Physics · Boek 4 · Bachelor Year 2

Universitaire natuurkunde — jaar 2

Universitaire natuurkunde — jaar 2 · Bachelor Year 2

11De vergelijkingen van Maxwell

In 1865 schreef James Clerk Maxwell de wetten op die Coulomb, Ampère en Faraday één voor één hadden gevonden, voegde aan die van Ampère een term toe die geen enkel experiment nog had geëist, en ontdekte dat zijn vergelijkingen golven toelieten die reisden met een snelheid die hij uit de constanten van elektriciteit en magnetisme kon berekenen — de lichtsnelheid. Elektriciteit, magnetisme en optica waren één vak geworden. Het volume van jaar 1 formuleerde de wetten als integralen over oppervlakken en lussen; dit hoofdstuk schrijft ze als vier lokale vergelijkingen die in elk punt en op elk ogenblik gelden, met de vectoroperatoren die zo’n schrijfwijze mogelijk maken, en trekt de eerste gevolgen: de verplaatsingsstroom, de potentialen, het gedrag van de velden aan een grensvlak, en de benaderingen waaronder de schakelingen van het volume van jaar 1 exact zijn.

James Clerk Maxwell (1831–1879), die de vier vergelijkingen van dit hoofdstuk opschreef en daarin het bestaan las van elektromagnetische golven die met de lichtsnelheid reizen.
James Clerk Maxwell (1831–1879), die de vier vergelijkingen van dit hoofdstuk opschreef en daarin het bestaan las van elektromagnetische golven die met de lichtsnelheid reizen.

11.1 Vectoroperatoren

Definitie 11.1 (Gradiënt, divergentie, rotatie, laplaciaan)

Voor een scalair veld ff en een vectorveld A\vect A geldt, in cartesische coördinaten met de symbolische vector =(x,y,z)\vect\nabla = (\partial_x, \partial_y, \partial_z):

gradf=f=(xf, yf, zf),divA=A=xAx+yAy+zAz,curlA=A=(yAzzAy, zAxxAz, xAyyAx),Δf=divgradf=x2f+y2f+z2f,\begin{align*} \operatorname{\vect{grad}}f &= \vect\nabla f = (\partial_xf,\ \partial_yf,\ \partial_zf) ,\\ \operatorname{div}\vect A &= \vect\nabla\cdot\vect A = \partial_xA_x + \partial_yA_y + \partial_zA_z ,\\ \operatorname{\vect{curl}}\vect A &= \vect\nabla\wedge\vect A = (\partial_yA_z - \partial_zA_y,\ \partial_zA_x - \partial_xA_z,\ \partial_xA_y - \partial_yA_x) ,\\ \Delta f &= \operatorname{div}\operatorname{\vect{grad}}f = \partial_x^2f + \partial_y^2f + \partial_z^2f , \end{align*}

en ΔA\Delta\vect A is de laplaciaan, op elke cartesische component genomen. Hun betekenis hangt niet van de coördinaten af: gradf ⁣dl= ⁣df\operatorname{\vect{grad}}f \cdot\dd\vect l = \dd f is de verandering van ff langs  ⁣dl\dd\vect l; divA\operatorname{div} \vect A is de uitgaande flux van A\vect A door het oppervlak van een klein volume, per volume-eenheid; curlAn\operatorname{\vect{curl}}\vect A\cdot\vect n is de circulatie van A\vect A langs een kleine lus met normaal n\vect n, per oppervlakte-eenheid.

Stelling 11.2 (Divergentiestelling en stelling van Stokes)

Voor een gesloten oppervlak Σ\Sigma dat het volume VV begrenst, en een georiënteerde gesloten kromme CC die het oppervlak SS begrenst (met de normaal n\vect n volgens de rechterhandregel), geldt

ΣAn ⁣dS=VdivA ⁣dτ,CA ⁣dl=ScurlAn ⁣dS.\iint_\Sigma\vect A\cdot\vect n\,\dd S = \iiint_V\operatorname{div}\vect A\,\dd\tau , \qquad \oint_C\vect A\cdot\dd\vect l = \iint_S\operatorname{\vect{curl}}\vect A\cdot\vect n\,\dd S .

Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen.

Opmerking 11.3 (Wat wordt aangenomen en waarom het geloofwaardig is)

Beide stellingen worden in het wiskundevolume van jaar 3 bewezen; het wiskundevolume van dit jaar houdt op bij hun vlakke versie (Green–Riemann) en bij meervoudige integralen. Hun inhoud is echter die welke wij in Hoofdstuk 2 hebben gebruikt: betegel het volume met kleine blokjes (het oppervlak van de lus met kleine lusjes) — de fluxen door de inwendige zijvlakken (de circulaties langs de inwendige ribben) heffen elkaar paarsgewijs op, en alleen de rand blijft over. Twee identiteiten volgen uit de definities en worden voortdurend gebruikt: curlgradf=0\operatorname{\vect{curl}}\operatorname{\vect{grad}}f = \vect 0, divcurlA=0\operatorname{div}\operatorname{\vect{curl}}\vect A = 0, en curlcurlA=graddivAΔA\operatorname{\vect{curl}}\operatorname{\vect{curl}}\vect A = \operatorname{\vect{grad}} \operatorname{div}\vect A - \Delta\vect A. Voor velden met een symmetrie zijn de bruikbare formules: voor een radiaal veld Ar(r)erA_r(r)\vect e_r is div=1r2r(r2Ar)\operatorname{div} = \frac1{r^2}\partial_r(r^2A_r) (bolcoördinaten) of 1rr(rAr)\frac1r\partial_r(rA_r) (cilindercoördinaten); voor een azimutaal veld Aθ(r)eθA_\theta(r)\vect e_\theta om een as is (curl)z=1rr(rAθ)(\operatorname{\vect{curl}})_z = \frac1r\partial_r(rA_\theta); en voor f(r)f(r) is Δf=1r2r(r2rf)=1rr2(rf)\Delta f = \frac1{r^2}\partial_r(r^2\partial_rf) = \frac1r\partial_r^2(rf) (bolcoördinaten), 1rr(rrf)\frac1r\partial_r(r\partial_rf) (cilindercoördinaten).

De twee operatoren van de vergelijkingen van Maxwell, meetkundig gelezen: de divergentie meet hoeveel een veld uit een klein volume wegstroomt, de rotatie hoeveel het langs een kleine lus circuleert.
De twee operatoren van de vergelijkingen van Maxwell, meetkundig gelezen: de divergentie meet hoeveel een veld uit een klein volume wegstroomt, de rotatie hoeveel het langs een kleine lus circuleert.

11.2 De vier vergelijkingen

Stelling 11.4 (Vergelijkingen van Maxwell)

In vacuüm (en in materie beschreven door haar totale ladings- en stroomdichtheden ρ\rho en j\vect j) voldoen het elektrische en het magnetische veld in elk punt en op elk tijdstip aan

divE=ρε0(Maxwell–Gauss),curlE=Bt(Maxwell–Faraday),divB=0(Maxwell–flux),curlB=μ0j+μ0ε0Et(Maxwell–Ampeˋre),\begin{align*} \operatorname{div}\vect E &= \frac\rho{\varepsilon_0} &&\text{(Maxwell--Gauss)} , & \operatorname{\vect{curl}}\vect E &= -\frac{\partial\vect B}{\partial t} &&\text{(Maxwell--Faraday)} ,\\ \operatorname{div}\vect B &= 0 &&\text{(Maxwell--flux)} , & \operatorname{\vect{curl}}\vect B &= \mu_0\vect j + \mu_0\varepsilon_0\frac{\partial\vect E}{\partial t} &&\text{(Maxwell--Ampère)} , \end{align*}

met ε0=8.85×1012F/m\varepsilon_0 = 8.85 \times 10^{-12}\,\mathrm{F}/\mathrm{m} en μ0=4π×1×107H/m\mu_0 = 4\pi \times 1 \times 10^{-7}\,\mathrm{H}/\mathrm{m} (en ε0μ0=1/c2\varepsilon_0\mu_0 = 1/c^2). De velden werken op ladingen via de lorentzkracht F=q(E+vB)\vect F = q(\vect E + \vect v\wedge\vect B). De term ε0tE\varepsilon_0\partial_t\vect E is de dichtheid van de verplaatsingsstroom van Maxwell.

