Universitaire natuurkunde — jaar 2 · Bachelor Year 2
29De boltzmannfactor
Beklim een berg en de lucht wordt ijler: op drieduizend meter is de druk tot 0.7bar gezakt, op de top van de Everest tot een derde van haar waarde op zeeniveau. Niets houdt de dampkring van bovenaf tegen; hij wordt door de zwaartekracht vastgehouden en door de warmtebeweging uitgespreid, en het compromis tussen die twee is een exponentiële, n∝e−mgz/kBT — de verhouding van de potentiële energie van een molecuul tot kBT beslist hoe zeldzaam het daarboven is. Dezelfde exponentiële beheerst het deel van de atomen in een aangeslagen niveau, het aantal moleculen dat snel genoeg is om een planeet te ontvluchten, de magnetisatie van een paramagneet, de bevolkingen die een laser moet inverteren, en de quanta die de wet van Planck telt: het is de boltzmannfactor, de nuttigste formule van de statistische fysica. Dit hoofdstuk motiveert hem met de dampkring, formuleert hem in het algemeen, en leidt eruit af, met niets dan sommen en gaussische integralen, het tweeniveaustelsel en zijn warmtecapaciteit, de gelijke verdeling van de energie, de verdeling van de molecuulsnelheden en de wet van Curie voor het paramagnetisme — onderweg ook de gemiddelde energie van een kwantumoscillator, die de formule van Planck is.
Vanaf een top de nevel van de lagere dampkring en het diepe blauw daarboven: de dichtheid van de lucht daalt om de 8km met een factor e — de boltzmannfactor van de potentiële energie van een molecuul in de zwaartekracht van de aarde.
29.1 De isotherme dampkring
Propositie 29.1(Barometrische wet)
In een dampkring van volmaakt gas (molecuulmassa m) op gelijkmatige temperatuur T in de gelijkmatige zwaartekracht g dalen de druk en de aantalsdichtheid exponentieel met de hoogte:
P(z)=P0e−z/H,n(z)=n0e−mgz/kBT,H=mgkBT,
met de schaalhoogteH≈8.4km voor lucht bij 288K. De exponent is de verhouding van de potentiële energie mgz van een molecuul tot de warmte-energie kBT.
Bewijs. Hydrostatica, dP/dz=−ρg=−nmg, en de wet van het volmaakte gas P=nkBT: dP/dz=−(mg/kBT)P, een exponentiële. De werkelijke dampkring koelt af met de hoogte (ongeveer 6.5K/km in de onderste tien kilometer), wat de daling wat sneller maakt; het isotherme model klopt tot op 20%. ∎
De isotherme dampkring: druk en dichtheid dalen met 1/e om de schaalhoogteH=kBT/mg; een lichter gas zou een grotere H hebben — maar onder 100km houdt turbulentie de lucht gemengd, en alle gassen delen de gemiddelde H.
29.2 De boltzmannfactor
Stelling 29.2(Boltzmannfactor)
Een systeem in warmte-evenwicht met een thermostaat op de temperatuur T wordt in een gegeven microscopische toestand met energie E aangetroffen met een kans evenredig met
e−E/kBT.
Dus geldt voor een stel afzonderlijke toestanden met energieën Ei
pi=Ze−Ei/kBT,Z=i∑e−Ei/kBT,
waarbij de som Z (de toestandssom) de kansen normeert; twee toestanden (of twee niveaus met gelijke ontaarding) zijn bevolkt in de verhouding N2/N1=e−(E2−E1)/kBT; en voor een continue veranderlijke (een plaats, een snelheid) is de kansdichtheid evenredig met e−E/kBT in die veranderlijke. Bij 300K is kBT=4.1×10−21J=0.026eV: alles wat veel meer kost dan dat is zeldzaam, alles wat veel minder kost wordt vrijelijk aangeslagen.
