Physics · Boek 3 · Bachelor Year 1

Universitaire natuurkunde — jaar 1

Universitaire natuurkunde — jaar 1 · Bachelor Year 1

8Het sinusoïdale regime en de impedantie

Draai aan de knop van een oude radio en van de honderd zenders die de antenne allemaal tegelijk bereiken komt er één door: een spoel en een regelbare condensator zijn zo afgestemd dat precies één frequentie ze laat resoneren. Het net dat in elke muur bromt is een sinus van 50Hz50\,\mathrm{Hz}; de fabriek die er grote motoren op laat draaien betaalt een boete als haar stroom te ver bij haar spanning achterloopt. Sinussen zijn de natuurlijke taal van lineaire netwerken — zij komen eruit zoals zij erin gaan, alleen geschaald en verschoven — en dit hoofdstuk geeft ze hun algebra: complexe amplitudes, impedanties, de resonantie van de RLC-kring en het vermogen dat sinusvormige stromen werkelijk leveren.

Een oscilloscoop met een sinus en een blokgolf: de sinus is het signaal waarvan dit hoofdstuk leeft, de blokgolf het signaal dat het volgende hoofdstuk in sinussen ontbindt.
Een oscilloscoop met een sinus en een blokgolf: de sinus is het signaal waarvan dit hoofdstuk leeft, de blokgolf het signaal dat het volgende hoofdstuk in sinussen ontbindt.

8.1 Het sinusoïdale regime

Propositie 8.1 (Gedwongen sinusoïdaal regime)

In een lineair netwerk dat door een sinusvormige bron met hoekfrequentie ω\omega wordt aangedreven, is elke stroom en elke spanning, zodra de overgangsverschijnselen zijn uitgedoofd, een sinus met dezelfde hoekfrequentie ω\omega, elk met een eigen amplitude en fase: x(t)=Xcos(ωt+φ)x(t) = X\cos(\omega t + \varphi).

Bewijs. De vergelijkingen van het netwerk zijn lineaire differentiaalvergelijkingen met constante coëfficiënten; hun algemene oplossing is een particuliere oplossing plus de oplossingen van de homogene vergelijking, en dat zijn de overgangsverschijnselen van Hoofdstuk 7, die uitdoven (elke werkelijke kring heeft enige weerstand). Er bestaat een sinusvormige particuliere oplossing omdat het differentiëren van een sinus met frequentie ω\omega een sinus met dezelfde frequentie geeft: de vergelijkingen kunnen term voor term worden voldaan — de complexe methode hieronder construeert haar expliciet.

Definitie 8.2 (Complexe amplitude)

Aan de sinus x(t)=Xcos(ωt+φ)x(t) = X\cos(\omega t + \varphi) koppelt men het complexe signaal x(t)=Xej(ωt+φ)\underline{x}(t) = X\eu^{j(\omega t + \varphi)}, zodat x=Re(x)x = \Rea(\underline{x}), en de complexe amplitude

X=Xejφ,x(t)=Xejωt,\underline{X} = X\eu^{j\varphi}, \qquad \underline{x}(t) = \underline{X}\,\eu^{j\omega t},

die de amplitude X=XX = \abs{\underline{X}} en de fase φ=argX\varphi = \arg\underline{X} draagt. Hier staat jj voor de imaginaire eenheid, j2=1j^2 = -1, want de letter ii is voor stromen gereserveerd. Getekend als vector met lengte XX onder hoek φ\varphi is X\underline{X} een fasor (Fresnel-vector).

Propositie 8.3 (Regels van de complexe methode)

  1. Lineaire bewerkingen verwisselen met het nemen van het reële deel: de complexe amplitude van een som is de som van de complexe amplitudes.
  2. Differentiëren naar de tijd vermenigvuldigt de complexe amplitude met jωj\omega; integreren deelt haar door jωj\omega.
  3. De wetten van Kirchhoff, die lineair zijn, gelden voor complexe amplitudes.

Bewijs. Re(a+b)=Rea+Reb\Rea(\underline a + \underline b) = \Rea\underline a + \Rea\underline b;  ⁣d(Xejωt)/ ⁣dt=jωXejωt\dd(\underline X\eu^{j\omega t})/\dd t = j\omega\underline X\eu^{j\omega t}, en  ⁣dx/ ⁣dt=Re( ⁣dx/ ⁣dt)\dd x/\dd t = \Rea(\dd\underline x/\dd t) omdat differentiëren reëel-lineair is. Sommen van stromen in een knooppunt en van spanningen langs een maas zijn lineair.

Voorbeeld 8.4 (Twee sinussen optellen)

3cosωt+4sinωt3\cos\omega t + 4\sin\omega t: de complexe amplitudes zijn 33 en 4ejπ/2=4j4\eu^{-j\pi/2} = -4j (want sinωt=cos(ωtπ/2)\sin\omega t = \cos(\omega t - \pi/2)); hun som 34j3 - 4j heeft modulus 55 en argument 0.927 rad-0.927\ \mathrm{rad}: 5cos(ωt0.927)5\cos(\omega t - 0.927). Geen enkele goniometrische identiteit nodig.

8.2 Impedantie

Definitie 8.5 (Impedantie, admittantie)

Voor een lineaire tweepool in het sinusoïdale regime (verbruikersconventie) is de impedantie de verhouding van complexe amplitudes

Z=UI=Zejφ(ohm),\underline Z = \frac{\underline U}{\underline I} = Z\eu^{j\varphi} \quad (\text{ohm}),

waarvan de modulus Z=U/IZ = U/I de amplitudes verbindt en het argument φ=φuφi\varphi = \varphi_u - \varphi_i de fasevoorsprong van de spanning op de stroom is. Haar omgekeerde Y=1/Z\underline Y = 1/\underline Z is de admittantie (siemens). Het reële deel van Z\underline Z is haar weerstand, het imaginaire deel haar reactantie.

