Physics · Boek 4 · Bachelor Year 2

Universitaire natuurkunde — jaar 2

Universitaire natuurkunde — jaar 2 · Bachelor Year 2

29De boltzmannfactor

Beklim een berg en de lucht wordt ijler: op drieduizend meter is de druk tot 0.7bar0.7\,\mathrm{bar} gezakt, op de top van de Everest tot een derde van haar waarde op zeeniveau. Niets houdt de dampkring van bovenaf tegen; hij wordt door de zwaartekracht vastgehouden en door de warmtebeweging uitgespreid, en het compromis tussen die twee is een exponentiële, nemgz/kBTn \propto \eu^{-mgz/k_BT} — de verhouding van de potentiële energie van een molecuul tot kBTk_BT beslist hoe zeldzaam het daarboven is. Dezelfde exponentiële beheerst het deel van de atomen in een aangeslagen niveau, het aantal moleculen dat snel genoeg is om een planeet te ontvluchten, de magnetisatie van een paramagneet, de bevolkingen die een laser moet inverteren, en de quanta die de wet van Planck telt: het is de boltzmannfactor, de nuttigste formule van de statistische fysica. Dit hoofdstuk motiveert hem met de dampkring, formuleert hem in het algemeen, en leidt eruit af, met niets dan sommen en gaussische integralen, het tweeniveaustelsel en zijn warmtecapaciteit, de gelijke verdeling van de energie, de verdeling van de molecuulsnelheden en de wet van Curie voor het paramagnetisme — onderweg ook de gemiddelde energie van een kwantumoscillator, die de formule van Planck is.

Vanaf een top de nevel van de lagere dampkring en het diepe blauw daarboven: de dichtheid van de lucht daalt om de 8\, km met een factor  — de boltzmannfactor van de potentiële energie van een molecuul in de zwaartekracht van de aarde.
Vanaf een top de nevel van de lagere dampkring en het diepe blauw daarboven: de dichtheid van de lucht daalt om de 8km8\,\mathrm{km} met een factor e\eu — de boltzmannfactor van de potentiële energie van een molecuul in de zwaartekracht van de aarde.

29.1 De isotherme dampkring

Propositie 29.1 (Barometrische wet)

In een dampkring van volmaakt gas (molecuulmassa mm) op gelijkmatige temperatuur TT in de gelijkmatige zwaartekracht gg dalen de druk en de aantalsdichtheid exponentieel met de hoogte:

P(z)=P0ez/H,n(z)=n0emgz/kBT,H=kBTmg,P(z) = P_0\,\eu^{-z/H}, \qquad n(z) = n_0\,\eu^{-mgz/k_BT}, \qquad H = \frac{k_BT}{mg} ,

met de schaalhoogte H8.4kmH \approx 8.4\,\mathrm{km} voor lucht bij 288K288\,\mathrm{K}. De exponent is de verhouding van de potentiële energie mgzmgz van een molecuul tot de warmte-energie kBTk_BT.

Bewijs. Hydrostatica,  ⁣dP/ ⁣dz=ρg=nmg\dd P/\dd z = -\rho g = -nmg, en de wet van het volmaakte gas P=nkBTP = nk_BT:  ⁣dP/ ⁣dz=(mg/kBT)P\dd P/\dd z = -(mg/k_BT)P, een exponentiële. De werkelijke dampkring koelt af met de hoogte (ongeveer 6.5K/km6.5\,\mathrm{K}/\mathrm{km} in de onderste tien kilometer), wat de daling wat sneller maakt; het isotherme model klopt tot op 20%20\%.

De isotherme dampkring: druk en dichtheid dalen met 1/ om de schaalhoogte H = k_BT/mg; een lichter gas zou een grotere H hebben — maar onder 100\, km houdt turbulentie de lucht gemengd, en alle gassen delen de gemiddelde H.
De isotherme dampkring: druk en dichtheid dalen met 1/e1/\eu om de schaalhoogte H=kBT/mgH = k_BT/mg; een lichter gas zou een grotere HH hebben — maar onder 100km100\,\mathrm{km} houdt turbulentie de lucht gemengd, en alle gassen delen de gemiddelde HH.

29.2 De boltzmannfactor

Stelling 29.2 (Boltzmannfactor)

Een systeem in warmte-evenwicht met een thermostaat op de temperatuur TT wordt in een gegeven microscopische toestand met energie EE aangetroffen met een kans evenredig met

eE/kBT.\eu^{-E/k_BT} .

Dus geldt voor een stel afzonderlijke toestanden met energieën EiE_i

pi=eEi/kBTZ,Z=ieEi/kBT,p_i = \frac{\eu^{-E_i/k_BT}}{Z}, \qquad Z = \sum_i\eu^{-E_i/k_BT} ,

waarbij de som ZZ (de toestandssom) de kansen normeert; twee toestanden (of twee niveaus met gelijke ontaarding) zijn bevolkt in de verhouding N2/N1=e(E2E1)/kBTN_2/N_1 = \eu^{-(E_2 - E_1)/k_BT}; en voor een continue veranderlijke (een plaats, een snelheid) is de kansdichtheid evenredig met eE/kBT\eu^{-E/k_BT} in die veranderlijke. Bij 300K300\,\mathrm{K} is kBT=4.1×1021J=0.026eVk_BT = 4.1 \times 10^{-21}\,\mathrm{J} = 0.026\,\mathrm{eV}: alles wat veel meer kost dan dat is zeldzaam, alles wat veel minder kost wordt vrijelijk aangeslagen.

Bewijs. De barometrische wet is de factor voor de potentiële energie mgzmgz; wij nemen zijn algemeenheid aan, maar hier is het argument (in het volume van jaar 3 streng gemaakt). De thermostaat RR is groot; wanneer ons kleine systeem in een toestand met energie EE is, heeft de thermostaat de energie EtotEE_{\text{tot}} - E, en kan hij in ΩR(EtotE)\Omega_R(E_{\text{tot}} - E) microscopische toestanden zijn, alle even waarschijnlijk (het grondpostulaat voor een geïsoleerd geheel). Dus is p(E)ΩR(EtotE)p(E) \propto \Omega_R(E_{\text{tot}} - E). Met de definitie van Boltzmann voor de entropie, SR=kBlnΩRS_R = k_B\ln\Omega_R, en 1/T= ⁣dSR/ ⁣dER1/T = \dd S_R/\dd E_R voor de thermostaat, is lnΩR(EtotE)lnΩR(Etot)E/kBT\ln\Omega_R(E_{\text{tot}} - E) \approx \ln\Omega_R(E_{\text{tot}}) - E/k_BT omdat EEtotE \ll E_{\text{tot}}; neem de exponentiële.