Gelijkwaardigheid met de integraalwetten van het volume van jaar 1. Pas de divergentiestelling toe op de eerste twee: ΣEn ⁣dS=Qint/ε0\iint_\Sigma\vect E\cdot \vect n\,\dd S = Q_{\text{int}}/\varepsilon_0 (Gauss), en de flux van B\vect B door elk gesloten oppervlak is nul. Pas Stokes toe op de laatste twee: CE ⁣dl= ⁣dΦB/ ⁣dt\oint_C\vect E\cdot\dd\vect l = -\dd\Phi_B/\dd t (Faraday, voor een vaste lus) en CB ⁣dl=μ0Ioms+μ0ε0 ⁣dΦE/ ⁣dt\oint_C\vect B\cdot\dd\vect l = \mu_0I_{\text{oms}} + \mu_0\varepsilon_0\,\dd\Phi_E/\dd t (Ampère, aangevuld). Omgekeerd houden de integraalwetten, die voor elk volume en elke lus gelden, de lokale wetten in. De lokale vergelijkingen zijn dus de wetten van jaar 1 plus één nieuwe term, die hieronder wordt verantwoord; zij worden als de postulaten van de elektromagnetica genomen.

Propositie 11.5 (Waarom de verplaatsingsstroom nodig is)

De divergentie van de vergelijking van Maxwell–Ampère nemen en divcurl=0\operatorname{div}\operatorname{\vect{curl}} = 0 en Maxwell–Gauss gebruiken geeft

0=μ0divj+μ0ε0tdivE=μ0(divj+ρt):0 = \mu_0\operatorname{div}\vect j + \mu_0\varepsilon_0\,\partial_t\operatorname{div}\vect E = \mu_0\Bigl(\operatorname{div}\vect j + \frac{\partial\rho}{\partial t}\Bigr) :

de vergelijkingen bevatten dus het behoud van lading. Zonder de verplaatsingsterm zouden zij altijd divj=0\operatorname{div}\vect j = 0 eisen — onwaar in een ladende condensator, waar de geleidingsstroom bij de plaat ophoudt. Daar draagt ε0tE\varepsilon_0\partial_t\vect E tussen de platen precies de stroom die in de draad aankomt, en circuleert het magnetische veld om de spleet als om een draad.

Bewijs. De divergentie van beide leden, zoals gezegd; voor de condensator is de flux van ε0tE\varepsilon_0\partial_t\vect E door een oppervlak tussen de platen gelijk aan ε0S ⁣dE/ ⁣dt= ⁣dQ/ ⁣dt=I\varepsilon_0S\,\dd E/\dd t = \dd Q/\dd t = I.

Voorbeeld 11.6 (Het veld in een ladende condensator)

Ronde platen met straal RR en afstand dRd \ll R, geladen door een stroom II: ertussen is E=Q/ε0πR2E = Q/\varepsilon_0\pi R^2 uniform en groeit het met  ⁣dE/ ⁣dt=I/ε0πR2\dd E/ \dd t = I/\varepsilon_0\pi R^2. Uit symmetrie is B=B(r)eθ\vect B = B(r)\vect e_\theta; Ampère–Maxwell op een cirkel met straal r<Rr < R (waar geen geleidingsstroom doorheen gaat) geeft 2πrB=μ0ε0πr2 ⁣dE/ ⁣dt2\pi rB = \mu_0\varepsilon_0\pi r^2\,\dd E/\dd t, dus B=μ0Ir/2πR2B = \mu_0Ir/2\pi R^2 — het veld van een uniforme stroom II die over de schijf is uitgespreid, continu in r=Rr = R met de μ0I/2πr\mu_0I/2\pi r van de draad daarbuiten. Voor I=1AI = 1\,\mathrm{A} en R=5cmR = 5\,\mathrm{cm} is B(R)=4µTB(R) = 4\,\text{µ}\mathrm{T}, meetbaar; de term van Maxwell is echt.

Een condensator die wordt geladen: er steekt geen lading de spleet over, maar de elektrische flux door een lus eromheen groeit; de term van Maxwell geeft de lus dezelfde circulatie van B als wanneer de draad doorliep — de verplaatsingsstroom.
Een condensator die wordt geladen: er steekt geen lading de spleet over, maar de elektrische flux door een lus eromheen groeit; de term van Maxwell geeft de lus dezelfde circulatie van B\vect B als wanneer de draad doorliep — de verplaatsingsstroom.

Opmerking 11.7 (Lineariteit; wat de vergelijkingen zeggen)

De vergelijkingen zijn lineair in de velden en hun bronnen: velden superponeren. Twee ervan (Gauss, Faraday–flux) dragen geen bronnen en drukken structuur uit — elektrische veldlijnen beginnen en eindigen op ladingen, magnetische veldlijnen eindigen nooit; de andere twee zeggen hoe ladingen en stromen, en de verandering van elk veld, de velden opwekken. Samen gelezen: een veranderende B\vect B maakt een circulerende E\vect E en een veranderende E\vect E maakt een circulerende B\vect B: de twee kunnen elkaar onderhouden zonder enige lading — dat is de golf van Hoofdstuk 13, en de verplaatsingsstroom maakt haar mogelijk.

11.3 Potentialen

Propositie 11.8 (Scalaire en vectorpotentiaal)

Omdat divB=0\operatorname{div}\vect B = 0 en curlE=tB\operatorname{\vect{curl}}\vect E = -\partial_t \vect B, zijn de velden afgeleid van een vectorpotentiaal A\vect A en een scalaire potentiaal VV:

B=curlA,E=gradVAt,\vect B = \operatorname{\vect{curl}}\vect A , \qquad \vect E = -\operatorname{\vect{grad}}V - \frac{\partial\vect A}{\partial t} ,

bepaald op een ijktransformatie AA+gradχ\vect A \to \vect A + \operatorname{\vect{grad}}\chi, VVtχV \to V - \partial_t\chi na, die de velden onveranderd laat. In de ijk van Coulomb, divA=0\operatorname{div}\vect A = 0, wordt de wet van Gauss de vergelijking van Poisson

ΔV=ρε0,\Delta V = -\frac\rho{\varepsilon_0} ,

en in een stationair regime wordt de wet van Ampère ΔA=μ0j\Delta\vect A = -\mu_0\vect j. In de statica is VV de elektrostatische potentiaal van het volume van jaar 1.

Bewijs. Een divergentievrij veld is een rotatie (aangenomen, net als de omgekeerde uitspraak dat een rotatievrij veld een gradiënt is, beide uit het wiskundevolume van jaar 2 voor enkelvoudig samenhangende gebieden); dan is curl(E+tA)=0\operatorname{\vect{curl}} (\vect E + \partial_t\vect A) = \vect 0, zodat E+tA\vect E + \partial_t\vect A een gradiënt is. IJk: curlgradχ=0\operatorname{\vect{curl}}\operatorname{\vect{grad}}\chi = \vect 0 en de termen tgradχ\partial_t\operatorname{\vect{grad}}\chi vallen in E\vect E tegen elkaar weg. Poisson: divE=ΔVtdivA\operatorname{div} \vect E = -\Delta V - \partial_t\operatorname{div}\vect A. Statica: curlcurlA=graddivAΔA=μ0j\operatorname{\vect{curl}} \operatorname{\vect{curl}}\vect A = \operatorname{\vect{grad}}\operatorname{div}\vect A - \Delta\vect A = \mu_0\vect j.

Voorbeeld 11.9 (Twee vectorpotentialen)

Een uniform veld B0\vect B_0 is afgeleid van A=12B0r\vect A = \tfrac12\vect B_0\wedge\vect r (ga na: curl(12B0r)=B0\operatorname{\vect{curl}}(\tfrac12\vect B_0\wedge\vect r) = \vect B_0, en divA=0\operatorname{div}\vect A = 0); binnen een oneindige solenoïde is dat Aθ=Br/2A_\theta = Br/2, erbuiten Aθ=BR2/2rA_\theta = BR^2/2r — een potentiaal die niet verdwijnt waar het veld dat wel doet, en waarvan de circulatie langs een lus de flux van B\vect B erdoorheen is: A ⁣dl=ΦB\oint\vect A\cdot\dd\vect l = \Phi_B (Stokes). De wet van Faraday luidt dan E=tA\vect E = -\partial_t\vect A voor het geïnduceerde veld.