Propositie 8.6 (Impedanties van R, L, C)

ZR=R,ZL=jLω,ZC=1jCω=jCω.\underline Z_R = R, \qquad \underline Z_L = jL\omega, \qquad \underline Z_C = \frac{1}{jC\omega} = -\frac{j}{C\omega} .

Een weerstand houdt spanning en stroom in fase; in een spoel loopt de spanning π/2\pi/2 voor op de stroom; in een condensator loopt zij π/2\pi/2 achter. Bij lage frequentie nadert een spoel een draad en een condensator een open keten; bij hoge frequentie andersom.

Bewijs. u=Riu = Ri; u=L ⁣di/ ⁣dtU=jLωIu = L\,\dd i/\dd t \to \underline U = jL\omega\,\underline I; i=C ⁣du/ ⁣dtI=jCωUi = C\,\dd u/\dd t \to \underline I = jC\omega\,\underline U. De argumenten van 11, jj en j-j zijn 00, π/2\pi/2, π/2-\pi/2.

Propositie 8.7 (Schakeling; delers; stellingen)

Impedanties in serie tellen op; admittanties parallel tellen op; de spannings- en stroomdelers, de stellingen van Thévenin en Norton, de superpositie en de stelling van Millman uit Hoofdstuk 6 gelden alle met complexe amplitudes en impedanties in plaats van reële spanningen, stromen en weerstanden.

Bewijs. Elk bewijs in Hoofdstuk 6 gebruikte alleen de wetten van Kirchhoff en de lineariteit van u=Riu = Ri, en beide gelden in complexe vorm.

Voorbeeld 8.8 (De RC-deler)

Een weerstand RR en een condensator CC in serie over E\underline E, met de uitgang over CC: UC=E1/jCωR+1/jCω=E1+jRCω\underline U_C = \underline E\,\dfrac{1/jC\omega} {R + 1/jC\omega} = \dfrac{\underline E}{1 + jRC\omega}. Amplitude E/1+(RCω)2E/\sqrt{1 + (RC\omega)^2}, fase arctan(RCω)-\arctan(RC\omega): volledige doorlating bij lage frequentie, 1/21/\sqrt2 en 45-45^\circ bij ω=1/RC\omega = 1/RC, en daarboven een daling als 1/ω1/\omega — een laagdoorlaatfilter, het onderwerp van Hoofdstuk 9.

8.3 De RLC-kring in serie: resonantie

Stelling 8.9 (Stroomresonantie)

Een weerstand RR, een spoel LL en een condensator CC in serie over e(t)=Ecosωte(t) = E\cos\omega t voeren de stroom met complexe amplitude

I=ER+j(Lω1Cω),I=ER2+(Lω1Cω)2,φi=arctanLω1/CωR.\underline I = \frac{E}{R + j\left(L\omega - \dfrac{1}{C\omega}\right)}, \qquad I = \frac{E}{\sqrt{R^2 + \left(L\omega - \dfrac{1}{C\omega}\right)^2}}, \qquad \varphi_i = -\arctan\frac{L\omega - 1/C\omega}{R} .

De amplitude is maximaal, Imax=E/RI_{\max} = E/R, met stroom en spanning in fase, bij de resonantie ω0=1/LC\omega_0 = 1/\sqrt{LC}. Met Q=Lω0/R=1/(RCω0)Q = L\omega_0/R = 1/(RC\omega_0) en x=ω/ω0x = \omega/\omega_0 geldt

IImax=11+Q2(x1x)2,\frac{I}{I_{\max}} = \frac{1}{\sqrt{1 + Q^2\left(x - \dfrac1x\right)^2}} ,

en de bandbreedte — het interval van ω\omega waarop IImax/2I \geq I_{\max}/\sqrt2 — bedraagt

Δω=ω2ω1=ω0Q=RL.\Delta\omega = \omega_2 - \omega_1 = \frac{\omega_0}{Q} = \frac{R}{L} .

Bewijs. Impedanties in serie tellen op: Z=R+jLω+1/jCω\underline Z = R + jL\omega + 1/jC\omega, en I=E/Z\underline I = \underline E/\underline Z. De modulus is het grootst wanneer de reactantie Lω1/CωL\omega - 1/C\omega verdwijnt, dus bij ω0\omega_0. Ontbind Lω1/Cω=Lω0(x1/x)L\omega - 1/C\omega = L\omega_0(x - 1/x) en deel door RR: Lω0/R=QL\omega_0/R = Q. Aan de randen van de band geldt Q(x1/x)=±1Q(x - 1/x) = \pm 1, dus x2x/Q1=0x^2 \mp x/Q - 1 = 0, waarvan de positieve wortels x1,2=12Q+1+14Q2x_{1,2} = \mp\frac{1}{2Q} + \sqrt{1 + \frac{1}{4Q^2}} zijn; hun verschil is 1/Q1/Q.

RLC in serie: amplitude van de stroom (links) en haar fase ten opzichte van de bron (rechts) tegen / _0, voor Q = 1, 3, 10. De piek wordt smaller naarmate Q groeit (= _0/Q); onder de resonantie is de kring capacitief (de stroom loopt voor), erboven inductief (de stroom loopt achter). RLC in serie: amplitude van de stroom (links) en haar fase ten opzichte van de bron (rechts) tegen / _0, voor Q = 1, 3, 10. De piek wordt smaller naarmate Q groeit (= _0/Q); onder de resonantie is de kring capacitief (de stroom loopt voor), erboven inductief (de stroom loopt achter).
RLC in serie: amplitude van de stroom (links) en haar fase ten opzichte van de bron (rechts) tegen ω/ω0\omega/\omega_0, voor Q=1,3,10Q = 1, 3, 10. De piek wordt smaller naarmate QQ groeit (Δω=ω0/Q\Delta\omega = \omega_0/Q); onder de resonantie is de kring capacitief (de stroom loopt voor), erboven inductief (de stroom loopt achter).
Fasordiagram van de RLC in serie boven de resonantie: U_R langs I, U_L een kwartslag vooruit, U_C een kwartslag achteruit; hun som E loopt op de stroom voor met . Bij resonantie heffen U_L en U_C elkaar op en is E = U_R.
Fasordiagram van de RLC in serie boven de resonantie: UR\underline U_R langs I\underline I, UL\underline U_L een kwartslag vooruit, UC\underline U_C een kwartslag achteruit; hun som E\underline E loopt op de stroom voor met φ\varphi. Bij resonantie heffen UL\underline U_L en UC\underline U_C elkaar op en is E=UR\underline E = \underline U_R.