Bewijs. De barometrische wet is de factor voor de potentiële energie mgz; wij nemen zijn algemeenheid aan, maar hier is het argument (in het volume van jaar 3 streng gemaakt). De thermostaat R is groot; wanneer ons kleine systeem in een toestand met energie E is, heeft de thermostaat de energie Etot−E, en kan hij in ΩR(Etot−E) microscopische toestanden zijn, alle even waarschijnlijk (het grondpostulaat voor een geïsoleerd geheel). Dus is p(E)∝ΩR(Etot−E). Met de definitie van Boltzmann voor de entropie, SR=kBlnΩR, en 1/T=dSR/dER voor de thermostaat, is lnΩR(Etot−E)≈lnΩR(Etot)−E/kBT omdat E≪Etot; neem de exponentiële. ∎
Voorbeeld 29.3(Bevolkingen van atoomniveaus)
Het eerste aangeslagen niveau van waterstof ligt 10.2eV boven de grondtoestand: bij 300Ke−395 — geen enkel atoom in het heelal; bij 6000K, het zonneoppervlak, e−19.7≈3×10−9 (maal een ontaarding 4): genoeg, in de reusachtige gaskolom van de zon, voor de balmerabsorptielijnen, die het sterkst zijn in sterren nabij 10000K. De D-lijn van natrium (2.1eV) in een vlam van 2500K: e−9.8=6×10−5 van de atomen is aangeslagen, wat de gele vlam van een snuifje zout geeft. En het lasermidden van Hoofdstuk 23: de factor zegt dat zijn bovenste niveau in evenwicht leeg is, en de pomp moet daartegen vechten.
29.3 Afzonderlijke niveaus: het tweeniveaustelsel en de oscillator
Propositie 29.4(Gemiddelde energie uit de toestandssom)
Met β=1/kBT geldt
⟨E⟩=i∑piEi=−∂β∂lnZ,C=dTd⟨E⟩.
Bewijs.∂βZ=−∑Eie−βEi, deel door Z. ∎
Propositie 29.5(Tweeniveaustelsel)
N onafhankelijke stelsels met twee niveaus 0 en ε (spins in een veld, atomen met één aangeslagen niveau, defecten met twee standen):
Het bovenste niveau is leeg bij lage temperatuur en hoogstens halfgevuld bij hoge temperatuur (in evenwicht nooit geïnverteerd); de warmtecapaciteit verdwijnt aan beide uiteinden en piekt bij 0.44NkB nabij kBT=0.42ε — de schottkyanomalie, het kenmerk van een kloof in het spectrum.
Bewijs.Z=1+e−x; p2=e−x/(1+e−x); differentieer ⟨E⟩ naar T. ∎
Het tweeniveaustelsel: bevolkingen tegen de temperatuur (het bovenste niveau vult zich tot een half, nooit verder) en de schottkywarmtecapaciteit, een bult waar kBT bij de kloof past.
Propositie 29.6(De kwantumoscillator en de formule van Planck)
Een harmonische oscillator met frequentie ν heeft de niveaus En=nhν (op een constante na); bij temperatuur T geldt
Dit is de gemiddelde energie van een mode van het stralingsveld die de wet van Planck (Hoofdstuk 26) met het aantal modes vermenigvuldigt, en de gemiddelde energie van een trilling in een vaste stof: bij hoge temperatuur de klassieke kBT, bij lage temperatuur een bevroren mode.
Bewijs. Meetkundige reeks, dan −∂βlnZ. ∎
Voorbeeld 29.7(Warmtecapaciteit van vaste stoffen)
Behandel elk atoom van een vaste stof als drie oscillatoren met dezelfde frequentie ν (Einstein, 1907): C=3NkBx2ex/(ex−1)2 met x=hν/kBT. Boven θE=hν/kB gaat C→3NkB=3R per mol — de wet van Dulong en Petit (25J/mol/K), gevolgd door lood, koper en ijzer bij kamertemperatuur; ver daaronder stort C in. Diamant (θE≈1300K) heeft bij 300K maar 6J/mol/K, wat de klassieke natuurkunde niet kon verklaren, en de warmtecapaciteit van elke vaste stof verdwijnt bij lage temperatuur — het eerste succes van het kwantum buiten de straling.
29.4 Gelijke verdeling en de verdeling van Maxwell
Stelling 29.8(Gelijke verdeling van de energie)
Elke veranderlijke q die kwadratisch in de energie voorkomt, E=aq2+…, en die alle reële waarden doorloopt, draagt 21kBT bij aan de gemiddelde energie in evenwicht:
⟨aq2⟩=21kBT.
Een eenatomig gas (drie translaties) heeft U=23NkBT en CV=23R per mol; een tweeatomig gas voegt twee rotaties toe, CV=25R, en zijn trilling (twee kwadratische termen, maar gekwantiseerd met hν≫kBT bij kamertemperatuur) blijft bevroren tot enkele duizenden kelvin.