11.4 De velden aan een grensvlak

Propositie 11.10 (Overgangsrelaties)

Over een oppervlak dat de oppervlakteladingsdichtheid σ\sigma en de oppervlaktestroomdichtheid js\vect j_s (A/m\mathrm{A}/\mathrm{m}) draagt, geldt met n12\vect n_{12} de eenheidsnormaal van medium 1 naar medium 2

E2E1=σε0n12,B2B1=μ0jsn12:\vect E_2 - \vect E_1 = \frac\sigma{\varepsilon_0}\,\vect n_{12} , \qquad \vect B_2 - \vect B_1 = \mu_0\,\vect j_s\wedge\vect n_{12} :

de tangentiële component van E\vect E en de normale component van B\vect B zijn continu; de normale component van E\vect E springt met σ/ε0\sigma/\varepsilon_0, de tangentiële component van B\vect B met μ0js\mu_0j_s. Aan het oppervlak van een volmaakte geleider (E=B=0\vect E = \vect B = \vect 0 binnenin, in de gevallen van Hoofdstuk 15) staat E\vect E normaal en is zij gelijk aan σn/ε0\sigma\vect n/ \varepsilon_0, terwijl B\vect B tangentieel is en gelijk aan μ0jsn\mu_0\vect j_s\wedge\vect n.

Bewijs. Normale componenten: de wetten van Gauss en van de flux op een plat pillendoosje dat het oppervlak omvat, met oppervlakte  ⁣dS\dd S en verdwijnende hoogte: (E2nE1n) ⁣dS=σ ⁣dS/ε0(E_{2n} - E_{1n})\dd S = \sigma\dd S/\varepsilon_0, (B2nB1n) ⁣dS=0(B_{2n} - B_{1n})\dd S = 0. Tangentiële componenten: de wetten van Faraday en Ampère op een kleine rechthoek die het oppervlak omvat, met lengte  ⁣dl\dd l en verdwijnende hoogte: de fluxen van tB\partial_t\vect B en tE\partial_t\vect E door de rechthoek verdwijnen met haar oppervlakte, maar een oppervlaktestroom js ⁣dlj_s\,\dd l steekt haar over: (E2tE1t) ⁣dl=0(E_{2t} - E_{1t})\dd l = 0, (B2tB1t) ⁣dl=μ0js ⁣dl(B_{2t} - B_{1t})\dd l = \mu_0j_s\dd l voor de tangentiële richting loodrecht op js\vect j_s.

De overgangsrelaties volgen uit de integraalwetten, toegepast op een plat pillendoosje en een dunne lus die het grensvlak omvatten: oppervlaktelading laat de normale E springen, oppervlaktestroom de tangentiële B; de overige componenten zijn continu.
De overgangsrelaties volgen uit de integraalwetten, toegepast op een plat pillendoosje en een dunne lus die het grensvlak omvatten: oppervlaktelading laat de normale E\vect E springen, oppervlaktestroom de tangentiële B\vect B; de overige componenten zijn continu.

Voorbeeld 11.11 (Geladen vlak, stroomvlak, solenoïde)

Een vlak met alleen σ\sigma in de ruimte: uit symmetrie is E=±En\vect E = \pm E\vect n aan de twee zijden, en de sprong 2E=σ/ε02E = \sigma/\varepsilon_0 geeft E=σ/2ε0E = \sigma/2\varepsilon_0 — het resultaat van jaar 1 in één regel. Een vlakke stroomlaag jsj_s: B=μ0js/2B = \mu_0j_s/2 aan elke zijde, antiparallel. Een lange solenoïde met nn windingen per meter die II voert, is een cilindrische stroomlaag js=nIj_s = nI: de sprong μ0nI\mu_0nI erover, met B=0B = 0 erbuiten, geeft B=μ0nIB = \mu_0nI erbinnen.

11.5 Quasistationaire regimes

Definitie 11.12 (De quasistationaire benaderingen)

Een systeem met afmeting LL dat op frequentie ff wordt aangedreven, is quasistationair wanneer Lλ=c/fL \ll \lambda = c/f: de tijd L/cL/c die de velden nodig hebben om het over te steken, is verwaarloosbaar ten opzichte van de periode, en al zijn punten “zien” de bronnen op hetzelfde ogenblik. Er worden twee grensgevallen gebruikt:

  • het magnetische quasistationaire regime (schakelingen met stromen, spoelen, transformatoren, inductie): de verplaatsingsstroom wordt uit de wet van Ampère weggelaten, curlB=μ0j\operatorname{\vect{curl}}\vect B = \mu_0\vect j (zodat divj=0\operatorname{div}\vect j = 0 en de stromen in gesloten kringen lopen), terwijl de wet van Faraday volledig behouden blijft;
  • het elektrische quasistationaire regime (een ladende condensator): de term van Faraday wordt weggelaten, E\vect E is het elektrostatische veld van de ogenblikkelijke ladingen, terwijl de verplaatsingsstroom behouden blijft om B\vect B te vinden.

Verantwoording. Vergelijk in het magnetische regime de twee termen van de wet van Ampère in een geleider: μ0ε0tEμ0ε0ωE\mu_0\varepsilon_0\partial_t E \sim \mu_0\varepsilon_0\omega E tegen μ0γE\mu_0\gamma E, een verhouding ε0ω/γ=ωτr1017\varepsilon_0\omega/\gamma = \omega\tau_r \sim 10^{-17} bij 50Hz50\,\mathrm{Hz} in koper; buiten de geleider is de verplaatsingsstroom van de orde ε0ωE\varepsilon_0\omega E met EωABE \sim \omega AB, dat wil zeggen kleiner dan het effect van de geleidingsstroom met een factor (ωL/c)2=(L/λ)2×4π2(\omega L/c)^2 = (L/\lambda)^2 \times 4\pi^2. In het elektrische regime is het geïnduceerde veld ωBLω2ε0μ0L2E\omega BL \sim \omega^2\varepsilon_0\mu_0L^2E kleiner dan EE met diezelfde (L/λ)2(L/\lambda)^2.

Voorbeeld 11.13 (Schakelingen en antennes)

Een netschakeling bij 50Hz50\,\mathrm{Hz} (λ=6000km\lambda = 6000\,\mathrm{km}) is quasistationair tot op de schaal van een land — en daarom werken de wetten van Kirchhoff en de transformator. Een schakeling van 10cm10\,\mathrm{cm} is quasistationair tot zo’n 100MHz100\,\mathrm{MHz}; bij 1GHz1\,\mathrm{GHz} (λ=30cm\lambda = 30\,\mathrm{cm}) zijn haar draden antennes, verschillen de stromen langs een draad en straalt de schakeling: het domein van Hoofdstuk 17 en van het microgolfontwerp, waar een baan op een print een transmissielijn is.

Afmeting tegen frequentie: onder de lijn L = /10 (streepjes) is een toestel quasistationair en gelden de wetten van de schakeling; nabij en boven L = planten de velden zich voort en straalt het toestel.
Afmeting tegen frequentie: onder de lijn L=λ/10L = \lambda/10 (streepjes) is een toestel quasistationair en gelden de wetten van de schakeling; nabij en boven L=λL = \lambda planten de velden zich voort en straalt het toestel.

Methode 11.14 (De lokale vergelijkingen gebruiken)

(1) Gebruik de symmetrieën en invarianties van de bronnen om de richting en de veranderlijken van de velden vast te leggen (zoals in het volume van jaar 1). (2) Kies de vorm: integraal (Gauss, Ampère op een goed gekozen oppervlak of lus) wanneer er genoeg symmetrie is; lokaal wanneer u een differentiaalvergelijking nodig hebt (Poisson voor VV, de diffusie- of golfvergelijking voor de velden). (3) Beslis in een tijdafhankelijk vraagstuk het regime: statisch, magnetisch of elektrisch quasistationair, of volledig Maxwell. (4) Gebruik aan grensvlakken de overgangsrelaties — dat is de enige plaats waar oppervlakteladingen en -stromen binnenkomen. (5) Controleer divB=0\operatorname{div}\vect B = 0 en de dimensies.