Voorbeeld 29.3 (Bevolkingen van atoomniveaus)

Het eerste aangeslagen niveau van waterstof ligt 10.2eV10.2\,\mathrm{eV} boven de grondtoestand: bij 300K300\,\mathrm{K} e395\eu^{-395} — geen enkel atoom in het heelal; bij 6000K6000\,\mathrm{K}, het zonneoppervlak, e19.73×109\eu^{-19.7} \approx 3 \times 10^{-9} (maal een ontaarding 44): genoeg, in de reusachtige gaskolom van de zon, voor de balmerabsorptielijnen, die het sterkst zijn in sterren nabij 10000K10\,000\,\mathrm{K}. De D-lijn van natrium (2.1eV2.1\,\mathrm{eV}) in een vlam van 2500K2500\,\mathrm{K}: e9.8=6×105\eu^{-9.8} = 6 \times 10^{-5} van de atomen is aangeslagen, wat de gele vlam van een snuifje zout geeft. En het lasermidden van Hoofdstuk 23: de factor zegt dat zijn bovenste niveau in evenwicht leeg is, en de pomp moet daartegen vechten.

29.3 Afzonderlijke niveaus: het tweeniveaustelsel en de oscillator

Propositie 29.4 (Gemiddelde energie uit de toestandssom)

Met β=1/kBT\beta = 1/k_BT geldt

E=ipiEi=lnZβ,C= ⁣dE ⁣dT.\langle E\rangle = \sum_ip_iE_i = -\frac{\partial\ln Z}{\partial\beta}, \qquad C = \frac{\dd\langle E\rangle}{\dd T} .

Bewijs. βZ=EieβEi\partial_\beta Z = -\sum E_i\eu^{-\beta E_i}, deel door ZZ.

Propositie 29.5 (Tweeniveaustelsel)

NN onafhankelijke stelsels met twee niveaus 00 en ε\varepsilon (spins in een veld, atomen met één aangeslagen niveau, defecten met twee standen):

N2N=1eε/kBT+1,E=Nεeε/kBT+1,C=NkBx2ex(ex+1)2,x=εkBT.\frac{N_2}{N} = \frac{1}{\eu^{\varepsilon/k_BT} + 1}, \qquad \langle E\rangle = \frac{N\varepsilon}{\eu^{\varepsilon/k_BT} + 1}, \qquad C = Nk_B\,\frac{x^2\eu^x}{(\eu^x + 1)^2}, \quad x = \frac{\varepsilon}{k_BT} .

Het bovenste niveau is leeg bij lage temperatuur en hoogstens halfgevuld bij hoge temperatuur (in evenwicht nooit geïnverteerd); de warmtecapaciteit verdwijnt aan beide uiteinden en piekt bij 0.44NkB0.44\,Nk_B nabij kBT=0.42εk_BT = 0.42 \varepsilon — de schottkyanomalie, het kenmerk van een kloof in het spectrum.

Bewijs. Z=1+exZ = 1 + \eu^{-x}; p2=ex/(1+ex)p_2 = \eu^{-x}/(1 + \eu^{-x}); differentieer E\langle E\rangle naar TT.

Het tweeniveaustelsel: bevolkingen tegen de temperatuur (het bovenste niveau vult zich tot een half, nooit verder) en de schottkywarmtecapaciteit, een bult waar k_BT bij de kloof past.
Het tweeniveaustelsel: bevolkingen tegen de temperatuur (het bovenste niveau vult zich tot een half, nooit verder) en de schottkywarmtecapaciteit, een bult waar kBTk_BT bij de kloof past.

Propositie 29.6 (De kwantumoscillator en de formule van Planck)

Een harmonische oscillator met frequentie ν\nu heeft de niveaus En=nhνE_n = nh\nu (op een constante na); bij temperatuur TT geldt

Z=11ehν/kBT,E=hνehν/kBT1  {kBT(hνkBT),hνehν/kBT(hνkBT).Z = \frac{1}{1 - \eu^{-h\nu/k_BT}}, \qquad \langle E\rangle = \frac{h\nu}{\eu^{h\nu/k_BT} - 1} \ \longrightarrow\ \begin{cases} k_BT & (h\nu \ll k_BT), \\ h\nu\,\eu^{-h\nu/k_BT} & (h\nu \gg k_BT). \end{cases}

Dit is de gemiddelde energie van een mode van het stralingsveld die de wet van Planck (Hoofdstuk 26) met het aantal modes vermenigvuldigt, en de gemiddelde energie van een trilling in een vaste stof: bij hoge temperatuur de klassieke kBTk_BT, bij lage temperatuur een bevroren mode.

Bewijs. Meetkundige reeks, dan βlnZ-\partial_\beta\ln Z.

Voorbeeld 29.7 (Warmtecapaciteit van vaste stoffen)

Behandel elk atoom van een vaste stof als drie oscillatoren met dezelfde frequentie ν\nu (Einstein, 1907): C=3NkBx2ex/(ex1)2C = 3Nk_B\,x^2\eu^x/(\eu^x - 1)^2 met x=hν/kBTx = h\nu/k_BT. Boven θE=hν/kB\theta_{\text{E}} = h\nu/k_B gaat C3NkB=3RC \to 3Nk_B = 3R per mol — de wet van Dulong en Petit (25J/mol/K25\,\mathrm{J}/\mathrm{mol}/\mathrm{K}), gevolgd door lood, koper en ijzer bij kamertemperatuur; ver daaronder stort CC in. Diamant (θE1300K\theta_{\text{E}} \approx 1300\,\mathrm{K}) heeft bij 300K300\,\mathrm{K} maar 6J/mol/K6\,\mathrm{J}/\mathrm{mol}/\mathrm{K}, wat de klassieke natuurkunde niet kon verklaren, en de warmtecapaciteit van elke vaste stof verdwijnt bij lage temperatuur — het eerste succes van het kwantum buiten de straling.

29.4 Gelijke verdeling en de verdeling van Maxwell

Stelling 29.8 (Gelijke verdeling van de energie)

Elke veranderlijke qq die kwadratisch in de energie voorkomt, E=aq2+E = aq^2 + \dots, en die alle reële waarden doorloopt, draagt 12kBT\tfrac12k_BT bij aan de gemiddelde energie in evenwicht:

aq2=12kBT.\langle aq^2\rangle = \tfrac12k_BT .