Bewijs. De kansdichtheid in q is ∝e−aq2/kBT, een gaussische:
⟨aq2⟩=∫e−aq2/kBTdq∫aq2e−aq2/kBTdq=21kBT
(differentieer ∫e−λq2dq=π/λ naar λ). De uitkomst vergt het continuüm: wanneer de niveaus verder dan kBT uit elkaar liggen, bevriest de factor de veranderlijke, zoals bij de oscillator hierboven. ∎
Stelling 29.9(Snelheidsverdeling van Maxwell)
In een gas op T zijn de snelheidscomponenten onafhankelijke gaussische verdelingen met variantie kBT/m, en de snelheid v=∣v∣ heeft de kansdichtheid
f(v)=4π(2πkBTm)3/2v2e−mv2/2kBT,
met de meest waarschijnlijke, de gemiddelde en de kwadratisch gemiddelde snelheid
vp=m2kBT,⟨v⟩=πm8kBT,vrms=m3kBT,
in de verhoudingen 1:1.13:1.22. Voor stikstof bij 300K: 422, 476, 517m/s; voor waterstof 3.7 keer meer; de staart van de verdeling, ∝e−mv2/2kBT, is wat de snelste moleculen laat verdampen, reageren of een planeet verlaten.
Bewijs. De kinetische energie 21m(vx2+vy2+vz2) geeft een factor e−mvx2/2kBTe−mvy2/2kBTe−mvz2/2kBT: drie onafhankelijke gaussische verdelingen, elk genormeerd door m/2πkBT. De snelheidsverdeling verzamelt alle snelheden in de schil met straal v en volume 4πv2dv. Dan volgt vp uit df/dv=0, en de momenten uit ∫0∞v3e−av2dv=1/2a2, ∫0∞v4e−av2dv=83π/a5; vrms volgt ook uit de gelijke verdeling, 21m⟨v2⟩=23kBT. ∎
De snelheidsverdeling van Maxwell voor stikstof bij drie temperaturen: de piek verschuift als T, de kromme wordt breder, en de staart bij hoge snelheid groeit het snelst van al — de staart die ontsnapping en reactiesnelheden bepaalt.
Voorbeeld 29.10(Wie de planeet verlaat)
De ontsnappingssnelheid van de aarde is 11.2km/s. In de exosfeer, nabij 1000K, heeft helium vp=2.0km/s: het deel van de atomen boven de ontsnappingssnelheid is van de orde e−(11.2/2.0)2=e−31≈10−13 — klein, maar bij elke botsing vernieuwd, miljarden jaren lang: helium lekt weg, en zijn aandeel in de lucht is maar 5ppm ondanks zijn gestage aanmaak door radioactief verval. Voor stikstof is de exponent zeven keer groter, e−220: stikstof blijft. Op de maan (vontsn=2.4km/s) heeft zelfs stikstof bij 400K (vp=490m/s) e−24 per botsingstijd: over de leeftijd van het zonnestelsel overleeft geen dampkring.
29.5 Paramagnetisme en de wet van Curie
Propositie 29.11(Paramagneet met spin 1/2)
N onafhankelijke magnetische momenten die alleen met of tegen het veld B kunnen wijzen, met energieën ∓μB, hebben bij temperatuur T het gemiddelde moment en de magnetisatie
⟨μz⟩=μtanhkBTμB,M=nμtanhkBTμB⟶{nμ2B/kBTnμ(μB≪kBT):wet van Curie,(μB≫kBT):verzadiging.
De susceptibiliteit χ=μ0M/B=μ0nμ2/kBT verandert als 1/T (de wet van Curie); met μ=μB=9.27×10−24J/T is μB/kBT=2.2×10−3 bij 1T en 300K, zodat gewone paramagneten nauwelijks gemagnetiseerd zijn; bij 1K geeft hetzelfde veld 0.67 en begint de verzadiging.
Bewijs.p±∝e±μB/kBT: ⟨μz⟩=μ(ex−e−x)/(ex+e−x) met x=μB/kBT; tanhx≈x voor kleine x. ∎
Magnetisatie van een paramagneet met spin 1/2: lineair in B/T bij kleine velden (Curie), verzadigend wanneer μB groter wordt dan kBT — bereikt bij een tesla pas onder een kelvin, wat de kromme tot een thermometer voor de koudste proeven maakt.