Propositie 8.10 (Spanningsopslingering)

Bij resonantie hebben de spanningen over de spoel en de condensator dezelfde amplitude QEQE en tegengestelde fasen: voor Q1Q \gg 1 draagt de condensator een spanning die QQ keer groter is dan die van de bron. De amplitude UC(ω)U_C(\omega) zelf piekt, voor Q>1/2Q > 1/\sqrt2, bij ωr=ω011/2Q2\omega_r = \omega_0\sqrt{1 - 1/2Q^2}, iets onder ω0\omega_0, met UC,max=QE/11/4Q2U_{C,\max} = QE/\sqrt{1 - 1/4Q^2}.

Bewijs. Bij ω0\omega_0 is UC=I/jCω0=jQE\underline U_C = \underline I/jC\omega_0 = -jQE en UL=jLω0I=jQE\underline U_L = jL\omega_0\underline I = jQE, aangezien I=E/RI = E/R. In het algemeen is UC=I/Cω=E/(1x2)2+x2/Q2U_C = I/C\omega = E/\sqrt{(1 - x^2)^2 + x^2/Q^2} (vermenigvuldig teller en noemer met 1/Cω01/C\omega_0); het kwadraat van de noemer is (1x2)2+x2/Q2(1 - x^2)^2 + x^2/Q^2, kwadratisch in x2x^2 en minimaal bij x2=11/2Q2x^2 = 1 - 1/2Q^2 wanneer dat positief is, met minimum 1/Q21/4Q41/Q^2 - 1/4Q^4.

Voorbeeld 8.11 (Een radio afstemmen)

Een spoel L=200µHL = 200\,\text{µ}\mathrm{H} en een regelbare condensator: C=127pFC = 127\,\mathrm{pF} stemt af op f0=1.00MHzf_0 = 1.00\,\mathrm{MHz}. Met de draadweerstand van de spoel R=12.6ΩR = 12.6\,\Omega is Lω0=1257ΩL\omega_0 = 1257\,\Omega en Q=100Q = 100: bandbreedte Δf=f0/Q=10kHz\Delta f = f_0/Q = 10\,\mathrm{kHz} — de breedte van een AM-kanaal — en de 10µV10\,\text{µ}\mathrm{V} die een verre zender induceert wordt QE=1mVQE = 1\,\mathrm{mV} over de condensator, gratis en voor niets. De weekendopgave bouwt deze ontvanger.

Opmerking 8.12 (Waarom weer QQ)

De QQ van dit hoofdstuk is de QQ van Hoofdstuk 7: de kring die na een tik ongeveer QQ trillingen nagalmt, is dezelfde die over een band van ω0/Q\omega_0/Q breed resoneert wanneer zij wordt aangedreven. Beide drukken één verhouding uit: 2π2\pi maal de opgeslagen energie gedeeld door de per periode gedissipeerde energie (Oefening 8.12). Een scherpe resonantie en een lange nagalm zijn dezelfde eigenschap, en dat geldt ook voor de trage reactie: een filter met bandbreedte Δω\Delta\omega heeft een tijd van de orde 1/Δω1/\Delta\omega nodig om zich in te stellen.

8.4 Vermogen in het sinusoïdale regime

Definitie 8.13 (Effectieve waarde)

De effectieve waarde (rms) van een periodiek signaal x(t)x(t) is Xrms=x2X_{\mathrm{rms}} = \sqrt{\langle x^2\rangle}, de wortel uit het tijdgemiddelde van x2x^2 over een periode. Voor een sinus met amplitude XX is Xrms=X/2X_{\mathrm{rms}} = X/\sqrt2. De 230V230\,\mathrm{V} van het lichtnet is een effectieve waarde; de amplitude is 325V325\,\mathrm{V}.

Stelling 8.14 (Gemiddeld vermogen)

Een tweepool met u=Ucosωtu = U\cos\omega t en i=Icos(ωtφ)i = I\cos(\omega t - \varphi) (verbruikersconventie) ontvangt het ogenblikkelijke vermogen p=uip = ui, met gemiddelde

P=12UIcosφ=UrmsIrmscosφ=12Re ⁣(UI)=12Re(Z)I2,P = \tfrac12\,UI\cos\varphi = U_{\mathrm{rms}}I_{\mathrm{rms}}\cos\varphi = \tfrac12\Rea\!\big(\underline U\,\underline I^{\,*}\big) = \tfrac12\Rea(\underline Z)\,I^2,

waarin cosφ\cos\varphi de arbeidsfactor is. Een weerstand ontvangt 12RI2=RIrms2\tfrac12 RI^2 = RI_{\mathrm{rms}}^2; een ideale spoel of condensator (φ=±π/2\varphi = \pm\pi/2) ontvangt geen gemiddeld vermogen — zij slaat energie op gedurende een halve periode en geeft die in de andere helft terug.