Een eenatomig gas (drie translaties) heeft U=32NkBTU = \tfrac32Nk_BT en CV=32RC_V = \tfrac32R per mol; een tweeatomig gas voegt twee rotaties toe, CV=52RC_V = \tfrac52R, en zijn trilling (twee kwadratische termen, maar gekwantiseerd met hνkBTh\nu \gg k_BT bij kamertemperatuur) blijft bevroren tot enkele duizenden kelvin.

Bewijs. De kansdichtheid in qq is eaq2/kBT\propto\eu^{-aq^2/k_BT}, een gaussische:

aq2=aq2eaq2/kBT ⁣dqeaq2/kBT ⁣dq=12kBT\langle aq^2\rangle = \frac{\int aq^2\,\eu^{-aq^2/k_BT}\,\dd q}{\int\eu^{-aq^2/k_BT}\,\dd q} = \tfrac12k_BT

(differentieer eλq2 ⁣dq=π/λ\int\eu^{-\lambda q^2}\dd q = \sqrt{\pi/\lambda} naar λ\lambda). De uitkomst vergt het continuüm: wanneer de niveaus verder dan kBTk_BT uit elkaar liggen, bevriest de factor de veranderlijke, zoals bij de oscillator hierboven.

Stelling 29.9 (Snelheidsverdeling van Maxwell)

In een gas op TT zijn de snelheidscomponenten onafhankelijke gaussische verdelingen met variantie kBT/mk_BT/m, en de snelheid v=vv = |\vect v| heeft de kansdichtheid

f(v)=4π(m2πkBT)3/2v2emv2/2kBT,f(v) = 4\pi\Big(\frac{m}{2\pi k_BT}\Big)^{3/2}v^2\,\eu^{-mv^2/2k_BT} ,

met de meest waarschijnlijke, de gemiddelde en de kwadratisch gemiddelde snelheid

vp=2kBTm,v=8kBTπm,vrms=3kBTm,v_{\text{p}} = \sqrt{\frac{2k_BT}{m}}, \qquad \langle v\rangle = \sqrt{\frac{8k_BT}{\pi m}}, \qquad v_{\text{rms}} = \sqrt{\frac{3k_BT}{m}} ,

in de verhoudingen 1:1.13:1.221 : 1.13 : 1.22. Voor stikstof bij 300K300\,\mathrm{K}: 422422\,, 476476\,, 517m/s517\,\mathrm{m}/\mathrm{s}; voor waterstof 3.73.7 keer meer; de staart van de verdeling, emv2/2kBT\propto\eu^{-mv^2/2k_BT}, is wat de snelste moleculen laat verdampen, reageren of een planeet verlaten.

Bewijs. De kinetische energie 12m(vx2+vy2+vz2)\tfrac12m(v_x^2 + v_y^2 + v_z^2) geeft een factor emvx2/2kBTemvy2/2kBTemvz2/2kBT\eu^{-mv_x^2/2k_BT}\eu^{-mv_y^2/2k_BT}\eu^{-mv_z^2/2k_BT}: drie onafhankelijke gaussische verdelingen, elk genormeerd door m/2πkBT\sqrt{m/2\pi k_BT}. De snelheidsverdeling verzamelt alle snelheden in de schil met straal vv en volume 4πv2 ⁣dv4\pi v^2\dd v. Dan volgt vpv_{\text{p}} uit  ⁣df/ ⁣dv=0\dd f/\dd v = 0, en de momenten uit 0v3eav2 ⁣dv=1/2a2\int_0^\infty v^3\eu^{-av^2}\dd v = 1/2a^2, 0v4eav2 ⁣dv=38π/a5\int_0^\infty v^4\eu^{-av^2}\dd v = \tfrac38\sqrt{\pi/a^5}; vrmsv_{\text{rms}} volgt ook uit de gelijke verdeling, 12mv2=32kBT\tfrac12m\langle v^2\rangle = \tfrac32k_BT.

De snelheidsverdeling van Maxwell voor stikstof bij drie temperaturen: de piek verschuift als √ T, de kromme wordt breder, en de staart bij hoge snelheid groeit het snelst van al — de staart die ontsnapping en reactiesnelheden bepaalt.
De snelheidsverdeling van Maxwell voor stikstof bij drie temperaturen: de piek verschuift als T\sqrt T, de kromme wordt breder, en de staart bij hoge snelheid groeit het snelst van al — de staart die ontsnapping en reactiesnelheden bepaalt.

Voorbeeld 29.10 (Wie de planeet verlaat)

De ontsnappingssnelheid van de aarde is 11.2km/s11.2\,\mathrm{km}/\mathrm{s}. In de exosfeer, nabij 1000K1000\,\mathrm{K}, heeft helium vp=2.0km/sv_{\text{p}} = 2.0\,\mathrm{km}/\mathrm{s}: het deel van de atomen boven de ontsnappingssnelheid is van de orde e(11.2/2.0)2=e311013\eu^{-(11.2/2.0)^2} = \eu^{-31} \approx 10^{-13} — klein, maar bij elke botsing vernieuwd, miljarden jaren lang: helium lekt weg, en zijn aandeel in de lucht is maar 5ppm5\,\mathrm{ppm} ondanks zijn gestage aanmaak door radioactief verval. Voor stikstof is de exponent zeven keer groter, e220\eu^{-220}: stikstof blijft. Op de maan (vontsn=2.4km/sv_{\text{ontsn}} = 2.4\,\mathrm{km}/\mathrm{s}) heeft zelfs stikstof bij 400K400\,\mathrm{K} (vp=490m/sv_{\text{p}} = 490\,\mathrm{m}/\mathrm{s}) e24\eu^{-24} per botsingstijd: over de leeftijd van het zonnestelsel overleeft geen dampkring.

29.5 Paramagnetisme en de wet van Curie

Propositie 29.11 (Paramagneet met spin 1/2)

NN onafhankelijke magnetische momenten die alleen met of tegen het veld BB kunnen wijzen, met energieën μB\mp\mu B, hebben bij temperatuur TT het gemiddelde moment en de magnetisatie

μz=μtanhμBkBT,M=nμtanhμBkBT  {nμ2B/kBT(μBkBT): wet van Curie,nμ(μBkBT): verzadiging.\langle\mu_z\rangle = \mu\tanh\frac{\mu B}{k_BT}, \qquad M = n\mu\tanh\frac{\mu B}{k_BT} \ \longrightarrow\ \begin{cases} n\mu^2B/k_BT & (\mu B \ll k_BT):\ \text{wet van Curie}, \\ n\mu & (\mu B \gg k_BT):\ \text{verzadiging}. \end{cases}

De susceptibiliteit χ=μ0M/B=μ0nμ2/kBT\chi = \mu_0M/B = \mu_0n\mu^2/k_BT verandert als 1/T1/T (de wet van Curie); met μ=μB=9.27×1024J/T\mu = \mu_B = 9.27 \times 10^{-24}\,\mathrm{J}/\mathrm{T} is μB/kBT=2.2×103\mu B/k_BT = 2.2 \times 10^{-3} bij 1T1\,\mathrm{T} en 300K300\,\mathrm{K}, zodat gewone paramagneten nauwelijks gemagnetiseerd zijn; bij 1K1\,\mathrm{K} geeft hetzelfde veld 0.670.67 en begint de verzadiging.