11.6 Oefeningen

Oefening 11.1

Bereken de divergentie en de rotatie van (a) A=(x,y,z)\vect A = (x, y, z); (b) A=(y,x,0)\vect A = (-y, x, 0); (c) A=(yz,zx,xy)\vect A = (yz, zx, xy); (d) A=r/r3\vect A = \vect r/r^3 (gebruik de radiale formule, r0r \ne 0); (e) A=(0,0,x2)\vect A = (0, 0, x^2). Welke zijn gradiënten, welke rotaties, welke geen van beide?

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.1.

(a) div=3\operatorname{div} = 3, curl=0\operatorname{\vect{curl}} = \vect 0: de gradiënt van r2/2r^2/2. (b) 00 en (0,0,2)(0, 0, 2): een rotatie (van 12(x2+y2)ez-\tfrac12(x^2 + y^2)\vect e_z), geen gradiënt. (c) 00 en 0\vect 0: de gradiënt van xyzxyz (en ook een rotatie). (d) 1r2r(r2/r2)=0\frac1{r^2}\partial_r(r^2/r^2) = 0, rotatie 0\vect 0: de gradiënt van 1/r-1/r. (e) 00 en (0,2x,0)(0, -2x, 0): een rotatie, geen gradiënt.

Oefening 11.2

(a) Ga de dimensies van elke term van de vier vergelijkingen van Maxwell na. (b) Bereken 1/ε0μ01/\sqrt{\varepsilon_0\mu_0}. (c) Verhouding van de dichtheid van de verplaatsingsstroom tot die van de geleidingsstroom in koper bij 50Hz50\,\mathrm{Hz}, in zeewater (γ=5S/m\gamma = 5\,\mathrm{S}/\mathrm{m}) bij 1GHz1\,\mathrm{GHz}, en in glas (γ=1×1012S/m\gamma = 1 \times 10^{-12}\,\mathrm{S}/\mathrm{m}, met ε0\varepsilon_0 voor de eenvoud) bij 50Hz50\,\mathrm{Hz}: wat is telkens “een geleider”?

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.2.

(a) Gauss en Faraday: beide leden in V/m2\mathrm{V}/\mathrm{m}^{2} (een ladingsdichtheid gedeeld door ε0\varepsilon_0, een veldgradiënt, een veld gedeeld door een tijd); Ampère: beide leden in T/m\mathrm{T}/\mathrm{m}. (b) 1/8.85×1012×1.257×106=3.00×108m/s1/\sqrt{8.85 \times 10^{-12} \times 1.257 \times 10^{-6}} = 3.00 \times 10^{8}\,\mathrm{m}/\mathrm{s}. (c) Verhouding ε0ω/γ\varepsilon_0\omega/\gamma: koper 5×10205 \times 10^{-20}; zeewater bij 1GHz1\,\mathrm{GHz} 1×1021 \times 10^{-2} (nog net een geleider); glas bij 50Hz50\,\mathrm{Hz} 3×1033 \times 10^3: een diëlektricum, waarin de verplaatsingsstroom overheerst.

Oefening 11.3

Een condensator met ronde platen (R=10cmR = 10\,\mathrm{cm}, d=2mmd = 2\,\mathrm{mm}) wordt geladen door I=0.5AI = 0.5\,\mathrm{A}. Tempo waarmee EE verandert; dichtheid van de verplaatsingsstroom; BB op r=5cmr = 5\,\mathrm{cm} en op r=20cmr = 20\,\mathrm{cm} (in het vlak halverwege de platen); vergelijk het laatste met het veld van de toevoerdraad op dezelfde afstand.

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.3.

 ⁣dE/ ⁣dt=I/ε0πR2=1.8×1012Vm1s1\dd E/\dd t = I/\varepsilon_0\pi R^2 = 1.8 \times 10^{12}\,\mathrm{V}\,\mathrm{m}^{-1}\,\mathrm{s}^{-1}; jd=I/πR2=16A/m2j_d = I/\pi R^2 = 16\,\mathrm{A}/\mathrm{m}^{2}; B(5cm)=μ0Ir/2πR2=0.5µTB(5\,\mathrm{cm}) = \mu_0Ir/2\pi R^2 = 0.5\,\text{µ}\mathrm{T}; B(20cm)=μ0I/2πr=0.5µTB(20\,\mathrm{cm}) = \mu_0I/2\pi r = 0.5\,\text{µ}\mathrm{T} — precies het veld van de draad.

Oefening 11.4

(a) E=kxex\vect E = kx\,\vect e_x vult een gebied: ladingsdichtheid daar. (b) Binnen een bol met straal RR is E=(ρ0r/3ε0)er\vect E = (\rho_0r/3\varepsilon_0)\vect e_r: ga met de radiale divergentie na dat ρ=ρ0\rho = \rho_0, en vind het veld erbuiten terug met de integraalwet van Gauss. (c) B=B0(y/a)ex\vect B = B_0(y/a)\vect e_x: is dat een mogelijk magnetisch veld? Welke stroomdichtheid onderhoudt het?

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.4.

(a) ρ=ε0k\rho = \varepsilon_0k. (b) 1r2r(ρ0r3/3ε0)=ρ0/ε0\frac1{r^2}\partial_r(\rho_0r^3/3\varepsilon_0) = \rho_0/\varepsilon_0; erbuiten geeft Gauss E=ρ0R3/3ε0r2E = \rho_0R^3/3\varepsilon_0r^2. (c) divB=0\operatorname{div}\vect B = 0: ja; curlB=(B0/a)ez\operatorname{\vect{curl}}\vect B = -(B_0/a)\vect e_z: j=(B0/μ0a)ez\vect j = -(B_0/\mu_0a)\vect e_z, een uniforme stroomlaag met dikte langs yy.

Oefening 11.5 ★★

Vectorpotentialen. (a) Toon aan dat A=12B0r\vect A = \tfrac12\vect B_0\wedge\vect r geeft dat curlA=B0\operatorname{\vect{curl}}\vect A = \vect B_0 en divA=0\operatorname{div}\vect A = 0. (b) Dat doet A=B0xey\vect A' = B_0x\,\vect e_y ook: bepaal de ijkfunctie χ\chi waarvoor A=A+gradχ\vect A' = \vect A + \operatorname{\vect{grad}}\chi. (c) Solenoïde met straal RR en veld BB binnenin: ga Aθ=Br/2A_\theta = Br/2 (r<Rr < R) en BR2/2rBR^2/2r (r>Rr > R) na met (curlA)z=1rr(rAθ)(\operatorname{\vect{curl}}\vect A)_z = \frac1r\partial_r(rA_\theta); continuïteit in RR. (d) Circulatie van A\vect A op een cirkel met straal r>Rr > R en de flux van B\vect B: wat zegt dat over de geïnduceerde emk in een lus buiten een solenoïde waarvan de stroom verandert?

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.5.

(a) A=12(ByzBzy,BzxBxz,BxyByx)\vect A = \tfrac12(B_yz - B_zy, B_zx - B_xz, B_xy - B_yx): (curlA)x=12(Bx+Bx)=Bx(\operatorname{\vect{curl}} \vect A)_x = \tfrac12(B_x + B_x) = B_x, enzovoort; divA=0\operatorname{div}\vect A = 0. (b) AA=12B0(y,x,0)=grad(12B0xy)\vect A' - \vect A = \tfrac12B_0(y, x, 0) = \operatorname{\vect{grad}}(\tfrac12B_0xy). (c) 1rr(Br2/2)=B\frac1r\partial_r(Br^2/2) = B; 1rr(BR2/2)=0\frac1r\partial_r(BR^2/2) = 0; beide zijn gelijk aan BR/2BR/2 in RR. (d) 2πrBR2/2r=πR2B=Φ2\pi r\cdot BR^2/2r = \pi R^2B = \Phi: een lus buiten de solenoïde, waar B=0\vect B = \vect 0, voelt toch e= ⁣dΦ/ ⁣dte = -\dd\Phi/\dd t — via E=tA\vect E = -\partial_t\vect A, die daar niet verdwijnt.