Opmerking 29.12(Wat de factor niet doet)
De boltzmannfactor beschrijft het evenwicht bij een temperatuur; hij zegt niets over snelheden (hoe snel het evenwicht wordt bereikt — al geeft een activeringsenergie Ea snelheden ∝e−Ea/kBT, de wet van Arrhenius die wij bij diffusie in vaste stoffen tegenkwamen). Hij geldt voor onafhankelijke deelsystemen of voor het geheel; voor gelijke kwantumdeeltjes bij hoge dichtheid (elektronen in een metaal, fotonen, helium nabij het absolute nulpunt) wordt hij vervangen door de verdelingen van Fermi–Dirac en Bose–Einstein van het volume van jaar 3, waarvan hij de ijle grens is.
Methode 29.13(Boltzmannschattingen)
(1) Bereken E/kBT; kBT=0.026eV bij 300K, 1eV bij 11600K. (2) Verhoudingen van bevolkingen: e−ΔE/kBT (maal ontaardingen). (3) Afzonderlijke niveaus: Z, dan ⟨E⟩=−∂βlnZ, dan C. (4) Kwadratische continue veranderlijken: elk 21kBT, indien niet bevroren. (5) Snelheden: vp=2kBT/m en de gaussische staart. (6) Spins: tanh(μB/kBT), de 1/T van Curie.
29.6 Opgaven
Oefening 29.1★
Schaalhoogte van lucht bij 288K (M=29g/mol); druk op 3000m, op 8849m, op 10km (vergelijk met de gemeten 0.26bar); schaalhoogte van helium alleen; van de marsdampkring (CO2, 210K, g=3.7m/s2).
Oplossing
Oplossing van Oefening 29.1.
H=kBT/mg=8.4km; 0.70, 0.35, 0.30bar (in werkelijkheid 0.26: de lucht koelt met de hoogte af); helium 61km; Mars 10.7km.
Oefening 29.2★
Bevolkingen: het niveau n=2 van waterstof (10.2eV, ontaarding 4 tegen 1) bij 300K, 6000K, 10000K; het niveau van natrium bij 2.1eV in een vlam van 2500K; een molecuulrotatieniveau bij 1×10−3eV bij 300K; een kernspinniveau gesplitst met 1×10−7eV in een magneet bij 300K.
Snelheden van Maxwell (vp, ⟨v⟩, vrms) voor N2 bij 300K en 77K, H2 bij 300K, en voor een rookdeeltje van 1×10−18kg. Deel van de moleculen sneller dan 2vp (ongeveer 4.6%) en dan 3vp (ongeveer 4×10−4): bespreek de staart.
Oplossing
Oplossing van Oefening 29.3.
N2300K: 422, 476, 517m/s; 77K: 214, 241, 262m/s; H2: 1580, 1780, 1930m/s; rookdeeltje: 9cm/s (zijn brownse getril). Boven 2vp één molecuul op twintig; boven 3vp één op 2500 — nog altijd 1022 per kubieke meter.
Oefening 29.4★
Momenten met spin 1/2 μ=μB, n=1×1028m−3, B=1T: x=μB/kBT bij 300K en 1K; M/Mverz; Mverz; de susceptibiliteit bij 300K. Vergelijk met de verzadigingsmagnetisatie van ijzer (1.7×106A/m).
Oplossing
Oplossing van Oefening 29.4.
x=2.2×10−3 en 0.67; M/Mverz=2.2×10−3 en 0.59; Mverz=nμ=9.3×104A/m; χ=μ0nμ2/kBT=2.6×10−4. De 1.7×106A/m van ijzer is coöperatief, geen boltzmanneffect.
Oefening 29.5★★
Twee niveaus. (a) Leid p1, p2, ⟨E⟩ af uit Z. (b) Toon aan dat N2<N1 bij elke positieve temperatuur; wat zou N2>N1 voor T betekenen? (c) Entropie S=−NkB∑pilnpi van het stelsel bij T→0 en T→∞. (d) Een defect in een kristal kan in twee standen zitten die 0.05eV uit elkaar liggen: bezetting van de bovenste bij 300K en bij 77K.
Oplossing
Oplossing van Oefening 29.5.
(a) Propositie 29.5. (b) e−x<1 voor T>0; N2>N1 zou T<0 vergen — een bevolkingsinversie. (c) 0 en NkBln2. (d) x=1.93: 0.13; bij 77K, x=7.5: 5×10−4.