Bewijs. p±e±μB/kBTp_\pm \propto\eu^{\pm\mu B/k_BT}: μz=μ(exex)/(ex+ex)\langle\mu_z\rangle = \mu(\eu^x - \eu^{-x})/(\eu^x + \eu^{-x}) met x=μB/kBTx = \mu B/k_BT; tanhxx\tanh x \approx x voor kleine xx.

Magnetisatie van een paramagneet met spin 1/2: lineair in B/T bij kleine velden (Curie), verzadigend wanneer B groter wordt dan k_BT — bereikt bij een tesla pas onder een kelvin, wat de kromme tot een thermometer voor de koudste proeven maakt.
Magnetisatie van een paramagneet met spin 1/2: lineair in B/TB/T bij kleine velden (Curie), verzadigend wanneer μB\mu B groter wordt dan kBTk_BT — bereikt bij een tesla pas onder een kelvin, wat de kromme tot een thermometer voor de koudste proeven maakt.

Opmerking 29.12 (Wat de factor niet doet)

De boltzmannfactor beschrijft het evenwicht bij een temperatuur; hij zegt niets over snelheden (hoe snel het evenwicht wordt bereikt — al geeft een activeringsenergie EaE_{\text{a}} snelheden eEa/kBT\propto\eu^{-E_{\text{a}}/k_BT}, de wet van Arrhenius die wij bij diffusie in vaste stoffen tegenkwamen). Hij geldt voor onafhankelijke deelsystemen of voor het geheel; voor gelijke kwantumdeeltjes bij hoge dichtheid (elektronen in een metaal, fotonen, helium nabij het absolute nulpunt) wordt hij vervangen door de verdelingen van Fermi–Dirac en Bose–Einstein van het volume van jaar 3, waarvan hij de ijle grens is.

Methode 29.13 (Boltzmannschattingen)

(1) Bereken E/kBTE/k_BT; kBT=0.026eVk_BT = 0.026\,\mathrm{eV} bij 300K300\,\mathrm{K}, 1eV1\,\mathrm{eV} bij 11600K11\,600\,\mathrm{K}. (2) Verhoudingen van bevolkingen: eΔE/kBT\eu^{-\Delta E/k_BT} (maal ontaardingen). (3) Afzonderlijke niveaus: ZZ, dan E=βlnZ\langle E\rangle = -\partial_\beta\ln Z, dan CC. (4) Kwadratische continue veranderlijken: elk 12kBT\tfrac12k_BT, indien niet bevroren. (5) Snelheden: vp=2kBT/mv_{\text{p}} = \sqrt{2k_BT/m} en de gaussische staart. (6) Spins: tanh(μB/kBT)\tanh(\mu B/k_BT), de 1/T1/T van Curie.

29.6 Opgaven

Oefening 29.1

Schaalhoogte van lucht bij 288K288\,\mathrm{K} (M=29g/molM = 29\,\mathrm{g}/\mathrm{mol}); druk op 3000m3000\,\mathrm{m}, op 8849m8849\,\mathrm{m}, op 10km10\,\mathrm{km} (vergelijk met de gemeten 0.26bar0.26\,\mathrm{bar}); schaalhoogte van helium alleen; van de marsdampkring (CO2_2, 210K210\,\mathrm{K}, g=3.7m/s2g = 3.7\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}).

Oplossing

Oplossing van Oefening 29.1.

H=kBT/mg=8.4kmH = k_BT/mg = 8.4\,\mathrm{km}; 0.700.70\,, 0.350.35\,, 0.30bar0.30\,\mathrm{bar} (in werkelijkheid 0.260.26\,: de lucht koelt met de hoogte af); helium 61km61\,\mathrm{km}; Mars 10.7km10.7\,\mathrm{km}.

Oefening 29.2

Bevolkingen: het niveau n=2n = 2 van waterstof (10.2eV10.2\,\mathrm{eV}, ontaarding 44 tegen 11) bij 300K300\,\mathrm{K}, 6000K6000\,\mathrm{K}, 10000K10\,000\,\mathrm{K}; het niveau van natrium bij 2.1eV2.1\,\mathrm{eV} in een vlam van 2500K2500\,\mathrm{K}; een molecuulrotatieniveau bij 1×103eV1 \times 10^{-3}\,\mathrm{eV} bij 300K300\,\mathrm{K}; een kernspinniveau gesplitst met 1×107eV1 \times 10^{-7}\,\mathrm{eV} in een magneet bij 300K300\,\mathrm{K}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 29.2.

Waterstof: 4e395101714\eu^{-395} \approx 10^{-171}; 4e19.7=1084\eu^{-19.7} = 10^{-8}; 4e11.8=3×1054\eu^{-11.8} = 3 \times 10^{-5}. Natrium: e9.8=6×105\eu^{-9.8} = 6 \times 10^{-5}. Rotatie: e0.04=0.96\eu^{-0.04} = 0.96, vrijwel gelijk. Kernspin: 14×1061 - 4 \times 10^{-6} — de minuscule polarisatie waarmee de magnetische resonantie werkt.

Oefening 29.3

Snelheden van Maxwell (vpv_{\text{p}}, v\langle v\rangle, vrmsv_{\text{rms}}) voor N2_2 bij 300K300\,\mathrm{K} en 77K77\,\mathrm{K}, H2_2 bij 300K300\,\mathrm{K}, en voor een rookdeeltje van 1×1018kg1 \times 10^{-18}\,\mathrm{kg}. Deel van de moleculen sneller dan 2vp2v_{\text{p}} (ongeveer 4.6%4.6\%) en dan 3vp3v_{\text{p}} (ongeveer 4×1044 \times 10^{-4}): bespreek de staart.

Oplossing

Oplossing van Oefening 29.3.