Bewijs. p=UIcosωtcos(ωtφ)=12UI[cosφ+cos(2ωtφ)]p = UI\cos\omega t\cos(\omega t - \varphi) = \tfrac12 UI[\cos\varphi + \cos(2\omega t - \varphi)]; de tweede term middelt tot nul. Met U=U\underline U = U en I=Iejφ\underline I = I\eu^{-j\varphi} is UI=UIejφ\underline U\,\underline I^* = UI\eu^{j\varphi}, waarvan het reële deel UIcosφUI\cos\varphi is; en U=ZI\underline U = \underline Z\,\underline I geeft UI=ZI2\underline U\,\underline I^* = \underline Z I^2.

Ogenblikkelijk vermogen dat een tweepool ontvangt met 60 faseachterstand tussen stroom en spanning: het pulseert met 2, duikt onder nul (energie terug naar de bron) en middelt tot 1/2 UI — hier de helft van wat het in fase zou zijn.
Ogenblikkelijk vermogen dat een tweepool ontvangt met 6060^\circ faseachterstand tussen stroom en spanning: het pulseert met 2ω2\omega, duikt onder nul (energie terug naar de bron) en middelt tot 12UIcosφ\tfrac12 UI\cos\varphi — hier de helft van wat het in fase zou zijn.

Voorbeeld 8.15 (De arbeidsfactor verbeteren)

Een werkplaatsmotor op 230V230\,\mathrm{V} effectief neemt 2.0kW2.0\,\mathrm{kW} op met cosφ=0.70\cos\varphi = 0.70 (inductief): Irms=2000/(230×0.70)=12.4AI_{\mathrm{rms}} = 2000/(230 \times 0.70) = 12.4\,\mathrm{A}, tegen 8.7A8.7\,\mathrm{A} als de arbeidsfactor 11 was — de extra stroom verwarmt de kabels van het net voor niets, vandaar de boete. Een condensator parallel levert de energieschommelingen van de spoel ter plaatse per kwartperiode: het blindvermogen Ptanφ=2.0kvarP\tan\varphi = 2.0\,\mathrm{kvar} vraagt C=Ptanφ/(ωUrms2)120µFC = P\tan\varphi/(\omega U_{\mathrm{rms}}^2) \approx 120\,\text{µ}\mathrm{F} bij 50Hz50\,\mathrm{Hz}, en de netstroom zakt naar 8.7A8.7\,\mathrm{A}.

8.5 Oefeningen

Oefening 8.1

Geef de complexe amplitude van u=5cos(ωt+π/3)u = 5\cos(\omega t + \pi/3) (V), in polaire en in cartesische vorm. Schrijf met complexe amplitudes 3cosωt+4sinωt3\cos\omega t + 4\sin\omega t als één cosinus.

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.1.

U=5ejπ/3=2.5+4.33j\underline U = 5\eu^{j\pi/3} = 2.5 + 4.33j (V). 3cosωt+4sinωt3\cos\omega t + 4\sin\omega t: 3+4ejπ/2=34j3 + 4\eu^{-j\pi/2} = 3 - 4j, modulus 55, argument arctan(4/3)=0.927rad-\arctan(4/3) = -0.927\,\mathrm{rad}: 5cos(ωt0.927)5\cos(\omega t - 0.927).

Oefening 8.2

Bereken de impedantie van R=100ΩR = 100\,\Omega, L=0.10HL = 0.10\,\mathrm{H} en C=10µFC = 10\,\text{µ}\mathrm{F} bij 50Hz50\,\mathrm{Hz} en bij 1.0kHz1.0\,\mathrm{kHz}. Geef de modulus en de fase van de impedantie van RR en LL in serie bij 50Hz50\,\mathrm{Hz}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.2.

RR: 100Ω100\,\Omega bij beide. LωL\omega: 31.4Ω31.4\,\Omega (50Hz50\,\mathrm{Hz}), 628Ω628\,\Omega (1kHz1\,\mathrm{kHz}). 1/Cω1/C\omega: 318Ω318\,\Omega, 15.9Ω15.9\,\Omega. RLRL in serie bij 50Hz50\,\mathrm{Hz}: Z=1002+31.42=105Ω\abs{\underline Z} = \sqrt{100^2 + 31.4^2} = 105\,\Omega, fase arctan(0.314)=17\arctan(0.314) = 17^\circ.

Oefening 8.3

Het lichtnet is 230V230\,\mathrm{V} effectief: hoe groot is de amplitude? Een kachel van 2.0kW2.0\,\mathrm{kW}: effectieve en piekstroom. Toon aan dat het gemiddelde vermogen in een weerstand RIrms2RI_{\mathrm{rms}}^2 is.

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.3.

U=2302=325VU = 230\sqrt2 = 325\,\mathrm{V}. Irms=2000/230=8.7AI_{\mathrm{rms}} = 2000/230 = 8.7\,\mathrm{A}, piek 12.3A12.3\,\mathrm{A}. Ri2=Ri2=RIrms2\langle Ri^2\rangle = R\langle i^2\rangle = RI_{\mathrm{rms}}^2 volgens de definitie van de effectieve waarde.

Oefening 8.4

RLC in serie: L=10mHL = 10\,\mathrm{mH}, C=100nFC = 100\,\mathrm{nF}, R=100ΩR = 100\,\Omega, E=1.0VE = 1.0\,\mathrm{V}. Geef f0f_0, QQ, de bandbreedte in hertz en de stroomamplitude bij resonantie.

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.4.

f0=1/(2πLC)=5.03kHzf_0 = 1/(2\pi\sqrt{LC}) = 5.03\,\mathrm{kHz}; Q=L/C/R=3.16Q = \sqrt{L/C}/R = 3.16; Δf=f0/Q=1.6kHz\Delta f = f_0/Q = 1.6\,\mathrm{kHz}; Imax=E/R=10mAI_{\max} = E/R = 10\,\mathrm{mA}.