Oefening 29.6★★
Schottky. (a) Leid C(T) van het tweeniveaustelsel af. (b) Bepaal haar maximum getalsmatig (x=2.40) en zijn waarde. (c) Grenzen bij lage en hoge T, met hun natuurkundige betekenis. (d) Kernspins van koper in 1T hebben ε≈1×10−7eV: bij welke temperatuur ligt hun schottkypiek, en waarom doet dat ertoe voor de koudste cryostaten?
Oplossing
Oplossing van Oefening 29.6.
(a) Afgeleide van Nε/(ex+1). (b) x=2.40, C=0.44NkB. (c) ∝x2e−x→0: bevroren; ∝1/T2→0: beide niveaus vol, niets meer om op te nemen. (d) kBT=0.42ε: 0.5mK; onder een millikelvin dragen de kernspins het meeste van de warmtecapaciteit en vertragen zij elke koeling.
Oefening 29.7★★
Gelijke verdeling en haar falen. (a) Leid ⟨aq2⟩=kBT/2 af met de gaussische integraal. (b) CV van een eenatomig en van een star tweeatomig gas. (c) De trilling van stikstof heeft hν/kB=3400K: bereken met de gemiddelde energie van de oscillator CV bij 300K, 1000K, 3000K. (d) Einsteinvaste stof: C bij T=θE, θE/4, 4θE in eenheden van 3R; diamant bij kamertemperatuur.
Maxwell in bijzonderheden. (a) Toon aan dat de snelheidscomponenten onafhankelijke gaussische verdelingen zijn en leid f(v) af. (b) Bereken vp, ⟨v⟩, vrms. (c) Gemiddelde kinetische energie: ga na met de gelijke verdeling. (d) De flux van moleculen die op een wand botsen is 41n⟨v⟩ per oppervlakte-eenheid en per tijdseenheid (aangenomen): aantal moleculen N2 dat per seconde op 1cm2 botst bij 1bar, 300K; en het tempo waarmee een gaatje van 1µm lucht in een vacuümkamer laat (effusie).
Oplossing
Oplossing van Oefening 29.8.
(a), (b) Stelling 29.9. (c) 23kBT. (d) 41n⟨v⟩=2.9×1027m−2s−1: 3×1023 per vierkante centimeter per seconde; door 7.9×10−13m2: 2.3×1015 moleculen per seconde, een lek van 1×10−5Pam3/s.
Oefening 29.9★★
Ontsnapping. (a) Deel van een maxwellgas sneller dan v: toon aan dat het ongeveer (2/π)xe−x2 is voor x=v/vp≫1. (b) Helium bij 1000K boven 11.2km/s; stikstof. (c) Maan, vontsn=2.4km/s, 400K: stikstof, en welke temperatuur haar zou vasthouden gedurende de leeftijd van het zonnestelsel (neem 1017 botsingstijden: ontsnappingsdeel onder 10−17). (d) Waarom houdt Titan (2.6km/s, 94K) een dikke stikstofdampkring?
Oplossing
Oplossing van Oefening 29.9.
(a) Integreer f partieel; de hoofdterm is (2/π)xe−x2. (b) Helium x=5.5: 5×10−13; stikstof x=14.5: e−211. (c) x=4.9: 10−10 per botsingstijd — weg; 10−17 vergt x≈6.6, T≲230K. (d) x=11: e−121; koud genoeg.
Oefening 29.10★★★
Andere potentialen. (a) In een centrifuge die met ω draait, is de effectieve potentiële energie −21mω2r2: dichtheidsprofiel n(r). (b) Uraniumhexafluoride, twee isotopen Δm=3u, ω=2π×1000Hz, r=10cm, 300K: verrijkingsfactor van één trap. (c) Colloïdale bolletjes (opdrijfmassa m′=2.6×10−17kg) in water bij 293K: schaalhoogte van hun bezinkingsevenwicht; hoe gaf dat het getal van Avogadro? (d) Een elektronengas in een veld E: waarom is het boltzmannprofiel eeEx/kBT de grondslag van de debyeafschermingslengte λD=ε0kBT/ne2 van een plasma (schets het argument)?
Oplossing
Oplossing van Oefening 29.10.
(a) n=n0emω2r2/2kBT. (b) eΔmω2r2/2kBT=e0.24=1.27. (c) H=kBT/m′g=16µm; het tellen van bolletjes op verscheidene hoogten geeft kB, dus NA=R/kB. (d) Ionen volgen e∓eφ/kBT rond een lading; gelineariseerd in de vergelijking van Poisson geeft dat φ′′=φ/λD2: de potentiaal wordt voorbij λD afgeschermd.