Oefening 11.6 ★★

Overgangsrelaties. (a) Een geleider in elektrostatisch evenwicht draagt σ\sigma op zijn oppervlak: veld vlak erbuiten (uit de sprong, met E=0\vect E = \vect 0 binnenin); voor σ=1µC/m2\sigma = 1\,\text{µ}\mathrm{C}/\mathrm{m}^{2}. (b) Twee evenwijdige vlakken met +σ+\sigma en σ-\sigma: veld overal, uit de sprongen. (c) Een lange solenoïde (n=2000m1n = 2000\,\mathrm{m}^{-1}, I=5AI = 5\,\mathrm{A}) als stroomlaag: jsj_s, de sprong van BB, en BB binnenin. (d) Een toroïdale spoel: waarom is BB nul erbuiten en μ0NI/2πr\mu_0NI/2\pi r erbinnen, uit dezelfde sprong?

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.6.

(a) E=σ/ε0=1.1×105V/mE = \sigma/\varepsilon_0 = 1.1 \times 10^{5}\,\mathrm{V}/\mathrm{m}, normaal gericht. (b) σ/ε0\sigma/\varepsilon_0 ertussen, nul erbuiten (elke sprong voegt ±σ/ε0\pm\sigma/\varepsilon_0 toe). (c) js=nI=1×104A/mj_s = nI = 1 \times 10^{4}\,\mathrm{A}/\mathrm{m}, sprong μ0js=12.6mT=B\mu_0j_s = 12.6\,\mathrm{mT} = B binnenin. (d) Een lus buiten de torus omsluit geen netto stroom, dus is B=0B = 0 daar; binnenin geeft Ampère μ0NI/2πr\mu_0NI/2\pi r, en de sprong over de wikkeling, μ0js=μ0NI/2πr\mu_0j_s = \mu_0NI/2\pi r, stemt daarmee overeen.

Oefening 11.7 ★★

Poisson in één dimensie. Tussen twee vlakke elektroden in x=0x = 0 (V=0V = 0) en x=dx = d (V=UV = U) vult een uniforme ladingsdichtheid ρ0\rho_0 de tussenruimte (een ruimtelading). (a) Los de vergelijking van Poisson op voor V(x)V(x). (b) Veld E(x)E(x); waar is het nul als ρ0>0\rho_0 > 0 en groot is? (c) Oppervlakteladingen op de twee elektroden, uit de overgangsrelatie. (d) Vind met ρ0=0\rho_0 = 0 de condensator terug; en schets voor U=0U = 0 de VV.

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.7.

(a) V=ρ0/ε0V'' = -\rho_0/\varepsilon_0: V=ρ0x2/2ε0+(U/d+ρ0d/2ε0)xV = -\rho_0x^2/2\varepsilon_0 + (U/d + \rho_0d/2\varepsilon_0)x. (b) E=ρ0x/ε0U/dρ0d/2ε0E = \rho_0x/\varepsilon_0 - U/d - \rho_0d/2\varepsilon_0, nul in x0=d/2+ε0U/ρ0dx_0 = d/2 + \varepsilon_0U/\rho_0d — nabij het midden bij een grote ruimtelading. (c) σ(0)=ε0E(0+)=ε0U/dρ0d/2\sigma(0) = \varepsilon_0E(0^+) = -\varepsilon_0U/d - \rho_0d/2, σ(d)=ε0E(d)=ε0U/dρ0d/2\sigma(d) = -\varepsilon_0E(d^-) = \varepsilon_0U/d - \rho_0d/2: samen ρ0d-\rho_0d, wat de ruimtelading neutraliseert. (d) ρ0=0\rho_0 = 0: lineaire VV, uniforme EE; U=0U = 0: een parabool met top in d/2d/2.

Oefening 11.8 ★★

Quasistationair of niet. (a) λ\lambda bij 50Hz50\,\mathrm{Hz}, 1MHz1\,\mathrm{MHz}, 100MHz100\,\mathrm{MHz} en 2.4GHz2.4\,\mathrm{GHz}. (b) Tot welke frequentie is een schakeling van 10cm10\,\mathrm{cm} quasistationair (criterium L<λ/10L < \lambda/10)? Een chip van 1cm1\,\mathrm{cm}? Een elektriciteitsnet van 1000km1000\,\mathrm{km}? (c) Schat in een condensator met straal R=5cmR = 5\,\mathrm{cm} bij 1MHz1\,\mathrm{MHz} de verhouding van het geïnduceerde elektrische veld (uit de veranderende B\vect B van de vorige oefeningen) tot het hoofdveld: (ωR/c)2/4(\omega R/c)^2 /4. (d) Waarom is de netfrequentie van een net dat een heel werelddeel bestrijkt een quasistationair vraagstuk, hoewel het net 1000km1000\,\mathrm{km} groot is?

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.8.

(a) 6000km6000\,\mathrm{km}, 300m300\,\mathrm{m}, 3m3\,\mathrm{m}, 12.5cm12.5\,\mathrm{cm}. (b) f<c/10Lf < c/10L: 300MHz300\,\mathrm{MHz}; 3GHz3\,\mathrm{GHz}; 30Hz30\,\mathrm{Hz}. (c) (2π×106×0.05/3×108)2/4=3×107(2\pi \times 10^6 \times 0.05/3 \times 10^8)^2/4 = 3 \times 10^{-7}. (d) Strikt genomen is het dat niet: bij 50Hz50\,\mathrm{Hz} is een net van 1000km1000\,\mathrm{km} een zesde golflengte, verschillen de fasen erover, en worden lange lijnen als transmissielijnen behandeld — elke plaatselijke schakeling is echter wel quasistationair.

Oefening 11.9 ★★

Toon aan dat de wet van Ampère zonder de verplaatsingsstroom, curlB=μ0j\operatorname{\vect{curl}} \vect B = \mu_0\vect j, in strijd is met het behoud van lading zodra tρ0\partial_t\rho \ne 0. Schat in de condensator van Oefening 11.3 de divj\operatorname{div}\vect j, gemiddeld over een plaat met dikte e=0.1mme = 0.1\,\mathrm{mm} (waar de stroom II ophoudt), en de bijbehorende tρ\partial_t\rho.

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.9.

divcurlB=0\operatorname{div}\operatorname{\vect{curl}}\vect B = 0 zou divj=0\operatorname{div}\vect j = 0 afdwingen, d.w.z. tρ=0\partial_t\rho = 0 overal. In de plaat (volume πR2e\pi R^2e) komt de stroom II binnen en gaat er niets uit: divj=I/πR2e=1.6×105A/m3\langle\operatorname{div}\vect j\rangle = -I/\pi R^2e = -1.6 \times 10^{5}\,\mathrm{A}/\mathrm{m}^{3}, tρ=+1.6×105Cm3s1\partial_t\rho = +1.6 \times 10^{5}\,\mathrm{C}\,\mathrm{m}^{-3}\,\mathrm{s}^{-1}.

Oefening 11.10 ★★★

Het betatron. Een uniform magnetisch veld B(t)ezB(t)\vect e_z vult een cilinder met straal RR en groeit met  ⁣dB/ ⁣dt=B˙\dd B/\dd t = \dot B. (a) Uit symmetrie is E=Eθ(r)eθ\vect E = E_\theta(r)\vect e_\theta: gebruik de integraalwet van Faraday om EθE_\theta te vinden voor r<Rr < R en r>Rr > R. (b) Er is nergens lading: geef commentaar op een elektrisch veld met gesloten lijnen. (c) Hoeveel energie wint een elektron op een cirkel met straal r0<Rr_0 < R per omloop? Voor B˙=10T/s\dot B = 10\,\mathrm{T}/\mathrm{s} en r0=0.5mr_0 = 0.5\,\mathrm{m}: energie per omloop in eV; aantal omlopen voor 20MeV20\,\mathrm{MeV}. (d) Opdat de baanstraal constant blijft, moet de impuls p=eBr0p = eBr_0 (uit de magnetische kracht) groeien zoals de energiewinst uit het geïnduceerde veld voorschrijft: toon de voorwaarde B(r0)=12BschijfB(r_0) = \tfrac12\langle B\rangle_{\text{schijf}} aan — de betatronvoorwaarde.