Oefening 8.5 ★★

RC-deler, uitgang over CC: R=1.0kΩR = 1.0\,\mathrm{k}\Omega, C=159nFC = 159\,\mathrm{nF}. Bij welke frequentie is de uitgang 1/21/\sqrt2 van de ingang? Geef de amplitudeverhouding en de fase bij 1.0kHz1.0\,\mathrm{kHz} en bij 10kHz10\,\mathrm{kHz}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.5.

1/21/\sqrt2 bij ω=1/RC\omega = 1/RC: fc=1/(2πRC)=1.0kHzf_c = 1/(2\pi RC) = 1.0\,\mathrm{kHz}. Bij 1.0kHz1.0\,\mathrm{kHz}: verhouding 0.710.71, fase 45-45^\circ. Bij 10kHz10\,\mathrm{kHz}: RCω=10RC\omega = 10, verhouding 1/101=0.101/\sqrt{101} = 0.10, fase 84-84^\circ.

Oefening 8.6 ★★

Bij een zekere frequentie heeft een RLC in serie R=100ΩR = 100\,\Omega, Lω=250ΩL\omega = 250\,\Omega, 1/Cω=100Ω1/C\omega = 100\,\Omega en E=1.0VE = 1.0\,\mathrm{V}. Bereken Z\underline Z, de amplitude en de fase van de stroom en de drie spanningsamplitudes; teken het fasordiagram. Zit de kring boven of onder de resonantie?

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.6.

Z=100+j(250100)=100+150j\underline Z = 100 + j(250 - 100) = 100 + 150j: Z=180ΩZ = 180\,\Omega, arg=56\arg = 56^\circ. I=1.0/180=5.6mAI = 1.0/180 = 5.6\,\mathrm{mA}, achterlopend op de bron met 5656^\circ. UR=0.56VU_R = 0.56\,\mathrm{V}, UL=1.39VU_L = 1.39\,\mathrm{V}, UC=0.56VU_C = 0.56\,\mathrm{V}; fasoren: URU_R langs II, ULU_L omhoog, UCU_C omlaag, resultante 1.0V1.0\,\mathrm{V}. Lω>1/CωL\omega > 1/C\omega: boven de resonantie (inductief).

Oefening 8.7 ★★

Radio: L=200µHL = 200\,\text{µ}\mathrm{H}, CC regelbaar van 5050\, tot 500pF500\,\mathrm{pF}. Bepaal het frequentiebereik, de capaciteit voor 1.00MHz1.00\,\mathrm{MHz}, en met Q=100Q = 100 de bandbreedte en de verzwakking (amplitudeverhouding) van een zender op 9kHz9\,\mathrm{kHz} afstand. Bij een antenne-emk van 10µV10\,\text{µ}\mathrm{V}: spanning over CC bij resonantie?

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.7.

f0=1/(2πLC)f_0 = 1/(2\pi\sqrt{LC}): 1.59MHz1.59\,\mathrm{MHz} (50pF50\,\mathrm{pF}) tot 0.50MHz0.50\,\mathrm{MHz} (500pF500\,\mathrm{pF}). Bij 1.00MHz1.00\,\mathrm{MHz}: C=1/(4π2f02L)=127pFC = 1/(4\pi^2f_0^2L) = 127\,\mathrm{pF}. Δf=10kHz\Delta f = 10\,\mathrm{kHz}. Zender op 1.009MHz1.009\,\mathrm{MHz}: x=1.009x = 1.009, Q(x1/x)=1.8Q(x - 1/x) = 1.8, verhouding 1/1+3.2=0.491/\sqrt{1 + 3.2} = 0.49. Condensatorspanning QE=1.0mVQE = 1.0\,\mathrm{mV}.

Oefening 8.8 ★★

Leid de twee halfvermogenfrequenties van de RLC in serie af en toon aan dat hun verschil ω0/Q\omega_0/Q is en hun product ω02\omega_0^2.

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.8.

Q(x1/x)=±1x2x/Q1=0Q(x - 1/x) = \pm1 \Leftrightarrow x^2 \mp x/Q - 1 = 0; positieve wortels x1,2=1/2Q+1+1/4Q2x_{1,2} = \mp 1/2Q + \sqrt{1 + 1/4Q^2}. Verschil 1/Q1/Q, dus Δω=ω0/Q\Delta\omega = \omega_0/Q; product (1+1/4Q2)1/4Q2=1(1 + 1/4Q^2) - 1/4Q^2 = 1, dus ω1ω2=ω02\omega_1\omega_2 = \omega_0^2 (de band ligt symmetrisch op een logaritmische schaal).

Oefening 8.9 ★★

Een motor op 230V230\,\mathrm{V} effectief, 50Hz50\,\mathrm{Hz}, neemt 2.0kW2.0\,\mathrm{kW} op met cosφ=0.70\cos\varphi = 0.70. Bereken de effectieve stroom, het blindvermogen, de capaciteit die er parallel voor zorgt dat de arbeidsfactor 11 wordt, en de nieuwe stroom. De voedingskabel heeft 0.50Ω0.50\,\Omega: joulewarmte ervóór en erna.

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.9.

I=P/(Ucosφ)=2000/(230×0.70)=12.4AI = P/(U\cos\varphi) = 2000/(230 \times 0.70) = 12.4\,\mathrm{A}. Blindvermogen Ptanφ=2000×1.02=2.0kvarP\tan\varphi = 2000 \times 1.02 = 2.0\,\mathrm{kvar}. C=2040/(314×2302)=123µFC = 2040/(314 \times 230^2) = 123\,\text{µ}\mathrm{F}. Nieuwe stroom 2000/230=8.7A2000/230 = 8.7\,\mathrm{A}. Verliezen 0.50×12.42=77W0.50 \times 12.4^2 = 77\,\mathrm{W} ervóór, 0.50×8.72=38W0.50 \times 8.7^2 = 38\,\mathrm{W} erna.