N2_2 300K300\,\mathrm{K}: 422422\,, 476476\,, 517m/s517\,\mathrm{m}/\mathrm{s}; 77K77\,\mathrm{K}: 214214\,, 241241\,, 262m/s262\,\mathrm{m}/\mathrm{s}; H2_2: 15801580\,, 17801780\,, 1930m/s1930\,\mathrm{m}/\mathrm{s}; rookdeeltje: 9cm/s9\,\mathrm{cm}/\mathrm{s} (zijn brownse getril). Boven 2vp2v_{\text{p}} één molecuul op twintig; boven 3vp3v_{\text{p}} één op 25002500 — nog altijd 102210^{22} per kubieke meter.

Oefening 29.4

Momenten met spin 1/2 μ=μB\mu = \mu_B, n=1×1028m3n = 1 \times 10^{28}\,\mathrm{m}^{-3}, B=1TB = 1\,\mathrm{T}: x=μB/kBTx = \mu B/k_BT bij 300K300\,\mathrm{K} en 1K1\,\mathrm{K}; M/MverzM/M_{\text{verz}}; MverzM_{\text{verz}}; de susceptibiliteit bij 300K300\,\mathrm{K}. Vergelijk met de verzadigingsmagnetisatie van ijzer (1.7×106A/m1.7 \times 10^{6}\,\mathrm{A}/\mathrm{m}).

Oplossing

Oplossing van Oefening 29.4.

x=2.2×103x = 2.2 \times 10^{-3} en 0.670.67; M/Mverz=2.2×103M/M_{\text{verz}} = 2.2 \times 10^{-3} en 0.590.59; Mverz=nμ=9.3×104A/mM_{\text{verz}} = n\mu = 9.3 \times 10^{4}\,\mathrm{A}/\mathrm{m}; χ=μ0nμ2/kBT=2.6×104\chi = \mu_0n\mu^2/k_BT = 2.6 \times 10^{-4}. De 1.7×106A/m1.7 \times 10^{6}\,\mathrm{A}/\mathrm{m} van ijzer is coöperatief, geen boltzmanneffect.

Oefening 29.5 ★★

Twee niveaus. (a) Leid p1p_1, p2p_2, E\langle E\rangle af uit ZZ. (b) Toon aan dat N2<N1N_2 < N_1 bij elke positieve temperatuur; wat zou N2>N1N_2 > N_1 voor TT betekenen? (c) Entropie S=NkBpilnpiS = -Nk_B\sum p_i\ln p_i van het stelsel bij T0T \to 0 en TT \to \infty. (d) Een defect in een kristal kan in twee standen zitten die 0.05eV0.05\,\mathrm{eV} uit elkaar liggen: bezetting van de bovenste bij 300K300\,\mathrm{K} en bij 77K77\,\mathrm{K}.

Oplossing

Oplossing van Oefening 29.5.

(a) Propositie 29.5. (b) ex<1\eu^{-x} < 1 voor T>0T > 0; N2>N1N_2 > N_1 zou T<0T < 0 vergen — een bevolkingsinversie. (c) 00 en NkBln2Nk_B\ln 2. (d) x=1.93x = 1.93: 0.130.13; bij 77K77\,\mathrm{K}, x=7.5x = 7.5: 5×1045 \times 10^{-4}.

Oefening 29.6 ★★

Schottky. (a) Leid C(T)C(T) van het tweeniveaustelsel af. (b) Bepaal haar maximum getalsmatig (x=2.40x = 2.40) en zijn waarde. (c) Grenzen bij lage en hoge TT, met hun natuurkundige betekenis. (d) Kernspins van koper in 1T1\,\mathrm{T} hebben ε1×107eV\varepsilon \approx 1 \times 10^{-7}\,\mathrm{eV}: bij welke temperatuur ligt hun schottkypiek, en waarom doet dat ertoe voor de koudste cryostaten?

Oplossing

Oplossing van Oefening 29.6.

(a) Afgeleide van Nε/(ex+1)N\varepsilon/(\eu^x + 1). (b) x=2.40x = 2.40, C=0.44NkBC = 0.44\,Nk_B. (c) x2ex0\propto x^2\eu^{-x} \to 0: bevroren; 1/T20\propto 1/T^2 \to 0: beide niveaus vol, niets meer om op te nemen. (d) kBT=0.42εk_BT = 0.42\varepsilon: 0.5mK0.5\,\mathrm{mK}; onder een millikelvin dragen de kernspins het meeste van de warmtecapaciteit en vertragen zij elke koeling.

Oefening 29.7 ★★

Gelijke verdeling en haar falen. (a) Leid aq2=kBT/2\langle aq^2\rangle = k_BT/2 af met de gaussische integraal. (b) CVC_V van een eenatomig en van een star tweeatomig gas. (c) De trilling van stikstof heeft hν/kB=3400Kh\nu/k_B = 3400\,\mathrm{K}: bereken met de gemiddelde energie van de oscillator CVC_V bij 300K300\,\mathrm{K}, 1000K1000\,\mathrm{K}, 3000K3000\,\mathrm{K}. (d) Einsteinvaste stof: CC bij T=θET = \theta_{\text{E}}, θE/4\theta_{\text{E}}/4, 4θE4\theta_{\text{E}} in eenheden van 3R3R; diamant bij kamertemperatuur.

Oplossing

Oplossing van Oefening 29.7.

(a) Stelling 29.8. (b) 32R\tfrac32R, 52R\tfrac52R. (c) Ctril/R=x2ex/(ex1)2C_{\text{tril}}/R = x^2\eu^x/(\eu^x - 1)^2: 0.0020.002, 0.410.41, 0.900.90; CV=2.50RC_V = 2.50R, 2.91R2.91R, 3.40R3.40R. (d) 0.920.92, 0.300.30, 0.9950.995; diamant x=4.3x = 4.3: 0.26×3R=6.5J/mol/K0.26 \times 3R = 6.5\,\mathrm{J}/\mathrm{mol}/\mathrm{K}.

Oefening 29.8 ★★

Maxwell in bijzonderheden. (a) Toon aan dat de snelheidscomponenten onafhankelijke gaussische verdelingen zijn en leid f(v)f(v) af. (b) Bereken vpv_{\text{p}}, v\langle v\rangle, vrmsv_{\text{rms}}. (c) Gemiddelde kinetische energie: ga na met de gelijke verdeling. (d) De flux van moleculen die op een wand botsen is 14nv\tfrac14n\langle v\rangle per oppervlakte-eenheid en per tijdseenheid (aangenomen): aantal moleculen N2_2 dat per seconde op 1cm21\,\mathrm{cm}^{2} botst bij 1bar1\,\mathrm{bar}, 300K300\,\mathrm{K}; en het tempo waarmee een gaatje van 1µm1\,\text{µ}\mathrm{m} lucht in een vacuümkamer laat (effusie).