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.10.

(a) 2πrEθ=πr2B˙2\pi rE_\theta = -\pi r^2\dot B: Eθ=rB˙/2E_\theta = -r\dot B/2 binnenin, R2B˙/2r-R^2\dot B/2r erbuiten. (b) Haar lijnen zijn gesloten cirkels: zij is geen gradiënt, maar drijft ladingen langs een lus rond — een elektromotorisch veld. (c) e2πr0Eθ=eπr02B˙e\cdot2\pi r_0 |E_\theta| = e\pi r_0^2\dot B: π×0.25×10=7.9eV\pi \times 0.25 \times 10 = 7.9\,\mathrm{eV} per omloop; 2.5×1062.5 \times 10^6 omlopen. (d) p=eB(r0)r0p = eB(r_0)r_0 geeft p˙=er0B˙(r0)\dot p = er_0\dot B(r_0), terwijl het geïnduceerde veld p˙=eEθ=eΦ˙/2πr0\dot p = e|E_\theta| = e\dot\Phi/2\pi r_0 geeft: B(r0)=Φ/2πr02=12BB(r_0) = \Phi/2\pi r_0^2 = \tfrac12\langle B\rangle.

Oefening 11.11 ★★★

De golven van Maxwell. In vacuüm (ρ=0\rho = 0, j=0\vect j = \vect 0): (a) neem de rotatie van de vergelijking van Maxwell–Faraday, gebruik curlcurl=graddivΔ\operatorname{\vect{curl}} \operatorname{\vect{curl}} = \operatorname{\vect{grad}}\operatorname{div} - \Delta en de overige vergelijkingen om ΔE=μ0ε0t2E\Delta\vect E = \mu_0\varepsilon_0\,\partial_t^2\vect E te verkrijgen. (b) Hetzelfde voor B\vect B. (c) Dit is de vergelijking van d’Alembert in drie dimensies: snelheid? Bereken haar uit ε0\varepsilon_0 en μ0\mu_0. (d) Waarom overtuigde dit getal Maxwell ervan dat licht elektromagnetisch is, en welke meting van Weber en Kohlrausch gebruikte hij?

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.11.

(a) curlcurlE=ΔE\operatorname{\vect{curl}}\operatorname{\vect{curl}}\vect E = -\Delta\vect E (omdat divE=0\operatorname{div} \vect E = 0) =tcurlB=μ0ε0t2E= -\partial_t\operatorname{\vect{curl}}\vect B = -\mu_0\varepsilon_0\partial_t^2\vect E. (b) Hetzelfde met de rollen verwisseld. (c) c=1/μ0ε0=3.0×108m/sc = 1/\sqrt{\mu_0\varepsilon_0} = 3.0 \times 10^{8}\,\mathrm{m}/\mathrm{s}. (d) Weber en Kohlrausch hadden de verhouding van de elektrostatische en de elektromagnetische ladingseenheid gemeten, 3.1×1083.1 \times 10^8 m/s; Fizeau had het licht op 3.15×1083.15 \times 10^8 m/s gemeten: “wij kunnen de gevolgtrekking nauwelijks vermijden dat licht bestaat in de transversale golvingen van datzelfde medium”.

Oefening 11.12 ★★★

Velden in een geleider bij lage frequentie. In een ohmse geleider (j=γE\vect j = \gamma\vect E) in het magnetische quasistationaire regime: (a) neem de rotatie van de wet van Ampère en gebruik die van Faraday om ΔB=μ0γtB\Delta\vect B = \mu_0\gamma\, \partial_t\vect B aan te tonen; waarom is dat een diffusievergelijking? (b) Karakteristieke tijd waarin B\vect B tot een diepte dd doordringt: τμ0γd2\tau \sim \mu_0\gamma d^2; getallen voor een koperplaat van 1cm1\,\mathrm{cm} en voor de kern van de aarde (γ5×105S/m\gamma \approx 5 \times 10^{5}\,\mathrm{S}/\mathrm{m}, d3000kmd \approx 3000\,\mathrm{km}). (c) Toon aan dat de diepte die in één periode bij frequentie ff wordt bereikt, van de orde δ=2/μ0γω\delta = \sqrt{2/\mu_0\gamma\omega} is; waarde voor koper bij 50Hz50\,\mathrm{Hz} en 1MHz1\,\mathrm{MHz} (de indringdiepte van Hoofdstuk 14). (d) Wat betekent (b) voor de tijdsvariaties van het magnetische veld van de aarde?

Oplossing

Oplossing van Oefening 11.12.

(a) curlcurlB=ΔB=μ0γcurlE=μ0γtB\operatorname{\vect{curl}}\operatorname{\vect{curl}}\vect B = -\Delta\vect B = \mu_0\gamma\operatorname{\vect{curl}} \vect E = -\mu_0\gamma\partial_t\vect B: ΔB=μ0γtB\Delta\vect B = \mu_0\gamma\partial_t\vect B, de vorm van de warmtevergelijking met diffusiecoëfficiënt 1/μ0γ1/\mu_0\gamma. (b) τμ0γd2\tau \sim \mu_0\gamma d^2: 7.5ms7.5\,\mathrm{ms} voor de plaat; 4π×107×5×105×9×1012=6×1012s4\pi \times 10^{-7} \times 5 \times 10^5 \times 9 \times 10^{12} = 6 \times 10^{12}\,\mathrm{s}, tweehonderdduizend jaar, voor de kern. (c) μ0γδ22/ω\mu_0\gamma\delta^2 \sim 2/\omega: δ=2/μ0γω\delta = \sqrt{2/\mu_0 \gamma\omega}: 9mm9\,\mathrm{mm} bij 50Hz50\,\mathrm{Hz}, 65µm65\,\text{µ}\mathrm{m} bij 1MHz1\,\mathrm{MHz}. (d) Het veld van de kern kan door diffusie niet in minder dan 10510^5 jaar veranderen: de waargenomen seculaire variatie en de omkeringen vragen om beweging van het geleidende fluïdum — een dynamo.

11.7 Vraagstuk: De condensator, het betatron en de potentialen

Probleem 11.1

Weekendvraagstuk — de vergelijkingen van Maxwell aan het werk in één ladende condensator, in de versneller die op de wet van Faraday alleen draait, en in de potentialen die hen oplossen

Deel I — De ladende condensator. Ronde platen met straal R=10cmR = 10\,\mathrm{cm} en afstand d=1.0mmd = 1.0\,\mathrm{mm}, in lucht; door de toevoerdraad langs de as loopt een stroom I(t)=I0cosωtI(t) = I_0\cos\omega t met I0=1.0AI_0 = 1.0\,\mathrm{A} en f=1.0MHzf = 1.0\,\mathrm{MHz}. Randeffecten worden verwaarloosd.

