bij v0=25m/s.
Bovenin is de hoogte nog altijd 2R=20m boven de onderkant. Kies ρboven zo dat de g-belasting daar 1.5g is.
Een clothoïde heeft een kromming die evenredig is met de booglengte, 1/ρ=s/A2. Hoe groeit aN met de tijd langs zo’n inloop bij vrijwel constante snelheid, en waarom is dat zachter voor de nek dan een cirkel (waar aN bij het inrijden springt)?
Schets de resulterende vorm van de looping kwalitatief en vat in twee zinnen samen waarom zij de cirkel heeft vervangen.
Deel V — Gezien vanaf de grond. Een camera op grondniveau, 50m van het middelpunt van de looping in haar vlak, volgt het wagentje.
Met welke hoeksnelheid (rad/s) moet de camera draaien wanneer het wagentje bovenin is en horizontaal met 15m/s beweegt? (Poolcoördinaten vanuit de camera.)
Waarom volgt een camera die met constante snelheid draait een eenparige cirkelbeweging slecht?
Vat de les van dit hoofdstuk uit de looping samen: welk coördinatenstelsel welke vraag beantwoordde.
Oplossing
Oplossing van Probleem 11.1.
1.v=Rθ˙eθ; a=−Rθ˙2er+Rθ¨eθ.
2.T=eθ (beweging met toenemende θ), N=−er (naar C), ρ=R.
6. Onderin: 62.5m/s2 (geen tangentieel deel); zijkanten: 42.92+9.812=44.0m/s2; bovenin: 23.3m/s2, recht omlaag naar C gericht: hoek 0 met de verticaal.
7. Loodrecht onderin en bovenin (aT=0); nooit evenwijdig (aN>0 overal).
14. Bovenin: beide omlaag, 23.3−9.8=13.5m/s2=1.4g, wat de inzittende in de stoel drukt (naar het middelpunt toe, dus omhoog voor de ondersteboven hangende inzittende).
15. Zijkanten: a=42.9 horizontaal naar C plus 9.8 omlaag (tangentieel); a−g is 42.9 horizontaal: 4.4g zijwaarts, naar het middelpunt toe.
16. Niet gehaald: 7.4g onderin (bovenin en opzij is het in orde).
17. Schijnbare gewichtloosheid bovenin: vboven2=gR; dan is v02=gR+4gR=5gR, aN=5g onderin en is de belasting 5g+g=6g, onafhankelijk van R.
18.aN=v2/ρ: v ligt vast door de hoogte (energie), ρ door de meetkunde van de baan; een andere ρ op dezelfde hoogte verandert alleen aN.
21.aN=v2/ρ=v2s/A2=v3t/A2: zij groeit lineair vanaf nul — een constante verandering van de versnelling — in plaats van te springen van 0 naar v2/R bij het inrijden van een cirkel, wat de nek als een klap voelt.
22. Een druppel: wijd en flauw gekromd onderin waar het wagentje snel gaat, krap bovenin waar het traag gaat. Zij houdt de belasting rond 3g over het hele traject en brengt haar geleidelijk op.
23. Kijklijn: horizontale afstand 50m, hoogte 20m: r=53.9m, elevatie β=21.8∘. De transversale component van de horizontale snelheid is vsinβ=15×0.371=5.6m/s; θ˙=5.6/53.9=0.10rad/s.
24. Vanuit een punt buiten het middelpunt is de hoeksnelheid van de kijklijn niet constant (snel als het wagentje dichtbij is, traag als het ver is): een camera met constante draaisnelheid loopt van het wagentje af.
25.Poolcoördinaten in C voor snelheid en versnelling op de cirkel; de frenetsplitsing voor “versnellen” tegenover “draaien” en voor de clothoïde; poolcoördinaten bij de camera voor de volgsnelheid; energie (volgende hoofdstukken) voor de snelheidswet.