Oefening 8.10 ★★★

RLC parallel gevoed door een stroombron: schrijf de admittantie op, toon aan dat de spanning maximaal is bij ω0=1/LC\omega_0 = 1/\sqrt{LC} en daar gelijk is aan RIRI, en dat de bandbreedte Δω=1/RC\Delta\omega = 1/RC bedraagt, dus Q=RC/LQ = R\sqrt{C/L}. Getallen: R=10kΩR = 10\,\mathrm{k}\Omega, L=1.0mHL = 1.0\,\mathrm{mH}, C=1.0nFC = 1.0\,\mathrm{nF}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.10.

Y=1/R+j(Cω1/Lω)\underline Y = 1/R + j(C\omega - 1/L\omega); U=I/Y\underline U = \underline I/ \underline Y is maximaal wanneer de susceptantie verdwijnt, bij ω0\omega_0, waar U=RIU = RI. Halfvermogen: Cω1/Lω=1/R\abs{C\omega - 1/L\omega} = 1/R, dus RCω0(x1/x)=±1RC\omega_0(x - 1/x) = \pm1: Δω=ω0/(RCω0)=1/RC\Delta\omega = \omega_0/(RC\omega_0) = 1/RC en Q=RCω0=RC/LQ = RC\omega_0 = R\sqrt{C/L}. Getallen: ω0=1.0×106rad/s\omega_0 = 1.0 \times 10^{6}\,\mathrm{rad}/\mathrm{s} (f0=159kHzf_0 = 159\,\mathrm{kHz}), Q=104106=10Q = 10^4\sqrt{10^{-6}} = 10, Δf=16kHz\Delta f = 16\,\mathrm{kHz}.

Oefening 8.11 ★★★

Toon aan dat de condensatorspanning van een RLC in serie UC=E/(1x2)2+x2/Q2U_C = E/\sqrt{(1 - x^2)^2 + x^2/Q^2} is, dat zij piekt bij xr=11/2Q2x_r = \sqrt{1 - 1/2Q^2} als Q>1/2Q > 1/\sqrt2, en bereken xrx_r en UC,max/EU_{C,\max}/E voor Q=3.16Q = 3.16. Wat gebeurt er voor Q<1/2Q < 1/\sqrt2?

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.11.

UC=I/Cω=E/[CωR2+(Lω1/Cω)2]U_C = I/C\omega = E/[C\omega\sqrt{R^2 + (L\omega - 1/C\omega)^2}]. Vermenigvuldig binnenin met CωC\omega: de noemer wordt (RCω)2+(LCω21)2=x2/Q2+(1x2)2\sqrt{(RC\omega)^2 + (LC\omega^2 - 1)^2} = \sqrt{x^2/Q^2 + (1 - x^2)^2}. Met s=x2s = x^2 is (1s)2+s/Q2(1 - s)^2 + s/Q^2 minimaal bij s=11/2Q2s = 1 - 1/2Q^2 (als dat positief is), met minimum 1/Q21/4Q41/Q^2 - 1/4Q^4: UC,max=QE/11/4Q2U_{C,\max} = QE/\sqrt{1 - 1/4Q^2}. Voor Q=3.16Q = 3.16: xr=0.975x_r = 0.975, UC,max=3.2EU_{C,\max} = 3.2E. Voor Q<1/2Q < 1/\sqrt2 ligt het minimum bij s=0s = 0: UCU_C daalt monotoon vanaf EE, zonder piek.

Oefening 8.12 ★★★

Toon aan dat bij resonantie van een RLC in serie de totale opgeslagen energie 12Li2+12CuC2\tfrac12 Li^2 + \tfrac12 Cu_C^2 constant en gelijk aan 12LI2\tfrac12 LI^2 is, bereken de per periode in RR gedissipeerde energie en bewijs dat 2π(opgeslagen)/(gedissipeerd per periode)=Q2\pi\,(\text{opgeslagen})/(\text{gedissipeerd per periode}) = Q.

Oplossing

Oplossing van Oefening 8.12.

Bij resonantie is i=Icosω0ti = I\cos\omega_0 t en uC=(I/Cω0)sinω0tu_C = (I/C\omega_0)\sin\omega_0 t, zodat, met 1/Cω02=L1/C\omega_0^2 = L,

12Li2+12CuC2=12LI2cos2ω0t+12LI2sin2ω0t=12LI2.\tfrac12 Li^2 + \tfrac12 Cu_C^2 = \tfrac12 LI^2\cos^2\omega_0 t + \tfrac12 LI^2\sin^2\omega_0 t = \tfrac12 LI^2 .

Per periode gedissipeerd: 12RI2T\tfrac12 RI^2T. De verhouding ×2π\times 2\pi: 2πL/(RT)=Lω0/R=Q2\pi L/(RT) = L\omega_0/R = Q.

Een buizenradio afstemmen: aan de knop draaien verandert een condensator, de condensator bepaalt de resonantiefrequentie van een LC-kring, en de zender waarvan de frequentie past is de zender die je hoort — de weekendopgave.
Een buizenradio afstemmen: aan de knop draaien verandert een condensator, de condensator bepaalt de resonantiefrequentie van een LCLC-kring, en de zender waarvan de frequentie past is de zender die je hoort — de weekendopgave.

8.6 Probleem: De resonante radio-ontvanger

Probleem 8.1

Weekendopgave — een spoel, een regelbare condensator en een antenne: hoe een serieresonantie één zender uit honderd oppikt, haar zwakke signaal met honderd vermenigvuldigt, en waarom zij niet willekeurig selectief kan worden gemaakt

De antenne wordt gemodelleerd als een ideale sinusvormige emk e(t)=Ecosωte(t) = E\cos\omega t in serie met een spoel L=200µHL = 200\,\text{µ}\mathrm{H}, waarvan de draad weerstand R=12.6ΩR = 12.6\,\Omega heeft, en een regelbare condensator CC. De ontvanger leest de spanning over CC. Later (deel IV) wordt de eigen weerstand Ra=50ΩR_a = 50\,\Omega van de antenne meegerekend.