Oefening 29.11★★★
Planck uit Boltzmann. (a) Bereken Z en ⟨E⟩ voor de niveaus nhν. (b) De twee grensgevallen en hun betekenis. (c) Vermenigvuldig met de dichtheid van de modes 8πν2/c3 (gegeven) en vind de wet van Planck terug; toon aan dat de wet van Rayleigh–Jeans de gelijke verdeling op elke mode toegepast is. (d) Waarom faalt de klassieke telling, in één zin?
Oplossing
Oplossing van Oefening 29.11.
(a) Z=1/(1−e−x), ⟨E⟩=hν/(ex−1). (b) kBT: gelijke verdeling; hνe−hν/kBT: bevroren. (c) uν=(8πν2/c3)⟨E⟩; Rayleigh–Jeans geeft elke mode kBT. (d) Een mode kan niet met minder dan één kwantum worden aangeslagen.
Oefening 29.12★★★
Adiabatische demagnetisatie. De entropie van N spins 1/2 is S=NkB[ln(2coshx)−xtanhx], x=μB/kBT. (a) Toon aan dat zij alleen van B/T afhangt, met S→NkBln2 voor B/T→0 en S→0 voor B/T→∞. (b) Een zout op 1K wordt isotherm gemagnetiseerd van 0 tot 1T: weggenomen entropie (per spin, met μ=μB). (c) Het veld wordt vervolgens adiabatisch tot 0.01T verlaagd: eindtemperatuur. (d) Wat begrenst de methode, en hoe dient dezelfde tanh-kromme als thermometer?
Oplossing
Oplossing van Oefening 29.12.
(a) Alleen x=μB/kBT; ln2 en 0. (b) x=0.67: S/NkB=0.51, dus 0.18kB per spin weggenomen. (c) B/T constant: 10mK. (d) Het eigen veld van de spins (millitesla) vervangt B op het eind en begrenst de koeling; het meten van M=nμtanh(μB/kBT) geeft T.
Ludwig Boltzmann (1844–1906), wiens factor e−E/kBT het onderwerp van dit hoofdstuk is, en wiens formule S=kBlnΩ op zijn graf in Wenen is gebeiteld.
29.7 Vraagstuk: de isotherme dampkring, de ontsnapping van helium en een spinthermometer
Probleem 29.1
Weekendvraagstuk — drie toepassingen van één exponentiële
Leid uit de hydrostatica en de wet van het volmaakte gas P(z)=P0e−z/H af en geef H voor lucht bij 288K.
Wijs de boltzmannfactor in het resultaat aan; welke energie, welke temperatuur?
Druk op 3000m, 5500m en 8849m; de hoogte waar de druk gehalveerd is.
Massa van de dampkring per vierkante meter (uit P0=1.013×105Pa), en de totale massa; ga na dat ∫0∞ρdz=ρ0H.
Aantal moleculen in de dampkring.
Als elk gas zijn eigen H volgde, wat zou dan de verhouding O2/N2 op 50km zijn vergeleken met de grond? Waarom is de samenstelling in werkelijkheid gelijkmatig tot 100km?
De werkelijke troposfeer koelt met 6.5K/km af: is de druk op 10km hoger of lager dan de isotherme schatting? Verklaar.
Aantalsdichtheid op zeeniveau en op 100km (isotherm model, 288K): bespreek “de rand van de ruimte”.
Deel II — De ontsnapping van helium. De exosfeer, boven 500km, staat op ongeveer 1000K en is botsingsvrij: een molecuul dat sneller dan de ontsnappingssnelheid omhoog beweegt, vertrekt.
Ontsnappingssnelheid van de aarde op die hoogte.
Meest waarschijnlijke en gemiddelde snelheden van helium en stikstof bij 1000K.
Deel van de heliumatomen met v>vontsn (gebruik (2/π)xe−x2); idem voor stikstof.
De ontsnappingsflux van helium is ruwweg 41nHe⟨v⟩× (dat deel) ×21; schat met nHe=1×1012m−3 aan de exobasis het verlies per vierkante meter per seconde en per jaar voor de hele aarde.
Helium in de lucht is 5ppm naar volume: totaal helium in de dampkring; zijn verblijftijd tegenover het berekende verlies.