Oplossing

Oplossing van Oefening 29.8.

(a), (b) Stelling 29.9. (c) 32kBT\tfrac32k_BT. (d) 14nv=2.9×1027m2s1\tfrac14n\langle v\rangle = 2.9 \times 10^{27}\,\mathrm{m}^{-2}\,\mathrm{s}^{-1}: 3×10233 \times 10^{23} per vierkante centimeter per seconde; door 7.9×1013m27.9 \times 10^{-13}\,\mathrm{m}^{2}: 2.3×10152.3 \times 10^{15} moleculen per seconde, een lek van 1×105Pam3/s1 \times 10^{-5}\,\mathrm{Pa}\,\mathrm{m}^{3}/\mathrm{s}.

Oefening 29.9 ★★

Ontsnapping. (a) Deel van een maxwellgas sneller dan vv: toon aan dat het ongeveer (2/π)xex2(2/\sqrt\pi)\,x\,\eu^{-x^2} is voor x=v/vp1x = v/v_{\text{p}} \gg 1. (b) Helium bij 1000K1000\,\mathrm{K} boven 11.2km/s11.2\,\mathrm{km}/\mathrm{s}; stikstof. (c) Maan, vontsn=2.4km/sv_{\text{ontsn}} = 2.4\,\mathrm{km}/\mathrm{s}, 400K400\,\mathrm{K}: stikstof, en welke temperatuur haar zou vasthouden gedurende de leeftijd van het zonnestelsel (neem 101710^{17} botsingstijden: ontsnappingsdeel onder 101710^{-17}). (d) Waarom houdt Titan (2.6km/s2.6\,\mathrm{km}/\mathrm{s}, 94K94\,\mathrm{K}) een dikke stikstofdampkring?

Oplossing

Oplossing van Oefening 29.9.

(a) Integreer ff partieel; de hoofdterm is (2/π)xex2(2/\sqrt\pi)x\eu^{-x^2}. (b) Helium x=5.5x = 5.5: 5×10135 \times 10^{-13}; stikstof x=14.5x = 14.5: e211\eu^{-211}. (c) x=4.9x = 4.9: 101010^{-10} per botsingstijd — weg; 101710^{-17} vergt x6.6x \approx 6.6, T230KT \lesssim 230\,\mathrm{K}. (d) x=11x = 11: e121\eu^{-121}; koud genoeg.

Oefening 29.10 ★★★

Andere potentialen. (a) In een centrifuge die met ω\omega draait, is de effectieve potentiële energie 12mω2r2-\tfrac12m\omega^2r^2: dichtheidsprofiel n(r)n(r). (b) Uraniumhexafluoride, twee isotopen Δm=3u\Delta m = 3\,\mathrm{u}, ω=2π×1000Hz\omega = 2\pi \times 1000\,\mathrm{Hz}, r=10cmr = 10\,\mathrm{cm}, 300K300\,\mathrm{K}: verrijkingsfactor van één trap. (c) Colloïdale bolletjes (opdrijfmassa m=2.6×1017kgm' = 2.6 \times 10^{-17}\,\mathrm{kg}) in water bij 293K293\,\mathrm{K}: schaalhoogte van hun bezinkingsevenwicht; hoe gaf dat het getal van Avogadro? (d) Een elektronengas in een veld EE: waarom is het boltzmannprofiel eeEx/kBT\eu^{eEx/k_BT} de grondslag van de debyeafschermingslengte λD=ε0kBT/ne2\lambda_{\text{D}} = \sqrt{\varepsilon_0k_BT/ne^2} van een plasma (schets het argument)?

Oplossing

Oplossing van Oefening 29.10.

(a) n=n0emω2r2/2kBTn = n_0\eu^{m\omega^2r^2/2k_BT}. (b) eΔmω2r2/2kBT=e0.24=1.27\eu^{\Delta m\omega^2r^2/2k_BT} = \eu^{0.24} = 1.27. (c) H=kBT/mg=16µmH = k_BT/m'g = 16\,\text{µ}\mathrm{m}; het tellen van bolletjes op verscheidene hoogten geeft kBk_B, dus NA=R/kBN_A = R/k_B. (d) Ionen volgen eeφ/kBT\eu^{\mp e\varphi/k_BT} rond een lading; gelineariseerd in de vergelijking van Poisson geeft dat φ=φ/λD2\varphi'' = \varphi/\lambda_{\text{D}}^2: de potentiaal wordt voorbij λD\lambda_{\text{D}} afgeschermd.

Oefening 29.11 ★★★

Planck uit Boltzmann. (a) Bereken ZZ en E\langle E\rangle voor de niveaus nhνnh\nu. (b) De twee grensgevallen en hun betekenis. (c) Vermenigvuldig met de dichtheid van de modes 8πν2/c38\pi\nu^2/c^3 (gegeven) en vind de wet van Planck terug; toon aan dat de wet van Rayleigh–Jeans de gelijke verdeling op elke mode toegepast is. (d) Waarom faalt de klassieke telling, in één zin?

Oplossing

Oplossing van Oefening 29.11.

(a) Z=1/(1ex)Z = 1/(1 - \eu^{-x}), E=hν/(ex1)\langle E\rangle = h\nu/(\eu^x - 1). (b) kBTk_BT: gelijke verdeling; hνehν/kBTh\nu\eu^{-h\nu/k_BT}: bevroren. (c) uν=(8πν2/c3)Eu_\nu = (8\pi\nu^2/c^3)\langle E \rangle; Rayleigh–Jeans geeft elke mode kBTk_BT. (d) Een mode kan niet met minder dan één kwantum worden aangeslagen.

Oefening 29.12 ★★★

Adiabatische demagnetisatie. De entropie van NN spins 1/2 is S=NkB[ln(2coshx)xtanhx]S = Nk_B[\ln(2\cosh x) - x\tanh x], x=μB/kBTx = \mu B/k_BT. (a) Toon aan dat zij alleen van B/TB/T afhangt, met SNkBln2S \to Nk_B\ln 2 voor B/T0B/T \to 0 en S0S \to 0 voor B/TB/T \to \infty. (b) Een zout op 1K1\,\mathrm{K} wordt isotherm gemagnetiseerd van 00 tot 1T1\,\mathrm{T}: weggenomen entropie (per spin, met μ=μB\mu = \mu_B). (c) Het veld wordt vervolgens adiabatisch tot 0.01T0.01\,\mathrm{T} verlaagd: eindtemperatuur. (d) Wat begrenst de methode, en hoe dient dezelfde tanh\tanh-kromme als thermometer?