  1. Lading Q(t)Q(t) en veld E(t)E(t) tussen de platen; amplitude van EE.
  2. Dichtheid van de verplaatsingsstroom tussen de platen; ga na dat haar flux door een plaat gelijk is aan I(t)I(t).
  3. Magnetisch veld B(r,t)B(r, t) tussen de platen voor r<Rr < R, uit de integraalwet van Ampère–Maxwell; amplitude in r=Rr = R.
  4. Veld voor r>Rr > R (nog steeds tussen de vlakken van de platen): vergelijk met het veld van de draad op dezelfde rr; is er een sprong in r=Rr = R?
  5. De veranderende B\vect B induceert via de wet van Faraday een correctie E1\vect E_1 op het elektrische veld: toon met curlE1=tB\operatorname{\vect{curl}}\vect E_1 = -\partial_t\vect B en E1=E1(r)ez\vect E_1 = E_1(r)\vect e_z (axiaal) aan dat E1(r)E1(0)=μ0ε0r24 ⁣d2E ⁣dt2E_1(r) - E_1(0) = \dfrac{\mu_0\varepsilon_0r^2}4\,\dfrac{\dd^2E}{\dd t^2}, en schat E1(R)E1(0)/E|E_1(R) - E_1(0)|/|E|.
  6. Besluit over de geldigheid van de elektrische quasistationaire behandeling bij 1MHz1\,\mathrm{MHz}; bij welke frequentie zou de correctie 10%10\% bereiken? (De exacte oplossing is een besselfunctie: de condensator is een trilholte geworden.)
  7. Energie: de elektrische energie 12ε0E2\tfrac12\varepsilon_0E^2 die tussen de platen is opgeslagen, maximale waarde; de magnetische energie B2/2μ0 ⁣dτ\int B^2/2\mu_0\,\dd\tau op het ogenblik dat E=0E = 0; hun verhouding, en het verband met de schatting van vraag 5.

Deel II — Het betatron. Een elektromagneet wekt een veld B=B(r,t)ez\vect B = B(r, t)\vect e_z op dat symmetrisch is om de zz-as; elektronen lopen rond in een vacuümring met straal r0r_0.

  1. Toon uit Maxwell–Faraday in integraalvorm aan dat het elektrische veld op de baan Eθ(r0)=12πr0 ⁣dΦ ⁣dtE_\theta(r_0) = -\dfrac1{2\pi r_0} \dfrac{\dd\Phi}{\dd t} is, met Φ\Phi de flux door de baan.
  2. Tangentiële bewegingsvergelijking van een elektron (lading e-e):  ⁣dp/ ⁣dt=eEθ\dd p/\dd t = eE_\theta in grootte; de energiewinst per omloop is e ⁣dΦ/ ⁣dte\,|\dd\Phi/\dd t|.
  3. Radiaal evenwicht op de cirkel: p=eB(r0)r0p = eB(r_0)r_0. Toon aan dat, opdat r0r_0 constant blijft, B(r0,t)=Φ(t)/2πr02B(r_0, t) = \Phi(t)/2\pi r_0^2 moet gelden, dat wil zeggen dat het veld op de baan de helft van het gemiddelde veld erbinnen moet zijn.
  4. Waarom kunnen de elektronen niet door een uniform veld worden versneld? Hoe wordt de voorwaarde in de praktijk gerealiseerd (vorm van de poolschoenen)?
  5. r0=0.50mr_0 = 0.50\,\mathrm{m}, B(r0)B(r_0) in 5ms5\,\mathrm{ms} van 00 tot 0.40T0.40\,\mathrm{T} opgevoerd: eindimpuls; eindenergie (gebruik E=pcE = pc voor deze ultrarelativistische elektronen, 1MeV=1.6×1013J1\,\mathrm{MeV} = 1.6 \times 10^{-13}\,\mathrm{J}); energie per omloop en aantal omlopen; afgelegde afstand.
  6. De elektronen stralen wanneer zij op een cirkel worden versneld (Hoofdstuk 17): dat begrenst betatrons tot enkele honderden MeV. Waar komt de energie van de elektronen uiteindelijk vandaan, en via welke term van de vergelijkingen van Maxwell?
  7. Na de versnelling worden de elektronen op een trefplaat geworpen en maken zij röntgenstraling: waarom was het betatron in de jaren vijftig het bestralingstoestel bij uitstek, en wat heeft het vervangen?

Deel III — Potentialen en Poisson.

  1. Schrijf E\vect E en B\vect B in termen van VV en A\vect A, en ga na dat Maxwell–Faraday en Maxwell–flux dan vanzelf voldaan zijn.
  2. Een bol met straal aa draagt de uniforme dichtheid ρ0\rho_0: schrijf de vergelijking van Poisson in bolsymmetrie op, los haar binnen en buiten op (V0V \to 0 op oneindig, VV en VV' continu in aa), en vind de velden van het volume van jaar 1 terug.
  3. Potentiële energie van de bol, 12ρV ⁣dτ\tfrac12\int\rho V\,\dd\tau: waarde 3Q2/20πε0a3Q^2/20\pi\varepsilon_0a; voor een uraniumkern (Q=92eQ = 92e, a=7.4fma = 7.4\,\mathrm{fm}), in MeV — de energie die vrijkomt wanneer zij splijt.
  4. Geef voor de condensator van deel I in het elektrische quasistationaire regime de VV tussen de platen. Toon aan dat een axiale vectorpotentiaal Az(r,t)ezA_z(r, t)\,\vect e_z, waarvoor (curlA)θ=rAz(\operatorname{\vect{curl}} \vect A)_\theta = -\partial_rA_z, het veld BθB_\theta van vraag 3 weergeeft, en bepaal AzA_z voor r<Rr < R (neem Az(0)=0A_z(0) = 0).
  5. Toon aan dat de correctie E1\vect E_1 van vraag 5 precies tA-\partial_t\vect A is voor die AzA_z, op een constante na.
  6. IJk: de voorwaarde van Coulomb divA=0\operatorname{div}\vect A = 0 geldt voor uw Az(r)A_z(r) — waarom? Welke andere A\vect A zou dezelfde B\vect B geven?

Deel IV — Grensvlakken en regimes.

  1. Oppervlaktelading op de platen van deel I op het ogenblik dat EE maximaal is; ga de overgangsrelatie op het binnenvlak van de plaat na (veld nul in het metaal).
  2. De stroom spreidt zich in de plaat radiaal uit van de as naar de rand: oppervlaktestroomdichtheid js(r)j_s(r) in de plaat; het magnetische veld vlak buiten het buitenvlak van de plaat, uit de overgangsrelatie, vergeleken met het veld dat in vraag 3 aan de binnenzijde is gevonden.
  3. Deel in: de platen bij 1MHz1\,\mathrm{MHz} (elektrisch quasistationair?), de toevoerlus van 20cm20\,\mathrm{cm} (magnetisch quasistationair?), dezelfde condensator bij 1GHz1\,\mathrm{GHz}; verantwoord met L/λL/\lambda.
  4. Waarom is de magnetische quasistationaire benadering in de betatronring uitstekend (afmetingen, opvoertijd van 100Hz100\,\mathrm{Hz}), hoewel het elektrische veld daar juist essentieel is?
  5. Vat in een tabel samen welke vergelijking van Maxwell (lokaal of integraal) elk deel heeft beantwoord, en welke term — verplaatsingsstroom, Faraday, Gauss, sprong aan het grensvlak — doorslaggevend was.
Oplossing

Oplossing van Probleem 11.1.

1. Q=(I0/ω)sinωtQ = (I_0/\omega)\sin\omega t, E=Q/ε0πR2E = Q/\varepsilon_0\pi R^2: amplitude I0/ωε0πR2=5.7×105V/mI_0/\omega\varepsilon_0 \pi R^2 = 5.7 \times 10^{5}\,\mathrm{V}/\mathrm{m}.

2. jd=ε0tE=I(t)/πR2=32cosωtj_d = \varepsilon_0\partial_tE = I(t)/\pi R^2 = 32\cos\omega t A/m2^2; haar flux door de plaat is I(t)I(t).

3. 2πrB=μ0ε0πr2tE2\pi rB = \mu_0\varepsilon_0\pi r^2\partial_tE: B=μ0I(t)r/2πR2B = \mu_0I(t)r/2\pi R^2; in RR: μ0I0/2πR=2µT\mu_0I_0/2\pi R = 2\,\text{µ}\mathrm{T}.

4. Voor r>Rr > R is de hele verplaatsingsstroom omsloten: B=μ0I/2πrB = \mu_0I/2\pi r, het veld van de draad; continu in RR.

5. (curlE1)θ=rE1=tBθ(\operatorname{\vect{curl}}\vect E_1)_\theta = -\partial_rE_1 = -\partial_tB_\theta, dus rE1=μ0ε0(r/2)E¨\partial_rE_1 = \mu_0\varepsilon_0(r/2)\ddot E en E1(r)E1(0)=μ0ε0r2E¨/4E_1(r) - E_1(0) = \mu_0\varepsilon_0r^2\ddot E/4; met E¨=ω2E\ddot E = -\omega^2E: E1(R)E1(0)/E=(ωR/c)2/4=1×106|E_1(R) - E_1(0)|/|E| = (\omega R/c)^2/4 = 1 \times 10^{-6}.