Deel I — De resonante stroom.

  1. Schrijf de complexe impedantie van de serieschakeling op.
  2. Geef de complexe amplitude van de stroom, dan haar amplitude I(ω)I(\omega) en haar fase φi(ω)\varphi_i(\omega) ten opzichte van ee.
  3. Toon aan dat II maximaal is bij ω0=1/LC\omega_0 = 1/\sqrt{LC}; geef ImaxI_{\max} en de fase op dat moment.
  4. Welke capaciteit stemt af op f0=1.000MHzf_0 = 1.000\,\mathrm{MHz}? Bereken Lω0L\omega_0.
  5. Definieer Q=Lω0/RQ = L\omega_0/R en bereken het.
  6. Toon aan dat I/Imax=1/1+Q2(x1/x)2I/I_{\max} = 1/\sqrt{1 + Q^2(x - 1/x)^2} met x=ω/ω0x = \omega/\omega_0.
  7. Geef het teken van φi\varphi_i onder en boven de resonantie en duid het (capacitief of inductief gedrag).

Deel II — Selectiviteit.

  1. Schrijf de voorwaarde op die de twee frequenties bepaalt waarbij I=Imax/2I = I_{\max}/\sqrt2.
  2. Los haar op en toon aan dat Δω=ω2ω1=ω0/Q\Delta\omega = \omega_2 - \omega_1 = \omega_0/Q.
  3. Bereken de bandbreedte Δf\Delta f van deze ontvanger.
  4. Een tweede zender zendt uit op 1.010MHz1.010\,\mathrm{MHz}, een derde op 1.020MHz1.020\,\mathrm{MHz}: bereken de amplitudeverhouding I/ImaxI/I_{\max} voor elk, en de bijbehorende vermogensverhouding in decibel.
  5. AM-zenders liggen 99\, tot 10kHz10\,\mathrm{kHz} uit elkaar. Is de ontvanger selectief genoeg? Wat zou hem verbeteren?
  6. De condensator kan tussen 5050\, en 500pF500\,\mathrm{pF} worden gezet: welke frequentieband bestrijkt de ontvanger?

Deel III — Spanningsopslingering.

  1. Druk de complexe amplitude van de condensatorspanning uit en toon aan dat haar amplitude bij resonantie QEQE is.
  2. De emk van de antenne is E=10µVE = 10\,\text{µ}\mathrm{V}: bereken ImaxI_{\max} en de condensatorspanning bij resonantie. Becommentarieer.
  3. Toon aan dat de spoelspanning bij resonantie dezelfde amplitude heeft en in tegenfase is met de condensatorspanning: wat “ziet” de bron?
  4. Bereken de energie die bij resonantie in de kring is opgeslagen en de energie die per periode wordt gedissipeerd; ga na dat hun verhouding maal 2π2\pi gelijk is aan QQ.
  5. Wat is, volgens Hoofdstuk 7, de tijdconstante τ=2Q/ω0\tau = 2Q/\omega_0 van deze kring? Waarom vervormt een zeer hoge QQ uiteindelijk spraak en muziek (bandbreedte van audio: ongeveer 5kHz5\,\mathrm{kHz} voor AM)?
  6. Als de draadweerstand van de spoel verdubbelde (dunner draad), hoe zouden QQ, de bandbreedte en de condensatorspanning dan veranderen?

Deel IV — De weerstand van de antenne, en het vermogen.

  1. Herbereken met Ra=50ΩR_a = 50\,\Omega in serie de waarde van QQ, de bandbreedte en de condensatorspanning voor E=10µVE = 10\,\text{µ}\mathrm{V}. Trek een conclusie.
  2. Bereken het gemiddelde vermogen dat de emk van de antenne bij resonantie levert en de fractie die in RaR_a wordt gedissipeerd.
  3. De stelling van het maximale vermogen zou een belastingsweerstand vragen die gelijk is aan RaR_a: waarom botst dat doel met de selectiviteit?
  4. Werkelijke ontvangers verbinden de antenne met een aftakking op de spoel, of via een kleine koppelcondensator. Leg kwalitatief uit wat dat oplevert.
  5. Bereken met P=12UIcosφP = \tfrac12 UI\cos\varphi de arbeidsfactor bij de twee halfvermogenfrequenties en verklaar de naam “halfvermogen”.
  6. Vat het ontwerp samen: wat QQ oplevert, wat het kost, en de waarde die voor een ontvanger op 1MHz1\,\mathrm{MHz} met kanalen van 10kHz10\,\mathrm{kHz} wordt gekozen.
Oplossing

Oplossing van Probleem 8.1.

1. Z=R+j(Lω1/Cω)\underline Z = R + j(L\omega - 1/C\omega).

2. I=E/Z\underline I = E/\underline Z; I=E/R2+(Lω1/Cω)2I = E/\sqrt{R^2 + (L\omega - 1/C\omega)^2}; φi=arctan[(Lω1/Cω)/R]\varphi_i = -\arctan[(L\omega - 1/C\omega)/R].

3. De reactantie verdwijnt bij ω0=1/LC\omega_0 = 1/\sqrt{LC}: Imax=E/RI_{\max} = E/R, φi=0\varphi_i = 0.

4. C=1/(4π2f02L)=127pFC = 1/(4\pi^2f_0^2L) = 127\,\mathrm{pF}; Lω0=2×104×6.28×106=1257ΩL\omega_0 = 2\times10^{-4} \times 6.28\times10^6 = 1257\,\Omega.