Oplossing

Oplossing van Oefening 29.12.

(a) Alleen x=μB/kBTx = \mu B/k_BT; ln2\ln 2 en 00. (b) x=0.67x = 0.67: S/NkB=0.51S/Nk_B = 0.51, dus 0.18kB0.18\,k_B per spin weggenomen. (c) B/TB/T constant: 10mK10\,\mathrm{mK}. (d) Het eigen veld van de spins (millitesla) vervangt BB op het eind en begrenst de koeling; het meten van M=nμtanh(μB/kBT)M = n\mu\tanh(\mu B/k_BT) geeft TT.

Ludwig Boltzmann (1844–1906), wiens factor -E/k_BT het onderwerp van dit hoofdstuk is, en wiens formule S = k_B op zijn graf in Wenen is gebeiteld.
Ludwig Boltzmann (1844–1906), wiens factor eE/kBT\eu^{-E/k_BT} het onderwerp van dit hoofdstuk is, en wiens formule S=kBlnΩS = k_B\ln\Omega op zijn graf in Wenen is gebeiteld.

29.7 Vraagstuk: de isotherme dampkring, de ontsnapping van helium en een spinthermometer

Probleem 29.1

Weekendvraagstuk — drie toepassingen van één exponentiële

Gegevens: kB=1.38×1023J/Kk_B = 1.38 \times 10^{-23}\,\mathrm{J}/\mathrm{K}, NA=6.02×1023mol1N_A = 6.02 \times 10^{23}\,\mathrm{mol}^{-1}, g=9.8m/s2g = 9.8\,\mathrm{m}/\mathrm{s}^{2}, R=6.37×106mR_{\oplus} = 6.37 \times 10^{6}\,\mathrm{m}, μB=9.27×1024J/T\mu_B = 9.27 \times 10^{-24}\,\mathrm{J}/\mathrm{T}; lucht M=29g/molM = 29\,\mathrm{g}/\mathrm{mol}, helium 4g/mol4\,\mathrm{g}/\mathrm{mol}, stikstof 28g/mol28\,\mathrm{g}/\mathrm{mol}.

Deel I — De isotherme dampkring.

  1. Leid uit de hydrostatica en de wet van het volmaakte gas P(z)=P0ez/HP(z) = P_0\eu^{-z/H} af en geef HH voor lucht bij 288K288\,\mathrm{K}.
  2. Wijs de boltzmannfactor in het resultaat aan; welke energie, welke temperatuur?
  3. Druk op 3000m3000\,\mathrm{m}, 5500m5500\,\mathrm{m} en 8849m8849\,\mathrm{m}; de hoogte waar de druk gehalveerd is.
  4. Massa van de dampkring per vierkante meter (uit P0=1.013×105PaP_0 = 1.013 \times 10^{5}\,\mathrm{Pa}), en de totale massa; ga na dat 0ρ ⁣dz=ρ0H\int_0^\infty \rho\,\dd z = \rho_0H.
  5. Aantal moleculen in de dampkring.
  6. Als elk gas zijn eigen HH volgde, wat zou dan de verhouding O2_2/N2_2 op 50km50\,\mathrm{km} zijn vergeleken met de grond? Waarom is de samenstelling in werkelijkheid gelijkmatig tot 100km100\,\mathrm{km}?
  7. De werkelijke troposfeer koelt met 6.5K/km6.5\,\mathrm{K}/\mathrm{km} af: is de druk op 10km10\,\mathrm{km} hoger of lager dan de isotherme schatting? Verklaar.
  8. Aantalsdichtheid op zeeniveau en op 100km100\,\mathrm{km} (isotherm model, 288K288\,\mathrm{K}): bespreek “de rand van de ruimte”.

Deel II — De ontsnapping van helium. De exosfeer, boven 500km500\,\mathrm{km}, staat op ongeveer 1000K1000\,\mathrm{K} en is botsingsvrij: een molecuul dat sneller dan de ontsnappingssnelheid omhoog beweegt, vertrekt.

  1. Ontsnappingssnelheid van de aarde op die hoogte.
  2. Meest waarschijnlijke en gemiddelde snelheden van helium en stikstof bij 1000K1000\,\mathrm{K}.
  3. Deel van de heliumatomen met v>vontsnv > v_{\text{ontsn}} (gebruik (2/π)xex2(2/\sqrt\pi)x\eu^{-x^2}); idem voor stikstof.
  4. De ontsnappingsflux van helium is ruwweg 14nHev×\tfrac14n_{\text{He}}\langle v\rangle \times (dat deel) ×12\times\tfrac12; schat met nHe=1×1012m3n_{\text{He}} = 1 \times 10^{12}\,\mathrm{m}^{-3} aan de exobasis het verlies per vierkante meter per seconde en per jaar voor de hele aarde.
  5. Helium in de lucht is 5ppm5\,\mathrm{ppm} naar volume: totaal helium in de dampkring; zijn verblijftijd tegenover het berekende verlies.
  6. Radioactiviteit in de aardkorst maakt ongeveer 3×106kg3 \times 10^{6}\,\mathrm{kg} helium per jaar: is het helium van de dampkring in stationaire toestand, en wat leert de vergelijking met vraag 11?
  7. Bij zonnemaximum haalt de exosfeer 2000K2000\,\mathrm{K}: met welke factor stijgt het ontsnappingsdeel van helium?
  8. Waarom heeft de maan geen dampkring, en Titan (ontsnapping 2.6km/s2.6\,\mathrm{km}/\mathrm{s}, 94K94\,\mathrm{K}) een dikke?

Deel III — Een spinthermometer. Een paramagnetisch zout bevat n=2×1027m3n = 2 \times 10^{27}\,\mathrm{m}^{-3} spins 1/2 met μ=μB\mu = \mu_B, in een veld BB.

  1. Bevolkingen van de twee niveaus en de magnetisatie M(B,T)M(B,T).
  2. Bij B=0.1TB = 0.1\,\mathrm{T}: MM bij 300K300\,\mathrm{K}, 4K4\,\mathrm{K}, 0.05K0.05\,\mathrm{K}; waar geldt de wet van Curie?
  3. Waarom is MM een thermometer, en in welk bereik is zij het gevoeligst? Wat wordt er in de praktijk gemeten?
  4. Gemiddelde energie en warmtecapaciteit van de spins (Schottky); temperatuur van de piek bij 0.1T0.1\,\mathrm{T}.
  5. Entropie van de spins bij hoge en bij nultemperatuur; welke “ordening” treedt op als T0T \to 0?
  6. Adiabatische demagnetisatie van 1K1\,\mathrm{K}, 1T1\,\mathrm{T} tot 0.01T0.01\,\mathrm{T}: eindtemperatuur; waarom kan B0B \to 0 geen T0T \to 0 geven?
  7. Een kernspinthermometer gebruikt μN=μB/1836\mu_{\text{N}} = \mu_B/1836: tot welke temperatuur geldt bij 1T1\,\mathrm{T} de wet van Curie, en waarom wordt zo’n thermometer in het microkelvinbereik gebruikt?
  8. Vergelijk de dopplerbreedte van een spectraallijn (uit de verdeling van Maxwell) als thermometer voor gassen: welke grootheid, en hoe schaalt zij met TT?
  9. Vat samen: de drie stelsels en de ene formule.
Oplossing

Oplossing van Probleem 29.1.