Radioactiviteit in de aardkorst maakt ongeveer 3×106kg helium per jaar: is het helium van de dampkring in stationaire toestand, en wat leert de vergelijking met vraag 11?
Bij zonnemaximum haalt de exosfeer 2000K: met welke factor stijgt het ontsnappingsdeel van helium?
Waarom heeft de maan geen dampkring, en Titan (ontsnapping 2.6km/s, 94K) een dikke?
Deel III — Een spinthermometer. Een paramagnetisch zout bevat n=2×1027m−3 spins 1/2 met μ=μB, in een veld B.
Bevolkingen van de twee niveaus en de magnetisatie M(B,T).
Bij B=0.1T: M bij 300K, 4K, 0.05K; waar geldt de wet van Curie?
Waarom is M een thermometer, en in welk bereik is zij het gevoeligst? Wat wordt er in de praktijk gemeten?
Gemiddelde energie en warmtecapaciteit van de spins (Schottky); temperatuur van de piek bij 0.1T.
Entropie van de spins bij hoge en bij nultemperatuur; welke “ordening” treedt op als T→0?
Adiabatische demagnetisatie van 1K, 1T tot 0.01T: eindtemperatuur; waarom kan B→0 geen T→0 geven?
Een kernspinthermometer gebruikt μN=μB/1836: tot welke temperatuur geldt bij 1T de wet van Curie, en waarom wordt zo’n thermometer in het microkelvinbereik gebruikt?
Vergelijk de dopplerbreedte van een spectraallijn (uit de verdeling van Maxwell) als thermometer voor gassen: welke grootheid, en hoe schaalt zij met T?
Vat samen: de drie stelsels en de ene formule.
Oplossing
Oplossing van Probleem 29.1.
1.dP/dz=−nmg=−(mg/kBT)P; H=8.4km.
2.e−mgz/kBT: de potentiële energie van één molecuul, de temperatuur van de lucht.
6.HO2=7.6, HN2=8.7km: de verhouding op 50km zou e−50/7.6+50/8.7=0.44 van haar waarde aan de grond zijn; turbulentie mengt sneller dan diffusie scheidt.
7. Lager: koudere lucht is dichter en de druk daalt sneller.
8.2.5×1025m−3; e−11.9: 1.7×1020m−3 — geen rand, alleen een afspraak.
9.11.26370/6870=10.8km/s.
10. Helium 2040, 2300m/s; stikstof 770, 870m/s.
11.x=5.3: 4×10−12; stikstof e−196: geen.
12.41×1012×2300×4×10−12×21≈103 atomen per vierkante meter per seconde; over de aarde en een jaar, 2×1025 atomen — 0.1kg.
13.5×10−6×1.1×1044=5.5×1038 atomen, 3.7×1012kg; tegen 0.1kg/jaar zou de verblijftijd absurd zijn.
14. Een stationaire toestand vergt een verlies van 3×106kg/jaar: een verblijftijd van ongeveer een miljoen jaar, wat de aanvaarde waarde is — de thermische schatting bij 1000K is dus veel te klein: de ontsnapping wordt beheerst door hetere episoden en door niet-thermische (ionische) processen.
15.x=3.75: e−14 in plaats van e−28 — een factor 106: het verlies is buitengewoon gevoelig voor de temperatuur van de exosfeer.
16. De maan is heet en licht: alles ontsnapt in geologische tijd; Titan is koud, x=11 voor stikstof.
17.p±=e±x/2coshx; M=nμtanhx.
18.x=μB/kBT: 4.2A/m, 310A/m, 1.6×104A/m (verzadiging 1.9×104A/m); Curie voor x≪1, dat wil zeggen T≫70mK.
19.M hangt alleen van T af zodra B bekend is; het steilst nabij x≈1, T≈μB/kB=70mK; men meet de susceptibiliteit met een spoel.
20.⟨E⟩=−NμBtanhx; C=NkBx2/cosh2x, piekend bij x=1.2: 56mK.
21.NkBln2 en 0: alle spins richten zich naar het veld.
22.10mK; het eigen veld van de spins van een millitesla vervangt B en legt de bodem vast.
23.x=1 bij μNB/kB=0.37mK: Curie geldt tot een millikelvin, en de thermometer is bruikbaar tot microkelvin.
24.Δν/ν=8kBTln2/mc2∝T: de breedte van een lijn meet de gastemperatuur.
25. Dampkring, ontsnappend gas, spins: e−E/kBT met E=mgz, 21mv2, ∓μB.