5. Q=1257/12.6=100Q = 1257/12.6 = 100.

6. Lω1/Cω=Lω0(x1/x)L\omega - 1/C\omega = L\omega_0(x - 1/x), deel door RR.

7. x<1x < 1: reactantie negatief, φi>0\varphi_i > 0, de stroom loopt voor (capacitief); x>1x > 1: loopt achter (inductief).

8. Q(x1/x)=±1Q(x - 1/x) = \pm1.

9. x2x/Q1=0x^2 \mp x/Q - 1 = 0, x1,2=1/2Q+1+1/4Q2x_{1,2} = \mp1/2Q + \sqrt{1 + 1/4Q^2}, x2x1=1/Qx_2 - x_1 = 1/Q: Δω=ω0/Q\Delta\omega = \omega_0/Q.

10. Δf=10kHz\Delta f = 10\,\mathrm{kHz}.

11. 1.010MHz1.010\,\mathrm{MHz}: Q(x1/x)=100×0.0199=2.0Q(x - 1/x) = 100 \times 0.0199 = 2.0, verhouding 1/5.0=0.451/\sqrt{5.0} = 0.45, vermogen 0.200.20: 7dB-7\,\mathrm{dB}. 1.020MHz1.020\,\mathrm{MHz}: 3.963.96, verhouding 0.250.25, vermogen 0.060.06: 12dB-12\,\mathrm{dB}.

12. Op het randje: de buur ligt maar 7dB7\,\mathrm{dB} lager. Een hogere QQ (lagere RR), of meerdere afgestemde trappen in cascade, scherpt de selectie aan.

13. 0.50MHz0.50\,\mathrm{MHz} tot 1.59MHz1.59\,\mathrm{MHz}: de AM-band.

14. UC=I/jCω\underline U_C = \underline I/jC\omega; bij ω0\omega_0 is UC=Imax/Cω0=E/(RCω0)=QEU_C = I_{\max}/C\omega_0 = E/(RC\omega_0) = QE.

15. Imax=105/12.6=0.79µAI_{\max} = 10^{-5}/12.6 = 0.79\,\text{µ}\mathrm{A}; UC=QE=1.0mVU_C = QE = 1.0\,\mathrm{mV}: een honderdvoudige spanningswinst zonder versterker.

16. UL=jLω0I=jQE\underline U_L = jL\omega_0\underline I = jQE, UC=jQE\underline U_C = -jQE: even groot en tegengesteld, zij heffen elkaar op; de bron ziet alleen RR.

17. Opgeslagen 12LImax2=6.2×1017J\tfrac12 LI_{\max}^2 = 6.2 \times 10^{-17}\,\mathrm{J}; per periode gedissipeerd 12RImax2T=3.9×1018J\tfrac12 RI_{\max}^2T = 3.9 \times 10^{-18}\,\mathrm{J}; 2π×6.2/0.39100=Q2\pi \times 6.2/0.39 \approx 100 = Q.

18. τ=2Q/ω0=32µs\tau = 2Q/\omega_0 = 32\,\text{µ}\mathrm{s}. De kring kan veranderingen sneller dan τ\sim\tau niet volgen: een bandbreedte Δf\Delta f laat alleen modulaties door die trager zijn dan Δf\Delta f; met Q=1000Q = 1000 is Δf=1kHz\Delta f = 1\,\mathrm{kHz} en zouden de hoge tonen van het programma verloren gaan.

19. QQ halveert tot 5050, Δf\Delta f verdubbelt tot 20kHz20\,\mathrm{kHz}, UCU_C halveert tot 0.5mV0.5\,\mathrm{mV}.

20. Rtot=62.6ΩR_{\text{tot}} = 62.6\,\Omega: Q=1257/62.6=20Q = 1257/62.6 = 20, Δf=50kHz\Delta f = 50\,\mathrm{kHz}, UC=20×10µV=0.2mVU_C = 20 \times 10\,\text{µ}\mathrm{V} = 0.2\,\mathrm{mV}: gevoeligheid en selectiviteit storten allebei in.

21. P=E2/(2Rtot)=1010/125=8×1013WP = E^2/(2R_{\text{tot}}) = 10^{-10}/125 = 8 \times 10^{-13}\,\mathrm{W}; fractie in RaR_a: 50/62.6=80%50/62.6 = 80\%.

22. Aanpassing vraagt een belastingsweerstand gelijk aan RaR_a, dus een grote totale weerstand; selectiviteit vraagt de kleinst mogelijke totale weerstand (Q=Lω0/RtotQ = L\omega_0/R_{\text{tot}}). Met een rechtstreekse verbinding kan men niet allebei hebben.

23. Een aftakking of een kleine koppelcondensator biedt de antenne maar een deel van de resonantiekring aan: de kring “ziet” de weerstand van de antenne sterk verkleind, zodat QQ hoog blijft, terwijl de antenne toch dicht bij haar optimum vermogen levert.

24. Bij de halfvermogenfrequenties is de reactantie gelijk aan ±R\pm R, dus φ=±45\varphi = \pm45^\circ en cosφ=1/2\cos\varphi = 1/\sqrt2; omdat ook I=Imax/2I = I_{\max}/\sqrt2, is P=12EIcosφP = \tfrac12 EI\cos\varphi de helft van zijn waarde bij resonantie.

25. QQ vermenigvuldigt het signaal met QQ en versmalt de band tot f0/Qf_0/Q, ten koste van een tragere reactie (τ=2Q/ω0\tau = 2Q/\omega_0) en een kwetsbare koppeling met de antenne; voor kanalen van 10kHz10\,\mathrm{kHz} bij 1MHz1\,\mathrm{MHz} is Q100Q \approx 100 het getal — en de antenne moet er licht aan gekoppeld worden om het te behouden.

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 393 begrippen in de begrippenlijst