1.  ⁣dP/ ⁣dz=nmg=(mg/kBT)P\dd P/\dd z = -nmg = -(mg/k_BT)P; H=8.4kmH = 8.4\,\mathrm{km}.

2. emgz/kBT\eu^{-mgz/k_BT}: de potentiële energie van één molecuul, de temperatuur van de lucht.

3. 0.700.70\,, 0.520.52\,, 0.35bar0.35\,\mathrm{bar}; Hln2=5.8kmH\ln 2 = 5.8\,\mathrm{km}.

4. P0/g=1.03×104kg/m2P_0/g = 1.03 \times 10^{4}\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{2}; ×4πR2\times 4\pi R^2: 5.3×1018kg5.3 \times 10^{18}\,\mathrm{kg}; ρ0H=1.22×8400=1.03×104kg/m2\rho_0H = 1.22 \times 8400 = 1.03 \times 10^{4}\,\mathrm{kg}/\mathrm{m}^{2}.

5. 5.3×1018/(29×103/NA)=1.1×10445.3 \times 10^{18}/(29 \times 10^{-3}/N_A) = 1.1 \times 10^{44}.

6. HO2=7.6H_{\text{O}_2} = 7.6, HN2=8.7kmH_{\text{N}_2} = 8.7\,\mathrm{km}: de verhouding op 50km50\,\mathrm{km} zou e50/7.6+50/8.7=0.44\eu^{-50/7.6 + 50/8.7} = 0.44 van haar waarde aan de grond zijn; turbulentie mengt sneller dan diffusie scheidt.

7. Lager: koudere lucht is dichter en de druk daalt sneller.

8. 2.5×1025m32.5 \times 10^{25}\,\mathrm{m}^{-3}; e11.9\eu^{-11.9}: 1.7×1020m31.7 \times 10^{20}\,\mathrm{m}^{-3} — geen rand, alleen een afspraak.

9. 11.26370/6870=10.8km/s11.2\sqrt{6370/6870} = 10.8\,\mathrm{km}/\mathrm{s}.

10. Helium 20402040\,, 2300m/s2300\,\mathrm{m}/\mathrm{s}; stikstof 770770\,, 870m/s870\,\mathrm{m}/\mathrm{s}.

11. x=5.3x = 5.3: 4×10124 \times 10^{-12}; stikstof e196\eu^{-196}: geen.

12. 14×1012×2300×4×1012×12103\tfrac14 \times 10^{12} \times 2300 \times 4 \times 10^{-12} \times \tfrac12 \approx 10^3 atomen per vierkante meter per seconde; over de aarde en een jaar, 2×10252 \times 10^{25} atomen — 0.1kg0.1\,\mathrm{kg}.

13. 5×106×1.1×1044=5.5×10385 \times 10^{-6} \times 1.1 \times 10^{44} = 5.5 \times 10^{38} atomen, 3.7×1012kg3.7 \times 10^{12}\,\mathrm{kg}; tegen 0.1kg/jaar0.1\,\mathrm{kg}/\mathrm{jaar} zou de verblijftijd absurd zijn.

14. Een stationaire toestand vergt een verlies van 3×106kg/jaar3 \times 10^{6}\,\mathrm{kg}/\mathrm{jaar}: een verblijftijd van ongeveer een miljoen jaar, wat de aanvaarde waarde is — de thermische schatting bij 1000K1000\,\mathrm{K} is dus veel te klein: de ontsnapping wordt beheerst door hetere episoden en door niet-thermische (ionische) processen.

15. x=3.75x = 3.75: e14\eu^{-14} in plaats van e28\eu^{-28} — een factor 10610^6: het verlies is buitengewoon gevoelig voor de temperatuur van de exosfeer.

16. De maan is heet en licht: alles ontsnapt in geologische tijd; Titan is koud, x=11x = 11 voor stikstof.

17. p±=e±x/2coshxp_\pm = \eu^{\pm x}/2\cosh x; M=nμtanhxM = n\mu\tanh x.

18. x=μB/kBTx = \mu B/k_BT: 4.2A/m4.2\,\mathrm{A}/\mathrm{m}, 310A/m310\,\mathrm{A}/\mathrm{m}, 1.6×104A/m1.6 \times 10^{4}\,\mathrm{A}/\mathrm{m} (verzadiging 1.9×104A/m1.9 \times 10^{4}\,\mathrm{A}/\mathrm{m}); Curie voor x1x \ll 1, dat wil zeggen T70mKT \gg 70\,\mathrm{mK}.

19. MM hangt alleen van TT af zodra BB bekend is; het steilst nabij x1x \approx 1, TμB/kB=70mKT \approx \mu B/k_B = 70\,\mathrm{mK}; men meet de susceptibiliteit met een spoel.

20. E=NμBtanhx\langle E\rangle = -N\mu B\tanh x; C=NkBx2/cosh2xC = Nk_Bx^2/\cosh^2x, piekend bij x=1.2x = 1.2: 56mK56\,\mathrm{mK}.

21. NkBln2Nk_B\ln 2 en 00: alle spins richten zich naar het veld.

22. 10mK10\,\mathrm{mK}; het eigen veld van de spins van een millitesla vervangt BB en legt de bodem vast.

23. x=1x = 1 bij μNB/kB=0.37mK\mu_{\text{N}}B/k_B = 0.37\,\mathrm{mK}: Curie geldt tot een millikelvin, en de thermometer is bruikbaar tot microkelvin.

24. Δν/ν=8kBTln2/mc2T\Delta\nu/\nu = \sqrt{8k_BT\ln2/mc^2} \propto \sqrt T: de breedte van een lijn meet de gastemperatuur.

25. Dampkring, ontsnappend gas, spins: eE/kBT\eu^{-E/k_BT} met E=mgzE = mgz, 12mv2\tfrac12mv^2, μB\mp\mu B.