6. Uitstekend. Voor 10%10\% is (ωR/c)2=0.4(\omega R/c)^2 = 0.4 nodig, f300MHzf \approx 300\,\mathrm{MHz} — een trilholte, geen condensator meer.

7. We=12ε0E02πR2d=4.5×105JW_e = \tfrac12\varepsilon_0E_0^2\pi R^2d = 4.5 \times 10^{-5}\,\mathrm{J}; Wm=0R(μ0I0r/2πR2)2/2μ02πrd ⁣dr=μ0I02d/16π=2.5×1011JW_m = \int_0^R(\mu_0I_0r/ 2\pi R^2)^2/2\mu_0\cdot2\pi rd\,\dd r = \mu_0I_0^2d/16\pi = 2.5 \times 10^{-11}\,\mathrm{J}; verhouding 6×107(ωR/c)2/86 \times 10^{-7} \approx (\omega R/c)^2/8: dezelfde kleine parameter.

8. E ⁣dl=2πr0Eθ= ⁣dΦ/ ⁣dt\oint\vect E\cdot\dd\vect l = 2\pi r_0E_\theta = -\dd\Phi/\dd t.

9.  ⁣dp/ ⁣dt=eEθ=(e/2πr0) ⁣dΦ/ ⁣dt\dd p/\dd t = e|E_\theta| = (e/2\pi r_0)|\dd\Phi/\dd t|; per omloop 2πr0eEθ=e ⁣dΦ/ ⁣dt2\pi r_0\cdot e|E_\theta| = e|\dd\Phi/\dd t|.

10. p=eB(r0)r0p = eB(r_0)r_0 geeft p˙=er0B˙(r0)\dot p = er_0\dot B(r_0); gelijkstellen met 9 geeft B(r0)=Φ/2πr02=12BB(r_0) = \Phi/2\pi r_0^2 = \tfrac12\langle B\rangle.

11. Een uniform veld heeft B(r0)=BB(r_0) = \langle B\rangle, twee keer te veel: de magnetische kracht groeit sneller dan de impuls en de baan krimpt. De poolschoenen zijn zo gevormd dat het veld sterk is nabij de as en half zo sterk op de baan.

12. p=eBr0=3.2×1020kgm/sp = eBr_0 = 3.2 \times 10^{-20}\,\mathrm{kg}\,\mathrm{m}/\mathrm{s}; E=pc=9.6×1012J=60MeVE = pc = 9.6 \times 10^{-12}\,\mathrm{J} = 60\,\mathrm{MeV}; Φ=2πr02B=0.63Wb\Phi = 2\pi r_0^2B = 0.63\,\mathrm{Wb} in 5ms5\,\mathrm{ms}: 126eV126\,\mathrm{eV} per omloop, 4.8×1054.8 \times 10^5 omlopen, 1500km1500\,\mathrm{km} — bij cc in 5ms5\,\mathrm{ms}: consistent.

13. Uit de voeding van de magneet, aan de elektronen doorgegeven door de term van Faraday: de veranderende flux maakt het versnellende veld.

14. Tientallen MeV aan elektronen die in een zware trefplaat worden afgeremd, geven doordringende röntgenstraling; de compacte lineaire versneller, met hogere dosistempo’s, heeft het betatron vervangen.

15. divcurlA=0\operatorname{div}\operatorname{\vect{curl}}\vect A = 0; curl(gradVtA)=tcurlA=tB\operatorname{\vect{curl}}(-\operatorname{\vect{grad}} V - \partial_t\vect A) = -\partial_t\operatorname{\vect{curl}}\vect A = -\partial_t\vect B.

16. 1r2(r2V)=ρ0/ε0\frac1{r^2}(r^2V')' = -\rho_0/\varepsilon_0: V=ρ0(3a2r2)/6ε0V = \rho_0(3a^2 - r^2)/6\varepsilon_0 binnenin, ρ0a3/3ε0r=Q/4πε0r\rho_0a^3/3\varepsilon_0r = Q/4\pi\varepsilon_0r erbuiten; E=ρ0r/3ε0E = \rho_0r/3\varepsilon_0 en Q/4πε0r2Q/4\pi\varepsilon_0r^2.

17. 12ρV ⁣dτ=2πρ02(a5/6a5/30)/ε0=4πρ02a5/15ε0=3Q2/20πε0a\tfrac12\int\rho V\,\dd\tau = 2\pi\rho_0^2(a^5/6 - a^5/30)/\varepsilon_0 = 4\pi\rho_0^2a^5/ 15\varepsilon_0 = 3Q^2/20\pi\varepsilon_0a; uranium: 1.6×1010J1.6 \times 10^{-10}\,\mathrm{J} 1000MeV\approx 1000\,\mathrm{MeV} (bij splijting komen de 200MeV200\,\mathrm{MeV} vrij waarmee twee kleinere bollen goedkoper uitkomen).

18. V=E(t)zV = -E(t)z (plus een constante). Met A=Az(r,t)ez\vect A = A_z(r, t)\vect e_z geeft Bθ=rAz=μ0Ir/2πR2B_\theta = -\partial_rA_z = \mu_0Ir/2\pi R^2 dat Az=μ0I(t)r2/4πR2A_z = -\mu_0I(t)r^2/4\pi R^2.

19. tAz=μ0I˙r2/4πR2=μ0ε0r2E¨/4-\partial_tA_z = \mu_0\dot Ir^2/4\pi R^2 = \mu_0\varepsilon_0r^2\ddot E/4 (omdat I˙=ε0πR2E¨\dot I = \varepsilon_0\pi R^2\ddot E): de correctie van vraag 5, op een constante na.

20. divA=zAz=0\operatorname{div}\vect A = \partial_zA_z = 0 omdat AzA_z alleen van rr afhangt; elke A+gradχ\vect A + \operatorname{\vect{grad}}\chi.

21. σ=ε0E0=5µC/m2\sigma = \varepsilon_0E_0 = 5\,\text{µ}\mathrm{C}/\mathrm{m}^{2}; in het metaal is E=0\vect E = \vect 0, zodat de sprong σ/ε0\sigma/\varepsilon_0 precies het veld in de spleet is.

22. De stroom I(t)I(t) voedt de plaat vanaf de as; het deel dat voorbij rr nog moet worden geleverd, is I(1r2/R2)I(1 - r^2/R^2), zodat js=I(1r2/R2)/2πrj_s = I(1 - r^2/R^2)/2\pi r. Op het buitenvlak geeft Ampère het veld van de draad, μ0I/2πr\mu_0I/ 2\pi r; op het binnenvlak μ0Ir/2πR2\mu_0Ir/2\pi R^2; het verschil, μ0I(1r2/R2)/2πr=μ0js\mu_0I(1 - r^2/R^2)/2\pi r = \mu_0j_s, is de sprong aan het grensvlak.

23. Platen: R/λ=3×104R/\lambda = 3 \times 10^{-4}, elektrisch quasistationair. Lus: 7×1047 \times 10^{-4}, magnetisch quasistationair. Bij 1GHz1\,\mathrm{GHz}: R/λ=0.3R/\lambda = 0.3 — een trilholte en een antenne.

24. λ=3000km\lambda = 3000\,\mathrm{km} voor een ring van een meter: de verplaatsingsstroom is volstrekt verwaarloosbaar; het essentiële elektrische veld is dat van Faraday, dat het magnetische quasistationaire regime volledig behoudt.

25. I: Ampère–Maxwell (verplaatsingsstroom), Faraday voor de correctie, energiedichtheden. II: Faraday in integraalvorm, lorentzkracht. III: de potentialen, Poisson (Gauss). IV: de sprongen van E\vect E en B\vect B aan het grensvlak; de verhouding van afmeting tot golflengte voor het regime.

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 393 begrippen in de begrippenlijst